Citation
Modus Jaargang 6 Nummer 2

Material Information

Title:
Modus Jaargang 6 Nummer 2

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 1

Numm er 2 1

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine In dit nummer Redactioneel.............................................iii Perceptie van corruptie in Bonaire en Curaao......................................................1 Resultaten conjunctuurenqute december 2004........................................10 De structuur van de intermediaire kosten van bedrijven in de financile en niet-financile sector in Curaao...........20 Hoog opgeleide personen in de Nederlandse Antillen...............................28 Economie Curaao licht gegroeid in 2004..........................................................32 Verborgen werkloosheid in Curaao ....35 Analyse kwartaalontwikkelingen prijzen Curaao: Inflatie neemt toe....................39 Human Development Index (HDI): Antillen behoren tot de hoger ontwikkelde landen.................................43 Provisional Results from the 2004-2005 Poverty Survey Sint Maarten..................47 Voorlopige uitkomsten Armoedemeting Bonaire.....................................................51 The quarterly overview of the foreign trade statistics.........................................55 M o d u s 2 Jaargang 6

PAGE 3

Nummer 2 3 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logische grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Geachte Lezer, Zoals beloofd in de vorige aflevering van Modus worden in deze de voorlopige uitkomsten van de armoede-meting van Bonaire en Sint Maarten gepresenteerd. Ook deze resultaten zijn gebaseerd op een deel van de totale enqute, waardoor de cijfers alleen als indicatief moeten worden beschouwd. Er is in deze artikelen gekozen voor dezelfde variabelen als die welke voor Curaao gebruikt werden, zodat een vergelijking tussen de eilanden mogelijk is. In het eerste artikel in deze Modus wordt uitgebreid ingegaan op de resultaten van de corruptiemeting welke eind vorig jaar tezamen met het Arbeidskrachten-onderzoek werd gehouden in Bonaire en Curaao. De uitkomsten zijn duidelijk. Bij een groot deel van de bevolking op de Benedenwindse eilanden heerst de overtuiging dat corruptie een grote invloed uitoefent op de politiek en de normen en waarden in de maatschappij. De meningen zijn wat minder negatief voor wat betreft de invloed van corruptie in het bedrijfsleven en in het persoonlijke en het gezinsleven. Het mag dus geen verbazing wekken dat als de bevolking in staat was corruptie in n keer weg te vagen, de politiek als eerste aan de beurt zou komen. Redactioneel De economien van de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen zijn in 2004 in verschillende tempos gegroeid. De economie van Curaao groeide reel met slechts 0,2 procent, hetgeen in vergelijking met Bonaire en Sint Maarten als teleurstellend beschouwd kan worden. Ondanks het herstel van de bedrijfstak industrie en de groei van de financile dienstverlening bleef de groei onder meer achter doordat het toerisme en het transport door het wegvallen van de nationale luchtvaart-maatschappij niet tot volle groei konden komen Recente resultaten omtrent de economische activiteiten zijn voor een groot deel gebaseerd op de uitkomsten van de conjunctuurenqute. Daarover wordt in een artikel uitgebreid gerapporteerd. Zo blijkt het vertrouwen van ondernemers in de economie en de toekomst in Curaao achter te blijven bij die in Bonaire en Sint Maarten. Ondernemers zullen daarom niet snel geneigd zijn meer te investeren. Ten behoeve van de nationale rekeningen werd vorig jaar een uitgebreid onderzoek naar de intermediaire kosten van bedrijven gedaan. In deze Modus wordt over de resultaten daarvan gerapporteerd. Colofon Uitgave: Centraal Bureau voor de Statistiek Redactie: Francis Vierbergen Maureen Blokland Maria Duyndam Adres: Fort Amsterdam, Willemstad, Curaao, Nederlandse Antillen. Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 E-mail: info@cbs.an Website: www.cbs.an Auteursrechten: Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Abonnementen: Modus verschijnt vier maal per jaar. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 25,= (exclusief portokosten). Losse k t NAFl 1 0 Een nieuw concept in de methodiek van de arbeidsmarkt statistieken betreft de verborgen werkloosheid. Ook hierover wordt verslag gedaan. Verder in deze Modus ook nieuwe berekeningen voor de Human Development Index, de prijsontwikkelingen in Curaao in het eerste kwartaal van 2005, de hoog opgeleiden in de Nederlandse Antillen, en een kwartaaloverzicht van de buitenlandse handel van Bonaire en Curaao. Nu mm er 1 iv

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine Perceptie van corruptie in Bonaire en Curaao Ellen Maduro-Jeandor Inleiding Op verzoek van de Tri-partite werkgroep, Kolaborativo genaamd, waarin vertegenwoor-digers zitten van het vakbondswezen, bedrijfsleven en de overheid werd door het Centraal Bureau voor de Statistiek in oktober 2004 een zogeheten corrup-tiemeting verricht. Het doel hiervan is de perceptie ten aanzien van corruptie bij respondenten te meten. Deze perceptiemeting, de zogeheten Transparency International Global Corruption Barometer wordt wereldwijd door Transparency International (TI) verricht, met het specifieke doel om de publieke opinie over corruptie te meten. De in oktober gehouden meting geschiedde voor het eerst als een pilot-onderzoek in Bonaire en Curaao. Aan het Arbeidskrachtenonderzoek werden een drietal vragen toegevoegd die na het afnemen van de AKO vragenlijst door het hoofd van het huishouden werden beantwoord. In 5 procent van de gevallen heeft een ander huishoudlid op verzoek of bij afwezigheid van het hoofd de corruptievragenlijst beantwoord (proxy). De resultaten zijn dus gebaseerd op een steekproefmeting. Zowel in Bonaire als in Curaao scoort de politiek hoog als het gaat om corruptie. Dat is de mening van een meerderheid van de bevolking. Dat blijkt uit het corruptieonderzoek dat het CBS eind 2004 op beide eilanden heeft uitgevoerd. Corruptie heeft ook grote invloed op de normen en waarden in onze maatschappij, zo is de mening. De invloed op het persoonlijke en het familieleven en op het bedrijfsleven wordt als minder ervaren Begripsbepaling Het begrip corruptie is voor deze meting gedefini-eerd als een fenomeen/gedragsvorm die de volgen-de elementen omvat: Belangenconflict: als iemand jou een dienst vraagt en in ruil daarvoor jou iets geeft. Nepotisme: iemand gebruikt zijn/haar macht en/of functie om een baan te regelen voor zijn/haar familielid. Cronyisme: iemand gebruikt zijn/haar macht en/of functie om vrienden te bevoorrechten. Het onderzoek is eenvoudig en bestaat uit drie vragen over meningen, verwachtingen en priori-teiten in relatie tot corruptie: 1. Hoe ernstig denkt u dat corruptie op dit eiland N u mmer 2 1

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine invloed heeft op uw persoonlijke en gezins-leven, het bedrijfsleven, de politiek, de normen en waarden in de maatschappij? Figuur 1. Perceptie invloed corruptie op vier levensterreinen, Bonaire0%20%40%60%80%100%persoonlijkengezinslevenbedrijfslevenpolitieknormen enwaarden heel ernstig ernstig enigszins ernstig niet ernstig Figuur 2. Perceptie invloed corruptie op persoonlijk, gezinsen bedrijfsleven naar leeftijd, Bonaire0102030405060<= 3940 <=5960 +<= 3940 <=5960 + persoonlijk en gezinslevenbedrijfsleven procenten niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig Figuur 3. Perceptie invloed corruptie op politiek en normen en waarden naar leeftijd, Bonaire0204060<= 3940 5960 +<= 3940 5960 + politieknormen en waarden procenten niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig 2. Denkt u dat de mate van corruptie de komende drie jaar zal veranderen? 3. Indien u met een toverstok corruptie zou kunnen verwijderen uit instituten, welke zou dan uw eerste keuze zijn? Voor een beter inzicht in de verdeling zijn de scores voor de antwoordcategorie weet niet telkens weggelaten. Tevens is een beschrijving van de resultaten voor de variabelen geslacht en geboorteplaats achterwege gelaten, daar genoemde variabelen geen invloed blijken te hebben op de perceptie van de respondenten. Resultaten voor Bonaire De invloed van corruptie op de vier levensterreinen In Bonaire werden 533 personen genterviewd, waarvan 343 (64%) mannen en 190 (36%) vrouwen. Respondenten in Bonaire menen dat politiek en normen en waarden in de maatschappij het meest in ernstige tot zeer ernstige mate benvloed worden door corruptie; respectievelijk 83 en 80 procent. Het bedrijfsleven wordt volgens perceptie van de respondenten in mindere mate benvloed (56%) en het persoonlijke en gezins-leven het minst (43%). Leeftijd Wat betreft het persoonlijke en gezinsleven en het bedrijfsleven is geen sprake van grote verschillen in perceptie tussen de leeftijdsgroepen. In verband met het bedrijfsleven komt de gecom-bineerde antwoordcategorie ernstig/heel ernstig het minst (4 5 procentpunten minder) voor bij de oudere respondenten. Het aandeel niet werkenden dat onder de ouderen wellicht groter zal zijn, zal juist vanwege zijn arbeidsmarktpositie minder direct te maken hebben met corruptie binnen bedrijven. Het valt op dat jongere respondenten corruptie in de politiek meer dan op de overige levensterreinen als een zeer ernstige zaak zien. Politieke corruptie houdt hen iets meer bezig dan de invloed van corruptie op normen en waarden in de maat-schappij. Jaargang 6 2

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine Opleidingsniveau en inkomen Het valt op dat respondenten vinden dat corruptie hun persoonlijk en gezinsleven niet in erge mate treft. Dit geldt met name voor de groep met hogere opleidingsniveaus en hoogste inkomens. Hoe hoger het opleidingsniveau, des te vaker men de invloed van corruptie als niet ernstig beleeft (Figuur 4). Vergeleken met de respondenten die in de laagste inkomens-categorie vallen, antwoorden de respondenten met de hoogste inkomens bijna twee keer zo vaak niet ernstig. Aan de andere kant ziet men dat respondenten met de laagste inkomens vaker van mening zijn dat de invloed van corruptie op hun persoonlijk en gezinsleven ernstig tot heel ernstig is; bijna twee en een half keer zo vaak als de hoogste inkomensgroep (Figuur 5). Ten aanzien van het bedrijfsleven valt het op dat de respondenten in de lagere inkomensklasse iets hoger scoren op de samengevoegde antwoord-categorie ernstig tot heel ernstig. De variabele opleidingsniveau laat voor de perceptie hier geen verschil zien. Anderzijds vinden respondenten onafhankelijk van opleidingsniveau en hoogte van het inkomen, in relatief hoge mate dat de overige twee levensterreinen zeer ernstig geschaad worden door corruptie (Figuur 6 en 7). Figuur 4. Perceptie invloed corruptie op persoonlijk, gezinsen bedrijfsleven naar opleidingsniveau, Bonaire0204060LaagMiddenHoogLaagMiddenHoog persoonlijke engezinslevenbedrijfsleven procenten niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig Figuur 5 Perceptie invloed corruptie op persoonlijk, gezinsen bedrijfsleven naar inkomen, Bonaire 02040600 -10001001 -39994000+0 -10001001 -39994000+ persoonlijke engezinslevenbedrijfsleven % niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig Figuur 6. Perceptie invloed corruptie op politiek en normen en waarden naar opleidingsniveau, Bonaire0204060LaagMiddenHoogLaagMiddenHoog politieknormen en waarden procenten niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig Figuur 7. Perceptie invloed corruptie op politiek en normen en waarden naar inkomen, Bonaire02040600 10001001 -39994000+0 10001001 -39994000+ politieknormen en waarden % niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig Verwachting t.a.v. toe-/afname corruptie Het door de respondenten geschetste toekomst-beeld t.a.v. corruptie is niet rooskleurig. Respondenten die verwachten dat corruptie in de komende drie jaar veel zal toenemen vormen 32 procent van het totaal. Indien men het aandeel dat aangeeft dat corruptie iets zal toenemen erbij optelt, dan komt het erop neer dat 52 procent van de respondenten verwacht dat in de komende drie jaren sprake zal zijn van een toename van corruptie. De overige respondenten verwachten dat de situatie ongeveer dezelfde zal blijven (26%) en slechts 22 procent verwacht dat het corruptieniveau iets tot veel zal afnemen. N u mmer 2 3

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Leeftijd Figuur 8. Verwachting t.a.v. toe-/afname corruptie komende drie jaren naar leeftijd, Bonaire010203040<=3940-5960+procenten veel toenemen iets toenemen ongeveer gelijk blijven iets afnemen veel afnemen Figuur 9. Verwachting t.a.v. toe-/afname corruptie in de komende drie jaren naar opleidingsniveau, Bonaire0510152025303540laagmiddenhoogprocenten veel toenemen iets toenemen ongeveer gelijkblijven iets afnemen veel afnemen Figuur 10. Verwachting t.a.v. toe-/aname corruptie in de komende drie jaren naar inkomen, Bonaire05101520253035400 10001001 39994000+procenten veel toenemen iets toenemen ongeveer gelijkblijven iets afnemen veel afnemen Figuur 10. Verwachting t.a.v. toe-/aname corruptie in de komende drie jaren naar inkomen, Bonaire05101520253035400 10001001 39994000+procenten veel toenemen iets toenemen ongeveer gelijkblijven iets afnemen veel afnemen Het aandeel respondenten dat in de komende drie jaren een grote toename verwacht van het verschijnsel corruptie is voor alle leeftijdsgroepen relatief groot. Met name de jongeren blijken de toekomst somber in te zien. Bij samenvoeging van de antwoord-categorien veel en iets toenemen, scoren de jongere respondenten respectievelijk 6 en 10 procentpunten meer dan de 60-plusser en respondenten in de middelbare leeftijds-klasse. Bovendien verwachten de jongeren in mindere mate dat corruptie iets of veel zal afnemen. De tweede grootste groep is die van respon-denten die geen verandering verwachten. Oudere respondenten hebben vaker dan de andere groepen de mening dat in de directe toekomst corruptie veel zal afnemen. Opleidingsniveau en inkomen Uit figuur 9 blijkt dat degenen met een laag opleidingsniveau vaker dan (zes procent-punten) die met middelbare of hoge oplei-dingsniveaus van mening zijn dat corruptie in de komende drie jaren veel zal toenemen. De categorien veel en iets toenemen bij elkaar opgeteld leveren als resultaat op dat tussen 48 en 54 procent een toename verwacht. Het percentage dat een afname verwacht is voor alle groepen gelijk, namelijk 22 procent. Overigens is het gedeelte dat meent dat corruptie veel zal afnemen voor alle opleidingsklassen relatief laag; 7 procent en minder. Respondenten met een hoog inkomen zien de toekomst positiever tegemoet. Het aandeel respondenten dat een toename verwacht (iets of veel) is redelijk groot; tussen 42 (hoogste inkomens) en 55 (middelhoge inkomens) procent. Daaren-tegen verwacht tussen 20 (laagste inkomens-groepen) en 30 procent (hoogste inkomens) een afname. Eerste keuze voor het elimineren van corruptie Opvallend is het hoge percentage respon-denten (ruim 50 procent) die op de eerste Jaargang 6 4

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine plaats corruptie in de politieke partijen gelimineerd wilt zien. Geen enkel instituut heeft verder hoog gescoord. Het onderwijssysteem en justitie komen met 7 procent op de tweede plaats en bedrijfsvergunningen (6 procent) op de derde plaats als eerste keuze ter eliminering van corruptie. Ook ten aanzien van de eerste keuze tot eliminatie van corruptie zijn de sociaal-demografische variabelen (leeftijd, opleidingsniveau, etc.) in beschouwing genomen. De resultaten laten geen opvallend grote verschillen zien. Sociaal-demografische variabelen Hoe lager de leeftijd hoe groter het aandeel respondenten dat het eerst binnen de politieke partijen corruptie gelimineerd willen zien. Hetzelfde patroon ziet men als het gaat om justitie, onderwijs en politie als eerste keuze. In geval van bedrijfsvergunningen, douane, bedrijfsleven, belastingdienst en anders is sprake van de omgekeerde trend. De 60-plussers scoren hoger dan de rest. De perceptie van prioriteiten t.a.v. eliminatie van corruptie in de instituten is bij de respondenten met een laag opleidingsniveau verschillend dan bij respondenten met een middelbare opleiding of hoger. Van de laatst genoemde groepen ziet meer dan 60 procent politieke partijen als prioriteit als het op eliminatie van corruptie aankomt. Bij de laag geschoolden is dat 46 procent. Dezelfde trend geldt ook voor de variabele inkomen. Hoe hoger het inkomen, hoe hoger het percentage dat de politieke partijen als eerste keuze heeft. Figuur 11. Eerste keuze eliminatie corruptie, Bonaire bedrijfs-vergunningenjustitieonderwijs-systeempolitiebedrijfsleven p olitieke partijenOverigeandersimmigratiebelastingdienstutiliteits-bedrijvengezondheids-zorgdouane Figuur 12. Perceptie invloed corruptie op vier levensterreinen, Curaao0%20%40%60%80%100%persoonlijkengezinslevenbedrijfslevenpolitieknormen enwaarden heel ernstig ernstig enigszins ernstig niet ernstig Resultaten voor Curaao De invloed van corruptie op de vier levensterreinen In Curaao werden 1222 (59%) mannen en 854 vrouwen (41%) ondervraagd. Ook hier zijn de scores voor de antwoordcategorie weet niet weggelaten. Een aanzienlijk groot deel van de respondenten vindt dat corruptie de politiek en normen en waarden in de maatschappij negatief benvloedt; respectievelijk 92 en 91 procent. Op de derde plaats wordt het bedrijfsleven (83%) genoemd. Bijna tweederde deel (64%) noemt het persoonlijke en gezinsleven als terrein dat het minst wordt benadeeld. Leeftijd Onafhankelijk van leeftijd zien de respondenten hun persoonlijk en gezinsleven als het minst ernstig door corruptie getroffen, met name de jongeren van 24 jaar en minder. Ten aanzien van dit levensterrein scoren de 60-plussers iets hoger. N u mmer 2 5

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Voor de overige levensterreinen scoren alle leeftijdsgroepen het hoogst op de antwoord-categorien ernstig tot zeer ernstige benvloeding. Figuur 13. Perceptie respondent inzake invloed corruptie op persoonlijk, gezinsen bedrijfsleven naar leeftijd, Curaao0%20%40%60%80%100%<=2425 -3940 -5960 +<=2425 -3940 -5960 + persoonlijk engezinslevenbedrijfsleven heel ernstig ernstig enigszins ernstig niet ernstig Figuur 14. Perceptie respondent inzake invloed corruptie op politiek en normen en waarden naar leeftijd, Curaao0%20%40%60%80%100%<=2425 -3940 -5960 +<=2425 -3940 -5960 + politieknormen en waarden heel ernstig ernstig enigszins ernstig niet ernstig Figuur 15. Perceptie respondent inzake invloed corruptie op persoonlijk, bedrijfsen gezinsleven naar opleidingsniveau, Curaao0204060LaagMiddenHoogLaagMiddenHoog persoonlijke engezinslevenbedrijfsleven procenten niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig Figuur 16. Perceptie respondent inzake invloed corruptie op persoonlijk en gezinsleven naar inkomen, Curaao 02040600 10001001 -39994000+0 10001001 -39994000+ persoonlijke en gezinslevenbedrijfsleven niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig Respondenten van alle leeftijden geven te kennen van mening te zijn dat corruptie zowel de politiek als de normen en waarden in de maatschappij zeer ernstig benadeelt. Ook de jongeren zijn zich hiervan bewust. Opleidingsniveau en inkomen Figuur 15 en 16 laten zien dat degenen met hogere opleidingsniveaus en inkomens in hogere mate vinden dat corruptie hun persoonlijk en gezinsleven niet in zon ernstige mate treft. Daarentegen vinden respondenten met lagere opleidingsniveaus vaker dat de invloed van corruptie op hun persoonlijk en gezinsleven heel ernstig is. De perceptie van corruptie in het bedrijfsleven is ongeacht het opleidingsniveau hoog. Wat dit terrein betreft is het verschil in perceptie tussen de inkomensgroepen minimaal. Daarnaast vinden respondenten ongeacht hun opleidingsniveau en inkomen, in zeer hoge mate dat de overige levensterreinen behoorlijk geschaad worden door corruptie. Verwachting t.a.v. toe-/afname corruptie Eenderde deel van de respondenten denkt dat corruptie in de nabije toekomst veel zal toenemen. Telt men het aandeel dat aangeeft dat corruptie iets zal toenemen erbij op, dan komt men op bijna de helft (49%) van de respondenten die in de komende drie jaren corruptie ziet toenemen. De overige respondenten verwachten dat de situatie hetzelfde zal blijven (26%), of dat corruptie iets tot veel zal toenemen (25%). Leeftijd Van alle leeftijdsgroepen zijn de jongere respondenten pessimistischer in de uitdrukking van hun verwachting over verandering in het verschijnsel corruptie in de komende drie jaren. Vijf en negentig procent verwacht dat het niveau min of meer gelijk zal blijven, of iets of veel zal toenemen. De overige groepen verschillen onderling niet veel voor wat hun verwachting betreft. Jaargang 6 6

