Citation
Modus Jaargang 6 Nummer 3+4

Material Information

Title:
Modus Jaargang 6 Nummer 3+4

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 1

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 1 Arbeidskrachtenonderzoek 2005 Curaao

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine 2 Jaargang 6 Werkloosheid toegenomen Zaida Lake Inleiding In oktober 2005 heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek een Arbeidsk rachtenonderzoek (AKO) in Curaao gehouden. Het AKO is een steekproef onderzoek onder huishoudens met als doel de recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te meten. De cijfers van 2004 zijn in deze publicatie herberekend en zijn ten opzichte van de al eerder gepubliceerde cijfers herzien. Dit was noodzakelijk omdat bij de bevolkingsberekening van 2005 de bevolkingscijfers van 2004 la ger bleken uit te vallen dan eerder berekend. Deze pub licatie bevat thans de definitieve cijfers van 2004. Omdat het AKO een steekproefonderzoek is heeft het werkloosheidspercentag e in de steekproef van 2005 een onnauwkeurigheidsmarge van 1.35 procentpunten bij een be trouwbaarheid van 95 procent. Dit betekent dat het werkloosheidspercentage geschat wordt op 18,2 procent met een onnauwkeurigheidsmarge van plus of min 1,35 procentpunten. Resultaten Tabel 1 geeft de voornaamste resultaten van het Arbeidskrachtenonderzoek voor 2004 en 2005 weer. Totalen De werkende bevolking van Curaao is in oktober 2005 ten opzichte van oktobe r 2004 in aantal min of meer onveranderd gebleven. Het aantal werkenden bedraagt 51.343 personen. Het aantal werkzoekenden is in deze periode met ruim 1.500 personen gestegen. Procentueel is dit een stijging van 15 procent. De omvang van de werkzoekende bevolki ng bedraagt thans 11.392 personen. Als gevolg van de stijging van het aantal werkzoekenden is het werkloosheidspercentage met 2,1 procentpunten gestege n. Dit bedraagt thans 18,2 In Curaao is de werkende bevolking in 2005 nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van oktober 2004. Het aantal werkzoekenden is met 16 procent toegenomen. Hierdoor is het werkloosheidspercentage van 16,1 naar 18,2 procent gestegen. Het jeugdwerkloosheid spercentage is gestegen van 36,8 procent in 2004 naar 44 procent in 2005. De stijging van de jeugdwerkloosheid houdt verband met de daling van de participatiegraad van de jongeren o.a ook als gevolg van een gestegen schoolparticipatie.

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 3 procent van de beroepsbevolking. Tabel 1. Ontwikkeling van de bevolking1 en de beroepsbevolking naar geslacht, Curaao. Mutaties Totaal okt-04okt-05 aantal % 1 Werkend 51.47451.343-131 -0,3 2 Werkzoekend 9.86111.3921.531 15,5 (1+2) 3 Beroepsbevolking 61.33562.7351.400 2,3 4 Economisch niet actief 41.34142.8691.528 3,7 5 Bevolking 15jr.+ 102.676105.6042.928 2,9 Bevolking 0-14 29.53129.870339 1,1 6 Totale bevolking 132.207135.4743.267 2,5 (3:6) 7 Partic ipatiegraad (%) 46,446,3-0,1 8 Werkloosheidspercentage (%) 16,118,22,1 (1:6) 9 Werkend/Totale bev. (%) 38,937,9-1,0 Mannen 1Werkend 25.28325.31633 0,1 2 Werkzoekend 4.4985.227729 16,2 (1+2) 3 Beroepsbevolking 29.78130.543762 2,6 4 Economisch niet actief 15.67816.137459 2,9 5 Bevolking 15jr.+ 45.45946.6801.221 2,7 Bevolking 0-14 14.98615.191205 1,4 6 Totale bevolking 60.44561.8711.426 2,4 (3:6) 7 Participatiegraad (%) 49,349,40,1 8 Werkloosheidspercentage (%) 15,117,12,0 (1:6) 9 Werkend/Totale bev. (%) 41,840,9-0,9 Vrouwen 1Werkend 26.19226.027-165 -0,6 2 Werkzoekend 5.3626.165803 15,0 (1+2) 3 Beroepsbevolking 31.55432.192638 2,0 4 Economisch niet actief 25.66326.7321.069 4,2 5 Bevolking 15jr.+ 57.21758.9241.707 3,0 Bevolking 0-14 14.54514.679134 0,9 6 Totale bevolking 71.76273.6031.841 2,6 (3:6) 7 Partic ipatiegraad (%) 44,043,7-0,3 8 Werkloosheidspercentage (%) 17,019,22,2 (1:6) 9 Werkend/Totale bev. (%) 36,535,4-1,1 1 Bevolking buiten instituten De beroepsbevolking is met bijna 1.400 personen gestegen, een toename van 2 procent. Deze stijging is, zoals uit het bovenstaande blijkt, in zijn geheel toe te schrijven aan de stijging van de werkzoekende bevolking. De beroepsbe volking telt thans 62.735 personen. De participatiegraad van Curaao is in oktober 2005 ten opzichte van oktober 2004 nagenoeg ongewijzigd gebleven en bedraagt thans 46,3 procen t. Dat betekent dat de beroepsbevolking in haar totaliteit in ongeveer gelijke mate is toegenomen als de totale bevolking. De toename van de beroepsbevolking heeft zoals de cijfers tonen niet geleid tot een verhoging van het aantal werkenden, maar wel van het aan tal werkzoekenden. Uit verdere analyse is gebleken dat zowel de bevolking als de beroep sbevolking is gestegen als gevolg van een hoge retourmigratie van personen geboren in Cur aao, vanuit met name Nederland tussen oktober

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine 4 Jaargang 6 2004 en oktober 2005. Dat leidde wel tot een toename van het arbe idsaanbod, maar niet tot een verhoging van het aantal werkenden. Als gevolg d aarvan is het aantal werkzoekenden gestegen. De stagnatie op de arbeidsmarkt lijkt vrijwel zeker te maken te hebben met tegenvallende economische ontwikkelingen. Hoewel nog geen vo lledige jaargegevens over 2005 beschikbaar zijn kan uit de resultaten van de beschikbare conjunctuurindicatoren afgeleid worden dat er dat jaar weinig of geen economisc he groei heeft plaatsgevonden. De ratio werkenden op de totale bevolking be draagt in 2005 37,9. Ten opzichte van 2004 is deze ratio met ruim een procentpunt gedaald. Gezien he t feit dat de bevolking niet is gedaald, is de daling van de werkenden toe te schrijven aan een daling van de werkge legenheid. Vergeleken met verschillende (ei)landen in de regio en in de Antillen (voor beide entiteiten geldt een ratio van 40 en boven), heeft Curaao naar verhoudi ng nog altijd een laag aantal werkenden. Geslacht Het aantal werkende mannen is ten opzichte van oktober 2004 na genoeg ongewijzigd gebleven. Er zijn 25.316 mannen werkzaam. Het aantal werkzoekende mannen is met ruim 700 personen gestegen; van bijna 4500 personen in oktober 2004 naar 5227 personen in okt ober 2005, een stijging van 16 procent. Het werkloosheidspercentage van de mannen be draagt in oktober 2005 17,1 procent, 2 procent punten hoger dan in 2004. De mannelijke beroepsbevolking is met meer dan 700 personen gestegen, een stijging van 3 procent. Dit komt voornamelijk omdat het aant al werkzoekende mannen is gestegen. De mannelijke beroepsbevolking telt thans 30.543 personen. De participatiegraad van de mannen bedraagt 4 9,4 procent, nagenoeg ongewijzigd ten opzichte van oktober 2004. De oorzaak ligt voornamelijk in de stijging van zowel de mannelijke bevolking als van de beroepsbevolking in gelijke aantal. In tegenstelling tot de mannen is het aantal we rkende vrouwen in oktober 2005 licht gedaald. Ondanks deze daling valt het aantal werkende vrouw en toch hoger uit dan het aantal werkende mannen. Het aantal werkende vr ouwen bedraagt 26.027 personen. Het aantal werkzoekende vrouwen is gestegen van 5.362 naar 6.165, een stijging van 15 procent. Het werkloosheidspercentage is gestegen naar 19,2 procent. De vrouwelijke beroepsbevolking is met ruim 600 personen gestegen. Het aantal werkzoekende vrouwen is gestegen en hierdoor komt de totale vrouw elijke beroepsbevolking uit op 32.192 personen. De participatiegraad van de vrouwen bedraa gt 43,7 procent en is nagenoeg ongewijzigd gebleven. Dit komt omdat zowel de vrouwelijke bevolking als de vrouwelijke beroepsbevolking in naar verhouding gelijke aantallen zijn gestegen.

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 5 Tabel 2. Ontwikkeling van de bevolking en de beroepsbevolking naar leeftijd, Curaao. Mutaties 15-24 jaar okt-04okt-05 aantal % 1Werkend 3.4692.886-583 -16.8 2 Werkzoekend 2.0182.266248 12.3 (1+2) 3 Beroepsbevolking 5.4875.152-335 -6.1 4 Economisch niet actief 10.64212.0301.388 13.0 5 Bevolking 15-24 16.12917.1821.053 6.5 (3:5) 6 Participatiegraad (%) 34.030.0-4 7 Werkloosheidspercentage (%) 36.844.07 (1:5) 8 Werkend/Totale bev. (%) 21.516.8-5 25-34 jaar 1 Werkend 11.04411.160116 1.1 2 Werkzoekend 2.5242.831307 12.2 (1+2) 3 Beroepsbevolking 13.56813.991423 3.1 4 Economisch niet actief 2.2321.970-262 -11.7 5 Bevolking 25-34 15.80015.961161 1.0 (3:5) 6 Participatiegraad (%) 85.987.72 7 Werkloosheidspercentage (%) 18.620.22 (1:5) 8 Werkend/Totale bev. (%) 69.969.90 35-44 jaar 1 Werkend 16.15916.404245 1.5 2 Werkzoekend 2.8453.094249 8.8 (1+2) 3 Beroepsbevolking 19.00419.498494 2.6 4 Economisch niet actief 3.2782.824-454 -13.8 5 Bevolking 35-44 22.28222.32240 0.2 (3:5) 6 Participatiegraad (%) 85.387.32 7 Werkloosheidspercentage (%) 15.015.91 (1:5) 8 Werkend/Totale bev. (%) 72.573.51 45-54 jaar 1 Werkend 13.78714.140353 2.6 2 Werkzoekend 1.7572.326569 32.4 (1+2) 3 Beroepsbevolking 15.54416.466922 5.9 4 Economisch niet actief 4.3854.104-281 -6.4 5 Bevolking 45-54 19.92920.570641 3.2 (3:5) 6 Participatiegraad (%) 78.080.02 7 Werkloosheidspercentage (%) 11.314.13 (1:5) 8 Werkend/Totale bev. (%) 69.268.70 55 jaar en ouder 1Werkend 7.0166.752-264 -3.8 2 Werkzoekend 717874157 21.9 (1+2) 3 Beroepsbevolking 7.7337.626-107 -1.4 4 Economisch niet actief 20.80521.9401.135 5.5 5 Bevolking 55plus 28.53829.5661.028 3.6 (3:5) 6 Participatiegraad (%) 27.125.8-1 7 Werkloosheidspercentage (%) 9.311.52 (1:5) 8 Werkend/Totale bev. (%) 24.622.8-2

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine 6 Jaargang 6 Leeftijd Bij de jongeren (15-24 jaa r) is de werkende bevolking met bijna 600 personen gedaald, een daling van 17 procent. Het aantal werkzoekende n is daarentegen gestegen met 12 procent. Het jeugdwerkloosheidspercenta ge bedraagt in oktober 2005 44,0 procent, 7 procent punten hoger dan in 2004. Deze toename is het gevolg van de daling van de werkenden en de toename van de werkzoekenden in deze leeftijdsklasse. De beroepsbevolking in de leeftijdsgroep 15-24 jaar is met ruim 300 jongeren gedaald en telt ongeveer 5.152 personen. De part icipatiegraad van de jongere n daalt door de geschetste ontwikkelingen met 4 procentpunten. De daling heeft ook te maken met een netto instr oom van jongeren, waarvan een groot deel niet tot de beroepsbevolking is toegetreden. Uit de cijfers blijkt een toename van het aantal jongeren die nog op school zitten. Het aantal we rkende jongeren bedraagt 2.886 personen. De ratio jeugdwerkloosheid/totale werklooshe id bedraagt 2.4. Deze ratio is ten opzichte van 2004 verslechterd en is volgens internationale normen hoog te noemen. Een ratio van hoger dan 2 wordt internationaal als hoog beschouwd. Het aantal werkenden in de leeftijdsgroep 25-34 jaar is met ruim 100 personen licht gestegen, een stijging van 1 procent. De natuurlijke inst room uit de vorige leeftijdsgroep is in 2005 negatief, hetgeen betekent dat een deel van de stijging ook immigratie betreft. Er zijn 11.160 personen werkzaam. Het aantal werkzoekenden in deze groep is me t ruim 12 procent gestegen tot een aantal van 2.831 personen. De beroepsbevolking in deze leeftijd sgroep is als gevolg hiervan met 3 procent (absoluut een stijging van ruim 400 personen) toegenomen. De participatiegraad neemt met 2 procentpunten toe, mede ook door een daling van de economisch niet-actieve bevolking. In de leeftijdsgroep 35-44 jaar is het aantal werkenden met 1,5 procent gestegen en telt in oktober 2005 16.404 personen. Het aantal werkzoekende n is met bijna 9 procent gestegen tot een aantal van 3.094 personen. Door toenamen in zowel het aantal werkenden als het aantal werkzoekenden stijgt de beroepsbevolking in deze leeftijdsklasse met bijna 3 procent tot een totaal van 19.498. Ook in deze leeftijdsklasse nam de partic ipatiegraad met 2 punten toe, ook hier mede als gevolg van een daling in de economisch niet-actieve bevolking. In de leeftijdsklasse 45 -54 jaar neemt het aan tal werkenden met bijna 3 procent toe tot 14.140 personen. In deze leeftijdsklasse is de grootst e stijging van het aantal werkzoekenden te bespeuren: 569 personen, ofwel een toename met ruim 32 procent. De beroepsbevolking komt in 2005 in aantal uit op 16.466 personen, een toename van bijna 6 procent vergeleken met 2004. De participatiegraad neemt als gevolg hier van, maar ook door een daling van het aantal economisch niet-actieven, met 2 punten toe. De werkende bevolking in de hogere leeftijden (55 jaar en ouder) is met ruim 250 personen gedaald, een daling van bijna 4 procent. He t aantal werkenden bedraagt 6.752 personen. Opvallend is de stijging va n het aantal werkzoekenden in de l eeftijdsgroep 55 jaar en ouder. Het aantal werkzoekenden is met ru im 20 procent gestegen. Het werkloosheidspercentage voor die groep is hierdoor met 2 procentpunten ge stegen en bedraagt thans 11,5 procent. Per saldo is de beroepsbevolki ng met ruim 1procent gedaald to t een aantal va n 7.626. Als gevolg hiervan is de participatiegraad ook gedaald, en wel met ruim 1 punt.

