Citation
Modus Jaargang 5 Nummer 4

Material Information

Title:
Modus Jaargang 5 Nummer 4

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 1 Francis Vierbergen Inleiding In de vorige aflevering van Modus werd een artikel gepresenteerd waarin de inkomensverdeling voor de afzonderlijke eilanden van de Nederlandse Antillen zoals berekend uit de gegevens van de Census 2001 werd gepresenteerd1. De uitkomsten werden vergeleken met de gegevens uit de census van 1992. Tevens werd in dat artikel aandacht geschonken aan een aantal i ndicatoren die door de Verenigde Naties zijn geselecteerd om de ontwikkelingen in de doelstellingen van de zogenaamde Millennium Development Goals (MDGs) te monitoren. Het handelde daarbij met name om andere inkomensgerelateerde indicatoren, zoals de Head Count Index en de Poverty Gap Index. Met behulp van deze gegevens werden ook zones en buurten gedentifi ceerd waar he t probleem van de armoede het grootste was. Volgens alle gebruikte maten komt armoede op alle eilanden van de Nederlandse Antillen het meeste voor in Curaao. In Curaao komen ook veel zones voor met een hoog tot zeer hoog percentage huishoudens met een laag inkomen. Vooral Fortuna springt er in ongunstige zin uit. In dit artikel worden de huishoudens met de laagste 1 Armoedeindicatoren voor de Nederlandse Antillen, in Modus jaargang 5 nummer 3. Bij arme huishoudens komen bepaalde huishoudkenmerken vaker voor dan bij andere huishoudens Deze kenmerken kunnen dus als mogelijke risicofactoren worden beschouwd waardoor huishoudens een grotere kans hebben om in armoede te geraken. De meest opvallende kenmerken hierbij zijn hoofden van huishoudens die vrouw, werkloos, ouder of heel jong zijn. Armoede komt ook vaker voor in huishoudens waar kinderen aanwezig zijn, vooral in het geval van alleenstaande moeders.

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine 2 Jaargang 5 inkomens naar een aantal kenmerken per eiland ve rder verbijzonderd. Dat geeft meer inzicht in welke type huishoudens het meest kwetsbaar zijn om in armoede terecht te komen. Daarmee kan het beleid tot bestrijding van de armoede verder aangescherpt worden. De in het vorige artikel gebruikte methodologie wordt ook hier op de censusgegevens van 2001 toegepast. Definiring van de armoedegrens In vele landen bestaat een offi cile poverty line. Het belang va n zon poverty line is gelegen in het feit dat daardoor de doelg roepen scherp in beel d kunnen worden gebracht, zodat het beleid zich efficint kan richten op die doelgroepen, en dat daardoor de ernst van de situatie ook kwantitatief kan worden vastgesteld. Dus ook voor statistische doeleinden is een armoedegrens van groot belang. In de Nederlandse Antillen is een poverty line nooit vastgesteld. Daardoor is het, naast het feit dat het beleid zich niet sche rp kan richten op de doelgroep, ook moeilijk om de armoede te kwantificeren. Het ontbreken van een formele armoedegrens in de Nederlandse Antillen leidt er toe dat het begrip armoede op een andere manier moet worden gedefinieerd. In navolg ing van wat daarbij in internationaal vergelijkend onde rzoek gebruikelijk is, en ook in het voorgaande artikel werd gehanteerd, wordt in dit artikel gebruik gemaakt van een relatieve armoedegrens. Daarbij wordt niet meer gekeken naar het inkomen van een huis houden, maar wordt het feit dat zij tot de armste huishoudens behoort als criterium voor armoed e gehanteerd. In dit artikel wordt de inkomensgrens van de twintig procent armste huishoudens in de Nederl andse Antillen daarom als armoedegrens gebruikt. Dit is een vrij arbitraire be slissing, maar heeft als voordeel dat nu iets meer over de huishoudens die onder de armoedegrens leven kan worden gezegd. Uitgangspunt voor de berekening en vormt het netto gestandaar diseerd huishoudinkomen. Dit is het netto huishoudinkomen waarb ij rekening is gehouden me t de huishoudgrootte. In het voorgaande artikel is de methodiek daarvan uitvoerig beschreven. Hi erbij zijn de gegevens uit de Census 2001 gebruikt. De armoedegrens is daardoor bepaald op een bruto inkomen van 586 gulden per maand voor een alleenstaande. Voor een huishouden van twee vol wassenen en twee kinderen komt de grens uit op 1230 gulden per maand. Deze bedragen gelden voor alle eilanden van de Nederlandse Antillen. Kenmerken van arme huishoudens Geslacht van het hoofd van het huishouden In tabel 1 worden voor de afzonderlijke eilanden van de Nederlandse Antillen de percentages huishoudens die een huishoudinkomen beneden de gedefinieerde armoedegrens hebben verbijzonderd naar geslacht van het hoofd van het huishouden. De percentages gelden ten opzichte van de totale groep huishoudens met een mannelijk dan wel vrouwelijk hoofd. Uit de tabel blijkt duidelijk dat huishoudens met een vrouwelijk hoofd veel vaker een inkomen hebben dat beneden de armoedegrens valt dan huishoudens met een mannelijk hoofd.

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 3 In Curaao valt bijna eenderde van de huishoudens met een vrouw aan het hoofd beneden de grens, terwijl dit voor de huishoudens met een mannelijk hoofd slechts 14 procent is. Voor alle andere eilanden gelden voor beide geslachten lagere percentages. Huishoudens met een vrouw aan het hoofd vallen meer dan twee maal zo vaak beneden de armoedegrens dan huishoudens waar een man aan het hoofd staat. In St. Eustatius is het verschil tussen de percentages bij mannelijke en vrouwelijke hoofden van huishoudens bijna drie maal zo groot, een groter verschil da n in Curaao. Voor de overige eilanden is het verschil beduidend kleiner. Economische status van het hoofd Uit tabel 2 blijkt dat de economische status va n het hoofd van het huishouden een rol speelt bij het risico van het huishouden om een inkom en beneden de armoedegrens te hebben. Vooral in huishoudens waar het hoofd werkzoekend is zijn de percentages hoog. Ook hier is het percentage in Curaao het hoogste: 52 procent, met Saba als tweede met 46 procent. Vooral in St. Maarten en St. Eustatius zijn de percentages bij de werkzoekenden veel lager. Bonaire neemt hier een tussenpositie in. De percentages voor economisch niet actieve hoofden zijn over het algemeen veel lager, behalve in St. Eustatius, waar het percentage hoge r is, en in St. Maarten waar het verschil met de werkzoekende n gering is. Voor alle eilanden geldt dat huishoudens waar het hoofd werkt veel minder v aak een inkomen beneden de armoedegrens hebben. Gemiddeld voor de Antillen bedraagt het per centage 11 procent, maar in Saba is dit nog veel lager: 6 procent van alle huishoudens met een werkende hoofd. Leeftijd van het hoofd In tabel 3 worden per eiland de percenta ges huishoudens met inkomens beneden de armoedegrens uitgesplitst naar leef tijd van het hoofd van het huishouden. Hoewel er voor de Nederlandse An tillen er een zeker verband lijkt te bestaan met de leeftijd van het hoofd, de percentages lopen op naarmate de leeftijd van het hoofd oploopt, met uitzondering van de jongste hoofden van huishoudens, geldt dat verband op eilandniveau alleen maar duidelijk voor St. Maarten en in mindere mate voor de andere bovenwindse eilanden. In Curaao blijken vooral jonge hoofden van huishoudens het vaakst een huishoudinkomen beneden de armoedegrens te hebben. Verrassend genoeg blijkt dit niet het geval te zijn voor de oudste leeftijdsgroep 65 jaar en ouder. Het percentage wijkt niet veel af van de drie voorgaande leeftijdsgroepen. Toch bevinden zich in deze gr oep de gepensioneerden die rond moeten komen Tabel 1. Percentage huishoudens met een huishoudinkomen beneden de armoedegrens naar geslacht van het hoofd en eiland, 2001 ManVrouwTotaal % Curaao 13,831,820,9 Bonaire 11,319,213,7 St. Maarten 9,715,911,9 St. Eustatius 8,725,914,6 Saba 7,011,78,5 N ed. Antillen 12,728,118,5 In procenten van het totaal aantal huishoudens in de betreffende groep Tabel 2. Percentage huishoudens beneden de armoedegrens naar economische status van het hoofd en eiland, 2001 Werkend Werkzoekend Econ. niet actie f Totaal % Curaao 11,3 52,029,820,9 Bonaire 9,2 34,622,313,7 St. Maarten 9,3 23,121,211,9 St. Eustatius 10 ,8 18,524,414,6 Saba 6,0 45,510,48,5 N ed. Antillen 10,6 44,528,518,5 In procenten van het totaal aantal huishoudens in de betreffende groep

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine 4 Jaargang 5 met een AOV uitkering. Kennelijk worden deze lage persoonlijke inkomens op huishoudniveau nog vaak aangevuld met andere inkomens. Tabel 3. Percentage huishoudens beneden de armoedegrens naar leeftijd van het hoofd en eiland, 2001 15-2425-3435-4445-5455-6465+ totaal % Curaao 24,017,422,020,121,022,4 20,9 Bonaire 19,013,413,711,112,518,0 13,7 St. Maarten 8,510,411,112,112,223,5 11,9 St. Eustatius 3,89,016,313,120,819,3 14,6 Saba 2,16,311,15,98,613,9 8,5 N ed. Antillen 15,314,418,517,819,322,1 18,5 In procenten van het totaal aantal huishoudens in de betreffende groep Voor de overige eilanden, en dan met name in St. Maarten, is he t percentage huishoudens waar een 65-plusser aan het hoofd staat en die een inkomen beneden de armoedegrens hebben wel beduidend hoger dan gemiddeld geldt. Geboorteplaats van het hoofd Uit tabel 4 blijkt dat de geboorteplaats van he t hoofd van het huishouden een rol speelt bij het percentage huishoudens dat een te laag inkomen heeft. Maar dat is ni et voor alle eilanden hetzelfde. Zo blijkt dat indien de geboortepl aats van het hoofd een van de eilanden uit de Caribische regio is, huishoudens in Curaao en Bonaire veel vaker een inkomen beneden de armoedegrens hebben dan huishoudens op de B ovenwindse eilanden. Hetzelfde geldt ook voor geboorteplaats Zuid Amerika. De percentages voor huishoudens met een hoofd geboren in Noord Amerika of Nederland zijn over het alge meen zeer laag, met uitzondering van Curaao (geboorteplaats Noord Amerika). Huishoudens met een Antilliaans of Arubaans hoofd vallen vooral in Curaao en in mindere mate in St Eustatius vaker beneden de armoedegrens. Tabel 4. Percentage huishoudens beneden de armoedegrens naar geboorteplaats van het hoofd en eiland, 2001 Ned. Ant. Aruba Overig Cariben Noord Amerika Zuid AmerikaNederland Overig EuropaOverig % Curaao 21,536,86,715,52,819,412,2 Bonaire 14,427,63,011,52,53,916,3 St. Maarten 10,314,92,16,62,23,43,7 St. Eustatius 17,518,411,6 Saba 10,315,44,3 N ed. Antillen 20,020,73,012,82,714,58,8 In procenten van het totaal aantal huishoudens in de betreffende groep Lege cellen betreffen niet voorkomende of te lage aantallen huishoudens Nationaliteit van het hoofd Uit tabel 5 blijkt dat in Curaao meer dan de helft van de huishoudens met een hoofd dat de Jamaicaanse nationaliteit heeft, een huishoudinkomen beneden de armoedegrens hebben. Hogere percentages dan gemiddeld gelden ook voor ande re nationaliteiten zoals Haitiaans, Dominicaans

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 5 en Guyanees. Voor Venezolanen ligt daarentege n het percentage zelfs beneden dat van de huishoudens met een hoofd met een Nederlandse nationaliteit. Tabel 5. Percentage huishoudens beneden de armoedegrens naar nationaliteit van het hoofd en eiland, 2001 overig Nederland totaal Dom. Rep. Hati ColombiaDominicaGuyanaJamaica Ver. Koninkrijk Ver. Staten Venezuela % Curaao 20,625,936,336,322,9 37,551,032,0 4,816,6 Bonaire 13,614,226,017,4 3,515,1 St. Maarten 10,712,814,119,6 12,68,512,013,1 3,3 St. Eustatius 17,66,1 4,0 Saba 10,65,3 3,2 N ed. Antillen 19,015,920,621,620,312,511,817,013,5 3,614,9 In procenten van het totaal aantal huishoudens in de betreffende groep Lege cellen betreffen niet-voorkomende of te kleine aantallen huishoudens In St. Maarten ligt het percentage van hoofden van huishoudens met een Haitiaanse nationaliteit duidelijk hoger dan de overige opgenomen nationali teiten. Voor de overige nationaliteiten zijn de percentages veel lager en dichter in de buurt van de hoofden met een Nederlandse nationaliteit. Ook in Bonaire zijn de verschillen niet gr oot. Voor Saba en St. Eustatius geldt zelfs dat de percentages voor niet-Nederlandse hoofden van huishoudens lager zijn dan voor Nederlandse hoofden van huishoudens. Burgerlijke staat van het hoofd Uit tabel 6 blijkt dat de percentages huishoudens met een inkomen beneden de armoedegrens het laagste zijn indien het hoofd van het huishoude n gehuwd is. Over het algemeen zijn de percentages voor alle an dere categorien veel hoger. Dat geldt niet voor Saba, waar ongehuwde hoofden van huishoudens voor klei nere percentages zorgen. Het weduwe of weduwnaar zijn van het hoofd van het huishouden blijkt wel consequent tot hogere percentages te leiden in vergelijking met de andere staten. Dit heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat het hier voornamelijk om oudere hoofden van huishoudens gaat, waarbij het (AOV) inkomen van de partner is weggevallen. Hoofd woont wel of niet samen met partner Naast de burgerlijke staat van het hoofd van een huishouden kan ook gekeken worden of deze wel of niet samenwoont met een pa rtner. Uit tabel 7 word t duidelijk dat het al dan niet gehuwd samenwonen met een partner, vooral in Curaao, Saba en St. Eustatius, leidt tot lagere percentages huishoudens met een inkomen beneden de armoedegrens. In Bonaire is het percentage alleen duidelijk lage r indien het hoofd samenwoont met de gehuwde partner. In St. Maarten is het percentage alleen iets hoger voor huishoudens met een hoofd dat geen partner heeft. Tabel 6. Percentage huishoudens beneden de armoedegrens naar burgerlijke staat van het hoofd en eiland, 2001 Ongehuw d Gehuwd Weduwnaar /weduweGescheiden % Curaao 28,214,025,724,7 Bonaire 16,210,418,516,0 St. Maarten 11,611,123,811,6 St. Eustatius 15,510,829,017,6 Saba 8,07,220,0 N ed. Antillen 22,613,225,122,0 In procenten van het totaal aantal huishoudens in de betreffende groep Lege cellen betreffen te lage aantallen huishoudens

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine 6 Jaargang 5 Tabel 7. Percentage huishoudens beneden de armoedegrens naar hoofd woont wel of niet samen met partner en eiland, 2001 ja, en gehuwd me t partner ja, maar nie t gehuwd met partner nee, woont niet samen met partner nee, heeft geen partner niet van toepassing % Curaao 12,417,927,929,228,1 Bonaire 10,314,614,817,518,8 St. Maarten 10,710,5 11,7 13,416,7 St. Eustatius 9,117,319,818,0 Saba 6,99,111,214,3 N ed. Antillen 11,915,322,625,225,2 In procenten van het totaal aantal huishoudens in de betreffende groep Lege cellen betreffen te lage aantallen huishoudens Typen huishouden In tabel 8, tenslotte, worden de percentages huishoudens met een inkomen beneden de armoedegrens weergegeven uitgesplitst naar de meest voorko mende huishoudtypen. Hetgeen opvalt is dat de pe rcentages bij huishoudtype gehuw den en samenwonenden hoger worden indien er kinderen in dat hui shouden voorkomen. Dat verschil geldt ook voor alleenstaande vrouw en alleenst aande vrouw met kinderen. Dit is consistent met uitkomsten uit internationaal onderzoek waaruit blijkt dat het hebben van ki nderen tot een grotere kans op armoede leidt2. Verder blijkt dat, in overeenstemming met de uitkomsten in tabel 1, de huishoudtypen vrouw/vrouw met kinderen/twee vrouwen slechter scoren dan de meeste andere huishoudtypen. Dit heeft er mee te maken dat bij de typen ge huwd en samenwonend meestal de man als hoofd wordt aangemerkt. Tabel 8. Percentage huishoudens beneden de armoedegrens naar type huishouden en eiland, 2001 CuraaoBonaireSt. MaartenSt. EustatiusSab a Ned. Antillen % Gehuwd, met kind(eren) 13,313,512,211,58,313,1 Gehuwd, zonder kinderen 7,34,67,84,95,67,1 Samenwonend, met kind(eren) 20,916,412,418,3 Samenwonend, zonder kinderen 9,36,08,98,8 Vrouw met kind(eren) 34,924,319,729,115,431,7 Twee vrouwen met kind(eren) 41,917,923,385,739,2 Man met kind(eren) 18,79,612,917,2 alleenstaande vrouw 28,614,513,323,014,524,4 Gehuwd, met kind(eren) en inwonenden 11,47,010,910,9 Twee vrouwen, geen nucleaire familie 39,425,523,350,036,4 Alleenstaande man 18,212,86,68,86,614,0 Overige typen 24,713,711,916,78,321,7 totaal 20,913,711,914,68,518,5 In procenten van het totaal aantal huishoudens in de betreffende groep Lege cellen betreffen geen of te kleine aantallen huishoudens 2 Zie o.a. Sociale uitsluiting, Ee n conceptuele en empirische verkenni ng, Werkdocument 99, Sociaal en Cultureel planbureau, december 2003.

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 7 Conclusies Bij bestudering van de huishoudens die onder de armoedegrens vallen valt op dat bepaalde kenmerken van deze huishoudens een rol van be tekenis spelen. Deze kenmerken kunnen dan ook als risicofactor worden besc houwd waardoor huishoudens een grot ere kans hebben tot armoede te vervallen. Dit geeft de overheid de mogelijk heid specifiek doelgroepen te onderscheiden in haar beleid tot best rijding van armoede. Uit dit artikel komen een aantal mogelijke risicofactoren naar voren. Deze zijn niet voor alle eilanden in gelijke mate relevant. Het betref t de volgende factoren, met tussen haakjes de risicogroepen: geslacht van het hoofd van het huishouden (vrouwen) economische status van het hoofd van het hui shouden (werkzoekenden en in mindere mate economisch niet-actieven) leeftijd van het hoofd van he t huishouden (Curaao: zeer jo nge (15-24 jaar), andere eilanden ook ouderen) geboorteplaats van het hoofd van het huishouden (Benedenwinden: Caribisch gebied); nationaliteit van het hoofd van het huis houden (Benedenwinde n: Jamaicanen, Haitianen, Dominicanen, Guyanezen) burgerlijke staat van het hoof d van het huishouden (met uitzondering van Saba: alle niet-gehuwden, in Saba: weduwen/weduwnaars) het samenwonen van het hoofd van het huishouden (Curaao, Bonaire en St. Eustatius: hoofden die niet samenwonen met partner of geen partner hebben) huishoudtypen (alleenstaande vrouwen, vr ouwen met kinderen, alle huishoudtypen waar kinderen in voorkomen) Daarmee is uiteraard niet gezegd dat deze de en ige factoren zijn die bestaan. Verder onderzoek zal ongetwijfeld bovenstaande l ijst kunnen aanvullen of aansch erpen. In aanvullend onderzoek kan ook verder worden ingegaan op de rela tie tussen armoede en de genoemde mogelijke risicofactoren.