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine Opleidingsniveau en inkomen Uit figuur 20 blijkt dat degenen met een middelbaar opleidingsniveau of minder meer dan die met een hoog opleidingsniveau verwachten dat corruptie in de komende drie jaren veel zal toenemen; meer dan tien procentpunten meer. Hieruit kan men afleiden dat hoe hoger het opleidingsniveau, hoe posi-tiever men tegenover toekomstige ontwikke-lingen staat. Dezelfde trend ziet men ook bij de variabele inkomen. Eerste keuze voor het elimineren van corruptie Opvallend is het hoge percentage respon-denten (ruim 50 procent) dat op de eerste plaats corruptie in de politieke partijen zou willen elimineren. Geen enkel instituut heeft verder zo hoog gescoord. Het gerecht en het onderwijssysteem komen op de tweede en derde plaats met respectievelijk 11 en 10 procent. De sociaal-demografische variabelen (leeftijd, opleidingsniveau etc.) zijn wederom in beschouwing genomen. De resultaten laten geen opvallend grote verschillen zien. Sociaal-demografische variabelen De 60-plussers kiezen in iets mindere mate voor eliminering van politieke corruptie als prioriteit; 45 procent versus meer dan 50 procent bij de andere leeftijdsgroepen. Per opleidingsniveau bekeken is er geen sprake van een bepaalde trend. De hoogst geschoolde respondenten spreken zich iets vaker uit over eliminatie van corruptie binnen de politieke partijen. Hoe hoger het inkomen, hoe hoger het percentage dat de politieke partijen als eerste keuze heeft. Vergelijking Bonaire en Curaao Op beide eilanden menen respondenten dat met name politiek en normen en waarden de levensterreinen zijn die heel ernstig door corruptie worden getroffen. In Curaao is de perceptie negatiever dan in Bonaire. Figuur 17. Perceptie respondent inzake invloed corruptie op politiek en normen en waarden naar opleidingsniveau, Curaao020406080LaagMiddenHoogLaagMiddenHoog politieknormen en waarden procenten niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig Figuur 18. Perceptie respondent inzake invloed corruptie op politiek en normen en waarden naar inkomen, Curaao0204060800 10001001 -39994000+0 10001001 -39994000+ politieknormen en waarden niet ernstig enigszins ernstig ernstig heel ernstig Figuur 19. Verwachting t.a.v. toe-/afname corruptie komende drie jaren naar leeftijd, Curaao0%20%40%60%80%100%<= 2425 3940 5960 + veel afnemen iets afnemen ongeveer gelijk blijven iets toenemen veel toenemen Figuur 20. Verwachting t.a.v. toe-/afname corruptie in de komende drie jaren naar opleidingsniveau, Curaao0%20%40%60%80%100%laagmiddenhoogopleidingsniveau veel afnemen iets afnemen ongeveer gelijk blijven iets toenemen veel toenemen Onafhankelijk van leeftijd zien de responden-ten hun persoonlijk en gezinsleven als het minst ernstig door corruptie getroffen. Onder N u mmer 2 7

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine de respondenten in Bonaire is geen sprake van enorme verschillen in perceptie tussen de leeftijdsgroepen. In Curaao hebben de jongere respondenten vergeleken met de andere leeftijdsgroepen een positievere perceptie van de invloed van corruptie op hun persoonlijk leven. De jongeren in Bonaire bekommeren zich meer om bedrijfscorruptie terwijl in Curaao de 60-plussers vaker hun bezorgdheid hierover tonen. Respondenten met een hoog opleidingsniveau menen in hun persoonlijk en gezinsleven minder dan de overige groepen last te hebben van corruptie. Voor de overige terreinen schijnt het opleidingsniveau geen duidelijke rol te spelen in de perceptie van de respondenten. Uit de resultaten van beide eilanden blijkt dat naarmate het inkomen stijgt de respondent de invloed van corruptie op zijn persoonlijk en gezinsleven minder vaak heel ernstig neigt te vinden. Terwijl in Curaao wat bedrijfscorruptie betreft het verschil in perceptie tussen de inkomensgroepen minimaal is, scoren in Bonaire de respondenten in de lagere inkomensklasse iets hoger op de samengevoegde antwoordcategorie ernstig tot heel ernstig. Verder vindt men dat voor de overige terreinen sprake is van zeer ernstige benvloeding door corruptie. Figuur 21. Verwachting t.a.v. toe-/afname corruptie komende drie jaren naar inkomen, Curaao0%20%40%60%80%100%0 10001001 39994000+Inkomen veel afnemen iets afnemen ongeveer gelijkblijven iets toenemen veel toenemen Figuur 22. Eerste keuze eliminatie corruptie, Curacao douaneimmigratiebelastingdienstgezondheids-zorgbedrijfslevenandersjustitieonderwijs-systeempolitieutiliteits-bedrijvenbedrijfs-vergunningenpolitieke partijenOverige Met betrekking tot veranderingen in het corruptieniveau in de komende drie jaren blijkt uit de meting dat om en nabij de helft van de respondenten op beide eilanden een toename verwachten. Dit percentage is nogal hoog. De eilanden vertonen geen onderlinge verschillen wat de richting van de uitkomsten betreft. De resultaten vertonen eenzelfde trend wat leeftijd betreft. De jongeren zijn wat negatiever in hun verwachtingen ten aanzien van veranderingen in de nabije toekomst. Voor opleidingsniveau en inkomen is de trend hetzelfde: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe positiever men de toekomst tegemoet ziet. Respondenten van Bonaire en Curaao stemmen met elkaar overeen in hun prioriteit ter eliminering van corruptie. Een overgroot deel van de respondenten willen corruptie binnen de politieke partijen gelimi-neerd zien. Conclusie De negatieve kijk van de respondenten op corruptie als een verschijnsel dat wel degelijk effect heeft op vier fundamentele levensterreinen, wijst in de richting van een ernstige bezorgdheid bij burgers. Het aantal rechtszaken tegen corruptie de laatste tijd heeft de respondenten kennelijk niet positief benvloed in hun verwachting ten aanzien de toekomst. Het geringe vertrouwen werkt door in hun verwachtingen over het corruptieniveau in de nabije toekomst. Een groot deel van de respondenten ziet de toekomst somber in. Wat de eliminering van corruptie bij instituten betreft, spreekt de reactie van de respondenten op de eilanden duidelijke taal. De burgers in zowel Bonaire als Curaao willen in de eerste plaats corruptie binnen de politieke partijen gelimineerd zien. Jaargang 6 8

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine Internationaal worden deze resultaten vertaald als gering vertrouwen in de politieke partijen en machthebbers. Transparency International acht het van belang om zicht te krijgen op de publieke opinie omtrent corruptie, daar de steun van de samenleving bij het bestrijden van corruptie onmisbaar is. Bovendien kan men middels herhaalde opiniepeiling de effecten van anti-corruptie maatregelen op de opinie van burgers monitoren. N u mmer 2 9

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Resultaten conjunctuurenqute december 2004. Ondernemers in Curaao zijn duidelijk minder positief ten aanzien van de toestand van de economie, het investeringsklimaat en de verwachtingen voor 2005, dan hun collegas in Bonaire en in Sint Maarten. Pluspunt is wel dat in Curaao meer ondernemers aangegeven hebben dat hun bedrijfsresultaat positief is uitgevallen, een verbetering ten opzichte van een jaar eerder. Ook in Bonaire en in Sint Maarten konden meer bedrijven het jaar met een positief resultaat afsluiten Chris M. Jager. Inleiding Na het houden van een pilot eind 2003 en een eerste echte conjunctuurenqute in juni 2004, is afgelopen december de tweede conjunctuurenqute door het C.B.S. uitgevoerd. In totaal werden er daarbij bijna 950 bedrijven benaderd op de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen waarvan 80 in Bonaire, 230 in St. Maarten en 600 in Curaao. Doel van deze enqute is om op frequente basis, twee maal per jaar, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en economische ontwikkelingen. Dit zowel voor bedrijfstakken als voor het bedrijfsleven als geheel. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. Hier wordt nader ingegaan op de eerste resultaten van de enqute. Onder eerste resultaten wordt verstaan de resultaten van de opinievragen. Die kunnen relatief snel worden geanalyseerd en gepubliceerd daar dit type vragen niet behoeft te worden opgehoogd, d.w.z. gecorrigeerd voor de steekproef. Dit in tegenstelling tot vragen over bijvoorbeeld omzet, exploitatiekosten en investeringen. Onderhavig artikel geeft een beeld van de verkregen gegevens van bedrijven (NVs en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) op de eilanden Bonaire, Curaao en St. Maarten ten aanzien van de volgende onderwerpen: 1. productiebelemmeringen, 2. investeringsbelemmeringen, 3. bevordering van investeringen, 4. concurrentiepositie, 5. verandering van het ondernemersvertrouwen, 6. vertrouwen t.a.v. de toekomst, 7. perceptie t.a.v. het investeringsklimaat, 8. bedrijfsresultaten en 9. verwachtingen voor het jaar 2005. Daar er vooralsnog (exclusief de pilot) alleen resultaten van twee enqutes beschikbaar zijn kan er nog geen trendanalyse plaatsvinden. Over 1 2 jaar, als er meerdere metingen zijn verricht, zal dit wel mogelijk zijn. Jaargang 6 10

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Productiebelemmeringen. Via de enqute is nagegaan of men al dan niet productiebelemmeringen ondervindt en zo ja, welke deze zijn. Hiertoe worden een zestal mogelijkheden aangegeven. De benaderde bedrijven konden n of meer mogelijkheden aangeven. In Bonaire is door 30 procent van de gerespondeerde bedrijven aangegeven dat ze productiebelem-meringen hebben ondervonden. Deze belemme-ringen, zie grafiek 1, zijn vooral een gevolg van overheidsbeleid (22% van de respondenten, een toename van 3 procentpunten t.o.v. de enqute van juni 2004), overige belemmeringen (18%, plus 8% t.o.v. juni) en een tekort aan gekwalificeerd personeel (11%, een lichte afname t.o.v. de voorgaande enqute). In Curaao is door meer ondernemers dan in Bonaire, 43 procent van de respondenten, aange-geven dat er sprake is van productiebelemmeringen (zie grafiek 2). Deze belemmeringen zijn vooral een gevolg van onvoldoende (binnenlandse) vraag (20%) en van het overheidsbeleid (23% van de respondenten). Onvoldoende vraag uit het buiten-land, tekort aan kwalitatief personeel en onvoldoende productiecapaciteit spelen nauwelijks een rol als zijnde een belemmering voor de productie van goederen en diensten. In St. Maarten is slechts door 24 procent van de respondenten aangegeven dat er sprake is van productiebelemmeringen (zie grafiek 3), een duidelijk lager percentage dan m.n. Curaao. Voor zover er aldus sprake is zijn deze belemmeringen vooral het overheidsbeleid (11%), onvoldoende binnenlandse vraag (8%) en een tekort aan personeel (8%). Het toenemend tekort aan (gekwalificeerd) personeel is opvallend en kan waarschijnlijk worden toegeschreven aan de toegenomen economische aktiviteiten op het eiland. Investeringsbelemmeringen. Voor de eventuele investeringsbelemmeringen hebben de bedrijven keuze uit een zestal mogelijk-heden. Grafiek 1. Produktiebelemmeringen Bonaire in %01020BuitenlandsevraagBinnenlandsevraagTekort personeelProductiecapaciteitOverheidsbeleidOverige% dec '04 juni '04 dec '03 Grafiek 2. Produktiebelemmeringen Curaao in %010203040BinnenlandsevraagBuitenlandsevraagTekort personeelProductiecapaciteitOverheidsbeleidOverige% bedrijven dec '04 juni '04 dec '03 Grafiek 3. Produktiebelemmeringen St. Maarten in %05101520BinnenlandsevraagBuitenlandsevraagTekort personeelProductiecapaciteitOverheidsbeleidOverige% bedrijven dec '04 jun '04 dec '03 Grafiek 4. Investeringsbelemmeringen Bonaire in % 0102030Tekort finmiddelenSlechtemarktwerkingRendementsverw.renteniveauOverheidsbeleidOverig% bedrijven dec '04 juni '04 dec '03 N u mmer 2 11

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine In Bonaire is door 39 procent van de respondenten aangegeven dat er sprake is van dergelijke belemmeringen (zie grafiek 4). Deze zijn vooral een gevolg van een tekort aan financile middelen (30%; een duidelijk hoger percentage dan de 20% van een half jaar daarvoor) en van het overheidsbeleid (11%, een vermindering met 3 procentpunt t.o.v. juni 2004). Een slechte marktwerking en het renteniveau (beiden 5%) en de rendementsverwachting (nog geen 2%) spelen hier duidelijk minder een rol. Net als bij de vorige enqute heeft ook nu weer bijna een derde (29%) van de respondenten op Curaao (zie grafiek 5) aangegeven dat er sprake was van investeringsbelemmeringen. Deze belem-meringen zijn vooral een gevolg van een slechte marktwerking (17%) en van het overheidsbeleid (14%). Een tekort aan financile middelen heeft ook een negatieve invloed gehad op de investeringen (12%), ook al is daarbij sprake van een afnemende trend t.o.v. de voorgaande twee enqutes. Grafiek 5. Investeringsbelemmeringen Curaao in %0102030Tekort fin.middelenSlechtemarktwerkingRendementsverw.renteniveauOverheidsbeleidOverig% bedrijven dec '04 juni '04 dec '03 Grafiek 6. Investeringsbelemmeringen St. Maarten in % 0510152025Tekort fin. MiddelenSlechte marktwerkingRendementsverwachtingenRenteniveauOverheidsbeleidOverig% bedrijven dec '04 jun '04 dec '03 Grafiek 7. Bevordering investeringen Bonaire in %010203040Gekwal.personeelFinancieleMiddelenGoedemarktverw.Rendementsverw.RenteniveauOverig% bedrijven dec '04 juni '04 dec '03 In St. Maarten is door minder respondenten in vergelijking met de andere eilanden (26%), aangegeven dat er sprake is van investe-ringsbelemmeringen (grafiek 6). Dit is vooral in vergelijking met Bonaire een duidelijk lager percentage. Wederom is het vooral een tekort aan financile middelen (13%) dat het hoogst scoort bij de verschillende factoren, op enige afstand gevolgd door de rendements-verwachtingen (10%). Opvallend bij het tekort aan financile middelen is dat er sprake lijkt te zijn van een afnemende trend. Bij de rendementsverwachting is dit zeker niet het geval aangezien zich daar juist een sterke toename heeft voorgedaan. Het overheidsbeleid en het renteniveau spelen met 6% een bescheiden rol hierbij. Bevordering van investeringen. Naast factoren die investeringen belemmeren is middels de enqute wederom nagegaan in welke mate de investeringen positief worden benvloed. Ook daarvoor worden een zestal keuzemogelijkheden aangegeven. In Bonaire is de respons op de verschillende mogelijkheden duidelijk afgenomen (zie grafiek 7). Deels kan dit waarschijnlijk geweten worden aan de toevoeging van de mogelijkheid niet van toepassing welke in bijna 59 procent van de gevallen positief is beantwoord. Bij nagenoeg alle factoren (op rendementsverwachting na) is sprake van een afname van het percentage. Het voorgaande in aanmerking nemende zijn de relatief hoogst scorende factoren de beschikbaarheid Jaargang 6 12

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine van financile middelen (van 32 naar 14%), overige factoren (van 36 naar 13%) en een goede marktwerking, eveneens sterk afgenomen; van 38 naar 11 procent. Ook in het geval van Curaao is door veel respondenten aangegeven dat bevordering van investeringen niet van toepassing was (64%). Bij alle mogelijkheden is sprake van een afname. Vooral positief van invloed op investeringen zijn de beschikbaarheid van financile middelen (van 22 naar 15%) en andere factoren (gehalveerd van 23 naar 11%). Ook hier is de factor goede marktverwachtingen sterk afgenomen: van 27 naar 9 procent (zie grafiek 8). De gegevens van St. Maarten (grafiek 9) laten ook hier, zoals blijkt uit de resultaten van de enqute van december 2004, een afwijkend beeld zien t.o.v. de Benedenwindse eilanden. De mogelijkheid niet van toepassing is slechts in 24 procent van de gevallen positief beantwoord. Verder heeft naast de drie genoemde factoren goede marktwerking (met 30% de hoogst scorende), beschikbaarheid van financile middelen (21%) en overige factoren (19%) ook de rendementsverwachting een belangrijke rol gespeeld bij het positief benvloeden van investeringen. Deze factor is wederom gestegen en wel van 21 naar 25 procent. Concurrentiepositie. Via een tweetal vragen over de binnenlandseen buitenlandse markt geeft de conjunctuurenqute inzicht in de concurrentiepositie van bedrijven op de eilanden. Ondernemers kunnen aangeven of deze t.o.v. dezelfde periode van het voorgaande jaar verbeterd, onveranderd, verslechterd of niet van toepassing is (bijv. indien men de enige aanbieder is op de markt of als men geen concurrentie van het buitenland ondervindt). Net als op de overige eilanden hebben de meeste bedrijven in Bonaire aangegeven dat hun concurrentiepositie op de binnenlandse markt ongewijzigd is in vergelijking met dezelfde periode van 2003 (41 procent, zie grafiek 10). Duidelijk meer bedrijven dan in de voorgaande periode hebben aangegeven dat de concurrentiepositie verbeterd is; van 7 naar 21 procent. Bovendien hebben minder bedrijven aangegeven dat deze verslechterd is (van 26 naar eveneens 21%). Gemiddeld genomen is er aldus sprake (geweest) van een verbetering van de concurrentiepositie van bedrijven. Grafiek 8. Bevordering investeringen Curaao in %051015202530Gekwalif.PersoneelFinancielemiddelenGoedemarktverw.RendementsverwRenteniveauOverig% bedrijven dec '04 juni '04 dec '03 Grafiek 9. Bevordering investeringen St. Maarten 05101520253035Gekwalif.PersoneelFinancielemiddelenGoedemarktverw.Rendementsverw.RenteniveauOverig% bedrijven dec '04 juni '04 dec '03 Grafiek 10. Oordeel concurrentiepositie binnenlandse markt Bonaire0%20%40%60%80%100%dec '03juli '04dec '04 n.v.t. verslechterd onveranderd verbeterd Het percentage niet van toepassing blijkt verder met 18 procent (alhoewel wederom een afname t.o.v. voorgaande periodes) nog steeds wat hoog te zijn t.o.v. de overige eilanden. Daar ligt dit rond de 8 procent. Zoals reeds vermeld in een vorige uitgave van Modus kan dit wellicht N u mmer 2 13

