Citation
Modus Jaargang 5 Nummer 2

Material Information

Title:
Modus Jaargang 5 Nummer 2

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 1 Analyse prijsontwikkelingen 2003 Chequita Goedhoop Inleiding In dit artikel publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de consumenten prijsindex cijfers voor het jaar 2003 voor de eilanden Curaao, Bonaire en St. Maarten. In 2003 zijn de p rijzen, vergeleken met 2002, op alle drie de eilanden gestegen, en wel Curaao met 2,1 procent, Bo naire met 0,8 procent en St. Maarten met 1,6 procent. Deze jaargemiddelden, gemeten over de twaalf maanden van het jaar en vergeleken met de jaargemiddelde n uit 2002, worden door het CBS als een goede indicator van de inflatie beschouwd. In de volgende paragrafen zullen per eiland de ontwikkelingen van de inflatie worden beschreven. Inflatie Curaao 2003: 2,1 procent In 2003 zijn de consumentenprijzen in Cur aao met 2,1 procent gestegen vergeleken met het jaar 2002. De inflatie komt daarmee in 2003 duidelijk hoger uit dan in het voorgaand jaar, toen de mutatie 0,4 procent bedroeg. Ontwikkelingen per sector Van de negen sectoren waaruit de prijsindex wordt opg e bouwd geven zeven sectoren voor het jaar 2003 prijsstijgingen aan, waarbij de grootste prijsstijgingen zijn voorge komen in de sec Voor twee sectoren zijn prijsdalingen geregistreerd, te weten mu Hieronder wordt nader ingegaan op de prijs ont wik kelingen in de vijf belangrijkste sectoren. Wonen Vergeleken met het jaar 2002 zijn de prijzen in de sector t gestegen. Deze gemiddelde prijsstijging is veroorzaakt door prijs ver hogingen voor alle groepen, maar in het bijzonder de energie en waterprijzen. De gemiddelde tarieven voor water en elektriciteit waren in 2003 belangrijk hoger dan in 2002 ondanks het feit dat er geen tariefsaanpassingen in 2003 zijn Voor zowel Curaao, Bonaire als St. Maarten nam de inflatie in 2003 toe. De prijzen stegen in 2003 het minste in Bonaire. Het verschil wordt grotendeels verklaard doordat de energieprijzen op beid e andere eilanden flink stegen, maar in Bonaire niet.

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine 2 Jaargang 5 voorgekomen. De reden daar voor zijn de aanpassingen van de prijzen in november 2002. Daar door is het gemiddelde voor 2002 lager dan het gemiddelde voor 2003 gebleven. Woninginrichting en huisraad In dez e sector zijn de prijzen vergeleken met 2002 gemiddeld met 2,5 procent toegenomen. Prijsstijgingen hebben zich voor hou de ning inrich Voor de resterende groepen in deze sector zijn er prijsdalingen opge treden, waarbij de prijzen van mees te zijn gedaald. Voeding Gedurende het geheel jaar door hebben zich prijsstijgingen voorgedaan in de sector voeding. De toename van de gemiddelde jaar prijsindex van 2,2 procent is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de prijsstijgingen in de groepen groen co Vervoer en communicatie De gemiddelde prijsdal ing van 1,3 procent in de sector is een com binatie van enerzijds prijs stij prijsdalingen voor de groepen ca kosten via het mobiele telefoonnet) Dranken en rookwaren Gedurende het jaar 2003 zijn de Tabel 1. Consumenten prijsindexcijfers Curaao, reeks totale bevolking Procentuele mutaties t.o.v. dezelfde periode van het voorgaand jaar. Sectoren Wegings cofficint 1999 2000 2001 2002 20 03 % Voeding 1466 2,0 6,3 3,4 3,7 2,2 Dranken en Rookwaren 233 1,4 10,2 2,3 0,4 0,6 Kleding en Schoeisel 754 0,7 1,5 1,1 1,9 0,3 Wonen 2647 0,2 8,4 2,9 2,1 6,0 Woninginrichting en Huisraad 879 1,0 0,6 0,8 1,2 2,5 Gezondheidszorg 203 1,3 3 ,8 6,9 1,8 0,7 Vervoer en Communicatie 1991 0,5 7,8 1,1 2,9 1,3 Recreatie en Ontwikkeling 818 0,9 1,0 0,5 0,6 0,1 Overig 1009 1,0 5,0 1,2 1,2 0,7 Totaal 10000 0,4 5,8 1,8 0,4 2,1

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 3 daald. De gemiddelde daling be draagt 0,6 procent. Ontwikkelingen 1999 2003 In tabel 1 wor den de prijsont wik ke lingen tussen 1992 en 2003 weer gegeven. Uit de tabel blijkt dat gedurende de periode van 5 jaren (1999 tot en met 2003) de prijzen in de sectoren heids durend in prijs zijn toe ge no men. zijn de laatste twee jaren (2002 en 2003) prijs da lin gen waargenomen. De hoogste mutatie in het jaar gemid delde van het totaal index cijfer deed zich voor in 2000 (5,8%), terwijl d e laagste muta ties (0,4%) voorkwamen in 1999 en 2002. Inflatie Bonaire 2003: 0,8 procent Gemiddeld zijn de prijzen in Bonaire in 2003 met 0,8 procent gestegen vergeleken met het jaar 2002. In 2002 was er, ten opzichte van 2001, geen sprake van inflatie ma ar van deflatie : de prijzen daalden ( 0,3 procent). Ontwikkelingen per sector Van de negen sectoren waaruit de prijsindex wordt opgebouwd zijn in acht sectoren in 2003 prijsstijgingen opgetreden, waarbij de grootste prijs stijgingen zich hebben voorgedaa n in heids Hieronder wordt nader ingegaan op de prijsontwikkelingen in de vier belang rijkste sectoren. Tabel 2. Consumenten prijsind excijfers Bonaire, reeks totale bevolking Procentuele mutaties t.o.v. dezelfde periode van het voorgaand jaar. Omschrijving Wegings cofficint 1999 2000 2001 2002 2003 Voeding 1819 5,6 4,4 1,4 1,7 2,9 Dranken en Rookwaren 327 3,9 5,9 1,9 1,4 0,2 K leding en Schoeisel 720 1,2 1,6 0,1 0,0 0,0 Wonen 2519 0,4 2,1 1,7 1,4 1,8 Woninginrichting en Huisraad 886 2,0 3,0 1,2 2,4 0,8 Gezondheidszorg 157 2,1 1,0 0,5 0,9 2,0 Vervoer en Communicatie 1860 8,2 8,7 3,4 3,5 1,3 Recreatie en Ontwikkeling 922 2,1 1,1 0,1 0,0 0,0 Overig 790 1,2 3,0 1,0 0,4 0,1 Totaal 10000 3,4 4,0 1,3 0,3 0,8

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine 4 Jaargang 5 Voeding Het jaargemiddelde namelijk met 2,9 procent. De oorzaak van deze prijsstijging is een combinatie van enerzijds en, Gezondheidszorg 2002: 0,9 procent). Vooral gene esmiddelen en orthopedische artikelen zijn duurder geworden. Wonen In deze sector hebben zich prijsstijgingen voorgedaan binnen alle groepen waar de sector uit 1,8 procent is toegenomen. Vervoer en communicatie gedaald. Binnen deze sector zijn er prijsmutaties opgetreden die elkaar deels compenseren. Zo zijn de prijzen van d Ontwikkelingen 1999 2003 In tabel 2 worden de prijsontwikkelingen tussen 1 992 en 2003 weer gegeven. 2002 en 2003) sprake van prijsdalingen, terwijl er in het begin sterke prijsverhogingen waren. prijzen in 2002 en 2003 ongewijzigd gebleven. Voor de totaalindex hee ft het een en ander tot gevolg dat de aanvankelijk vrij hoge prijsmutaties in latere jaren op een duidelijk lager niveau zijn komen te liggen, met als laagtepunt de deflatie in 2002. De volgende grafiek toont deze ontwikkeling. Inflatie St. Maarten 2003: 1,6 procent Gemiddeld zijn de prijzen in St. Maarten in 2003 met 1,6 procent gestegen in vergelijking met 2002. De inflatie komt daarmee in 2003 hoger uit dan in 2002, toen een waarde van 0,5 procent werd bereikt. Ontwikkelingen per sector Van de negen sec toren waaruit de prijsindex wordt opgebouwd hebben zich in acht sectoren in het jaar 2003 prijsstijgingen voorgedaan, waarbij de grootste prijsstijgingen zijn voorgekomen in

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 5 angrijkste oorzaken voor de prijsstijging in de sector water en energieverbruik. Voor n sector is een prijsdaling geregistreerd: Hieronder wordt nader ingegaan op de prijsontwikkelingen in de drie belangrijkste sectoren. Wonen De grootste prijsstijging heeft zich in De index is gemiddeld met 3,9 procent toegenomen. Dit is toe te schrijven aan de prijsontwikkelingen die zich binnen alle groepen in deze se ctor hebben voorgedaan. Voeding gemiddeld met 1,1 procent toe ge no zijn binnen deze sector het meeste in prijs toegenomen, terwijl daarent egen prijs zijn gedaald Woninginrichting en huisraad In 2003 zijn zowel de prijzen van de gestegen. Daarnaast zijn de prijsindices ing en woning Dit alles heeft ertoe geleid dat het 0,9 procent is gestegen. Tabel 3. Consumenten prijsindexcijfers St.Maarten, reek s totale bevolking Procentuele mutaties t.o.v. dezelfde periode van het voorgaand jaar. Omschrijving Wegings cofficint 1999 2000 2001 2002 2003 Voeding 1377 0,3 0,6 2,1 4,2 1,1 Dranken en Rookwaren 243 1,1 0,7 0,4 2,1 0,1 Kleding en Schoeisel 68 9 0,4 0,0 0,1 0,5 0,1 Wonen 3053 1,8 4,2 1,1 0,6 3,9 Woninginrichting en Huisraad 720 0,6 0,7 1,4 0,6 0,9 Gezondheidszorg 235 3,7 0,9 0,2 0,1 0,5 Vervoer en Communicatie 2064 5,0 3,8 0,5 2,6 0,5 Recreatie en Ontwikkeling 894 0,4 0,1 1,3 1,4 0,3 Overig 725 1,5 1,3 0,7 1,9 0,8 Totaal 10000 2,0 0,6 1,0 0,5 1,6

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine 6 Jaargang 5 Ontwikkelingen 1999 2003 In tab el 3 worden de prijsontwikke ling en tussen 1999 en 2003 weer gegeven. Uit de tabel blijkt dat gedurende de periode van vijf jaar de prijzen voor de sectoren durend zij n toege nomen. prijsstijgingen en dalingen opgetreden. Voor alle jaren bleef het stijgin gspercentage van de totaalindex beperkt. In 2002 is er sprake van een minimale stijging van 0,5 procent, en in 1999 van een maximale stijging van 2,0 procent. en In de onderstaande tabellen wo rden de prijsontwikkelingen die zich in de jaren 1999 tot en met 2003 hebben afgespeeld in twee belangrijke consumptiegroepen De keuze van deze twee groepen is gedaan omdat beiden een belangrijk aandeel in de totale consumptie van huis houdens hebben. Curaao Voeding en Dranken Zoals uit de tabe l blijkt zijn in deze periode van vijf jaar de prijzen voor deze sector elk jaar gestegen, met de grootste prijsstijging in 2000 (6,8%) en de kleinste prijsstijgingen in 1999 en 2003 (beiden 1,8%). Over de gehele periode gemeten komt de stijging uit op bij na 18 procent. Energie en Waterverbruik Tabel 4. Prijsmutaties in twee belangrijke consumptiegroepen, Curaao Mutaties in de jaargemiddelden ten opzichte van het voorgaande jaar Omschrijving We gings cofficint 1999 2000 2001 2002 2003 % Voeding en Dranken 1658 1,8 6,8 3,2 3,2 1,8 Energie en waterverbruik 622 7,4 31,6 7,1 3,9 15,9 Tabel 5. Prijsmutaties in twee belangrijke consumptiegroepen, Bonaire Mutaties in de j aargemiddelden ten opzichte van het voorgaande jaar Omschrijving Wegings cofficint 1999 2000 2001 2002 2003 % Voeding en Dranken 1658 5,3 4,5 0,9 1,2 2,5 Energie en waterverbruik 622 4,3 2,1 0,6 0,8 0,4 Tabel 6. Prijsmutaties in twee bel angrijke consumptiegroepen, St. Maarten Mutaties in de jaargemiddelden ten opzichte van het voorgaande jaar Omschrijving Wegings cofficint 1999 2000 2001 2002 2003 % Voeding en Dranken 1658 0,4 0,4 1,3 4,3 0,9 Energie en waterverbruik 622 0,5 14,8 2,4 7,1 9,7

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 7 Met uitzondering van een prijsdaling in 1999 ( 7,4%) zijn de prijzen in de periode onder beschouwing gestegen, met als piek het jaar 2000 (31,6%). Over de gehele periode gemeten komt de toename uit op 57 procent. Daarmee geldt voor beide groepen dat de mutaties veel groter waren dan geldt voor het totaal prijsindexcijfer (bijna 11% voor de peri ode als geheel). Bonaire Voeding en Dranken aanvankelijk op een hoger niveau te hebben gelegen dan in de jaren daarna. Over de totale periode gemeten komt het stijgingspercentage uit op ruim 15 procent. Energie en waterverbruik Zowel in 1999 als in 2002 daalden de prijzen van energie en water in Bonaire. In de overige jaren zijn de mutaties wel positief maar gematigd te noemen. Over de gehele periode 1999 2003 gemeten zijn de prijzen met 2,1 procent gedaald. Vergeleken met de mutatie van het totaalindexcijfer over de gehele p eriode (9,5%) blijkt de prijsmutatie van de groep voeding en dranken daar duidelijk bovenuit te steken en die van het energie en waterverbruik daar ver onder te blijven. St. Maarten Voeding en Dranken In de periode onder beschouwing zijn de prijsmutatie s met uitzondering van het jaar 2002 beperkt gebleven. In 2000 was er zelfs sprake van een prijsdaling. Over de gehele periode gemeten zijn de prijzen voor deze groep met minder dan 7 procent toegenomen, iets meer dan een procentpunt meer dan geldt voor de totaalindex, die in deze periode met 5,8 procent is toegenomen. Energie en Waterverbruik De prijzen voor het energie en waterverbruik zijn in drie van de vijf jaren gedaald, het meeste in 2002. Voor de jaren dat de prijzen wel stegen is dat echter me t forse mutaties gebeurd, en dan vooral in 2000. Voor de periode als geheel komt de mutatie uit op minder dan 14 procent, meer dan twee maal zo veel dan de mutatie van de totaalindex.

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine 8 Jaargang 5 Typen woonverblijven in de Nederlandse Antillen Sean de Boer Inleidin g Dit artikel gaat in op de verschillende typen woonverblijven en hun kenmerken die op de eilanden van de Nederlandse Antillen voorkomen. Er wordt getracht een analyse tussen de eilanden te doen. Voor de analyse wordt uitgegaan van het begrip woonverblij f. Een woonverblijf wordt gedefinieerd als een bouwsel, een verzameling bouwsels, of een gedeelte van een bouwsel, bestaande uit welk materiaalsoort dan ook, dat is ontworpen of door verbouw geschikt is gemaakt voor bewoning door n huishouden. Woonverbl ijven voorraad De woonverblijvenvoorraad in de Nederlandse Antillen telt 69 646 particuliere woonverblijven. Bijna tweenzeventig pro cent (71.8%) hiervan staat in Curaao, gevolgd door iets meer dan achttien procent (18.5%) in Sint Maarten. Op de overige eilanden staat iets minder dan drie procent (2.6%) van het totaal (zie tabel 1). Uit tabel 1 blijkt voorts dat voor wat betreft de leegstaand de eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius relatief de lijst aan voeren. Het leegstandpercentage in Bonaire bedr aagt namelijk 21,5, in Sint Eustatius 16,4 en in Saba 21,3, terwijl het percentage in Curaao en Sint Maarten respectievelijk 11,7 en 8,0 bedraagt. Woonverblijven naar aard en omvang Tabel 2 gaat in op de aard van de woonverblijven in de Nederlandse An tillen. Relatief bekeken staan er op de Benedenwindse eilanden, volgens tabel 2, overwegend vrijstaande woonhuizen. Op de Bovenwindse eilanden, daarentegen, komen naast de vrijstaande woonhuizen ook relatief veel appartementen en twee onder n kap woning en voor. De typen en kenmerken van woonverblijven verschillen tussen de Bovenwindse en Benedenwindse eilanden. Op de Bovenwindse eilanden komen relatief meer appartementen voor, zijn d e woonverblijven kleiner en wordt meer verdiepingswoningen gebouwd. Op de Benedenwindse eilanden wordt de woning vaker in steen gebouwd met eternieten daken. Hout en zinkplaten zijn op de Bovenwinden de meest gebruikte bouwmaterialen voor muren en daken