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine 8 Jaargang 5 Mike Jacobs Inleiding In 2001 gingen er in Curaao 36.327 jongeren naar school. In hoeverre heeft he t wel of niet naar school gaan te maken met de sociaal-economische situatie van het huishouden? In dit artikel wordt nageg aan of er een verband is tussen schoolparticipatie en een tweetal sociaaleconomische kenmerken van huishoudens waar jongeren uit afkomstig zijn : het huishoudinkomen en de opleiding van het hoofd van het huishouden. Ontwikkeling schoolparticipatie 1992 2001 Van 1992 tot 2001 bleef het sc hoolparticipatiecijfer voor de totale bevolking vrijw el gelijk: respectievelijk 28,4 procent en 27,7 procent. Daarentegen vertoont de leeftijdsspecifieke school participatiegraad of de participatiegraad voor de leeftijdsklassen 0-5 jaar en 16-24 jaar in 2001 wel een toename vergeleken met 1992. De participatiegraad voor 0-5 jarigen steeg van 55,6 naar 62,5 procent; deze stijging heeft met name te maken met een toename van de participatiegraad voor 0-3 jarigen. Zowel in 1992 als in 2001 geldt een hoge In hoeverre heeft de sociaaleconomische situatie van het huishouden invloed op het wel of niet naar schoolgaan? In dit artikel wordt onderzocht of het huishoudinkomen en het opleidingsniveau van het hoofd van het huishouden de schoolparticipatie benvloeden. Dat verband blijkt alleen voor bepaalde leeftijdsgroepen van de schoolgaanden te bestaan. Vooral het opleidingsniveau van het hoofd van het huishouden speelt een belangrijke rol.

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 9 schoolparticipatiegraad (99 %) voor 6 tot 15 jarige n. Voor de leeftijdsgroep 16-24 jarigen is sprake van een gestegen participat iegraad van 40,6 naar 53 procent. Tabel 1. Bevolking, schoolgaanden en schoolparticipatiegraad, Curaao 19922001 1992 2001 leeftijd bevolkingschoolgaandbevolkingschoolgaand schoolparticipatiegraad schoolparticipatiegraad % % 0-5 jaar 15.0798.38155,611.1296.961 62,5 6-15 jaar 24.40024.14599,021.92321.797 99,4 16-24 jaar 19.7017.99340,613.7267.276 53,0 25+ jaar 84.9173780,483.849293 0,3 totaal 144.09740.89728,4130.62736.327 27,8 Schoolparticipatiegraad en inkomen van het huishouden In tabel 2 wordt de schoolparticipatie getoond naar leeftijd en huis houdinkomen. Deel A geeft cijfers over de totale bevolking van Curaao onde rverdeeld naar leeftijdsgroep en naar de categorie huishoudinkomen waar men uit afkomstig is. In deel B vi ndt men informatie over het aantal schoolgaande personen onderverdeeld naar leeftijdsgroep en naar de categorie huishoudinkomens. Op grond van deze twee tabellenset s met absolute cijfers is het vervolgens mogelijk om de schoolparticipatiegraad dit is het aantal schoolgaanden in verhouding tot de bevolking per leeftijdsgroep en per inkomensk lasse te berekenen. Het resultaat wordt weergegeven in deel C. In de bovenstaande tabel wordt uitgegaan van 4 l eeftijdsgroepen: 0-5 jaar, 6-15 jaar (leerplicht), 16-24 jaar en 25 jaar en ouder. De schoolparticip atiegraad per l eeftijdsgroep ligt in 2001 als volgt: bijna 100 procent (99,4%) voor de leeftijdsgroep 6-15 jaar, 62,5 procent voor de 0-5 jarigen en 53 procent voor de leeftijdgroep 16-24 jaar. Vervolgens wordt er per leeftijdsgroep gekeken naar de relatie tussen de hoogte van het inkomen van het huishouden en de schoolparticipatiegraa d. In de laagste inkomensklasse van 1000 gulden en minder per maand gaat 52,8 procent van de 0-5 jarigen naar school. Naarmate het huishoudinkomen stijgt is de schoolparticipatie voor 0-5 jarigen hoger. Bij de inkomensklasse van 5000 gulden en hoger geldt een schoolpa rticipatiegraad van 72,8 procent. De schoolparticipatiegraad voor kinderen in de le eftijdgroep 6-15 jaar is (bijna) 100 procent voor alle inkomensklassen. Met andere w oorden: in de leerplichtige l eeftijd speelt inkomen geen rol bij de schoolparticipatie. Ook voor de leeftijdgroep 16-24 jaar is er een licht verband tussen de hoogte van het inkomen en de schoolparticipatie graad. In de laagste inkomensklasse (1000 gulden en minder) gaat 50,1 procent van de 16-24 jarigen naar school; in de inkomensklasse van 5000 gulden plus is dit 63,1 pro cent. Jongeren uit huishoudens me t de hoogste inkomens nemen iets langer deel aan het onderw ijs dan jongeren uit huishoudens in de laagste inkomensklasse.

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine 10 Jaargang 5 Tabel 2. Bevolking, schoolgaanden en schoolparticipatiegraad naar leeftijdsgroepen en naar inkomensklasse van het huishouden, Curaao 2001 A. Bevolking leeftijd Huishoudinkomen 0 56-1516 2425+ totaal 0000 1000 2.1224.7733.03215.550 25.477 1001 2000 2.1034.0312.64014.903 23.677 2001 3000 1.6953.1872.16112.022 19.065 3001 5000 2.2184.3612.84517.528 26.952 5001 en hoger 2.8185.2422.82622.517 33.403 onbekend 1733292221.329 2.053 Totaal 11.12921.92313.72683.849 130.627 B. Schoolgaanden leeftijd Huishoudinkomen 0 56 -1516 2425+ totaal 0000 1000 1.1214.7391.51940 7.419 1001 2000 1.1633.9961.23034 6.423 2001 3000 1.0423.1731.07132 5.318 3001 5000 1.4954.3441.58879 7.506 5001 en hoger 2.0515.2311.782107 9.171 onbekend 89314861 490 Totaal 6.96121.7977.276293 36.327 C (=B/A) Leeftijdsspeci fieke schoolparticipatiegraad per inkomensklasse leeftijd Huishoudinkomen 0 56 -1516 2425+ totaal % 0000 1000 52,899,350,10,3 29,1 1001 2000 55,399,146,60,2 27,1 2001 3000 61,599,649,60,3 27,9 3001 5000 67,499,655,80,5 27,8 5001 en hoger 72,899,863,10,5 27,5 onbekend 51,495,438,70,1 23,9 Totaal 62,599,453,00,3 27,8 Schoolparticipatiegraad en de opleiding van het hoofd van het huishouden In tabel 3 wordt de schoolparticipatie gerelateer d aan de leeftijd van de schoolgaanden en aan het opleidingsniveau van het hoofd van het huishoude n waaruit jongeren uit afkomstig zijn. De schoolparticipatiegraad per leeftijdsgroep van jongeren en per opleidingsniveau van het hoofd van het huishouden is dus als verhoudingscijfer af geleid van de absolute cijfers in deel A (bevolking) en deel B (schoolgaanden). Ten aanzien van de leeftijdsgroep 0-5 jari gen valt er een verschil te constateren in schoolparticipatie afhankelijk van de opl eiding van het hoofd van het huishouden. In huishoudens waarvan het hoofd een zeer lage oplei ding (maximaal lagere school) heeft gaat 54,5 procent van de 0-5 jarigen naar school. Naarmate het opleiding sniveau van het hoofd hoger is, is de schoolparticipatie ook hoger: in huishoudens waarvan het hoofd een hoge opleiding (hbo/wo) heeft is de schoolparticipatiegr aad voor 0-5 jarigen 74,3 procent. Schoolparticipatie van 6-15 jarigen is hoog bijna 100 procen t en varieert niet met het op leidingsniveau van het hoofd van het huishouden. Voor jongeren in de leeftijdsgroep 16-24 en afkomstig uit een huishouden waarvan het hoofd een lage opleiding (max imaal lagere school) heeft geldt een schoolparticipatiegraad van 42,9 procent. Bij een hoger opleidingsniveau van het hoofd neemt de schoolparticipatie voor 16-24 jarigen toe. Voor jongeren van 16-24 jaar afkomstig uit huis-

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 11 houdens met aan het hoofd een hoog opgeleid ( hbo/wo) persoon geldt een schoolparticipatie graad van 73,1 procent. Tabel 3. Bevolking, schoolgaanden en schoolparticipatiegraad naar leeftijdsgroepen en naar opleidingsniveau van het hoofd van het huishouden, Curaao 2001 A Bevolking leeftijd Opleiding hoofd huishouden 0 56 -1516 24 25+ totaal zeer laag (geen / lager onderwijs ) 2.3374.7353.758 25.805 36.635 laag (mavo / lbo) 4.97210.5906.697 32.848 55.107 middelbaar (havo / vwo / mbo) 1.9273.5151.865 12.343 19.650 hoog (hbo / wo) 1.5512.5111.031 10.245 15.338 onbekend 342572375 2.608 3.897 Totaal 11.12921.92313.726 83.849 130.627 B. Schoolgaanden leeftijd Opleiding hoofd huishouden 0 56 -1516 24 25+ totaal zeer laag (geen / lager onderwi js) 1.2744.6721. 611 135 7.692 laag (mavo / lbo) 3.00810.5473.641 82 17.278 middelbaar (havo / vwo / mbo) 1.3263.5031.115 30 5.974 hoog (hbo / wo) 1.1532.506754 36 4.449 onbekend 200569155 10 934 totaal 6.96121.7977.276 293 36.327 C (=B/A) Leeftijdsspecifieke schoolparticipatiegraad en opleidingsniveau van het hoofd leeftijd Opleiding hoofd huishouden 0 56--1516 24 25+ totaal % zeer laag (geen/ lager onderw ijs) 54,598,7 42,9 0,5 21,0 laag (mavo / lbo) 60,599,654,4 0,2 31,4 middelbaar (havo / vwo/mbo) 68,899,759,8 0,2 30,4 hoog (hbo / wo) 74,399,873,1 0,4 29,0 onbekend 58,599,541,3 0,4 24,0 totaal 62,599,453,0 0,3 27,8 Conclusie Het huishoudinkomen en het opleidingsniveau va n het hoofd van het huishouden spelen geen rol van betekenis voor wat betreft de schoolparticipatiegraad van kinde ren in de leeftijdsgroep 6-15 jaar. Deze huishoudkenmerken zijn wel van belang wa nneer het gaat om de schoolparticipatie van kinderen in de leeftijdsgroep 0-5 jaar en 16-24 jaar. Ten aanzien van deze leeftijdsgroepen geldt dat er positief verband is tussen enerzi jds huishoudinkomen en opleiding van het hoofd en anderzijds de participatie aan onderwijs. Naarmate het huishoudinkomen en het opl eidingsniveau toenemen, stijgt ook de schoolparticipatiegraad voor deze leeftijdsgroep en. Met name het opleidingsniveau van het hoofd van het huishouden lijkt toch wel een sterk verband te hebben met de schoolparticipatie van de leeftijdsgroepe n 0-5 en 16-24 jaar.

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine 12 Jaargang 5 Maureen Bergwijn-Blokland Inleiding In Modus no.3 is reeds ingegaan op de ontwikkelingen van de Bovenwindse Antillen als geheel. In dit artikel za l worden ingegaan op de ontwikkeling van het Brut o Binnenlands Product (BBP) op de afzonderlijke eilanden van de Bovenwinden t.w. Saba, St.Eusta tius en St.Maarten. De ontwikkelingen in Saba en St.Eustatius zullen globaal worden aangegeven. Het voorgaande heeft te maken met het gevaar van disclosure van bedrijfsgegevens vanwege de kleinschaligheid van deze eilanden. Gezien de grotere omvang van St.Maarten en de beschikbaarheid van gegevens, is voor dit eiland een diepere analyse per sector en bedrijfstak mogelijk. Naast ontwikkelingen in 2003, zullen de gemiddelde cijfers over de periode 1996-2003 worden beschreven. Voor de periode 2000 tot en met 2003 betreft het voorlopige gegevens Het Bruto Binnenlands Product per eiland Het BBP van de Bovenwindse Eilanden is gelijk aan NAf 1023,4 miljoen in 2003. Ongeveer 86 procent (NAf.877,9 miljoen) hiervan is afkomstig van het Eilandgebied St.Maarten, 11 procent (NAf 113 miljoen) van St.Eustatius, en 3 procent (NAf 32 miljoen) van Saba. In grafiek 1 zijn de procentuele bijdragen per eiland opgenomen. Het bruto binnenlands product van de Bovenwinden komt in 2003 boven de 1 miljard gulden uit. St. Maarten neemt het leeuwendeel hiervan voor haar rekening (86%). St. Eustatius draagt 11 procent bij en Saba de resterende 3 procent. De economien van de drie eilanden zijn tussen 2002 en 2003 in rele termen gestegen, en wel met 4,5 procent in St. Maarten, 3,4 procent in St. Eustatius, en 2 procent in Saba. Vooral door de groei in het toerisme kon de economie van St. Maarten toenemen.

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 13 Het BBP van de Bovenwindse eilanden is gestegen van NAf 966,7 naar NAf 1023,4 een nominale stijging van 5,9 procent. In het betreffende jaar heeft een rele stijging van 4,3 procent plaatsgevonden. Indien naar de ontwikkelingen van de afzonderlijke eilanden wordt gekeken blijkt dat de groei het sterkst is in St.Maarten. St. Maarten De economische activite iten in St.Maarten op basis van het BBP zijn gestegen van NAf 827,7 miljoen in 2002 naar NAf 877,9 miljoen in 2003, een stijging van ca. 6 procent nominaal. De rele groei, de groei in de geproduceerde hoeveelheden goederen en diensten, is gelijk aan 4,5 procent. In grafiek 2 is het BBP voor de periode 1996-2003 opgenomen. Gemiddeld over de betreffende periode heeft een stijging van bijna 3 procent nominaal plaatsgevonden. St. Eustatius Het BBP van St.Eustatius is toegenomen van NAf 107,7 miljoen in 2002 naar NAf 113,1 miljoen in 2003, een stijging van 5 procent nominaal en 3,4 procent reel. In grafiek 3 is het BBP voor de periode 1996-2003 opgenomen. Over de betreffende periode schommelt het BBP van St.Eustatius tussen de NAf 75 en 115 miljoen. Gemiddeld over de periode 1996-2003 heeft een 4 procent nominale toename van het BBP plaatsgevonden. Saba Het BBP van Saba is gestegen van NAf 31,2 miljoen in 2002 naar NAf 32,4 miljoen in 2003, een stijging van ca. 3,8 procent nominaal en ruim 2 procent reel. In grafiek 4 is het BBP voor de periode 1996-2003 opgenomen. Over de periode 1996-2003 schommelt het BBP van Saba tussen de NAf 29 en 32 miljoen. Gemiddeld heeft over de Grafiek 1: Aandeel BBP per eiland Bovenwinden 2003 St. Eustatius 11% St. Maarten 86% Saba 3% Grafiek 2: BBP St. Maarten 1996-20030 200 400 600 800 1000 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 mln. Naf. j aar Grafiek 3: BBP St. Eustatius 1996-2003 0 20 40 60 80 100 120 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 mln NAf j aa r Grafiek 4: BBP Saba 1996-27 28 29 30 31 32 33 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 mln. Naf. j aar

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine 14 Jaargang 5 betreffende periode een stijging van ca. 0,4 procent nominaal plaatsgevonden. Ontwikkelingen per sector en bedrijfstak, St. Maarten De bijdrage per sector In St.Maarten wordt de grootste bijdrage per sect or geleverd door de niet financile sector. De procentuele bijdrage van deze sector is gelijk aan 67 in 2003 en 65 gemiddeld over de periode 1996-2003 (zie tabel 1). De op n na grootste sector is de gecombineerde sector huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk (izws) met een bijdrage van 15 procent in 2003, en 14 procent gemiddeld. Qua bijdrage wordt deze sector opgevolgd door de overheidssector met bijd ragen van 12 procent in 2003 en 14 procent gemiddeld. De financile sector vormt de hekkensluiter met een bijdrage van 6 procen t in 2003 en 7 procent gemiddeld over 1996-2003. De bijdrage per bedrijfstak Elke sector is opgebouwd uit bedrijfstakken. De vier grootste bedrijfstakken in de niet financile sector van St.Maarten zijn in volgorde van grootte de bedrijfstakken handel (29%), transport en communicatie (14%), bouw (14%), en horeca (13%). Over de periode 1996-2003 bekeken zijn het afwi sselend de bedrijftakken bouw en horeca die op de vierde plaats staan. Deze structuur is voor de gehe le periode 1996-2003 van toepassing met uitzondering van 1999 waarin de bedrijfstak exploitati e onroerende goederen in plaats van de bedrijfstak bouw tot de top vier behoort. Ontwikkeling van de bruto toegevoegde waarde (BTW) Uit tabel 2 blijkt dat de BTW van de vier grootst e bedrijfstakken is gegroeid in 2003 ten opzichte van 2002. De relatieve groei is het sterkst in de bedrijfstak horeca (11%) gevolgd door de bedrijfstak transport en communicatie (10,7% ), de bouw (9,5%) en de handel (0,8%). Voorgaande ontwikkelingen hebben o.a. te maken met de positieve ontwikkelingen in het toerisme. Het aantal cruisetoeristen is toegenomen met ca. 11 procent van 1.055.040 naar 1.171.734. Het aantal verblijfstoeristen is met ca. 12 procent toegenomen van 380.801 naar 427.587. In de bedrijfstak tran sport en communicatie heeft verder een stijging plaatsgevonden van de activiteiten op de luchthaven. Tevens is het lokaal en inte rnationaal telefoonve rkeer toegenomen. Tabel 1. BBP bijdrage per sector, St.Maarten1 Sector 2003 Gemiddeld 1996-2003 % Niet financieel 67 65 Financieel 6 7 Overheid 12 14 Huishoudens en IZWs 15 14 1Exclusief productgebonden belastingen en subsidies Tabel 2: BTW ontwikkeling vier grootste bedrijfstakken, St.Maarten 200220032003 Gemiddeld 1996-2003 mln. NAf % mutatie Handel 151,2152,50,81,3 Transport en communicatie68,575,810,77,3 Bouw 66,873,19,56,3 Horeca 62,969,911,06,9