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine worden verklaard door de beperkte omvang van de economische bedrijvigheid (klein-schaligheid), waardoor er in vele gevallen eenvoudigweg geen sprake is van concurrentie. Voor wat betreft de buitenlandse markt kan worden opgemerkt dat ook nu weer veruit de meeste bedrijven aangaven (van 68 naar 73%) dat dit niet van toepassing was. Ook in Curaao is dit het geval (68%) en in iets mindere mate in St. Maarten (54%). Voor zover er al sprake is van buitenlandse concurrentie is vooral aangegeven dat deze onveranderd is: Bonaire 11 procent, Curaao 18 procent en in St. Maarten is dit met 26 procent wat hoger. Zoals hiervoor reeds opgemerkt hebben ook de meeste bedrijven in Curaao aangegeven dat de concurrentiepositie op de binnenlandse markt ongewijzigd is in vergelijking met dezelfde periode van het voorgaand jaar (van 49 naar 53%, zie grafiek 11). Een lager percentage dan in juni 2004 heeft aangegeven dat deze verslechterd is (van 33 naar 24%). Van verbetering van de concurrentie is slechts sprake bij 12 procent, een iets hoger percentage dan voorgaande enqutes. Ook op Sint Maarten (grafiek 12) hebben veel bedrijven, nog meer dan op de andere eilanden, te kennen gegeven dat de concurrentiepositie op de binnenlandse markt ongewijzigd is gebleven; 60 procent. Opmerkelijk is dat er door 19 procent van de benaderde bedrijven is aangegeven dat er sprake is van een verbetering van de concurrentiepositie. Wederom is dit een kleine achteruitgang t.o.v. de vorige enqute (1e helft van 2004; 21%) doch nog altijd een duidelijk hoger percentage dan in Curaao. Het aantal bedrijven dat heeft aangegeven dat er sprake is van een verslechtering van de concurrentiepositie op Sint Maarten is toegenomen van 11 naar 15 procent. Deze geringe toename kan wellicht geweten worden aan de toename van de economische bedrijvigheid op het eiland. Grafiek 11. Oordeel concurrentiepositie binnenlandse markt Curaao 0%20%40%60%80%100%dec '03juli '04dec '04 n.v.t. verslechterd onveranderd verbeterd Grafiek 12. Oordeel concurrentiepositie binnenlandse markt St. Maarten0%20%40%60%80%100%dec '03juni '04dec '04 n.v.t. verslechterd onveranderd verbeterd Verandering van het ondernemersvertrouwen. Om inzicht te krijgen in het vertrouwen van bedrijven in onderneming en economie worden middels de conjunctuurenqute een drietal opinievragen gesteld. De eerste daarvan betreft de perceptie van het ondernemersvertrouwen in vergelijking met de in juni van vorig jaar gehouden enqute. Aangegeven kan worden of deze is verminderd, gelijk gebleven of is verbeterd. Grafiek 13 laat zien dat het ondernemersvertrouwen t.o.v. voorgaande periode in Bonaire bij mr bedrijven gelijk is gebleven. Maar liefst 64% van de bedrijven gaf aan dat er geen verandering van het ondernemersvertrouwen was geweest. In juni 2004 was dit nog 52 procent. In vergelijking met de vorige enqutes van december 2003 en juni 2004 hebben wederom minder bedrijven aangegeven dat het vertrouwen verminderd is (van 29 naar 25 naar 18%). Iets minder bedrijven dan bij voorgaande periode het geval was hebben aangegeven dat dit verbeterd is; van 23 naar 19 procent. Bij de meeste bedrijven is dus, net zoals op de overige twee eilanden, sprake van een status-quo en was het ondernemersvertrouwen gelijk gebleven. Jaargang 6 14

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine De opiniemeting in Curaao laat in vergelijking met voorgaande enqutes een vrijwel ongewijzigd, en tevens minder gunstig, beeld zien (zie grafiek 14). Het verminderd vertrouwen bleef relatief (in vergelijking met de andere eilanden) hoog en is met 3 procentpunten iets afgenomen naar het niveau van december 2003, te weten 39 procent. Een geheel andere situatie dus als in het geval van Bonaire. De verbetering van het vertrouwen is met 2 procentpunten iets afgenomen; van 9 naar slechts 7%. Ruim de helft van de genterviewden (54%) gaf aan dat het ondernemersvertrouwen in vergelijking met juni onveranderd is gebleven. De situatie in Sint Maarten (grafiek 15) steekt ook bij de laatst gehouden enqute weer gunstig af in vergelijking met de hiervoor genoemde eilanden en eveneens in vergelijking met de meting van juni 2004. De vermindering van het ondernemers-vertrouwen is afgenomen naar slechts 9 procent. De verbetering is toegenomen naar 35 procent (was 25%) en is relatief hoog te noemen. Ook op Sint Maarten hebben de meeste ondernemers (57%) aangegeven dat het ondernemersvertrouwen gelijk was gebleven. Duidelijk is geworden dat er van een gunstige ontwikkeling kan worden gesproken van het ondernemersvertrouwen. Vertrouwen in de toekomst. Om inzicht te krijgen in het vertrouwen van bedrijven in onderneming en economie wordt er een vraag gesteld of de betreffende onderneming de toekomst al dan niet met vertrouwen tegemoet ziet. Uit grafiek 16 blijkt dat in Bonaire wederom meer bedrijven hebben aangegeven dat het vertrouwen in de toekomst is verbeterd. Was dit in december 2003 nog 48 procent, per juni jl. was dit ruim 59 procent, en in december is dit 71 procent gewor-den. Het aantal bedrijven dat heeft aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst is navenant afgenomen; van 32 naar ruim 20 naar slechts 8 procent in december van het afgelopen jaar. Al met al is er dus zonder meer van een gunstige ontwikkeling van het vertrouwen in de toekomst sprake. Net als in de vorige twee enqutes heeft ongeveer een vijfde deel van de bedrijven (21%) aangegeven geen mening te hebben. Grafiek 16. Vertrouwen toekomst Bonaire per dec '04.01020304050607080dec '03 juni '04 dec '04% bedrijven ja nee geen mening Grafiek 15. Ondernemersvertrouwen St. Maarten dec. '04.010203040506070dec '03 juni '04 dec '04% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Grafiek 14. Ondernemersvertrouwen Curaao per dec '04.0102030405060dec '03 juni '04 dec '04% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Grafiek 13. Ondernemersvertrouwen Bonaire perdec '04.0102030405060dec' 03 juni' 04 dec '04% bedrijven verminderd gelijk verbeterd N u mmer 2 15

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine In Curaao is bij de bedrijven sprake van een lichte afname van het aantal bedrijven dat vertrouwen heeft in de toekomst (zie grafiek 17). De gestelde vraag is in ruim 42 procent van de gevallen met ja beantwoord, in juni jl. was dit nog 45 procent. Evenals in juni is in bijna een derde van de gevallen (ca. 32%) aangegeven dat men geen vertrouwen heeft in de toekomst. Van een gunstige ontwikkeling kan hier dus, in tegen-stelling tot de bevindingen in Bonaire en St. Maarten, niet worden gesproken. Ruim een vierde deel van de ondernemers (ca. 26%) heeft aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag. Net als bij de verandering van het ondernemersvertrouwen steekt ook hier de situatie in Sint Maarten (grafiek 18) gunstig af in vergelijking met de andere twee eilanden. Het vertrouwen in de toekomst is met 78 procent zeer duidelijk aanwezig (een toename t.o.v. juni jl. toen dit 73 procent was). Bovendien heeft slechts 7 procent van de ondernemers aangegeven gn vertrouwen in de toekomst te hebben, een vermindering met 3 procentpunten t.o.v. de vorige periode. Een vrijwel onveranderd deel van de ondernemers heeft aangegeven geen mening te hebben t.a.v. het vertrouwen in de toekomst: 16 procent. Perceptie t.a.v. het investeringsklimaat. De derde vraag van de conjunctuurenqute om inzicht te krijgen in het vertrouwen van bedrijven betreft een opinievraag over het investeringsklimaat. Aangegeven kan worden of de perceptie t.a.v. het investeringsklimaat goed, matig of slecht is. Het onderzoek heeft uitgewezen dat ook hier sprake is van een verbetering t.o.v. de vorige enqute van juni 2004. Grafiek 19 laat zien dat het investeringsklimaat in Bonaire door de meeste genterviewden (58%) wordt gepercipieerd als matig. Grafiek 17. Vertrouwen toekomst Curaao per dec '04.01020304050607080dec '03 juni '04 dec '04% bedrijven ja nee geen mening Grafiek 18. Vertrouwen toekomst St. Maarten per dec '04.01020304050607080dec '03 juni '04 dec '04% bedrijven ja nee geen mening Grafiek 19. Investeringsklimaat Bonaire per dec '04.0102030405060 juni '04 dec '04% bedrijven goed matig slecht Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven het slecht te vinden nam af van 29 procent in juni 2004 naar 23 procent afgelopen december. Bestempelden slechts 9 procent van de bedrijven in juni 2004 het investeringsklimaat nog als goed, in december is dat meer dan verdubbeld naar 19 procent. In Curaao hebben de meeste bedrijven, evenals in juni 2004, aangegeven dat zij het investeringsklimaat matig, dan wel slecht vinden (rond de 47%, zie ook grafiek 20). Het Jaargang 6 16

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine percentage slecht van bijna 47 procent is hoog, zeker ook in vergelijking met Bonaire (23%) en met Sint Maarten (13%). Ook nu weer heeft een klein (en afnemend) percentage van de ondervraagden aangegeven het investeringsklimaat goed te kunnen noemen (4% in december tegen 6% in juni 2004). De meningen in Sint Maarten komen in redelijke mate overeen met die van Bonaire (zie grafiek 21); wederom 64 procent van de ondernemers heeft aangegeven het klimaat als matig te beoordelen. Opvallend is de (bijna) halvering van het percentage bedrijven dat het investeringsklimaat slecht vindt; dit is afgenomen van 24 naar 13 procent. Geheel in overeenstemming hiermee is het deel wat van mening is dat het investeringsklimaat in Sint Maarten goed is verdubbeld: van 13 naar 23 procent. Al met al is er sprake van een relatief gunstige perceptie, zeker ook in vergelijking met Curaao. Bedrijfsresultaten. Middels de conjunctuurenqute is eveneens nagegaan of het netto bedrijfsresultaat vr winstbelasting, een zeer belangrijke parameter voor bedrijven, naar verwachting positief of negatief zal zijn. Opgemerkt moet worden dat de hier vermelde percentages gn inzicht geven in de grootte van de bedrijfsresultaten. Op Bonaire is uit het onderzoek naar voren gekomen dat 58 procent van de benaderde bedrijven in 2004 een positief bedrijfsresultaat verwacht. Dit is een toename van 8 procentpunten t.o.v. 2003 toen dit 50 procent was. Bij 42 procent van de benaderde bedrijven is sprake van een negatief bedrijfsresultaat (verlies), een afname van 8 procentpunten t.o.v. het voorgaande jaar. Gebleken is dat in Curaao deze voor bedrijven zo belangrijke parameter, de bedrijfsresultaten, bij 59 procent van de bedrijven in 2004 positief is. Over 2003 was dit 48 procent. Een opmerkelijke toename van 11 procentpunten. Grafiek 20. Investeringsklimaat Curaao per dec '04.010203040506070 juni '04 dec '04% bedrijven goed matig slecht Grafiek 21. Investeringsklimaat St. Maarten per dec '04.010203040506070juni '04 dec '04% bedrijven goed matig slecht Bij 41 procent van de benaderde bedrijven is sprake van een negatief bedrijfsresultaat (verlies), een afname van 11 procentpunten t.o.v. het voorgaande jaar. Opmerkelijk is hier dat ondanks een relatief vrij slechte perceptie van toekomst en investeringsklimaat in Curaao (zowel absoluut als t.o.v. Bonaire en St. Maarten) het percentage bedrijven met een positief resultaat behoorlijk gestegen is n vrijwel identiek is aan Bonaire (58%) en ook redelijk overkomt met de uitkomsten van St. Maarten (64%). N u mmer 2 17

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine In St. Maarten werd, in vergelijking met de survey van 2003, een duidelijke verbetering waargenomen van de bedrijfsresultaten. Precies 64 procent van de bedrijven heeft aangegeven een positief netto bedrijfsresultaat te verwachten. Het jaar daarvoor lag dit op slechts 41 procent. Het percentage bedrijven welke een verlies tegemoet ziet is dienovereenkomstig afgenomen van 59 naar 36 procent. Aldus heeft zich hier een gunstige ontwikkeling voor gedaan, welke ook in overeenstemming is met de positieve percepties van ondernemers op dit eiland. Verwachtingen voor het jaar 2005. Voor wat betreft de verwachtingen voor het komende (inmiddels huidige) jaar 2005, heeft in Bonaire 48 procent van de bedrijven aangegeven een toename van de omzet te verwachten, een groei van bijna 6 procentpunten t.o.v. een jaar geleden. Ongeveer 11 procent heeft aangegeven een afname te verwachten (was 10%). Voor wat betreft de investeringen (zie grafiek 22) is het opvallend dat veel meer bedrijven dan een jaar geleden verwachten dat deze zullen toenemen; 21 procent (was nog geen 2%). Dit positieve gegeven wordt enigszins gerelativeerd door bedrijven die een afname verwachten: 13 procent (een jaar geleden was dit 4%). Opmerkelijk is verder dat maar liefst 30 procent van de bedrijven heeft aangegeven een toename van personeel te verwachten. Een jaar geleden gaf geen enkel bedrijf dit aan. Het percentage bedrijven dat een afname van het personeelsbestand verwacht is stabiel op 8 procent blijven staan. Precies 33 procent van de bedrijven in Curaao heeft aangegeven een toename van de omzet te verwachten, een groei van 7 procentpunten t.o.v. een jaar geleden. Een kwart van de bedrijven heeft aangegeven een afname te verwachten, een vrijwel gelijk percentage in vergelijking met 2003. De totale verandering van de omzetverwachting zoals aangegeven door de bedrijven bedraagt + 1,4 procent. Voor wat betreft de investeringen is het opvallend dat duidelijk minder bedrijven dan een jaar geleden verwachten dat ze net zullen investeren; 27 procent (was 42%). Dit positieve gegeven wordt enigszins gerelativeerd door een toename van bedrijven die evenveel zullen investeren als het voorgaande jaar; 37 procent, een jaar geleden was dit 24 procent. Grafiek 22. Investeringsverwachtingen0204060NulGelijkblijvenToenemenAfnemenNulGelijkblijvenToenemenAfnemenNulGelijkblijvenToenemenAfnemen BonaireCuraao St. Maarten % dec. '03 dec. '04 Grafiek 24 Omzetverwachtingen0204060toenameafnametoenameafnametoenameafname St. MaartenCuraaoBonaire % bedrijven dec '03 dec '04 Grafiek 23. Personeelsverwachtingen010203040toenameafnametoenameafnametoenameafname BonaireCuraao St. Maarten dec. '03 dec. '04 Het aantal bedrijven dat een toename van de investeringen verwacht is licht gestegen; 20 procent in 2004 t.o.v 18 procent in 2003. Net als bij de enqute over 2003 verwachten ook nu weer weinig bedrijven (17%, was 16%) een afname van de investeringen. Jaargang 6 18

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine Opmerkelijk is verder dat 18 procent van de bedrijven heeft aangegeven een afname van het personeel te verwachten (zie grafiek 23). Een jaar geleden was dit nog 7 procent. Het percentage bedrijven dat een toename van het personeelsbestand verwacht is ook gestegen, ofschoon in mindere mate, van ongeveer 11 naar 14 procent. In totaal komt de mutatie voor wat betreft het personeel zoals aangegeven door de bedrijven, uit op een afname van 1,7 procent van het personeelsbestand. In St. Maarten heeft 56 procent van de bedrijven aangegeven dat zij een toename van de omzet verwachten. Dit is 22 procentpunten meer dan in december 2003 (zie grafiek 24). Het aantal bedrijven welke een afname tegemoet ziet is afgenomen van 10 naar 6 procent. Voor wat betreft de investeringen is het opvallend dat 35 procent van de bedrijven een toename daarvan verwacht. Dit is maar liefst 20 procentpunten meer dan in december 2003. Het percentage welke een afname verwacht is weinig veranderd, van 8 procent in 2003 naar 10 procent afgelopen december. Eveneens opvallend is dat 26 procent van de genterviewde bedrijven een toename van het personeel voor 2005 verwacht. Een jaar daarvoor was dit slechts 8 procent. Het percentage bedrijven welke heeft aangegeven een vermindering van het aantal personeelsleden te verwachten, is 9 procent. In december 2003 was dit slechts 2 procent. N u mmer 2 19

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine De structuur van de intermediaire kosten van bedrijven in de financile en niet-financile sector in Curaao Het intermediair verbruik van bedrijven verschilt van bedrijfstak tot bedrijfstak. Niet alleen voor wat betreft de hoogte van dat verbruik, maar ook voor wat betreft de verbruikte goederen en diensten Het verbruik is het hoogste in de goederenproducerende bedrijfstakken en in de horeca. In de horeca zijn de belangrijkste kosten die voor dranken en voeding. In de industrie en andere goederenproducerende bedrijfstakken zijn het grondstoffen en onderhoudskosten die het beeld bepalen. De bedrijfstak transport en communicatie heeft veel onkosten op het gebied van brandstoffen. Dat geldt ook voor het openbare nut. Resultaten Enqute Intermediair Verbruik 2002 Lorette Ford Inleiding In de periode juni 2003-mei 2004 heeft het CBS als onderdeel van de Nationale Rekeningen enqute een onderzoek verricht naar het intermediair verbruik 2002 onder 1700 bedrijven in de Nederlandse Antillen. Van dit totaal zijn ruim 1000 bedrijven in Curaao genquteerd, waarbij de respons 72,4 procent bedraagt. De bedrijven die genquteerd zijn zitten in de financile en de niet-financile sector, de particuliere huishoudsector, de sector overheid 1 en de niet-winstgevende bedrijven in dienst van de huishoudsector. Doelstelling Het onderzoek intermediair verbruik wordt om de 5 jaar gehouden en het doel hiervan is om inzicht te krijgen in de structuur van de intermediaire kosten van bedrijven. In dit artikel worden de onderzoeks-resultaten met betrekking tot de financile sector en de niet-financile sector in Curaao besproken. In het navolgende zal worden ingegaan op: de definitie van het intermediair verbruik de structuur van het intermediair verbruik van de financile sector in Curaao de structuur van het intermediair verbruik van de niet-financile sector in Curaao 1 Het gaat hier om stichtingen Jaargang 6 20

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Definitie van het intermediair verbruik 2 : Het intermediair verbruik vormt een belangrijk onderdeel van de totale kosten van bedrijven en wordt ook aangegeven als de intermediaire kosten of de intermediaire consumptie. Het intermediair verbruik of de intermediaire kosten maken tezamen met de exporten, de investeringen en finale consumptie deel uit van het totaal verbruik of de totale vraag naar goederen en diensten. Het verschil met het finaal verbruik of consumptie is dat de intermediaire kosten bestaan uit niet-duurzame goederen en diensten (dat zijn goederen en diensten met een verwachte levensduur van 1 jaar), die in het productieproces worden getransformeerd of opgebruikt en die aan het eind van het proces geheel in de nieuwe producten zijn opgegaan. Goederen en diensten met een verwachte levensduur van langer dan 1 jaar worden in de nationale rekeningen als investeringen aangeduid en worden om die reden dus niet beschreven in dit artikel. Voorbeelden van goederen die worden getransformeerd in het productieproces zijn grondstoffen (b.v graan in meel en meel weer in brood). Voorbeelden van intermediair verbruik dat worden opgebruikt zijn elektriciteit, water en de meeste diensten. Van het intermediair verbruik worden behalve investeringen ook uitgesloten personeelskosten, afschrijvingen op vaste activa en uitgaven die door de bedrijven worden opgegeven als waardevolle goederen zoals kunstwerken en juweelartikelen gemaakt van waardevolle metalen en stenen. Van deze groep wordt aangenomen dat ze niet worden opgebruikt en door de tijd heen niet in kwaliteit achteruitgaan. In de laatst gehouden enqute zijn o.a. de volgende intermediaire kosten opgegeven: de verschillende soorten grondstoffen en materialen en goederen, accountantsen administratiekosten, bankkosten, brandstof, huur van gebouwen, machines en transportmiddelen, onderhouden reparatiekosten, onderzoek en ontwikkeling, water en elektriciteit, transportkosten, reisen verblijfskosten, advertentiekosten, kosten uitgegeven aan schoonmaak, kleding, verzekeringskosten. De structuur van het intermediair verbruik van de financile sector Deze sector kent slechts 1 bedrijfstak, namelijk de financile dienstverlening. Hieronder vallen de banken, trustmaatschappijen, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen (geen sociale verzekeringen). Tabel 1 toont aan dat van de totale intermediaire kosten in deze sector 35,7 procent naar activiteiten in de zakelijke dienstverlening gaat, 13 procent bestaat uit post en communicatiediensten. Verder wordt 10,2 procent uitgegeven aan het huren van gebouwen en 8,4 procent aan horeca diensten. 2 System of National Accounts Brussels/Luxemburg, New York, Paris, Washington DC, 1993, pg 143 N u mmer 2 21