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 7 Werkenden naar economische positie De werkende bevolking is vooral in de categorie losse jobs fors afgenomen. Ten opzichte van 2004 is deze groep met ruim 1.000 personen gedaald. Ui t de cijfers blijkt dat een groot deel nietactief of werkzoekend is geworden. Het aantal kleine zelfstandigen en het aantal personen in vaste dienst is het meest gestegen. De daling van de werkenden betreft alleen pers onen geboren in Curaao. Het aantal werkenden geboren in de overige eilanden van de Antillen en Aruba, het aantal werkenden geboren in Nederland en het aantal werkenden geboren elders (buiten het Koninkrijk) zijn allen gestegen. Tabel 3. Werkenden naar economische positie en geboorteplaats 2004 Geboorteplaats Economische positie Curaao Overig N A en Aruba Nederland OverigTotaalCuraao Overig N A en Aruba Nederland Overig Totaal 2004 2005 Werkgever 867 982584811.70477120170 568 1.529 kleine zelfstandige 1.867 1114091.2143.6012.68186337 1.033 4.137 loontrekker in vaste dienst 25.799 9361.2304.93532.90025.2661.1711.590 5.247 33.274 loontrekker in tijdel. dienst 2.320 1351446733.2722.01112594 982 3.212 losse jobs 4.709 1021181.9726.9013.93667149 1.701 5.853 Contract 1.726 251146462.5111.88366199 472 2.620 Overige 229 071129429236071 139 446 Onbekend 156 00 156209021 42 272 Totaal 37.673 1.4072.34410.05051. 47436.9931.5352.631 10.184 51.343 Werkloosheidspercentages Curaao 12 13 14 15 16 17 18 19 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 2000 2001 2002 2003 2004 2005

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine 8 Jaargang 6 Resultaten conjunctuurenqute juni 2005. Chris M. Jager Inleiding. Afgelopen juni is de derde conjunctuurenqute door het C.B.S. uitgevoerd. In tot aal zijn er da arbij ruim 920 bedrijven benaderd op de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen waarvan 80 in Bonaire, 230 in St. Maarten en 614 in Curaao. Saba en St. Eustatius zijn niet meegenomen in het onderzoek. Deze zullen om praktische redenen alleen in december (jaarenqute) worden benaderd. Doel van de conjunctuure nqute is om op frequente basis, twee maal per jaar, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en economische parameters en ontwikkelingen. Dit zowel voor bedrijfstakken afzonderlijk als voor het bedrijfsleven als geheel. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. In dit artikel wordt nader ingegaan op de eerste resultaten van de enqute. Onder eerste resultaten wordt verstaan de resultat en van de opinievragen. Die kunnen relatief snel worden geanalyseerd en gepubliceerd daar dit type vragen niet behoeft te worden opgehoogd, d.w.z. gecorrigeerd voor de steekproef. Dit in tegenstelling tot vr agen over bij voorbeeld omzet, exploitatiekosten en investeringen. Een beeld wordt gegeven va n de verkregen gegevens van bedrijven (NVs en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) op de eilanden Bonaire, Curaao en St. Maarten ten aanzien van de volgende onderwerpen: investeringsbelemmeringen, bevordering van investeringen, concurrentiepositie op de binnenlandse markt, het ondernemersvertrouwen, vertrouwen t.a.v. de toekomst, perceptie t.a.v. het investeringsklimaat, verwachting bedrijfsresultaten. In Bonaire daalde het vertrouwen van de ondernemers in de toekomst, terwijl deze in Curaao juist toenam. In Sint Maarten bleef het vertrouwen hoog. Wat betreft het investeringsklimaat is het oordeel van ondernemers in Sint Maarten het meeste positief, terwijl deze in Curaao het meeste negatief is. In Bonaire oordeelden de meeste ondernemers het klimaat als matig. Op alle drie de eilanden gaven meer ondernemers aan dat het bedrijfsresultaat in 2005 naar verwachting positief zal uitvallen

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 9 Investeringsbelemmeringen. Voor de eventuele investeringsbelemmeringe n hebben de bedrijven keuze uit een zestal mogelijkheden. In Bonaire wordt door 41 procen t van de respondenten aangege ven dat er sprake is van dergelijke belemmeringen (zie grafiek 1), een iets hoger percentage dan vorig jaar (39%). Deze waren wederom vooral een gevolg van een tekort aan financile middelen. Ruim 22 procent van de bedrijven geeft dit aan; een duidelijk lager percen tage dan de 30 pr ocent van de vorige enqute van een half jaar daarvoor. Het overhei dsbeleid als belemmering volgt met ruim 19 procent (eind 2004 nog 11 %), direct gevolgd door het renteniveau met 18 procent. Een slechte marktwerking en de rendementsverwachting (beiden nog geen 10%) spelen hier duidelijk minder een rol voor de ondernemers. Net als bij de vorige e nqute geeft ook nu weer bijna een derde (30%) van de respondenten op Curaao (zie grafiek 2) aan dat er sprake is van investeringsbelemmeringen. Deze belemmeringen zijn vooral een gevolg van een tekort aan financile middelen (13% van de bedrijven geeft dit aan), een slechte marktwerking (eveneens 13%) en van het overheidsbeleid (wederom afgenomen en wel naar13%). Rendementsverwachting en renteniveau spelen nauwelijks een rol (beiden rond de 3%). In St. Maarten wordt door 26 procent van de ondernemers aangegeven dat er sprake is van investeringsbelemmeringen (grafiek 3), een iets lager percentage als dat van Curaao en duidelijk lager in vergelijking met Bonaire. Opvallend is hier de toename van de f actor overheidsbeleid naar 14 procent, een verdubbe ling t.o.v. de vorige twee enqutes. De bedrijven wijzen een tekort aan financile middelen aan als tweede belangrijkste belemmering waarbij de afnemende trend heeft zich voortgezet naar een kleine 13%. De overige factoren scoren allen duidelijk minder als belemmering bij het doen van investeringen. Bevordering van investeringen. Naast factoren die investeringen belemmeren wordt middels de enqute genventariseerd in welke mate de investeringen positief worden benvloed. Ook daarvoor worden een zestal keuzemogelijkheden aangegeven. In Bonaire is de respons op de verschillende mo gelijkheden, na een dip van de vorige enqute, weer duidelijk toegenomen (zie grafiek 4). Deel s hangt dit waarschijnlijk samen met de sterke afname van de voorkeursmogelijkheid niet van toep assing van bijna 59 naar 36 procent van de bedrijven. Bij alle andere factoren is sprake van een toename van het percentage. Het voorgaande Grafiek 1 Investeringsbelemmeringen Bonaire in %0 5 10 15 20 25 30T e ko rt fin mid d S le c h t e ma r k t w. R e nd.ve rw Rentenivo O verh. b ele i d O veri g% bedrijven juni '04 dec '04 juni '05 Grafiek 2 Investeringsbelemmeringen Curaao in % 0 5 10 15 20T ekort f in m i d d Sl e c h te m a rk tw R e nd e m e ntsverw R e n te n iv o Overh. b el e id O veri g% bedrijven juni '04 dec '04 juni 05 Grafiek 3 Investment obstacles St. Maarten in % 0 5 10 15 20Tekor t fi n midd Sle c h te mark t w R e n d e m ent s v e rw R e n t e n iv o Overh b e le i d O v e r ig% bedrijven jun '04 dec 04 jun '05

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine 10 Jaargang 6 in aanmerking nemende zijn de relatief hoogst scorende factoren de beschikbaarheid van financile middelen (van 14 naar 22%), overige factoren (van 13 naar 34%) en een goede marktwerking, toegenomen van 11 naar 18 procent. In het geval van Curaao (zie grafiek 5) wordt wederom door veel respondenten aangegeven dat bevordering van investeringen niet van toepassing was (54%). Bij vrijwel alle mogelijkheden is sprake van een toename (overig bleef ongewijzigd). Vooral positief van invloed op investeringen zijn ook nu weer de beschikbaarheid van financile middelen (van 15 naar 17%), overige factoren (bleef 11%) en de factor goede marktverwachtingen: van 9 naar 11 procent. De gegevens van St. Maarten (grafiek 6) laten hier, zoals blijkt uit de resultaten van de enqute, een wat afwijkend beeld zien t.o.v. de Benedenwindse eilanden. De mogelijkheid niet van toepassing wordt slechts in 26 procen t van de gevallen positief beantwoord. De drie mees t genoemde factoren zijn hier een goede marktwerking (afgenomen van 30 naar 17%), beschikbaar heid van financile middelen (van 21 naar 26%) en de rendementsverwachting die is afgenomen van 25 naar 18 procent. Concurrentiepositie Via een tweetal vragen ove r de binnenlandseen buitenlandse markt geeft de conjunctuurenqute inzicht in de concurren tiepositie van bedrijven op de eilanden. Ondernemer s hebben aangegeven of deze t.o.v. dezelfde periode van het voorgaande jaar verbeterd, onveranderd, verslechterd of niet van toepassing is (bijv. indien men de enige aanbieder is op de markt of als men geen concurrentie van het buitenland ondervindt). Net als op de overige eilanden geven de meeste bedrijven in Bonair e weer aan dat hun concurrentiepositie op de binnenlandse markt ongewijzigd is in vergelijking met dezelfde periode van 2004. Het percentage is toegenomen van 41 naar 49 procent, zie grafiek 7. Een ongeveer geli jk aantal bedrijven als tijdens de vorige enqute geeft aan dat de concurrentieposi tie verbeterd is; ruim 19 procen t. Iets minder bedrijven geven aan dat deze verslechterd is (van 21 naar 18%). Gemiddeld genomen is er aldus sprake van een kleine verbetering van de concur rentiepositie van de bedrijven. Het percentage niet van toepassi ng is verder afgenomen naar 13 procent en komt daarmee wat meer in overeenstemming met de uitk omsten van de overige eilanden. Grafiek 4 Bevordering investeringen Bonaire in %0 10 20 30 40B e s c h g e k w p e r s B e s c h f i n m i d d G o e d e m a r k t v e r w R e n d e m v e r w R e n t e n i v o O v e r i g% bedrijven juni 04 dec '04 juni '05 Grafiek 5 Bevordering investeringen Curaao in %0 5 10 15 20 25 30B e s c h g e k w p e r s B e s c h i k b h f i n m i d d G o e d e m a r k t v e r w R e n d e m e n t s v e r w R e n t e n i v o O v e r i g% bedrijven juni '04 dec '04 juni '05 Grafiek 6 Bevordering investeringen St. Maarten 0 5 10 15 20 25 30 35B e s c h g e k w p e r s B e s c h i k b h f i n m i d d G o e d e m a r k t v e r w R e n d e m e n t s v e r w R e n t e n i v o O v e r i g% bedrijven juni '04 dec 04 juni '05

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 11 Voor wat betreft de buitenlandse markt (buite n de Nederlandse Antillen) kan worden opgemerkt dat ook nu weer veru it de meeste bedrijven hebben aangege ven dat dit niet van toepassing is: van 73 naar 60%. Ook in Curaao is dit het geval ( 66%) en in iets mindere mate in St. Maarten (62%). Voor zover er al spra ke is van buitenlandse concurre ntie wordt vooral aangegeven dat deze onveranderd is (met vrijwel identieke percentages): Bona ire 22 procent, Curaao 20 procent en St. Maarten 23 procent. Zoals reeds opgemerkt geven ook de meeste bedrijven in Curaao (wederom) aan dat de concurrentiepositie op de binnenlandse markt ongewijzigd is in vergelijking met dezelfde periode van het voorgaand j aar (van 53 naar 48%, zie grafiek 8). Een hoger percentage dan in december 2004 geeft aan dat deze verbeterd is: van 12 naar 15 procent. Nagenoeg eenzelfde aantal ondernemers geeft een verslechtering aan van de concurrentiepositie. Ook in Sint Maarten (g rafiek 9) geven veel bedrijven, nog meer dan op de andere eilanden, te kennen dat de concu rrentiepositie op de binnenlandse markt ongewijz igd is gebleven; 61 procent (in december was dit 60%). Ook nu weer is gebleken dat er door relatief veel van de benaderde bedrijven wordt aangegeven dat er sprake is van een verbetering van de concurrentiepositie (ruim 20%). Het aantal bedrijven dat aangeeft dat er sprake is van een verslechtering van de conc urrentiepositie in Sint Maarten is afgenomen van 15 naar 12 procent. Ondernemersvertrouwen. Om inzicht te krijgen in het vertrouwen van bedrijven in onderneming en economie worden middels de conjunctuurenqute een drietal opinievragen gesteld. De eerste daarvan betreft het vertrouwen van ondernemers in de economie in vergelijking met de vorige enqute. Aangegeven kan worden of deze is verminderd, gelijk was gebleven of is verbeterd. Grafiek 7 Concurrentie binnenl. markt Bonaire in %0 10 20 30 40 50 60 verbeterdonveranderdverslechterdn.v.t.% bedrijven juni '04 dec '04 juni '05 Grafiek 8 Concurrentie binnenl. markt Curaao in %0 10 20 30 40 50 verbeterdonveranderdverslechterdn.v.t.% bedrijven juni '04 dec '04 juni '05 Grafiek 9 Concurrentie binnenlandse markt St. Maarten in %0 10 20 30 40 50 60 70verbeterd onveranderd verslechterd n.v.t.% companies June '04 Dec '04 June '05