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 15 St. Maartens Economi c Performance first Quarter 2004 Continued Economic growth from 2003 to the first quarter of 2004 Miguel de Weever Maureen Bergwijn-Blokland Preface and methodology The Central Bureau of Sta tistics of the Netherlands Antilles (CBS) and the Department of Economic Policy and Research (DEPR) of St. Maarten recently held a presentation about economic developments in St. Maarten in the year 2003, and the first quarter of 2004. In this article the ma in results are described with a focus on the first quarter of 2004. A brief description of the 2003 developments will be given. The analysis is based on th e following indicators: turnover tax, business licenses, tourism, gasoline consumption, bank loans and deposits, building permits, utilities. The turnover tax is consid ered the most important indicator because it is based on the turnover of businesses, which is a ma jor indicator of economic activity. It should be noted that the Turnover tax is not used as an income (i.e. government revenue) indicator, but as an economic activity indicator. Changes in the turnover tax rate are factored out, and the data is adjusted to correspond with the month of the economic activity. In addition, the data are corrected for inflation, wh ich was registered at 1.5 percent in April 2004, in or der to avoid disguising developments. Developments in 2003 The 2003 developments in St. Maarten as measured by the CBS are presented in the previous article. In that article it is shown that St. Maarten has experienced a real economic growth of 4.5 percent. All the major economic indicators for St. Maarten show positive developments in the first quarter of 2004. This illustrates that the economy has expanded. Growth was, as can be expected, driven by increased tourism activities. Due to mayor construction projects the economy is expected to continue to grow.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine 16 Jaargang 5 The CBS results are supported by the economic indicator analysis of the Department of Economic Policy and Research. The main results are summarized in tabl e 1. In summary the indicators for business activity, tourism, transpor tation, banking, construction and utilities have all shown an increase in 2003 indicating an increase in economic activity. The amount of turnover tax collected, the major indicator, has increased by 8 pe rcent from NAf 43.5 mln. to 47 mln. Table 1. Economic indicators 2003, St. Maarten Description Unit 20022003 % Change Business activity Turnover tax mln NAf 43.547.0 8.0 Business licenses issued Number 213317 48.8 Business licenses withdrawn Number 4349 13.9 Tourism Stay over tourists Number 380,327427,587 12.4 Cruise ship passengers Number 1,066,0331,181,082 10.8 Cruise ships calls Number 531642 20.9 Transportation Gasoline consumption mln.NAf 23.226.2 12.9 Banking Total loans mln NAf 7,961.28,268.8 3.9 Total Resident deposits mln NAf 8,113.88,522.9 5.0 Construction Building permits requested Number 240325 35.4 Building permits issued Number 119151 26.9 Utilities Electricity distribution 1000 kwh 227,801242,884 6.6 Water distribution 1000 m3 2,6432,761 4.5 Developments in the first quarter of 2004 The economic growth in 2003 conti nued in the first quarter of 2004. All indicators, except the building permits issued, have shown increa ses as can be derived from table 2. Business activity The turnover tax has increased fr om NAf 12.6 mln. in the first quarter of 2003 to NAf 15.5 mln. in the first quarter of 2004, an in crease of almost 23 percent. This increase is regarded as a strong indicator that the economy of St. Maarten is grow ing. The main thrust behind this growth is the performance of the tourism industry. The number of business licenses issued and with drawn has also reflected positive developments. In the first quarter of 2003, 71 business licenses were issued and in 2004, this number was 97. This illustrates an increase of 36.6 percent. The number of business licenses withdrawn duri ng the same period is equal to 20 in 2003 and 4 in 2004, which is a decrease of 80 percent. The increase in the absolute number of business licenses issued certainly outnumbers the ab solute number of business closures.

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 17 Tourism The number of stay-over tourists has increase d from 118,665 in the fi rst quarter of 2003 to 141,200 in the same period of 2004, an increase of about 19 percent. The increase of stay-over tourists was lead mainly by strong increases in the North American market of almost 18 percent (17.7%) followed by the increases in the South American market of 20.2 percent, European market with 17 percent (16.6%), Caribbean market of 33 percent (32.9%), and the Rest of the World with 28 percent (27.6%). The number of cruise ship pa ssengers has increased by almost 20 percent from 374,401 (2003) to 448,617 (2004) in the period under c onsideration. The number of crui se ship calls increased from 215 to 287 in the first quarter of 2004 co mpared to the same period of 2003. Developments in the tourism industry have spin-o ff effects to other sector s in the economy such as the government sector. The tourism-related government revenue of room tax, timeshare tax and car rental tax have increased by 67 percent, 45 percent, and 72 percent, respectively. The significant increases of the tourism related income is partially a result of better collection and increases within the tourism industry. Transportation; gasoline consumption Historically, there is almost always a direct relationship between the nu mber of tourists, in particular, stay-over tourism and the volume of gasoline. The consumption of gasoline has increased by almost 31 percent in the first quarter of 2004. This strengthens the assertion that the tourism an d subsequently, the economy is growing and rebounding after the September 11, 2001 developments. Banking; loans & deposits The banking sector has registered an increase of 5 percent in the loan category and an increase of 12.2 percent in deposits in the first quarter of 2004, compared to the same period of 2003. These developments are contrary to hi storical patterns whereby the percentage change of loans was always higher than those of deposits. To illustrate this assertion, banking developments in 2000, were compared to 1999.The conclusion was that deposits have increased by almost 4 percent (3.9%) and the loans by some 15 percent (14.6%). Since the turn around of these indi cators, the spread (i.e. between loans and deposits) has been narrowed and this has resulted in more compe tition amongst the local commercial banks. One of the primary reasons for the intense competition ha s mainly to do with the low level of demand for loans, which is related to uncertainty abou t the future with respect to the local market. Subsequently, interest rates have dropped in some cases from 12-13 percent range to the range of 7-8 percent, depending on the type of loans. Construction The developments in the banking sector, mainly th e relatively low interest rate, have trickled over into the constructi on industry. The increase in the number of build ing requests serves to illustrate the increase of construction and the bene fits associated with lower interest rates. The number of requests for building permits has increas ed by almost 46 percent in the first quarter of 2004, compared to the same period of 2003. The number of building permits requested is equal to 77 in the first quarter of 2003 and 112 in the same period of 2004. Despite the increase of building permits requested, the number of buildi ng permits issued has declined by almost 26 percent, from 27 in the first quarter of 2003 to 20 in the same period of 2004.

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine 18 Jaargang 5 To demonstrate the activities in the construction industry, thes e are a few of the construction projects currently taking place on the island namely, the continued expansion of the airport (i.e. Phase II) Philipsburg Beautification Aqua marina Orient Express the expansion of Summit Resort and a number of other construction projects especially, private construction (e.g. houses, commercial buildings, etc.). Utilities One of the most general economic indicators that reflect developments both in the tourism sector and the local/domestic economy is the developmen t of utilities. The distribution of both water and electricity has increased, re spectively, by 4.5 and 2.8 percen t in the first quarter of 2004, relative to the corres ponding period of 2003. Table 2. Economic indicators first quarter 2004, St.Maarten Description Unit 2003-I2004-I % Change Business activity Turn over tax mln NAf 12.615.5 22.9 Business licenses issued Number 7197 36.6 Business licenses withdrawn Number 204 -80.0 Tourism Stay over tourists Number 118,665141,200 19.0 Cruise ship calls Number 215287 33.5 Cruise passengers Number 374,401448,617 19.8 Transportation Gasoline consumption In mln liters 6.17.9 30.6 Banking Total loans mln NAf 2,038.82,140.6 5.0 Total deposits mln NAf 2,087.72,343.4 12.2 Construction Building permits requested Number 77112 45.5 Building permits issued Number 2720 -25.9 Utilities Electricity distribution 1000 kwh 5941561058 2.8 Water distribution 1000 m3 701733 4.5 Conclusion In closing, all the major economic indicators have shown positive developments in the first quarter of 2004. This illustrates that the econo my of St. Maarten has expanded. A continued growth is expected. This expect ation is based on the fact that a number of major construction projects will be executed, which will furthe r boost the economy in the short-term e.g. the expansion of the airport (Phase II), a numb er of accommodation facil ities which are being developed, the upgrading and beau tification of the Front street as well as other pertinent construction and investment opportunities (e.g. the acquiring and branding of Maho Beach Hotel as a Sonesta property) which are and will be coming to the shores of St. Maarten.

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 19 Chequita Goedhoop Inleiding In dit artikel publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek de korteen lange termijn ontwikkelingen van de consumenten prijsindexcijfers met gegevens tot en met het tweede kwartaal van het jaar 2004 voor Curaao. Met korte termijn ontwikkeling wordt hier bedoeld de vergelijking van het l aatste kwartaalcijfer met het cijfer van het voor gaande kwartaal. Op korte termijn zijn de prijzen in het tweede kwartaal van 2004 met 0,5 pro cent gestegen vergeleken met het eerste kwartaal van 2004. Met lange termijn ontwikke lingen wordt bedoeld de vergelijking van het meest recente kwartaalcijfer met het cijfer van hetzel fde kwartaal een jaar eerder. Op lange termijn zijn de prijzen in het tweede kwartaal met 1,3 procent toegenomen in vergelijking met het tweede kwartaal 2003. Vergelijking van de korte -termijn ontwikkeling met de lange-termijn ontwikkeling is niet zonder meer mogelijk. Daarvoor moet eerst de mutatie van de korte-termijn ontwikkeling op jaarbasis gebracht worden. De korte-termijn ontwikkeling van de prijzen, op jaarbasis gebracht, bedraagt dan 2,0 procent. Vergeleken met de mutatie van de langetermijn ontwikkeling (1,3%) laat zien dat de inflatie in de recente periode is toegenomen. Na een periode van afnamen is de inflatie in de recente periode in Curaao weer aan het toenemen. Belangrijkste oorzaken van deze toename zijn de gestegen prijzen in de sectoren voeding en vervoer en communicatie De inflatie komt in het tweede kwartaal van 2004 uit op 1,3 procent. Indien de meest recente prijsontwikkelingen worden bekeken dan valt daaruit te concluderen dat de inflatie verder zal toenemen.

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine 20 Jaargang 5 Ontwikkelingen op korte termijn In het navolgende worden de resultaten van het tweede kwartaal va n 2004 vergeleken met het eerste kwartaal van 2004. De percentages hebben steeds betrekking op de mutaties van het betreffende kwartaal ten opzichte van het voorgaand kwartaal. In het tweede kwarta al van 2004 zijn de prijzen in de sector voeding met 1,6 procent gestegen. In deze sector zijn de prijzen van alle groepen gestegen, met uitzondering van zuivelproducten. De prijzen namen het meest toe in de groepen vlees en vis en suiker en chocolade. Voor de sectoren wonen, gezondheidszorg en vervoer en communicatie werden gelijke prijsmutaties bereke nd: 0,4 procent. Minder grote prijsstijgingen werd en geregistreerd voor de se ctoren woninginrichting en huisraad (0,2%), recreatie en ontwikke ling (0,1%) en overig (0,3%). In de betreffende periode zijn de prijzen in de sectoren dranken en rookwaren en kleding en schoeisel gedaald. Tabel 1 toont de prijsontwikkeli ngen voor de afzonderlijke sectoren tussen het tweede en eerste kwartaal van 2004. Ontwikkelingen op lange termijn Mutaties van het kwartaalgemiddelde, vergelek en met hetzelfde kwartaalgemiddelde een jaar eerder, kunnen beschouwd worden als een goede i ndicator voor de verwachte inflatie in de komende periode. In het tweede kwartaal van 2004 stegen de co nsumentenprijzen gemiddeld met 1,3 procent in vergelijking met het tweede kwar taal van het jaar 2003. Het voorgaande kwartaal was dit percentage 0,9. Van de negen sectoren waaruit de prijsindex wordt opgebouwd tone n zes sectoren in het tweede kwartaal van 2004 prijsstijgingen, waarbij de grootste prijsstijging aan de sector voeding kan worden toegeschreven. Ook de indices voor de sectoren wonen, en g ezondheidszorg stegen in het tweede kwartaal meer dan gemiddeld. Drie sectoren registreerden een prijsdaling, te weten de sectoren dranken en rookwaren, woninginrichting en huisraad en kleding en schoeisel. De sector dranken en rookwarenregistreerde de grootste prijsdaling. In het navolgende worden de re sultaten van de zes beschikbare kwartalen voor de jaren 2003 en 2004 bekeken. De percentages hebben steeds betr ekking op mutaties in het betreffende kwartaal ten opzichte van hetzelfde kwar taal van het jaar daarvoor. Per sector worden de ontwikkelingen beschreven. Tabel 1. Consumenten Prijsindexcijfers Curaao, reeks totale bevolking. Procentuele mutaties t.o.v. dezelfde periode van het voorgaande kwartaal. Omschrijving Wegingscofficint 2ekwartaal 2004 Voeding 14661,6 Dranken en Rookwaren 233-0,2 Kleding en Schoeisel 754-0,1 Wonen 26470,4 Woninginrichting en Huisraad 8790,2 Gezondheidszorg 2030,4 Vervoer en Communicatie 19910,4 Recreatie en Ontwikkeling 8180,1 Overig 10090,3 Totaal indexcijfer 100000,5

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 21 Tabel 2. Consumenten prijsindexcijfers Curaao, reeks totale bevolking. Procentuele mutaties t.o.v. dezelfd e periode van het voorgaand jaar. 2003 2004 Omschrijving WegingsCofficint 1e Kw.2e Kw.3e Kw.4e Kw. 1e Kw. 2e Kw. Voeding 14661,71,62,32,9 3,1 4,5 Dranken en Rookwaren 233-0,6-0,8-0,6-0,4 -0,5 -0,7 Kleding en Schoeisel 754-1,20,61,00,9 0,8 -0,2 Wonen 264710,47,54,32,2 1,3 1,4 Woninginrichting en Huisraad 8791,53,22,22,7 1,2 -0,5 Gezondheidszorg 203-0,1-0,21,51,4 1,3 1,5 Vervoer en Communicatie 19912,4-2,2-2,1-2,5 -0,9 0,6 Recreatie en Ontwikkeling 8180,30,10,1-0,3 -0,1 0,1 Overig 10091,30,90,50,4 0,4 0,6 Totaal indexcijfer 100003,72,31,50,9 0,9 1,3 Voeding Uit de tabel wordt duidelijk dat de prijzen voor de sector voedi ng een stijgende trend tonen. Was het percentage in het eerste kwartaal van 2003 1,7, in het tweede kwartaal van 2004 is dit opgelopen tot 4,5 procent. De oorzaken van deze s tijgende lijn zijn toe te schrijven aan grote prijstoenames voor de groepen aardappelen, groent en en fruit, vlees en vis en suiker en chocolade. In de tekstbox op pa gina 23 wordt een nadere toelic hting op de prijsontwikkelingen in deze groepen gegeven. Gezondheidszorg De prijsontwikkelingen in de sector gezondhei dszorg bleven in de periode onder beschouwing beperkt. In de eerste helft va n 2003 werden zelfs prijsdalingen geregistreerd. Enkele orthopedische middelen en geneesmiddelen werden duurder. Wonen In de periode onder beschouwing valt het op dat de prijsstijgingen in de sect or wonen flink zijn afgenomen. In het eerste kwartaal van 2003 bedroeg het stijgingsperc entage 10,4. In dit kwartaal was de oorzaak hiervan de prijsverhogingen van wa teren energieverbruik: respectievelijk 38,3 en 31,5 procent toename van de tarieven. In de daaropvolgende kwartalen ebde dit effect langzaam weg. Na het bereiken van het laagste percentage (1,3 %) in het eerste kwartaal van 2004, toont de index een lichte stijging naar 1,4 procent in het tw eede kwartaal van 2004. In dit laatste kwartaal zijn het echter de prijzen van materialen, en van woning en tuinonder houd die zijn gestegen (respectievelijk met 1,8 en 5,6%), terwijl de tarieven van energieverbruik met 0,1 procent daalden. De waterprijzen zijn ongewijzigd gebleven. Dranken en rookwaren Over de gehele periode zijn de prijzen van dranken en r ookwaren, steeds vergeleken met dezelfde kwartalen van een jaar eerder, afgenomen. In het tweede kwartaal van 2004 bedroeg de daling 0,7 procent. De prijzen van dranken namen af met 1,5 procent, terwijl die van rookwaren d aarentegen met 2,6 procent in prijs toenamen.

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine 22 Jaargang 5 Kleding en schoeisel De prijzen voor kleding en sc hoeisel ontwikkelden zich ge matigd in de periode onder beschouwing. In het eerste kwartaal van 2003 en in het tweede kwartaal van 2004 werden prijsdalingen genoteerd. In de tussenliggende peri ode stegen de prijzen steeds met 1 procent of minder. Woninginrichting en huisraad De prijzen in de sector woningi nrichting en huisraad stegen he t meeste in de periode tweede kwartaal vierde kwartaal 2003. Daarna was de stijging duidelijk minder (eerste kwartaal van 2004) en werd er zelfs een prijsdal ing genoteerd (tweede kwartaal 2004). Vervoer en Communicatie Alleen aan het begin van de pe riode onder beschouwing (eerste kw artaal 2003) en het einde van de periode (tweede kwartaal van 2004) steeg de prijsindex van de sector vervoer en communicatie. In de tussenliggende periode werden prijsdalingen geregist reerd, vooral in de overige kwartalen van 2003. Recreatie en ontwikkeling In deze sector veranderde de prijzen nauwelijks in de periode onder beschouwing. In het vierde kwartaal van 2003 en het eerste kwartaal van 2 004 daalden de prijsindic es zelfs enigszins. Overig In het eerste kwartaal van 2003 werd een prijsst ijging gemeten van 1,3 procent voor de sector overig. Dat is meteen het hoogste percentage voor deze sector in de zes kwartalen die worden beschreven. De mutaties werden geleidelijk geringe r tot 0,4 procent in het eerste kwartaal van 2004. In het laatste kwartaal trad weer een lichte toename op tot 0,6 procent. Conclusie De inflatie, gemeten aan de procentuele muta ties van de kwartaalcijf ers ten opzichte van dezelfde kwartalen een jaar eerder (lange-termijn methode), is in het eerste kwartaal van 2004 weer duidelijk toegenomen, na een periode va n afnamen. In het eerste kwartaal van 2003 bedroeg de totaalmutatie nog 3,7 procent, en di t nam in de daaropvolgend e kwartalen geleidelijk af tot 0,9 procent in het l aatste kwartaal van 2003 en he t eerste kwartaal van 2004. De afnamen in de loop van 2003 z ijn vooral toe te schrijven aan de verminderde invloed van de energieprijsverhogingen. De toenam e in het laatste kwartaal lijkt vooral benvloed te zijn door de hogere prijzen van de sectoren voedi ng en vervoer en communicatie. Voor wat voeding betreft zijn het met name de productgroepen die een hoog aandeel in de consumptie hebben (groenten en vlees) die duurder zijn geworden. Vergelijking van de prijsstijgingen gemeten via de bovenbedoelde lange-termijn methode (1,3%) met die gemeten via de op jaarbasis gebrachte kor te-termijn methode (2,0%) toont aan dat de inflatie in de recente periode hoger is. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de inflatie in de komende periode verder zal toenemen. Omdat de korte-termijn methode gebaseerd is op minder waarnemingen, waarin toevallige fluctuaties een rol kunnen spelen, is de uitkomst hiervan echter onzekerder. Het geeft daarom meer een indicatie omtrent de richting aan dan een werkelijke sc hatting van het te verwachten inflatieniveau.