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 9 Tabel 1. Woonverblijven Nederlandse Antillen naar type Type woonverblijf Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba Vrijstaand Woonhuis 49.357 3.384 39.27 5.584 694 425 Aparte kamer(s) in een woonhuis 1.015 54 245 685 25 6 Appartement op erf van woonhuis 2.291 73 1.054 1.082 44 38 Appartement in complex 4.66 73 1.103 3.335 103 46 Twee onder n kap woningen 2.319 71 1.223 969 22 34 Studentenhuis 27 6 2 7 12 Woonverblijf in pension of hotel 34 3 26 3 1 1 Leegstaand nieuw gebouwd 1.15 1 108 868 124 27 24 Leegstaand, vakantiehuis 1.415 342 813 201 27 32 Leegstaand, bewoond geweest 5.679 592 4.166 695 128 98 In aanbouw 1.354 146 1.028 140 33 7 NR 344 43 217 78 5 1 Totaal 69.646 4.889 50.019 12.898 1.116 724 Bron: Census 2001 Tabel 2. Woonverblijven naar type, relatieve cijfers Type woonverblijf Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % Vrijstaand woonhuis 82,3 92,0 91,1 47,6 77,0 75,5 Aparte kamer(s) in een woonhuis 1,7 1,5 0,6 5,8 2,8 1,1 Appartement op het erf van een woonhuis 3,8 2,0 2,4 9,2 4,9 6,7 Appartement in appartementen complex 7,8 2,0 2,6 28,5 11,4 8,2 2 of meer woningen onder n kap 3,9 1,9 2,8 8,3 2,4 6,0 Anders 0,5 0,6 0,5 0,5 1,5 2,5 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001 Tabel 3. Woonverblijven al dan niet in combinatie met een andere activiteit, relatieve verdeling Woonverblijf met: Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % Woonhuis alleen 94,7 92,2 95,4 94,2 82,7 95,0 Een andere activiteit 5 ,3 7,8 4,6 5,8 17,3 5,0 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001 Tabel 4a. Woonverblijven naar beschikbare woonoppervlakte, relatieve verdeling Beschikbare woonoppervlakte Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % < 60 m 19,6 14,4 14,4 39,4 29,8 30,9 60 89 m 23,2 27,6 23,6 20,4 22,4 28,0 90 119 m 19,6 22,4 20,9 14,0 15,0 18,0 120 149 m 13,5 14,6 15,1 7,7 10,4 9,3 150 179 m 7,9 8,3 8,7 4,8 7,9 4,6 180 209 m 6,1 5,5 6,8 3,9 4,8 2,0 210 279 m 5,1 3, 7 5,6 3,5 5,0 2,8 280 299 m 1,5 0,8 1,4 1,8 1,7 0,9 300 m of meer 3,5 2,6 3,4 4,5 3,0 3,5 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine 10 Jaargang 5 De woonverblijven op de Benedenwindse eilanden worden (zie verder tabel 3), in tegenstelling tot de woonverblijven op de Bovenwindse eilanden, in mindere mate gecombineerd met andere activiteiten. Bij activiteiten moet vooral gedacht worden a an activiteiten die niet overeenkomen met de oorspronkelijke bewoningsdoeleinden (bijvoorbeeld kantoor, winkel, warenhuis e.d.). Voor wat betreft de omvang van de woonverblijven laat tabel 4a zien dat de woonverblijven met een bewoningsoppervlakte tot 60 m vooral op de Bovenwindse eilanden te vinden zijn. De grotere woonverblijven, daarentegen, staan over het algemeen op de Benedenwindse eilanden. Uitzondering op de regel vormen de woonverblijven met een bewoningsoppervlakte van 280 m of meer. Deze woo nverblijven staan met name op de Bovenwindse eilanden Sint Maarten en Saba. Uit tabel 4b blijkt tenslotte dat de woonverblijven op de Benedenwindse eilanden over het algemeen zonder verdieping worden gebouwd, terwijl de woonverblijven op de Bovenwindse ei landen vaker met meerdere verdiepingen worden gebouwd. Woonverblijven en basisvoorzieningen Een woonverblijf wordt internationaal geschikt geacht indien deze minstens over basisvoorzieningen, zoals de toevoer van schoon stromend water en toiletten beschikt met geschikte afvoersystemen. Tabel 5 en 6 geven een inzicht in de relatieve verdeling naar waterdistributie systemen en de wijze waarop de aanwezige toiletten doorspoelmogelijkheden hebben. Ook uit bovenstaande tabel kan duidelijk een verschil tussen d e eilanden van de Nederlandse Antillen worden waargenomen. Op de eilanden die groter zijn qua oppervlakte worden de woonverblijven met name aangesloten op een waterdistributienet, terwijl op de kleinere eilanden de woonverblijven het vaker moeten doen met opgeslagen regenwater in regenbakken en/of waterputten. Het valt voorts uit de tabel op te maken dat, op Curaao na, op alle overige eilanden van de Nederlandse Antillen de woonverblijven met name gebouwd worden met zinkputten (zie verder tabel 6). In Cu raao komt volgens de tabel meer dan elders voor dat de woonverblijven aangesloten worden op rioleringsystemen. Constructieaard van woonverblijven Uit analyse blijkt dat op de Benedenwindse eilanden ook de dak en muurconstructie anders is dan op de Boven windse eilanden. De woonverblijven op deze eilanden groepen verschillen wel degelijk in bouwstijl. De volgende tabellen illustreren dat. In Bonaire en Curaao komen vooral woonverblijven voor die een dakconstructie hebben van eterniet (zie tabel 7a). Op d e Bovenwindse eilanden, daarentegen, hebben de woonverblijven over het algemeen een dakconstructie van zinkplaten of beton. De woonverblijven in Bonaire en Curaao worden vooral van cement of betonnen blokken opgetrokken (zie tabel 7b). In Sint Maarten, S int Eustatius en Saba worden de woonverblijven meer dan elders in de Nederlandse Antillen ook van hout gemaakt.

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 11 Tabel 4b. Woonverblijven naar aantal verdiepingen, relatieve verdeling Verdiepingen Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % 1 92,1 96,1 94,0 83,8 90,6 91,4 2 7,5 3,8 5,7 14,9 9,1 8,4 3+ 0,5 0,1 0,3 1,3 0,3 0,2 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001 Tabel 5. Wijze van waterdistributie, relatieve verdeling Wate rdistributie via: Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % Waterleiding (1) 94,1 98,0 98,3 89,4 0,6 0,2 Regenbak / waterput (2) 2,9 0,3 0,1 2,4 94,5 97,7 Combinatie van (1) en (2) 1,7 0,5 0,8 5,3 0,2 Anders 1,3 1,2 0,8 2,9 4,9 1, 9 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001 Tabel 6. Wijze van afvoer van het toilet, relatieve verdeling. Wijze van afvoer Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % Zinkput (1) 78,6 98,5 75,2 83,0 96,7 98,3 Riolering systeem (2) 19,5 0,4 23,3 13,8 0,2 0,5 Combinatie van (1) en (2) 0,6 0,1 0,6 0,9 0,1 0,2 Anders 0,6 0,9 0,4 0,8 2,5 0,5 Geen toilet 0,7 0,1 0,5 1,5 0,5 0,5 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001 Tabel 7a. Woonverbl ijven naar dakconstructie, relatieve verdeling Dakconstructie Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % Eterniet 54,1 57,9 70,1 0,9 1,0 Zink platen 28,2 30,1 16,4 67,2 60,7 64,2 Aluminium platen 4,9 3,3 5,7 2,0 8,9 8,9 Dakpannen 4 ,4 5,5 5,2 1,5 0,2 0,2 Beton 6,1 1,0 0,8 25,5 23,1 17,3 Shingles 1,0 1,1 1,0 0,9 2,9 2,0 Rubberoid (asfalt) 0,3 0,2 0,3 0,2 Slate shingles 0,1 0,2 0,1 0,2 0,4 2,0 Ander materiaal 0,8 0,7 0,5 1,7 2,7 5,5 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine 12 Jaargang 5 Woonverblijven naar eigendomsrecht In Saba en Sint Eustatius worden eigendomswoonverblijven het vaakst gebouwd op eigendoms gronden. Voor Cu raao en Bonaire gebeurt dit vaker op erfpachtgronden. (zie tabel 8). Dit verschijnsel is niet vreemd indien de feiten in ogenschouw worden genomen; de meeste percelen op de Benedenwindse eilanden zijn in handen van de overheid, terwijl dit minder het ge val is op de Bovenwindse eilanden. Uit tabel 8 blijkt voorts dat men op de Bovenwindse eilanden, en dan vooral in St. Maarten en St. Eustatius, relatief gezien vaker een woonverblijf huurt dan dat men feitelijk zelf bouwt. Het aantal gehuurde woonverblijv en op de Bovenwindse eilanden komt namelijk boven de vijftig procent uit. In Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius huurt men vooral van een particulier en in mindere mate van een stichting, terwijl op de Benedenwindse eilanden de verdeling meer naar een ev enwicht tussen particulier en stichting tendeert. Uit de tabel valt tenslotte op dat de sociale woningbouw vooral in Bonaire, Curaao en Sint Eustatius op grote schaal plaats heeft gevonden. Het aandeel woonverblijven dat van een stichting wordt gehuurd overtreft namelijk het gemiddelde van de Antillen. Het is alom bekend dat onder stichting vooral de sociale woningbouwverenigingen zijn gehuisvest. Kwalite i t en bouwperiode van woonverblijven De kwaliteit van een woonverblijf wordt bepaald door de mate va n geschiktheid. Het CBS maakt onderscheid in geschikt, ongeschikt en zeer ongeschikt. Een woning wordt geschikt geacht indien deze geen gebreken vertoont of gebreken heeft die met normale, dagelijkse onderhoud gerepareerd kunnen worden. Een woonverblijf, daarentegen, wordt ongeschikt bevonden indien meer reparaties nodig zijn dan het normale, dagelijkse onderhoud. Het woonverblijf heeft n of meerdere defecten die gerepareerd dienen te worden alvorens deze weer geschikt wordt bevonden om in te wonen. Het woonverblijf is aan het vervallen. Een woonverblijf is zeer ongeschikt indien de huidige staat van bewoning een bedreiging vormt voor de gezondheid, veiligheid en welzijn van de bewoners. Het woonverblijf is in dit geval in verval geraakt. Voor de anal gevoegd tot n Kwalitatief zijn de woonverblijven in met name Bonaire, Curaao en Saba geschikt voor bewoning (zie tabel 9). Dit kan niet worden gezegd voor het gemiddelde in Sint Maarten en Sint Eustatius. De laatst genoemde eilanden kennen relatief veel woonverblijven die niet geschikt genoeg worden geacht voor bewoningsdoeleinden. Het aandeel niet geschikte woonverblijven ligt gemiddeld aldus ruim boven het gem iddelde van de Nederlandse Antillen (zie tabel 9). De ouderdom van een woning wordt in deze analyse arbitrair vastgelegd. Alles wat vr 1980 is wordt bestempeld.

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 13 Tabel 7b. Woonverblijven naar muurconstructie, relatieve verdeling Muurconstructie Totaal Bonai re Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % Steen, beton, cement blokken (1) 85,9 94,5 89,1 72,2 84,0 68,7 Hout (2) 9,8 3,2 6,7 22,6 11,8 22,2 Combinatie van (1) en (2) 3,4 1,4 3,3 4,2 3,5 8,7 Eterniet 0,2 0,1 0,3 0,2 Zink lagen 0,1 0,1 0,1 0, 2 Ander materiaal 0,5 0,7 0,5 0,5 0,8 0,4 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001 Tabel 8. Woonverblijven naar eigendomsrecht, relatieve verdeling Eigendomsrecht Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % Eigendom, op eigen grond 23,2 15,6 24,5 19,4 30,3 46,4 Eigendom, op erfpachtgrond 24,4 36,7 27,4 11,3 12,8 3,6 Eigendom, op huurgrond 13,0 6,9 16,4 3,4 1,1 0,5 In bruikleen 2,2 2,1 2,5 1,2 4,4 1,6 Gehuurd van een stichting 9,9 13,0 10,7 5,9 10,6 3,4 Particulier huur, gemeubileerd 4,9 6,0 3,7 7,0 13,3 33,6 Particulier huur, ongemeubileerd 21,1 18,7 13,6 49,8 25,1 8,2 Anders 1,2 0,8 1,1 1,9 2,4 2,7 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001 Tabel 9. Kwaliteit van woonverblijven relatieve verdeling Kwaliteit van woonverblijf Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % Geschikt 93,0 95,9 94,6 86,2 89,3 94,8 Niet geschikt 7 4.1 5.4 13.8 10.8 5.2 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001 Tabel 10. Bouwperiode van woonverblijven, relatieve verdeling. Bouwperiode Totaal Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba % 22,8 22,0 27,6 4,3 18,9 25,5 '70 '79 11,1 9,1 12,9 4,9 12,1 9,6 '80 '89 29,6 24,5 30.3 28.9 30.5 25.1 '90 '99 23,9 26,3 19,7 39,4 24,7 22,9 '00 '01 12,5 16,0 9,5 22,6 13,9 16,9 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: Census 2001

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine 14 Jaargang 5 Uitgaande van deze aanpak komen in Curaao en Saba over het algemeen relatief meer oude woonverblijven dan elders in de Nederlandse Antillen voor. De meeste woonverblijven zijn vr de jaren negentig gebouwd. Daarentegen kennen de meeste woonverblijven o p de overige eilanden een jongere bouwjaar (vanaf 1980 tot heden). Het eiland Saba kent ook relatief veel woonverblijven die als zeer oud kunnen worden beschouwd. Ruim een kwart van het aantal bewoonde woonverblijven is namelijk vr het jaar 1970 gebouwd De nieuwste woonverblijven staan procentueel gezien met name in Sint Maarten. Tussen 1990 en het jaar 2001 is er relatief veel gebouwd. Het gaat om meer dan de helft van het aantal bewoonde woonverblijven. Dit is ook niet wonderbaarlijk gezien het feit dat na orkaan Luis in 1995 een aantal woningbouwprojecten zoals o.a. het project Blvedere zijn gerealiseerd. Samenvatting In Bonaire, Saba en Sint Eustatius staan er relatief meer woonverblijven leeg dan elders in de Nederlandse Antillen. Op de Benedenwi ndse eilanden komen meer vrijstaande woonhuizen voor. Op de Bovenwindse eilanden, daarentegen, staan naast de vrijstaande woonhuizen ook relatief meer appartementen en twee onder n kap woonverblijven. De woonverblijven op de Bovenwindse eilanden zijn en erzijds betrekkelijk klein qua bewoningsoppervlakte in vergelijking met de woonverblijven op de Benedenwindse eilanden. Anderzijds bouwt men op de Bovenwindse eilanden graag met verdiepingen terwijl men op de Benedenwindse eilanden meestal gelijkvloers bou wt. Op de Bovenwindse eilanden worden de woonverblijven ook vaker dan de woonverblijven op de Benedenwindse eilanden gecombineerd met een andere functie dan wonen. De woonverblijven op de Bovenwindse eilanden worden vaker dan elders in de Nederlandse An tillen met houten muren en zinkplaten voor het dak opgetrokken. Daar waar het dak van beton is moet men vooral denken aan appartementen in wooncomplexen. De woonverblijven op de Benedenwindse eilanden hebben met name muren van cementblokken en daken van et erniet. Eigendomswoningen worden op de Bovenwinden relatief het vaakst gebouw op eigen grond, op de Benedenwoningen relatief vaker op erfpachtgrond. Huurwoningen komen het vaakst voor op de Bovenwinden, en dan vooral in St. Maarten. In Curaao en Saba komen relatief meer oude woonverblijven voor dan elders in de Nederlandse Antillen.

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 15 Werkende mannen en vrouwen in Curaao, 1992 2001 Opleiding, beroep en inkomen Mike Jacobs Inleiding In 2001 bestaat het aantal werkenden voor 48 procent uit vrouwen e n 52 procent uit mannen. De samenstelling qua geslacht van het aantal werkenden is in 1992 duidelijk anders: 40 procent vrouw en 60 procent man. Het aantal werkende vrouwen blijkt zowel verhoudingsgewijs als absoluut te zijn toegenomen. In dit artikel w ordt de positie van werkende vrouwen en mannen op een aantal kenmerken vergeleken: opleiding, beroepsgroep en inkomen. In het bijzonder wordt de positie van hoger opgeleide werkenden belicht. Ook wordt nagegaan in hoeverre de positie van werkende vrouwen en mannen tussen 1992 en 2001 is veranderd. Werkenden In de periode 1992 2001 is het aantal werkenden van 51 640 naar 47 686 personen gedaald. Dit is een afname van 3 954 personen of 7,7 procent ten opzichte van 1992. Deze afname is het netto res ultaat van een toename van het aantal werkende vrouwen met 1 119 personen (5%) en een afname van het aantal werkende mannen met 5 073 personen (17%). Opleiding Tabel 1 geeft informatie over het opleidingsniveau of de mate van geschooldheid van de werken de bevolking naar geslacht in de censusjaren 1992 en 2001. Het opleidingsniveau van alle werkenden in Curaao is in de periode 1992 2001 duidelijk verbeterd. Was het aandeel van zeer laag (lagere school) en laag geschoolden (Lbo/Mavo) van de werkende be volking in 1992 tezamen 72,3 procent, in 2001 is dit afgenomen tot 61 procent. Aan de andere kant is een een toename te zien van het aandeel middelbaar geschoolden (Havo, Vwo, Mbo) en hoog geschoolden (Hbo, Wo) van 27,8 procent naar 38,9 procent. Zowel werkende mannen als werkende vrouwen zijn qua opleiding er op vooruit gegaan. Bij de werkende mannen nam het aandeel middelbaar geschoolden toe van 15,8 procent (1992) naar 21,4 procent (2001); bij de werkende vrouwen was dit respectievelijk 15,8 procent ( 1992) en 24 procent (2001). Het aandeel hooggeschoolde mannen nam toe van 12,8 procent (1992) naar 17,7 procent; bij de vrouwen nam het aandeel hooggeschoolden toe van 10,8 De censusuitkomsten laten geen grote verschillen zien in de opleidings karakteristieken van werkende mannen en vrouwen. Er zijn wel grotere verschillen in beroepsuitoefening. Vrouwelijke werkenden zijn meer geconcentreerd i n een beperkt aantal beroepsgroepen. De inkomensverschillen tussen werkende mannen en vrouwen zijn groot. De verschillen worden niet verklaard door opleidingsniveau of beroep.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine 16 Jaargang 5 procent (1992) naar 14,9 procent (2001). Anno 2001 zijn de opleidingsverschillen tussen werkende mannen en vrouwen niet echt groot. Het percentage hoog geschoolden is bij de werkende mannen 2,8 procentpunten hoger, terwijl Tabel 1. Werkende bevolking naar opleiding en geslacht, Curaao 1992 en 2001, relatieve verdeling Opleidingsniveau 1992 2001 vrouw man totaal vrouw man totaal % zeer laag (lagere school) 16,2 19,0 17,8 10,5 11,7 11,1 laag (Lbo/Mavo) 57,2 52,4 54,5 50,6 49,2 49,9 middelbaar (Havo/Vwo/Mbo) 15,8 15,8 15,8 24,0 21,4 22,6 hoog (Hbo/Wo) 10,8 12,8 12,0 14,9 17,7 16,3 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 (exclusief opleiding=onbekend) (21.725) (29.186) (50.911) (22.284) (23.755) (46.039) Bron: CBS, Census 1992 en 2001 Tabel 2a. Werkende vrouwen en mannen naar beroepsgroep, Cura ao 1992 en 2001, relatieve verdeling Beroepsgroepen vrouw man 2001 1992 2001 1992 % Hoge Overheidsfunctionarissen, Volksvertegenwoordigers etc. 0,2 0,2 0,6 0,7 Managers, Directeuren, Eigenaars 6,6 3,8 14,7 9,3 Fysici, Ingenieurs, Architecten, Aut omatiseringsdeskundigen 0,4 0,3 2,4 2,2 Gezondheidsdeskundigen 0,7 1,4 1,0 1,2 Onderwijzers/Leerkrachten 6,7 6,6 2,6 2,3 Accountants, Advocaten, Sociale Wetenschappers 2,5 2,2 3,0 2,5 Assistenten van Technische Wetenschappers 1,0 1,3 3,9 4,6 Medische Assistenten, Verpleegkundigen 5,3 3,4 1,0 0,7 Assistent Leerkrachten 0,1 0,0 0,1 0,1 Ambtenaren, Makelaars, Administrateurs, Politie Inspecteurs 7,0 6,0 5,7 5,8 Voormannen en Supervisors 2,7 1,4 4,9 4,2 Kantoorklerken 19,0 20,1 5,5 6,5 Service Klerken : Cassieres, Receptionisten, Balie personeel etc. 7,9 8,5 1,2 1,7 Dienstverleners: Kappers, Koks, Serveerders, Verzorgers etc. 10,4 10,0 9,7 7,6 Verkopers, Winkelpersoneel 9,1 11,8 2,4 2,4 Landbouwers, Vissers, Veefokkers 0,2 0,4 1,1 1,3 Bouwvaklieden 0,1 0,1 8,5 10,9 Machine en Electronische Monteurs 0,1 0,1 9,5 11,4 Handwerklieden, Drukkers 0,3 0,4 0,9 1,1 Voedsel en Houtbewerkers, Kleermakers 0,8 0,9 1,3 1,8 Plant Operators 0,0 0,0 1,9 1,7 Machine Operators 0,3 0,5 1,0 1,5 Bestuurders van Voe rtuigen 0,7 0,6 5,7 6,2 Ongeschoolden, Elementaire Beroepen 16,0 18,6 5,4 6,1 Helpers 0,0 0,0 0,2 0,2 Arbeiders Mijnbouw, Wegen, Constructie, Fabriek 0,6 1,0 3,1 4,1 Overige beroepen 1,2 0,4 2,9 1,9 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 Totaal, in aantallen 23.138 22.019 24.548 29.621 Bron: CBS, Census 1992 en 2001