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine 12 Jaargang 6 Grafiek 10 laat zien dat het ondernemersvertrouwen t.o.v. de voor gaande periode in Bonaire bij minder bedrijven gelijk is gebleven. Maar liefst 57 procent van de bedrijven geeft aan dat er geen verandering van het ondernemersvertrouwen is geweest. In december 2004 was dit nog 64 procent. In vergelijking met de vorige enqutes hebben iets meer bedrijven aangegeven dat het vertrouwen vermi nderd is (van nog geen 18 naar ruim19%). Iets meer bedrijven hebben aangegeven dat dit verbeterd is; van 19 naar 24 procent. Bij de meeste bedrijven is dus, net zoals op de overige twee eilanden, sprake van een statusquo en is het vertrouwen in de economie gelijk gebleven. De opiniemeting in Curaao laat in vergelijking met de voorgaande enqute van december een vrijwel ongewijzigd beeld zi en (zie grafiek 11). Meest opvallend is de verbetering van het vertrouwen in de economie met 3 procentpunten naar ruim 9 procent. Wederom ruim de helft van de genterviewden (52%) geeft aan dat het ondernemersvertrouwen in vergelijking met december onveranderd is gebleven. De situatie in Sint Maarten (grafiek 12) steekt in vergelijking met de l aatst gehouden enqute enigszins ongunstig af. De vermindering van het ondernemersvertrouwen is met 9 procent gelijk gebleven. De verbetering van het vertrouwen is echter afgenomen naar 23 procent (was 35%) en is daarmee op een zelfde niveau als Bonaire gekomen. Ook op Sint Maar ten geven de meeste ondernemers aan dat het ondernemersvertrouwen gelijk was gebleven; 68 procent (een toename van 11 procentpunten). Vertrouwen in de toekomst. Om inzicht te krijgen in het vertrouwen van bedrijven in onderneming en economie is er tevens een vraag gesteld of de betreffende onderneming de toekomst al dan niet met vertrouwen tegemoet ziet. Uit grafiek 13 blijkt dat in Bonaire minder bedrijven dan in voorgaande twee enqutes hebben aangegeven dat het vertrouwen in de toekomst is verbeterd. Was dit in december 2004 nog 71 procent, per juni jl. is dit ruim 55 procent. Grafiek 10 Verandering vertrouwen Bonaire per juni '05. 0 10 20 30 40 50 60 juni' 04 dec '04 juni '05% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Grafiek 11 Verandering vertrouwen Curaao per juni '05.0 10 20 30 40 50 60juni '04 dec '04 juni '05% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Grafiek 12 Verandering vertrouwen St. Maarten juni. '05.0 10 20 30 40 50 60 70 juni '04 dec '04 juni '05% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Grafiek 13 Vertrouwen toekomst Bonaire per juni '05.0 10 20 30 40 50 60 70juni '04 dec '04 juni '05% bedrijven ja nee geen mening

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 13 Het aantal bedrijven dat heeft aa ngegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst is toegenomen; van 8 naar 18 procent. Al met al is er dus sprake geweest van een ongunstige ontwikkeling van het vertrouwen in de toekomst. Duidelijk meer be drijven dan in de vorige twee enqutes geven aan geen mening te hebben (27%). In Curaao is in tegens telling tot de andere eilanden sprake van een toename van het aantal bedrijven dat vertrouwen heeft in de toekomst (zie grafiek 14). De gestelde vraag wordt in bijna 48 proc ent van de gevallen met ja beantwoord, dit is 5 procentpunten meet dan in december 2004. In 30 procent van de gevallen wordt aangegeven dat men geen vertrouwen heeft in de toekomst, 2 procentpunten minder dan in afgelopen december. Al met al kan van een gunstige ontwikkeling worden gesproken. Ruim 22 procent van de ondernemers geeft aan geen mening te hebben over de gestelde vraag. De situatie in Sint Maar ten (grafiek 15) blijft gunstig in vergelijking met de andere twee eilanden. Het vertrouwen in de toekomst is weliswaar iets afgenomen doch blijft met 72 procent zeer duidelijk aanwezig. Bovendien geft nog maar 4 procent van de ondernemers aan gn vertrouwen in de toekomst te hebben, een vermindering met 2 procentpunten t.o.v. de vorige periode. Een iets groter deel van de ondernemers geeft aan geen mening te hebben t.a.v. het vertrouwen in de toekomst (23 procent). Investeringsklimaat. Bij de vraag betreffe nde het investeringsklimaat kan worden aangegeven of het oordeel hierover goed, matig of slecht is. Het onderzoek wijst uit dat er sprake is van een (geringe) verbet ering t.o.v. de vorige enqute van december. Grafiek 16 laat zien dat het investeringsk limaat in Bonaire door de meeste genterviewden (61%) wordt beoordeeld als matig. Het percentage bedrijven da t aangeeft het slecht te vinden neemt af van 23 naar 18 procent. Bijna 21 procent van de bedrij ven oordeelt het investeri ngsklimaat als goed, in december was dit nog 19 procent. Aldus kan van een gunstige ontwikkeling gesproken worden. Grafiek 14 Vertrouwen toekomst Curaao per juni '05.0 10 20 30 40 50 juni '04 dec '04 juni '05% bedrijven ja nee geen menin g Grafiek 15 Vertrouwen toekomst St. Maarten per juni '05.0 10 20 30 40 50 60 70 80 juni '04 dec '04 juni '05% bedrijven ja nee geen mening Grafiek 16 Perceptie investeringsklimaat Bonaire juni '05.0 10 20 30 40 50 60 juni '04 dec '04 juni '05% bedrijven goed matig slecht

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine 14 Jaargang 6 In Curaao hebben de meeste bedrijven weer aa ngegeven dat zij het investeringsklimaat matig, dan wel slecht vinden (rond de 47%, zie ook grafie k 17). Het percentage slecht is weliswaar iets afgenomen naar bijna 44 procent doch blijf t hoog, ook in vergelijking met Bonaire (18%) en met Sint Maarten (11%). Ook nu weer heeft een klein percentage van de ondervraagden aangegeven het investeringsklimaat goed te kunnen noemen (7% tegen 4% in december 2004). De meningen in Sint Maarten zijn wederom positiever dan de vorige ke er (zie grafiek 18). Bijna 61 procent van de ondernemers geeft aan het klimaat als matig te beoordelen. Opvallend is de toename van het percentage bedrijven wat het investeringsklimaat goed vindt; dit is toegenomen van 23 naar 29 procent. Het deel van de ondernemers wat van mening is dat het investeringsklimaat in Sint Maarten slecht is verminderde van 13 naar nog geen 11 procent. Al met al is er sprake van een relatief gunstige perceptie, zeker ook in vergelijking met Curaao. Bedrijfsresultaten. Middels de conjunctuur enqute is eveneens nagegaan of het netto bedrijfsresultaat vr winstbelasting, een zeer belangrijke parameter voor bedrijven, naar verwachting positief of negatief zal zijn. Opgemerkt moet worden dat de hier vermelde percentage s gn inzicht geven in de grootte van de bedrijf sresultaten alsmede in effecten van faillissementen van bedrijven. In Bonaire is uit het onderzoek naar voren gekomen dat 62 procent van de benaderde bedrijven in 2005 een positief bedrijfsresultaat verwacht (zie grafiek 19). Dit is een toename van 4 procentpunten t.o.v. 2004. Ruim 38 procent van de benaderde bedrijven verwacht een negatief bedr ijfsresultaat (verlies), een afname van 4 procentpunten t.o.v. het voorgaande jaar. Al met al lijken de bedrijfsresultaten zich in gunstige zin te ontwikkelen. Gebleken is dat in Curaao (zie grafiek 20) deze voor bedrijven zo belangrijke parameter, de bedrijfsresultaten, weer belangrijk in omvang is toegenomen. Ruim 71 procent van de bedrijven verwacht over 2005 een positief resultaat. Over 2004 was dit 59 procent. Een opmerkelijke toename van 12 procentpunten. Grafiek 17 Investeringsklimaat Curaao per juni '05. 0 10 20 30 40 50 60 juni '04 dec '04 juni '05% bedrijven goed matig slecht Grafiek 18 Investeringsklimaat St. Maarten per juni '05.0 10 20 30 40 50 60 70juni '04 dec '04 juni '05% bedrijven goed matig slecht Grafiek 19 Bedrijfsresultaten Bonaire '03, '04 en prognose 20050 10 20 30 40 50 60 2003 2004 prognose2005% bedrijven pos neg

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 15 Bijna 29 procent van de benaderde bedrijven verwacht een negatief bedr ijfsresultaat (verlies), een navenante afname van 12 procentpunten t.o.v. het voorgaande jaar. Opmerkelijk is hierbij overigens dat de verwachte stijging van de bedrijfsresultaten overeenstemt met de hiervoor genoemde verbeterde perceptie van de toekomst. Het percentage bedrij ven met een positief resultaat is nu vrijwel identiek aan St. Maarten (70%) en wat hoger dan Bonaire (62%). In St. Maarten wordt, in vergelijking met het onderzoek van 2004, ook weer een verbetering waargenomen van het pe rcentage positieve bedrijfsresultaten (grafiek 21). Ruim 70 procent van de bedrijven geeft aan een positief netto bedrijfsresultaat te verw achten. In 2004 lag dit op 64 procent. Het percenta ge bedrijven welke een verlies tegemoet ziet is dienovereenkomstig afgenomen van 36 naar 30 procent. Aldus heeft zich ook hier een gunstige ontwikkeling voor gedaan, welke ook in overeenstemming is met de positieve percepties van ondernemers op dit eiland. Grafiek 20 Bedrijfsresultaten Curaao '03 en '04 en prognose 20050 10 20 30 40 50 60 70 2003 2004 prognose 2005% bedrijven pos neg Grafiek 21 Bedrijfsresultaten St. Maarten '03, '04 en prognose '05.0 10 20 30 40 50 60 70 2003 2004 prognose 2005% bedrijven pos. neg.

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine 16 Jaargang 6 Internationale economische ontwikkelingen in 2004 en 2005 Maureen Bergwijn-Blokland Inleiding Dit artikel bevat een beschr ijving van internationale economische ontwikkelingen in 2004 en 2005. De beschrijving is gebaseerd op een combinatie van cijfers en analyses uit de World Economic Outlook van april 2005 van het Internationaal Mo netair fonds (IMF), het Oil Market Report van de In ternational Energy Agency (IEA), en analyse van in deze documenten opgenomen tabellen. Ontwikkelingen in 2004 De wereld economie is in 2004 gegroeid met 5,1 procent reel, 1,1 procent punten meer dan in 2003. In de analyse wordt onderscheid gemaakt in ontwikkelingen in 2 grote groepen van landen t.w. 1. De ontwikkelde landen; hieronder vallen de US, het Europese Unie Japan, UK, Canada, en de overige ontwikkelde landen waaronder de NIE (Newly Industrialis ed Asian economies) 2. De overige opkomendeen ontwikkelingslanden (other emerging market and developing countries) waaronder Afrika, Centraal en Oost Europa, Verenigde Onafhankelijke Staten (Commonwealth of Independent States, CIS1), China, India, Asean42, het Midden Oosten, en Latijns Amerika en het Caribische gebied. Uit tabel 1 blijkt dat in de ontwikkelde landen een rele economische groei heeft plaatsgevonden van 3,4 procent, 1,4 procentpunten meer dan in 2003. De toename van economische activiteiten heeft in alle genoemde ontwikkelde landen plaatsgevonden. 1 Rusland, Oekraine, Kazakhstan, Belaru s, Armenia, Azerbaijan, Georgia, Ky rgyz Republic, Moldova, Tajikistan, Uzbekistan 2 Indonesia, Malaysia, the Philippines, Thailand De wereldeconomie zal naar verwachting in 2005 gegroeid zijn met 4,3 procent, minder snel dan in 2004. De lagere groei heeft vooral te maken met de prijsontwikkelingen op de oliemarkten. Grootschalige natuurrampen, zoals de tsunami in Zuid Azi in december 2004, hebben naar verwachting minder invloed gehad op het totaal, gezien de geringe invloed van de getroffen gebieden op de wereldeconomie.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 17 Tabel 1. Rele groei Bruto Binnenlands Product 2003-2005 200320042005 1. Ontwikkelde landen waarvan: Verenigde Staten 3,04,43,6 Europese Unie 0,52,01,6 Japan 1,42,60,8 Verenigde Koninkrijk/Engeland 2,23,12,6 Canada 2,02,82,8 Overig 2,54,43,4 Subtotaal 2,03,42,6 2. Overige opkomende landen en ontwikkelingslanden waarvan: Afrika 4,65,15,0 Centraal en Oost Europa 4,66,14,5 Verenigde Onafhankelijke Staten 7,98,26,5 China, India en ASEAN-4 8,18,27,4 Midden Oosten 5,85,55,0 Latijns Amerika en Caribische gebied 2,25,74,1 Subtotaal 6,47,26,3 Totaal 4,05,14,3 Opvallend is de sterkere economische gr oei in Japan en het Euro gebied. De groei in Japan is bijna verdubbeld van 1,4 pr ocent in 2003 tot 2,6 procent in 2004. De groei heeft met name plaatsgevonden in het eerste kwartaal van 2004. In de overige kwartalen was nauwelijks sprake van groei vanwege een dalende particuliere consumptie en afname van de internationale vraag naar IT producten met als gevolg een daling van de exporten en investeringen. Het rele Bruto Binnenlands Product in het Euro gebied is gestegen van 0,5 procent naar 2 procent. De groei is het gevolg van een verbeter ing van de economien van enkele landen die in 2003 een negatieve groei hebben doorgemaakt t.w Duitsland, Nederland en Portugal. De toename van het rele BBP heeft met na me in de eerste helft van 2004 plaatsgevonden voornamelijk als gevolg van een stij ging van de exporten. In de tweed e helft van 2004 is de groei beperkt gebleven vanwege o.a. de negatieve effect en van de appreciatie van de Euro (duurdere exporten), stijgende olieprijzen en afneme nde consumptie en ondernemersvertrouwen. Tabel 2. Rele groei Bruto Binnenlands Product Euro gebied 200320042005 Euro gebied waarvan: Duitsland -0,11,70,8 Frankrijk 0,52,32,0 Itali 0,31,21,2 Spanje 2,52,72,8 N ederland -0,91,31,5 Belgi 1,32,72,1 Oostenrijk 0,82,02,1 Finland 2,43,73,1 Griekenland 4,74,23,0 Portugal -1,21,01,8 Ierland 3,75,14,8 Luxemburg 2,44,43,5 Totaal 0,52,01, 6