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Water en elektriciteit hebben samen een aandeel van 6,0 procent in het intermediair verbruik, bankkosten 3,9 procent. Vermeldenswaard zijn ook papieren kantoorkosten met bijna 5 procent. Bankkosten en transportkosten hebben een even groot aandeel van 3,9 procent in het geheel. De overige intermediaire kosten hebben voornamelijk betrekking op verzekeringskosten, kosten met betrekking tot onderwijs, schoonmaakdiensten en onderhoudskosten. De structuur van het intermediair verbruik van de niet-financile sector. Tabel 2 geeft aan welke bedrijfstakken de niet-financile sector kent en wat het aandeel van de intermediaire kosten is per bedrijfstak. Grafiek 1 geeft aan hoeveel het intermediaire verbruik per bedrijfstak uitmaakt van de totale productiewaarde. Met uitzondering van de horeca zijn de intermediaire kosten relatief het hoogste, zoals te verwachten is, in de goederen producerende bedrijfstakken. Per bedrijfstak wordt nu aangegeven hoe het intermediair verbruik.is opgebouwd. Tabel 1: Aandeel van de belangrijkste intermediaire kosten van de financile dienstverlening, Curaao, 2002 Omschrijving van het product Aandeel (%) Zakelijke diensten 35,7 Post en communicatiediensten 13,0 Huur van gebouwen 10,2 Horeca diensten 8,4 Water en elektriciteit 6,0 Papier en overige kantoorbenodigdheden 4,9 Bankkosten 3,9 Transportkosten (inclusief brandstof) 3,9 Grafiek 1 Intermediair verbruik naar bedrijfstak, Curaao 2002in procenten van de bruto productie0%20%40%60%80%Landbouw, MijnbouwIndustrieOpenbare NutBouwnijverheidHandelHorecaTransport, communicatieZakelijke dienstverleningParticulier onderwijsGezondheidszorg, soc. werkOverige diensten Landbouw en mijnbouw Uit tabel 2 valt op te maken dat het aandeel van deze bedrijfstak in het intermediair verbruik van de niet-financile sector van Curaao relatief klein is. Jaargang 6 22

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine Binnen deze bedrijfstak wordt 37,1 procent van het intermediair verbruik uitgegeven aan onderhoud en reparatie van machines en transportmiddelen, waarvan het grootste deel voor rekening van de bedrijfstak mijnbouw komt. Verder wordt er relatief ook veel uitgegeven aan apparatuur, materialen en gereedschap (10,2%) die in de landbouw worden gebruikt, terwijl in de zakelijke sfeer (accountancy en marketingkosten) bijna 10 procent van de intermediaire kosten wordt uitgegeven. De rest van de intermediaire kosten bestaat onder andere uit verzekeringskosten (4,4%), huur van gebouwen (9,2%), zakelijke diensten (9,9 %), en post en communicatie (1.8%) Industrie Deze bedrijfstak heeft zoals Tabel 2 toont, het grootste aandeel (22,6%) van het totale intermediair verbruik in de niet-financile sector. In deze bedrijfstak zijn behalve de Isla raffinaderij ook andere sub-bedrijfstakken opgenomen waaronder de verschillende voedingsmiddelenen drankenproducenten, bakkerijen en chemische productie. Uit tabel 3 valt af te lezen dat van de totale intermediaire kosten in deze bedrijfstak 24,3 procent wordt uitgegeven aan onderhoud en reparatie van machines en transportmiddelen, waarvan het grootste deel voor rekening van de raffinaderij komt. Tabel 2. Aandeel per bedrijfstak in het totale intermediair verbruik van de niet-financile sector, Curaao, 2002 Bedrijfstak Aandeel Landbouw, Mijnbouw 2,0 Industrie 22,6 Openbare Nut 9,4 Bouwnijverheid 13,7 Handel 11,8 Horeca 8,1 Transport, communicatie 17,1 Zakelijke dienstverlening 6,7 Particulier onderwijs 0,2 Gezondheidszorg, soc. werk 4,1 Overige diensten 4,3 Totaal 100,0 Tabel 3: Aandeel van de belangrijkste intermediaire kosten in de bedrijfstak industrie, Curaao,2002 Omschrijving van het product Aandeel Onderhoud en reparatie kosten machines en transportmiddelen 24,3 Zakelijke diensten 10,7 Chemische producten 8,8 Huur van gebouwen 8,9 Huur van machines, huur transportmiddelen 8,6 Industrieel papier 6,9 Onderhoud en reparatie van gebouwen en loondiensten 6,3 De zakelijke diensten beslaat in de bedrijfstak industrie 10,7 procent van de intermediaire kosten. Het grootste deel hiervan komt voor rekening van de Isla raffinaderij en een ander deel wordt door de zuivelproductie verbruikt. De zakelijke dienstverlening wordt hier gevormd door kosten als consultancy, beveiliging, huur transportmiddelen, accountancy, en reclameen advertentie-kosten. N u mmer 2 23

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Twee andere belangrijke intermediaire kosten in de bedrijfstak industrie zijn de huur van gebouwen en huur van machines met een respectievelijk aandeel van 8,9 en 8,6 procent. Ook deze twee kosten worden het meest door de Isla raffinaderij uitgegeven. Chemische producten vertegenwoordigen een aandeel van 8,8 procent van de intermediaire kosten in deze bedrijfstak. Het gaat om de chemicalin waarvan de Isla en ook de kaarsenen zeepfabrieken gebruik maken. Verder omvatten de chemische producten ook inkt die door de drukkerijen wordt gebruikt en kleurstoffen in de sub-bedrijfstak chemie. Drukkerijen en uitgeverijen gebruiken papier voor een aandeel van 6,9 procent van de intermediaire kosten. Ook onderhoud en reparatie van gebouwen en loondiensten (6,3 %) zijn in deze bedrijfstak een belangrijke intermediaire kostenpost. De rest van de intermediaire kosten zijn elektriciteit en water, horecadiensten, telecommunicatie, bankkosten, verzekeringen (geen personeel), zand, steen en cement, etc. Openbare Nut Deze bedrijfstak neemt de vijfde plaats in voor wat betreft het aandeel in het intermediair verbruik in de niet-financile sector in Curaao. Deze bedrijfstak maakt ten behoeve van haar productie veel gebruik van brandstof, dat 52,7 procent van het intermediair verbruik beslaat. Ook loondiensten nemen een groot aandeel in, namelijk 12,4 procent. Water en elektriciteit hebben een gezamenlijk aandeel van 6,3 procent, terwijl aan activiteiten in de zakelijke dienstverlening 5,0 procent wordt uitgegeven. Het restant van de intermediaire kosten gaat onder andere naar kosten als transport, telecommunicatie, bankkosten, huur gebouwen en machines, transportverzekeringen. Bouwnijverheid Bouwnijverheid heeft in het intermediair verbruik van de niet-financile sector een aandeel van 13,7 procent (zie tabel 2). In deze bedrijfstak zitten onder andere de bouwbedrijven, wegenen asfalteringsbedrijven en schildersbedrijven en elektrische installatiebedrijven. Tabel 4: Aandeel van de belangrijkste intermediaire kosten in de bouwnijverheid Omschrijving van het product Aandeel Chemische producten 30,9 Overige constructiematerialen en loondiensten 17,0 Overige finale producten 14,1 Zand, steen, cement, blokken 8,9 Huur van machines 8,9 Transportkosten 5,5 Zakelijke diensten 4,1 Uit tabel 4 valt af te lezen dat de belangrijkste intermediaire kosten van deze bedrijfstak bestaan uit chemische producten (30,9%), overige constructiematerialen en loondiensten (17%), overige finale producten (14,1%) en zand, steen en cement, beton (samen 8,9%). Een belangrijk aandeel van het intermediair verbruik gaat naar huur van machines (8,9 %). Jaargang 6 24

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine Transportkosten bedragen 5,5 procent van het intermediair verbruik, terwijl aan zakelijke diensten 4,1 procent wordt uitgegeven. In de chemische producten zit onder andere asfalt, dat door de wegenen asfalteringsbedrijven wordt gebruikt en verf van met name de schildersbedrijven, alsook plastic en rubber. De overige finale producten bestaan hier grotendeels uit elektrische en elektronische apparaten. Het restant intermediaire kosten wordt gevormd door onder andere horecadiensten, huur van gebouwen, bankkosten, verzekeringskosten, post en communicatie, water en elektriciteit. Handel Handel heeft in het intermediair verbruik een aandeel van bijna 12 procent. De grootste kostenposten in deze bedrijfstak zijn de volgende: zakelijke dienstverlening met 17,4 procent, huur van gebouwen met 16,9 procent, transporten opslagkosten 16,9 en elektriciteitsverbruik met 8,1 procent. Verder neemt water een aandeel van 4,3 procent in, horecadiensten 5,2 procent, transportverzekeringen 5,0 procent. Bij de zakelijke diensten gaat het onder andere om reclameen advertentiekosten, accountancykosten, beveiligingskosten, consultancykosten en marketingkosten De overige intermediaire kosten bestaan onder andere uit telecommunicatiekosten, bankkosten, voeding en drank. Hotel, restaurant en caf Horeca vertegenwoordigt een aandeel van 8,1 procent (zie tabel 2) in het totale intermediaire verbruik van de niet-financile bedrijven. De grootste kostenposten zijn landbouw, veeteelt en visserij producten en overige levensmiddelen en dranken die samen 26 procent uitmaken van de totale intermediare kosten in deze bedrijfstak. Verder doet deze bedrijfstak ook zaken met bedrijven in de zakelijke sfeer voor een aandeel van 25,1 procent. Elektriciteit en water die samen 15,3% uitmaken en huur van gebouwen (7,2%) hebben ook een noemenswaardig aandeel. De overige intermediaire kosten worden gevormd door transportkosten, bankkosten, verzekeringen, onderhouden reparatiekosten van gebouwen, Transport, Opslag en Communicatie Op industrie na vertegenwoordigt deze sector het grootste aandeel in het intermediair verbruik in de niet-financile sector van Curaao, namelijk 17,1 procent (tabel 2). Tabel 5: Aandeel van de belangrijkste intermediaire kosten in Transport, Opslag en Communicatie Omschrijving van het product Aandeel Brandstof 18,0 Overige finale producten 17,8 Onderhoudkosten en reparatie van machines en transportmiddelen 17,0 Zakelijke diensten 16,8 Tabel 5 toont aan dat de belangrijkste input hier bestaat uit:: brandstof (18 %) overige finale producten (17,8%) onderhoudkosten en reparatie van machines en transportmiddelen (17%) en zakelijke diensten (16,8%). N u mmer 2 25

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine De brandstof wordt voor het grootste deel gebruikt door het luchtvervoer. De overige finale producten bestaan voornamelijk uit telefoonapparaten van de cellulaire telefoonbedrijven. Bij het onderhoud van transportmiddelen betreft het voor een groot deel vliegtuigen. Bij zakelijke diensten gaat het om met name consultancy kosten en juridische kosten van post en communicatiebedrijven en bedrijven die vervoersondersteunende diensten verlenen. Voor wat betreft de rest van de intermediaire kosten, bestaan deze voornamelijk uit bankkosten, horecadiensten, sociale diensten, post en communicatie, en huur van gebouwen. Zakelijke dienstverlening Met een aandeel van 6,7 procent neemt deze bedrijfstak een zevende plaats in in het intermediair verbruik van de niet-financile sector van Curaao in. Onderscheid wordt gemaakt in 3 grote sub-bedrijfstakken namelijk: Onroerend goed activiteiten, verhuur van transportmiddelen (exclusief leasing) en machines; en overige zakelijke dienstverlening (computer en aanverwante activiteiten; onderzoek en ontwikkeling, juridische diensten, boekhouden, accountancy, markten opinieonderzoek; bedrijfen managementadvies; diensten op het gebied van de technische wetenschap; reclame, uitzendbureaus, bewakingsbedrijven, etc) Het grootste aandeel in het intermediair verbruik bestaat uit huur van gebouwen en overige panden met 16,2 procent, gevolgd door transportkosten met 13,3 procent, accountancy, consultancy, marketing samen 11,6 procent. Papier, kantoorbenodigdheden en overige finale producten vertegenwoordigen samen een aandeel van 14,3 procent. Aan onderhoudskosten en reparatie van machines en transportmiddelen wordt 9,9 procent uitgegeven, terwijl post en communicatiediensten een aandeel van 9,0 procent hebben. Onderhoudskosten en reparatie van gebouwen beslaan 8,6 procent, terwijl verzekeringen een aandeel van 6,7 procent in het geheel hebben. De overige intermediaire kosten zijn water en elektriciteit, horeca diensten, papier en overige kantoorbenodigdheden, overige finale producten, onderwijs-, gezondheiden sociale diensten. Onderwijs Het gaat hier om particulier onderwijs dat met 0,2 procent een miniem aandeel heeft in het intermediair verbruik. Van de totale intermediaire kosten in deze bedrijfstak wordt bijna 20 procent besteed aan het huren van gebouwen, 16,7 procent aan onderwijsdiensten, en aan papier en overige kantoorbenodigdheden 15,7 procent. Verder wordt ook veel uitgegeven aan zakelijke diensten (12,6%), water en elektriciteit (13,2%). Voor de rest bestaan de intermediaire kosten onder andere uit post en communicatiediensten, schoonmaakdiensten, sociale activiteiten, en verzekeringen. Gezondheidszorg en sociaal werk Deze bedrijfstak heeft een aandeel van 4,1 procent in het intermediair verbruik in. De belangrijkste intermediaire kosten hier zijn medicijnen en andere verzorgingsmiddelen voor 35,7 procent, en medische en overige apparaten (26 %). Water en elektriciteit hebben een gezamenlijk aandeel van bijna 7 procent in het intermediair verbruik, terwijl aan zakelijke dienstverlening 6,6 procent wordt uitgegeven. Voor het overige bestaan de kosten uit verzekeringen, water en elektriciteit, voeding en drank, huur van gebouwen, bankkosten, onderhoud en reparatie van gebouwen, papier en overige kantoor-benodigdheden. Jaargang 6 26

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Overige gemeenschapsdiensten In deze bedrijfstak zijn ondergebracht de vuilnisen afval ophaaldiensten, straatvegen en rioolverwerking; activiteiten van verenigingen; recreatieve, culturele en sportactiviteiten; en overige dienstverlening (uitvaart en aanverwante diensten; kapsalons; wasserettes; schoonheids-specialisten). Met een aandeel van 4,3 procent vertegenwoordigt deze bedrijfstak op drie na de kleinste in het intermediair verbruik. De grootste kostengroepen zijn de zakelijke dienstverlening met 28 procent, huur van gebouwen met 16,4 procent en onderhoud en reparatie van gebouwen met 10,8 procent, water en elektriciteit (8,1%), huishoudelijke kosten met 7,6 procent, transportkosten 6,8 procent en post en communicatie (5,8%). Er wordt meer aan onderhoud en reparatie van gebouwen gedaan door de bedrijven die recreatieve, culturele en sportdiensten verlenen, terwijl het voornamelijk de casinos zijn die gebouwen huren. De rest van de intermediaire kosten zijn voor het grootste deel schoonmaakmiddelen, kantoorbenodigdheden, horecadiensten. Conclusie Een vergelijking van de twee sectoren die zijn belicht wijst aan dat de financile sector meer gebruik maakt van diensten, terwijl bij de niet-financile sector de soort bedrijfstak bepaalt van welk product (diensten of goederen).meer gebruik wordt gemaakt. Uit analyse per product blijkt dat brandstof het meest gebruikt wordt door de bedrijfstakken Openbare nut; Transport, opslag en communicatie. Chemische producten als medicijnen, asfalt, inkt, verf en overige chemicalin worden veel gebruikt in de bedrijfstakken Industrie; Gezondheid, en Bouwnijverheid. Van papier en overige kantoorbenodigdheden maken het meest gebruik de industrie, onderwijs en financile dienstverlening, terwijl zakelijke diensten als accountancy, marketing, en consultancy in de meeste bedrijfstakken een belangrijke intermediaire kostenpost is. In de Horeca zijn voedingsmiddelen en dranken een belangrijke input. N u mmer 2 27

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Op alle eilanden van de Nederlandse Antillen is het percentage hoog opgeleide personen tussen 1992 en 2001 toegenomen. In 2001 blijkt een groot deel van de hoger opgeleiden op de eilanden hun studie elders (niet op het eiland zelf) gevolgd te hebben. De situatie verschilt per eiland. Een groot deel van de hoger opgeleiden is niet op het betreffende eiland geboren. Maar ook hoger opgeleide personen die wel geboren zijn op het eiland blijken hun studie vaak elders gevolgd te hebben. Hoog opgeleide personen in de Nederlandse Antillen Mike Jacobs Inleiding De bevolking in de Nederlandse Antillen kan onderscheiden worden in een deel dat nog een dagschool bezoekt en een ander deel dat niet meer op school zit. Aan de groep niet-schoolgaande personen is tijdens het Censusonderzoek in 2001 gevraagd wat de hoogst gevolgde opleiding in het verleden is geweest. Op basis van de antwoorden op deze vraag is het mogelijk een statistisch beeld te krijgen van het opleidingsniveau of de scholings-graad van de bevolking van de eilanden. In dit artikel wordt nader ingegaan op de groep personen met een hoge opleiding. De aandacht gaat hierbij uit naar de geboorteplaats van de hoog geschoolden en naar het (ei)land waar men deze hoge opleiding gevolgd heeft. Ontwikkeling 1992 2001 Tabel 1 geeft een cijfermatig overzicht van hoog opgeleide personen op de eilanden van de Nederlandse Antillen in 1992 en 2001. Het aandeel personen met een hoge opleiding steeg tussen 1992 en 2001 op alle eilanden: Bonaire van 6,6 naar 12,0 procent, Curaao van 7,7 naar 10,9 procent Sint.Maarten van 9,8 naar 11,8 procent, Sint Eustatius van 11,9 naar 14,9 procent en Saba van 10,7 naar 15,1 procent (zie tabel 1 kolommen c en f) Er kan ook op een ander wijze naar deze cijfers gekeken worden, namelijk naar de ontwikkeling van de absolute aantallen personen met een hoge opleiding (zie tabel 1 kolommen g en h). De toename van het percentage hooggeschoolden is dan als volgt: Bonaire 92,3 procent, Curaao 28,6 procent, Sint Maarten 4,6 procent, Sint Eustatius 61,3 procent en Saba 43,2 procent Jaargang 6 28

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine Tabel 1. Personen met een hoge opleiding per eiland, 1992-2001 2001 1992 toename 1992-2001 (a) (b) (c=b:a) (d) (e) (f=e:d) (g=b-e) (h=g:e) bevolking* hoog opgeleid aandeel(%) bevolking hoog opgeleid aandeel (%) absoluut relatie f (%) Bonaire 7054 850 12,0 6738 442 6,6 408 92,3 Curaao 86546 9447 10,9 95593 7348 7,7 2099 28,6 St. Maarten 19477 2290 11,8 22447 2190 9,8 100 4,6 St. Eustatius 1482 221 14,9 Land van studie Tabel 2 geeft informatie over de vraag in welk (ei)land men de hoge opleiding gevolgd heeft. De situatie is zeer verschillend per eiland en mede afhankelijk van het opleidingen aanbod op elk eiland. Met name voor de kleinere eilanden van de Nederlandse Antillen geldt een grote mate van externe afhankelijkheid voor wat betreft studiemogelijkheden op hoger niveau. De hoger geschoolden in Saba en Sint Eustatius hebben hun opleiding allemaal extern gevolgd. In Sint Eustatius heeft 30,8 procent (68/221) van de hoger geschoolden zijn/haar opleiding in de VS gevolgd; voor Saba geldt een percentage van 45,2 procent (57/126). Curaao heeft vergeleken met de andere eilanden het grootste aandeel personen die zijn/haar studie op het eiland zelf gevolgd heeft: 27,3 procent (2575/ 9447). Het belangrijkste externe studieland voor Curaao is Nederland; bijna 50 procent (4667/9447) van de hoger opgeleiden heeft daar zijn/haar studie gevolgd. In Bonaire heeft 46,7 procent (397/850) van de hoger opgeleiden zijn/haar studie in Nederland gevolgd. In Sint Maarten is 22,8 procent (522/2289) in de VS opgeleid en 21,7 procent (497/2289) in Nederland. Bovenstaande cijfers hebben niet uitsluitend betrekking op personen die van een bepaald eiland zelf afkomstig zijn (daar zijn geboren); inbegrepen is ook de grote groep personen die elders is geboren, maar met hun hoge opleiding naar de eilanden is gemigreerd. 1154 137 11,9 84 61,3 Saba 836 126 15,1 826 88 10,7 38 43,2 Bevolking die niet schoolgaand is, exclusief opleiding=onbekend Tabel 2. Personen met een hoge opleiding naar land van studie en per eiland, 2001 Eiland (woonplaats) Land van studie Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba Totaal Bonaire 6 4 0 0 0 10 Curaao 98 2575 75 12 1 2761 Sint Maarten 0 2 60 4 5 71 Sint Eustatius 0 0 0 0 0 0 Saba 0 0 0 0 0 0 Nederlandse Antillen 104 2581 135 16 6 2842 Aruba 8 32 36 3 5 84 Nederland 397 4667 522 46 13 5645 Suriname 32 198 83 20 1 334 Verenigde Staten 105 637 497 68 57 1364 Subtotaal 542 5534 1138 137 76 7427 Overige landen 204 1332 1016 68 44 2664 Totaal 850 9447 2289 221 126 12933 N u mmer 2 29