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 23 Focus op prijsontwikkelingen in de sector voeding Analyse van de ontwikkelingen in de consumenten prijsindexcijf ers toont aan da t de prijzen van de sector voeding het meeste stijgen. De groepen die het meeste hebben bijgedragen aan deze trend blijken Aardappelen, groenten en fruit, Vlees en vis en Suiker en chocolade te zijn. In tabel 3 worden daarom de prijsontwikkeling en binnen deze groepen in de periode eerste kwartaal 2003 tot en met het tweed e kwartaal van 2004 weergegeven. Tabel 3. Prijsontwikkelingen van een aantal groepen binnen de sector voeding, Curaao Procentuele mutaties t.o.v. dezelfd e periode van het voorgaand jaar. 2003 2004 Omschrijving WegingsCofficint 1e Kw.2e Kw.3e Kw.4e Kw. 1e Kw. 2e Kw. Aardappelen, Groenten en Fruit2323,23,05,97,9 7,1 8,4 Aardappelen 300,50,20,31,8 3,8 3,0 Groenten 1082,83,36,710,5 9,6 7,5 Fruit 943,93,66,16,2 5,5 9,7 Vlees en Vis 369-1,6-0,61,11,7 3,4 7,4 Vlees 295-2,30,91,81,9 3,7 6,6 Vis 740,30,30,80,9 2,7 3,2 Suiker en Chocolade 452,22,21,52,6 5,0 7,0 Suiker 341,70,70,10,8 2,4 4,5 Chocolade 115,26,05,09,4 11,0 13,0 Aardappelen, groenten en fruit. De prijsontwikkeling tussen het eerste kwartaal van 2003 en het tweede kwartaal van 2004 binnen deze groep toont schomme lingen varirend tussen de 3 procent en 8 procent. De prijzen zijn voor alle productgroepen gest egen. De grootste prijsstijging heeft zich voorgedaan in de productgroep groenten to t en met het 4de kwartaal 2003. In het 2de kwartaal 2004 zijn de prijzen van fruit he t sterkst toegenomen binnen de subgroepen. Vlees en vis In het 2de kwartaal 2004 is de groep vlees en vis gestegen met 7,4 procent, in het 2de kwartaal 2003 betrof het een daling van 0,6 procen t. Binnen de groep vlees en vis, stijgt de subgroep vlees het sterkst (6,6 procent). De prijsontwikkeling van vis verloopt matig. Suiker en chocolade Binnen de sector voeding is de groep suiker en chocolade de derde op lijst van groepen die enorm in prijs zijn gestegen het afge lopen kwartaal. Binnen deze groep is het de subgroep chocolade die gedurende het eerste kw artaal van 2003 en het tweede kwartaal van 2004 het meeste in prijs zijn gestegen. In het tweede kwartaal van 2004 betreft het een percentage van 13, terwijl deze in he t eerste kwartaal van 2003 5,2 was.

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine 24 Jaargang 5 Een beperkte statistisch analyse van de beleving van huis houdens aangaande enkele woonomgevingelementen. Sean de Boer Inleiding Dit artikel past binnen de publicatiereeks van censusonderwerpen en tracht een aanzet te geven tot een maatschappelijke discussie rond leefbaarheid in de Nederlandse Antillen en specifiek Curaao. De leefbaarheid wordt volgens Passchier-Vermeer et. al.1 naast fysieke kenmerken van de woonomgeving ook bepaald door kenmerken zoals de kwaliteit van de woning en de individuele persoons, levenstijlen sociale omgevingskenmerken. Rous2 beschrijft de leefbaarhe id als volgt; de fysiologische en psychologisc he conditionering van de leefomgeving van de mens De mens bepaalt waar het voor hem of haar fijn wonen is. Het is dus een 1Passchier-Vermeer, de Kluizenaar, Steenbekkers, Van Donge n, Wijlhuizen en Miedema, Mileu en Gezondheid 2001: overzicht van risicos, doelen en beleid. 2 Rous, Jeroen, Het meten van leefbaarheid, Rooilijn, Tijdschrift voor Wetenschap en Beleid in de Ruimtelijke Ordening, Nummer 6, Juni 2003. Uit de Census van 2001 is gebleken dat veel huishoudens een of meerdere vormen van hinder in de woonomgeving ervaren. In dit artikel worden getracht een relatie te leggen tussen een aantal huishoudkenmerken en het voorkomen van overlast. De relaties blijken over het algemeen inderdaad aanwezig, maar een groot deel van de overlast wordt niet hierdoor verklaard. Het probleem van de hinder lijkt daarom voor Curaao een algemeen karakter te hebben

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 25 plek om je thuis te voelen, waar het veilig is en waar de voorzieninge n binnen handbereik zijn. Daar tegenover zouden een aantal zaken volgens de mens juist niet aanwezig moeten zijn, zoals overlast van o.a. hondenpoep, zwer fvuil en stank. Dit zijn vo lgens Rous de zogenaamde Dissatisfiers. De census van 2001 heeft enkele gegevens verz ameld omtrent de meest voorkomende elementen in de Nederlandse Antillen die overlast kunne n veroorzaken. Het gaat om zwerfvuil, autowrakken, bedrijfsvuil, st of veroorzaakt door afgravinge n en ongeasfalteerde wegen, luchtvervuiling en stank, herrie veroorzaakt door vliegtuigen, ve rkeer of burenruzie, verkeersveiligheid, plagen zoals ratten en vliege n, drugsverslaafden, di efstal en gebrek aan straatverlichting. Het censusbestand omvat ver volgens gegevens omtrent de conditie van de woning en een aantal sociaaleconomische gegevens van le den van het huishouden. De beperkingen van de censusgegevens betekenen dus dat een analyse van de censusgegevens geen volledig beeld kan scheppen van de leefbaarheid zoals het hierboven staat omschreven. Immers, dat is ook niet het doel van de census geweest. Dit artikel tracht de re latie tussen de ondervo nden last in de direct e woonomgeving met de conditie van de bewoonde woning en de persoons en huishoudkenmerken, voor de situatie in Curaao, na te trekken. Het accent wordt gelegd op de dissatisfiers, de elementen die de leefbaarheid verstoren. He t is dus niet de bedoeling van dit ar tikel om na te gaan in welke mate de relatie tussen de variabelen plaats vindt. Het is ook niet de bedoeling om na te gaan in hoeverre welgestelde buurten in vergelijking met met minder bedeelde buurten omtrent de omgevingselementen van elkaar verschillen. Tenslotte worden 15 buurten gepresenteerd wa ar ten tijde van de census tenminste 90 procent van de huishoudens n of meer hinder in hun directe omgeving ondervonden. Elementen die de leefbaarheid verstoren Tijdens de census werd aan het huishouden ge vraagd hoe ze bepaalde elementen in de woonomgeving ervaren. Het ging om zwerfvuil, stof, luchtverontreiniging, geluidsoverlast, verkeersdrukte, ongedierte, drugsvers laafden, diefstal en gebrekkige straatverlichting. Indien een huishouden last van n of meer van de genoemde elementen ondervond werd deze geregistreerd. In Curaao heeft tweederde deel van het aanta l huishoudens aangegeven dat van n of meer elementen last wordt ondervonden. Het gaat dus om 28.431 huishoudens van de 43.106 huishoudens. De meest voorkomend hinder betreft ongedierte en onvoldoende straatverlichting3. Persoonsen huishoudkenmerken in relatie tot de beleving Voor de analyse wordt uitgegaan van een aantal persoonsen huishoudvariabelen die invloed kunnen uitoefenen op de bele ving van hinder. Onderzoek4 heeft aangetoond da t de variabelen leeftijd van het hoofd, opleidingsniveau, huish oudgrootte, arbeidsmarkt positie van het hoofd van huishouden, economische positie van het hoofd en het huishoudinkomen van invloed kunnen 3 Weeber, Leon, Leefsituatie in enkele achterstandsbuurten van Curaao, Hist orische achtergronden en statistische feiten, Centraal Bureau voor de Statistiek, 2004. 4 De Boer, S, Pathmos, Tien jaar na renovatie nog steeds in trek? Een inventarisatie van de meningen van de bewoners over de kwaliteit van de gerenoveerde vooro orlogse eengezinswoningen en de woonomgeving in een voormalig stadsvernieuwingsbuurt in Enschede, Januari 1996.

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine 26 Jaargang 5 zijn op de opinievorming omtrent woonomgevinge lementen. Het censusbestand bestaat deels uit deze variabelen. Tabel 1 toont aan dat tussen de leeftijd van het hoofd en de ondervonden last in de directe woonomgeving verband is op te sporen. Vr het behalen van het 55ste levensjaar ondervindt het hoofd meer last van de dissatisfiers, naarmate de leeftijd toeneemt. Na het 55ste levensjaar lijkt het alsof men minder last gaat ondervinden. Dit fenomeen lijkt niet uniek te zijn. Onderzoek5 heeft aangetoond dat bi jvoorbeeld ouderen in de Nederlandse Antillen het liefst in hun ei gen woonomgeving blijven wonen als ze bejaard worden. Rekeninghoudend met dit feit kan worden verondersteld dat oude ren, ondanks de woonomgevingtoestand, in zekere zin minder genei gd zullen zijn om negatief over de woonomgeving te oordelen. Ze zijn vert rouwd geraakt aan hun woningen en dus ook hun woonomgeving. Uit tabel 1 valt verder op te maken dat er weliswaar een relatie bestaat tussen de leeftijd van het hoofd en de ondervonden hinder, maar dat de percen tages onderling niet veel verschillen. Alle percentages voor de huishoudens di e hinder ervaren zijn boven de 60 procent. Dit 60 procentdeel is dus leeftijdonafhankelijk. Voor de volgende te analyseren vari abelen gelden vergelijkbare constateringen. Tabel 2 onderzoekt de relatie tussen het opleidingsniveau van het hoofd van het huishouden en de ondervonden last in de directe omgeving. Uit tabel 2 valt op dat naar mate het opleidingsniveau van het hoofd in Curaao toeneemt deze minder last in de directe omgeving ondervindt. De opleiding van iemand blijkt dus een rol te spelen in zijn of haar mening omtrent de woonomgevingelementen. Ook de huishoudgrootte in Curaao lijkt van invloed te zijn in de opinie omtrent de directe woonomgeving. Tabel 3 laat namelijk zien dat naar mate de grootte van het huishouden toeneemt het huis houden ook beslist meer last in de directe woonomgeving ondervindt. 5 Permanente Commissie voor Bevolkingsvraagstukken, Eerste Resultaten Onderzoek naar de Zorgbehoefte en Netwerken van Ouderen, Maart 2003 Tabel 1. Huishoudens naar wel of geen hinder en leeftijd van het hoofd van huishouden Totaal Geen hinder Een of meer hinder Leeftijdscategorien Totaal Procent Totaal ProcentTotaalProcent 15-24 429 100,0 164 38,226561,8 25-34 4.617 100,0 1.608 34,83.00965,2 35-44 10.056 100,0 3.409 33,96.64766,1 45-54 10.605 100,0 3.531 33,37.07466,7 55+ 17.399 100,0 5.963 34,311.43665,7 Totaal 43.106 100,0 14.675 34,028.43166,0 Tabel 2. Huishoudens naar wel of geen hinder en opleidingsniveau van het hoofd Totaal Geen hinderEen of meer hinder Gevolgde opleiding Totaal Procent Totaal ProcentTotaalProcent Geen/Basisonderwijs 11.503 100,0 3.74632,67.75767,4 MAVO, LBO 17.810 100,0 6.00933,711.80166,3 HAVO, VWO, MBO 6.793 100,0 2.36734,84.42665,2 HBO/WO 5.580 100,0 2.00535,93.57564,1 Onbekend 1.420 100,0 54838,687261,4 Totaal 43.106 100,0 14.49334,028.11366,0 Tabel 3. Huishoudens naar wel of geen hinder en huishoudgrootte Totaal Geen hinder Een of meer hinder huishoudgrootte Totaal Procent Totaal ProcentTotaalProcent 1-2 19.773 100,0 6.967 35,212.80664,8 3-4 16.361 100,0 5.485 33,510.87666,5 5+ 6.972 100,0 2.223 31.94.74968,1 Totaal 43.106 100,0 14.675 34,028.43166,0

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 27 Tabel 4 toont aan dat er geen samenhang bestaat tussen de arbeidsmarktpositie van het hoofd in Curaao en de beleving van de directe woonomgeving. De tabel laat wel zien dat werkzoekende hoofden meer last ondervinden dan de werkende hoofden en de niet actieve hoofden. Een analyse van de economische positie van het hoofd van het huishouden in Curaao naar ondervonden hinder in de directe woonomgeving (zie tabel 5) laat, in tegenstelling tot de relatie tussen de arbeidsmarktpositie en de ondervonden last, wel een relatie zien. Tabel 5 toont aan dat naar mate het werkverband minder standvastig wordt men in Curaao meer last in de directe woonomgeving ondervindt. Tussen het huishoudinkomen en de last die het huishouden in haar directe omgeving ondervindt valt er geen duidelijk verband te onderkennen. Wel is te zien dat het percentage bij de hogere inkomens lager is. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat hogere inkomensgroepen vaak in buurten wonen waar de genoemde overlast niet voorkomt. In de zogenaamde betere buurten zijn de wegen grotendeels verh ard, komt zwerfvuil minder vaak voor, heeft men zelden last van verkeerslawaai en verkeersdrukte en heef t men zelden last van luchtvervuiling. In de minder bedeelde buurten is de situatie anders. De minder bedeelde buurten zijn vaak ten westen van de raffinaderij te vi nden en in deze buurten zijn de wegen ook vaker onverhard. De minder bedeelde buurten kennen grote con centraties lagere inkomensgroepen. Kenmerken van de woning en de beleving De kwaliteit van de woning wordt in de m eeste onderzoeken als een potentile variabele aangevoerd die invloed uitoefent op de uitg esproken mening omtrent elementen uit de woonomgeving. Tijdens de census werd deze vari abele, om de objectiviteit van meting zoveel mogelijk te waarborgen, indirect gemeten. De inte rviewers werden in de gelegenheid gesteld om over de wooncondities te oordelen. Niettemin kan het resultaat we inig afwijken van hetgeen de bewoners van de woningen zelf ervaren. Tabel 4. Huishoudens naar wel of geen hinder en arbeidsmarktpositie van het hoofd Totaal Geen hinder Een of meer hinder arbeidsmarkt positie Totaal Procent Totaal ProcentTotaalProcent Werkenden 24.281 100,0 8.256 34.016.02566.0 Werkzoekenden 2.975 100,0 925 31,12.05068,9 Niet actieven en onbekend 15.850 100,0 5.494 34,710.35665,3 Totaal 43.106 100,0 14.675 34,028.43166,0 Tabel 5. Huishoudens naar wel of geen hinder en economische positie van het hoofd Totaal Geen hinder Een of meer hinder economische positie Totaal Procent Totaal ProcentTotaalProcent Werkgever/kl. zelfstandige 3234 100,0 114035,32.09464,7 Werknemer in vaste dienst 16.650 100,0 5.69434,210.95665,8 Tijdelijke Werknemers 3.772 100,0 122332,42.54967,6 Anders 400 100,0 12731,827368,3 onbekend 225 100,0 7232,015368,0 Niet van toepassing 18.825 100,0 6.41934,112.40665,9 Totaal 43.106 100,0 14.67534,028.43166,0 Tabel 6. Huishoudens naar wel of geen hinder en huishoudinkomen Totaal Geen hinder Een of meer hinder huishoud inkomen Totaal Procent Totaal ProcentTotaalProcent 0 1000 10.760 100,0 3.637 33,87.12366,2 1000 2000 8.218 100,0 2.770 33,75.44866,3 2000 4000 10.812 100,0 3.556 32,97.25667,1 4000 + 13.316 100,0 4.712 35,48.60464,6 Totaal 43.106 100,0 14.675 34,028.43166,0

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine 28 Jaargang 5 Tabel 7 laat zien dat er inderdaad een verband is. Huishoudens waarvan het woonverblijf geschikt is bevonden ondervinden minder hinder in hun directe woonomgeving dan huishoudens waarvan het woonverblijf ongeschikt tot zeer ongeschikt is bevonden. De tabel toont dus een verband tussen de geschiktheid van het woonverblijf en hinder die het huishouden in de directe woonomgeving ondervindt. Buurten met veel overlast Voor de analyse zijn buurten geselecteerd waar 90 procent of meer van het aantal huishoudens hinder in hun directe omgeving onde rvindt. In dit geval komt het aa ntal uit op 15 buurten van de 107 buurten die 90 procent of meer last ondervinden. Uit tabel 8 valt allereerst op dat hier vooral de door de gemeenschap tot minder bedeelde gekwalificeerde buurten opgenomen zijn. Uit tabel 8 kan voorts worden opgemaakt dat vooral in de buurten, gelegen ten westen van de raffinaderij, het probleem van luchtvervuiling zich voor doet. Uitstoot van de raffinaderij is duidelijk hier de boosdoener. Opvallend is ook de overlast van ongedierte dat men ondervindt in deze buurten. Uit de tabel valt tenslotte op te maken dat veel buurten ook last ondervinden van stof. In de geselecteerde buurten gaat het vooral om stof veroorzaakt door onverharde en/of zandwegen, die meestal dwars door deze buurten lopen. Conclusie Uit de analyse is gebleken dat de variabelen leeftijd, opleidingsniveau, de huishoudgrootte, de economische positie en de kwaliteit van het bew oonde woonverblijf in Curaao een rol spelen in de opinievorming aangaande woonomgevingelementen Ondanks het feit dat er verbanden zijn geconstateerd kan met deze simpele analyse niet wo rden vastgesteld in welke orde en in welke mate elke variabele invloed u itoefent op de last di e het huishouden in de directe woonomgeving ondervindt. Tevens blijkt dat iede re variabele op zich wel de va riatie in de percentages van huishoudens met overlast verklaren, maar dat deze percentages onderling weinig van elkaar verschillen. Dat betekent dat overlast in Curaao een algemeen karakter heeft. In de meeste buurten waar 90 procent of meer van de huishoudens last ondervindt, geeft het huishouden het vaakst de luchtvervuiling op als overlas t. Opvallend is het feit dat de meeste van deze buurten ook last blijken te hebben van ongedierte. Tabel 6. Huishoudens naar wel of geen hinder en conditie van de woning Totaal Geen hinder Een of meer hinder conditie van de woning Totaal Procent Totaal ProcentTotaalProcent Geschikt 40.348 100,0 13.931 34,526.41765,5 Slecht 1.853 100,0 514 27,71.33972,3 Zeer slecht 457 100,0 121 26,533673,5 Onbekend 448 100,0 109 24,333975,7 Totaal 43.106 100,0 14.675 34,028.43166,0 Tabel 8. Buurten met de meeste hinder naar meest voorkomende overlast Buurt Percentage huishoudens met hinder Meest voorkomende overlast Sans Souci 98,5 Lawaai en luchtvervuiling Wishi 96,7 Luchtvervuiling en ongedierte Kas Chikitu 95 Luchtvervuiling en ongedierte Lang leven 95 Ongedierte en stof Paradijs 94,1 Stof en gebrek aan straatverlichting Bivak 94,1 Stof en verkeer Veeris 93,7 Luchtvervuiling en straatverlichting Souax 93,0 Stof en gebrek aan straatverlichting Paradijs bij Hel 92,3 Ongedierte en straatverlichting Marchena 92,2 Luchtvervuiling en ongedierte Parasasa 90,9 Luchtvervuiling en stof Tucacas 90,6 Straatve rlichting en stof Zuurzak 90,5 Ongedierte Quinta 90,3 Ongedierte en stof Sucasa 90,2 Luchtvervuiling, zwerfvuil, ongedierte