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine 18 Jaargang 6 In de overige opkomendeen ontwikkelingsla nden heeft een economische groei plaatsgevonden van 7,2 procent. Deze groei is hog er dan de groei van 5,1 pro cent van de wereld en tevens sterker dan de groei van 6,4 pr ocent in 2003. Opvallend is de meer dan verdubbeling van de groei in Latijns-Amerika en het Caribische ge bied (zgn. Western Hemis phere). Het rele Bruto Binnenlands Product (BBP) van deze regio is gestegen van 2,2 procent in 2003 tot 5,7 procent in 2004. Hieronder volgt een verdere analyse. Het IMF maakt onderscheid in drie blokken t.w.: 1. Mercosur inclusief geassocieerde landen: Argentini, Brazili, Paraguay, Uruguay, Bolivia, Chili 2. Andes regio: Colombia, Ecuador, Peru, Venezuela 3. Mexico, Centraal Amerika en het Caribische gebied3 In de Mercosur landen heeft een economische groei plaatsgevonden van 6,1 procent t.ov 2,6 procent in 2003. In Uruguay is de economie gegroeid met maar liefst 12 procent reel, hetgeen gelijk is aan een stijging van b ijna 10 procentpunten t.o.v. 2003. Tabel 3. Rele groei BBP, inflatie, saldo lopende rekening van de betalingsbalans rele groei BBP inflatie saldo lopende rekening Omschrijving % % % van het BBP 200320042003 2004 20032004 Latijns Amerika en Caribische gebied 2,25,710,6 6,5 0,40,8 1. Mercosur waarvan: 2,66,113,4 5,7 1,51,9 Argentini 8,89,013,4 4,4 5,82,0 Brazili 0,55,214,8 6,6 0,81,9 Chile 3,36,02,8 1,1 -1,61,5 Uruguay 2,512,019,4 9,2 0,7-0,3 2. Andes regio waarvan: 1,47,310,5 8,3 3,54,4 Colombia 4,04,07,1 5,9 -1,5-1,1 Ecuador 2,76,67,9 2,7 -1,7-0,5 Peru 3,85,12,3 3,7 -1,8-0,1 Venezuela -7,717,331,1 21,7 13,613,5 3 Mexico, overige Centraal Amerikaanse landen Caribische gebied w.v. 1,94,06,0 7,1 -1,6-1,6 Mexico 1,64,44,5 4,7 -1,3-1,3 Centraal Amerika 3,53,55,7 7,2 -5,1-5,1 Caribische gebied 1,42,119,4 29,0 0,4-0,6 In de Andes regio heeft een groei plaatsge vonden van 7,3 procent t.o.v. 1,4 procent in 2003. Koplopers worden gevormd door Venezuela en Ecuador. In beide land en is de economische groei een gevolg geweest van stijgende olie ex porten. De economie van Venezuela is in 2004 gegroeid met 17,3 procent reel, na een daling van bijna 8 procen t in 2003. De bijna 7 procent economische groei in Ecuador in 2004 volgt na een groei van 2,7 procent in 2003. In de derde groep van landen is de economie gegroeid met 4 pro cent, ongeveer 2 procentpunten meer dan in 2003. Binnen deze groep heeft de mees t sterke groei plaatsgevonden in Mexico, met 4,4 procent. Mexico behoort evenals Venezuela en Ecuador tot de olie exporterende landen. De toenemende olie exporten en -prijzen hebben een positief effect gehad op de economien van 3 Centraal Amerika: Costa Rica, El Salv ador, Guatemala, Honduras,Nicaragua, Panama Caribische gebied: Antigua and Barbuda, The Baha mas, Barbados, Dominica, Dominicaanse Republiek, Grenada,Guyana, Hati, Jamaica,St.Kitts and Nevis, St.Lucia St.Vincent and the Grenadines, Trinidad and Tobago

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 19 deze landen. De groei in het Caribische gebied is o.a. benvloed door de negatieve effecten op het productiepotentieel van orkaan Iv an in enkele Caribische landen. Bij de analyse van het rele BBP zijn ontwikkeli ngen van inflatie en het saldo op de lopende rekening ook van belang. Het in flatiepercentage is met 4,1 procentpunten gedaald van 10,6 procent in 2003 naar 6,5 procent in 2004. De da ling heeft met name pl aatsgevonden in het Mercosur gebied en de Andes regio. Het inflatie percentage in het Mercosur gebied is gedaald van 13,4 procent naar 5,7 procent, en in de Andes regio van 10,5 naar 8,3 procent. Hoge inflatielanden zijn Argentini, Brazili Uruguay en Venezuela met double digit4 inflatie. Het saldo op de lopende rekeni ng van de betalingsbalans is ge stegen van 0,4 procent naar 0,8 procent van het BBP. Deze verbetering van de betali ngsbalans heeft evenals de inflatie met name plaatsgevonden in het Mercosur gebied en Andes regio. Schatting 2005 Voor 2005 wordt de groei van de wereld econ omie geschat op 4,3 pro cent hetgeen 0,8 procent lager is dan de groei in 2004. Zowel in de ontwikkelde landen als opkomendeen ontwikkelingslanden wordt een mi nder sterke groei verwacht. Uit tabel 1 blijkt dat voor de ontwikkelde landen een groei van 2,6 procent is geschat, hetgeen 0,8 procentpunten minder is dan de groei in 2004. De groei is in alle aangehaalde ontwikkelde landen (groepen) minder sterk me t uitzondering van Canada. De groei voor dit land is evenals in 2004 geschat op 2,8 in 2005. De verwachte groei in Japan is minder dan de helft van de groei in 2004. Deze verwachting is gebas eerd op de eerder aangehaalde ontwikkeling in de laatste kwartalen van 2004 en de verwach ting dat de appreciatie van de Yen een negatief effect zal hebben op de exporten. De economische groei in de opkomendeen ontwi kkelingslanden is gesc hat op 6,3 procent, hetgeen een daling van 0,9 procen t punten inhoudt. Qua minder st erke groei voeren de Verenigde Onafhankelijke Staten (-1,7 % punten), Centraal en Oost Europa (-1,6 % punten) en LatijnsAmerika en het Caribische gebied (-1,6 % punt en) de boventoon. Uruguay en Venezuela die een double digit groei hebben gere aliseerd in 2004 zullen naar sc hatting een minder sterke rele groei van rond de 5 procent realiseren in 2005. De lagere schatting met betrekki ng tot de internationa le economische groei heeft o.a. te maken met ontwikkelingen op de internat ionale olie markt. Verder zi jn voor Zuid Azi (met name Indonesi, Maldieven, Sri Lanka en Thailand) de verwachti ngen enigszins benedenwaarts aangepast na de december 2004 Tsunami. De verwach ting is nl. dat het effect van de Tsunami schade op de BBP groei marginaal zal zijn, aang ezien de getroffen gebieden slechts een klein aandeel hebben in het BBP en de reconstructi e activiteiten tot een toename van het BBP zullen leiden. Ontwikkelingen op de oliemarkt worden benvloed door vraag en aanbodfactoren en zijn van grote invloed op de wereldeconomie. Stijgende olie prijzen: kunnen namelijk leiden tot een daling van het vertrouwen van ondernemers en consumenten in de economie met als ge volg een negatief effect op economische activiteiten; werken door in o.a. transporten producti ekosten met een negatief effect op de toegevoegde waarde bij ge lijkblijvende productie; 4 10 procent en meer en minder dan 100 procent

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine 20 Jaargang 6 kunnen ook een inflatoir effect hebben op de economie. De vraag naar olieproducten wordt voornamelij k uitgeoefend door de ontwikkelde landen. De VS, OECD Europa en Japan consumeren tezam en ongeveer de helft van de jaarlijkse wereldproductie van olieproducten (zie grafiek 1). De consump tie van olieproducten in de overige gebieden van de wereld is sterk aan het stijgen met name in China vanwege tekorten aan elektrische energie met als gevolg overschakeli ng naar diesel genera toren. Van de diverse olieproducten is de vraag naar olieproducten voor transportdoeleinden de zgn. transport fuels (gasoline, jet fuel, diesel etc.) het grootst. Grafiek 1. Procentueel aandeel internationale vraag naar olieproducten, 2004 Het aanbod van olieproducten kan worden onderverdeeld in: Productie van OPEC; de OPEC landen bezitten ca. 70 procent van de olie reserves. Deze landen zijn erg afhankelijk van opbrengsten uit de verkoop van olieproducten en ze benvloeden de wereldmarktprijs door aanpa ssing van de aangeboden hoeveelheden. Hun marktaandeel is gelijk aan 55 procent. Producenten van niet-OPEC landen. De niet-O PEC landen bezitten 30 procent van de wereldreserves. Het marktaandeel is gelijk aan 45 procent. De verwachting is dat er in de komende periode ee n spanning zal blijven bestaan tussen de vraag naar en het aanbod van olieproducten met al s gevolg een opwaartse druk op de prijzen. Bronnen: World Economic Outlook, Globalisation and Ex ternal Imbalances, Inte rnational Monetary Fund, April 2005 International Energy Agency, Oil Ma rket Report, December 2004, July 2005 25% 19% 7% 8% 4% 3% 34% VS OECD Europa Japan China CIS India Overig

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 21 The semi-annual price developments Chequita Goedhoop Introduction In this article the Central Bureau of Statistics publishes the developments of the consumer price indices of the first half of 2005 in comparison with data of the first half of 2004 for the islands Bonaire, Curaao and Sint Maarten. The prices in the first half of 2005 have increased for Bonaire with 1.5 percent a nd there has been a price increase of 2.8 percent for Curaao and Sint Maarten. In the following tables the results of the five semiannual periods, namely for 2003, 2004 and the first half of 2005 are shown. The percentages are always related to the mutations in the c oncerning six-month period compared to the six-month period of the year before. The developments are described by sector. Bonaire In the first half of 2005 th e prices in Bonaire have increased with 1.5 percent compared to the first half of 2004. This is a lower percenta ge compared to the second half of 2004, when a change of 1.9 percent occurred. The most notable changes in the first half of 2005 are increases in the sectors food, household furnishing and appliances and housing and furthermore a decrease in the sector beverages and tobacco. Food The index of food has st eadily increased from a lowest 1.9 percent in the first half of 2003 to the highest 5.2 percent in the second half of 2004. In 2005 the mutation has decreased to a percentage of 4.4. Within the sector the larg est increases occurred in the groups fats and cooki ng oils (14.7%) and meat and fish (11.8%) in the firs t half of 2005. During this period prices has increased least in the group sugar and chocolate with 2.1 percent. Consumer prices rose with 1.5 percent in Bonaire and with 2.8 percent in Curaao and St. Maarten in the first half of 2005. Main cause for the increase of the CPI on all islands was the raise in the price index of food. For non-food, the increase of domestic services costs made a considerable contribution to the mutation of the CPI of the Leeward Islands.

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine 22 Jaargang 6 Table 1. Consumer Price indices Bonaire: total population Percent mutations compared to the same period of the previous year Article Weight2003 2004 2005 1st2nd1st2nd 1st Food 1819 +1.9+3.9+4.8 +5.2 +4.4 Beverages and tobacco 327 -2.9+3.3+3.7-1.1 -4.8 Clothing and footwear 720 +0.0+0.0+0.2 +0.3 +0.0 Housing 2519 +1.8+1.7+1.7 +1.8 +1.9 Household furnishing and appliances 886 -0.3+1.8+0.4 +0.8 +3.4 Medical care 157 +1.0+3.0+2.2 +0.2 +0.8 Transportation and communication 1860 -1.2-1.3+0.5+1.6 +0.6 Recreation and education 922 +0.0+0.0+0.1 +0.1 +0.0 Miscellaneous 790 -0.5+0.7+1.3 +1.1 +0.7 Total 10000 +0.4+1.2+1.7 +1.9 +1.5 Household furnishing and appliances The groups domestic services and household articles have increased with 15.2 and 10.1 percent which as a consequence has risen the index for the sector household furnishing and appliances as a total to a percen tage of 3.4 in the first half of 2005. The percentage of 3.4 is the highest mutation of all the semi-annuals from the year 2003 till 2005. The lowest mutation ( 0.3%) is reached in the first half of 2003. Housing The price within the sector housing has incr eased by 1.9 percent in the first half of 2005. The price changes do fluctuate between 1.7 and 1.9 percent. In the pe riod under consideration price increases occurred in the groups energy expenses, maintenan ce of dwelling and garden maintenance. The largest contributors for the ri se in the group energy expenses during this period are the two price incr eases of electricity in 2005. Beverages and tobacco Prices within the sector beverages and tobacco have decreased by 4.8 percent due to a drop of the prices in the group beverages. Other sectors For the sectors medical care, transport and communication and miscellaneous moderate price increases of less than 1 pe rcent took place in the first half of 2005. The changes in the price indices of the sectors clothi ng and footwear and recreation a nd education were moderate during the period unde r consideration. Curaao In the first half of 2005 the prices in Curaao have increased with 2.8 percent compared to the first half of 2004. In the second half of 2004 a percentage of 1.7 was measured. Of the nine sectors from which th e price index is built eight sectors show price increases in the first half of 2005. The largest price increases are attributed to the sect ors food and household furnishing and appliances. One sector, cloth ing and footwear, registers a price fall. Food Increases within this sector have occurred in ev ery semi-annual, with the lowest percentages in the first half of 2003 (1.7 %). The highest percentage of 7.2 percent is reached in the first half of