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Land van geboorte In tabel 3 worden cijfers gepresenteerd met betrekking tot de vraag wat het geboorteland is van de hooggeschoolde bevolking op de eilanden. Ook hier blijkt dat de situatie zeer verschillend is per eiland. In Bonaire is 18,9 procent (161/850) van de hooggeschoolde bevolking afkomstig van het eiland zelf. Voor de andere eilanden gelden de volgende percentages: Curaao 56,5 procent (5337/9447), Sint Maarten 11,4 procent 260/2289), Sint Eustatius 16,7 procent (37/221) en Saba 15,1 procent (19/126). Tabel 3. Personen met een hoge opleiding naar geboorteland en per eiland, 2001 Eiland (woonplaats) Geboorte(ei)land Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba Totaal Bonaire 161 120 2 0 0 283 Curaao 114 5337 171 12 0 5634 Sint Maarten 4 29 260 4 4 301 Sint Eustatius 1 8 11 37 0 57 Saba 0 8 11 4 19 42 Nederlandse Antillen 280 5502 455 57 23 6317 Aruba 29 295 173 4 3 504 Nederland 215 1740 283 25 10 2273 Suriname 46 470 129 18 1 664 Verenigde Staten 62 82 147 36 42 369 Subtotaal 352 2587 732 83 56 3810 Overige landen 218 1358 1102 81 47 2808 Totaal 850 9447 2289 221 126 12933 Land van geboorte en studieland Hieronder wordt aan de hand van tabel 4 nagegaan waar hoogopgeleide lokale personen (=geboren op het eiland) hun studie gevolgd hebben. Bonaire Van de 161 personen die op het eiland geboren zijn en een hoge opleiding hebben, heeft 96 procent (155) de opleiding elders gevolgd. De belangrijkste externe studieplaatsen zijn Nederland (77) en Curaao (51). Curaao Op Curaao zijn er 5337 personen die op het eiland zijn geboren en een hoge opleiding hebben. Hiervan heeft 58,4 procent (3115) de opleiding elders gevolgd. De belangrijkste studieplaatsen zijn Nederland (2449) en de Verenigde Staten (384). Sint. Maarten Van de 260 personen met een hoge opleiding die op het eiland geboren zijn, had 95 procent (247) de studie elders gevolgd. De VS (125) en Nederland (67) zijn de grootste externe studieplaatsen. Jaargang 6 30

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine Sint. Eustatius en Saba De 37 hooggeschoolde personen die in Sint Eustatius geboren zijn, hebben allen hun studie elders gevolgd. De Verenigde Staten (14) en Nederland (10) zijn de belangrijkste studielanden. In Saba zijn er 19 lokaal geboren personen met een hoge opleiding. Deze hebben hun studie onder andere in de Verenigde Staten (8), Aruba (3) en Nederland (3) gevolgd. Tabel 4. Personen met een hoge opleiding en geboren op het eiland, naar land van studie, 2001 Geboorte(ei)land en woonplaats Land van studie Bonaire Curaao Sint Maarten Sint Eustatius Saba Bonaire 6 2 0 0 0 Curaao 51 2222 12 4 1 Sint Maarten 0 2 13 1 3 Sint Eustatius 0 0 0 0 0 Saba 0 0 0 0 0 Nederlandse Antillen 57 2226 25 5 4 Aruba 3 7 9 1 3 Nederland 77 2449 67 10 3 Suriname 1 23 0 0 0 Verenigde Staten 11 384 125 14 8 Subtotaal 92 2863 201 25 14 Overige landen 12 248 34 7 1 Totaal 161 5337 260 37 19 Samenvattend Op alle eilanden van de Nederlandse Antillen is het percentage hoog opgeleide personen toegenomen tussen 1992 en 2001. Relatief gezien was de toename het grootst in Bonaire (+ 92,3%) en het laagst in Sint Maarten (+4,6%). In het jaar 2001 bleek een groot deel van de hoger opgeleiden op de eilanden hun studie elders (niet op het eiland zelf) gevolgd te hebben. De situatie is wel erg verschillend per eiland.(zie tabel 2). Indien er wordt uitgegaan van geboorteplaats, dan blijkt ook hier dat een groot deel van de hoger opgeleiden niet op het betreffende eiland geboren is (zie tabel 3). Ook voor hoger opgeleide personen die geboren zijn op het eiland geldt dat een groot deel zijn/haar studie elders gevolgd heeft. Ook hier zijn de resultaten verschillend per eiland (zie tabel 4). In een volgend artikel zal de situatie in 2001 vergeleken worden met de situatie in 1992 ten einde vast te stellen welke ontwikkeling zich heeft voorgedaan in deze periode. N u mmer 2 31

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Economie Curaao licht gegroeid in 2004 In 2004 groeide de economie van Curaao licht met 0,2 procent. De groei werd vooral gedragen door de positieve resultaten in de bedrijfstakken financiele dienstverlening en de horeca. Ook de industrie kon zich herstellen van de neergang in 2003. Door het uitvallen van de nationale luchtvaartmaatschappij kon het toerisme minder groeien dan tot de mogelijkheden behoorde. Ook de bedrijfstak transport had daar onder te lijden. Maureen Bergwijn Glenda Varlack Inleiding In dit artikel worden de rele en nominale ontwikkelingen van het Bruto Binnenlands Product van Curaao beschreven. De rele ontwikkelingen hebben betrekking op de geproduceerde hoeveelheden goederen en diensten. De gegevens zijn gebaseerd op het systeem van volume indicatoren. Binnen dit systeem worden per bedrijfstak n of meerdere representatieve volume indicatoren gebruikt voor het berekenen van de volume ontwikkeling van de Bruto Toegevoegde Waarde (BTW). Zo wordt bijvoorbeeld het aantal geproduceerde m3 water gehanteerd als volume indicator voor de bedrijfstak openbaar nut. De nominale ontwikkelingen hebben betrekking op de ontwikkeling in de waarde van de geproduceerde goederen en diensten. De gegevens zijn voornamelijk gebaseerd op de in november en december gehouden conjunctuur enqute op basis waarvan actuele informatie over bedrijfsmatige ontwikkelingen wordt verzameld. Het onderzoek is uitgevoerd onder alle bedrijven met tien of meer werknemers, terwijl van de bedrijven vanaf drie tot tien werknemers een steekproef is genomen. De rele ontwikkeling is exclusief prijsveranderingen (inflatie) en geeft derhalve een betere indicatie van de economische groei. De nominale groei is inclusief prijseffecten. Het verschil tussen de nominale en rele ontwikkelingen geeft een indicatie van het prijseffect. Ontwikkelingen in de economie De eerste berekeningen betreffende het Bruto Binnenlands Product (BBP) van Curaao wijzen uit dat de economie in 2004 licht is gegroeid met 0,2 procent reel. Nominaal heeft een stijging van het BBP plaatsgevonden van NAf 4034,4 miljoen gulden in 2003 naar NAf 4097,7 miljoen in 2004, hetgeen gelijk is aan een nominale stijging van 1,6 procent. In 2003 heeft een sterkere toename plaatsgevonden Jaargang 6 32

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine (2,5%). Gegeven het voorgaande kan worden gesteld dat sprake is van een afname van de groei met bijna 1 procentpunt. In tabel 1 is het totale BBP opgenomen en de Bruto Toegevoegde Waarde per bedrijfstak. De ontwikkelingen per bedrijfstak vertonen zowel toenames als dalingen van economische activiteiten. Hieronder worden ontwikkelingen beschreven van enkele belangrijke bedrijfstakken t.w de bedrijfstakken industrie, handel, horeca, transport en communicatie en financile dienstverlening. Grafiek 1 bevat de volume ontwikkeling van enkele bedrijfstakken voor de jaren 2003 en 2004. Industrie De BTW is vergeleken met 2003 gestegen met 3 procent reel. Nominaal heeft een stijging plaatsgevonden van NAf 237,3 mln naar NAf 247,4 mln, hetgeen gelijk is aan een stijging van ruim 4 procent. In 2003 heeft een afname plaatsgevonden die o.a. te maken had met de verhoogde concurrentie in de scheepsreparatie (nieuwe scheeps-werf in de Bahamas) en de conti-nuteitsproblemen bij de olieraffinage door de onrust in Venezuela. In 2004 heeft voorgaande situatie zich hersteld. Verder had de lokale industrie in het algemeen een beter jaar, ondanks de grote concurrentie van buitenlandse producten op de lokale afzetmarkt. Tabel 1: Bruto Binnenlands Product per bedrijfstak 2002 2003 2004 mln. Naf. % mutatie 2003-2004 BBP 3936,7 4034,4 4097,7 1,6 Industrie 255,1 237,3 247,4 4,2 Handel 511,1 534,0 557,1 4,3 Horeca 93,9 100,5 104,5 4,0 Transport & communicatie 312,4 301,1 295,5 -1,9 Zakelijke diensten 586,6 594,6 592,1 -0,4 Financile dienstverlening 668,7 741,.5 771,1 4,0 -12-10-8-6-4-20246810% industriehandeltransport, comm.zakelijke dienstenhorecafinanciele diensten Grafiek 1: Volume mutatie BTW 2004 2003 Handel De BTW van de handel is in 2004 gestegen met 1 procent reel. Nominaal heeft een stijging plaatsgevonden van NAf 534,0 in 2003 naar NAf 557,1 in 2004, een stijging van ruim 4 procent. De stijging heeft te maken met een toename van de omzetten. Horeca Een belangrijke indicator voor economische activiteiten in de bedrijfstak horeca is het toerisme gemeten aan het aantal toeristen en het aantal overnachtingen. Zowel het aantal toeristen als het aantal overnachtingen vertonen elk een stijging van 1 procent. Het aantal toeristen uit Noorden Zuid-Amerika is gestegen met ongeveer 6 procent. Het aantal toeristen uit Europa en het Caribische gebied is echter afgenomen met ongeveer 3 procent. De rele toename van de BTW is gelijk aan 1 procent in 2004. N u mmer 2 33

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Nominaal is de BTW gestegen van NAf 100,5 miljoen naar NAf 104,5 miljoen, hetgeen gelijk is aan een procentuele stijging van 4 procent. Transport en communicatie De daling van de rele BTW in 2003 (1%) is in 2004 veranderd in een lichte groei van 1 procent. De groei is voornamelijk het gevolg van de toename van het zeetransport. De luchthaven activiteiten vertonen een afname wegens het uitvallen van de nationale carrier. De activiteiten in de sub-bedrijfstak communicatie vertonen een lichte toename. Ondanks de rele toename heeft een nominale daling plaatsgevonden van de toegevoegde waarde van NAf 301,1 in 2003 naar NAf 295,5 miljoen in 2004, een daling van bijna 2 procent. Dit geeft aan dat er een prijsdaling heeft plaatsgevonden in deze bedrijfstak. Met name in de sub-bedrijfstak communicatie zijn prijsdalingen geregistreerd. Zakelijke diensten In de bedrijfstak zakelijke diensten heeft een stijging van economische activiteiten in volume gemeten plaatsgevonden van ca. 1 procent reel. Nominaal heeft een lichte daling plaatsgevonden van de Bruto Toegevoegde Waarde van NAf 594,6 in 2003 naar NAf 592,1 miljoen in 2004. Deze bedrijfstak is zeer gedifferentieerd. Naast de onroerend goed bedrijven, zijn ook bedrijven die transportmiddelen verhuren in deze bedrijfstak opgenomen. De diverse accountantskantoren, juridische diensten e.d. maken ook deel uit van deze bedrijfstak en zijn ondergebracht in de sub-bedrijfstak overige zakelijke dienstverlening. Ontwikkelingen in deze sub-bedrijfstak volgen min of meer ontwikkelingen in de overige bedrijfstakken. Grafiek 2: Volume mutatie BBP, Curaao -3-2-101220002001200220032004% reeel nominaal Financile dienstverlening De economische activiteiten in de financile sector zijn gestegen van NAf 741,5 miljoen in 2003 naar NAf 771,1 miljoen in 2004; hetgeen gelijk is aan een procentuele groei van 4 procent. Deze ontwikkeling heeft te maken met een stijging van de verstrekte leningen, en een toename van de winstgevendheid van de commercile banken en verzekeringen. De internationale dienstverlening stagneert, zowel de winstbelasting als de netto operationele inkomsten zijn gedaald. De rele toename is gelijk aan ongeveer 3 procent. Slotwoord In de periode 2000-2004 is de economie van Curaao met uitzondering van het jaar 2000 zowel nominaal als reel gegroeid (zie grafiek 2). De hoogste procentuele groei heeft plaatsgevonden in 2001. In de overige jaren is de groei beperkt gebleven tussen de 0 en 0,5 procent reel. Waakzaamheid is geboden, aangezien de groei op een laag niveau fluctueert. Jaargang 6 34

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine Verborgen werkloosheid in Curaao Zaida Lake Inleiding Als aanvulling op een algehele analyse van de arbeidsmarkt in de Nederlandse Antillen, kan een analyse met betrekking tot de verborgen werkloosheid niet buiten beschouwing worden gelaten. Verborgen werkloosheid is een situatie waarbij werkenden actief op zoek zijn naar ander werk of meer of minder uren willen werken, omdat zij ontevreden zijn met hun huidige werksituatie. Werkenden betreffen volgens de definitie van de ILO (International Labour Office) alle personen die in de week voorafgaand aan een peildatum tenminste vier uren werkzaamheden tegen betaling hebben verricht. Werkzoekenden zijn alle personen die in de maand voorafgaand aan het onderzoek actief naar werk hebben gezocht en binnen twee weken kunnen beginnen te werken. Beide strikte definities worden gehanteerd om internationale vergelijking tussen landen mogelijk te maken. In het Arbeidskrachtenonderzoek van 2004 zijn vragen ingebouwd om het concept verborgen werkloosheid zichtbaar te maken. Het betreft personen die meer of minder willen werken dan wel die op zoek zijn naar een andere baan omdat hun huidige werkkring niet adequaat is. relatief weinig personen zijn actief op zoek naar meer of minder uren werk. Slechts 3 procent zoekt naar meer uren en 1 procent zoekt naar minder uren. Anders is de situatie waarbij werkenden op zoek zijn naar ander werk of een andere baan. Van het totaal aantal werkenden is 13 procent actief op zoek naar ander werk of een andere baan. inkomen is de belangrijkste reden om iets anders te willen. Als tegenhanger van deze definities staat het concept verborgen werkloosheid, een concept dat door de strikte definities niet zichtbaar gemaakt kan worden. Verborgen werkloosheid is een belangrijke KILM indicatoren (Key indicators of the labour market) en wordt, naast de strikte definitie, door steeds meer landen gebruikt om diepgaander inzicht te verkrijgen in de arbeidsmarktsituatie. De ILO deelt het concept verborgen werkloosheid in twee componenten in, namelijk time-related under-employment en inadequate employment situations Time related underemployment wordt als volgt om-schreven: This indicator relates to the number of employed persons whose hours of work in the reference period are insufficient in relation to a more desirable employment situation in which the person is willing and available to engage. N u mmer 2 35

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine The indicator incorporates a variety of national definitions relating to time-related underemployment, but the majority tend to cluster around the following three. (1) Persons in employment who reported that they were working part time or whose hours of work (actual or usual) were below a certain cut-off point, and who also reported involuntary reasons for working fewer than full-time hours these are also known as involuntary part-time workers. (2) Persons in employment whose hours of work (actual or usual) were below a certain cutoff point and who wanted to work additional hours. (3) Persons in employment whose hours of work (actual or usual) were below a certain cutoff point and who sought to work additional hours. Underemployment reflects underutilization of the productive capacity of the labour force. Statistics on time-related underemployment are useful as a supplement to information on employment and unemployment, particularly the latter, as they enrich an analysis of the efficiency of the labour market in terms of the ability of the economy to provide full employment to all those who want it. Thus this indicator can provide insights for the design, implementation and evaluation of employment, income, and social policies and programmes. Naast time-related underemployment: worden in dit artikel ook de resultaten gegeven van een analyse naar de mate van tevredenheid met de huidige baan. Dit wordt in de termen van de ILO vertaald als inadequate employment situations en wordt als volgt omschreven: Indicators of inadequate employement situations...affect the capacities and well-being of workers...and relate to aspects of the work situation such as use of occupational skills, degree and type of economic risks, schedule of and travel to work, occupational safety and health and general working conditions. Verder: Employed persons may be simultaneously in underemployment and inadequate employment situations Dit artikel heeft als doel om aan de hand van de resultaten van het laatst gehouden Arbeidskrachtenonderzoek (AKO) voor de arbeidsmarkt van Curaao inzicht te verschaffen in de mate van verborgen werkloosheid, zowel wat betreft time-related underemployment en inadequate employment situations. Er wordt allereerst gekeken naar het aantal werkenden dat zegt op zoek te zijn naar meer of minder uren werk in dezelfde baan. In het tweede deel volgt een analyse van het aantal personen dat zegt op zoek te zijn naar ander werk of een andere baan. Meer uren Van de werkende bevolking van Curaao, is 3 procent (1730/50438) op zoek naar meer uren werk in hun huidige baan. Dit komt neer op ongeveer 1700 werkenden. Een onderverdeling naar geslacht geeft aan dat de mannen iets in de meerderheid zijn: 57 procent van alle werkenden op zoek naar meer uren werk is man. Het aandeel van de werkende mannen dat meer uren wil werken is 4 procent. Dat van de vrouwen bedraagt 3 procent. Jaargang 6 36