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 29 Resultaten conjunctuurenqute 2004. Chris M. Jager. Inleiding Na het houden van een pilo t onderzoek eind 2003 is er in de maanden juni en juli van 2004 een eerste conjunctuurenqute door het CBS uitgevoerd bij ruim 900 bedrijven op de Nederlandse Antillen. Doel van deze enqute is om op frequente basis actuele informatie te verschaffen over bedrijfsmatige en economische ontwikkelingen. Dit zowel voor bedrijfstakken afzonderlijk als voor het bedrijfsleven als geheel. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. In dit artikel zal worden ingegaan op de resultaten van de opinievragen. Dit aangezien deze snel kunnen worden geanalyseerd en omdat dit type vragen niet behoeft te worden opgehoogd, d.w.z. gecorrigeerd voor de steekpr oef. Dit in tegenstelling tot vragen over bijvoorbeeld omzet, investeringen en salariskosten. Onderhavig artikel geeft een beeld van de onlangs verkregen gegevens va n bedrijven (NVs en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) op de eila nden Bonaire, Curaao en St. Maarten ten aanzien van de volgende onderwerpen: 1. productiebelemmeringen, 2. investeringsbelemmeringen, 3. bevordering van investeringen, 4. concurrentiepositie, 5. verandering van het ondernemersvertrouwen, 6. vertrouwen t.a.v. de toekomst, 7. perceptie t.a.v. het investeringsklimaat. Daar er vooralsnog alleen resultaten van twee enqutes beschikbaar zijn kan er nog geen trendanalyse plaatsvinden. Ov er 1 2 jaar, als er meerdere metingen zijn ve rricht, zal dit wel mogelijk zijn. Productiebelemmeringen. Via de enqute is nagegaan of men al dan niet In juni en juli van dit jaar werd door het CBS een conjunctuur enqute uitgevoerd bij bedrijven. De uitkomsten van de opinievragen van Niet-financile bedrijven worden nu gepresenteerd. De uitkomsten verschillen per eiland. Zo zijn ondernemers in St. Maarten veel positiever dan hun collegas in Bonaire en Curaao ten aanzien van factoren als ondernemersvertrouwen, vertrouwen in de toekomst, en zien zij minder productieen investeringsbelemmeringen

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine 30 Jaargang 5 productiebelemmeringen ondervond en zo ja, we lke deze waren. Hiertoe waren een zestal mogelijkheden aangegeven. De benaderde bedrijven konden n of meer meerdere mogelijkheden aangeven. In Bonaire werd door 34,8 procent van de gere spondeerde bedrijven aangegeven dat er sprake was van productiebelemmeringen (zie grafiek 1). Deze belemmeringen waren vooral een gevolg van overheidsbeleid (18,8% van de respondenten) en een tekort aan personeel (11,6%). In verband met de gewijzigde vraagstelling t.o.v. december 2003 en de beperkte steekpr oefgrootte is in het geval van Bonaire (bij productieen investeringsbelemmeringen) geen vergelijking mogelijk met de situatie van afgelopen december. In Curaao werd door een vergelijkbaar percentage als in Bonaire, 32,9 procent van de respondenten, aangegeven dat er sprake was van productiebelemmeringen (z ie grafiek 2). Deze belemmeringen waren hier vooral een gevolg van onvoldoende vraag vanuit he t binnenland (17,4%) en overheidsbeleid (14,5 procent van de respondenten). Hierbij mo et aangetekend worden dat deze perceptie door ondernemers t.a.v. belemmeringen op zich relatief hoog zijn, doch ongeveer gehalveerd zijn t.o.v. december 2003. Onvoldoende vraag uit het buitenland, tekort aan personeel en onvoldoende productiecapaciteit speelden in Curaao nauwe lijks een rol als zijnde een belemmering voor de productie van goederen en diensten. In St. Maarten werd slechts door 21,9 procent van de respondenten aangegeven dat er sprake was van productiebelemmeringen (zie grafiek 3), een duidelijk lager percentage dan in Bonaire en Curaao. Voor zover daar dus sprake van is waren deze belemmeringen vooral een gevolg van het gevoerde overheidsbeleid (13,3 procent van de respondenten). In december jl. was de belangrijkste factor nog onvoldoende vraag binnenland. Deze is nu echter afgenomen naar 5,5 procent. Investeringsbelemmeringen. Middels de enqute is ook nagegaan of bedr ijven al dan niet investeringsbelemmeringen ondervonden en zo ja, welke deze waren. O ok hier waren een zestal keuzemogelijkheden aangegeven. Grafiek 1. Produktiebelemmeringen Bonaire in %01020 Onvoldoende vraag binnenland Onvoldoende vraag buitenland Tekort personeel Onvoldoende productiecapaciteit Overheidsbeleid Overige% jul-04 Grafiek 2. Produktiebelemmeringen Curaao in %010203040 Onvoldoende vraag binnenland Onvoldoende vraag buitenland Tekort personeel Onvoldoende productiecapaciteit Overheidsbeleid Overige% dec. 03 jul-04 Grafiek 3. Produktiebelemmeringen St. Maarten in %05101520 Onvoldoende vraag binnenland Onvoldoende vraag buitenland Tekort personeel Onvoldoende productiecapaciteit Overheidsbeleid Overige% dec '03 juli '04

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 31 In Bonaire werd door 42 procent van de respondenten aangegeven dat er sprake was van dergelijke belemmeringen (zie grafiek 4). Deze waren vooral een gevolg van een tekort aan financile middelen (20,3% ) en van het overheidsbeleid (14,5%). In het geval van Curaao (zie grafiek 5) kan worden opgemerkt dat vooral het tekort aan financile middelen (16,1%), een slechte marktwerking (16,6%) en het overheidsbeleid (19%) een belemmering vormden voor het doen van investeringen. Opvallend daarbij is de sterke teruggang t.o.v. afgelopen december van de relatieve grootte van de factoren slechte marktwerking en rendementsverwachting. Bijna een derde (32,7%) van de respondenten gaf op dit eiland aan dat er sprake was van investeringsbelemmeringen. In St. Maarten werd door duidelijk minder respondenten (23,4%) aange geven dat er sprake was van investeringsbelemmeringen (zie grafiek 6), wederom een lager per centage dan in Bonaire en Curaao. Waren het in december 2003 vooral een tekort aan financile middelen en een slechte marktwerking, recentelijk was het alleen een tekort aan financile middelen (15,6%) die hoog scoorde bij de verschille nde factoren, op afstand gevolgd door overheidsbeleid (7,8%) en het renteniveau (6,3%). Bevordering van investeringen. Naast factoren die invest eringen belemmeren is eveneens nagegaan in welke mate de investeringen positief worden benvloed. Ook hier waren daarvoor op de vragenformulieren een zestal keuzemogelijkheden aangegeven. In Bonaire (zie grafiek 7) werd door de respondenten aangegeven dat de investeringen vooral positief benvloed zijn door een goede werking van de markt (37,7%), de beschikbaarheid van financile middelen (31,9%) en door andere factoren (36,2%). Grafiek 4. Investeringsbelemmeringen Bonaire in % 0510152025 Tekort fin middelen Slechte marktwerking Rendementsverwachting Renteniveau Overheidsbeleid Overig% juli '04 Grafiek 5. Investeringsbelemmeringen Curaao in % 05101520253035Tekort fin middelen Slechte marktwerking Rendementsverwachting Renteniveau Overheidsbeleid Overig% dec '03 juli '04 Grafiek 6. Investeringsbelemmeringen St. Maarten in % 05101520Tekort fin middelen Slechte marktwerking Rendementsverwachting Renteniveau Overheidsbeleid Overig% dec '03 juli '04 Grafiek 7. Bevordering investeringen Bonaire in % 010203040Beschikbaarheid gekwal. personeel Beschikbaarheid financiele middelen Goede marktverwachtingen Rendementsverwachtingen Renteniveau Overig% dec '03 juli '04

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine 32 Jaargang 5 Ook in Curaao werd door de respondenten aangegeven dat de invester ingen vooral positief benvloed zijn door een goede marktwerking (26,6%), de beschikbaarheid van financile middelen (21,9%) en door andere factoren (23,2%). V.w.b. de mutaties t.o.v. december 2003 is vooral de toename van beschikbaarheid gekwalificeerd personeel opvallend (zie grafiek 8). De gegevens van St. Maarte n (grafiek 9) laten een wat afwijkend beeld zien. Naast drie genoemde factoren (goede marktwerking, de beschikbaarheid van financile middelen en andere factoren) heeft hier ook de rendementsverwachting een belangrijke rol gespeeld bij het positief benvloeden van investeringen. Bovendien is de stijging met bijna 13 procentpunten van Overige factoren t.o.v. 2003 opvallend. Concurrentiepositie. Via een tweetal vragen over de binnenlandseen buitenlandse markt geeft de conjunctuurenqute inzicht in de concurrentie positie van bedrijven op de eilanden. Via een eenvoudige vraag hebben ondernemers aangegeven of deze t.o.v. dezelfde periode van het voorgaa nde jaar verbeterd, onveranderd, verslechterd of niet van toepassing is. Dit laatste kan het geval zijn indien men de enige aanbieder is op de markt (bijvoorbeeld enkele overheids-NVs) of als men geen concurrentie van het buitenland ondervindt. Net als op de overige e ilanden gaven de meeste bedrijven in Bonaire aa n dat hun concurrentiepositie op de binnenlandse markt ongewijzigd was in vergelijking met deze lfde periode van 2003 (42 procent, zie grafiek 10). Daarnaast gaf 26,1 procent van de bedrijven aan dat deze verslechterd was; een nogal grote toename van ruim 10 procentpunten t.o.v. de resultaten van december 2003. Het percentage nie t van toepa ssing blijkt verder met 24,6 procent erg hoog te zijn t.o.v. de overige eilanden. Daar lig t dit rond de 7 procent. Wellicht kan dit verklaard worden door de beperkte omvang van de economische bedrijvigheid waardoor er in vele gevallen eenvoudigweg geen sprake is van concurrentie. Voor wat betreft de buitenlandse markt kan Grafiek 8. Bevordering investeringen St. Maarten in % 0510152025Beschikbaarheid gekwal. personeel Beschikbaarheid financiele middelen Goede marktverwachtingen Rendementsverwachtingen Renteniveau Overig% dec '03 juli '04 Grafiek 9. Bevordering investeringen Curaao in %051015202530Beschikbaarheid gekwal. personeel Beschikbaarheid financiele middelen Goede marktverwachtingen Rendementsverwachtingen Renteniveau Overig% dec '03 juli '04 Grafiek 10. Concurrentiepositie binnenlandse markt Bonaire in % 0 10 20 30 40 50 verbeterd onveranderd verslechterd niet van toepassing % dec '03 j uli '04 Grafiek 11. Concurrentie binnenlandse markt Curaao in %0 10 20 30 40 50 60verbeterdonveranderdverslechterdniet van toepassing% dec '03 juli '04 Grafiek 12. Concurrentiepositie binnenlandse markt St. Maarten in %0 10 20 30 40 50 60 70verbeterdonveranderdverslechterdniet van toepassing% dec '03 juli '04

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 33 worden opgemerkt dat veruit de meeste bedrijve n aangaven (68,1%) dat hi ervan geen sprake was (niet van toepassing). Ook in Curaao was dit het geval (69,6%) en in iets mindere mate in St. Maarten (62,5%). Voor zover er al sprake was van buitenla ndse concurrentie werd vooral aangegeven dat deze onveranderd was: voor Bona ire en Curaao lagen de percentages rond de 16 procent, in St. Maarten was dit met 23,6 procent wat hoger. Zoals hiervoor reeds opgemerkt gaven ook de meeste bedrijven in Curaao aan dat de concurrentiepositie op de binnenlandse markt ongewijzigd was in vergelijking met dezelfde periode van het voorgaand jaar (48,8 procent, zie grafiek 11). Veel van de bedrijven gaven aan dat deze verslechterd was: 32,5 procent. Op bedrijfstakniveau was daarvan vooral sprake bij de industrie (44,4%) en de bouwnijv erheid (51,6%). Van verbetering was slechts sprake bij 10,8 procent. Ook in Sint Maarten (grafiek 12) gaven erg veel bedrijven, nog meer dan op de andere eilanden, te kennen dat de concurrentiepositie op de binnenlandse markt ongewijzigd was gebleven; 60,2 procent. Opmerkelijk is hier dat er door 21,9 procent van de benaderde bedrijven werd aangegeven dat er sprake was van een verb etering van de concurrentiepositie. Bij de bedrijf stak handel was dit zelfs 33,3 procent. De 21,9 pr ocent is weliswaar een achteruitgang t.o.v. 2003 ( 25%) doch een duidelijk hoger percentage dan op de zustereilanden Bonaire en Curaao. Bovendien gaf in Sint Maarten slechts 11,7 procent van de bedrijven aan dat van een verslechtering sprake was. Ondernemersvertrouwen. Om inzicht te krijgen in het vertrouwen van bedrijven in onderneming en economie zijn een drietal opinievragen gest eld. De eerste daarvan betrof de perceptie van het ondernemersvertrouwen in vergelijking met de in december 2003 gehouden enqute. Aangegeven kon worden of deze was verminderd, gelijk was gebleven of was verbeterd. Grafiek 13 laat zien dat het ondernemersvertrouwen t.o.v. voorgaande periode in Bonaire wat verbeterd is. In vergelijking met de enqute van december jl. hebben wat minder bedrijven aangegeven dat deze verminderd is (van 29,2 naar 24,6%). Duidelijk meer bedrijven hebben aangegeven dat d eze verbeterd is: van 12, 5 naar 23,2 procent. Dit laatste blijkt vooral het geval te zijn, zo wijst nadere analyse uit, bij de bedrijfstak handel. Daarvan gaf 44,4 procent van de bedrijven te kenne n dat er van verbetering sprake was. Bij de meeste bedrijven (52,2%) was, net zoals op de ove rige twee eilanden, sprake van een status-quo en was het ondernemersvertrouwen gelijk gebleven. Grafiek 13. Ondernemersvertrouwen Bonaire in %0 10 20 30 40 50 60dec' 03 juli' 04% verminderd gelijk verbeterd Grafiek 14. Ondernemersvertrouwen Curaao in %0 10 20 30 40 50 60dec '03 juli '04% verminderd gelijk verbeterd Grafiek 15. Ondernemersvertrouwen St. Maarten in %0 10 20 30 40 50 60 70dec '03 juli '04% verminderd gelijk verbeterd

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine 34 Jaargang 5 De opiniemeting in Curaao laat in vergelijkin g met december 2003 een wat stabieler en tevens minder gunstig beeld zien (zie grafiek 14). Het aant al bedrijven dat vermi nderd vertrouwen heeft is met bijna 2 procentpunten toegenomen naar 41, 8 procent. Nadere analyse wijst uit dat hier vooral bij de handel sprake van is. Een vrijwel omge keerde situatie als in het geval van Bonaire. Maar liefst 70 procent van de bedrijven in deze bedrijfstak gaf aan dat het ondernemersvertrouwen verminderd was. Het percentage bedrijven dat een verbeterd ve rtrouwen heeft is met bijna 2 procentpunten toegenomen (naar 8,5%). Ongeveer de helft va n de genterviewden (49,7%) gaf aan dat het ondernemersvertrouwen in vergelijking met december onveranderd is gebleven. De situatie steekt in Sint Maarten (grafiek 15) gunstig af in vergelijking met de zojuist genoemde eilanden en eveneens in vergelijking met de vorige meting van december. Slechts 13,3 procent van de ondernemers geeft aan een vermindering van het vertrouwen te hebben, tegenover 25 procent die een verbetering aangeven. Voor al de bedrijfstak zakelijke diensten blijkt daaraan met 45,5 procent debet te zijn. Ook in Sint Maarten gaven veruit de meeste ondernemers aan (61,7%) dat het ondernemersvertrouwen gelijk was gebleven. Vertrouwen in de toekomst. Om inzicht te krijgen in het vertrouwen van bedrijven in onderneming en economie is er tevens een vraag gesteld of de betreffende onderneming de toekomst al dan niet met ve rtrouwen tegemoet ziet. Uit grafiek 16 blijkt dat in Bonaire het vertrouwen in de toekomst bij ondernemers verbeterd is. Was het in december 2003 nog 48 procent van de ondernemers die een verbeter ing aangaf, per juli jl. was dit bijna 60 pro cent (59,4%). Vooral ondernemers in de bedrijfst ak handel bleken veel vertrouwen te hebben in de toekomst; 77,8 procent van de genterviewden ga f aan dit te hebben. Het aantal bedrijven wat gn vertrouwen in de toekomst had is duidelijk afgenomen; van 32 naar 20,3 procent. Al met al is er dus sprake van een gunstige ontwikkeling van het vertrouw en in de toekomst in Bonaire. Net als in december gaf een vijfde deel van de bedrijven aan geen mening te hebben. Ook in Curaao is er sprake van een toename van het vertrouwen in de toekomst bij de ondernemers, ofschoon in geringere mate dan dat di t voor Bonaire het geval is (zie grafiek 17). De gestelde vraag werd in 44,7 procent van de gevallen met ja beantwoord (in december jl. was dit 41,5%). Op bedrijfstakniveau was het vooral transport & co mmunicatie welke hier met 57,1 procent gunstig afstak. In 32,6 procent van de ge vallen werd de vraag met nee (34,4 procent in december) beantwoord. Vooral de bedrijfstak i ndustrie was hieraan met 48,1 procent debet. Ofschoon er hier dus van een gunstigere situatie gesproken kan worden in vergelijking met Grafiek 16. Vertrouwen toekomst Bonaire in %0 10 20 30 40 50 60dec '03 juli '04% ja nee geen mening Grafiek 17. Vertrouwen toekomst Curaao in %0 10 20 30 40 50 60dec '03 juli '04% ja nee geen mening Grafiek 18. Vertrouwen toekomst St. Maarten in %0 10 20 30 40 50 60 70 80dec '03 juli '04% ja nee geen mening