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 23 2005.The main contributors to th is change are a 16.2 percent incr ease for potatoes, vegetables and fruits and an 8.4 percent in crease for sugar and chocolate. Table 2. Consumer Price indices Curaao: total population Mutations in terms of percentage over th e same period of the previous year Article Weight 2003 2004 2005 1st2nd1st2nd1st Food 1377 +1.7+2.6+3 .8+5.7+7.2 Beverages and tobacco 243 -0.7-0.5-0.6-0.5+2.2 Clothing and footwear 689 -0.4+1.0+0.3-0.8-0.8 Housing 3053 +9.0+3.2+1 .4+1.6+2.3 Household furnishing and appliances 720 +2.5+2.4+0 .3+0.6+5.7 Medical care 235 -0.1+1.5+1.4+0.9+1.8 Transportation and communication 2064 -0.3-2.3-0.1+0.9+1.7 Recreation and education 894 +0.2-0.1+0.0+0.4+0.4 Miscellaneous 725 +1.0+0.5+0 .5+0.7+1.0 Total 10000 +3.0+1.2+1 .1+1.7+2.8 Household furnishing and appliances The increase in the price index for the groups furniture and illumina tion (15.9%) and for domestic services (15.2%) are main ly responsible for the 5.7 per cent increase in the price index for the sector household furnishing and applia nces in the first half of 2005. Mutations were considerably lower in the previous periods presente d in the table. Housing The increase of 2.3 percent for the sector housing in the first half of 2005 is a combined result of a price increase for the group energy expenses (+12.8%) a nd a fall for the group water (7.8%). The increase in the group energy expenses is mainly a result of higher electricity and gas cylinder prices. In 2004, price changes in this sector were below 2 percent, a remarkable difference compared to the rise in the half year indices of 2003. Beverage and tobacco In the first half of 2005 the price index of the se ctor beverages and toba cco has increased with 2.2 percent, mainly due to price increases in the group beverages (2.7%) and a moderate price increase in the group tobacco (0.1%). Other sectors For the sectors medical care, transport and communication, miscellaneous and recreation and education price increases range between 0.4 percent and 1.8 percent in the period under consideration (see table 2). The pr ice index of the sect or clothing and foot wear has dropped in three out of five periods. Sint Maarten In the first half of 2005 the prices in Sint Maarten have increase d with 2.8 percen t compared to the first half of 2004. This is the same percentage as in th e second half of 2004. Of the nine sectors from which the price index is built up, seven sectors show price increases in the first half of 2005, where the largest contributor to the total in crease in CPI is the index of the food sector, with a 6.2 percent rise, followed by th e sector transport and communication with a

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine 24 Jaargang 6 rise of 3.4 percent. Two sectors register a price drop: medical care and clothing and footwear. Table 3. Consumer Price indices Sint Maarten: total population Mutations in terms of percentage over th e same period of the previous year Article Weight 2003 2004 2005 1st2nd1st2nd 1st Food 1377 +1.2+0.8+1.1 +2.2 +6.2 Beverages and tobacco 243 +0.4-0.2-0.7+2.7 +1.0 Clothing and footwear 689 -0.2+0.0+0.1+0.0 -0.6 Housing 3053 +4.0+3.8+2.8 +4.6 +3.1 Household furnishing and appliances720 +0.3+1.6+0.5 +0.8 +3.0 Medical care 235 +0.7+0.3-1.0-1.0 -1.0 Transportation and communication 2064 +0.5+0.6+1.8 +4.5 +3.4 Recreation and education 894 +0.2+0.5+0.1 +0.1 +0.0 Miscellaneous 725 +0.8+0.7+0.5 +0.8 +1.2 Total 10000 +1.6+1.6+1.4 +2.8 +2.8 Food Between the first half of 2003 and the second half of 2004 the change in prices in the sector food fluctuated relatively m oderate between 0.8 and 2.2 percent compared to 6.2 percent in the first half of 2005. This sudden rise is main ly explained by high pric e changes in the groups fats and cooking oil (12.1%) and potat oes, vegetable a nd fruits (11.9%). Transport and communication After relatively moderate changes in the first th ree half-year periods, the index for transport and communication registered increases of 4.6 and 3.4 percent in thesecond half of 2004 and the first half of 2005 respectively. In the first half of 2005 the indices for the groups expenses for own transport vehicles and transport vehicles in ownership have increased with respectiv ely 10.1 percent and 2.3 percent. Within the latter of these groups it concerns the increase of petrol prices and the prices of cars. Housing The sector housing records an increase of 3.1 percent over the first half of 2005. This increase is a result of the growth of th e electricity and gas cylinder prices, which has contributed to the increase of the group energy expenses (8.9%). In all half-yea r periods under consideration the increases in the price index for housing were well above the average increase of total CPI. Household furnishing and appliances The index for household furnishing and appliances has risen with 3.0 percent in the first half of 2005 mainly to a price increase of 8.5 percent for the group domestic services. In the previous half-year periods, price changes were moderate. Other sectors Price increases for the sectors beverages and tobacco and miscellaneous are 1.0 percent and 1.2 percent in the first half of 2005. The price index of the sect or medical care has dropped with 1.0 percent and the index for the sector recreation and education remained unchanged.

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 25 Perceptie van corruptie in Bonaire en Curaao Ellen Maduro-Jeandor Inleiding In de vorige Modus editie werd een uiteenzetting gegeven van de resultaten van de in Bonaire en Curaao verrichte corruptiemeting, waarbij het ging om de volgende vraagstelling: 1. Hoe ernstig is volgens u de invloed van corruptie op dit eiland op uw persoonlijk en gezinsleven, het bedrijfsleven, de politiek, de normen en waarden in de maatschappij? 2. Denkt u dat de mate van corruptie de komende drie jaar zal veranderen? 3. Indien u met een toverstok corruptie zou kunnen verwijderen uit instituten, welke zou dan uw eerste keuze zijn? In deze uitgave worden de resultaten van Bonaire en Curaao in internationaal perspectief geplaatst. Perceptie corruptie Bonaire en Curaao in internationaal perspectief In 2003 werd door Transparency International (TI) voor het eerst in 48 lande n een corruptie-perceptie meting verricht. In 2004 werd wederom over de hele wereld de Global Corruption Barometer uitgevoerd, nu in 64 landen. De in 2004 gebruikte vragenlijst was er tevens op gericht een vergelijking te maken tussen kleinschalige en grootscha lige corruptie en tussen corruptie en andere maatschappelijke problemen. Tevens zijn vragen gesteld over omkoping. Volgens TI geeft een dergelijke grootschalige exercitie inzicht in de wijze waarop men wereldwijd tegen corruptie aankijkt. Tevens beschouwt de organisatie de publieke per ceptie van en ervaring met corruptie als een belangrijke indicator voor de mate van succes waarmee internationaal wordt getracht corruptie tegen te gaa n. Het is een middel om bewustwording op gang te brengen ten aanzien van datgene wat leeft in de sa menleving. Opgemerkt moet worden dat corruptie als ve rschijnsel geplaatst moet worden tegen de sociaalpolitieke en economische De resultaten van de corruptiemeting die in Curaao en Bonaire werd gehouden worden vergeleken met de uitkomsten van het internationale onderzoek uit 2004. De resultaten duiden op een wereldwijde bezor gdheid ten aanzien van politieke corruptie, meer nog dan de bezorgdheid dat corruptie invloed uitoefent op de persoonlijke levenssfeer.

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine 26 Jaargang 6 achtergrond van het land in kwestie en de maatschappelijke problemen aldaar. De invloed van corruptie De resultaten duiden op een wereldwijde bezor gdheid ten aanzien van politieke corruptie. De perceptie is dat corruptie meer dan het persoonlijke, gezinsen bedrijfsleven de politiek benvloedt. In de meeste landen waar de meting is verricht komen politieke partijen naar voren als het instituut dat het meest door corruptie wordt getroffen. In 2004 komt het parlement op de tweede plaats en dele n politie en gerecht de derde plaats. In de meting van 2003 werden de politieke partijen, gevolgd door gerecht en politie, het vaakst genoemd. Internationaal worden de re sultaten beschouwd als indicator voor de teleurstelling onder de burgers in hun politici en parlementarirs en wa ntrouwen ten aanzien va n politieke partijen en leiders. Daar bovenop wordt ook de wettelijke macht als corrupt aangemerkt. In Curaao en Bonaire is naast een duidelijk uitgesproken mening over politieke corruptie geen sprake van een duidelijke tweede keuze van een instituut waarbinne n men corruptie gelimineerd wilde zien. Het percentage dat voor de overige instituten heef t gekozen was relatief laag. In Bonaire heeft 7 procent van de respondenten gerecht en onderwijssysteem als eerste keuze en in Curaao valt de keuze op dezelfde instituten met respectievelijk 11 en 10 procent. Perceptie van de ve rschillende groepen Volgens de Transparency International Globa l Corruption Barometer van 2004 blijken jongeren en lage inkomensgroepen een ne gatievere perceptie te hebben ten aanzien van corruptie. De resultaten van de corruptiemeting in Bonaire en Curaao wijken hier van af, behalve op politiek vlak voor Bonaire in verband met de variabele leeftijd (tabel 10). Ten aanzien van de verwachting over veranderi ng in het corruptieniv eau voldoet met name Bonaire (58%) en in mindere mate Curaao (51 %) aan de internationale bevindingen onder de jongeren. 56 Procent van de jongeren in Bonaire vindt da t eliminering van politieke corruptie de hoogste prioriteit is. Voor de overige leef tijdsgroepen is het percentage lager. In Curaao zijn het de respondenten in de middelbare leeftijd die het vaakst eliminering van corruptie binnen de politieke partijen als prioriteit zien. Tabel 1. Verwachting en prioriteit inzake corruptie, naar leeftijd Bonaire Curaao leeftijd Toename corruptie iets tot veel Eliminatie corruptie in de politiek Toename corruptie iets tot veel Eliminatie corruptie in de politiek <= 39 58565152 40 59 46514954 60 + 54474745 Gemiddelde 52514951 Tabel 2. Perceptie invloed corrupt ie internationaal, naar inkomen1 inkomen Kleinschalige corruptie als ernstig probleem Grootschalige corruptie als ernstig probleem Invloed op persoonlijk en gezinsleven ernstig-zeer ernstig Verwachting da t corruptie veel zal toenemen Laag (Low) 506125 23 Midden (Medium) 435618 20 Hoog (High) 385215 16 Gemiddelde 455720 21 1 Internationaal worden de inkomenscate gorien aangeduid met Low, Medium, High.

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 27 Ten aanzien van inkomen geeft de meting interna tionaal als resultaat da t respondenten met de laagste inkomens in hogere mate corruptie al s een ernstig probleem zien dan die met hoge inkomens. Met betrekking tot andere maatschappe lijke problemen wordt wereldwijd hetzelfde patroon gesignaleerd, namelijk een negatieve reactie van lage inkomensgroepen in hun beleving van betreffende verschijnsel en in de maatschappij. Voor Bonaire en Curaao geldt di t resultaat niet voor alle leve nsterreinen. Res pondenten in de laagste inkomensgroep zien zich in ieder geva l in hun gezinsen persoonlijk leven in hogere mate dan de overige inkomensgroepen ernstig door corruptie benadeeld. Ten aanzien van het bedrijfsleven is hun perceptie ook enigszins ne gatiever dan de overige inkomensgroepen. Ten aanzien van de overige levensterreinen bl ijkt voor Curaao dat naarmate het inkomen toeneemt de perceptie wat negatiever is. Tabel 3 Perceptie invloed corruptie op levensterreinen naar inkomen (Bonaire) inkomen Invloed op persoonlijk en gezinsleven ernstig-zeer ernstig Invloed op bedrijfsleven ernstig-zee r ernstig Invloed op politie k ernstig-zeer ernstig Invloed op normen en waarden ernstigzeer ernstig 0 1000 56,8 68,980,075,0 1001 3999 44,1 64,283,881,6 4000+ 22,9 65,783,679,7 Gemiddelde 43,4 65,682,979,7 Tabel 4 Perceptie invloed corruptie op levensterreinen naar inkomen (Curaao) inkomen Invloed op persoonlijk en gezinsleven ernstig-zeer ernstig Invloed op bedrijfsleven ernstig-zee r ernstig Invloed op politie k ernstig-zeer ernstig Invloed op normen en waarden ernstigzeer ernstig 0 1000 71,284,091,690,1 1001 3999 63,182,892,491,6 4000+ 48,282,794,493,6 Gemiddelde 63,383,292,591,4 Ondanks dat respondenten in de hoogste inkomensklasse in mindere mate dan de overige groepen verwachten dat corruptie in de nabije to ekomst zal toenemen is het met name voor deze categorie hoge prioriteit dat co rruptie in de politiek wordt ge limineerd. Op beide eilanden heeft ruim meer dan de helft van de respondent en in de hoogste inkomensgroep deze wens. Tabel 5.Verwachting en prioriteit inzake corruptie, naar inkomen (Bonaire) Inkomen Toename corruptie iets tot veel Eliminatie corruptie in de politiek 0 1000 5345 1001 3999 5552 4000+ 4258 Gemiddelde 5251 Tabel 6. Verwachting en prioriteit inzake corruptie, naar inkomen (Curaao) Inkomen Toename corruptie iets tot veel Eliminatie corruptie in de politiek 0 1000 5147 1001 3999 5051 4000+ 4155 Gemiddelde 4944