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine Uit tabel 2 blijkt dat 95 procent van de werkenden die zeggen op zoek te zijn naar meer uren werk dit doen omdat zij vinden dat hun inkomens situatie niet toereikend is. Het feit dat uit tabel 2 blijkt dat inkomen een bepalende factor is voor het wel of niet meer uren te willen werken, geeft aanleiding om te kijken naar de inkomens-verdeling van de werkenden op zoek naar meer uren werk. Uit tabel 3 blijkt dat een meerderheid (58 procent) van de personen op zoek naar meer uren werk 1000 gulden bruto per maand of minder verdienen. Een relatief groot aandeel (28 procent) verdient tussen de 1000 en 2000 gulden bruto per maand. Minder uren De tweede groep werkenden waar in het kader van een analyse naar de verborgen werkloosheid naar wordt gekeken betreft personen die actief op zoek zijn naar minder uren werk in dezelfde baan. Tabel 4 geeft aan dat deze groep relatief klein is in vergelijking met zij die meer uren willen werken.Slechts 1 procent van de werkenden is op zoek naar minder uren. De meerderheid is vrouw (63 procent). Bij navraag naar de reden waarom personen minder uren willen werken kwam naar voren dat 59 procent meer tijd voor hun gezin wil overhouden. Ruim driekwart hiervan (234/305) is vrouw. Een andere baan Het tweede concept van verborgen werkloosheid betreft personen op zoek naar een andere baan. Dit concept betreft dat gedeelte van de werkende bevolking dat ontevreden is met zijn/haar werksituatie. Het indiceert tevens onderbenutting van arbeid in die gevallen waarin de werkende een baan heeft die zijn capaciteiten onderbenut. Tabel 1. Werkenden naar meer uren willen werken en geslacht, Curaao, 2004. Absoluut Percentages Totaal aantal werkenden Aandeel in totaal werkenden Man 981 57 24747 4 Vrouw 749 43 25691 3 Totaal 1730 100 50438 3 Tabel 2. Meer uren willen werken naar reden en geslacht, Curaao, 2004. Absoluut Percentages reden Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw Meer inkomen 1637 936 702 95 95 94 Overig 93 46 48 5 5 6 Totaal 1730 982 750 100 100 100 T abel 3. Werkenden die meer uren willen werke n naar bruto maandinkomen, Curaao, 2004. I nkomen Absoluut Percentage s 1-1000 1010 5 8 1000-2000 490 2 8 2 000-3000 67 4 3 000plus 71 4 O nbekend 93 5 T otaal 1731 10 0 E xclusief Not Reporte d Tabel 4. Werkenden naar minder uren willenwerken en geslacht, Curaao, 2004. Absoluut Percen-tages Aantal werken-den Aandeel werken-den (%) Man 193 37 24747 1 Vrouw 326 63 25691 1 Totaal 519 100 50438 1 Tabel 5. Werkenden naar minder uren willen werken naar reden, Curaao, 2004 Absoluut Percentages reden Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw Meer tijd voor mijn gezin 305 71 234 59 37 72 Overig 214 123 92 41 63 28 Tl 519 194 326 100 100 100 N u mmer 2 37

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine De cijfers in tabel 6 geven aan dat, in vergelijking met het aantal werkenden dat op zoek is naar meer of minder uren werk, een vrij groot aandeel van de werkende bevolking op zoek is naar een andere baan. De cijfers uit het Arbeidskrachtenonderzoek geven aan dat 13 procent van de werkenden actief op zoek is naar een andere baan. Er is wat dit betreft geen verschil tussen mannen en vrouwen. Op de vraag naar de reden waarom men op zoek is naar ander werk, antwoordde de meerderheid (60 procent) dat het inkomen niet toereikend is. Tabel 7 geeft verder aan dat 5 procent vindt dat hun huidige baan beneden hun standaard ligt. 15 procent zoekt naar meer of minder uren werk Conclusie Verborgen werkloosheid wordt uitgedrukt in twee componenten, het zoeken naar meer of minder uren werk en het zoeken naar een andere baan. In dit artikel ging het erom om het aantal personen dat actief op zoek is naar meer of minder uren werk en/of een andere baan op de arbeidsmarkt te identificeren. Uit de cijfers van het Arbeidskrachten-onderzoek van 2004 is naar voren gekomen dat op de arbeidsmarkt van Curaao relatief weinig personen actief op zoek zijn naar meer of minder uren werk. Slechts 3 procent zoekt naar meer uren en 1 procent zoekt naar minder uren. Anders is de situatie waarbij werkenden op zoek zijn naar ander werk of een andere baan. Van het totaal aantal werkenden is 13 procent actief op zoek naar ander werk of een andere baan. Tabel 6. Werkenden op zoek naar een andere baan, Curaao, 2004. Absoluut Percentages Aantal werkenden Aandeel op zoek Man 3374 50 24747 14 Vrouw 3411 50 25691 13 Totaal 6785 100 50438 13 Tabel 7. Reden op zoek naar een andere baan,Curaao, 2004. Absoluut Percentages Te veel/weinig uren 961 15 Huidige baan beneden standaard 365 6 Wil meer inkomen 3954 60 Slechte werkomstandigheden 333 5 Mogelijk verlies huidige baan 408 6 Overig 601 9 Total 6622 100 Voor beide componenten van het concept verborgen werkloosheid geldt dat inkomen de belangrijkste reden is om iets anders te willen. Circa 95 procent van de werkenden die meer uren willen werken en bijna 60 procent van de werkenden die een andere baan willen betreft personen die ontevreden zijn met hun inkomenssituatie. Jaargang 6 38

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine Analyse kwartaalontwikkelingen prijzen Curaao: Inflatie neemt toe Chequita Goedhoop Inleiding In dit artikel publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek de korte en lange termijn ontwikkelingen van de consumenten prijsindexcijfers met gegevens tot en met het eerste kwartaal van het jaar 2005 voor Curaao. Met korte termijn ontwikkeling wordt hier bedoeld de vergelijking van het laatste kwartaalcijfer met het cijfer van het voorgaande kwartaal. Op korte termijn zijn de prijzen in het eerste kwartaal 2005 met 1,0 procent gestegen vergeleken met het vierde kwartaal 2004. Met lange termijn ontwikkelingen wordt bedoeld de vergelijking van het meest recente kwartaalcijfer met het cijfer van hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Op lange termijn zijn de prijzen in het eerste kwartaal 2005 met 2,6 procent gestegen in vergelijking met het eerste kwartaal 2004. Beide percentages zijn niet direct met elkaar te vergelijken, omdat van verschillende perioden gebruik gemaakt wordt. Om wel een vergelijking mogelijk te maken moet het korte-termijn percentage op jaarbasis worden gebracht. Het percentage van 1,0 wordt daardoor een percentage van 4,1 op jaarbasis. Deze methode kan worden gebruikt om acceleraties in de inflatie vroegtijdig te kunnen onderkennen. Doordat deze methode vaak onder invloed van incidentele oorzaken tot heftige fluctuaties kan leiden, moeten de uitkomsten met de nodige voorzichtigheid worden behandeld. In de verdere analyse in dit artikel zal daarom hier niet verder op worden ingegaan. Voor de laatste zes kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2005worden algemene trends beschreven. Analyse van ontwikkelingen in het consumenten prijsindexcijfer tonen aan dat de prijzen van voedingsmiddelen veel sneller gestegen zijn dan de rest. In het eerste kwartaal van 2005 stegen de prijzen van voeding met 7,5 procent ten opzichte van een jaar eerder. Het gemiddelde over alle sectoren bedroeg 2,5 procent. Het meest recente kwartaalgemiddelde van de prijzen geeft een indicatie voor de te verwachten inflatie, welke op basis van 12 maanden wordt berekend. Op basis van het kwartaalgemiddelde van 2,6 procent kan verwacht worden dat de inflatie de komende maanden zal toenemen. N u mmer 2 39

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Ontwikkeling op korte termijn In het na volgende worden de resultaten van het eerste kwartaal 2005 vergeleken met het vierde kwartaal van 2004. De percentages hebben steeds betrekking op de mutaties van het betreffende kwartaal t.o.v. het voorgaande kwartaal. In het eerste kwartaal 2005 zijn de prijzen in de sector woninginrichting en huisraad met 4,4 procent gestegen. In deze sector zijn de prijzen van de groepen meubilair en verlichting en huishoudelijke diensten het meest gestegen. Voor de sectoren dranken en rookwaren en vervoer en communicatie stegen de prijzen respectievelijk met 0,9 en 0,8 procent. Minder grote prijsstijgingen werden geregistreerd voor de sectoren wonen (0,5%), gezondheidszorg (0,4%), recreatie en ontwikkeling (0,1%) en overig (0,3%). Tabel 1 toont voor de sectoren de prijsontwikkelingen op korte termijn. Ontwikkelingen op lange termijn Mutaties van het kwartaalgemid-delde, vergeleken met hetzelfde kwartaalgemiddelde een jaar eerder, kunnen beschouwd worden als een goede indicator voor de verwachte inflatie in de komende periode. De inflatie wordt in het algemeen gerelateerd aan het twaalfmaands gemiddelde van de prijsontwik-kelingen. Een dergelijk lange periode zorgt ervoor dat onregelmatigheden (uitschieters) uit de berekeningen worden weggenomen, maar dit heeft als nadeel dat meetkundig gezien het resultaat een half jaar achterloopt (een twaalfmaand gemiddelde centreert zich rond de zesde en zevende maand). Het gebruik van een kwartaalgemiddelde heft dit nadeel grotendeels op, maar leidt wel tot een minder nauwkeurig resultaat. Tabel 1. Consumenten Prijsindexcijfers Curaao, reeks totale bevolking. Procentuele mutaties t.o.v. het voorgaande kwartaal. WegingsOmschrijving Cofficint 1 e kwartaal 2005 Voeding 1466 1,9 Dranken en Rookwaren 233 0,9 Kleding en Schoeisel 754 0,5 Wonen 2647 0,5 Woninginrichting en Huisraad 879 4,4 Gezondheidszorg 203 0,4 Vervoer en Communicatie 1991 0,8 Recreatie en Ontwikkeling 818 0,1 Overig 1009 0,3 Totaal indexcijfer 10000 1,0 In het eerste kwartaal van 2005 zijn de consumentenprijzen gemiddeld met 2,6 procent gestegen in vergelijking met het eerste kwartaal van het jaar 2004. Voor het voorgaande kwartaal was dit percentage lager: 2,0. Van de negen sectoren waaruit de prijsindex wordt opgebouwd tonen acht sectoren in het eerste kwartaal van 2005 prijsstijgingen, waarbij de grootste prijsstijging aan de sector voeding kan worden toegeschreven. Ook de prijsindex voor de sector woninginrichting en huisraad is in het eerste kwartaal meer dan gemiddeld gestegen. En sector heeft een prijsdaling geregistreerd, te weten de sector kleding en schoeisel. Jaargang 6 40

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine Ontwikkelingen laatste zes kwartalen In het navolgende worden de resultaten van de laatste zes kwartalen bekeken t.w. het vierde kwartaal 2003, de kwartalen voor het jaar 2004 en het eerste kwartaal 2005. De percentages hebben steeds betrekking op mutaties in het betreffende kwartaal ten opzichte van hetzelfde kwartaal van het jaar daarvoor. Per sector worden de ontwikkelingen beschreven. Tabel 2. Consumenten Prijsindexcijfers Curaao; reeks totale bevolking. Procentuele mutaties t.o.v. dezelfde periode van het voorgaande jaar. Omschrijving Wegings2003 2004 2005 Cofficint 4 e Kw. 1 e Kw. 2 e Kw. 3 e Kw. 4 e Kw. 1 e Kw. Voeding 1466 2,9 3,1 4,5 5,0 6,3 7,5 Dranken en Rookwaren 233 -0,4 -0,5 -0,7 -0,7 -0,3 0,6 Kleding en Schoeisel 754 0,9 0,8 -0,2 -1,1 -0,4 -0,7 Wonen 2647 2,2 1,3 1,4 1,5 1,7 1,9 Woninginrichting en Huisraad 879 2,7 1,2 -0,5 0,1 1,1 5,8 Gezondheidszorg 203 1,4 1,3 1,5 0,4 1,4 1,7 Vervoer en Communicatie 1991 -2,5 -0,9 0,6 0,7 1,2 1,7 Recreatie en Ontwikkeling 818 -0,3 -0,1 0,1 0,3 0,7 0,6 Overig 1009 0,4 0,4 0,6 0,7 0,7 0,9 Totaal indexcijfer 10000 0,9 0,9 1,3 1,4 2,0 2,6 Voeding De prijzen in de sector voeding zijn in het eerste kwartaal van 2005 met 7,5 procent gestegen. Binnen deze sector zijn aardappelen, groenten en fruit (16,2%), suiker en chocolade(8,5%) en vlees en vis (8,4%) het meest gestegen. Zoals uit tabel 2 blijkt zijn in de periode onder beschouwing de prijzen in de sector voeding steeds het meeste gestegen. De mutaties werden ook steeds groter: van 2,9 procent in het vierde kwartaal van 2003 tot 7,5 procent in het eerste kwartaal van 2005. Woninginrichting en huisraad In het eerste kwartaal van 2005 zijn de prijzen van meubilair en verlichting (15,9%) alsmede de huishoudelijke diensten (15,2%) het meest gestegen. Daarnaast zijn de prijsindices van stoffering en woningtextiel en de huishoudelijke artikelen gedaald. Dit alles heeft ertoe geleid dat het indexcijfer voor de sector woninginrichting en huisraad als geheel met 5,8 procent is gestegen. Dat percentage is veel hoger dan dat de percentages die in de vijf kwartalen daarvoor zijn gemeten. Oorspronkelijk daalden de mutaties tot dat in het 2de kwartaal van 2004 zelfs een prijsdaling werd bereikt van 0,5 procent. Daarna ontwikkelden de prijzen zich weer in een stijgende richting en bereikten in het 1ste kwartaal 2005 het hoogste percentage van de periode onder beschouwing. Wonen De toename van de prijsindex van 1,9 procent voor de sector wonen in het eerste kwartaal van 2005 is hoofdzakelijk toe te schrijven aan een gecombineerd effect van enerzijds prijsstijgingen voor de groepen energieverbruik (9,4%), woningonderhoud (3,5%) en tuinonderhoud (1,9%) en anderzijds een prijsdaling van de groep waterverbruik (7,1%). In de groep energieverbruik zijn de tarieven voor elektriciteit en gascilinders verhoogd met respectievelijk 12 en 10,8 procent. N u mmer 2 41

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine In de groep waterverbruik is de prijsdaling een netto effect geweest van een daling van het tarief tot en met 7m en een stijging van de tarieven voor hoger verbruik. Met uitzondering van het vierde kwartaal van 2003 waren de mutaties in de overige kwartalen steeds lager. Gezondheidszorg De prijsindex voor de sector gezondheidszorg is in het eerste kwartaal 2005 met 1,7 procent gestegen. Dit is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de prijstoename van de medische artikelen (4,2%; inclusief de orthopedische artikelen) als mede de prijsontwikkelingen van de geneesmiddelen (2,0%; inclusief verbandmiddelen). In tabel 3 worden voor de periode onder beschouwing de prijsontwikkelingen van medische artikelen en geneesmiddelen weergegeven. Uit de tabel is op te maken dat de geneesmiddelen voortdurend in prijs zijn toegenomen, hoewel met minder sterke groeicijfers in de laatste drie kwartalen. Tabel 3. Prijsontwikkelingen van medische artikelen en geneesmiddelen. Procentuele mutaties t.o.v. dezelfde periode van het voorgaand jaar. Omschrijving WegingsCofficint 2003 2004 2005 4 e Kw. 1 e Kw. 2 e Kw. 3 e Kw. 4 e Kw. 1 e Kw. Geneesmiddelen 33,9 3.3 3,1 3,2 1,6 1,0 2,0 Medische artikelen 31,3 -1,4 -1,7 -0,4 -0,9 3,2 4,2 Voor de medische artikelen is er tot en met het derde kwartaal van 2004 sprake van prijsdalingen. Daarna is er weer sprake van prijsstijgingen, met het hoogste percentage in het eerste kwartaal van 2005. Vervoer en communicatie De prijzen in de sector vervoer en communicatie zijn in het eerste kwartaal van 2005 met 1,7 procent gestegen. Deze stijgingen zijn het gevolg van wisselende prijsmutaties welke zich binnen de groepen hebben voorgedaan. De grootste prijsstijging viel binnen de groep onkosten t.b.v. vervoersmiddelen (4,7%). Duurder werden o.a. benzine, servicebeurten (groot en klein) alsmede autoaccessoires. De prijzen in de groep vervoersmiddelen zijn afgenomen met 1,3 procent, wat voornamelijk veroorzaakt is door het dalen van de autoprijzen. Over de gehele periode gezien blijken de mutaties telkens te zijn toegenomen, van prijsdalingen van 2,5 procent in het vierde kwartaal van 2003, via een lichtere daling in het daaropvolgende kwartaal, naar licht toenemende stijgingen in de daaropvolgende kwartalen. Overige sectoren Voor de sectoren dranken en rookwaren, recreatie en ontwikkeling en overig zijn de mutaties in de periode onder beschouwing steeds matig te noemen. Het betreft lichte prijsstijgingen, afgewisseld met eveneens lichte prijsdalingen, allen van minder dan 1 procent. Jaargang 6 42

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine Human Development Index (HDI): Antillen behoren tot de hoger ontwikkelde landen Francis Vierbergen Inleiding In een eerdere publicatie 3 heeft het CBS de resultaten van experimentele berekeningen van de zogenaamde Human Development Index (HDI) gepresenteerd. De Human Development Index (HDI) die door het United Nations Development Programme (UNDP) is ontwikkeld, beoogt een bijdrage te leveren aan het meten en vergelijken van welvaartsontwikkelingen. De algemeen gebruikte methode daarvoor, het per capita nationaal inkomen (of nationaal product, in het Engels: GNP per capita), levert een algemeen beeld van de economische prestatie van een land, maar geeft niet aan in hoeverre de bevolking daar werkelijk van profiteert. Om een beter inzicht te geven in de sociaal-economische aspecten van de welvaartsontwikkeling is het UNDP sedert 1990 begonnen met het ontwikkelen en berekenen van een aantal samengestelde indicatoren, die een beter inzicht moeten geven in de ontwikkeling van de mens. Een van die samengestelde indicatoren is de Human Development Index, HDI. UNDP geeft zelf aan dat de HDI, net als elke andere indicator, niet een volledig beeld geeft van de (sociaal-economische) ontwikkeling van het volk. Zij draagt bij aan een inzicht in ontwikkelingen, en moet naast andere indicatoren gebruikt worden: GDP per capita, inkomensverdeling, etc. Het voordeel van de HDI is dat het een eenvoudig te gebruiken instrument is. Het vervaardigen van de onderdelen van deze samengestelde index is evenwel problematischer. Vandaar dat tot nu toe geen HDI voor de Nederlandse Antillen is samengesteld. In dit artikel wordt een reeds eerder gepresenteerde experimentele berekening van de human development index (HDI) geactualiseerd. Volgens de gebruikte indicatoren kunnen de Nederlandse Antillen als een land met een hogere ontwikkeling worden beschouwd. Die positie dankt zij onder andere aan een relatief hoge levensverwachting en een hoge schoolparticipatie. De HDI geeft niet een complete beeld van de sociaal-economische situatie in het land. Andere indicatoren, zoals de drop-out ratio van jongeren, wijzen bijvoorbeeld op tegenvallende onderwijskwalificaties 3 Zie Modus jaargang 5 nummer 1. Een methodologische beschrijving van de berekeningen ligt ter inzage bij de bibliotheek van het CBS. N u mmer 2 43

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine Methode De HDI wordt geconstrueerd uit een drietal dimensies die betrekking hebben op de basis capabilities van de mens: een lang leven, hoge mate van kennis en een goede levensstandaard. Daarvoor zijn drie variabelen gekozen om die dimensies te meten: overleven, opleiding en inkomen. Specifiek gaat het om vier basis-indicatoren: 1. overleven: levensverwachting bij de geboorte; 2. opleiding: alfabetiseringsgraad van volwassenen; 3. opleiding: de schoolparticipatiegraad; en 4. levensstandaard: het koopkracht gecorrigeerde per capita inkomen. Voor elk van de indicatoren worden de gegevens gestandaardiseerd tot een index tussen bepaalde minimumen maximumwaarden 4 De twee opleidingsindicatoren worden daarna samen gewogen tot n opleidingsindex. De drie overblijvende indexen worden vervolgens gemiddeld tot de uiteindelijke HDI. De index kan een waarde aannemen tussen 1 (hoogst mogelijke score) en 0 (laagst mogelijke score). Voor het laatst gepubliceerd jaar (2002) heeft UNSD voor 177 landen een index berekend. De hoogste score werd voor dat jaar bereikt door Noorwegen (0,956), en de laagste score door Sierra Leone (0,273). De hoogste score voor een land in de Caribische regio is voor Barbados (0,888). De Nederlandse Antillen komen in deze lijst niet voor. De reden daarvoor is dat niet alle data voor de constructie van de index beschikbaar zijn. Beschikbare gegevens voor de Nederlandse Antillen Zoals al eerder aangehaald is, ondanks het feit dat niet de juiste data volledig beschikbaar zijn om de indicatoren waaruit de index is opgebouwd te kunnen construeren, in het verleden op basis van wel beschikbare gegevens proefondervindelijk een HDI gebouwd en gepubliceerd. Met het beschikbaar komen van nieuwe gegevens onder andere de resultaten van de Census van 2001 kan deze index opnieuw en voor de recentere periode worden berekend. Het experimentele karakter daarvan is daarmee niet verdwenen; een belangrijke indicator, het voor koopkracht gecorrigeerde per capita inkomen, kan alleen via indirecte weg worden benaderd. Voor de overige indicatoren geldt wel dat zij van recentere datum zijn en dus beter geschikt. De volgende gegevens zijn gebruikt: Levensverwachting bij geboorte: Hiervoor zijn de meest recente berekeningen gebruikt die gelden voor de Nederlandse Antillen; hierin zijn weliswaar geen gegevens van de kleinere eilanden opgenomen, maar de invloed daarvan op het totaal is gering. De geslachtsspecifieke cijfers zijn met het aantal geslachtsspecifieke geboortes gewogen tot een totaalcijfer. Schoolparticipatie : Hiervoor zijn de bruto schoolparticipatiegraden voor alle opleidingsniveaus gebruikt, waarbij alle schoolgaanden als percentage van de totale bevolking van 6 tot en met 24 jaar wordt uitgedrukt. De bron van deze gegevens vormden de volkstellingen. De gegevens voor de jaren tussen de tellingen zijn genterpoleerd. Alfabetiseringsgraad van volwassenen : Gebruikt is hier het percentage niet-schoolgaanden dat meer dan 3 jaren lagere school heeft gevolgd ten opzichte van het totaal aantal niet-schoolgaanden. Dit is een benadering van de werkelijke alfabetisme, dat door UNDP wordt omschreven als het percentage personen van 4 Zie voor een technische uitleg Human Development Report 1999; United Nations Development Programme, New York, 1999. Jaargang 6 44