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 17 het percentage middelbaar geschoolden bij de werkende vrouwen 2,6 procentpunten hoger is dan bij werkende mannen. Beroepsgroepen Tabel 2a geeft de verdeling van de werkende bevolking over de verschillende beroepsgroepen weer, Voor het indelen van werkenden is hier gebruik gemaakt van de ISCO 88 beroepen classificatie. De ordening van de beroepsgroepen is gebaseerd o p de criteria inkomen en oplei ding. Naarmate beroepen hoger op de lijst staan is het inkomen en het opleidingsniveau over het algemeen ook hoger. In 2001 was een groot deel van de werkende vrouwen (62,4 %) geconcen treerd in de 5 (hoofd )beroepsgroepen: k antoorklerken, service klerken, dienstverleners, verko pers en de z.g. ongeschoolde beroepen. Ook in 1992 was er sprake van een hoge concentratie van werkende vrouwen in deze vijf (hoofd )beroepsgroepen (68,7 %). Werkende mannen zijn verge le ken met werke nde vrouwen meer gelijkmatig over de verschillende beroepsgroepen verdeeld. Werkende mannen zijn over het algemeen ook beter vertegenwoordigd in de hogere beroeps groepen. In 2001 behoorde 24,3 procent van de werkende mannen tot de hoogste 6 beroeps groep en; voor de werkende vrouwen was dit 17,1 procent. Tabel 2b geeft de geslachtsverhouding per beroepsgroep in 2001 weer. In het merendeel (70 %) van de beroepsgroepen zijn verhoudingsgewijs meer mannen dan vrouwen werkzaam. Vrouwen zijn in de meerderhe id in de volgende 8 van de 27 (hoofd ) beroepsgroepen: leerkrachten (70,7 Tabel 2b. Werkende bevolking: geslachtsverhouding per beroepsgroep, Curaao, 2001 Beroepsgroepen vrou w man totaal % Hoge Overheidsfunctionarissen, Volksvertegenwoordigers etc. 28,0 72,0 100,0 Managers, Directeuren, Eigenaars 29,7 70,3 100,0 Fysici, Ingenieurs, Architecten, Automatiseringsdeskundigen 13,6 86,4 100,0 Gezondheidsdeskundigen 38,4 61,6 100,0 Onderwijzers/Leerkrachten 70,7 29,3 100,0 Accountants, Advocaten, Sociale Wetenschappers 44,2 55,8 100,0 Assistenten van Technische Wetenschappers 18,8 81,2 100,0 Medische Assistenten, Verpleegkundigen 83,3 16,7 100,0 Assistent Leerkrachten 41,7 58,3 100,0 Ambtenaren, Makelaars, Administrateurs, Politie Inspecteurs 54,0 46,0 100,0 Voormannen en Supervisors 33,8 66,2 100,0 Kantoorklerken 76,4 23,6 100,0 Service Klerken: Cassieres, Receptionisten, Balie personeel etc. 85,7 14,3 100,0 Dienstver leners: Kappers, Koks, Serveerders, Verzorgers etc. 50,3 49,7 100,0 Verkopers, Winkelpersoneel 78,3 21,7 100,0 Landbouwers, Vissers, Veefokkers 15,9 84,1 100,0 Bouwvaklieden 0,9 99,1 100,0 Machine en Electronische Monteurs 0,9 99,1 100,0 Handwerklied en, Drukkers 25,0 75,0 100,0 Voedsel en Houtbewerkers, Kleermakers 38,7 61,3 100,0 Plant Operators 1,7 98,3 100,0 Machine Operators 24,8 75,2 100,0 Bestuurders van Voertuigen 10,7 89,3 100,0 Ongeschoolden, Elementaire Beroepen 73,6 26,4 100,0 Helper s 12,0 88,0 100,0 Arbeiders Mijnbouw, Wegen, Constructie, Fabriek 16,3 83,7 100,0 Overige beroepen 28,4 71,6 100,0 Totaal 48,5 51,5 100,0 Bron: CBS, Census 2001

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine 18 Jaargang 5 %), medische assistenten (83,3 %), ambtenaren (54%), kantoorklerken (76,4 %), service klerken (85,7 %), dienstverleners (50,3%) verkopers (78,3 %) en elementaire beroepen (73,6 %). Werkenden met een hoge opleiding Tabel 3a geeft de relatieve verdeling van werkenden met een hoge opleiding (Hbo/Wo) over de zes hoogste beroepsgroepen weer. Het merendeel van de hoogopgeleide vrouwen en mannen is werkzaam in deze zes hoogste beroepsgroepe n. In 2001 was 68,6 procent van de hoogopgeleide vrouwen werkzaam in deze 6 beroepsgroepen; in 1992 was dit 78,4 procent. Relatief gezien is er vergeleken met 1992 weliswaar sprake van een afname van hoogopgeleide vrouwen in deze zes beroepen met 10,2 pr ocentpunten, maar in absoluut opzicht is er juist een groei van hoogopgeleide vrouwen in deze beroepsgroepen te constateren (zie tabel 3b). Tabel 3a. Hoogopgeleide werkende mannen en vrouwen in de zes hoogste beroepsgroepen, Curaao 1992 en 2001, relati eve verdeling Beroepsgroepen vrouw man 2001 1992 2001 1992 Hoge Overheidsfunctionarissen 0,9 0,7 2,0 2,8 Managers, Directeuren, Eigenaars 15,5 10,1 34,4 26,8 Fysici, Ingenieurs, Architecten, Automatiseringsdeskundigen 1,8 1,4 9,7 11,3 Gezondheidsdes kundigen 3,8 7,4 5,4 7,6 Onderwijzers/Leerkrachten 33,8 46,1 12,1 14,8 Accountants, Advocaten, Sociale Wetenschappers 12,6 12,7 12,1 12,6 Sub totaal 68,6 78,4 75,8 75,8 Overige beroepen 31,4 21,6 24,2 24,2 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 Bron: CBS, Ce nsus 1992 en 2001 Uit de gegevens in de tabel blijkt dat vrouwen met een hoge opleiding voor een groot deel (2001: 33,8%) werkzaam zijn in het onderwijs. Hoogopgeleide mannen zijn vergeleken met hoogopgeleide vrouwen wat meer verdeeld over deze 6 hoogst e beroepsgroepen. Het vaakst (2001: 34,4%) zijn hoogopgeleide mannen werkzaam als manager, directeur etc. Tabel 3b. Hoogopgeleide werkende mannen en vrouwen in de zes hoogste beroepsgroepen, Curaao, 1992 2001, absolute cijfers en mutaties Beroepsgroepe n vrouw man 2001 1992 Mutatie '92/'01 (%) 2001 1992 Mutatie '92/'01 (%) Hoge Overheidsfunctionarissen, Volksvertegenwoordigers etc. 30 17 76 85 105 19 Managers, Directeuren, Eigenaars 515 238 116 1.450 1.001 45 Fysici, Ingenieurs, Architecten, Aut omatiseringsdeskundigen 61 32 91 407 422 4 Gezondheidsdeskundigen 127 173 27 226 283 20 Onderwijzers/Leerkrachten 1.121 1.082 4 510 554 8 Accountants, Advocaten, Sociale Wetenschappers 419 299 40 511 473 8 Sub totaal 2.273 1.841 23 3.189 2.838 12 Overige beroepen 1.041 506 106 1.020 904 13 Totaal 3.314 2.347 41 4.209 3.742 12 Bron: CBS, Census 1992 en 2001

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 19 Tabel 3b geeft inzicht in de absolute cijfers en de mutaties over de periode 1992 2001. Vergeleken met 1992 (2347) is de groep hoog opgele ide werkende vrouwen in 2001 (3314) toegenomen met 41 procent. De toename bij de hoogopgeleide mannen in de periode van 1992 (3742) tot 2001 (4209) was 12 procent. Voor bijna elk van de zes hoogste beroepsgroepen geldt dat de toename bij de vrouwen veel sterker is geweest dan bij de mannen. Het aantal hoogopgeleide vrouwen in de beroepsgroep managers, directeuren etc, nam tussen 1992 en 2001 toe met 116 procent; voor de mannen in deze beroepsgroep geldt een groei van 45 procent. Tabel 3c, verschaft info rmatie over de geslachtsverhouding van hoogopgeleide mannen en vrouwen per beroepsgroep. Voor het jaar 2001 kan worden opgemerkt dat in het merendeel van deze zes hoogste beroepsgroepen er verhoudingsgewijs meer mannen dan vrouwen voorkomen. Alleen in de beroepsgroep onderwijzer/leerkracht zijn hoogopgeleide vrouwen in de meerderheid. De verhouding man/vrouw is in 2001 voor bijna alle 6 beroepsgroepen toch minder scheef vergeleken met de situatie in 1992. De sterke instroom na 1992 van hoogopgeleide vro uwen in deze beroepsgroepen biedt hier een verklaring voor. Tabel 3c. Hoog opgeleide werkende bevolking: sexe verhouding per beroepsgroep, Curaao, 1992 en 2001 Beroepsgroepen 2001 1992 man vrouw totaal man vrouw totaal % Hoge Overheidsfunctionariss en 74 26 100 86 14 100 Managers, Directeuren, Eigenaars 74 26 100 81 19 100 Fysici, Ingenieurs, Architecten, Automatiseringsdeskundigen 87 13 100 93 7 100 Gezondheidsdeskundigen 64 36 100 62 38 100 Onderwijzers/Leerkrachten 31 69 100 34 66 100 Account ants, Advocaten, Sociale Wetenschappers 55 45 100 61 39 100 Sub totaal 58 42 100 61 39 100 Overige beroepen 49 51 100 64 36 100 Totaal 56 44 100 61 39 100 Bron: CBS, Census 1992 en 2001 Inkomen Tabel 4 betreft het bruto maandinkomen van werkenden naar geslacht en opleidingsniveau in de censusjaren 1992 en 2001. De inkomens van 1992 betreffen gendexeerde cijfers. In 2001 lag het gemiddelde inkomen van de werkende vrouw (2129 gulden) op Curaao 34 procent lager dan het gemiddelde inkomen van de werkende man (3236 gulden). Het verschil in inkomen tussen werkende mannen en werkende vrouwen geldt bij elk van de opleidingsniveaus. Met andere woorden: ook bij gelijke opleidingsniveaus worden werkende mannen en vrouwen verschillend beloond. Het verschil tussen het gemiddeld inkomen van mannen en vrouwen was in 2001 het grootst voor de categorie zeer laaggeschoolden: werkende vrouwen met een zeer lage opleiding verdienden gemiddeld 43 procent minder dan zeer laag geschoolde mannen. Vergeleken met 1992 is er we inig verandering gekomen in de inkomensverschillen: in 1992 verdienden werkende vrouwen op Curaao gemiddeld 36 procent minder dan werkende mannen; in 2001 was dit 34 procent. Het verschil in beloning van werkende mannen en vrouwen in 2001 vertoont bij elk van de opleidingsniveaus grote gelijkenis met de situatie 1992. Vrouwen verdienen zowel in 1992 als 2001 ondanks hetzelfde opleidingsniveau als mannen beduidend minder dan mannen.

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine 20 Jaargang 5 In tabel 5 worden de bruto maandinkomens van hoogopgeleide werkende mannen en vrouwen in de zes hoogste beroepsgroepen met elkaar vergeleken. Voor zowel 1992 als 2001 geldt dat vrouwen ook bij gelijke opleiding (Hbo/Wo) en bij gelijke beroepsgroepen een kwart tot eenderde minder verdienen dan de mannen. Tabel 4. Gemiddeld bru to maandinkomen van de werkende bevolking naar opleidingsniveau en geslacht en verschillen, absoluut en relatief, Curaao 1992 en 2001. Opleidingsniveau 2001 1992 1 vrouw man verschil vrouw man verschil abs. % abs. % zeer laag (lagere school) 923 1.620 697 0,43 851 1.645 794 0,48 laag (Lbo/Mavo) 1.625 2.189 564 0,26 1.565 2.210 645 0,29 middelbaar (Havo/Vwo/Mbo) 2.489 3.625 1.136 0,31 2.502 3.798 1.295 0,34 hoog (Hbo/Wo) 4.078 6.546 2.468 0,38 3.950 6.384 2.434 0,38 totaal 2.129 3.236 1.107 0,34 1.842 2.865 1.023 0,36 1 Inkomens 1992 gendexeerd naar 2001: inflatie correctie periode 1992 2001 Bron: CBS, Census 1992 en 2001 Tabel 5. Gemiddeld bruto maandinkomen van hoogopgeleide mannen en vrouwen in zes hoogste beroepsgroepen en verschill en absoluut en relatief, Curaao 1992 en 2001. Hoogste beroepsgroepen 2001 1992 1 vrouw man verschil vrouw man verschil abs. % abs. % Hoge Overheidsfunctionarissen, Volksvertegenw. Etc. 6.168 7.577 1.409 0,19 5.975 8.152 2.177 0,27 Managers, D irecteuren, Eigenaars 5.303 7.774 2.471 0,32 4.569 7.198 2.630 0,37 Fysici, Ingenieurs, Architecten, Automatiseringsdesk. 4.717 6.766 2.049 0,30 4.088 6.196 2.108 0,34 Gezondheidsdeskundigen 5.894 9.428 3.534 0,37 4.669 9.291 4.623 0,50 Onderwijzers/Lee rkrachten 3.908 4.916 1.008 0,21 3.977 5.245 1.268 0,24 Accountants, Advocaten, Sociale Wetenschappers 5.165 7.745 2.580 0,33 4.256 6.300 2.044 0,32 1 Inkomens 1992 geindexeerd naar 2001: inflatie correctie periode 1992 2001 Bron: CBS, Census 1992 en 200 1 Conclusie In de periode 1992 2001 heeft het opleidingsniveau van werkende mannen en vrouwen in Curaao zich positief ontwikkeld. In 2001 is er geen groot verschil in de opleidingssituatie van werkende mannen en vrouwen te constateren. De werkgelegenhei d van vrouwen concentreert zich nog steeds in een aantal beroepsgroepen. Werkende mannen zijn over het algemeen meer verspreid over de verschillende beroepsgroepen. Vergeleken met 1992 is het aantal hoogopgeleide werkende vrouwen in 2001 fors toegenomen ( 41 %). In de zes hoogste beroepsgroepen nam het aantal hoogopgeleide vrouwen toe met 23 procent. Hoogopgeleide mannen zijn over het algemeen meer verspreid over de hoge beroepsgroepen. Hoogopgeleide vrouwen zijn traditioneel voor een groot deel werkzaam in het onderwijs. Er is echter sprake van een forse groei van hoogopgeleide vrouwen in ook andere hoge beroepsgroepen. De inkomensverschillen tussen werkende mannen en vrouwen zijn nauwelijks afgenomen. In 1992 verdienden werkende vrouwen gemiddeld 36 proce nt minder dan werkende mannen; in 2001 is het verschil in gemiddelde beloning 34 procent. Ook bij een gelijk opleidingsniveau en eenzelfde beroepsgroep blijken er grote verschillen te zijn in de gemiddelde maandinkomens van werkende vrouwen en mannen,.

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 21 He t is gewenst nader onderzoek te doen naar de achtergronden van de geconstateerde inkomensverschillen alvorens tot definitieve conclusies te komen.

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine 22 Jaargang 5 First results of Economic Indicator Analysis 2003 Increase of real GDP for Curaao, Bonaire and St. Maarten Glenda Varlack Real Gross Domestic Product (real GDP) has increased in 2003 for all three of the islands of the Netherlands Antilles for which GDP estimates are calculated. For Curaao it increased with 0.5 percent, for Bonaire with 3.4 percent and for St. Maarten at a rate of 4.3 percent in 2003 compared to the year 2002. Therefore the increase in real GDP obtained for the Netherlands Antilles is estimated at about 1 percent. Real GDP or real economic development (growth) is equal to the change in the production of goods and services excluding price developments. The change in the production of several industries, which is used as an indicator for the change in value added, is then grouped together to arrive at an estimate of the weighted average of real GDP. For Curaao and Bonaire all industries are represented. For St. Maarten however the data is based on volume indicators of eight (8) industries. As such the resulting real GDP is called a Partial Economic Activity Index (PEAI), which gives a pa rtial indication of 80 percent of the economic activities in St. Maarten. As information for the other industries becomes available they will be added to the PEAI. The real economic growth is measured according to the volume growth of the Gross Domestic Product (GDP), which then is compared to the year before. The research is done among the most important industries that are in charge of production of goods (namely agriculture, fishery and mining, manufacturing, utilities and construction), the commercial services (namely trade, horeca, transport & communication, financial intermediation and real estate, renting, business activities and private education), the non commercial services (namely public administration, health and social work, the other communit y, social & personal service activities and private households with employed persons). Curaao As mentioned before Curaao has experienced a positive growth in real GDP of 0.5 percent. The goods producing industry that has registered a value added growth is utilities (water and electricity) with 2 percent. Value added of the Agriculture, fishery and mining industry decreased with 1 Gross Domextic Product increased for all of the islands for which volume estimates are calculated. While growth rates were moderate for Curaao due to contradicting developments, the economies of Bonaire and St. Maarten benefited from a rise in tourism activities

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 23 percent. Both the industry of manufacturing and that of construction show a decline of 9 percent. In the commercial services a value added growth is registered for trade: wholesale and retail of 2 percent. The financial intermediation registered an 8 percent growth. The only decrease (1 %) is observed in transport, storage & communication. As for the non commercial services the other community, social & personal service activities and private households with employed persons augmented with 9 percent. The health and social work activities have a value added growth of 2 percent. The value added of public administration has decreased with 4 percent. Bonaire The real GDP in Bonaire has grown with 3.4 percent. The goods producing industries show an increase in their value added with exception of manufacturing which shows a decline of 11 percent. The value added for agriculture, fishery and mining has augmented with 46 percent, utilities with 6 percent and construction with 21 percent. For the industries in the commercial services like trade ( wholesale and retail) and value added has improved respectively with 5 percent and 13 percent, while the value added of the transport and communication industry has dropped with 7 percent. The financial intermediation a nd real estate, renting, business activities and private education have also shown a value added growth of respectively 5 and 10 percent compared to the year before. The industries in the non commercial services have all shown a decline in their value ad ded with the exception of private households with employed persons, which value added has increased with 3 percent. The value added of the other industries like public administration, health and social work, and other community, social & personal service a ctivities all has decreased with respectively 3 percent, 2 percent, and 10 percent. St. Maarten St. Maarten has experienced a growth in real GDP of 4.3 percent. For these industries the following changes in the value added have effect for 2003: In the indu stries in the production of goods only the utilities are represented. The value added of utilities has increased with 21 percent in 2003 as opposed to the drop of almost 10 percent in 2002. For the industries in the commercial services like trade, which in cludes wholesale and retail sale, the value added has remained more or less the same. The value added for hotel, restaurant & cafe services have increased with more than 4 percent in 2003 compared to a growth of 2 percent the year before. Transport, stora ge & communication experienced a growth of about 4 percent in 2003, compared to a drop of almost 3 percent registered in 2002. The financial intermediation industry has shown a continued growth of nearly 4 percent compared to 2002, which is an increase o f approximately 2 percent.