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 35 december 2003 blijven de cijfers voor sommige be drijfstakken ongunstig. Ruim een vijfde van de ondernemers (22,6%) gaf aan geen meni ng te hebben over de gestelde vraag. Net als bij de verandering van he t ondernemersvertrouwen steekt ook hier de situatie in Sint Maarten (grafiek 18) gunstig af in vergelijking me t de andere twee eilande n. Het vertrouwen in de toekomst is met 72,7 procent zeer duidelijk bij ondernemers aanwezig (een geringe afname t.o.v. december jl. toen dit 75,5 procent wa s). Bovendien gaf slechts 10,2 procent van de ondernemers gn vertrouwen in de toekomst te hebben. Een toenemend deel van de ondernemers gaf aan geen mening te hebben t.a.v. he t vertrouwen in de toekomst; dit percentage nam toe van 11,7 naar 17,2 procent. Investeringsklimaat. De derde vraag van de conjunctuurenqute om inzi cht te krijgen in het vertrouwen van bedrijven betreft een opinievraag over het investeringsklim aat. Deze vraag werd niet gesteld in december van het vorig jaar waardoor er geen vergelij king mogelijk is. Aangegeven kon worden of de perceptie t.a.v. het investeringsk limaat goed, matig of slecht was. Grafiek 19 laat zien dat het i nvesteringsklimaat in Bonaire door de meeste genterviewden (61,8%) werd gepercipieerd als matig. Bijna 30 pr ocent gaf aan dit slecht te vinden (29,4%) en slechts 8,8 procent bestempelde het als goed. In Curaao gaf bijna de helft va n de respondenten (46,5%) aan he t investeringskl imaat slecht te vinden. Een bijna even grote gr oep (47,3%) kenmerkte het inve steringsklimaat als matig. Ook hier gaf slechts een klein percentage aan het goed te kunnen noemen (6,1 procent). De meningen in Sint Maarten komen goed overeen met die van Bonaire; 63,3 procent van de ondernemers gaf aan het klimaat als matig te beoor delen, 24,2 procent vond het slecht. Zon 12,5 procent was van mening dat het investeringsklim aat in Sint Maarten goed is. Al met al een relatief gunstigere perceptie in verg elijking met de andere eilanden. Grafiek 19. Investeringsklimaat 0 10 20 30 40 50 60 70BonaireCuraao St. Maarten% goed matig slecht

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine 36 Jaargang 5 Taeke Anton Gjaltema Introduction In Census 1992 and Census 2001 of the Netherlands Antilles, two fertility related questions were asked: How many live born childre n did you give birth to last year (between 27 January 1991 and 26 January 1992 and between 29 January 2000 and 28 January 2001 respectively)? and How many live born children did you give birth to in total?. Together with registration of the ag e of the mother, various demographic indicators can be calculated. In this article the main findings based on these questions are described. Other background variables are not taken into account (next articles and the forthcoming Census publication on demography will give more detailed information). Calculating common fertility indicators from a census differs somewhat from register-based estimates. The main difference is that they only refer to the surviving, i. e. enumerated, population. Women who gave birth but who died or emigrated obviously were not questioned in the census. Further caution when analysing statistics is needed because of uncertainty about the exact level of an indicator. This is especially greater if the number of events is relatively small. Note that figures in this article refer to the one-year period before the census re ference dates (27 January 1992 and 29 January 2001) and not to the Census year. Fertility declined between Census 1992 and Census 2001 there were fewer women at fertile ages and they had on average fewer children. Women will have a little more than two children on average; the total fertility rate of the year before Census 2001 was 2.2. About ten percent of the children born, had a teenage mother. The average age at first birth increased with 0.8 years and is now 25.5 for Antillean women. Childlessness is set to increase and there is a sharp drop in the share of women that will have four or more children. Generations born around 1930 had on average five children; those born 15 years later only had half that number.

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 37 Total fertility In Table 1, the main fertility indicators for th e Netherlands Antilles and its constitutive islands are given. The total number of children born to the women who were questioned in Census 2001 was 2.737, a sharp decline from the 4.072 births in Census 1992. More than three quarter of this decline can be explained because there were fewer women in the fertile age group. Table 1. Main fertility indicators, Census 1992 & 2001 Births Women aged 15-49 TFR (%) Mean age at birth 1992 20011992200119922001 1992 2001 Neth. Antilles 4.072 2.73754.91248.2572.42.2 28.0 28.1 Bonaire 189 2002.6452.8152.42.8 26.6 27.3 Curaao 2.747 1.85240.89434.9422.32.1 28.0 28.0 Sint Maarten 1.063 63410.6669.5463.02.4 28.3 28.4 St. Eustatius 43 394345973.22.4 28.7 27.9 Saba 30 122733573.91.0 25.8 27.6 Leeward Islands 2.936 2.05243.53937.7572.32.2 27.9 28.0 Windward Islands 1.136 68511.37310.5003.12.3 28.2 28.4 The fertility per woman showed a moderate declin e for the Netherlands Antilles as a whole. The total fertility rate (TFR)i indicates the number of childre n a woman would have during her lifetime if she were to experience the fertility rates of the period of measurement at each age. For the Netherlands Antilles, the (statistical significant) decline was from 2.4 children in Census 1992 to 2.2 children in Census 2001. This most recent figure is slightly above the replacement level of 2.1 children per woman (the number of live births a woman needs in order to replace herself, he r partner and the girls that die before reaching their fertile ages). Except for Bonaire, all individual islands had a decline in TFR. The three Windward Islands (Sint Maarten, St. Eustatius and Saba) grouped together showed a 0.8 reduction in the TFR. The largest drop was registered for Sabaii, and although the small populati on size of this island makes it subject to large random fluctuations, the decline is unmistakable. Age-specific fertility The TFR is the sum of the age-specific fertility ratesiii. Figure 1 shows these average numbers of children that women in the Netherlands Antilles ha d at each (exact) age in the year before the census. There is a steep rise at the start of th e fertile ages. Antillean women have most children between age 20 and 35. After most women have re ached the number of children they want and due to a decline in the (natural) fecundity, fertil ity slowly drops to zero. Only around 4 percent of the births were born to mothers of age 40 and ove r. The age-pattern did not change remarkably between Census 1992 and Census 2001. Figure 1. Age-Specific Fertility Rates (ASFR), Netherlands Antilles 0 0,02 0,04 0,06 0,08 0,1 0,12 0,14 0,16 1520253035404550 AgeASFR 1992 2001

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine 38 Jaargang 5 Figure 2 gives the fertility by four broad age gro ups, the sum of which is the TFR. St. Eustatius and Saba are omitted because their small popul ation size does not permit sound statistical comparisons on a detailed level and as they would neither have a significant influence, they were neither grouped together with Sint Maarten in to the Windward Islands. The women reach most of their fertility between age 20 and 34. Women of Bonaire get their children relatively young, while those from Sint Maarten have relatively more children at higher age groups. Although teenage pregnancy declined betwee n the two censuses on each of the islands (on average 10%), the share in the total fertility st ayed more or less the same. About ten percent of the children born in the Netherlands Antilles one year before the Census 2001 had a teenage mother. For the Netherlands Antilles, the age-specific fertility rates up to age 20 add up to 0.23 children per women (0.25 in Census 1992). Female youths (15 to 24 years old) account for 27 percent of all births. If weighted for the populatio n at each age, the percentage ev en rises to 36 (there are less females at younger ages). Mean age at childbearing By weighting the age at childbirth by the fertility rates, the mean age at childbearing can be calculated. For the Netherlands Antilles, the average age of the mothers at birth was 28.1 in Census 2001, no real change from the previous census (r efer to Table 2). Mothers from Bonaire were the youngest (27.3 years), those of Sint Maarten the oldest (28.4). The mean age for each birth order can also be looked at. The mean age at first birth of Antillean women increased by 0.7 years and stood at 25.5 years in the last census. Although the increase between the tw o censuses was largest, women in Bonaire still had their first child with on average 24.3 years at the youngest age. Estimates for St. Eustatius and Saba would have been unrel iable and are therefore excluded, for the same reason only the age at first and at second birth are given for Bonaire. Table 2. Mean Age at Childbearing by birth order, Census 1992 & 2001 Birth order All First Second Third Fourth and higher 1992 200119922001199220011992 2001 19922001 Neth. Antilles 28.0 28.124.825.528.628.831.3 31.0 33.032.9 Bonaire 26.6 27.322.724.326.927.5 Curaao 28.0 28.025.025.528.728.831.0 30.8 32.332.2 Sint Maarten 28.3 28.424.425.628.829.332.3 31.6 35.634.7 St. Eustatius 28.7 27.9 Saba 25.8 27.6 Leeward Islands 27.9 28.024.825.428.628.631.1 30.8 32.132.4 Windward Islands 28.2 28.424.425.528.529.432.1 31.5 35.334.7 Figure 2. Fertility Rates by broad age groups0,0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 3,5 19922001199220011992200119922001 Neth. Ant.BonaireCuracaoSt.Maarten 15-19 20-24 25-34 35+

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 39 The time between the first and the second birth decreased on all islands. On the Netherlands Antilles, females in Census 2001 had their second ch ild at 28.8 years, on average 3.4 years after their first birth. Mothers on the Windward Isla nds waited longest with having their second child. For higher births the mean age decreased sli ghtly, however, due to smaller numbers these figures, especially the strong declin e of Sint Maarten, are less re liable and should be interpreted with caution. Women and number of children In both censuses, around 40 percent of the absolute number of births in the Netherlands Antilles were first births. About 30 to 32 percent were of the second birth order, 16 to 18 percent were third order births and 11 to 12 percent fourth a nd higher order births. There was not much variation between the islands. These shares do no t tell us how many women will have one, two, three or four and over children during their whole life. Parity progression ratios express the share of women who will progress to the next parity. Fr om age-specific parity progression ratios, the share of women who had a certain number of children can be deducediv. Note that if they are based on period data, this will only pertain if all women will have the same number of children at each parity at each age during their lifetime as observed in the 365 days before the census was taken. Figure 3 plots the percentage of Antillean women that, according to the Census 2001, will have had no, one, two, three, or four or more births at each age. At the end of their reproductive life span, 12 percent of the women will have remained childless while with 36 percent, the most likely number of children the women will have is two (Table 3 and Figure 3). More detailed information and data for Census 1992 are available in Table 3. Between the two censuses, there was a shift in behaviour. The percentage of women that will remain childless is set to increase. The Windward Islands will see the greatest increase, but childlessness will still be highest in Curacao (figures for Bonaire might be unreliable because of small numbers). There is a drop in the share of women that will have thr ee or more children. Changes were largest in the Windward Islands; the share of parity four and over fell by 21 percentage points, (from 31 to 10 percent). Table 3. Share (%) of women by ultimate number of children, Census 1992 & 2001 Childless One Two Three Four or more 1992 2001 199220011992200119922001 1992 2001 Neth. Antilles 9 12 141632362723 19 12 Bonaire 9 6 12733383131 15 18 Curaao 12 14 151832332422 16 13 Sint Maarten 3 7 81225443426 30 10 Leeward Islands 12 14 151732342423 16 13 Windward Islands 3 8 91324433326 31 10 Figure 3. Antillean Woman by number of live births at each age, Census 2001 (%) 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 1520253035404550Age% 0 children 1 child 2 children 3 children 4+ children

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine 40 Jaargang 5 Cohort Fertility Earlier, a description was given of period fertility measures, i.e. the fertility measured in a certain period (the one year before the census). If, for exam ple, it is assumed that female cohorts that are now entering their reproductive lifespan will have the TFR as measured in the last census, we assume that their behaviour will be a mixture of that of older cohorts It is possible that they will change their behaviour (there was a change from Census 1992 to Census 2001). Cohort fertility measures how a group of women born in a certain period actually behaved. The main drawback of cohort indicators is that they can only be measured if the women are in their late forties when their reproductive life has ended. Figure 4 gives the women by age and the average number of live births that were reported in the Census 2001 (60 and over are data from Census 1992)v. After age 50, the average number of live births is final. Between age 55 and 70 (generations born between 1930 and 1945) the lifetime fertility dropped from around 5 to around 2.5 live births per woman. Childlessness of women aged 50 years and over at the time of Census 2001 was around 15 percent (refer to figure 4). This differs from th e period-based estimates. Period data might give an undercount because it underestimates infe cundity, while cohort data are troubled by underreporting as births are left out (in the census data is not necessarily collected by questioning the individual concerned, children or rela tives might also have reported for them). Notes: i It is calculated as the sum of age-specific fertility rates for a particular period. It can be interpreted as a hypothetical cohort measure and caution is therefore needed in interpre tation because changes in quantum (real cohort fertility) and tempo will lead to disturbances. Fertility of women that died before they could be intervie wed is not taken into account. Logically, it does neither use data of women that emigrated before the enumeration. An other problem might be that women were not interviewed in the Census, or that a wrong response was registered. If the fertility behaviour of these women was the same as those enumerated, this should not lead to disturbances. Pregnant women run a slightly higher risk of dying (at childbirth) but this probably will not lead to real distur bances. Total number of women that in general die in the fertile age group is very low (according to register data 77 in the 365 da ys preceding the census, of which only 11 in the age-group 19-34). In the most extreme cases (and unrealistic), none of these women had given a live birth in the year before the census, or all had given a live birth in th e year before the census. The difference in the TFR for the Netherlands Antilles in these two ex treme scenarios is only 0.05. ii Excluding the population attending the medical school of Saba, would have a small effect on the TFR. It increases from 1.02 to 1.11 (standard deviations 0.582 and 0.645). iii The registered age of mother is thei r age at the time of the census, this me ans that for example women of 20 years were on average 20.5 years, and assuming that they had th eir children evenly spread across the 365 days preceding the census (thus on average six months before the census), they were on average exactly 20 years old at childbirth. Half of them were therefore 19 year and half of them 20 years at childbirt h. When calculating fertility for age groups, these corrections were made. Figure 4. Women by age at Census 2001 and number of live births and % Childless0 1 2 3 4 5 6 15202530354045505560657075808590 AgeTFR0 25 50 75 100% childless Cohort TFR (left) % Childless (right)

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 41 iv Parity Progression Ratios were calculated from (period) pa rity data. After determining the order of the birth (one less than the total number of live births the women had had at the time of the census), they were divided by the number of women who one year before were of one parity less (births of order one by nullipara woman, order two by women of parity one etc.). Next, the cumulative percen tage that had at least one birth were calculated for each age. In the next step, these cumulativ e percentages were deducted with thos e at one parity more who already had their second child and this multiplied by the age specifi c chance of having a second birth and again they were cumulated. This was repeated for the third and fourth and higher births. Now the period based parity progression ratios are know for each age gr oup. From these the share of each order can easily be calculated for each age. The highest age group gives the period based life-time distribution. v In a census, only the surviving female population is questioned. Deducing cohort fertility indicators from the census therefore leads to some problems For example, if women with large families are less likely to migrate or have a higher life expectancy than those with small families or without children, then there will be an overestimation of cohort fertility.

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine 42 Jaargang 5 Census 2001: Fertility of Immigrants and Foreigners Country of birth and nationality differentials of fertility in the Netherlands Antilles Take Anton Gjaltema Introduction In Census 2001, women were asked if and how many children they had given birth to in the year before the census (from 29th of January 2000 to 28th of January 2001). Place of birth and nationality of these women were also registered. This article gives an overview of fertility according to the country of birth and the nationality of the mother. Persons born outside the country have (at least) once migrated to the Netherlands Antilles. Foreign residents do not have the Dutch nationality. Though foreigner or lifetime immigrant, they might have lived in the Netherlands Antilles their whole life (or only a few months). Country of birth doe s not necessarily reflect the origin of a person, for example a mother could have been born to Antillean parents in the Netherlands or Venezuela and only have lived there as a baby. Nationality suffers from the problem that Antilleans, Arubans and Dutch cannot be distinguished. Furtherm ore, naturalizations of foreigners make the background of nationalities heteroge neous. Nevertheless, in the majority of cases there will be some specific effect caused by country of origin. The number of births on the smaller Islands is not high enough for sound statistical comparison. For this reason this article uses, beside the Netherlands Antilles, the Windward Islands (Sint Maarten, St. Eustatius and Saba) and the Leeward To women of 45 nationalities and from 60 countries of birth, 2737 births were enumerated in the census. In Sint Maarten, only 18 percent of the children were born to mothers who themselves were also born on Sint Maarten. With 23.6 percent, women from the Dominican Republic had the highest share among birth to non-Antillean mothers. Haitian born females have most children on average (TFR 3. 5), Surinamese the fewest (TFR 1.3). Together with women born in the Netherlands, those born in Suriname wait longest to have their first child (31 years old). Guyanese women were the youngest mothers. Due to small numbers, though, caution is needed in interpreting the figures.