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine 28 Jaargang 6 Vergelijking tussen landen Perceptie invloed corruptie op vier levensterreinen Analyse per land heeft uitgewez en dat landen onderling grote verschillen vertonen in hun perceptie van corruptie als een significante fact or die invloed heeft op de vier verschillende levensterreinen (tabel 7). In de ze beschrijving is pe r gebiedsdeel een sel ectie gedaan uit de resultaten van de verschillende landen voor wat de antwoordcategorie heel significant betreft. De algemene perceptie van respond enten in West Europese landen is vrij positief als het op het persoonlijk en gezinsleven aankomt. Respondenten uit deze landen menen dat ze in hun priv sfeer niet getroffen worden door corruptie. Ditz elfde geldt ook voor sommige Aziatische landen zoals Hong Kong en Japan. Anderz ijds spreken Canada, Verenigde Staten en in ergere mate Latijns Amerikaanse, Carabische en Afrikaanse landen hun bezorgdheid uit over de invloed van corruptie op de persoonlijke levenssfeer. In de laatst genoemde drie gebieden is doorgaans sprake van een negatief beeld ten aanzien van alle vier levensterreinen. In de Oost Europese landen zijn de reacties voor wat betreft het effect van corruptie op het persoonlijke en gezinsleven wisselend. Bulgarije en Turkije drukken zich heel nega tief uit, terw ijl Polen en Rusland een meer behouden reactie hebben. Ten aanzi en van het corruptieni veau op de overige levensterreinen tonen respondent en zich ernstig bezorgd. Respondenten in Ierland, Itali, Ne derland en Spanje vinden in vr ij hoge mate dat corruptie effect heeft op de bedrijfsomgeving. Opvallend is ook de zeer negatieve perceptie van Indiase, Japanse en Hong Kongse respondenten ten aanzien van corruptie in bedrijven. Noord Amerika is het enige gebiedsdeel waar ee n gering aandeel van de respondenten vindt dat de invloed van corruptie op de politiek niet ernstig is. Zeven procent van de respondenten in Verenigde Staten en 13 procent in Canada he bben deze mening. Van het West-Europese gebied springen Spanje, Itali, Ierland, Portugal, Oost enrijk en Duitsland uit met percentages ruim boven de 50 procent. Wat de normen en waarden betreft valt Spanje als West Europees land op, daar meer dan 50 procent meent dat normen en waarden ernstig door corruptie zijn getroffen. Hetzelfde geldt voor de Oost Europese landen Kroati, Roemeni en Turkije, en Indonesi als Aziatisch land. Als deel van het Carabische gebied valt de Dominicaanse Republie k op vanwege de milde reactie ten aanzien van corruptie als benvloedende factor op pol itiek terrein en dat van normen en waarden in de maatschappij. Daarentegen ve rtonen de resultaten van Bonaire en meer nog van Curaao gelijkenis met de uitkomsten van Latijns Amerikaanse landen zoals Argentini en Bolivia. Verwachting voor de nabije toekomst Voor de komende drie jaren verwachten de gr ootste groep respondenten een toename (iets of veel) in het niveau van corrup tie; ruim twee op de vijf (42 %) volgens de internationale perceptiemeting (tabel 8). In Nederland en Spanje verwacht ee n vijfde deel een forse toename. De categorien veel en iets toenemen bij elkaar genomen levert als resultaa t dat verschillende landen in West Europa tegen het gemiddelde aanleunen. Zwitserland, Enge land en Nederland st eken ruim boven het gemiddelde uit met respectievelijk 47, 47 en circa 60 procent. De meeste Oost Europese landen benaderen ook het gemiddelde. Roemeni, Rusland en Turkije springen het gemiddelde voorbij (tussen 46 en 56%). Van de onderzochte Latijns Amer ikaanse landen hebben Bolivia, Pa nama en Mexico (44, 46 en 48%) de hoogste percentages re spondenten dat in de toekom st een toename verwacht van corruptie. Carabische en Afrikaanse landen vert onen een pessimistisch toekomstbeeld; tussen 43 en 50 procent van de respondenten verwacht een toename. Van de respondenten uit Hong Kong

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 29 verwacht de helft een toename van corruptie in de nabi je toekomst en spant India de kroon met 70 procent. Eliminering van corruptie In de meeste landen willen de respondenten voornamelijk corruptie in de politieke partijen gelimineerd zien. Het internationale gemiddelde is 30 procent (tabel 9). In de meeste West Europese landen ligt de re spons van de respondenten boven het gemiddelde. Dit geldt ook voor Canada en de Verenigde Staten waar ongeve er twee vijfde deel van de respondenten de politieke partije n als eerste keuze hebben. In de Oosteuropese landen scoort Turkije met ruim 42 procent meer dan gemiddeld. De overige in de tabel opgenomen Oosteuropese landen scoren beneden 30 procent. Voor de Latijns Amerikaanse landen is de prioriteit ook verschillend. In Bo livia en Colombia heeft respec tievelijk 35 en 38 procent de politieke partijen als eerste keuze ter eliminer ing van corruptie, terwijl in Mexico en Peru respectievelijk 20 en 16 procent van de respondenten het betreffende instituut als eerste keuze heeft. Bonaire, Curaao en Japan hebben de meest opvallende resultate n; de helft van de respondenten wil corruptie binnen de politieke partijen gelimineerd zien. Het instituut dat vervolgens door respondenten als prioriteit wordt beschouwd is het gerecht; circa 14 procent van de respondent en vindt eliminering van corru ptie hierbinnen uiterst urgent. Landen met opvallende resultaten zijn Finland, Sp anje, Peru en Indonesi waar de percentages variren tussen 26 en 35 procent. De politie als instituut wordt wereldwijd door ci rca 12 procent van de re spondenten gekozen als het instituut waarbinnen corruptie gelimineerd dient te worden. In een aantal landen waaronder Mexico, Nigeria en Hong Kong, lijkt de situatie wel heel erg nijpend. Conclusie De perceptie die bij de respondent en leeft is dat onder andere co rruptie de oorzaak is van de teloorgang in met name de politiek en van normen en waarden in de maatschappij. Onderling vertonen de landen ve rschillen ten aanzien van de hoofdonderwerpen in de meting, namelijk de mening van burgers over de invloed van corruptie, de toekomstverwachting met betrekking tot het corruptieniveau en priorite it inzake eliminering van corruptie. Negatieve resultaten duiden op een gering vertrouwen. Toekomstige metingen zullen moeten uitwijzen of in de perceptie van burgers sprake is van enige verandering in positieve richting.

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine 30 Jaargang 6 Tabel 7 Perceptie invloed corruptie op levensterreinen per land in % Antwoordcategorie h eel significant Persoonlijk enBedrijfs-Politiek N ormen en gezinslevenLevenlevenwaarden West Europa Duitsland 6,631,854,936,8 Engeland 10,934,739,526,2 Finland 1,918,230,79,7 Ierland 17,570,058,340,6 Itali 15,469,759,837,2 Nederland 14,354,041,244,2 Oostenrijk 5,531,855,424,3 Portugal 15,220,055,936,6 Spanje 19,349,174,451,1 Zwitserland 9,136,434,216,0 Oost Europa Bulgarije 76,581,840,018,6 Croati 24,669,566,051,1 Polen 17,759,766,036,1 Roemeni 39,567,271,961,1 Rusland 21,848,762,339,9 Turkije 66,477,877,476,1 Noord Amerika Canada 42,516,613,117,0 Verenigde Staten 26,57,47,19,6 Latijns Amerika Argentini 64,487,993,085,1 Bolivia 63,659,885,078,7 Colombia 64,070,070,271,1 Costa Rica 64,669,759,875,5 Mexico 51,154,863,257,7 Panama 55,456,470,769,3 Peru 37,960,371,858,5 Carabisch Gebied Bonaire5 43,366,083,079,9 Curaao3 63,983,492,591,4 Dominicaanse Rep. 41,851,038,038,4 Afrika Nigeria 50,660,365,851,9 Zuid Afrika 57,468,165,463,3 Azi Hong Kong 14,781,825,528,5 India 36,070,833,940,3 Indonesi 33,416,679,055,3 Japan 7,369,540,829,0 Korea 19,239,551,331,5 Algemeen totaal 33,848,655,143,7 5 Voor Bonaire en Curaao zijn de antwoordcateg orien ernstig en heel ernstig samengevoegd. Bron: The Transparency International Gl obal Corruption Barometer, 3 july 2003

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 31 Tabel 8 Verwachting t.a.v. corruptieniveau in de komende drie jaren in % Veel IetsOngeveerVeel IetsWeet nietTotaal toenementoenemengelijk blijvenafnemenafnemen West Europa Denemarken 7,230,843,013,01,24,8100,0 Duitsland 12,530,035,415,73,03,4 100,0 Engeland 17,629,536,08,12,66,3 100,0 Finland 5,029,929,76,41,127,9 100,0 Ierland 9,817,027,227,414,83,8 100,0 Itali 12,727,128,718,12,610,8 100,0 Nederland 21,537,920,04,50,016,2 100,0 Oostenrijk 9,629,737,53,40,519,4 100,0 Portugal 7,235,015,421,83,417,2 100,0 Spanje 19,722,323,512,52,219,9 100,0 Zwitserland 10,836,433,411,03,25,2 100,0 Oost Europa Bulgarije 6,711,433,719,72,426,1 100,0 Croati 7,810,830,234,69,27,4 100,0 Polen 17,221,035,56,72,816,7 100,0 Roemeni 27,220,324,113,05,110,3 100,0 Rusland 17,029,029,27,40,616,8 100,0 Turkije 37,219,414,79,03,016,7 100,0 Noord Amerika 100,0 Canada 14,923,737,713,43,76,6 100,0 Verenigde Staten 13,822,735,516,15,07,0 100,0 Latijns Amerika Bolivia 26,017,930,615,43,37,0 100,0 Colombia 14,010,011,728,332,04,0 100,0 Costa Rica 32,39,116,224,215,23,0 100,0 Mexico 19,528,130,416,53,02,5 100,0 Panama 31,114,625,219,42,96,8 100,0 Peru 26,415,828,417,84,76,9 100,0 Carabisch Gebied Bonaire 26,816,321,613,55,316,5 100,0 Curaao 30,613,423,418,84,09,8 100,0 Dominicaanse Rep. 35 ,011,021,022,08,03,0 100,0 Afrika 100,0 Nigeria 27,916,68,218,020,68,6 100,0 Zuid Afrika 36,114,713,519,310,85,6 100,0 Azi Hong Kong 9,540,119,616,75,28,9 100,0 India 55,818,513,66,71,24,1 100,0 Indonesi 10,07,825,941,013,71,6 100,0 Japan 6,328,852,910,00,41,5 100,0 Korea 5,921,042,525,61,83,2 100,0 Algemeen totaal 20,122,027,115,44,610,8 100,0 Bron: The Transparency International Gl obal Corruption Barometer, 3 july 2003

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine 32 Jaargang 6 Tabel 9 Eerste keuze ter eliminering van corruptie binnen instituten Politieke partijenGerechtPolitie West Europa Denemarken 36,116,37,7 Duitsland 39,28,62,9 Engeland 41,28,611,8 Finland 38,027,74,2 Ierland 38,38,810,3 Itali 29,018,03,8 Nederland 27,110,07,7 Oostenrijk 35,78,410,8 Portugal 18,714,86,7 Spanje 34,826,61,6 Zwitserland 23,09,86,2 Oost Europa Bulgarije 20,219,84,1 Croati 18,621,64,9 Polen 27,215,411,1 Roemeni 24,320,26,4 Rusland 24,510,917,9 Turkije 42,56,66,2 Noord Amerika Canada 39,78,35,7 Verenigde Staten 39,19,17,2 Latijns Amerika Bolivia 34,87,716,0 Colombia 38,03,48,5 Costa Rica 29,08,65,4 Mexico 19,96,636,5 Panama 35,015,011,0 Peru 15,935,010,0 Carabisch Gebied Bonaire 51,216,321,6 Curaao 50,513,423,4 Dominicaanse Rep. 25,312,14,0 Afrika Nigeria 27,04,832,1 Zuid Afrika 21,13,923,8 Azi Hong Kong 15,48,935,4 India 41,23,812,8 Indonesi 16,332,810,2 Japan 51,93,79,6 Korea 27,910,35,0 Algemeen totaal 29,713,711,5 Bron: The Transparency International Gl obal Corruption Barometer, 3 july 2003

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 33 Tabel 10. Perceptie invloed corruptie op vier levensterreinen naar leeftijd, Bonaire Levensterrein Leeftijd niet ernstig enigszins ernstig ernstig / heel ernstig totaal 16 39 36,320,643,1100,0 40 59 39,518,641,8100,0 60 + 40,412,447,2100,0 Persoonlijk en gezinsleven totaal 38,917,843,3100,0 16 39 7,826,266,0100,0 40 59 11,521,167,4100,0 60 + 11,026,862,2100,0 Bedrijfsleven totaal 10,423,666,0100,0 16 39 5,74,789,6100,0 40 59 8,29,582,3100,0 60 + 7,116,576,5100,0 Politiek totaal 7,39,783,0100,0 16 39 8,215,576,4100,0 40 59 6,611,482,1100,0 60 + 9,212,278,6100,0 N ormen en waarden in de maatschappij totaal 7,612,679,8100,0 Tabel 11. Perceptie invloed corruptie op vier levensterreinen naar leeftijd, Curaao Levensterrein Leeftijd niet ernstig enigszins ernstig ernstig / heel ernstig totaal 15 39 25,014,860,2100,0 40 59 25,312,262,5100,0 60 + 22,210,367,5100,0 Persoonlijk en gezinsleven totaal 24,112,063,9100,0 16 39 5,214,180,7100,0 40 59 4,810,384,9100,0 60 + 5,112,082,9100,0 Bedrijfsleven totaal 5,011,683,4100,0 16 39 4,26,089,8100,0 40 59 2,43,793,9100,0 60 + 3,74,292,0100,0 Politiek totaal 3,24,392,5100,0 16 39 2,46,890,8100,0 40 59 3,15,491,5100,0 60 + 2,36,091,7100,0 N ormen en waarden in de maatschappij totaal 2,75,991,5100,0

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine 34 Jaargang 6 Incidentie van armoede Francis Vierbergen Inleiding In voorgaande afleveri ngen van Modus werden diverse analyses met betrekking tot het voorkomen van armoede in de Nederlandse Antillen gepresenteerd. De analyses waren gebaseerd op huishoudgegevens uit de Volkstelling van 2001. In dit artikel wordt ook gebruik gemaakt van dezelfde gegevens als in voorgaande artikelen, waarbij een verbijzondering wordt gemaakt naar de incidentie van armoede in relatie tot een aantal huishoudkenmerken. De incidentie wordt tevens vergeleken met de absolu te aantallen huishoudens, hetgeen soms opmerkelijke verschillen toont. De incidentie van armoede geeft aan het percentage huishoudens dat beneden de armoedegrens valt.Evenals dit voorheen gebeurde wordt als (relatieve) armoedegrens gehanteerd de netto gestandaardiseerde inkome nsgrens van het laagste quintiel huishoudens6. De nu gepresenteerde analyse heeft betrekking op de Nederlandse Antillen als geheel, omdat voor sommige variabelen uitsplitsing naar eiland vanwege de geringe aantallen niet zinvol is. De analyse heeft betrekking op de situatie zoals die bestond ten tijde van de Volkstelling van 2001, hetgeen informatie betreft die al bijna vijf jaar oud is. Het is daarom ook weinig zinvol om precieze absolute aantallen te pr esenteren. Het gebruik van tabellen is om die reden achterwege gelaten. Beleidsmatige relevantie Incidentie is een verhou dingsgegeven dat voor elk van de beschreven variabel en aangeeft in hoeverre deze als risicofactor of kwetsbaarheid geldt: een hoge incidentie betekent een hoog risico om arm te zijn of te worden. Voor het beleid is het belangrijk om deze risicofactoren op te sporen en het belang ervan te meten, zodat het beleid afgestemd kan worden op het verwijderen van deze factoren, dan wel het 6 Zie Modus jaargang 5 nummer 3 voor een volledige methodologische beschrijving De incidentie van armoede bij bepaalde typen huishouden geeft aan in hoeverre die huishoudens kwetsbaar zijn of een hoog risico lopen om onder de armoedegrens te vallen. Voor het beleid is het daarom belangrijk om deze risicofactoren op te sporen teneinde gericht beleid daarvoor te ontwikkelen. De vaak genoemde feminisering van de armoede wordt door het hier gepresenteerde materiaal bevestigd. Belangrijk is wel te beseffen dat armoede vooral ook de kinderen binnen die huishoudens treft. Andere factoren die een rol spelen zijn kindertal, opleidingsniveau en economische positie.