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine 24 Jaargang 5 The non commercial services have all registered a growth with exception of health and social work. The health and social work has been added to the partial economic activities and it shows a decrease in value added of 6 percent. Public administration has augmented by roughly 4 percent. In 2002 this industry shows a growth of about 3 percent. Other community, social & of 14 percent in 20 03 compared to a increase of almost 17 percent in the previous year. Comparison by island Although St. Maarten shows an increase in GDP (4.3 %), it must be taken into account that the real GDP covers about 80 percent of the total economy. While for Curaa o and Bonaire it covers 100 percent of the economy. The largest increases are in utilities with 21 percent for St. Maarten, the agriculture, fishery and mining with 46 percent for Bonaire, and in Curaao the other community, social & personal service activ ities and private households with em ployed persons with 9 percent. The lowest decreases that are registered amongst the islands are in the industry of manufacturing and construction both with a value added drop of 9 percent for Curaao, in St. Maarten the health and social work has decreased with 6 percent and for Bonaire the manufacturing with 11 percent. Table 1. Percentage changes in GDP, 2003 ISIC Industry Curaao Bonaire St. Maarten Production of goods ABC Agriculture, Fishery and Mining 1 46 D Manufacturing 9 11 E Utilities: Electricity and Water 2 6 21 F Construction 9 21 Commercial services G Trade: Wholesale and Retail 2 5 0 H Hotels, Restaura (Horeca) 5 13 4 I Transport, Storage & Communication 1 7 4 J Financial intermediation 8 5 4 KM Real Estate, Renting, Business activities and private education 1 10 Non commercial services L Public Administration 4 3 4 N Health and Social Work 2 2 6 OP 1 Other community, social & personal service activities and Private Households w/Employed Persons 9 10 14 P 1 Private Households w/Employed Persons 3 Interest Margin 2 5 4 Real GDP 0.5 3.4 4.3 Note: All valu es are estimated, and will be revised when the final data becomes available. = not available 1 Bonaire has separate percentages for ISIC O and P

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 25 Resultaten conjunctuurenqute 2003 Chris Jager Inleiding Het CBS is sinds kort overgegaan op het uitvoeren van een zogenoemde conjunctuurenqute. H et doel van de con junc tuurenqute is om op frequente basis, de bedoe ling is vier maal per jaar, actuele informatie te verschaf fen over de ontwikkelingen in het bedrijfsleven in de Nederlandse Antillen. De enqute onderscheidt zich van de reguliere be drijven enqute die eveneens wordt uitgevoerd door het CBS, vooral doordat zij gebruik maakt van schattingen en opinies, frequent plaats vindt en de resultaten relatief snel gepubliceerd kunnen worden. De vraagstelling in de enqute is drieledig. Naast b edrijfsmatige ontwikkelingen in de afgelopen periode wordt ook gevraagd naar verwachte ontwikkelingen in de komende periode, en worden de opinies van de onder nemers ten aanzien van zaken die het ondernemersklimaat betreffen getoetst. Met dergelijke actuel e informatie kunnen zowel overheid als ondernemers beter, sneller en meer gefundeerde beslissingen nemen. Voorafgaand aan de uitvoering van de conjunctuurenqute is er in de maanden november en december 2003 een pilot enqute uitgevoerd bij ongeveer 140 0 bedrijven in de Nederlandse Antillen. Dit na overleg en in afstemming met de Kamer van Koophandel Curaao en de Bank van de Nederlandse Antillen (BNA). Doel van de pilot was het testen van de kwaliteit van de gestelde vragen, de steekproefomvang, de pro cedures van de uitvoering en de snel heid ten aanzien van verwerking, analyse en publi catie. Doordat de pilot rele informatie heeft voort ge bracht, kunnen de gegevens worden gebruikt voor analyse en publicatie. In dit artikel worden een aantal result aten van het onderzoek gepresenteerd. Het handelt hierbij om bedrijven in de niet financile sector 1 in Curaao, 1 rsoonlijkheid die een volledige balans en winst & De Pilot van de conjunctuurenqute heeft interessante re sultaten opgeleverd. Ondanks dalende omzetten kon in Bonaire een toename van de toegevoegde waarde worden bereikt in 2003, dit in tegenstelling tot Curaao. Een meerderheid van de bedrijven meldde negatieve bedrijfsresultaten. Het zijn vooral kleinere be drijven die dit ongunstige resultaat bepalen. Ondernemers in St. Maarten hebben duidelijk meer vertrouwen in de toekomst andere eilanden

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine 26 Jaargang 5 Bonaire, de Bovenwinden 2 en de gehele Nederlandse Antillen ten aanzien van personeel, omzet en bedrijfsresultaten. Daarnaast zullen de result aten van een tweetal opinievragen worden bekeken. Daar er vooralsnog alleen resultaten van n enqute beschikbaar zijn kan er nog geen trendanalyse plaatsvinden. In de toekomst, als er meerdere metingen zijn verricht, zal dit wel gebeuren. De eind 2003 verkregen gegevens zijn verwerkt en opgehoogd op basis van populatiecijfers van het CBS waardoor een zo goed mogelijk beeld is verkregen van de werkelijke situatie. Personeel Het aantal werknemers op de loonlijst bij de niet financile bedrijven in Bonaire wordt vooral bepaald door drie bedrijfstakken. Deze zijn, in volgorde van geschatte grootte, de horeca (775 personen), de handel (661) en de bouw (497). Hierna volgen de zakelijke diensten (347 personen) en de overige bedrijfstakken. De financile dienste n zijn in de overzichten niet meegenomen. Opvallend is de geringe personele omvang van de industrie. Het totaal aantal werknemers in loondienst in Bonaire in de niet financile sector bedraagt naar schatting 3484 personen. Op de Bovenwindse eilanden zijn de meeste werknemers in loondienst werkzaam binnen de is de geringe omvang van de industrie opvallend (648 personen). Het totaal aantal werknemers op de loonlijst in de niet financile sector bedraagt op de Bovenwinden naar schatting 13.538 personen. Ook in Curaao zijn de meeste werknemers werkzaam in de handel: 9.393. In die zin en met enig recht kan het eiland dan ook een handelseiland worden genoemd: de bedrijfstak industrie volgt op afstand met 4.426 personen. Net als op de overige eilanden valt ook hier het beperkte aantal werknemers op die actief zijn in de landbo uw en bij het particuliere onderwijs. Het aantal werknemers bij de zakelijke diensten (4.279), de bouw (3.929) en de horeca (3.204) volgen. Het totaal aantal werknemers in loondienst in de niet financile sector bedraagt naar schatting 36.835. Overeenkoms tig het bovenstaande zijn in de Nederlandse Antillen veruit de meeste werknemers in loondienst werkzaam in de handel (13.240 personen. Qua grootte volgen de horeca (6.673 personen), de bouw (6.078), de zakelijke diensten (6.044) en de industrie (5.259). De overige bedrijfstakken hebben allen minder dan 5.000 personen in loondienst. Het totaal aantal werkzame personen in loondienst in de niet financile sector bedraagt naar schatting 51.859. Omzet en bruto toegevoegde waarde De conjunctuurenqute heeft evene ens informatie opgeleverd omtrent de omzetten van bedrijven. Voor Bonaire heeft dat het beeld opgeleverd dat van de grotere bedrijfstakken de handel en de industrie hun omzetten zagen dalen (met 13 en 24%). De handel blijft echter, met een geschatte omzet van NAf 139,1 miljoen, haar leidende positie ten opzichte van de overige bedrijfstakken behouden. Met name de horeca en de zakelijke diensten zagen een toename van de omzet met respectievelijk 34 en 13 procent. De bedrijfstak landbouw & visserij, toch al k lein 2 De geringe respons in Saba en St. Eustatius maakt het niet mogelijk om voor de eilanden apart berekeningen te maken.

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 27 van omvang, zag haar omzetten halveren ( 48%). Voor de gehele niet financile sector zijn de omzetten in 2003 ten opzichte van 2002 gedaald met 4,3 procent. Voor wat betreft de bruto toege voegde waarde ( BTW ) van de bedrijven in Bonaire blijkt dat d eze niet het hoogst is bij de handel doch bij de horeca (28,9 mln.), gevolgd door bedrijfstak transport & commu nicatie (Naf. 25,8 mln.). Ondanks de hoge omzet van de bedrijfstak handel volgt die qua BTW met NAf 21,7 miljoen op een derde plaats. De versc hillen met de muta ties van de omzetten zijn bepaald opvallend. Ondanks het feit dat de omzet in totaal is gedaald met 4,3 procent, is de bruto toegevoegde waarde van de bedrijven gestegen, en wel met in totaal 1,0 procent. Dat de BTW is gestegen bij dale nde omzetten kan worden verklaard doordat kennelijk sprake is geweest van een betere kostenbeheersing en een verhoogde efficiency. Daarnaast zullen bij afne mende omzetten de loon kos ten (die een belangrijk onder deel zijn van de toege voegde waarde) n iet direct dalen, zeker in dien er geen ontslagen vallen, waar door fluc tu aties in de omzet een min der groot effect heb ben op de BTW. Dat kan wel bete kenen dat het onder ne mers inkomen onder druk komt te staan. De omzetten op de Boven windse ei l anden worden voor na melijk bepaald door de bedrijfs takken handel (met 1484,3 mln. duidelijk de groot ste), bouw (343,3 mln.) en horeca (273,3 mln.). Opmerkelijk is dat er bij vrijwel alle bedrijfstakken sprake was van een toename van de omzetten. Slechts de relatief kleine bedrijfstakken gezondheidszorg ( 11%) en het

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine 28 Jaargang 5 particulier onderwijs ( 2%) vormen daarop een uitzon dering. De toename van de omzet ten opzichte van 2002 is het sterkst bij de zakelijke dienstverlening en wel met 42 procent naar 83,4 milj oen. Bij de handel is sprake van een groei van 16 procent. Ook bij de bedrijfstakken industrie (14%), transport (13%), overige diensten (15%), nutsbedrijven (11%) en horeca (11%) is er sprake van een duidelijke toename van de omzetten. Voor de gehele niet financile sector is er sprake van een toename van de omzetten ten opzichte van het jaar 2002 van 13 procent. De BTW van de niet financile bedrijven op de Bovenwinden wordt voor een groot deel bepaald door de vier bedrijfstakken handel (175,1 mln.), tra nsport (89 mln.), bouw (85,8 mln.) en horeca (82 mln.). Opmerkelijk is de geringe achteruitgang van de BTW bij de handel (met 1%) in verhouding tot de zojuist genoemde vrij forse vooruitgang van de omzetten binnen deze bedrijfstak met 16 procent. De in dustrie laat hier een vrijwel tegenovergesteld beeld zien daar de groei van de BTW met 28 procent vrijwel het dubbele is van de omzetgroei (met 14%). De omzetten in Curaao worden beheersd door de handel. Deze zijn het afgelopen jaar toegenomen met 10 pro cent naar Naf. 2749,1 miljoen. waarmee deze bedrijfstak bijna 45 procent van de omzetten bij de bedrijven voor haar rekening neemt. De bedrijfstakken transport (689,6 mln.), bouw (591,8 mln.) en industrie (569,9 mln.) zijn na de handel de grotere bedrijfst akken. Wat opvalt is de daling van de omzetten bij de industrie (met 13%). Ook voor de bouw ( 3%) en transport & communicatie ( 2%) was 2003 geen goed jaar. Dankzij omzetstijgingen bij handel, horeca, zakelijke diensten en nutsbedrijven werd er voor de geh ele niet financile sector een toename van de omzet bereikt van precies 4 procent. Voor wat betreft de BTW geven, naast de handel met NAf 527,5 mln., de zakelijke diensten (NAf 289,2 mln.), transport (269,0 mln.) en de industrie (236,9 mln.) de toon aan. In vergelijking met de ontwikkelingen bij de omzetten kunnen de veranderingen bij de BTW relatief beperkt genoemd worden. In totaal is er in Curaao bij alle bedrijfstakken sprake van een geringe toename van de toegevoegde waarde van 0,3 procent. Dit in te genstelling tot de ontwikkelingen in Bonaire, waardoor ook een tegengestelde conclusie ten aanzien van kostenbeheersing en efficiency kan worden getrokken. Het beeld van de omzetten van de Nederlandse Antillen is de resultante van het bovenstaande en lig t het voor de hand dat een zeer groot deel (ruim 46%) van de omzet voor rekening komt van de handel. Een omzet die overigens voor bijna 2/3 (63%) wordt bepaald door omzetten behaald in Curaao. De in omzetomvang drie navolgende bedrijfstakken zijn de bouw (NAf 961,3 mln.), de transport (943,9 mln.) en de industrie (695,2 mln). Opvallend is dat juist de grote bedrijfstak industrie te maken had met een duidelijke omzetdaling van 11 procent. De horeca heeft blijkbaar goede zaken gedaan in 2003. Met een groei t en opzichte van 2002 van 15,8 procent benaderd zij nu qua omvang de bedrijfstak industrie. De omzetten zijn ten opzichte van het jaar 2002 toegenomen met in totaal 6,1 procent. Het beeld van de omzet ontwikkelingen komt in het geval van de Antilliaanse eilanden in redelijke mate overeen met dat van de bruto toegevoegde waarde. Doorgaans zijn de veranderingen ten opzichte van het voorgaande jaar wat minder. Uitzondering daarbij is vooral de bedrijfstak zakelijke diensten waar een omzet vermeerdering van 1 4 procent zich heeft vertaald in een toename van de BTW van slechts 2 procent. De totale mutatie van de BTW ten opzichte van 2002 bedroeg 1,9 procent hetgeen duidelijk minder is dan de omzetmutatie over dezelfde periode.

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 29 Bedrijfsresultaten. De uiteinde lijk voor een bedrijf belangrijkste parameter is het bedrijfsresultaat. Deze bepaald of men in staat is te overleven als organisatie, investeringen te plegen en noodzakelijke ver nieuw in gen door te voeren. De conjunctuurenqute heeft geen gegevens opgele verd om trent de hoogte van de resultaten (winst/ verlies). Wel echter is er nage gaan of er sprake is van een posi tief of negatief bedrijfs resultaat. De resultaten hebben voor zowel Curaao, Bonaire en St. Maarten een niet zo positief beeld opge lever d. Een meerderheid van de bedrijven boekte over 2003 een negatief resultaat. In Bonaire en St. Maarten heeft ongeveer 44 procent van de bedrij ven een positief resultaat behaald in 2003. Ruim 56 procent van de bedrijven gaf aan een negatief bedrijfsresult aat te hebben behaald. De bedrijfs resultaten voor Curaao laten een nauwelijks gunstiger beeld zien: 47,5 procent van de bedrijven had een positief resultaat behaald, 52,5 procent een nega tief resultaat. De bedrijfs resul taten voor de Nederlandse Antil len als totaal zijn daarom even min erg gunstig: slechts 46,1 pro cent van de bedrijven wist een positief bedrijfsresultaat te behalen, meer dan de helft van de bedrijven (53,9 %) had te maken met verliezen. Opvallend daarbij is wel dat indien onder sche id gemaakt wordt naar bedrijfs grootte (in termen van omzet), de kleinere bedrijven een minder gun stig beeld laten zien dan de grotere. Zoals blijkt uit grafiek 5 geldt dit met name voor de bedrijven met een omzet tot NAf 500.000. Van deze bedrijven had s lechts 37,4 procent een positief resultaat. Bij de bedrijven met meer dan NAf 10 miljoen omzet daarentegen is dit met 74,8 procent het dubbele. De gegevens op bedrijfstakniveau geven voor de Nederlandse Antillen een tamelijk verschillend beeld per eiland te zien. Voor wat betreft Curaao kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt. Te beginnen bij de landbouw valt op dat deze kleine bedrijfstak sterk verliesgevend is, althans qua aantal bedrijven met een negatief bedrijfsresultaat (nogmaals: dit zegt d us niets over de omvang van de verliezen). Ook de overige diensten, de gezondheidszorg en de handel laten een ongunstig beeld zien, waarbij het aantal bedrijven met verliezen groter is dan die met bruto winst. Voor het particuliere onderwijs, de financi le diensten en de horeca staan de zaken er duidleijk beter voor: de winstgevende bedrijven overtreffen die met verliezen. De situatie in St. Maarten laat een ander beeld zien. De ver schillen tussen de ver schil lende bedrijfstakken zijn er sterker. De in dustrie, de bouw, gezond heidszorg, han del, transport en zake lijke diensten laten een duide lijk negatief beeld zien. De winstgevende bedrijven zijn in de

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine 30 Jaargang 5 minderheid, terwijl de bedrijfs takken horeca, financile diensten en overige diensten een sterk po sitief beeld laten zien, waarbij de winstgevende bedrijven duidelijk in de meerderheid zijn. Van een aparte bespreking op bedrijfstakniveau voor Bonaire is afgezien vanwege de nogal geringe omvang van een groot aantal bedrijfstakken. Vertrouwen in de eco nomie en de toekomst Naast bovenvermelde informatie omtrent bedrijvigheid en resultaten heeft de conjunctuurenqute ook gegevens opgeleverd omtrent een tweetal parameters die inzicht kunnen geven in het vertrouwen van ondernemers en hoe zij de toekomst teg emoet zien. Daarvoor zijn er een tweetal opinievragen gesteld, te weten het ondernemersvertrouwen ten opzichte van het vorige kwartaal en of de onderneming de toekomst met vertrouwen tegemoet ziet. Gezien het karakter van de vragen zijn de verkregen gegeve ns net opgehoogd voor de gehele populatie en worden hier aldus de onbewerkte resultaten van de steekproef weergegeven. Het ondernemersvertrouwen (grafiek 6) in Bonaire is ten opzichte van het voorgaande kwartaal bij bijna 63 procent van de ondervraagde n gelijk gebleven. Precies een kwart van de ondernemers gaf aan dat het vertrouwen is afgenomen en een kleine 13 procent gaf te kennen dat hun vertrouwen is toegenomen. In Bonaire gaf nog niet de helft van hen aan vertrouwen te hebben (47%). Bijna 31 proce nt gaf te kennen dit ronduit net te hebben. Ruim 22 procent gaf als antwoord Het ondernemersvertrouwen is in Curaao in vergelijking met Bonaire iets slechter. Bijna 55 procent van de ondervraagden gaf aan dat deze gelijk gebleven was ten o pzichte van het voorgaande kwartaal; maar liefst 39 procent dat dit minder is geworden. Nog geen 6% van de ondervraagden gaf aan dat het vertrouwen is verbeterd. Ook het vertrouwen in de toekomst op dit eiland is iets lager dan in Bonaire: 41 procent gaf als antwoord De uitkomst van de steekproef laat voor Sint Maarten een duidelijk gunstiger uitslag zien. Ten opzichte van het voorgaande kwartaal is het ondernemersvertrouwen bij bijna 72 procent van de ondervraagden gelijk gebleven. Slechts 16 procent van de genquteerden gaf aan dat het vertrouwen is afgenomen en net als op Bonaire gaf ook hier een kleine 13 procent te kennen dat hun vertrouwen is toegenomen.

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 31 Het vertrouwe n in de toekomst (grafiek 7) is kennelijk hoog op Sint Maarten. Maar liefst 72 procent van de ondernemers gaf aan vertrouwen te hebben in de toekomst. Een duidelijk hoger percentage dan voor Bonaire en met name ook Curaao. Slechts 11 procent gaf aan dit vertrouwen net te hebben. Bijna 17 procent van de ondernemers had geen mening omtrent de gestelde vraag.