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine 15 jaar en ouder dat een eenvoudig opstel over hun dagelijks leven kan lezen, schrijven en begrijpen. Deze informatie is evenwel voor de Nederlandse Antillen niet beschikbaar. De bronnen hiervoor zijn wederom de volkstellingen. Koopkracht gecorrigeerd per capita inkomen : Dat is het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking, uitgedrukt in een referentievaluta (gewoonlijk de US-dollar), gecorrigeerd voor verschillen in koopkracht tussen de te vergelijken landen. De gegevens hiervoor worden verkregen uit het door de Wereldbank regelmatig te houden International Comparison Project on Purchasing Power Parities (het ICP project). De Nederlandse Antillen hebben tot nu toe evenwel hieraan niet deelgeno-men. Als alternatief daarvoor is gekozen voor een indirecte berekening van de koopkracht. Daarbij werden de uitkomsten van prijsvergelijkende onderzoeken tussen Nederland en Curaao, uitgevoerd door het CBS van Nederland, gekoppeld aan door Eurostat gemaakte koopkrachtvergelijkingen tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten. Deze reeds meerdere jaren oude berekeningen zijn voor de meer recente jaren geactualiseerd met de verschillen in prijsontwikkelingen tussen de Verenigde Staten en de Nederlandse Antillen. De Resultaten Op basis van de berekeningen zoals boven omschreven komt de HDI index voor de Nederlandse Antillen in 2002 uit op 0,846. Daarmee zou zij in de lijst van UNDP uitkomen op een plaats tussen Hongarije (38e positie met een index van 0,848) en St. Kitts & Nevis (39e positie met 0,844). Daarmee staan de Antillen op de tweede plaats waar het de Caribische landen betreft, na Barbados ( 29 e plaats met 0,888) Andere Caribische landen die posities op de ranglijst innemen die in de buurt liggen van de Nederlandse Antillen en St. Kitts & Nevis zijn Bahamas, Cuba, Trinidad & Tobago en Antigua and Barbuda. Allen vallen net boven de grens van 0,800, waarmee zij volgens de kwalificaties van UNDP nog vallen in de lijst High Human Development. In de grafiek zijn voor een aantal geselecteerde landen de HDI indices voor de periode 1980-2002 opgenomen. Opvallend daarbij is dat de index voor de Nederlandse Antillen in al de jaren is toegenomen, waarbij die voor Trinidad and Tobago in de beginjaren van de vorige eeuw werd gepasseerd. Hetzelfde gebeurde met de index van Nederland, die aanvankelijk lager maar thans hoger is dan die van de Verenigde Staten. Opvallend is verder de hoogte van de index voor Venezuela. De koopkracht van de Venezolaanse Bolivar is veel hoger dan de wisselkoers doet vermoeden, waardoor de HDI index hoger uitvalt. Voor de Nederlandse Antillen geldt juist het tegenovergestelde: de koopkracht is veel lager dan de wisselkoers suggereert. Dat drukt de index. Voor de Nederlandse Antillen ligt in 2002 het koopkrachtgecorrigeerde per capita inkomen op 10.900 dollar. Dat is een stuk lager dan dat van de Bahamas: 17.300 dollar. Dat Bahamas toch lager scoort met haar HDI komt doordat de levensverwachting daar lager is, evenals de schoolparticipatie, zoals blijkt uit de tabel. Voorbehoud Zoals eerder gemeld moeten de berekeningen voor de Nederlandse Antillen als experimenteel worden beschouwd, daar de benodigde datasets niet beschikbaar zijn. De resultaten staan onder invloed van de veronderstellingen die zijn gemaakt. Andere aannames zullen tot wijzigingen in de index leiden. N u mmer 2 45

PAGE 50

Modus Statistisch Magazine Human Development Index (HDI) voor geselecteerde landen0,650,700,750,800,850,900,95 Nederland87,789,190,792,793,894,2 Verenigde Staten88,689,991,492,693,593,9 Trinidad and Tobago76,878,679,179,380,680,1 Venezuela7373,975,976,877,677,8 Ned. Antillen75,67880,282,58484,6198019851990199520002002 Human Development Index (HDI) voor een aantal geselecteerde landen, 2002 Rang nummer Land Levensverwachting Alfabetiseringsgraad school participatie BBP / capita HDI 1 N oorwegen 78,9 99,0 98 36600 0,956 5 N ederland 78,3 99,0 99 29100 0,942 8 Verenigde Staten 77,0 99,0 92 35750 0,939 29 Barbados 77,1 99,7 88 15290 0,888 N ederlandse Antillen 75,7 96,8 80 10949 0,846 39 St. Kitts & Nevis 70,0 97,8 97 12420 0,844 51 Bahamas 67,1 95,5 74 17280 0,815 52 Cuba 76,7 96,9 78 5259 0,809 54 Trinidad & Tobago 71,4 98,5 64 9430 0,801 55 Antigua & Barbuda 73,9 85,8 69 10920 0,800 67 Suriname 71,0 94,0 74 6590 0,780 68 Venezuela 73,6 93,1 71 5380 0,778 71 St. Lucia 72,4 94,8 74 5300 0,777 87 St. Vincent & Grenadines 74,0 83,1 64 5460 0,751 93 Grenada 65,3 94,4 65 7280 0,745 95 Dominica 73,1 76,4 74 5640 0,743 98 Dominicaanse Republiek 66,7 84,4 77 6640 0,738 104 Guyana 63,2 96,5 75 4260 0,719 153 Haiti 49,4 51,9 52 1610 0,463 De HDI is een hulpmiddel voor beschrijving en vergelijking van de sociale situatie van de bevolking. Zij meet niet alles. Zo scoort de Nederlandse Antillen hoog voor wat betreft de onderwijsindicator, maar die meet niet de kwaliteit van het onderwijs, die volgens andere indicatoren te wensen over laat. Jaargang 6 46

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine Provisional Results from the 2004-2005 Poverty Survey Sint Maarten Francis Vierbergen Introduction In August 2004 the Central Bureau of Statistics (CBS) has started with the household budget survey. This time, a poverty survey module has been added to the survey. The survey will last twelve months and is carried out on all islands of the Netherlands Antilles. The household budget survey will provide detailed information on income and expenses of households and will therefore give a clear view on prosperity or lack of it of families. The poverty module is added to measure other aspects of poverty like social exclusion, social networks, trust and solidarity, political involvement, access to government services, access to information and health status. To this end, questionnaires drawn up by international organizations have been adapted to the Antillean situation. The survey will be used to give background information to the so-called Poverty Assessment Project, a project coordinated by World Bank and United Nations Development Programme, which started its operations in March 2005. While the survey will continue for quite a while, requests for current poverty related information come in such frequency that CBS has decided to publish some very provisional results during the survey itself, based on a proportion of the sample. The results out of this can consequently only be regarded as indicative to the final outcomes. It will also not allow for detailed multivariate analyses on poverty indicators yet. In this presentation, no relations have been made with household expenditures. The outcomes are analyzed by household income. Some Results Household income data of all persons within a household with some form of income have been added up to gross household income. Households were subsequently assigned to three equal-numbered income groups: lower, middle and higher household income families. This division into three equal-numbered groups has been done to assure sufficient observations The 2004-2005 poverty survey, added to the household budget survey, will render detailed information on many aspects of poverty, in material, monetary terms as well as in social terms. With this information, the scope and intensity of factors influencing poverty situations can be analyzed for each island of the Netherlands Antilles. In this article some very provisional results on scores on individual questions are being presented in order to fill the gap between now and the time true results will become available. These provision results are meant to give insight into trends rather than accurate figures and therefore should be treated with care. N u mmer 2 47

PAGE 52

Modus Statistisch Magazine for each group. As a consequence, the income boundaries of each group may not be truly policy relevant. Households with a gross household income of ANG 1,700 or less per month are assigned to the lower income group, and households with an income of ANG 3,900 or more to the higher income group. All outcomes are presented differentiated by these income groups. For Sint Maarten, the information is derived from 102 households. Sufficiency of household income Households were asked whether the household income was to their opinion sufficient to make ends meet without any problems. Without any problem was in this case defined as being able to cover all necessary expenses. Figure 1 shows the results for the three income groups. Of the households in the lower income group, about half consider their income insufficient to make ends meet. They consider themselves unable to satisfy their basic needs. Another 20 percent rate their income as neither sufficient nor insufficient, indicating that they are just able to make ends meet. Almost 30 percent feel their income is sufficient. The differences with the two other income groups are obvious, though a considerable proportion of the middle-income households (36%) and even of the higher income group (20%) consider their income as insufficient. These seeming anomalies may be related to expenditure patterns of these households. Household income versus specific expenditures The sufficiency of household income has been measured against a number of typical expenses of the household. Respondents were asked whether their income was sufficient to cover a number of expenses without any problem. Without any problem was defined as being still able to cover all necessary expenses. Figure 1. Sufficiency of Household Income, Sint Maarten0%25%50%75%100%LowerincomeMiddleincomeHigherincome household income groups insufficient / veryinsufficient not sufficient norinsufficient sufficient / morethan sufficient Figure 2. Sint MaartenHousehold Income is Sufficient to:0255075100LowerincomeMiddleincomeHigherincome household income groups % go on holidays purchase newfurniture purchase clothing dine out Specific expenses were: go on holiday, purchase new furniture, purchase clothing and dine out. Figure 2 shows the percentages of households that claim they can make these extra expenses without any problem. Of the lower income households, very few respondents (9%) agreed they were able to go on holidays without putting their basic needs at risk. Higher percentages were recorded in the case of purchasing new furniture (15%) and dining out (18%), but still a vast majority of poorer households considers these expenses as unjustifiable vis--vis basic everyday expenditure. Jaargang 6 48

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine Considering the fact that clothing can be regarded as a basic need, purchasing clothing only at the expense of other basic needs poses a serious problem. About half of the poorer households are in that position. Again, differences with the two other income groups are clear, but salient is the fact that going on holidays, purchasing new furniture and in the case of middle-income households dining out are expenses that are in the majority of the views of respondents from these households impossible to do without sacrificing basic needs. As figure 3 shows, the electricity and water bill do weigh heavy to very heavy on about half of all Sint Maarten households, regardless of their income. Remarkable is though, that the share of households that consider their energy expenses as very heavy goes up with the height of their income. Social Networks If a sudden but long-term (financial) emergency situation would occur, for instance due to the death of the main wage-earner or a household member becoming unemployed, it is important for households to be able to rely on aid from others. Of the poorer households, more than 40 percent assume there arent any persons outside their household who are willing to assist them. About the same percentage believe they would find one or two persons, and the rest would be able to find more. Although a considerable number of households in the middle and higher income classes find few or none to assist them in the case of an emergency, the difference with them is that poorer households often find it difficult or impossible to make ends meet (see figure 1) and are as such usually unable to save money to anticipate these circumstances or have access to banks for loans or other provisions. Neighborhood Cohesion and Safety Strong relationships with neighbors mark social cohesion and as such may be a part of a social safety net. To measure social cohesion in the neighborhood, a couple of opinion questions were asked. Figure 5 shows the combined scores of two questions regarding solidarity within the neighborhood: Most people in this neighborhood can be trusted and One has to be alert or people in this neighborhood will take advantage of you. Responses to these questions were used to qualify a neighborhood as having a lower, neutral or higher cohesion. Figure 3. Sint MaartenHow heavy do water and electricity expenses weigh upon your budget?0%25%50%75%100%LowerincomeMiddleincomeHigherincome household income (grp) % not heavy it's reasonable heavy very heavy Figure 4. Sint Maarten How many people are willing to assist in an emergency situation01020304050LowerincomeMiddleincomeHigherincome household income groups % 0 1 or 2 3 or more Remarkably, scores for higher and lower cohesion are highest for lower income households, and scores for both decrease with the height of the income. Higher income households have in majority a neutral view on neighborhood cohesion. One explanation for this could be that rich N u mmer 2 49

PAGE 54

Modus Statistisch Magazine households build high fences around their premises and as a consequence have little contact with their neighbors. Figure 5. Sint Maarten Neighborhood Cohesion (combined scores)0%25%50%75%100%LowerincomeMiddleincomeHigherincome household income groups % lower neutral higher Questions were also related to safety at home. On the question: how safe do you feel when you are at home alone? the majority at large, 80 percent or more of all household groups, responded feeling safe to very safe. Very small percentages of household respondents agreed feeling unsafe or very unsafe when being at home alone. Safety at home therefore cannot be considered a major issue of concern for Sint Maarten households. Jaargang 6 50

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine Voorlopige uitkomsten Armoedemeting Bonaire Meredith Daantje-Cecilia Inleiding De economische ontwikkelingen van de laatste jaren op de Nederlandse Antillen doen de inkomenscontrasten sterker uitkomen, waar-door armoede een centrale rol blijft spelen in het sociaal-economisch beleidsdebat. Om een verhelderende bijdrage te leveren aan deze actuele kwestie is het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) medio augustus 2004 gestart met het budgetonderzoek, waaraan ditmaal ook een armoedemeting is gekoppeld. De koppeling van beide onderzoeken is gedaan omdat het budgetonderzoek inkomen en consumptie meet, waardoor het een uitstekende kwantitatieve methode is om armoede in termen van materiele deprivatie te meten. Een van de belangrijkste indicatoren om armoede te meten is het inkomen van de huishoudens. Een afbakening van armoede op basis van een inkomensgrens geeft echter slechts een indicatie van de welvaart van een huishouden. Een laag inkomen betekent niet per se dat men arm is. Daarom heeft het CBS ook andere, aanvullende indicatoren zoals sociale uitsluiting, onderlinge hulp, gezondheid, solidariteit, politieke betrokkenheid, toegang tot overheidsdiensten en informatiebehoeften, veiligheid en criminaliteit gebruikt om armoede in Bonaire empirisch in kaart te brengen. Enige resultaten De steekproef omvat 352 huishoudens in Bonaire. In dit artikel gaat het om de gegevens van circa 85 huishoudens in afwachting op de definitieve resultaten. In de vorige modus zijn de eerste indicatieve resultaten voor curaao gepresenteerd. Ditmaal gaat het om de voorlopige uitkomsten uit de armoedemeting voor huishoudens in Bonaire. In dit artikel wordt nog geen relatie gelegd met de bestedingsgegevens van het budgetonderzoek. Er worden eerste uitkomsten voor individuele vragen uit het onderzoek gepresenteerd. De uitkomsten moeten daarom als trendbepalend en niet als accurate gegevens worden beschouwd. De definitieve uitkomsten komen pas eind 2006 / begin 2006 beschikbaar. N u mmer 2 51

PAGE 56

Modus Statistisch Magazine De resultaten zijn gerangschikt naar het inkomen van de betreffende huishoudens. De inkomensgroepen zijn onderverdeeld in drie groepen: lagere, midden en hogere huishoudinkomens. Daarvoor zijn de berekende huishoudinkomens in drie in aantal gelijke groepen verdeeld. Op basis van deze methoden worden de huishoudens met een huishoudinkomen van 1700 gulden per maand of minder tot de lagere inkomens gerekend en de huishoudens met een maandinkomen van 3900 gulden of meer tot de hogere inkomens. De groep huishoudens met een middeninkomen zitten tussen deze twee bedragen in. Op het moment dat er gegevens van meer huishoudens beschikbaar komen kan beter gespecificeerd worden naar beleidsmatig relevante inkomensgroepen. De antwoorden op de vragen worden in het volgende telkens gedifferentieerd naar deze inkomensgroepen. Benadrukt wordt dat de uitkomsten vanwege het geringe aantal huishoudens een zeer voorlopig karakter dragen. Het is belangrijk om naar trends te kijken in plaats van absolute cijfers. Grafiek 1. Bonaire Toereikendheid huishoudinkomen0% 25% 50% 75% 100% lager middenhoger huishoudinkomen groep % onvoldoende / zeeronvoldoende niet voldoendemaar ook nietonvoldoende voldoende / meerdan voldoende Grafiek 2. Bonaire Huishoudinkomen is voldoende om:0255075100lagermiddenhoger huishoudinkomen groep % op vakantie tegaan meubels tekopen kleding te kopen uit eten te gaan Toereikendheid van het huishoudinkomen Het gaat hierbij om het oordeel over de eigen financile situatie. Om inzicht te krijgen in de toereikendheid van het huishoudinkomen is aan de huishoudens gevraagd in hoeverre het huishoudinkomen toereikend is om zonder problemen rond te komen. Zonder problemen betekent in dit geval dat noodzakelijke uitgaven gedaan kunnen worden. Respondenten kunnen de volgende antwoorden geven: onvoldoende/zeer onvoldoende, niet voldoende maar ook niet onvoldoende,voldoende/meer dan voldoen-de. Van de huishoudens met een lagere inkomen vindt 12 procent dat het huishoudinkomen toereikend is om zonder problemen rond te komen. In dezelfde inkomenscategorie geeft eenderde aan dat het inkomen ontoereikend is en ongeveer de helft is van mening dat ze de eindjes net aan elkaar kunnen knopen. Van de huishoudens met een midden of hoger inkomen vindt respectievelijk minder dan de helft en driekwart dat hun inkomen toereikend is om zichzelf en hun familie te onderhouden. Van de overige huishoudens vindt 29 procent van de groep middeninkomens en 21 procent van de hogere inkomensgroepdat het huishoudinkomen net voldoende is om rond te komen. Een behoorlijk deel van de groep middeninkomens geeft aan dat het inkomen niet voldoende is. Huishoudinkomen en specifieke uitgaven Op de vraag of het huishoudinkomen voldoende is om zonder problemen bepaalde specifieke uitgaven te doen, zoals: op vakantie te gaan, nieuw meubilair te kopen, kleding te kopen, en uit eten te gaan verschilt het antwoord per inkomensgroep. Jaargang 6 52