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 35 verzachten van de invloed ervan op de huishoudsituatie. Daarbij geldt als kanttekening da t sommige factoren niet of na uwelijks door het beleid te benvloeden zijn. Het Sociaal Cultureel Pl anbureau uit Nederland noemt deze factoren achtergrondkenmerken, en noemt als voorbeel den daarvan leeftijd (ouderen), geslacht (vrouwen), burgerlijke staat (alleenstaande), huishoudsamen stelling (eenoudergezin, kinderrijke families). Voor deze kenmerken geldt dan dat he t beleid ter bestrijding van de armoede vooral gericht zal zijn op het verzachten van de omsta ndigheden, bijvoorbeeld door het verstrekken van (financile) voorzieningen. Daarnaast zijn er risicofactoren die wel in bepaalde mate door beleid kunnen worden benvloed, zoals de gezondheidssituatie (chr onisch zieken, gehandicapten), opleiding (laag opgeleiden), arbeidsmarktpositie (werklozen). Het beleid zal hierbij actief gericht zijn op het verbeteren van de persoonlijke situatie om z odoende de risicofactoren te elimineren. Incidentie versus aantallen Uit vergelijking van incidentie met absolute aantallen valt soms op dat een lage incidentie niet altijd lage aantallen betekent. Zo is de armoede incidentie bij huishoudens met een werkzoekend hoofd veel hoger dan van huishoudens met een niet-actief hoofd, maar zijn er veel meer huishoudens met niet-ac tieve hoofden onder de armoedegrens dan huishoudens met werkzoekende hoofden. De beleidskeuzes zullen daarom niet altijd automatisch de voorkeur geven aan de risicofactoren met de hoogs te incidentie, maar ook rekening houden met de absolute aantallen. Om deze reden worden in dit artikel zowel incidentie als aantallen gepresenteerd. Incidentie van armoede en achtergrondvariabelen In figuur 1 wordt de incidentie van armoede gerelateerd aan het gesl acht van het hoofd van het huishouden. De incidentie is bij huishoudens met een vrouwelijk hoofd (30 %) veel hoger dan bij huishoudens met een mannelijk hoofd (13%). Ook in aantallen gemeten zijn er (veel) meer hui shoudens met een vrouw aa n het hoofd die onder de armoedegrens uitkomen dan huishoudens met een man aan het hoofd, ondanks het feit dat er meer huishoudens zijn met een mannelijk hoofd. In figuur 2 wordt de armoede incidentie gerela teerd aan het aantal kind eren in het huishouden. Vooral bij grotere huis houdens, met drie of meer kinderen, stijgt de incidentie sterk. De verschillen tussen huishoudens met minder en geen kinderen zijn daarbij gering te noemen. Qua aantallen is de situatie omgekeerd: veel m eer huishoudens zonder kinderen vallen onder de armoedegrens. Dit heeft alles te maken met het relatief geringe aantal huishoudens met meerdere kinderen. Figuur 1. Huishoudinkomens beneden de armoedegrens naar geslacht hoofd0 1000 2000 3000 4000 5000 6000 7000 ManVrouwaantal0 5 10 15 20 25 30 35 % aantal percentage Figuur 2. Huishoudens beneden de armoedegrens naar aantal kinderen0 1000 2000 3000 4000 5000 6000 7000 0123 en meeraantal0 5 10 15 20 25 30 35 40% aantal percentage

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine 36 Jaargang 6 In figuur 3 wordt de incidentie geplaatst tegenover de mees t voorkomende huishoudtypen. De incidentie is het hoogste bij hui shoudens die bestaan uit een vr ouw met kinderen, alleenstaande vrouwen, meerdere vrouwen, al dan niet met kinderen. Qua aantallen blijken deze laatste huishoudtypen in relatief geringe mate voor te komen, maar zijn vooral de groepen vrouw met kinderen en alleenstaande vrouw groot. Ook de groep gehuwd en met kinderen levert een groot aantal huish oudens onder de armoedegrens op, hoewel de incidentie hier laag te noemen is. Uit figuur 3, blijkt dat de veelgehoorde verond erstelling dat er feminisering van de armoede plaats vindt inderdaad door cijf ers wordt ondersteund. Gezien de grote groep vrouw met kinderen treft armoede daarnaast ook vaak de kinderen binnen deze huishoudens. Incidentie en beleidsbenvloedbare variabelen In figuur 4 wordt een relatie gelegd tussen de armo ede incidentie en het opleidingsniveau van het hoofd van het huishouden. De relatie is duidelij k: hoe lager opgeleid, hoe hoger de incidentie. Het verschil is vooral aanwezig tussen enerzijd s lager en lager middelbaar opgeleide hoofden en hoofden met hogere opleidingsniveaus. In aant allen bezien zijn he t eveneens vooral de huishoudens waarvan het hoofd een lager of lage r middelbaar opleidingsniveau heeft die onder de armoedegrens vallen. Dat heeft als impli catie dat beleid ter verbetering van de opleidingspositie van leden van ar me huishoudens gericht zal moeten zijn op het bereiken van een hoger middelbaar opleidingsniveau. Figuur 5 toont de incidentie naar de economis che positie van het hoo fd van het huishouden. Duidelijk wordt daarbij dat het hebben van werk een veel minder groot risico oplevert om beneden de armoedegrens te geraken dan economisch niet actief zijn (een incidentie van 11% versus 30%). Maar zelfs dit laatste is relatief gezien nog gunstig vergeleken met de huishoudpositie van werkzoekende hoofden van huis houdens. Daar loopt de armoedeincidentie op tot bijna 60 procent. Fi g uur 3. Huishoudens beneden de armoede g rens naar meest voorkomende huishoudtypen0 500 1000 1500 2000 2500 aantal0% 10% 20% 30% 40% 50%% aantal percentage

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 37 Naar aantallen bezien zijn he t toch vaker huishoudens die gele id worden door niet-actieve hoofden die onder de armoedegrens vallen. Maar ook een behoorlijk aantal huishoudens waarvan het hoofd werkt vallen ondanks de lage incidentie onder de armoedegrens. Relatief vaak betreft het in deze laatste groep werkenden in een los arbeidsverband of met een parttime werkkring. Het International Labour Office verricht op dit moment onderzoek naar de oorzaken van het voorkomen van deze working poor in de Caribische regio. Uit figuur 6 blijkt duidelijk een verband te bestaan tussen het aantal inkomens dat een huishouden heeft en het voorkomen van armoede. Circa 40 procent van de huishoudens waar sl echts n inkomen voorziet in de levensbehoeften bevindt zich onder de armoedegrens, tegenover bijna 12 procent van de huishoudens die over meerdere inkomensbronnen beschikken. Beide groepen zijn ongeveer even groot In de groep huishoudens met n inkomen zijn huishoudens waar het hoofd een lagere opleiding heeft geno ten of vrouw is oververtegenwoordigd. Figuur 7 toont huishoudens beneden de armoedegrens naar belangrijkste bron van inkomen van het hoofd. De incidentie is het hoogste bij hoofden die een onderstandsuitkering ontvangen: meer dan 80 procent van die huishoudens valt onder de armoedegrens. De incidentie is op een vergelijkbaar niveau bij hoofden die een AOV uitkering ontvangen, geen inkomen hebben of niet gespecificeerde inkomensbronnen hebben (30-40%). Gelet op aantallen zijn het vooral huishoudens waar het hoofd een (laag) inkomen uit werk heeft, een AOV ontvangt of een onderstandsuitker ing ontvangt waar de meeste huishoudens onder de armoedegrens vallen. Omdat in figuur 7 a lleen verbijzonderd wordt naar de inkomensbron van het hoofd van het huishouden, valt hierbij niet uit op te maken in hoeverre het inkomen van het hoofd bepalend is voor het risico om onder de armoedegrens te vallen. Andere inkomensbronnen binnen dit huishouden kunnen he t huishoudinkomen opkrikken naar een hoger niveau. Daarom is in figuur 8 het gegeven u it de voorgaande grafie k verbijzonderd naar huishoudens met slechts n inkomensbron. D aarbij valt meteen op dat huishoudens die Figuur 4. Huishoudens beneden de armoedegrens naar opleidingsniveau van het hoofd0 1000 2000 3000 4000 5000 LagerLager middel baar hoger middel baar HBOWOaantal0 10 20 30 40 50% aantallen percentage Figuur 5. Huishoudens beneden de armoedegrens naar economische positie hoofd0 1000 2000 3000 4000 5000 6000 WerkendWerk zoekendEcon. niet actiefaantal0 10 20 30 40 50 60% aantal percentage Figuur 6. Huishoudens beneden de armoedegrens naar aantal inkomens0 2000 4000 6000 8000 10000 12 of meeraantal0 10 20 30 40 50% aantal percentage

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine 38 Jaargang 6 financieel totaal afhankelijk zijn van een onderstandsuitkering vrijwel allemaal (96%) onder de armoedegrens vallen. Voor huishoudens die met n AOV uitkering rond moeten komen loopt het percentage op tot 58 procent. Andere inkomensbronnen blijven achter bij deze hoge incidentie, maar deze is wel hoger dan in het geval waar meerdere inkomens mogelijk zijn, hetgeen consistent is met figuur 6. Conclusies Dat er sprake zou zijn van feminisering van de armoede wordt door het hier gepresenteerde materiaal bevestigd. Armoede treft vooral huishoudens die door een vrouwelijk hoofd worden geleid. Daarbij geldt dan tevens dat armoede ook de kinderen in deze huishoudens treft. Andere factoren die een ro l spelen zijn kindertal, opleidingsniveau en economische positie. Het meest kwetsbaar zijn huishoudens die afhankelijk zijn van uitkeringen zoals onderstand en in mindere mate AOV, vooral die huishoudens waar die uitkering de enige inkomensbron is, de echte minima. Gezien de aantallen is er ook sprake van armoede bij huishoudens waar het hoofd werkzaam is, de working poor. Dit betreft vooral werkenden in een los dienstverband of op parttime basis. Figuur 7. Huishoudens beneden de armoedegrens naar belangrijkste inkomensbron hoofd0 1000 2000 3000 4000arbe i d / bed r ij f p ens ioen A O V ond ers tand bez it /ve rmog en a ndere toelagen ander s g een i n komenaantal0% 25% 50% 75% 100%% aantal percentage Figuur 8. Huishoudens beneden de armoedegrens met 1 inkomen naar inkomensbron van het hoofd0 500 1000 1500 2000 2500 3000a rbe id/ b ed rijf pen s ioen AOV on de rs tand bezi t/ v er mog en an de re t o elag en a nde r s gee n in k omenaantal0% 20% 40% 60% 80% 100%% aantal percentage

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 39 Hoog opgeleide personen in de Nederlandse Antillen (2) Mike Jacobs Inleiding In het vorige nummer va n Modus werd het eerste deel gepubliceerd van het artikel over hoog opgeleide personen in de Nederlandse Antillen in 2001 Daarbij ging de aa ndacht uit naar de geboorteplaats van hoog geschoolden (HBO of WO opleiding) en naar het (ei)land waar men deze hoge opleiding gevolgd had. In dit tweede deel van het artikel word en er voor Bonaire en Curaao enkele vergelijkingen gemaakt van de situatie in het jaar 1992 (Census 1992) en het jaar 2001 (Census 2001). In de volgende Modus zullen de cijfers voor St.Maart en, St.Eustatius en Saba gepresenteerd worden. Bonaire Land van studie Tabel B-1. geeft informa tie over de vraag in welk (ei-)land personen met een hoge opleiding die momenteel in Bonaire woonachtig zijn deze opleiding gevolgd hebben. Opvallend is ten eerste de enorme groei van het aantal hoog geschoolden in Bonaire. Het aantal is toegenomen van 442 naar 850 personen, ofwel een groei van 92,3 procent Nederland is zowel in 1992 (42,3%) als in 2001 (46,7%) het belangrijkste land van studie. Ook Curaao en de VS zijn belangrijke landen van studie van de huidige hoger opgeleiden in Bonaire. Bij deze cijfers is het ook relevant te kijken naar geboorteland (zie bijlage 1). Van de mensen die bijvoorbeeld Nederland als studieland hebben is maar een klein deel ook afkomstig (=geboren) in Bonaire. In 1992 was 18,7 procent (35/187) en in 2001 19,4 procent (77/397) van de personen met een Nederlandse studieachtergrond ook in Bonaire geboren. De bijlage geeft een overzicht van de relatie tussen land van studie en land van geboorte. Het aantal hoog opgeleide personen in Bonaire en Curaao is tussen 1992 en 2001 flink toegenomen. In Bonaire vond er bijna een verdubbeling plaats. Het overgrote deel van de hoog geschoolden in Bonaire is niet geboren op het eiland, in Curaao is ruim de helft wel geboren op het eiland. Van deze laatste groep heeft 42 procent de opleiding ook op het eiland gevolgd. In Bonaire heeft het overgrote deel de studie in Nederland of Curaao gevolg.