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine 32 Jaargang 5 Economische ontwikkelingen in 2003 Bruto Binnenlands Product van de Nederlandse Antillen stijgt met 1,4 procent. Maureen Blokland Inleiding Method ologie Het Bruto Binnenlands Product (BBP) geeft de productieve activiteiten van ingezeten productie eenheden op jaarbasis aan. Er bestaan drie aan elkaar gerelateerde methodes voor het berekenen van het BBP t.w.: a. De productiemethode; Hierbij is het BBP g elijk aan de som van de bruto toegevoegde waarde (BTW) van alle institutionele sectoren, vermeerderd met het saldo van productgebonden belastingen en subsidies. De BTW is gelijk aan de productiewaarde of output verminderd met de intermediaire kosten. Deze methode staat bekend als de productie methode. b. De bestedingsmethode; Het BBP is tevens gelijk aan de som van de finale bestedingen aan goederen en diensten door ingezeten institutionele eenheden nl. consumptie en investeringen vermeerderd met het saldo va n de exporten en importen van goederen en diensten. c. De inkomensmethode; Het BBP is gelijk aan de loonsom, vermeerderd met de afschrijvingen, de belastingen minus subsidies op productie en het exploitatie overschot. Deze methode staat bekend als de inkome nsmethode. De productiemethode Onderstaande berekeningen, zowel nominaal als reel (exclusief prijsontwikkelingen) zijn voor namelijk gebaseerd op de productie methode. Daarom volgt nu een nadere uitleg van deze methode. Belangrijke begrippen die bij de productiemethode worden gebruikt zijn: institutionele sectoren productgebonden belastingen en subsidies productiewaarde intermediaire kosten Driekwart van het binnenlands product van de Antillen wordt door Curaao geleverd. De Bovenwinden genereren 16 procent en Bonaire 6 procent. De grootste sector is de sector niet financile bedrijven en de belangrijkste bedrijfstakken zijn de handel, t ransport en communicatie, de zakelijke diensten en de industrie. Deze structuur geldt evenwel niet voor alle eilanden. Ook de economische ontwikkelingen differentieren tussen de verschillende eilanden.

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 33 De institutionele sectoren Onderscheid wordt gemaakt in 5 institutionele sectoren op basis van het SNA93 systeem van de United Nations t.w. de niet financile sector (NFS) : in essentie de niet financile rechtspersoonlijkheid volledige boekhouding; de financile sector (FS): banken verzekeringsmaatschappijen, credit unions, trust maat schappijen, pensioenfondsen e.d.; de overheidssector (OVS): landelijke en eilandelijke overheidsdiensten, overheids stichtingen en overige overheidsbedrijven zonder rechtspersoonlijkheid; de huishou d sector (HHS): de consumenten en kleinere eenmanszaken en overige bedrijven neel, de huurwaarde van eigendomswoningen; de sector van instellingen zonder winstoogmerk (IZW) ten dienst e van huishoudens: stichtingen hoofdzakelijk gecontroleerd en gefinancierd door gezinnen. Elke sector wordt onderverdeeld in diverse bedrijfstakken. Het onderscheid in bedrijfstakken is gebaseerd op de International Standard Industrial Classification of a ll Economic Activities (ISIC) rev. 3 van de United nations. De productgebonden belastingen minus subsidies Productgebonden belastingen zijn belastingen die moeten worden betaald per eenheid van een goed of dienst die is geproduceerd of verhandeld. Deze zi jn in principe gelijk aan de indirecte belastingen in het vorig (SNA68) nationale rekeningen systeem. De productiewaarde De productiewaarde is, met uitzondering van de sector overheid en de bedrijfstakken handel en de bedrijfstak financile dienstverlening gelijk aan de omzet gecorrigeerd voor voorraadveranderingen. De productie van de sector overheid is gelijk aan de kosten. Voor de handel geldt dat de productiewaarde gelijk is aan de handelsmarge. Voor de financile dienstverlening is er per sub bedrijfst ak een andere definitie voor bepaling van de productie. Zo is bijvoorbeeld de productie van de commercile banken gelijk aan de rentemarge. De intermediaire kosten De intermediaire kosten zijn gelijk aan alle kosten exclusief de loonsom en de bruto invest eringen. Voorbeelden van intermediaire kosten zijn de water en elektrakosten, accountskosten, transportkosten, huisvestingskosten e.d. De databronnen De belangrijkste databronnen gebruikt in onderstaande analyse zijn: de jaarlijkse nationale rekeningen enq ute waarin alle bedrijven met meer dan 10 werknemers worden genterviewd en een steekproef van de bedrijven met minder dan 10 werknemers wordt getrokken; de conjunctuur enqute; deze is voor het eerst gehouden in december 2003 als pilot enqute in samenwe rking met de Kamer van Koophandel en de Bank van de Nederlandse Antillen.; de overheidsrekeningen en voorlopige kascijfers van de inkomsten en uitgaven van de overheid; volume indicatoren van verschillende bedrijfstakken.

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine 34 Jaargang 5 De cijfers over de periode 2000 t /m 2003 betreffen schattingen. Het kader In het onderstaande zal worden ingegaan op de economische ontwikkelingen in de Antillen, per eiland, per institutionele sector en per bedrijfstak over de periode 1996 2003 met nadruk op de ontwikkelingen in 2003. De cijfers over de periode 2000 t/m 2003 zijn voorlopige gegevens. De structuur van de economie De eilandelijke bijdrage aan het Bruto Binnenlands Product In 2003 is de grootste bijdrage aan het BBP geleverd door het Eilandgebied Curaao met 75 procent, ge volgd door de Bovenwinden met 19 procent en Bonaire met 6 procent (zie grafiek 1). Zoals blijkt uit grafiek 2 hebben zich over de periode 1996 2003 geen grote veranderingen in de eilandelijke struc tuur voorge daan. De sectorale bijdrage aan het bruto Bin nenlands product De sector met de grootste bijdrage aan het BBP is de niet financile sector. In tabel 1 worden de procentuele bijdra gen voor 2003 en gemiddeld over de periode 1996 2003 getoond voor de Nederlandse Antillen. Op alle eilanden is de bijdrag e van de niet financile sector het grootst. In 2003 was die gelijk aan 57 procent in Bonaire, 54 procent in Curaao en 67 procent op de Boven windse eilanden. Uit de tabel blijkt dat de sectorale structuur in 2003 afwijkt van de gemiddelde structuur o ver 1996 2003, met name betreffende de sector overheid en de niet financile sector. Dit is veroorzaakt door een ver schuiving in de structuur vanaf 2000 waarbij het aandeel van de financile sector gelijk is aan die van de overheidssector en daarna zelfs groter (zie grafiek 3). In de periode daarvoor was de Tabel 1. BBP bijdrage per sector, Nederlandse Antillen 1 Se ctor 2003 Gemiddeld 1996 2003 % Niet financieel 56 56 Financieel 18 17 Overheid 15 17 11 10 1 Exclusief productgebonden belastingen en subsidies

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 35 bijdrage van de overheids sector groter dan die van de financile sector. De verschuiving van het aandeel van de overheidssector naar de financile sector is alleen in Curaao waarneembaar, waarbij de bijdrage van de financile sector in 2003 gelijk is aan 22 procent en die van de overheid 15 procent. In Bonaire en de Boven winden is de bijdrage van de over heids sector veel groter dan die van de finan cile sector (zie tabel 2). De bijdrage per bed rijfstak aan het BBP, Nederlandse Antillen Zoals eerder aangehaald is elke sector opgebouwd uit bedrijfstakken. Indien de structuur van de grootste sector nl. de niet financile, wordt bekeken blijkt dat in 2003 de grootste bedrijfstakken in de Nederlands e Antillen in volgorde van grootte gevormd worden door de handel (27%), transport en communicatie (14%) de bedrijfstak exploitatie onroerende goederen, verhuur en zakelijke diensten (afgekort zakelijke diensten,13%) en industrie (10%). Deze structuur is vo or de gehele periode 1996 2003 van toepassing met uitzondering van de jaren 1996 en 1997 waarin de industrie op de derde plaats staat en de bedrijfstak exploitatie onroerende goederen op de vierde. In grafiek 4 zijn de aandelen van de top vier bedrijfs takken voor de periode 1996 2003 opge nomen. Bovenstaande bedrijfstakken structuur komt over een met die van Curaao, maar verschilt van de structuur van de andere eilanden. In Bonaire zijn het de bedrijfstakken transport, horeca, handel en zakelijke d iensten die de boventoon voeren. In 2003 zijn de procentuele aandelen als volgt: horeca: 19 procent transport en communicatie: 17 procent handel: 14 procent zakelijke diensten: 12 procent De horeca behoort vanaf 1999 tot de top vier en heeft daarme e de bouw vervangen. Op de Bovenwinden behoren de bedrijfstakken handel (29%) en transport en communicatie (14%), horeca (14%) en de bouw(13%) tot de top vier. Over de periode 1996 2003 bekeken zijn het afwisselend de bedrijftakken bouw en horeca die op de vierde plaats staan. In Curaao wordt de grootste bijdrage aan het BBP geleverd door de bedrijfstakken handel, transport zakelijke diensten en industrie. In 2003 zijn de bijdragen als volgt: handel: 27 procent transport & communicatie: 14 proc ent Tabel 2. Aandeel per sector en per eiland in het BBP, 2003 1 Sector Bonai re Curaao Boven winden % Niet financieel 57 54 67 Financieel 6 22 6 Overheid 24 15 12 13 10 15 1 Exclusief productgebonden belastingen en subsidies

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine 36 Jaargang 5 zakelijke diensten: 15 procent industrie: 12 procent Over de periode 1996 2003 bekeken zijn het afwisselend de bedrijftakken industrie en zakelijke diensten die op de derde plaats staan. De economische ontwikkelingen in 2003 Rele ontwikkeling van het BBP 3 De rele groei geeft in feite de groei aan in de geproduceerde hoeveelheden goederen en diensten in de economie. In 2003 heeft een rele economische groei van ruim 1 procent plaatsgevonden in de Antillen. Op alle eilanden is er sprake van een re le groei. De groei is het sterkst op de Bovenwinden met ongeveer 4 procent, gevolgd door Bonaire met 3,4 procent en Curaao met 0,5 procent. De groei is veroorzaakt door diverse positieve ontwikkelingen in de economien van de verschillende eilanden t.w .: Bonaire In vergelijking met 2002 werden ongeveer 23 procent meer toeristen geregistreerd. De toename van het aantal vluchten naar Bonaire heeft de gewenste groei in de aantallen toeristen en het aantal overnachtingen opgeleverd. De toename in het toeris me heeft spin off effecten naar groot en kleinhandel. In deze bedrijfstakken werd een rele groei van resp. 10 en 5 procent geregistreerd. Curaao Voor wat Cu raao betreft is een stijging zichtbaar in het aantal overnachtingen van ruim 3 procent, van 1.810.661 naar 1.869.766. De meest opvallende stijgingen hebben plaatsgevonden in de Amerikaanse en Nederlandse toeristenmarkten. De economische groei heeft ook t e maken met de groei in de bedrijfstak financile dienstverlening vanwege met name een toename van de activiteiten van de commercile banken en verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen. De Bovenwindse eilanden In St.Maarten heeft een toename van he t aantal cruisetoeristen plaatsgevonden met ca. 11 procent van 1.055.040 naar 1.171.734. Het aantal verblijfstoeristen is met ca. 12 procent toegenomen van 398.503 naar 444.843. Verdere positieve ontwikkelingen zijn de ontwikkelingen in de bedrijfstak tra nsport en communicatie. In deze bedrijfstak heeft een stijging plaatsgevonden van de activiteiten op de luchthaven. Verder is het lokaal en internationaal telefoonverkeer toegenomen. Nominale ontwikkeling van het BBP De economische activiteiten in de Nede rlandse Antillen gemeten met het Bruto Binnen lands Product zijn in 2003 gestegen van NAf 5.179,8 miljoen naar NAf 5.341,0 miljoen, een stijging van ca. 3 procent nominaal. Op alle eilanden is er sprake van groei in 2003. De groei is het sterkst op de Bo venwinden met bijna 6 procent, gevolgd door Bonaire met 4,1 procent. De groei in Curaao is gelijk aan 2 3

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 37 procent. Over de periode 1996 2003 bekeken is 2003 het eerste jaar waarin sprake is van groei op alle eilanden. Ontwikkeling van de bruto toegevoegde w aarde In het onderstaande volgt een analyse van de ontwikkeling van de BTW van de vier grootste bedrijfstakken van de An tillen, Bonaire, Curaao en de eilan den groep van de Boven win den. Ontwikkelingen in de Nederlandse Antillen In 2003 heeft een nom inale stijging van de BTW plaatsgevonden in twee van de vier grootste bedrijftakken t.w. de handel (3,8%) en zakelijke diensten (2%). De bedrijfstakken transport, opslag en com municatie, en industrie vertonen dalingen van resp. ruim 1 en bijna 5 procent t en opzichte van 2002 (zie tabel 3). Deze ontwikkelingen hebben o.a. te maken met de eerder aangehaalde groei van het toerisme enerzijds, en stagnaties in de havenactiviteiten, scheepsreparatie en raffinage anderzijds. De BTW is gelijk aan de pro duc tiew aarde verminderd met de inter mediaire kosten. In drie van de vier bedrijfstakken t.w de handel, transport en communicatie en zakelijke diensten zijn de intermediaire kosten sterker gestegen dan de productiewaarde. De percentages zijn als volgt: handel: p roductiewaarde 8,7 procent; intermediaire kosten 17,1 procent transport: productiewaarde 0,5 procent; intermediaire kosten 2 procent zakelijke diensten: productiewaarde 13,5 procent; de intermediaire kosten 55,7 procent In de bedrijfstak industrie zijn zowel de productiewaarde als de intermediaire kosten gedaald met respectievelijk. 10,6 en 13,9 procent. Indien naar de gehele periode 1996 2003 wordt gekeken blijkt het volgende. De bedrijfstakken handel en zakelijke diensten vertonen een stijgende tren d. De gemiddelde groei is gelijk aan respectievelijk. 3 en 5 procent Tabel 3. BTW ontwikkeling vier grootste bedrijfstakken, Nederlandse A ntillen 2002 2003 2003 Gemid deld 1996 2003 mln. NAf % mutatie Handel 701,3 728,1 3,8 2,5 Transport en communicatie 388,7 383,7 1,3 1,0 Zakelijke diensten 350,5 357,4 2,0 5,4 Industrie 280,5 267,6 4,6 3,4 Tabel 4. BTW ontwikkeling vier gro otste bedrijfstakken, Bonaire 2002 2003 2003 Gemid deld 1996 2003 mln. NAf % mutatie Horeca 25,9 28,9 11,7 8,9 Transport en communicatie 28,0 25,8 7,8 7,2 Handel 20,3 21,7 7,0 0,8 Zakelijke diensten 17,0 17,5 3,0 0,3

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine 38 Jaargang 5 De bedrijfstakken transport en industrie vertonen een dalende trend. De gemiddelde afname is gelijk aan respectievelijk 1 en ruim 3 procent. Ontwikkelingen in Bonaire Uit tabel 4 blijkt d at de BTW in Bonaire in drie van de vier grootste bedrijfstakken is gegroeid t.w. de bedrijftakken horeca (11,7%), handel (7%) en zakelijke diensten (3%). Deze groei heeft o.a. te maken met de eerder aangehaalde groei in het toerisme. De BTW van de bedrij fstak transport en communicatie vertoont een daling van bijna 8 procent vanwege afname van de havenactiviteiten. Voor wat betreft de horeca en de zakelijke diensten zijn zowel de productiewaarde als de intermediaire kosten gestegen, terwijl de productiew aarde en intermediaire kosten van de twee overige bedrijfstakken zijn gedaald. De productiewaarde van de horeca is met 34 procent gestegen terwijl de intermediaire kosten met bijna 55 procent zijn gestegen. De productiewaarde van zakelijke diensten is met 12,8 procent gestegen terwijl de intermediaire kosten met bijna 28 procent zijn gestegen. De productiewaarde van de handel is gedaald met bijna 13 procent. Door de sterkere daling van de intermediaire kosten (35%), heeft toch nog een stijging van de BTW kunnen plaatsvinden. De productiewaarde van de bedrijfstak transport en communicatie is gedaald met bijna 5 procent. Gecombineerd met de minder sterke daling van de intermediaire kosten (3,2%), heeft een daling van de BTW plaatsgevonden. Over de peri ode 1996 2003 vertonen de horeca en zakelijke diensten een stijgende trend. De gemiddelde groei is gelijk aan resp. 8,9 en 0,3 procent. Opvallend is de negatieve gemiddelde mutatie van de BTW van de handel bij een stijgende BTW in 2003. De stijgingen in d e overige jaren waren blijkbaar onvoldoende om de sterke dalingen in de jaren 2001 en 2002 te compenseren. Ontwikkelingen in Curaao In Curaao is de BTW van twee van de top vier bedrijfstakken gestegen (zie tabel 5), namelijk van de handel (4,7%) en zake lijke diensten (0,7%). De BTW van de bedrijftak transport en de bedrijfstak communicatie en industrie is gedaald met resp. 4,1 en 7 procent. De BTW van de bedrijfstak handel is met bijna 5 procent gegroeid naar NAf 527,5 miljoen in 2003, zowel de produc tiewaarde (ca. 9%) als de intermediaire kosten (ca.20%) vertonen stijgingen. De BTW van de bedrijfstak transport opslag en communicatie is met ruim 4 procent gedaald van NAf 280,5 naar NAf 269 miljoen. Deze ontwikkeling heeft te maken met een daling van de omzetten en daarmede van de productiewaarde (ca. 2 %), de intermediaire kosten zijn min of meer gelijk gebleven. De BTW in de bedrijfstak zakelijke dienstverlening is gegroeid met bijna 1 procent van NAf 289,2 miljoen in 2002 tot NAf 289,2 miljoen in 2 003 terwijl de productiewaarde gestegen is met bijna 9 procent. Dit heeft te maken met een sterke stijging van de intermediaire kosten (41,5%).