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 43 Islands (Curaao and Bonaire) as territorial units. In the interpre tation and comparison of the figures the statistical uncertainty should be kept in mind. The Kingdom of the Netherlands refers to the state and its me mber countries the Netherlands Antilles, Aruba and the Netherlands. Origin of the mothers In total, 2737 births were enumerated to mothers of some 60 count ries of birth and 45 nationalities. Table 1 gives an overview of the number of births by four main groups of the mothers places of birthi. Table 1. Births by territory of birth and place of birth of the mother, Census 2001 Place of birth of mother Territory of birth of child same territory of birth as child other NA N etherlands & Aruba outside Kingdom Total1 Abs. %Abs.%Abs.%Abs. % Abs. % Neth. Antilles 1,73763--1586834 31 2,737 100 Bonaire 10452371915843 22 200 100 Curaao 1,397762921036317 17 1,852 100 Sint Maarten 11118305345458 72 634 100 Sint Eustatius 18466156159 23 39 100 Saba 325217007 58 12 100 Leeward Islands 1,557761001186360 18 2,052 100 Windward Islands 14421264406474 69 685 100 1 including unknown (6 for Curacao, 1 for both B onaire and St Maarten) Of all children born in the Netherlands Antilles, 63 percent of the mothers were also born on the Netherlands Antilles. Figure 1 gives the share of four categories of countries (or island) of birth. The by far hi ghest percentage and the highest absolute number of births to moth ers born outside the Kingdom we re registered for Sint Maarten; as much as 72 percent originat ed from outside the Kingdom and even 82 percent were born outside Sint Maarten. The Leeward Islands shares are the lowest. The smaller islands have more mothers that were born on other islands of the Netherlands Antilles. They are not necessarily migrants in the strict sense. Many women from Bonaire go for example to Curaao to give birth in the hospital. Figure 1. Births by island and mother's birth place (in %) 0% 20% 40% 60% 80% 100% Bonaire CuraaoSt Maarten St. Eustatius Saba On Island other Neth. Antilles Netherlands & Aruba outside Kingdom Figure 2. Share of births of mothers with Dutch nationality (%)0 25 50 75 100 Curaao Bonaire St Maarten St. Eustatius Saba

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine 44 Jaargang 5 Figure 2 shows the share of mothers with the Dutch nationality that gave birth in the year before the census. Because of natura lizations and because Antilleans and others with a Dutch nationality gave birth outside the Antilles, the percentage born outside the Island is higher than the percentage w ithout the Dutch nationality (compare the first three categories of Figure 1 with Figure 2) Table 2 gives the top 10 of the countries of origin of the mother. On all islands, most non-Antillean born mothers are born in th e Dominican Republic. On the Windward Islands nearly as many children were born to mothers whom themselves were born in the Netherlands Antilles (within the Netherla nds Antilles as a whole, there were twice more births to woman for the Dominican Republic than to women from Sint Maarten). Remarkable is also the relatively low number of mothers born in the Netherlands in the Windward Islands (the largest migration stream is with the Netherlands). The large and re latively poor regional islandsii dominate in the Windward Islands. The Leeward Islands al so attract woman from the neighbouring countries Colombia and Venezuela. Table 2: Top ten of births by country of birth of the mother Neth. Antilles Leeward Isl. Windward Isl. abs. % o f all % non NA abs. % o f all % non NA abs. % o f all % non NA 1 Domin. Rep. 234 8.5 23.6 1 Domin. Rep.1215.925.31Domin. Rep. 113 16.5 22.0 2 Netherlands 112 4.1 11.3 2 Netherlands894.318.62Haiti 92 13.4 17.9 3 Haiti 111 4.1 11.2 3 Colombia 623.013.03Jamaica 55 8.0 10.7 4 Jamaica 81 3.0 8.2 4 Venezuela 321.66.74Dominica 43 6.3 8.4 5 Colombia 66 2.4 6.7 5 Aruba 291.46.15Guyana 29 4.2 5.6 6 Aruba 46 1.7 4.6 6 Jamaica 261.35.46Netherlands 23 3.4 4.5 7 Dominica 44 1.6 4.4 7 Haiti 190.94.07Saint Lucia 19 2.8 3.7 8 Guyana 34 1.2 3.4 7 Suriname 190.94.08Aruba 17 2.5 3.3 9 Venezuela 33 1.2 3.3 9 India 140.72.99India 16 2.3 3.1 10 Suriname 30 1.1 3.0 10 China 130.62.710St Kitts/ Nevis 13 1.9 2.5 10 India 30 1.1 3.0 Fertility by Origin of the Mother The total fertility rate (TFR) can be interp reted as the number of children a woman would have during her lifetime if she were to experience the age-spec ific fertility rates of the one-year period of measur ement at each age during her lifeiii. Table 3 and Figure 3 give the TFR for women according to country of birth. Statistical uncertainty is relatively large with fewer observations. The margin within which the TFR of women born in a certain coun try falls with 90 percent certainty (two-sided) is therefore also shown. If the lines do not intercept between two countries, the difference is realiv (with at least 95% certainty) and not the result of a coincidence. Haitian born mothers had the highest fertility with 3.5 children per woman, Surinamese the lowest with only 1.3 child ren on average. The Antillean born mothers hold the middle between the other fourteen countries of birth (2.2). The same information by nationality of the mother is given in Figure 4 (n ote that Aruba, the Netherlands Antilles and the Netherlands al l have the Dutch nationality). As most people have the nationality of the country of their birth, the figures are broadly the

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 45 same. Nationals from China, Saint Lucia and Haiti have a TFR of more than three. Female Dutch nationals have about the number of children needed to replace themselves, their partner and the girls that die before reaching their fertile ages. Below replacement fertility was measured for nationals of Suriname, Saint Kits and Nevis, Guyana, Dominica, and Colombia (the first two with high statistical significance). Beside the level of fertility, the timing of having children can change from woman to woman. The timing of all births can be summarized into the mean age at childbearingv. The mean age at first birth gives an indication of the age at which women start their reproductive life. Statis tics on these indicator s can be found in Figure 5, Figure 6 and Table 3. Table 3. Main fertility indicators by moth er's country of birth and nationality Country of Birth Nationality mean age childbearing mean age childbearing TFR all birthsfirst births TFR all births first births Aruba 2.5 28.226.6 China 2.7 27.424.73.227.4 23.9 Colombia 2.0 27.023.61.927.4 24.3 Dominica 1.8 28.924.21.928.4 22.1 Dominican Rep. 2.4 26.323.42.326.7 24.5 Guyana 2.1 25.523.01.725.9 24.3 Haiti 3.5 29.626.43.529.9 26.7 India 2.5 28.927.12.328.0 26.9 Jamaica 2.6 27.423.82.627.4 23.9 Leeward Islands 2.1 28.025.3 Neth. Antilles 2.2 28.125.4 Netherlands 1.9 31.131.12.228.1 25.5 St Kitts & Nevis 1.4 28.225.51.525.5 23.0 St Lucia 3.1 26.924.53.427.7 25.1 Suriname 1.3 30.631.01.132.4 31.1 Venezuela 2.0 28.526.92.127.6 26.2 Windward Islands 2.4 29.026.5 Women born in Guyana are the youngest moth ers (mean age 23.0 first birth and 25.5 all births). Those born in ne ighbouring Suriname have with 31 years the highest mean ages. Together with mothers born in the Ne therlands they wait long to have their first Figure 3. Total Fertility Rate by mother's country of birth0,000,501,001,502,002,503,003,504,004,50 Suriname Saint Kitts & Nevis Dominica Netherlands Colombia Venezuela Guyana Leeward Islands Neth. Antilles Windward Islands Dominican Rep. Aruba India Jamaica China Saint Lucia Haiti Figure 4. Total Fertility Rate by Nationality0,000,501,001,502,002,503,003,504,004,50 Suriname St Kitts & Nevis Guyana Dominica Colombia Venezuela Netherlands India Dominican Rep. Jamaica China St Lucia Haiti

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine 46 Jaargang 5 child and they stand out from all the other countries of origin. Antilleans born in the Windward Islands have on average their children one year later than Antilleans from the Leeward Islands. The mean age at first birth for woman born in the Netherlands and Surinam is higher than the mean age at childbearing (for all births). The women wh o had their second child or over were on average younger than those who had their firs t child. It could be that women who would like to have a large family start at younger ages than women who will only have one or two children. Statistical variance as a result of small numbers and/or a change in behaviour can be another explanation for such anomaliesvi. Segregation by nationality of the mother gives a similar picture (refer to figure 6). Those with a nationality of the Netherlands change because the nationality of Antilleans and Arubans is also Dutch. Now, with just over 22 years, the lowest age at first birth was registered for women of Dominica. Again, uncertainty about the exact age has to be kept in mind when comparing figur es. Evaluating Haiti and Suriname, we see that both low and relatively high fertility can lead to similar mean ages of childbirth. Comparing St Kitts & Nevis and Suriname, s hows that low fertility can be reached at relatively young as well as at relatively high ages. i Note that the first two groups of places of birth of the mother refe r to the reporting territory and can therefore not be summed across the column. For exam ple, Leeward also cont ains children born on Curacao to mothers born on Bonaire. ii the Dominican Republic, Haiti and Jamaica iii It is calculated as the sum of age-specific fertility rates for a particular period. It can be interpreted as a hypothetical cohort measure and caution is therefore needed in interpretation because changes in quantum (real cohort fertility) and tempo will lead to disturbances. Preferably it is calculated on the basis of a regist ration of births according to age of the mother to inhabitants of an area (events) and a registration of the time that potential mothers lived in that area (risk). In practice this means that the number of birt hs by age of the mother is divided by the average number of females (or the mid-year female population) at the same age at last birthday in a certain year (the TFR is the sum of these age-specific rates) The census based TFR, however, does not follow exactly this event/risk concept. It does not use the average number of females as a representative of the risk period, but the number of fe males enumerated at the time of the Census. This means that the fertility of women that died before they could be interviewed is not taken into account. Logically, it does neither use data of women that emigrated before the enumeration. Another problem might be that women were not interviewed in th e Census, or that a wrong respon se was registered. If the fertility behaviour of these women was the same as those enumerated, this should not lead to disturbances. Figure 5. Mean age of mother at childbearing by mother's country of birth0,05,010,015,020,025,030,035,0 Guyana Dominican Rep. St Lucia Colombia Jamaica China Leeward Islands Neth. Antilles Aruba St Kitts & Nevis Venezuela India Dominica Windward Islands Haiti Suriname Netherlands first birth all births Figure 6. Mean age at childbearing by nationality0,05,010,015,020,025,030,035,0 St Kitts & Nevis Guyana Dominican Rep. Jamaica Colombia China Venezuela St Lucia India Netherlands Dominica Haiti Suriname first births all births

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 47 Pregnant women run a slightly higher risk of dying (a t childbirth) but this probably will not lead to real disturbances. iv That one is higher/lower than the other is real, the exact amount of difference remains uncertain v The mean age at birth was calculated by weighting the ages by the age-specific fertility rates vi Age structure can also influence the difference between countries of birth and nationality. For example, women born in Portugal (not shown in table) are nearly all 30 and over, therefore their mean age is logically higher and the TFR probably lower (in general women exert a substantial part of their fertility below age 30). From India, Saint Lucia a nd Saint Kitts, there are relatively few women below age 30.

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine 48 Jaargang 5 Bewoners van verpleeghuizen te Curaao en Sint Maarten Ellen Maduro-Jeandor Inleiding In de census zijn particuliere en collectieve huishoudens geteld. Een particulier huishouden is een eenheid binnen een woonverblijf, bestaande uit n persoon die op zichzelf woont (een npersoonshuishouden) of uit meerdere personen die bij elkaar wonen; dit is in huiselijk verkeer met elkaar omgaan. Criterium voor huiselijk verkeer is dat er gemeenschappelijke regelingen bestaan voor het levensonderhoud (aanschaf van voeding en andere levensbehoeften) en dat gebruik wordt gemaakt van een gemeenschappelijk hoofdwoonvertrek en van een gemeenschappelijke keuken. Collectieve huishoudens zijn instituten zoals ziekenhuizen en klinieken, verpleeghuizen, internaten, bejaardentehuizen, strafgevangenis, etc. Hier is geen sprake van groepsafspraken. Het reilen en zeilen in het instituut wordt bepaald door een managementteam. In een eerdere uitgave van de Modus verscheen een artikel over de gevangenisbevolking ten tijde van de census. In deze publicatie wordt een ander type collectieve huishoudens beschreven, namelijk de verpleeghuizen (Bethesda, Mgr. Verriet Instituut). In Sint Ma arten is er het Sint Maartens Home; een bejaardentehuis met een verpleegfunctie. Verpleeghuizen zijn instituten waar mensen die verpleegbehoeftig zijn voor ko rte of langere tijd verblijven teneinde (para)medisch, verpleegkundig en psyc hosociaal verzorgd te worden. De oorzaak van de verpleegbehoeftigheid kan lichamelijk, geestelijk of een combinatie van beide zijn. Het zijn vooral ouderen, en in Curaao ook mannen van middelbare leeftijd, die in verpleeghuizen zijn opgenomen. Meer dan de helft van de bewoners van verpleeghuizen ervaart zijn of haar gezondheid als redelijk of slecht. De meest voorkomende aandoeningen bij de bewoners in Curaao zijn geestelijke of verstandelijke aandoeningen. Andere aandoeningen hebben vaak te maken met problemen bij het gebruik van armen of benen. In St. Maarten zijn dat de belangrijkste aandoeningen. Meest voorkomende ziekten zijn hoge bloeddruk en diabetes.

PAGE 50

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 49 De beschrijving geschiedt voor de eilanden Curaao en Sint Maarten. Vanwege te kleine aantallen is een be schrijving voor de overige ei landen achterwege gelaten. Dit artikel geeft een beschrij ving van de kenmerken van de bewoners van verpleeghuizen. Curaao Demografische kenmerken In Curaao is ten tijde van de census 0,6 procent van de totale bevolking bewoner van een verpleeghuis. Van de 780 personen die geteld zijn in ve rpleeghuizen zijn 470 (60%) man en 310 (40%) vrouw. Ruim 5 procent van het totaal betreft jongeren beneden de 20 jaar. Bijna 9 procent behoort tot de groep 20-29-jarigen. De leeftijdsgroepen met de grootste aandelen zijn die van de 30-39 jarigen en de 40-49 jarigen. Ook in de daaropvolgende leeftijdsklasse komen veel personen voor. Daarna dalen de percentages geleidelijk. De grootste groep ma nnen is tussen de 3039 jaar oud, maar ook in de daaropvolgende leeftijdsklassen komen veel mannen voor. Bij de vrouwen is de spreiding over de leeftijdsklassen veel gelijkmatiger. Er zijn relatief meer vrouwen in de hogere leeftijdsklassen aanwezig dan mannen. In grafiek 1 wordt de leeftijdsverdeling van de bewoners van verp leeghuizen vergeleken met die van de totale bevolking. Hetgeen opvalt is dat het aandeel ouderen, met name boven de 70 jaar, in verpleeghuizen veel groter is dan in de ge hele bevolking. Voor de jongere leeftijdsklassen, tot 20 jaar, is het omgekeerde juist het geval. In de tussenliggende leeftijdsklassen verschillen de aandelen veel minder. In deze leeftijden zijn het vooral mannen die verpleegbehoeftig zijn. De meeste inwoners van verpleeghuizen zijn afkomstig uit het Carabisch gebied; 97 procent is daar geboren. Twee procent is in een Zuid-Amerikaans land geboren. De meest voorkomende nationaliteit onder inwoners van verpleeghuizen is de Nederlandse: 98 procent. Tabel 1. Bewoners van verpleeghuizen naar leeftijd, Curaao 2001 Totaal Man Vrouw abs.%abs. % abs.% Totaal 780100,0470 100,0 310100,0 0-9 212,712 2,6 92,9 10-19 222,87 1,5 154,8 20-29 678,643 9,1 247,7 30-39 14218,2105 22,3 3711,9 40-49 13517,398 20,9 3711,9 50-59 11715,077 16,4 4012,9 60-69 779,952 11,1 258,1 70-79 8310,646 9,8 3711,9 80-89 678,620 4,3 4715,2 90+ 496,310 2,1 3912,6 Grafiek 1. Leeftijdsopbouw bevolking in verpleeghuizen en totaal, Curaao 2001.0% 5% 10% 15% 20% 0-910-1920-2930-3940-4950-5960-6970-7980-8990+ totale bevolking bevolking in verpleeghuizen Tabel 2. Inwoners van verpleeghuizen naar burgerlijke staat, Curaao 2001. Totaal Man Vrouw abs. % abs. % abs.% Totaal 780 100 470 100 310100 Ongehuwd 561 72 362 77 19964 Gehuwd 87 11 59 13 289 Weduw(e)naar 88 11 19 4 6922 Gescheiden 44 6 30 6 145

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine 50 Jaargang 5 In 72 procent van de gevallen zijn de inwoners van verpleeghuizen ongehuwd (tabel 2). In deze ca tegorie vallen ook kinderen. Opvallend is het hogere percentage weduwen (22%) t.o.v. het percentage weduwnaars (4%). Gezondheidskenmerken Ruim eenderde (37%) van de betrokkenen vindt hun gezondheid heel goed of goed (tabel 3). Per geslacht bekeken blijkt dat de mannen iets vaker (circa 38%) dan de vrouwen (35%) vinden dat ze in zeer goede tot goede gezondheid verkeren. Mannelijke bewoners van verpleeghuizen beoordelen hun gezondheidssituatie vaker dan vrouwelijke bewoners als redelijk: 41 versus 36 procent. Vrouwelijke bewoners vinden daarentegen vaker dat hun gezondheidssituatie slecht tot heel slecht is: bijna 30 procent versus ruim 20 procent mannen. Van het aantal personen in verpleeghuizen heeft 38 procent een verstandelijke aandoening en 42 procent een geestelijke aandoeni ng (tabel 4). 30 Procent kan n of beide benen niet goed gebruiken, circa 22 procent heeft spraakproblemen en 19 procent kan n of beide armen niet goed gebruiken. Degenen zonder aandoening vormen 19 procent van het totaal. Betrokkenen kunnen ook meer dan n aandoening hebben. De ziektes waar personen in verpleeghuizen het vaakst aan lijden zijn hoge bloeddruk (13,5%) en diabetes (12,3%). Circa 71 procent lijdt aan geen van de in de tabel 5 voorkomende ziektes. Tabel 3. Bewoners van verpleeghuizen naar gezondheidsperceptie, Curaao 2001 Totaal Man Vrouw abs. % abs. % abs.% Totaal 780 100,0 470 100,0 310100,0 Heel goed 40 5,1 35 7,4 51,6 Goed 248 31,8 145 30,9 10333,2 Redelijk 304 39,0 194 41,3 11035,5 Slecht 148 19,0 79 16,8 6922,3 Heel slecht 39 5,0 16 3,4 237,4 Onbekend 1 0,1 1 0,2 -Tabel 4. Bewoners van verpleeghuizen naar aandoeningen, Curaao 2001 Totaal Type aandoening abs.% Blind 314,0 Slecht ziend 678,6 Doof 60,8 Slecht horend 455,8 Stom/spraakproblemen 17021,8 Kan n of beide benen niet goed gebruiken 23530,1 Kan n of beide armen niet goed gebruiken 15019,2 Andere lichamelijke aandoening 12716,3 Verstandelijke aandoening 29738,1 Geestelijke aandoening 32842,1 Geen aandoening 14919,1 Tabel 5. Inwoners van verpleeghuizen naar ziekten, Curaao 2001 Totaal Ziekten abs.% Hoge bloeddruk 10513,5 Diabetes 9612,3 Glaucoom 202,6 Astma/chronische bronchitis 212,7 Hartproblemen/ gevolgen v/e hartinfarct 516,6 Ernstige nierziekte 111,4 Geen van deze ziektes 55270,8