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine Het overgrote deel van de huishoudens met een lager inkomen vindt dit inkomen onvoldoende om op vakantie te gaan, nieuw meubilair te kopen of uit eten te gaan. Meer de 40 procent heeft niet voldoende huishoudinkomen voor aankoop van kleding. Voor de middeninkomens geldt dat een ruime meerderheid ook vindt dat het inkomen te gering is om op vakantie te gaan, uit eten te gaan of nieuwe meubels te kopen. De resultaten zijn voor de hogere inkomensgroep veel gunstiger. Maar ook hier heeft de helft moeite met uitgaven te doen voor vakantie of om meubels te kopen. Water en elektriciteit behoren tot de basisbehoeften van ieder huishouden. Gevraagd is: hoe zwaar drukken uitgaven water en elektriciteit op het budget? Deze vraag wordt in iedere huishouden door het hoofd van het huishouden of diens partner beantwoord. Respondenten kunnen de volgende antwoorden geven: niet zwaar,valt wel mee, zwaar, heel zwaar. Opvallend is dat huishoudens met een hoog inkomen ervaren dat de uitgaven aan water en elektriciteit heel zwaar op het totale budget drukken. De groepen middeninkomens en lage inkomens ervaren de uitgaven vaker als zwaar. Voor alle drie inkomenscategorien geldt dat de grootste groep heeft aangegeven dat deze lasten wel meevallen. Hulp van anderen Kwetsbaarheid en opvangen van risicos heeft te maken met de mogelijkheden die een persoon of een huishouden heeft om (tijdelijke) achteruitgang in inkomsten te overbruggen door gebruik te maken van financile hulp van andere mensen. Voor de middeninkomens geldt dat in de helft van de gevallen verwacht wordt dat niemand bereid zal zijn de helpende hand te bieden. Het percentage is bij de andere twee inkomensgroepen lager: circa 30 procent voor de armere huishoudens en 25 procent voor de hogere huishoudens. Grafiek 4. Bonaire Hoeveel mensen zijn bereid hulp te geven in een noodsituatie0102030405060lagermiddenhoger huishoudinkomen groep % 0 1 of 2 3 of meer Grafiek 2. Bonaire Huishoudinkomen is voldoende om:0255075100lagermiddenhoger huishoudinkomen groep % op vakantie tegaan meubels tekopen kleding te kopen uit eten te gaan De mogelijkheid voor financile steun van anderen is vooral van belang voor huishoudens die geen mogelijkheid hebben om geld te sparen of krediet te kunnen verkrijgen. Dat betreft in veel gevallen de huishoudens met de lagere inkomens. Gezondheidstoestand Studies (Wereldbank) op het gebied van inkomen en gezondheidsbeleving wijzen uit dat een goede gezondheid een determinerende variabele is bij het voorkomen van armoede. Een gezond persoon heeft meer inkomensgenererende potenties dan een persoon met een chronische ziekte of handicap. N u mmer 2 53

PAGE 58

Modus Statistisch Magazine Uit de resultaten van de armoedemeting komt naar voren dat meer respondenten hun gezondheid als redelijk of slecht ervaren naarmate het huishoudinkomen lager is. Het betreft bij de lagere inkomens bijna 40 procent, en bij de hogere inkomens ruim 20 procent. Van de huishoudens met hogere inkomens ervaren ongeveer gelijke aantallen hun gezondheid als uitstekend en als goed. Opvallend is het hoge percentage respondenten dat hun gezondheid als zeer goed of uitstekend ervaart voor de middeninkomens. Grafiek 5. Bonaire Beschrijving gezondheidstoestand 0% 20% 40% 60% 80% 100% lager middenhoger huishoudinkomen redelijk / slecht goed zeer goed/uitstekend Grafiek 7. Bonaire Als je niet uitkijkt dan maken de mensen in de buurt misbruik van je0%20%40%60%80%100%lagermiddenhoger huishoudinkomen groep onjuist /volkomenonjuist weet niet/geenmening juist / volkomen juist Grafiek 8. Bonaire De meeste mensen in de buurt kun je vertrouwen0%20%40%60%80%100%lagermiddenhoger huishoudinkomen groep onjuist /volkomenonjuist weet niet/geenmening juist / volkomen juist Vertrouwen en veiligheid in de buurt De beleving van hun eigen woonomgeving werd door het CBS gebruikt als indicator om de mate van vertrouwen en veiligheid in de buurt aan te geven. Voor wat betreft het gevoel veilig te zijn als men alleen thuis is valt het op dat het overgrote deel van de ondervraagden zich thuis tamelijk veilig of veilig voelt. Driekwart van de lagere en middeninkomens, en meer dan 90 procent van de hogere inkomens voelen zich thuis veilig of zeer veilig. De percentages respondenten die zich thuis niet veilig voelen zijn klein. De overigen voelen zich niet veilig, maar ook niet onveilig. Om de cohesie in de buurt te meten zijn een aantal opinievragen gesteld. Op de stelling dat je voorzichtig moet zijn omdat mensen in de buurt anders misbruik van jou zullen maken, is van 40 tot 50 procent oplopend in de drie inkomensgroepen het niet eens met deze stelling. Van 40 procent naar 20 procent aflopend in de drie inkomensgroepen is het antwoord dat met het daar mee eens is. Deze lichte tendens van minder vertrouwen in buurten waar de huishoudens met lagere inkomens wonen is ook terug te vinden in een tweede indicator. Op de vraag of de meeste mensen in de buurt te vertrouwen zijn, antwoordde nog geen kwart van de respondenten in de lagere inkomensgroep dat dit naar hun mening juist is. Deze percentages zijn voor de middenen rijkere huishoudens hoger: respectievelijk 34 en 42. Oneens met de stelling was 35 procent van de respondenten in de lagere inkomens, 31 procent in de middeninkomens en 18 procent in de hogere inkomensgroep. Jaargang 6 54

PAGE 59

Modus Statistisch Magazine The quarterly overview of the foreign trade statistics Roeland Dreischor Introduction In this article an overview of the trade development of the Leeward Islands will be given for the first quarter of 2004 5 The foreign trade statistics of the Leeward Islands register the flow of merchandise to and from the islands of Curaao and Bonaire. All movements of merchandise in free circulation between Curaao and Bonaire are excluded. The islands of St. Maarten, Saba and St. Eustatius are free ports and therefore no information is available through customs except for the trade between Curaao, Bonaire and St. Maarten. The CBS uses the Special Trade System for processing and publishing of all import and export data by commodity and by country for Curaao and Bonaire. Under this system the import statistics cover all goods cleared through customs for home use from abroad or from the national free zone. Export statistics cover all goods of national origin to be dispatched to another country. The value of the goods equals the value of the commodity at the place and time it crosses the border. The basis for valuation is cost of insurance and freight (cif) for imports and free on board (fob) for exports. In the following paragraphs the developments in the international merchandise flow of the Leeward islands are presented for the first quarter of 2004. Developments in the trade statistics of Curaao are mainly influenced by the imports and exports related to the oil refinery industry. The first quarter of 2004 showed an major increase in refinery related products. Growth occurred in all sections of imports of Curaao, with high rates in the beverage and tobacco and chemical products sections. In Bonaire growth rates were high for the crude materials and machinery and transport equipment sections. Growth rates were moderate in othe r sections. Imports declined in the manufactured goods sector. Total imports and exports Total import and export of goods (Curaao and Bonaire) In the first quarter of 2004 the total import of Curaao has increased with 444 million guilders to an estimated total of 1 billion guilders compared to the same quarter of the previous year. This is a remarkable increase of approximately 75 percent. The import in Bonaire went up from 15 to 17 million in the first quarter of 2004, an increase of approximately 14 percent (Table 1). As can be seen in the table below the imports in Curaao 5 N u mmer 2 55

PAGE 60

Modus Statistisch Magazine fluctuated in each quarter and dropped with 47 percent in the first quarter of 2004. The island of Bonaire showed an import decrease of 7 million in the first quarter of 2004 compared to previous quarter. Table 1 Total import and export of the Leeward islands Q1 2003 Q2 2003 Q3 2003 Q4 2003 Q1 2004 Curaao Import 592398 1379471 680396 1939263 1036195 Export 41638 1129200 284577 598937 815979 Bonaire Import 14581 17109 18102 24287 16549 Export 8007 3468 4530 7485 10947 Note: *All values in estimated 1000 of Ang. In comparison with the same quarter of last year the total export value of Curaao increased with 774 million guilders in the first quarter of 2004. Bonaire exported a total of 11 million in first three months of 2004. If compared with the same quarter of the previous year the export from Bonaire increased with 3 million, which represents an increase of 37 percent. It should be noted that the overall exports from Curaao and Bonaire include goods, which have been previously imported. This may cause significant fluctuations if the export figures are compared to previous quarters or years. Imports and exports of goods Curaao, import and export of goods The import of general merchandise in the first quarter of 2004 increased in all of the SITC sections. The commodity item that increased the most was pertaining to the section of mineral fuels with 61 percent. This section went up from 269 million to 683 million in imports compared to the previous quarter of 2003. The product category that contributed to an increase of the section is the import of crude oil. Due to the disturbances in Venezuela the import of crude oil has been much less in the first quarter of 2003. The constant fluctuations of prices in the international oil industry may significantly influence the total import and export values of oil products in Curaao. The section of commodities and transactions not classified increased to 4 million guilders in 2004. Another SITC section which also showed a considerable increase of 24 percent, is the beverages and tobacco section. The import of these products rose with 3 million guilders in the first quarter. The increases of the beverage and tobacco products are attributed to the following imported products: Alcoholic beverages with 6 million, and manufactured tobacco products with almost 1 million in the first quarter of 2004. The other product sections of crude materials, animal and vegetable oils, and chemical products increased with respectively 23, 18, and 15 percent in the first quarter of 2004. As shown in table 2 another section which has increased is the section of food and live animals. This section shows an increment of 9 percent. The sections of machinery and transport equipment and manufactured articles augmented with 7 and 5 percent. While these two sections indicate an increase in imports, the section of manufactured goods classified by material remained almost unchanged in the first quarter of 2004. The increase in this section was approximately 1 percent. Jaargang 6 56

PAGE 61

Modus Statistisch Magazine In the first quarter of 2004 the export of crude materials more than halved to the amount of 2 million, which is a large decrease compared to the previous quarter of 2003. The other sections that also showed a considerable decrease in exports from Curaao were: chemical products with 58 percent, and the manufactured materials with a decrease of 10 percent. Table 2 Curaao, general merchandise Import Export SITC Descri ption Q1 2004 Q1 2003 Q1 2004 Q1 2003 0 Food and live animals 67896 61773 10291 5704 1 Beverages and tobacco 12555 9495 792 747 2 Crude materials, inedible, except fuels 3397 2624 802 1948 3 Mineral fuels, lubricants and related materials 683123 268878 782917 15751 4 Animals oils and fats 1736 1428 34 22 5 Chemicals and related products 46670 39623 1529 2413 6 Manufactured goods classified chiefly by material 47621 47252 2887 1410 7 Machinery and transport equipment 116067 108023 11620 8574 8 Miscellaneous manufactured articles 52832 50449 3340 3666 9 Commodities and transactions not classified 4298 2853 1767 1403 Total 1036195 592398 815979 41638 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. ** A zero value may indicate a rounding effect or no transaction registered for a particular section or country In 2004 the export of mineral fuels was 783 million guilders. Most products in this section are related to petroleum products. In 2003, exports in this section were much lower, mostly due to the previously mentioned disturbances in Venezuela which brought the refinery activities to almost a halt. The export in the section manufactured goods classified chiefly by material increased with 2 million, that is approximately with 51 percent. Other export sections that augmented in the first quarter of 2004 were: food and live animals with 45 percent, animal and vegetable oils with 35 percent, and machinery and transport equipment with 26 percent. Bonaire, import and export of goods In Bonaire the import of goods showed an increase in four sections. The section of crude materials increased with 171 thousand guilders in the first quarter of 2004. This section showed a high augmentation of 38 percent. The product that contributed the development in this section was the product category of wood in rough with an import of 389 thousand guilders. The machinery and transport equipment section increased from 550 to 703 thousand guilders, a raise of 34 percent. The section mineral fuels dropped the highest from 120 to 40 thousand guilders in 2004. This represents a decrease of 62 thousand guilders in import of mineral fuels. The section of manufactured goods classified chiefly by material decreased with 38 percent followed by the section animal and vegetable oils with a drop of 9 percent (Table 3). Almost all sections in the export of Bonaire increased in the first quarter of 2004. The two sections with a significantly high export augmentation were: manufactured goods classified chiefly by materials with 85 percent, and food and live animals with 63 percent. Another export good that increased was the crude material section. This section showed a remarkable N u mmer 2 57

PAGE 62

Modus Statistisch Magazine increase of 2 million guilders in the first quarter of 2004. The important salt production contributed for the major export of the island with more than 70 percent of all export products. Imports and exports by main country and general merchandise Curaao, imports by origin (excluding oil products) In the first quarter of 2004 the import of goods from the United States of America amounted to 39 percent of the total island imports excluding oil products. The main products of import from the United States of America were the machinery and transport equipment products. This is estimated to be 51 million guilders in 2004. Besides the import of products of this section other important products such as: food and live animal and manufactured goods are imported from the USA (Table 5). Curaao imported 76 million guilders in products from the Netherlands in the first quarter of 2004. The main import products from the Netherlands were manufactured goods classified by material, these are about 17 million guilders. Another important import item from the Netherlands to Curaao is the food and live animals which amounts to 16 million. The import from the Netherlands was 22 percent of the total imports. In the first quarter of 2004, Curaao imported almost 16 million from Venezuela, which represents 5 percent of the total imports. Most products imported from afore mentioned neighbor country were food and live animal products. Curaao imported 13 million guilders from the Asian country of Japan of which 12 million was related to machinery and transport equipment goods. Table 3 Bonaire, general merchandise Import Export SITC Description Q1 2004 Q1 2003 Q1 2004 Q1 2003 0 Food and live animals 3368 3234 1867 684 1 Beverages and tobacco 757 714 0 0 2 Crude materials, inedible, except fuels 454 283 8107 6443 3 Mineral fuels, lubricants and related materials 40 102 0 1 4 Animals oils and fats 111 121 0 0 5 Chemicals and related products 776 843 0 0 6 Manufactured goods classified chiefly by material 1778 2447 94 14 7 Machinery and transport equipment 6463 4267 703 550 8 Miscellaneous manufactured articles 2802 2569 176 315 9 Commodities and transactions not classified 0 1 0 0 Tot al 16549 14581 10947 8007 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. ** A zero value may indicate a rounding effect or no transaction registered for a particular section or country Table 4 Curaao, Import by main country in 2004-I Country Value % USA 136173 38.6 Netherlands 75987 21.5 Venezuela 15972 4.5 Japan 12560 3.6 Sweden 9952 2.8 Panama 7870 2.2 Brazil 7386 2.1 Puerto Rico 6694 1.9 Colombia 6293 1.8 Rest of the world 74186 21.0 Total 353073 100.0 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. Jaargang 6 58

PAGE 63

Modus Statistisch Magazine Curaao, exports by destination (excluding oil products) Most exports from Curaao were to the Netherlands, which consisted of 38 percent of the total exports in the first quarter of 2004. The main export products to the Netherlands were related to food and live animal products, which amounted to almost 9 million guilders (Table 7). Other products that Curaao exported to the Netherlands were related to machinery and transport equipment with a total of 1 million guilders. The Caribbean island of Jamaica is the second important export destination of Curaao. In the first quarter of 2004 the exports to Jamaica were estimated to 6 million. Most of the export products to Jamaica were machinery and transport equipment products with a total of 5 million guilders. As shown in table 6, the neighbor island of Aruba and the United States of America also form an important export market for the island of Curaao. In the first quarter of 2004, Curaao exported 5 million guilders to Aruba (15 %), and 4 million guilders to the United States of America (13 %). N u mmer 2 59 Table 5 Curaao, Import by main country and SITC section in 2004-I SITC Descri ption USA Netherlands Venezuela Japan 0 Food and live animals 24388 16055 4604 45 1 Beverages and tobacco 3176 2547 1982 0 2 Crude materials, inedible, except fuels 1338 680 208 9 4 Animal and vegetable oils, fats and waxes 1107 72 16 0 5 Chemicals and related products, n.e.s. 16749 8732 1772 122 6 Manufactured goods classified chiefly by material 15427 16851 3830 223 7 Machinery and transport equipment 50578 15108 2588 12105 8 Miscellaneous manufactured articles 22838 12704 933 56 9 Commodities and transactions not classified 571 3237 39 0 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. ** A zero value may indicate a rounding effect or no transaction registered for a particular section or country Table 6 Curaao, Export by main country in 2004-I Country Value % Netherlands 12708 38.4 Jamaica 5638 17.1 Aruba 4982 15.1 USA 4426 13.4 Windward islands 1102 3.3 Venezuela 910 2.8 Colombia 435 1.3 South Africa 184 0.6 Trinidad & Tobago 148 0.4 Rest of the world 2529 7.6 Total 33062 100.0 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. Table 7 Curaao, Export by main country and SITC section in 2004-I SITC Descri ption Netherlands Jamaica Aruba USA 0 Food and live animals 8901 0 758 0 1 Beverages and tobacco 219 0 261 29 2 Crude materials, inedible, except fuels 270 0 1 10 4 Animal and vegetable oils, fats and waxes 0 0 22 0 5 Chemicals and related products, n.e.s. 20 18 564 52 6 Manufactured goods classified chiefly by material 701 912 712 88 7 Machinery and transport equipment 1302 4626 1261 3047 8 Miscellaneous manufactured articles 114 82 1389 1028 9 Commodities and transactions not classified 1181 0 14 172 Notes: A zero value may indicate a rounding effect or no transaction registered for a particular section or country ** All values in estimated 1000 of Ang.

PAGE 64

Modus Statistisch Magazine Bonaire, imports by origin (excluding oil products) The island of Bonaire imported 6 million guilders in products from the United States of America. The USA is the main import partner of Bonaire with 34 percent of the total imports. The major import products from the USA pertained to the machinery and transport equipment products that amounted to approximately 2 million guilders. In the second place were the imports of miscellaneous manufactured articles products with 1 million, followed by food and live animal products with the same export value. From table 8 can be deduced that the Netherlands also had a high ranking as one of the import partners of Bonaire. A total amount of 6 million was imported from the Netherlands in the first quarter of 2004. The imports consisted mostly of machinery and transport equipment products which amounted to 2 million guilders. Another main product section that Bonaire imports from the Netherlands was food and live animals products with 1 million guilders. The neighbor island of Aruba remained in the first quarter of 2004 an important trading partner for Bonaire. The total import from Aruba was estimated to almost 1 million guilders. Most products that were imported pertain to the machinery and transport equipment section (Table 9). Table 8 Bonaire, Import by main country of origin in 2004-I Country Value % USA 5755 34.9 Netherlands 5657 34.3 Aruba 966 5.9 Venezuela 879 5.3 Japan 740 4.5 Rest of the world 2512 15.2 Total 16509 100.0 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. Table 9 Bonaire, Imports by main country and SITC section in 2004-I SITC Descri ption USA Netherlands Aruba Venezuela 0 Food and live animals 1141 1484 25 320 1 Beverages and tobacco 104 368 60 205 2 Crude materials, inedible, except fuels 158 205 0 18 4 Animal and vegetable oils, fats and waxes 85 26 0 0 5 Chemicals and related products, n.e.s. 255 391 8 26 6 Manufactured goods classified chiefly by material 740 394 72 207 7 Machinery and transport equipment 2007 1867 759 34 8 Miscellaneous manufactured articles 1264 922 41 69 9 Commodities and transactions not classified 0 0 0 0 Notes: A zero value may indicate a rounding effect or no transaction registered for a particular section or country ** All values in estimated 1000 of Ang. Bonaire, exports by destination (excluding oil products) The exports from Bonaire to the USA amounted to 6 million guilders in the first quarter of 2004, that is 50 percent of the total exports. The main export product section to the USA was the crude material product with 5 million guilders. The crude material section represents the salt production export from Bonaire. Jaargang 6 60

PAGE 65

Modus Statistisch Magazine Bonaire exported approximately 2 million to Bulgaria (14 %), and also the African country of Somalia (14 %) in the first quarter of 2004. Most export products to Bulgaria were related to food and live animal products, to be specific rice, which amounted to 2 million guilders. The main products of export to Somalia and Belgium were crude materials with a respective value of 2 million and 1 million guilders. Table 10 Bonaire, Export by main country in 2004-I Country Value % USA 5502 50.3 Bulgaria 1501 13.7 Somalia 1500 13.7 Belgium 1028 9.4 Venezuela 382 3.5 Rest of the world 1034 9.4 Total 10947 100.0 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. Table 11 Bonaire, Exports by main country and SITC section in 2004-I SITC Descri ption USA Bulgaria Somalia Belgium 0 Food and live animals 0 1501 0 25 2 Crude materials, inedible, except fuels 5356 0 1500 1002 6 Manufactured goods classified chiefly by material 55 0 0 0 7 Machinery and transport equipment 84 0 0 0 8 Miscellaneous manufactured articles 7 0 0 0 Notes: A zero value may indicate a rounding effect or no transaction registered for a particular section or country ** All values in estimated millions of Ang. N u mmer 2 61