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 39 De BTW in de bedrijfstak industrie is afgenomen met 7 procent van NAf 254,7 miljoen in 2002 naar NAf 236,9 mil joen in 2003. Zowel de productiewaarde als de intermediaire kosten zijn gedaald met respectievelijk 12,8 om 16,5 procent. Indien naar de periode 1996 2003 wordt gekeken blijkt dat de bedrijfstak handel en de bedrijfstak zakelijke diensten een stijgende t rend vertonen. De gemiddelde groei is gelijk aan resp. bijna 3 en 5 procent. In de bedrijfstak transport en communicatie en de bedrijfstak industrie is een dalende trend waarneembaar. De gemiddelde daling is gelijk aan respectievelijk 3 en 0,2 procent. O ntwikkelingen op de Bovenwinden Uit tabel 6 blijkt dat de BTW op de Bovenwindse eilanden in alle vier de grootste bedrijfstakken is gegroeid in 2003 ten opzichte van 2002. De groei is het sterkst in de bedrijfstak horeca (11,2%) gevolgd door de bedrijfsta k transport en communicatie (10,9%), de bouw (9,7%) en de handel (1%). In alle vier de bedrijfstakken heeft een stijging van de productiewaarde plaatsgevonden. De intermediaire kosten vertonen ook stijgingen met uitzondering van de intermediaire kosten v an de bouw die een daling vertonen van bijna 2 procent. De productiewaarde van de handel is toegenomen met bijna 10 procent, terwijl de intermediaire kosten met 18,6 procent zijn gestegen. De productiewaarde van de bedrijfstak transport en communicatie is gestegen met 12,5 procent. Gecombineerd met een stijging van de intermediaire kosten (14,1%), heeft een stijging van de BTW (10,9%) plaatsgevonden. De productiewaarde van de bouw is met bijna 1 procent gestegen terwijl de intermediaire kosten met bijna 2 procent zijn gedaald. De productiewaarde en intermediare kosten van de horeca zijn met ruim 11 procent gestegen. Over de periode 1996 2003 vertonen bovengenoemde bedrijfstakken allen een stijgende trend. De gemiddelde groei is het sterkst bij de bedrij fstak transport en communicatie (9,9%), gevolgd door de bedrijfstakken horeca (9,3%), bouw (6.5%) en handel (2,1%). Tabel 5: BTW ontwikkel ing vier grootste bedrijfstakken, Curaao 2002 2003 2003 Gemid deld 1996 2003 mln. NAf % mutatie Handel 503,9 527,5 4,7 2,7 Transport en communicatie 280,5 269,0 4,1 3,1 Zakelijke diensten 287,2 289,2 0,7 4,5 Industrie 254,7 236,9 7,0 0,2 Ta bel 6: BTW ontwikkeling vier grootste bedrijfstakken, Bovenwinden 2002 2003 2003 Gemid deld 1996 2003 mln. Naf % mutatie Handel 177,1 179,0 1,0 8,9 Transport en communicatie 80,2 89,0 10,9 7,2 Bouw 78,2 85,8 9,7 0,8 Horeca 73,7 82,0 11,2 0,3

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine 40 Jaargang 5 Inkomsten en uitgaven van de landsoverheid en eilandoverheid Curaao in 2002. Joyce Mahabali Inleiding Onderstaand volgt een overzicht van de inkomsten en uitgaven van de lands en eilandsoverheid van Curaao over 2002. In tabel 1 worden de eilandcijfers gepresenteerd en in tabel 2 de landcijfers. De ontwikkelingen van de cijfers worden geanalyseerd gevolgd door een toelichting van de po sten die gehanteerd zijn in de tabellen. Ontwikkelingen Eilandoverheid Curaao De inkomsten zijn in 2002 afgenomen met 3,5 procent van 775,9 miljoen naar 748,4 miljoen. Het grootste deel van de inkomsten (bijna 51 procent) is afkomstig van de directe bela stingen betaald door gezinnen. Deze zijn afgenomen met 1,6 miljoen. De directe belastingen betaald door bedrijven zijn afgenomen met 11,9 procent van 76,3 miljoen naar 67,2 miljoen. Ook de indirecte belastingen van bedrijven zijn afgenomen en wel met 17,4 procent. De overige inkomsten van bedrijven die nog geen 7 procent uit maken van het totaal zijn afgenomen met 5,9 miljoen. De inkomensoverdrachten om niet van gezinnen zijn afgenomen evenals de goederen en diensten aan gezinnen en bedrijven met respectie velijk 2 miljoen en 2,6 miljoen. In 2002 zijn de uitgaven gestegen van 733,5 miljoen naar 838,2 miljoen. Deze toename van ruim 14 procent wordt voornamelijk toegeschreven aan de stijging van de lonen en sociale lasten met 35,8 procent en de stijging van d e binnenlandse rentebetalingen met 33,1 procent. Daarnaast zijn toegenomen de goederen en diensten door bedrijven met 25,4 miljoen (13,2 procent), prijsverlagende subsidies met 5,7 miljoen (10,7 procent) en inkomensoverdrachten om niet aan land met 1,9 mil joen (12,7 procent). Rente van overheid aan buitenland en bruto investeringen zijn lichtjes toegenomen. De eilandoverheid van Curaao is voor een groot deel van haar inkomsten afh ankelijk van de belastingen die door gezinnen worden opgebracht. De landsoverheid daarentegen is grotendeels afhankelijk van belastingopbrengsten betaald door bedrijven Belangrijke uitgavenposten voor beiden zijn de loonsommen en de rentebetalingen. Daa rnaast geeft de eilandoverheid veel uit aan goederen en diensten en inkomensoverdrachten aan gezinnen (onderstand e.d.) De landsoverheid geeft daarnaast veel uit aan inkomensoverdrachten aan het eilandgebied

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 41 Tabel 1. Inkomsten en uitgaven van de Eilandsoverheid Curaao 2001 2002 Mutatie 2001 2002 Waarde Waarde absoluut relatief mln NAF % Inkomste n Directe belastingen van gezinnen 382.5 380.9 1.6 0.4 Directe belastingen van bedrijven 76.3 67.2 9.1 11.9 Inkomensoverdrachten om niet van buitenland 120.0 120.0 0.0 0.0 Indirecte belastingen van bedrijven 53.5 44.2 9.3 17.4 Overige inkom sten van bedrijven 8.4 2.5 5.9 70.2 Inkomensoverdrachten om niet van gezinnen 11.4 9.4 2.0 17.5 Goederen en diensten aan gezinnen en bedrijven 5.2 2.6 2.6 50.0 Schenkingen 118.6 121.6 3.0 2.5 Totale inkomsten 775.9 748.4 27.5 3.5 Uitgaven Loonsom overheid 203.1 275.8 72.7 35.8 Goederen en diensten door bedrijven 192.6 218.0 25.4 13.2 Binnenlandse rentebetalingen 84.4 112.3 27.9 33.1 Rente van overheid aan buitenland 9.3 9.5 0.2 2.2 Prijsverlagende subsidies 53.2 58.9 5.7 10.7 Inkomen soverdrachten om niet aan land 15.0 16.9 1.9 12.7 Inkomensoverdrachten om niet aan gezinnen 157.0 135.1 21.9 13.9 Bruto investeringen 10.9 11.7 0.8 7.3 Kapitaaloverdrachten 8.0 0.0 8.0 100.0 Totale uitgaven 733.5 838.2 104.7 14.3 Bron: Bank van de Nederlandse Antillen Tabel 2. Inkomsten en uitgaven van de Landsoverheid Curaao 2001 1 2002 1 Mutatie 2001 2002 Waarde Waarde absoluut relatief mln NAF % Inkomsten Kapitaaloverdrachten om niet van gezinnen 0.6 2.6 2.0 333.3 Indirecte be lastingen van bedrijven 438.9 455.4 16.5 3.8 Overige inkomsten van bedrijven 63.3 51.1 12.2 19.3 Inkomensoverdrachten om niet van gezinnen 14.9 14.2 0.7 5.0 Goederen en diensten aan gezinnen en bedrijven 1.1 1.4 0.3 27.3 Schenkingen 15.0 16.9 1.9 1 2.7 Totale inkomsten 533.8 541.6 7.8 1.5 Uitgaven Loonsom overheid 168.1 212.2 44.1 26.3 Goederen en diensten door bedrijven 71.9 75.0 3.1 4.4 Binnenlandse rentebetalingen 88.5 104.1 15.6 17.6 Rente van overheid aan buitenland 6.3 19.5 13.2 209. 5 Prijsverlagende subsidies 4.3 17.6 13.3 309.3 Inkomensoverdrachten om niet aan eiland Curacao 178.6 177.2 1.4 0.8 Inkomensoverdrachten om niet aan gezinnen 46.1 38.6 7.5 16.3 Bruto investeringen 14.4 7.0 7.4 51.4 Kapitaaloverdrachten 6.5 9.5 3 .0 45.7 Netto leningen 1.7 17.4 15.7 923.5 Totale uitgaven 586.4 678.1 91.7 15.6 1 Cijfers zijn schattingen

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine 42 Jaargang 5 Landsoverheid Curaao De inkomsten zijn licht gestegen van 533,8 miljoen naar 541,6 miljoen. De indirecte belastingen van bedrijven hebben he t grootste aandeel, n.l. bijna 87 procent. Deze zijn toegenomen met van 438,9 miljoen in 2001 naar 455,4 miljoen in 2002. Een stijging van 3,8 procent. Verder zijn toegenomen goederen en diensten aan gezinnen en bedrijven en schenkingen met respectievelijk 300 duizend en 1,9 miljoen. De posten die afgenomen zijn, zijn overige inkomsten van bedrijven met 19,3 procent en inkomensoverdrachten om niet van gezinnen met 5 procent. De uitgaven zijn toegenomen met ruim 15% van 586,4 miljoen in 2001 naar 678,1 milj oen in 2002. De posten die voor een groot deel de uitgaven bepalen zijn de lonen en sociale lasten met een aandeel van 31%, de inkomensoverdrachten om niet aan eiland Curaao met een aandeel van 26% en de binnenlandse rentebetalingen met 15,4%. De lonen en sociale lasten zijn toegenomen met 44,1 miljoen of te wel 26,3 procent. De binnenlandse rentebetalingen zijn toegenomen van 88,5 miljoen in 2001 naar 104,1 miljoen in 2002, een stijging van 17,6 procent. De rente van overheid aan buitenland is toegenomen met 13,2 miljoen evenals prijsverlagende subsidies met 13,3 miljoen. De bruto investeringen vertonen een afname. Toelichting op de posten in de tabellen Directe belastingen van gezinnen Directe belastingen worden geheven op het inkomen en vermogen van bedr ijven en gezins huis houdingen. Deze belastingen worden zoals de naam reeds aangeeft rechtstreeks op het inkomen van de verschuldigde geheven. De directe belastingen van gezinshuis houdingen omvatten de inkomsten loon en motorrijtuigenbelasting. De moto rrijtuigen belasting wordt voor het gedeelte dat betaald is door bedrijven als een indirecte belasting aangemerkt. Directe belastingen van bedrijven Winstbelasting is de enige vorm van directe belastingen betaald door bedrijven aan de overheid. De inkoms tenbelasting welke in feite ook door bedrijven wordt betaald, wordt in de nationale rekeningen echter aangemerkt als een directe belasting welke uitsluitend door gezins huis houdingen is verschuldigd. De reden daarvan is dat het nettoresultaat van niet N.V streeks deel uitmaakt van het inkomen van gezinshuishoudingen. Inkomensoverdracht om niet van buitenland Het betreft hier dat deel van de winstbelasting dat off shore maatschappijen (niet ingezeten bedrijven) aan de overheid afstaan. Indirecte be lastingen van bedrijven Indirecte belastingen zijn belastingen ten aanzien van de productie, verkoop, inkoop of gebruik van goederen en diensten die door de producenten als kosten van de productie worden beschouwd. De wijze van heffing geschiedt niet direc t bij de consument, maar via de producent die deze belasting doorberekent in de kostprijs. Voorbeelden zijn o.a. invoerrechten, accijnzen, gebruiks en grondbelasting. Overige inkomsten van bedrijven Deze post omvat de door het eilandgebied ontvangen divid enden van de overheids de Centrale Bank, de netto pachten, alsmede de netto besparingen en rente van de niet rechtspersoonlijkheid bezittende overheidsbedrijven. De negatieve netto besparingen van de overheidsbedrijven zijn op deze bedragen in mindering gebracht.

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 43 Inkomensoverdrachten om niet van gezinnen Deze bedragen betreffen ontvangsten van de overheid zoals school college en examengelden, boeten en vervolgingskosten, leges en retributies voor prestaties van de overheid die niet als een "verkoop' van een dienst zijn aan te merken, de netto opbrengsten van de Landsloterij, ouderlijke bijdragen in verleende studiebeurzen etc. Goederen en diensten aan gezinnen en bedrijven Goederen en diensten aan bedrijven heeft betrekking op de diensten g eleverd door hoofdzakelijk D.O.W., S.V.B. en Veterinaire Dienst aan de particuliere en overheidsbedrijven. Daarnaast zijn ook de leges en retributies ontvangen van bedrijven i.v.m. inklaring van goederen door de douane, ophalen van bedrijfsvuil door Se likor, gerechtskosten e.d., hierin begrepen. Slechts de betalingen voor diensten waartegenover geen uitdrukkelijke verplichting opgelegd door de overheid staat, zijn als verkopen" van diensten aangemerkt. Het betaalde bedrag moet bovendien in een redelij ke verhouding staan tot de geleverde dienst, wil dit als een verkoop" worden aangemerkt. Onder goederen en diensten aan.gezinshuishoudingen is opgenomen de gelden ontvangen van gezinshuishoudingen i.v.m. diensten geleverd door musea, bibliotheken, Hof va n Justitie, onderwijs (boekengelden) etc. Schenkingen Het gaat hier voornamelijk om schenkingen vanuit de landsoverheid Curaao naar de eiland overheid Curaao (tabel 1) en omgekeerd (tabel 2). Loonsom overheid Tot de loonsom overheid worden gerekend de bezoldigingen, lonen, vergoedingen voor overwerk, loonindexeringen, standplaatstoelagen, kindertoelagen,vakantie uitkeringen, gratifi caties, kostwinnerstoelagen, detacheringtoelagen en doorbetaalde lonen i.v.m. ziekte, studie en andere korte afwezigheid v an het werk, met behoud van inkomen, de toeslagen A.O.V. en A.W.W., de kosten van medische verzorging van het personeel, aanvullings bijdragen op premies aan pensioenfondsen en levensverzekerings maat schappijen (niet het werknemersdeel), de kosten van uit en terugzending van personeel, kledingtoelagen en andere bijdragen die niet tot de lonen en salarissen zijn gerekend. Goederen en diensten door bedrijven Deze post geeft aan, de totale waarde van de verkopen van zowel consumptie als kapitaal goederen door bedrijven aan de overheid. Ook de leveringen van overheids bedrijven aan de overheid zijn inbegrepen. Binnenlandse rentebetalingen Deze betreffen onder andere rentebetalingen i.v.m. kapitaalverstrekkingen door levens ver zeke rings maatschappijen en pensioenfondsen aan de overheid bijv. onderhandse leningen en aankoop van staatsobligaties en rentebetalingen aan commercile banken en de Centrale Bank. Rente van overheid aan buitenland Het gaat hier hoofdzakelijk om rentebetalingen door de overheid aan het buitenland i.v.m. ontvangen leningen.

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine 44 Jaargang 5 Prijsverlagende subsidies De prijsverlagende subsidies, ontvangen van de overheid, hebben zoals de naam reeds aangeeft een kostprijsverlagend effect op de producten van bedrijven. Het doel van deze subsidies is o m te voorkomen dat het bedrijf verlies zal lijden indien zij haar producten verkoopt tegen een prijs die de kostprijs niet dekt. Een (te) lage verkoopprijs kan door de overheid worden afgedwongen indien zij dit op sociale gronden wenselijk acht, bijv. de waterprijs en huren van woningen. De overheid koopt dan a.h.w. middels de subsidie een gedeelte van de productie op. Inkomensoverdracht om niet aan land Het gaat hier om schenkingen gedaan door de eilandsoverheid aan de landsoverheid. Het prestatie geleverd behoeft te worden, dus noch een terugbetaling noch een levering van een arbeidsprestatie of dienst. Inkomensoverdracht om niet aan gezinnen Hier betreft het diverse ove rdrachten (schenkingen van de overheid) aan gezinshuis houdingen zoals onderstand en noodvoorzieningen aan behoeftigen, studiebeurzen, eilandspensioenen en pensioenvervangende uitkeringen e.d.. Bruto investeringen Bruto investeringen omvatten de uitgaven van producenten aan verhandelbare goederen. Bruto investeringen in vaste activa, die zowel kunnen worden aangekocht als in eigen beheer kunnen worden voortgebracht, omvatten: Goederen met een levensduur van 1 jaar of langer, met uitzondering van gronden, minerale afzettingen en andere niet reproduceerbare materile activa. Uitgaven met betrekking tot de verbetering en verandering van goederen met een levens duur van 1 jaar of langer, die de verwachte econ omische levensduur aanmerkelijk doet verlengen of de productiviteit belangrijk doet toenemen. Uitgaven met betrekking tot de winning en verbetering van land. Aankopen van vee voor de fokkerij, trekdieren, melkkoeien e.d. Dealer's marges en andere overdrac htskosten met betrekking tot transacties in land e.d. Naast de bruto investeringen in vaste activa wordt ook tot de bruto investeringen gerekend de verandering in de voorraden; een afname van de voorraden vormt een des investering. De voorraden bestaan v oornamelijk uit materialen, hulpstoffen, goederen in bewerking en nog niet afgezette eindproducten. Kapitaaloverdrachten Het betreft hier alle schenkingen aan gezinshuishoudingen en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van investeringen in vaste ac tiva, uitkeringen aan de pensioenfondsen wegens tekorten in het fonds en de afdrachten van ontwikkelingsgelden bestemd voor kapitaalprojecten, aan de overheidsbedrijven. Kapitaaloverdrachten om niet van gezinnen Deze betreffen de successie en overgangsbel asting geheven door de landsoverheid. Zij worden gezien als heffingen op het vermogen van gezinshuishoudingen. Netto leningen Deze post omvat het saldo van kapitaalverstrekkingen aan derden.

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 45 Armoedeindicatoren voor de Nederlandse Antillen Francis Vierberg en Inleiding Een aantal jaren geleden werden in Modus een tweetal artikelen gepubliceerd met betrekking tot armoede, inkomensverdeling en consumptie 4 De gegevens die toen werden gebruikt waren grotendeels gebaseerd op infor matie afkomstig uit de Arbeid skrachtenonderzoeken 1996 en 1997 en het budgetonderzoek uit 1994 Toen al stonden armoede en inkomensverdeling volop in de belangstelling. De discussie is sedertdien alleen maar toegenomen. Met het beschikbaar komen van nieuwe inkomensgegevens uit de Census van 2001 kan de analyse met betrekking tot de inkomensverdeling worden geactu aliseerd. Dit artikel zal daarom ook met name in het teken staan van de inkomensverdeling en de ontwikkeling daarin tussen de censusmomenten 1992 en 2001. Voor wat betref t de actualisering van de consumptie patronen zal moeten worden gewacht op de uitkomsten van het budgetonderzoek, dat naar verwachting in juli van dit jaar zal aanvangen en dat doorloopt tot en met juni 2005. De resultaten daarvan zullen daarom niet eerder dan eind 2005 beschikbaar komen voor publicatie. In het kader van de door de Verenigde Naties uitgeroepen artikel tevens gewijd zijn aan (een deel van) de indicatoren die gebruikt worden om het bereiken van die doel stellingen te kunnen monitoren, alsmede de beschik baarheid van die gegevens. Methodologie Operationalisering van het begrip armoede Om in staat te zijn om armoede gericht te bestrijden is het noodzakelijk om een werkbare definitie van het be grip armoede te hanteren. Daarbij is het tevens van belang dat die definitie door alle instanties die beleidsmatig met het bestrijden van armoede te maken hebben wordt gehanteerd, zodat eenduidigheid in het beleid gegarandeerd wordt. 4 Armoede en inkomensverdeling staan volop in de belangstelling. In dit artikel worden de ontwikkelingen in de inkomensverdelingen per eiland tussen 1992 en 2001 vergeleken. In Curaao blijft het armoedeprobleem het grootst, hoewel het percentage huishoudens onder de armoedegrens is gedaald. Bona ire heeft het laagste percentage huishoudens onder de armoedegrens, gevolgd door St. Maarten en Saba. Het percentage van St. Eustatius ligt dicht in de buurt van Curaao.