PAGE 52

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 51 Sint Maarten Demografische kenmerken In Sint Maarten is 0,2 procent van de totale bevolking inwoner van een verpleeghuis. Van de 56 personen die geteld zijn in ve rpleeghuizen zijn 19 (34%) man en 37 (66%) vrouw (tabel 6). Van het totaal zijn de meesten boven de zestig jaar. Slechts 5 procent is minder dan zestig en niet jonger dan vijftig jaar. De grootste groep is de leeftijdcategorie 75-89 jaar. Dit geldt zowel voor mannen als vrouwen. In 77 procent van de gevallen zijn de inwoners van verpleeghuizen ongehuwd (tabel 7). Het percentage weduwen en weduwnaars is vrijwel gelijk. Gezondheidskenmerken Het valt op dat geen van de betreffende personen hun gezondheid heel goed vindt (tabel 8). Nog niet eens de helft vindt hun gezondheid goed tot redelijk. Per geslacht bekeken blijkt dat geen van de mannen hun gezondheid als heel goed of goed beoordelen. Ruim 84 procent vindt hun gezondheid redelijk. 81 Procent van de vrouwen vindt dat ze in goede tot redelijke gezondheid verkeren. Van het aantal personen in verpleeghuizen heeft ruim de helft een lichamelijke aandoening en ruim 14 procent een geestelijke of verstandelijke aandoening (tabel 9). Ruim eenderde (34%) van het totaal heeft geen aandoening. Betrokkenen kunnen ook meer dan n aandoening hebben. De ziektes waar de personen in verpleeghuizen het vaakst aan lijden zijn diabetes (37,5%) en hoge bloeddruk (16,1%). Slechts een klein percen tage lijdt aan geen van de voorkomende ziektes. Tabel 6. Bewoners van verpleeghuizen, St. Maarten, 2001 Totaal Man Vrouw abs.%abs. % abs.% Totaal 56100,019 100,0 37100,0 50-59 35,43 15,8 -60-74 1119,64 21,1 718,9 75-89 3460,711 57,9 2362,2 90+ 814,31 5,3 718,9 Tabel 7. Bewoners van verpleeghuizen naar burgerlijke staat, St. Maarten 2001 Totaal Man Vrouw abs.% abs. % abs.% Totaal 53100 19 100 34100 Ongehuwd 4177 15 79 2676 Gehuwd 48 1 5 39 Weduw(e)naar 815 3 16 515 Gescheiden --Tabel 8. Inwoners van verpleeghuizen naar gezondheidsperceptie, St. Maarten 2001 Totaal Man Vrouw abs.% abs. % abs.% Totaal 56100,0 19 100,0 37100,0 Goed 35,4 38,1 Redelijk 4376,8 16 84,2 2773,0 Slecht 712,5 3 15,8 410,8 Onbekend 35,4 38,1 Tabel 9. Inwoners van verpleeghuizen naar aandoeningen, St. Maarten 2001 Totaal Aandoening abs.% Blind/Slecht ziend 47,1 Kan n of beide benen niet goed gebruiken 58,9 andere lichamelijke aandoening 2035,7 verstandelijke/geestelijke aandoening 916,1 geen aandoening 1933,9

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine 52 Jaargang 5 Roeland Dreischor Introduction The foreign trade statistics of the Leeward Islands registers the flow of merc handise to and from the islands of Curaao and Bonaire. All movements of merchandise in fr ee circulation between Curaao and Bonaire are excluded. The islands of St.Maarten, Saba and St.E ustatius are free ports and therefore no information is available through customs except for the trade between Curaao, Bonaire and St.Maarten. The CBS uses the Special Trade System for processing and publishing of all import and export data by commodity and by country for Curaao and Bonaire. Under this system the import statistics cover a ll goods cleared through customs for home use from abroad or from the national free zone. Expor t statistics cover all goods of national origin to be dispatched to another country. The value of the goods equals the value of the commodity at the place and time it crosses the border. The basis for valuation is cost of insurance and freight (cif) for imports and free on board (fob) for exports. In the following paragraphs the developments in the international merchandise flow of the Leeward islands are presented for the year 2003 in comparison to 2002. Merchandise Imports increased both in Curaao and Bonaire in 2003, thus recovering from declines in the previous year. Imports grew with 14 percent for Curaao and 16 percent for Bonaire. Growth occurred in almost all of the sections of goods in both Curaao and Bonaire. Exports on the other hand declined in Curaao, but increased in Bonaire. Main cause of the Curaao decline was the decrease in exports of oil products, being the largest export category.

PAGE 54

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 53 Total imports and exports Total import and export of goods (Curaao and Bonaire) In the year 2003 the total import of Cur aao has increased w ith 565 million guilders to an estimated total of 4.5 billion guilders. This increase was 14 percent compared to the previous year. The import in Bonaire went up from 64 to 74 million in 2003, an increase of approximately 16 percent (Tab le 1). Both islands of the Netherlands Antilles show an increase in their imports. As can be seen in the table below the imports in Curaao declined in 2002 to pi ck up again in the year 2003. The island of Bonaire has shown a decrease of 7 million in 2002 to an increase of 10 million in the year 2003. The total export value of Curaao has decreased with 996 million guilders in 2003. This represents a decline of almost 33 percent. The island of Bonaire has exported a total of 23 million in 2003. If compared with the previous year the export from Bonaire has increased with 10 million, which represents an increase of 77 percent. From table 1 can be deduced that the exports from Curaao show a peak in 2001, while the exports from Bonaire show a peak in the year 2003. In 2003 the trade balance of the Leeward islands was an estimated .5 billion. The trade balance of the Leeward islands is calculated by subtracting the import figures from the export. It should be noted that the overall exports from Curaao and Bonaire include goods, which have been previously imported. This may cause signifi cant fluctuations if the export figures are compared to previous years. Imports and exports of goods Curaao, import and export of goods The import of general merchandise in the y ear 2003 has increased in almost all of the SITC sections1. The commodity item that increased the most was pertaining to the section of inedible crude materials with 75 percent. This section went up from 8 million to 14 million in imports compared to the previous year. The product categories that contribute to an increase of the section are the following: wood in rough, other crude minerals of which each with 2 million guilders, and crude animal materials with almost 3 million guilders. Another SITC section, which also shows a high increase of 60 percent, is the chemical and related materials products. The import of these products has risen with 74 million guilders in 2003. The increases of the chemical products are attributed to the following imported products: medicaments products with 58 million, inorganic chemical elements, and perfume ry and cosmetic preparations, with an import of 37 and 30 million in 2003. 1 United Nations commodity classification system: SITC, Standard International Trade Classification, Revised 3. Table 1. Total import and export of the Leeward islands 2001 20022003 Curaao Import 5.034 4.0274.592 Export 4.309 3.0502.054 Bonaire Import 71 6474 Export 15 1323 Note: All values in millions of guilders

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine 54 Jaargang 5 The other product sections of beverages and tobacco, mineral fuels, and food and live animals increased with respect ively 17, 16, and 11 percent in 2003. As shown in table 2 the imports and exports of oil products in the section mineral fuels differ with millions if compared to the othe r sections. The constant fluctuations of prices in the international oil industry may significantly in fluence the total import and export values of oil products in Curaao. Another section that shows a high increase in import is the section of commodities and tran sactions not classified, this is due to the introduction of the harmonized system commodity classificat ion by the Customs in 2003. The harmonized system commodity classification represents a valuable instrument, which may be used for a va riety of purposes while yet retaining a structure that is required for the pur poses of tariff classification. The sections that show a drop in imports are the animal and vegetable oils and manufactured articles section. The decline in import of animal and vegetable oils is 1 million, and the manufactured articl es has dropped from an import of 237 to 230 million in 2003. While these two sections indicate a decline in imports, the manufactured goods classified by ma terial remains unchanged in 2003. Table 2. Curaao, general merchandise Import Export SITC Description 20022003 2002 2003 0 Food and live animals 248276 32 38 1 Beverages and tobacco 3541 10 5 2 Crude materials, inedible, except fuels 814 4 7 3 Mineral fuels, lubricants and related materials 2,7623,193 2,880 1,899 4 Animals oils and fats 87 0 0 5 Chemicals and related products 124198 8 11 6 Manufactured goods classified chiefly by material 194194 13 7 7 Machinery and transport equipment 411418 50 57 8 Miscellaneous manufactured articles 237230 53 14 9 Commodities and transactions not classified 121 0 15 T otal 4,0274,592 3,050 2,054 Notes: 1. All values in millions of guilders. 2. A zero value may indicate a rounding effect or no trans action registered for a par ticular section or country In 2003 the export of manufactured articles has declined with 39 million, which is a large decrease of almost 74 percent compared to the previous year. The other sections that also show a considerable decrease in exports from Curaao are the section of beverages and tobacco products with 50 percent, and the manufactured goods classified by material with a decrease of 45 percent. The section of crude materials reaches a high export change rate of 75 percent in 2003. Most products in this se ction are related to rough cr ude materials of which the export of stone, sand, and gravel is 4 million. The export of chemical products increases with 3 million that is approximat ely with 34 percent in 2003. Another export section that increases, is the food and live an imals products with 18 percent. Bonaire, import and export of goods In Bonaire the import of goods in most of the sections have s hown an increase. The section of chemical products increases wi th 2 million guilders, this is twice the

PAGE 56

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 55 amount compared to the previous year. The machinery and transport equipment section increases from 22 to 28 million guilder s, a raise of 27 percent. The products in this section that contribute to a higher import are the aircraft and associated equipment product category. The sections with a rise of 1 million each, are the following: beverage and tobacco, food a nd live animals, and crude materials section. The section of manufactured goods classified by materials dropps with 22 percent compared to 2002 (Table 3). Table 3. Bonaire, general merchandise Import Export SITC Description 20022003 2002 2003 0 Food and live animals 1415 4 4 1 Beverages and tobacco 23 0 0 2 Crude materials, inedible, except fuels 01 8 16 3 Mineral fuels, lubricants and related materials 10 0 0 4 Animals oils and fats 00 0 0 5 Chemicals and related products 24 0 0 6 Manufactured goods classifi ed chiefly by material 129 0 0 7 Machinery and transport equipment 2228 1 2 8 Miscellaneous manufactured articles 1113 1 2 9 Commodities and transactions not classified 00 0 0 Total 6474 13 23 Notes: 1. All values in millions of guilders. 2. A zero value may indicate a rounding effect or no trans action registered for a par ticular section or country Two minor product sections re garding exports from Bonair e have increased compared to 2002. These sections are food and live animals and m anufactured articles. The major section that has increased the most in export, is the crude material section. This section shows a remarkable increas e of 8 million in 2003. The important salt production contributes for the major part of the export of the island with almost 70 percent of all export products. Imports and exports by main country and general merchandise Curaao, imports by origin In 2003 the import of goods from Venezuela has amounted to 66 percent of the total island imports. The main products of import from Venezuela are the miner al fuels products. This is estimated to be 2968 million guilders in 2003. Next to the oil imports other important products such as: foo d and live animal and manufactured goods are also imported from this neighbour country (Table 5). Curaao has imported 577 million guilders in products from the USA in 2003. The main import products from the USA are machinery and transport equipment, these are about 181 million guilders. Another important Table 4 Curaao, Import by main country in 2003 Country Value % Venezuela 3,028.6 66.0 USA 577.4 12.6 Netherlands 340.9 7.4 Japan 49.8 1.1 Bahamas 47.5 1.0 India 42.2 0.9 Germany 32.5 0.7 Puerto Rico 30.6 0.7 Panama 29.9 0.7 Italy 29.4 0.6 ROW 382.7 8.3 Total 4,591.5 100.0 Note: all values in millions of guilders

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine 56 Jaargang 5 import item from the USA for Curaao is the food and live animals which amounts to 103 million. The import from the Netherla nds is 7 percent of the total imports, of which 80 million consists of imports relate d to machinery and transport equipment. In 2003, Curaao imports almost 50 million from Japan. Most products imported from afore mentioned Asian country are m achinery and transport equipment. Table 5 Curaao, Import by main country and SITC section in 2003 SITC Description Venezuela USANetherlands Japan 0 Food and live animals 20.3103.273.0 0.0 1 Beverages and tobacco 6.65.411.6 0.0 2 Crude materials, inedible, except fuels 1.05.82.6 0.0 3 Mineral fuels, lubricants and related materials 2,968.434.70.3 0.1 4 Animal and vegetable oils, fats and waxes 0.04.40.6 0.0 5 Chemicals and related products, n.e.s. 5.585.135.5 0.2 6 Manufactured goods classified chiefly by material12.263.362.1 1.4 7 Machinery and transport equipment 7.2181.080.3 47.6 8 Miscellaneous manufactured articles 7.093.557.3 0.4 9 Commodities and transactions not classified 0.31.017.7 0.0 Notes: 1. All values in millions of guilders 2. A zero value may indicate a rounding effect or no trans action registered for a partic ular section or country Curaao, exports by destination Most exports from Curaao are to the USA, which consist of 20 percent of the total exports. The main export product to the USA is oil and related products. Other products that Curaao has exported to the USA are the following: machinery and transport equipment with a total of 22 million, and other manufactured articles w ith a total of almost 3 million. Venezuela is the second important export destination of Curaao. The exports to Venezuela are estimated to be 332 million, of which most are oil products. As shown in table 6, the Bahamas and Singapore also form an important export market for the island of Curaao. In 2003, Curaao has exported 75 million guilders to the Netherlands. This is approximately 4 percent of the total exports of Curaao. Table 7 Curaao, Exports by main country and SITC section in 2003 SITC Description USAVenezuelaBahamas Singapore 0 Food and live animals 0.03.50.0 0.0 1 Beverages and tobacco 0.00.00.0 0.0 2 Crude materials, inedible, except fuels 0.20.00.0 0.0 3 Mineral fuels, lubricants and related materials 391.2326.7159.1 108.9 4 Animal and vegetable oils, fats and waxes 0.00.00.0 0.0 5 Chemicals and related products, n.e.s. 0.30.30.0 0.0 6 Manufactured goods classified chiefly by material 0.50.10.0 0.0 7 Machinery and transport equipment 22.40.90.2 0.2 8 Miscellaneous manufactured articles 2.70.40.0 0.0 9 Commodities and transactions not classified 0.70.20.0 0.0 Notes: 1. All values in millions of guilders 2. A zero value may indicate a rounding effect or no trans action registered for a par ticular section or country Table 6 Curaao, Exports by main country in 2003 Country Value % USA 418.2 20.4 Venezuela 332.2 16.2 Bahamas 159.4 7.8 Singapore 109.1 5.3 Honduras 102.1 5.0 Guatemala 92.8 4.5 Netherlands 74.9 3.6 Panama 74.3 3.6 Cuba 57.5 2.8 Haiti 52.1 2.5 ROW 581.5 28.3 Total 2,054.3 100.0 Note: All values in millions of guilders

PAGE 58

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 57 Bonaire, imports by origin In 2003, the island of Bonaire has imported 27 million guilders in products from the USA. The USA is the main import partner of Bonaire with 37 percent of the total imports. The machinery and transport equipment products amount to approximately 9 million. In second place are the imports of food and live animals products with 6 million, followed by manufactured articl es with the same amount of almost 6 million. From table 8 can be deduced that the Netherlands also has a high ranking in being one of the import partners of Bonaire. A total amount of 25 million has been imported from the Netherlands in 2003. The imports consist mostly of machinery and transport equipment products which amount to 7 million. Another main produc t section that Bonaire imports from the Netherlands is food and live animals products with 6 million. The neighbour country Venezuela remain s in 2003 an important trading partner of Bonaire. The total imports from Venezuela are estimated to 4 million. Most products that are imported pertai n to the food and live animal section (table 9). Table 9 Bonaire, Import by main country and SITC section in 2003 SITC Description USA Netherlands Venezuela Japan 0 Food and live animals 6.35.61.2 0.0 1 Beverages and tobacco 0.61.50.7 0.0 2 Crude materials, inedible, except fuels 0.60.20.0 0.0 3 Mineral fuels, lubricants and related materials 0.20.00.0 0.0 4 Animal and vegetable oils, fats and waxes 0.30.00.0 0.0 5 Chemicals and related products, n.e.s. 1.41.90.1 0.0 6 Manufactured goods classified chiefly by material 3.23.41.1 0.0 7 Machinery and transport equipment 8.67.00.3 3.6 8 Miscellaneous manufactured articles 5.94.90.1 0.0 9 Commodities and transactions not classified 0.00.00.0 0.0 Notes: 1. All values in millions of guilders 2. A zero value may indicate a rounding effect or no tran saction registered for a particular section or country Table 8 Bonaire, Import by main country of origin in 2003 Country Value % USA 27.2 36.7 Netherlands 24.5 33.1 Venezuela 3.6 4.9 Japan 3.6 4.8 Aruba 3.5 4.7 Singapore 2.1 2.8 Sweden 1.0 1.3 Australia 0.7 1.0 Guyana 0.7 1.0 Switzerland 0.5 0.7 ROW 6.7 9.1 Total 74.0 100.0 Note: All values in millions of guilders

PAGE 59

Modus Statistisch Magazine 58 Jaargang 5 Bonaire, exports by destination The exports from Bonaire to the USA amount to 13 million in 2003, that is more then 56 percent of the total exports. The main expor t product section to the USA is the crude material product with 13 million. The crude material product category represents the salt producti on export from Bonaire. In 2003, Bonaire has exporte d a total of 3 million to Venezuela (14 %). Most e xports to Venezuela are food and live animal products, which amount to 3 million. The exports to Ar uba and the Netherlands are approximately 2 million each. The main products of exports to Aruba are crude materials with a total value of 1 million. Table 11 Bonaire, Exports by main country and SITC section in 2003 SITC Description USAVenezuelaAruba Netherlands 0 Food and live animals 0.03.20.2 0.5 1 Beverages and tobacco 0.00.00.0 0.0 2 Crude materials, inedible, except fuels 12.60.01.1 0.0 3 Mineral fuels, lubricants and related materials 0.00.00.0 0.0 4 Animal and vegetable oils, fats and waxes 0.00.00.0 0.0 5 Chemicals and related products, n.e.s. 0.00.00.0 0.0 6 Manufactured goods classified chiefly by material 0.20.00.0 0.0 7 Machinery and transport equipment 0.20.10.8 0.3 8 Miscellaneous manufactured articles 0.20.00.0 0.6 9 Commodities and transactions not classified 0.00.00.0 0.0 Notes: 1. A zero value may indicate a rounding effect or no tr ansaction registered for a particular section or country 2. All values in millions of guilders Table 10. Bonaire, Exports by main country in 2003 Country Value % USA 13.2 56.4 Venezuela 3.3 14.3 Aruba 2.1 9.1 Netherlands 1.5 6.5 Bolivia 1.2 5.3 Guatemala 0.5 2.2 Trinidad & Tobago 0.4 1.7 Belgium 0.3 1.2 St. Vincent & Grenadines 0.2 0.7 Canada 0.1 0.6 ROW 0.5 2.1 Total 23.4 100.0 Note: All values in millions of guilders

PAGE 60

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 59