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine 46 Jaargang 5 In dat kader is het ge wenst dat door alle sociale partners een armoedegrens wordt vastgesteld en Het be beeld kunnen worden gebracht, zodat het beleid zich efficint kan richten op die doelgroepen, en dat daardoor de ernst van de situatie ook kwantitatief kan worden va stgesteld. Ook voor statistische doeleinden is een armoedegrens van groot belang. dat het beleid zich niet scherp kan richten op de doelgroep, ook moeilijk om de armoede te kwantificeren. Er bestaat een maatschappelijke definitie van armoede die deze definieert als de onmogelijkheid van een huishouden om haar leden te voorzien in de elementaire behoeften aan voeding, kleding, huisvesting, opleiding en gezo ndheidszorg. Door die behoeften verder te kwantificeren naar basisgoederen en diensten en vervolgens daaraan een prijs toe te kennen ontstaat een soort minimuminkomen dat als formele armoede grens kan worden beschouwd. Het ontbreken van een dergelijke fo rmele armoedegrens in de Nederlandse Antillen leidt er toe dat het begrip armoede op een andere manier moet worden gedefinieerd. In navolging van wat daarbij in internationaal vergelijkend onderzoek gebruikelijk is wordt gebruik gemaakt van een relatieve a rmoedegrens 5 Daarbij wordt niet meer gekeken naar het inkomen van een huishouden, maar wordt het feit dat zij tot de armste huishoudens behoort als criterium voor armoede gehanteerd. In dit artikel wordt de inkomensgrens van de twintig procent armste hu ishoudens daarom als armoedegrens gebruikt. Dit is een vrij arbitraire beslissing, maar heeft als voordeel dat nu iets meer over de huishoudens die onder de armoedegrens leven kan worden gezegd. Huishoudinkomen Armoede treft mensen, maar armoede kan vaak a lleen gemeten worden op het niveau van de huishoudens waarvan deze mensen deel uit maken. Het is tenslotte het huishoudinkomen dat wordt aangewend voor de consumptieve uitgaven van alle huishoudleden. Het huishoudinkomen bepaalt daarmee het (materiele) wel vaartsniveau van de personen die in het huishouden aanwezig zijn. Uitgangspunt van de analyse vormt daarom het huishoudinkomen. Gebruik makend van de inkomensgegevens die personen tijdens de Census opgaven moeten er een aantal bewerkingen worden uitgevoer d om huishoudens goed met elkaar te kunnen vergelijken. Van bruto inkomen naar netto inkomen Indachtig de definitie van armoede die eerder neerkomt op bestedingen van huishoudens dan op inkomen, moet getracht worden het bruto huishoudinkomen te vertalen n aar het netto besteedbaar inkomen. 5 ed componenten die door hem worden gehanteerd, zoals sociale uitsluiting en de eigen belevenis van de situatie. Het gaat in dit artikel primair om de meetb aarheid en daardoor om de (politieke) zichtbaarheid van armoede.

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 47 Daarom werden de bruto persoonlijke inkomens herleid naar netto inkomens door vermindering met de premies sociale verzekering (AOV en AVBZ), voor zover toepasbaar, en het geldende tarief voor de loon en inkomstenbelastin g. Dit is natuurlijk slechts een benadering van de werkelijkheid omdat hierbij geen rekening gehouden kan worden met extra aftrekposten die de inkomstenbelasting kent. Van persoonlijk inkomen naar huishoudinkomen Na berekening van de netto inkomens werden de persoonlijke inkomens van alle huishoudleden met een inkomen opgeteld tot het totale huishoudinkomen. Voor de berekening van het netto huishoudinkomen met behulp van de censusgegevens van 1992 moest de berekening worden omgedraaid: eerst berekening van het bruto huishoudinkomen en vervolgens berekening van het netto huishoudinkomen, omdat voor dat jaar de (deels) verzelfstandigde positie van de gehuwde werkende vrouw nog niet gold. Ook werd toen een andere belastingtariefstructuur gehanteerd dan in 2001 Standaardisering van het netto huishoudinkomen Niet alle huishouden zijn gelijk van samenstelling. Zo zijn er alleenstaanden, gehuwden of samenwonenden met of zonder kinderen, meergezinshuishoudingen, elk met meerdere samenstellingsvormen. Daarom wordt het netto huishoudinkomen gestandaardiseerd naar n type huishouden: het eenpersoonshuishouden. Dat gebeurt door middel van het door de OECD (Organization for Economical Cooperation and Development) ontwikkelde equivalentiefactor. Deze methode wordt ook d oor Eurostat, het statistische bureau van de Europese Gemeenschap toegepast om internationale vergelijkingen te maken. Ieder huishouden krijgt volgens deze methode een schaalfactor die afhankelijk is van het aantal personen in het huishouden. De schaalwaar de wordt bepaald door aan de eerste volwassene in het huishouden de factor 1 toe te kennen, aan iedere volgende persoon van 14 jaar en ouder een factor 0,5 en tenslotte aan elk kind beneden de 14 jaar een factor van 0,3. De som van alle individuele factor en bepaalt de huishoudfactor. Het huishoudinkomen wordt tenslotte gedeeld door deze factor om het gestandaardiseerde huishoudinkomen te verkrijgen. Inkomensverdeling Door alle huishoudens in volgorde van laag naar hoog inkomen te rangschikken kunnen vijf g roepen van gelijke aantallen huishoudens worden gemaakt, de zogenaamde quintielengroepen. Ieder quintiel bevat 20 procent van alle huishoudens, gerangschikt van laagste inkomens naar hoogste inkomen. Per quintiel wordt het totaalinkomen van alle huishouden s tezamen berekend. Vervolgens wordt het aandeel van elk quintiel in het totaal van alle inkomens over alle groepen berekend. Tabel 1 geeft de uitkomsten van deze rekenmethode. Bij een perfecte verdeling van de inkomens zou iedere 20 procentgroep ook tw intig procent van het totaalinkomen ter beschikking hebben. In werkelijkheid beschikt de armste groep slechts over 4 tot 6 procent van het totaalinkomen. Het laagste percentage geldt hierbij voor Curaao en de hoogste voor Bonaire en Saba. Daarentegen besc hikt de rijkste groep huishoudens over 44 tot 47 procent van het totaalinkomen. Hierbij geldt het laagste percentage voor Bonaire en het hoogste percentage voor Curaao en St. Eustatius.

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine 48 Jaargang 5 Tabel 1. Inkomensaandelen van 20% huishoudgroepen naar eiland, 2001 Neder landse Antillen Bonaire Curaao St. Maarten St. Eustatius Saba 1e (laagste) 20% groep 4 6 4 5 5 6 2e 20% groep 10 11 9 11 10 10 3e 20% groep 15 16 15 15 15 16 4e 20% groep 24 23 24 22 23 22 5e (hoogste) 20% groep 47 44 47 46 47 46 Totaal 10 0 100 100 100 100 100 verhouding inkomensaandeel hoogste groep t.o.v. laagste groep 10,7 7,5 11,4 8,7 9,7 8,1 GINI 0,414 0,375 0,423 0,395 0,412 0,386 Bron: census 2001; gestandaardiseerd netto huishoudinkomen Een maat om de inkomensongelijkheid te me ten is de verhouding van het inkomensaandeel van de rijkste groep huishoudens ten opzichte van dat van de armste huishoudens. Deze factor komt uit op 10,7 voor de Antillen als totaal. De groep rijkste huishoudens heeft een inkomen dat bijna elf maal zo hoo g is dan dat van de groep armste huishoudens. De ongelijkheid is het grootst in Curaao (11,4) en het kleinst in Bonaire (7,5). Een andere ongelijkheidmaat is de zogenaamde GINI cofficint 6 Deze maat heeft een waarde tussen 0 (perfect gelijkheid) en 1 (volkomen ongelijk). Hoe lager de cofficint hoe minder ongelijk de inkomens verdeling. De GINI meet de ongelijkheid voor alle inkomensgroepen en is daarom nauwkeuriger dan de gehanteerde maat in de vorige paragraaf. De inkomensongelijkheden zijn volgens de GINI methode het grootst in Curaao en St. Eustatius, en het kleinst in Bonaire. In de grafiek is voor de Nederlandse Antillen de zogenaamde Lorenz curve weergegeven. Deze is de kromme lijn in het onderste deel van de grafiek die (cumulatief) aangee ft welk deel van de huishoudens welk deel van het totaalinkomen tot hun beschikking heeft. De rechte lijn geeft de situatie weer indien er sprake zou zijn van een perfecte inkomensverdeling. De GINI cofficint is de verhouding tussen het oppervlakte van h et gebied dat zich bevindt tussen de Lorenz curve en de rechte lijn (het lichtgrijze deel in de grafiek) en het oppervlakte van de onderste driehoek in haar geheel (het lichtgrijze en donkergrijze deel samen). 6 Naar de Italiaanse Statisticus Corrado Gini die deze methode van meting van inkomensongelijkheid heeft ontwikkeld. De GINI meet het oppervlakte tussen de Lorenzcurve en de rechte lijn van de perfecte inkomensverdeling en deelt deze door de totale oppervlakte bij perfecte inkomensverdeling.

PAGE 50

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 49 Head Count Index en Poverty Gap Index De Wer eldbank en ook de Verenigde Naties hanteren een aantal armoedeindicatoren die de mate van armoede in een land weergeven. Een tweetal indicatoren zijn in dit verband de zogenaamde het aandeel personen weer die beneden de armoedegrens leven. De bevolking verhindert om boven de armoedegrens uit te stijgen. Daartoe wordt het gezamenlijke inko menstekort van alle arme personen gedeeld door de totale bevolking. Als percentage berekend geeft de index aan welk percentage iedereen van zijn inkomen zou moeten overdragen om het inkomenstekort van de armen op te heffen. De algemene formule voor beide waarbij q de omvang van de bevolking onder de armoedegrens is, n de totale bevolking, y het inkomen van de persoon onder de armoedegrens, de armoedegrens en de parameter die het type index be paalt. Indien gelijk aan 1 gelijk aan 2 te maken. Daarbij wordt het verschil tussen het inkomen en de armoedegrens gekwadrateerd. Deze Greer armste van de armen extra weging wordt gegeven, want hoe verder verwijderd van de armoedegr ens hoe meer weging aan het inkomenstekort van die persoon wordt gegeven. De FGT2 index geeft daardoor beter inzicht in de diepte van de armoede. Teneinde deze indices te kunnen berekenen is het noodzakelijk een armoedegrens vast te stellen. Zoals eerder beschreven is daarvoor op tamelijk arbitraire wijze de grens gelegd bij de bovengrens van het inkomen van de 20 procent armste huishoudens. Dat komt, teruggerekend, neer op een bruto inkomen van 586 gulden per maand voor een alleenstaande. Voor andere huis houdtypen kan het betreffende bedrag worden berekend door gebruik te maken van de equivalentiefactoren. Voor een huishouden van twee volwassenen en twee kinderen zou de grens bijvoorbeeld uitkomen op 1230 gulden per maand. Deze bedragen gelden voor alle e ilanden van de Nederlandse Antillen. Eilandspecifieke varianten zijn nu niet doorgerekend. Nu dat de grens is vastgesteld kunnen de huishoudens die onder de grens vallen worden vastgesteld en daarmee ook de aantallen personen die in die huishoudens leven. In tabel 2 worden de armoede indicatoren vermeld. Voor de Nederlandse Antillen als geheel geldt dat ruim 21 procent van de bevolking beneden de armoedegrens leeft. De hoogste percentages gelden voor Curaao en St. Eustatius, de laagste voor Bonaire. Tabel 2. Poverty Indices 2001 Headcount Index Poverty Gap Index FGT2 Index Curaao 23,2 9,0 4,5 Bonaire 14,8 4,4 2,0 St. Maarten 16,3 5,5 2,9 St. Eustatius 21,1 6,6 2,6 Saba 17,9 3,3 0,7 Ned. Antillen 21,3 7,6 3,6 Bron: census 2001

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine 50 Jaargang 5 Uit de tabel bl ijkt ook dat de diepte van de armoede in Curaao veruit groter is dan geldt voor de andere eilanden. Voor Saba is de uitkomst daarentegen relatief veel gunstiger. Ontwikkelingen tussen 1992 en 2001 Inkomensverdeling Nu de armoedegrens met behulp van de ge gevens uit de Census van 2001 is vastgelegd kan de situatie van de arme huishoudens worden vergeleken met de uitkomsten van de Census van 1992. Daartoe wordt het inkomen dat als grens wordt aangemerkt met behulp van consumenten prijsindices teruggerekend n aar de koopkracht van 1992. Aangezien zich tussen 1992 en 2001 verschillende prijsontwikkelingen hebben voorgedaan in Curaao, Bonaire en de Bovenwinden, en hiervoor ook aparte informatie aanwezig is, is voor elk eilandgebied 7 een aparte berekening gemaakt Tabel 3. Inkomensaandelen van 20% huishoudgroepen naar eiland, vergelijking 1992 2001 Nederlandse Antillen Bonaire Curaao 1992 2001 1992 2001 1992 2001 1 e (laagste) 20% groep 4 4 6 6 4 4 2 e 20% groep 10 10 12 11 10 9 3 e 20% groep 16 15 1 7 16 16 15 4 e 20% groep 24 24 23 23 24 24 5 e (hoogste) 20% groep 46 47 43 44 46 47 Totaal 100 100 100 100 100 100 verhouding inkomensaandeel hoogste groep t.o.v. laagste groep 10,3 10,7 7,2 7,5 10,6 11,4 GINI 0,404 0,414 0,352 0,375 0,412 0,423 St Maarten St. Eustatius Saba 1992 2001 1992 2001 1992 2001 1e (laagste) 20% groep 5 5 5 5 6 6 2e 20% groep 11 11 10 10 12 10 3e 20% groep 16 15 16 15 17 16 4e 20% groep 24 22 24 23 23 22 5e (hoogste) 20% groep 44 46 46 47 43 46 Totaal 100 100 100 100 100 100 verhouding inkomensaandeel hoogste groep t.o.v. laagste groep 9,6 8,7 9,7 9,7 7,4 8,1 GINI 0,387 0,395 0,401 0,412 0,349 0,386 Bron: Census 1992, 2001. Gestandaardiseerd netto huishoudinkomen In tabel 3 worden de uitkomsten van 1992 vergeleken met die van 2001. Voor alle eilanden, en dus ook voor de Nederlandse Antillen als geheel zijn de GINI cofficinten gestegen, hetgeen betekent dat de inkomensongelijkheid in de periode onder beschouwing is toegenomen. De grootste stijging in de GINI cofficint is waar te nemen in Saba. Een reden hiervoor kan zijn dat door de komst van de Medical School er meer mensen met een hoger inkomen zich op dit eiland hebben gevestigd. 7 Waarbij voor Saba en St. Eustatius geldt dat de prijsontwikkelingen voor deze eilanden gelijk gesteld wordt aan die van St. Maarten.

PAGE 52

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 51 De verhouding tussen het inkomen van de armste 20 procentgroep en de r ijkste 20 procentgroep laat een iets minder duidelijk beeld zien. Deze is in St. Eustatius tussen 1992 en 2001 gelijk gebleven en in St. Maarten zelfs afgenomen 8 Dat duidt erop dat er ook onderlinge verschuivingen in de andere 20 procentgroepen hebben pla atsgevonden. Head count en Poverty Gap De Head Count Index en de Poverty Gap Index voor 2 001 worden in tabel 4 vergeleken met 1992. Daaruit blijkt dat voor de Benedenwinden en St. Eustatius het percentage mensen onder de armoedegrens tussen 1992 en 2001 is gedaald, terwijl het overeenkomstige percentage voor St. Maarten en Saba juist is gesteg en. De Poverty Gap Index is voor alle eilanden gedaald, en dat geldt ook voor de gewogen index. Geografische spreiding Voor de drie grootste eilanden is de spreiding van de armoede over de zones of buurten nader bekeken. Per geografische eenheid is het percentage huishoudens dat een inkomen heeft beneden de in dit artikel gehanteerde armoedegrens berekend. In Curaao komt het hoogste percentage huishoudens met een inkomen beneden de armoedegrens voo r in de zone Fortuna. Meer dan de helft van de huishoudens heeft een inkomen beneden de armoede grens. Voor een tiental andere zones ligt het percentage tussen de 30 en 34 procent. In St. Maarten komen dergelijk hoge percentages niet voor. De hoogste perc entages gelden hier voor Dutch Quarter en Defiance, met elk 18 pro cent, op de voet gevolgd door Middle Region en Over the Bank met ieder 17 procent. Een viertal andere wijken heeft een percentage van 16. In Bonaire komen de hoogste percentages, boven de 20 procent, huishoudens beneden de armoedegrens voor in de wijken Tera Cora en Bario Mexico. Voor Antriol en Nort Salinja gelden percentages van 18. 8 Hoewel de (a fgeronde) cijfers in de tabel anders suggereren, maar dit is geheel een afrondingseffect. Tabel 4. Ontwikkeling Poverty Indices 1992 2001 Headcount Index Poverty Gap Index FGT2 Index Curaao 2001 23,2 9,0 4,5 1992 26,4 10,2 5,4 Bonaire 2001 14,8 4,4 2,0 1992 18,0 6,8 3,4 St. Maarten 2001 16,3 5,5 2,9 1992 15,6 8,0 6,2 St. Eustatius 2001 21,1 6,6 2,6 1992 24,7 9,6 5,1 Saba 2001 17,9 3,3 0,7 1992 16,7 5,6 3,1 Ned. Antillen 2001 21,3 7,6 3,6 1992 23,6 9,4 5,1 Bron: Census 1992, 2001 Tabel 5. Zones en buurten met de hoogste percentages huishoudens beneden de armoedegrens Curaao (zones) Bonaire (buurten) St. Maarten (buurten) % % % Fortuna 53 Bario Mexico 22 Defiance 18 Koraal Specht 34 Tera Cora 20 Dutch Quarter 18 Lelienberg 33 Antriol Pabou 18 Middle Region 17 Punda 33 Antriol Pariba 18 Over the Bank 17 Otrabanda 32 Nort Salinja 18 Zorg en Rust 16 Kanga/Dein 32 Rincon Noord 17 Sucker Garden 16 Roosendaal 31 Over the Pond 16 Scharloo 31 Phillipsburg 16 Tera Pretu 30 Souax 30 Wishi 30

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine 52 Jaargang 5 Andere armoedeindicatoren Zowel de Verenigde Naties in haar Millennium Development Goals als de Wereldbank hanteren een groot aantal armoedeindicatoren. Deze hebben te maken met inkomen en inkomens ongelijkheid, maar ook met gezondheidsaspecten, huisvesting, onderwijs, arbeidsmarkt, gender en veiligheid. Daarbij wordt benadrukt dat indicatoren niet alleen moe ten worden gebruikt om de algemene situatie in een land te beschrijven, maar ook om zinvolle uitsplitsingen te maken naar geo gra fische deelgebieden, en ook toegespitst naar risicogroepen die bijzondere aandacht gebieden, zoals eenoudergezinnen, jongeren en migranten. In samenwerking met de GGD van het Eilandgebied Curaao wordt getracht een rapport samen te stellen dat op deze indicatoren is gebaseerd en die ingevuld zullen worden met behulp van thans beschikbare gegevens. Conclusies Voor Curaao en Bonai re kan gesteld worden dat de inkomensverdeling tussen 1992 en 2001 schever is geworden, maar dat dit niet komt doordat het percentage arme huishoudens is gestegen, maar juist het percentage rijke huishoudens, ten koste van de middengroepen. Er bevinden zic h in 2001 minder mensen onder de armoedegrens dan in 1992, en het inkomens tekort is ook minder geworden. Toch blijft het probleem van de armoede op basis van de hier gebruikte indicatoren in Curaao het grootst, met de grootste inkomensverschillen en het hoogste percentage mensen onder de armoedegrens. Bonaire heeft daarentegen juist het minste aantal personen die beneden de armoedegrens leven. Van de Bovenwinden kent St. Eustatius de meest ongelijke inkomensverdeling. Het percentage personen beneden de armoedegrens is ook het hoogste, meer dan 21 procent in 2001, hoewel dit een daling is ten opzichte van 1992. In St. Maarten en Saba nam het percentage daarentegen toe, maar niet genoeg om het niveau van St. Eustatius te benaderen. Voor alle drie de eiland en geldt dat het inkomenstekort is gedaald. In Saba is het inkomenstekort van de personen onder de armoedegrens het kleinste. De FGT2 Index geeft daarbij aan dat extreme armoede daar een (veel) minder grote rol speelt dan op de andere eilanden. Daarentege n is de inkomensongelijkheid in Saba het meeste gestegen. Omdat de cijfers een verschuiving naar de hogere inkomens laat zien lijkt dit het effect te zijn van de vestiging van de Medical School aldaar. In Curaao komen veel zones voor met een hoog tot ze er hoog percentage huishoudens met een inkomen beneden de armoedegrens. Vooral Fortuna springt er in ongunstige zin uit. In St. Maarten en Bonaire komen over het algemeen veel lagere percentages voor.

PAGE 54

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 53 Buitenlandse arbeidskrachten en vraag en aanbod op de arbeidsmarkt van Curaao. Zaida Lake Inleiding Via de media zijn de laatste tijd discussies gaande omtrent de plaats die de buitenlandse arbeidskrachten op de locale arbeids markt innemen. De veronderstelling is dat buitenlandse arbeids krachten laag geschoold arbeid verrichten, terwijl het Arbeids krach ten onderzoek (AKO) uit 2003 een werkloosheidspercentage van 15,1 procent registreert, waarvan een groot deel laag geschoolde arbeidskrachten betreft. Met andere woorden er zou genoeg lokaal aanbod zij n om de vacatures lokaal op te vullen. Het doel van dit artikel is om aan de hand van cijfermateriaal uit de bestanden van de Dienst Werk en Inkomen (Ban Bario Bk), de Census van 2001 en de Arbeidskrachten onder zoeken (AKO) van 2002 en 2003 deze veron derstelling te toetsen. Er zal eerst aan de hand van de cijfers uit het bestand van de BBB/DWI getracht worden inzicht te verkrijgen in de situatie met betrekking tot vraag en aanbod voor laaggeschoolde beroepen. Deze gegevens worden vervolgens vergeleke n met vraag door buitenlands aanbod wordt gedekt. Op basis van aldaar gevonden uitkomsten zullen voor de beroepen zonder scholingseis de gegevens verder worden verbij zonderd. Daarbij zal met n ame de scherpe groei van buitenlandse werkenden worden afgezet tegenover het grote aanbod van werkzoekenden en getracht worden met het beschikbare materiaal oorzaken aan te geven. Geregistreerde vraag en aanbod Het Centraal Bureau voor de Statistiek krijg t sinds 2001 maandelijks basisgegevens van de Ban Bario Bk (BBB) kan toren via Dienst Werk en Inkomen (DWI). Het betreft vaca tures, inschrijvingen en plaatsingen van overwegend lokale arbeids krachten in bepaalde secties van de arbeidsmarkt. Het betreft vooral secties met een relatief lage opleidingseis (t/m MAVO/LBO). BBB bemiddelt weliswaar ook voor personen met een hoger opleidingsniveau, doch in mindere mate. Deze groep wordt daarom voor het doel van dit artikel buiten beschouwing gelaten. De toename van het aantal werkenden in Curaao in de laatste jaren betreft voor de meerderheid buitenlanders. Betreft het hier banen die traditioneel al door buitenlanders worden bezet of is er iets anders aan de hand? Feit is wel dat er een groot aantal werkzoekenden zijn, en een beperkt aantal opgegeven vacatures. Die vacatures blijken maar deels via arbeidsbemiddeling te kunnen worden opgevuld.

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine 54 Jaargang 5 Tabel 1 en grafiek 1 geven een overzicht van de omvang van de vraag (nieuwe aanmeldingen sinds 2001. Zoals uit de tabel blijkt overtreffen het aantal vacatures in elk ja ar het aantal plaatsingen. Gemiddeld wordt 40 procent van het aantal gemelde vacatures ook opgevuld. Dat zou duiden op moeilijkheden ten aanzien van het opvullen van vacatures. Maar het aantal inschrijvingen van werkzoekenden is gemiddeld bijna drie maal groter dan het aantal vacatures. Terwijl er maar 40 procent van de vacatures wordt opgevuld zijn er drie maal zoveel werkzoekenden beschikbaar. In tabel 2 worden de vacatures en de plaatsingen nader uitgesplitst naar beroepsgroepen. Het betreft 5 beroe psgroepen volgens het ISCO 88 classificatiesysteem. Omdat op dit moment geen nadere informatie beschikbaar is omtrent de geschikt heid van de werkzoekende voor bepaal de beroepsgroepen kunnen de inschrij vingen hier niet worden opgenomen. De verschillen t ussen de gemelde vacatures en de gerealiseerde plaatsingen kunnen een indi catie geven omtrent de moeilijkheid om de vacatures op te vullen. In tabel 3 worden de jaren en beroepsgroepen gegeven. De ratio voor het totaal over alle beroepsgroepen heen is in alle drie de jaren steeds boven de twee, wat betekent dat er meer dan tweemaal zoveel vacatures worden aangemeld dan dat er worden geplaatst. Hoe hoger de ratio, hoe hoger de moeilijkheidsgraad om vacatur es op te vullen. Uitgesplitst naar beroepsgroep valt het op dat de ratio steeds het hoogste, dus de opvulbaarheid van vacatures het moeilijkste, is bij de vaklieden. De ratio is daar gemiddeld meer dan 4 en in 2001 zelfs bijna zes. Voor de overige beroepsg afwijken van het totaal, hoewel er jaarlijks schommelingen optreden. Groei werkgelegenheid Het hoge aanbod van ingeschreven werkzoekenden, de geringere aantallen aangemelde vacatures en de lage opvullinggraad van deze vacatures duiden op grote fricties tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt met als gevolg dat een groot deel van de vacatures niet langs lokale bemiddeling kunnen worden opgevuld. De vraag is dan in hoeverre buitenlandse arbeidskrachten in de plaats van lokale arbeidskrachten zullen worden ingezet. In tabel 4 worden voor dezelfde beroepsgroepen daarom de werkenden volgens de uitkomsten van de Census 2001 en de Arbeidskrachtenonderzoeken van 2002 en 2003 verbijzonderd naar geboorteplaats. De ge gevens zijn zowel in aantallen als in percentages van het totaal per beroepsgroep weergegeven. Tabel 1. Inschrijvingen, vacatures en plaatsingen 2001 2002 2003 Inschrijvingen 4.112 1.896 2.606 Aangemelde vacatures 1.032 919 1.038 Plaatsingen 397 422 473 Bron: Ban Bario Bk / Dienst Werk en Inkomen

PAGE 56

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 55 Tabel 2. Vacatures en Plaatsingen naar beroepsgroepen, Curaao, 2001 2003 beroepsgroepen 2001 2002 2003 Vacatures Plaatsingen Vacatures Plaatsingen Vac atures Plaatsingen Klerken 69 26 74 42 120 51 Dienstverleners 168 118 315 143 327 173 Vaklieden 443 76 193 65 211 58 Ongeschoold werk 238 137 221 118 296 143 Overig 115 43 108 56 84 48 Totaal 1.032 399 911 424 1038 473 Bron: Ban Bario Bk / Dienst Werk en Inkomen Tabel 3. Ratio Vacatures/Plaatsingen naar beroepsgroep, Curaao, 2001 2003 2001 2002 2003 gemid deld Klerken 2,7 1,8 2,4 2,2 Dienstverleners 1,4 2,2 1,9 1,9 Vaklieden 5,9 3,0 3,6 4,3 Ongeschoold werk 1,7 1,9 2,1 1,9 Overig 2,7 1,9 1,8 2,1 Totaal 2,6 2,1 2,2 2,3 Bron: Ban Bario Bk / Dienst Werk en Inkomen Tabel 4. Werkenden naar geboorteplaats en enkele beroepsgroepen, Curaao Beroepsgroep absoluut relatief (%) geboorteplaats geboorteplaats Totaal Curaao Overig NA en Aruba Nederland Elders Totaal Curaao Overig NA en Aruba Nederland Elders 2001 Klerken 7.885 7.082 259 139 405 100 90 3 2 5 Dienstverleners 7.493 5.924 221 118 1.230 100 79 3 2 16 Vaklieden 5.222 4.298 140 56 728 100 82 3 1 14 Ongeschoold werk 6 .117 4.366 147 9 1.595 100 71 2 0 27 2002 Klerken 7.879 7.173 90 89 527 100 91 1 1 7 Dienstverleners 7.224 5.189 124 190 1.721 100 72 2 3 24 Vaklieden 6.438 5.320 141 41 936 100 83 2 1 15 Ongeschoold werk 8.240 5.213 217 0 2.810 100 63 3 0 34 200 3 Klerken 7.799 6.880 283 324 312 100 88 4 4 4 Dienstverleners 8.663 6.121 227 104 2.211 100 71 3 1 26 Vaklieden 6.251 4.887 169 122 1.074 100 78 3 2 17 Ongeschoold werk 9.098 5.350 64 0 3.684 100 59 1 0 40 Bron: Census 2001; Arbeidskrachtenonderzoeke n 2002 en 2003.

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine 56 Jaargang 5 Hetgeen opvalt uit tabel 4 is dat vooral het aandeel elders geborenen, dat wil zeggen niet in een van de landen van het koninkrijk, in het bijzonder bij ongeschoold werk, en in mindere mate bij dienstverlenende beroepen, is toegenomen. En dat terwijl voor de beroepsgroep vaklieden, waar de moeilijkheden voor het opvullen van vacatures volgens de eerder gebruikte gegevens het grootste waren, dit niet of in veel mindere mate het geval is. Uit de aantallen blijkt dat het aantal werkenden in het ongeschoold werk zeer sterk is gestegen, en dat de toename voor het grootste gedeelte, maar niet geheel, voor rekening kwam van buitenlandse werkenden. Om terug te keren naar de centrale vraag aan het begin van dit artikel, namelijk dat door buitenla nders werk wordt verricht dat heel goed door lokaal aanbod zou kunnen worden gedaan, wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan op vraag en aanbodsindicatoren voor ongeschoolde beroepen, omdat daar het aandeel buitenlanders in de laatste drie jaar zeer sterk is toegenomen. Vraag en aanbodsindicatoren voor ongeschoold werk. In tabel 5 worden een aantal indicatoren gepresenteerd die betrekking hebben op vraag en aanbod met betrekking tot ongeschoold werk. Dit betreft naast de in vorige tabellen reeds ve rmelde gegevens met betrekking tot ongeschoold werk, de aantallen werkzoekenden onder personen met een lage opleiding en het werkloosheidspercentage van deze. Onder lage opleiding wordt hier verstaan diegenen die geen opleiding hebben genoten, die slechts lager onderwijs hebben gevolg of die een opleiding op het niveau van het lager middelbaar onderwijs (mavo, lbo) niet hebben afgerond. Deze benadering is gekozen omdat van de werkzoekenden niet bekend is welk beroep zij ambiren. Daar de groep in kwestie ge en (beroeps)opleiding heeft gevolgd komen zij in principe in aanmerking voor ongeschoolde functies. Tabel 5. Vraag en aanbodsindicatoren ongeschoold werk, Curaao bron/indicator kenmerk 2001 2002 2003 Ban Bario Bk/ Dienst Werk en Inkomen aang emelde vacatures ISCO: ongeschoold werk 238 221 296 plaatsingen ISCO: ongeschoold werk 137 118 143 AKO/Census werkenden ISCO: ongeschoold werk 6.117 8.240 9.098 waarvan geboren: Curaao ISCO: ongeschoold werk 4.366 5.191 5.350 buiten Koninkrijk ISCO: ongeschoold werk 1.595 2.801 3.463 werkzoekenden laag opgeleiden 1 4.136 4.367 4.212 werkloosheidspercentage laag opgeleiden 1 19,9 20,5 19,6 Ratio's vacatures/plaatsingen 1,7 1,9 2,1 werkzoekenden/vacatures 17,3 19,8 14,2 1 : degenen die een opleiding hebben op het niveau lager onderwijs of die het lager middelbaar onderwijs niet hebben voltooid Gezien de groei in het aantal werkenden in ongeschoolde werk (52% toename tussen 2001 en 2003) mag geconcludeerd worden d at er een grote vraag naar dit type werk is geweest. Dat heeft vooral geleid tot een sterke toename van het aantal werkenden dat elders, buiten het koninkrijk,

PAGE 58

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 57 is geboren; hun aantal is meer dan verdubbeld. Maar ook het aantal in Curaao geborenen is toege nomen, zij het met minder spectaculaire cijfers: 25 procent. Dat heeft evenwel niet geleid tot een aanzienlijke toe of afname van het aantal werkzoekenden (die in grote meerderheid in Curaao zijn geboren) en ook niet van een duidelijke toe of afname in het werkloosheidspercentage van laag opgeleiden. Daaruit kan worden afgeleid dat de toevloed van buitenlandse arbeidskrachten in zijn algemeenheid niet heeft geleid tot een verdringing van lokaal personeel. Opvallend is het geringe aantal vacatures in vergelijking tot de groei van de werkgelegenheid. Daarbij moet worden aangetekend dat niet alle vacatures hoeven te zijn aangemeld bij de instanties Ban Bario Bk / Dienst Werk en Inkomen, waardoor het werkelijke aantal hoger kan zijn. Desondanks is er spr ake van een grote discrepantie tussen de vraag en het aanbod. De ratio aantal werkzoekenden per vacature beweegt zich in de drie jaren tussen de 14 en de 20. Toch zijn de vacatures kennelijk moeilijk op te vullen gezien de ratio vacatures/plaatsingen. Bl ijft de vraag waarom het aantal buitenlandse werkenden met bijna 2000 is gestegen terwijl er een lokaal aanbod is van ruim 4000. Een reden kan zijn dat er de laatste jaren grote vraag is naar arbeid voor activiteiten waar traditioneel veel buitenlanders werken. Dat is het geval bij de huishoudelijke diensten (dienstmeisjes). In tabel 6 worden de werkenden in ongeschoolde beroepen nader uitgesplitst naar geboorteplaats Curaao en buiten het koninkrijk en naar bedrijfstakken gepresenteerd voor de jaren 2001 tot en met 2003. Tabel 6. Werkenden in beroepsgroep ongeschoold werk naar geboorteplaats en bedrijfstak, Curaao bedrijfstakken Geboorteplaats 2001 2002 2003 Totaal Curaao Buiten Konink rijk Totaal Curaao Buiten Konink rijk Totaal Curaao Buiten Konink rijk aantallen Huishoudelijke diensten 1.554 586 946 2.580 866 1.674 2.145 664 1.481 Handel 878 656 193 1.436 890 490 1.838 1.139 679 Bouw 452 386 50 374 242 94 658 368 290 Horeca 485 356 115 764 512 252 526 286 241 Zakelijke diensten 490 410 63 562 459 82 815 602 213 Landbouw 80 35 44 130 63 67 259 73 185 Overig 2.178 1.937 184 2.368 2.155 151 2.546 2.128 374 Totaal 6.117 4.366 1.595 8.214 5.187 2.810 8.787 5.260 3.463 aandelen (%) Huishoudelijke diensten 100 38 61 100 34 65 100 31 69 Handel 100 75 22 100 62 34 100 62 37 Bouw 100 85 11 100 65 25 100 56 44 Horeca 100 73 24 100 67 33 100 54 46 Zakelijke diensten 100 84 13 100 82 15 100 74 26 Landbouw 100 44 55 100 48 52 100 28 71 Overig 100 89 8 100 91 6 100 84 15 Totaal 100 71 26 100 63 34 100 60 39

PAGE 59

Modus Statistisch Magazine 58 Jaargang 5 Uit de tabel blijkt dat de toename van het aantal buitenlanders inderdaad heeft plaatsgevonden bij de huishoudelijke diensten, maar daarnaast ook in de andere bedrijfstakken, en dan vooral in de handel en de bouw. Opvallend is verd er ook de landbouw, waar in 2001 nog weinig ongeschoolden werkten, maar waar het aantal in 2003 behoorlijk blijkt te zijn toegenomen, vooral door het aannemen van buitenlandse werkkrachten. De veronderstelling dat de toename van het aantal ongeschoolde wer kenden die elders geboren zijn is gebeurd doordat het gaat om activiteiten die traditioneel door buitenlanders worden gedaan blijkt dus slechts gedeeltelijk waar te zijn. Er is namelijk geen reden om te veronderstellen dat ongeschoold werk in bijvoorbeeld de handel of de bouw niet door laaggeschoold lokaal personeel zou kunnen worden uitgevoerd. Een andere reden voor de toename van het aantal buitenlanders in de ongeschoolde beroepen zou het verschil in beloningsniveau kunnen zijn. Uit de resultaten van de Census van 2001 blijkt een ongeschoolde kracht die geboren is in Curaao gemiddeld 928 gulden per maand te verdienen. Het gemiddelde voor een arbeidskracht geboren buiten het koninkrijk bedraagt 725 gulden. Een buitenlandse werkende verdient dus gemiddeld 22 procent minder dan een lokale werkende. In 2003 blijkt het gemiddelde inkomen van een ongeschoolde werknemer uit Curaao te zijn gedaald naar 893 gulden en dat van een buitenlander te zijn gestegen naar 763 gulden. Het verschil tussen beiden is gedaald tot 15 procent. De gemiddelden worden echter benvloed door verschillen in de samenstelling van de groepen. Die verschillen kunnen betrekking hebben op functies, arbeidstijden en dergelijke. Daarnaast hebben verschillende bedrijfstakken ook verschillende beloningssystemen. Indien er meer mensen werkzaam zijn in een bedrijfstak met hoge lonen zal het gemiddelde daardoor ook hoger uitvallen dan wanneer dat niet het geval is. Om deze laatste verschillen te compenseren is het gemiddelde inkomen van een ongesc hoolde buitenlandse werknemer gecorrigeerd voor verschillen in aantallen binnen bedrijfstakken. Het gemiddelde voor 2001 komt dan uit op 844 gulden, minder dan 10 procent verschil in vergelijking met het gemiddelde van een lokale arbeidskracht Hoewel d aarmee nog steeds geen zuivere vergelijking mogelijk is geeft deze exercitie wel aan dat beloningsverschillen niet een doorslaggevende reden is om buitenlanders aan te trekken. Conclusies Er bestaat een grote discrepantie tussen de vraag naar en het aanbo d van laaggeschoolden. Het aanbod is vele mate groter. Toch blijken vacatures moeilijk op te vullen te zijn via de formele arbeidsbemiddeling. Terwijl het aantal buitenlandse werkenden de laatste jaren fors is toegenomen in Curaao blijft het aanbod van lokale werkzoekenden hoog. Er is daarbij geen sprake van verdringing van lokaal aanbod, maar de redenen waarom zo veel buitenlanders tot de arbeidsmarkt zijn toegetreden kan door deze studie niet (volledig) worden beantwoord. Wat betreft de beroepsgroep ongeschoold werk ligt de verklaring deels in het feit dat de vraag naar arbeid in bedrijfstakken waar traditioneel veel buitenlanders werkzaam zijn (huishoudelijke diensten) is gestegen. Maar ook in andere bedrijfstakken is de toename frappant, vooral in d e handel en in mindere mate in de bouw en de horeca. Beloningsverschillen lijken daarbij geen overheer sende rol te spelen. Voor het opsporen van de werkelijke redenen is derhalve additioneel onderzoek nodig.