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine 40 Jaargang 6 Tabel B-1. Personen met een hoge opleiding naar land van studie, Bonaire, 1992 en 2001 aantallen mutaties 1992-2001 aandelen (%) Land van studie 1992 2001absoluutrelatief (%)19922001 mutaties 1992-2001 in procentpunten (a) (b)(c=b-a)(d=c:a)(e)(f) (g=f-e)) Nederlandse Antillen 81 1042328,418,312,2 -6,1 Bonaire 3 63 Curaao 78 9820 Sint Maarten 0 0 Sint Eustatius 0 0 Saba 0 0 Aruba 13 8-5-38,52,90,9 -2,0 Nederland 187 397210112,342,346,7 4,4 Suriname 17 32150,03,83,8 -0,1 Verenigde Staten 72 1053345,816,312,4 -3,9 Overige landen 72 204132257,916,324,0 7,7 Totaal 442 85040892,3100,0100,0 Land van geboorte Tabel B-2 specificeert het geboorteland van alle hoog opgeleiden in Bonair e in 1992 en 2001. In 1992 was 22,7 procent (96/442) van de hoog geschool den afkomstig (= geboren) van het eiland Bonaire zelf, in 2001 is dit 18,9 procent (161/850). Hoewel he t aantal in Bonaire geboren hoog geschoolden met 68 procent (van 96 naar 161 pers onen) sterk is toegenomen, is ook het aantal hooggeschoolden dat niet in Bonaire is geboren sterk toegenomen. Met name de groep hoog opgeleide mensen met Nederland als land van ge boorte is absoluut gezien het sterkste toegenomen met 112 personen. Ook de toename van hoger opgeleiden in de categorie overige landen (m.n. Colombia, Venezuela, Peru en Sto.Domingo) met 141 personen is noemenswaardig. Tabel B-2. Personen met een hoge opleidi ng naar geboorteland, Bonaire, 1992 en 2001 aantallen mutaties 1992-2001 aandelen (%) Geboorteland 1992 2001absoluutrelatief (%)19922001 mutaties 1992-2001 in procentpunten (a) (b)(c=b-a)(d=c:a)(e)(f) (g=f-e)) Nederlandse Antillen 157 28012378,335,532,9 -2,6 Bonaire 96 16165 Curaao 57 11457 Sint Maarten 2 42 Sint Eustatius 1 10 Saba 1 0-1 Aruba 32 29-3-9,47,23,4 -3,8 Nederland 103 215112108,723,325,3 2,0 Suriname 21 4625119,04,85,4 0,7 Verenigde Staten 52 621019,211,87,3 -4,5 Overige landen 77 218141183,117,425,6 8,2 Totaal 442 85040892,3100,0100,0

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 41 Hoog opgeleide Bonaireanen In tabel B-3 wordt uitsluitend gekeken naar de groep hooggeschoolden die op Bonaire geboren is. In 1992 heeft 46 procent (44/96) zijn/haar studie in de Nederlandse Antillen (m.n. Curaao) gevolgd en 36 procent (35/96) heeft het diploma in Nederland behaald. In 2001 liggen de cijfers als volgt: 35 procent (57/161) heeft in de Nederlandse Antillen gestudeerd en 48 procent (77/161) in Nederland. Tabel B-3. Personen met een hoge opleiding en geboren in Bonaire naar land van studie, Bonaire, 1992 en 2001 aantallen mutaties 1992-2001 aandelen (%) Land van studie 1992 2001absoluutrelatief (%)19922001 mutaties 1992-2001 in procentpunten (a) (b)(c=b-a)(d=c:a)(e)(f) (g=f-e)) Nederlandse Antillen 44 571329,545,835,4 -10,4 Bonaire 3 63 Curaao 41 5110 Sint Maarten 0 0 Sint Eustatius 0 0 Saba 0 0 Aruba 3 300,03,11,9 -1,3 Nederland 35 7742120,036,547,8 11,4 Suriname 1 100,01,00,6 -0,4 Verenigde Staten 5 116120,05,26,8 1,6 Overige landen 8 12450,08,37,5 -0,9 Totaal 96 1616567,7100,0100,0 Curaao Land van studie Volgens de cijfers in tabel C-1 telt Curaao in het jaar 2001 9.447 personen met een hoge opleiding. Vergeleken met het jaar 1992 (7.348 pe rsonen) is dit een toename van bijna 30 procent (2.099 personen). Het aantal personen da t op de Nederlandse Antillen (m.n. Curaao) zelf een hoge opleiding heeft gevolgd neemt (netto) toe met 582; de toename van hoger opgeleiden van Nederlandse hoge scholen en universiteiten be draagt 1003 personen. Relatief gezien komt de situatie in1992 en 2001 in grot e mate overeen met die van 1992. Ongeveer de helft van de hoger opgeleiden heeft zijn/haar studie in Nederland gevolgd; terwijl iets meer dan een kwart van de hoger geschoolden op Curaao zelf heeft gestudeer d. Ook hier is het interessant om de variabele plaa ts van studie te kruisen met de variabele geboorteplaats. In 2001 hebben 4.667 personen woonachtig in Curaao hun hogere opleiding in Nederland gevolgd, daarvan hebben 2.449 (52,5%) Curaao al s geboorteland en 1.587 (34 %) Nederland als land van herkomst. Voor een overzicht wo rdt verwezen naar de bijlage. Land van geboorte Tabel C-2 geeft een beeld van het herkomstland (geboorteland) van de hoog opgeleide personen in Curaao. In 2001 is 56,5 procent (5337/94 47) in Curaao gebore n, in 1992 was dit 55,7 procent (40.93/7.348). Het tweede belangrijkste geboorteland van hoog opgeleiden is Nederland: 18 procent (1992 en 2001).

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine 42 Jaargang 6 Tabel C-1. Personen met een hoge opleiding naar land van studie, Curaao, 1992 en 2001 aantallen mutaties 1992-2001 aandelen (%) Land van studie 1992 2001absoluutrelatief (%)19922001 mutaties 1992-2001 in procentpunten (a) (b)(c=b-a)(d=c:a)(e)(f) (g=f-e)) Nederlandse Antillen 1999 258158229,127,227,3 0,1 Bonaire 0 44 Curaao 1993 2575582 Sint Maarten 4 2-2 Sint Eustatius 1 0-1 Saba 1 0-1 Aruba 24 32833,30,30,3 0,0 Nederland 3664 4667100327,449,949,4 -0,5 Suriname 188 19800,02,62,1 -0,5 Verenigde Staten 540 6379718,07,36,7 -0,6 Overige landen 933 133240944,312,714,1 -1,4 Totaal 7348 9447209928,6100,0100,0 Tabel C-2. Personen met een hoge opleiding naar geboorteland, Curaao, 1992 en 2001 aantallen mutaties 19922001 aandelen (%) Land van studie 19922001absoluut relatie f (%)19922001 mutaties 1992-2001 in procentpunten (a)(b)(c=b-a)(d=c:a)(e)(f) (g=f-e)) Nederlandse Antillen 42755502122728,758,258,2 0,1 Bonaire 130120-10 Curaao 409353371244 Sint Maarten 29290 Sint Eustatius 178-9 Saba 682 Aruba 285295103,53,93,1 -0,8 Nederland 1336174040430,218,218,4 0,2 Suriname 4154705513,35,65,0 -0,7 Verenigde Staten 9182-9-9,91,20,9 -0,4 Overige landen 946135841243,612,914,4 1,5 Totaal 73489447209928,6100,0100,0 Hoog opgeleide Curaaonaars In tabel C-3 wordt gekeken naar de groep hoogg eschoolden die in Curaao geboren is. In 1992 heeft 41,5 procent (1.700/4.093) zijn/haar studie op de Nederl andse Antillen (m.n. Curaao) gevolgd, terwijl 45,2 procent (1.852/4.093) het diplom a in Nederland heeft behaald. In 2001 zijn de cijfers als volgt: 41,7 procent (2.226/5.337) heef t in de Nederlandse Antillen gestudeerd en 45,9 procent (2.449/5.337) in Nederland.

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 43 Tabel C-3. Personen met een hoge opleiding en geboren in Curaao naar land van studie, 1992 en 2001 aantallen mutaties 1992-2001 aandelen (%) Land van studie 1992 2001absoluutrelatief (%)19922001 mutaties 1992-2001 in procentpunten (a) (b)(c=b-a)(d=c:a)(e)(f) (g=f-e)) Nederlandse Antillen 1700 222652630,941,541,7 0,2 Bonaire 0 22 Curaao 1699 2222523 Sint Maarten 1 21 Sint Eustatius 0 00 Saba 0 00 Aruba 5 7240,00,10,1 0,0 Nederland 1852 244959732,245,245,9 0,6 Suriname 25 23-2-8,00,60,4 -0,2 Verenigde Staten 309 3847524,37,57,2 -0,4 Overige landen 202 2484622,84,94,6 -0,3 Totaal 4093 5337124430,4100,0100,0 Conclusie Het aantal hoog opgeleide personen in Bonair e en Curaao is tussen 1992 en 2001 flink toegenomen. In Bonaire heeft er een stijg ing van het aantal hooggeschoolden plaatsgevonden van 92,3 procent; in Curaao is deze groep toe met 28,6 procent toegenomen.Het overgrote deel van de hoog geschoolden in Bonaire is niet ge boren op het eiland: in 1992 is 21,7 procent van de hoger opgeleiden ook op het eiland geboren en in 2001 is dit 18,9 procent. Absoluut gezien is er sprake van een groei van Bonaireaanse hoge r geschoolden, maar ook de niet lokaal geboren beter geschoolden zijn flink in aantal toege nomen. Ook wanneer de hoger opgeleiden van het eiland zelf afkomstig zijn, dan blij kt dat men de studie in Nederla nd of Curaao gevolgd heeft. Curaao heeft als groter eila nd een ander beeld. In 1992 was 55,7 procent van de hoger geschoolden op dit eiland ook op het eiland geboren; in 2001 (56,5%) is dit nauwelijks anders. Maar voor deze groep geldt dat ongeveer 42 procent (in 1992 en 2001) de studie ook lokaal gevolgd heeft. Het aantal hoog opgeleiden op de eilanden heeft zich tussen 1992 en 2001 gunstig ontwikkeld. Daarnaast blijven hoog opge leide personen die niet van het eila nd afkomstig zijn een belangrijke bijdrage leveren aan dit hoger kader. Anderzijd s heeft zowel in 1992 als in 2001 een groot deel van de hooggeschoolde lokalen hun studie el ders gevolgd, met name in Nederland. Bovenstaande cijfers geven momentopnames weer in 1992 en 2001. De afgelopen 3 a 4 jaar is er met name op Curaao sprake van een toegenom en belangstelling voor het volgen van lokaal hoger onderwijs. Het effect van deze ontwikkeling zal in de volgende Census worden gemeten.

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine 44 Jaargang 6 Bijlage tabel 1. Personen met een hoge opleidi ng naar land van studie en geboorteplaats, Curaao, 2001 Geboorteplaats Studieplaats Curaao Bonaire St.Maarten St.EustatiusSabaAruba Nederland Overig Totaal Bonaire 2 2 00000 0 4 Curaao 2222 56 9216389 133 Sint Maarten 2 0 00000 0 2 Sint Eustatius 0 0 00000 0 0 Saba 0 0 00000 0 0 Ned. Antillen 2226 58 9216389 133 6 Aruba 7 0 210191 2 32 Nederland 2449 55 14331611587 395 4667 Suriname 23 0 00043 168 198 United States 384 4 1223027 187 637 Venezuela 44 0 00031 155 203 Subtotaal 2907 59 17652171619 907 5737 Overige landen 204 3 3021532 870 3704 Totaal 5337 120 29882951740 1910 9447 Bijlage tabel 2. Personen met een hoge opleidi ng naar land van studie en geboorteplaats, Bonaire, 2001 Geboorteplaats Studieplaats Curaao Bonaire St.Maarten St.EustatiusSabaAruba Nederland Overig Totaal Bonaire 0 6 00000 0 6 Curaao 35 51 10080 3 98 Sint Maarten 0 Sint Eustatius 0 0 00000 0 0 Saba 0 0 00000 0 0 Ned.Antillen 35 57 10080 3 104 Aruba 0 3 00050 0 8 Nederland 62 77 21012209 34 397 Suriname 1 1 00000 30 32 United States 11 11 10023 77 105 Venezuela 2 3 00001 43 49 Overige landen 3 9 00022 139 155 Totaal 114 161 41029215 326 850

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 45 Economic Indicators for Bonaire 2004 Glenda Varlack Introduction In this article a set of economic indicators for Bonaire will be analyz ed. This will give an indication of the economic development of the island for 2004. The analys is will be based on real economic development, which is equal to the change in the production of goods and services excluding price developments. For 2004 the used data is based on volume indicators of all industries with the exception of the manufacturing industry. The largest manufacturing industries in Bonaire are no longer in operation and th e existing data that is available is not sufficient. This industry accounts for 3.5 percent of the economic activities in Bonaire. As such the resulting real GDP gives a partial indication of 96.5 percent of the economic activities in Bonaire. The industries are divided into production of goods, commercial services and noncommercial services industries. In the charts the industries are represen ted by their ISIC-codes (see table). Production of Goods Industries The goods producing industries have shown an overall increase in their value added. Agriculture, fishery and mining have registered a value added growth of 34 percent in 2004 in relation to 2003. Utilities (water and electricity production) have increase d with 3 percent and construction with 11 percent in their value added. A strong increase is mainly seen in construction of new houses and apartments, which has increased with 45 percent. Economic development s in Bonaire are described by a set of volume indicators for most industries. The developments in each industry are described for the year 2004.

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine 46 Jaargang 6 Commercial Services Industries For the industries in th e commercial services like trade (wholesale and retail) and the hotel restaurant & cafs (horeca) their value added has increased respectively with 1 percent and 5 percent. The positive developments in the horeca are credited to the North American tourism market, whichhas increased with 4.5 percent, although the European and the South American have both declined with respectively 3.4 and 4.3 percent. The value added of transport and communication have shown a gr owth of 10 percent compared to the drop of 7 percent in 2003. The financial intermediation has also shown a value added growth of 8 percent, while real estate, renting, business activities and private education has remained more or less the same. Non-commercial Services Industries The industries in the non-commercial services have all shown a decline in their value added with the exception of pr ivate households with employed persons (1 %). The value added for public administration has decreased with 1 percent; health and social work; and other community, social & personal service activities have both decreased with 2 percent. The real GDP The real GDP for Bonaire has increased with 1.2 percent in 2004. As we said before the data for 2004 is based on 96.5 percent of the economic activities. So we cannot compare it equally with 2003, which covers all the economic activities. These data are estimates that are subjected to change regarding volume indicators. Figure 1 Production of Goods Industries % yearly change in output, Bonaire-40 -20 0 20 40 60 abcdefIndustry Group (see table) 2002 2003 2004 Figure 2 Commercial Services Industries % yearly change in output-20 -10 0 10 20 30 ghi jkm Industry Group (see table) 2002 2003 2004 Figure 3 Non-Commercial Services Industries % yearly change in output-15 -10 -5 0 5 10lnopIndustry Group (see table) 2002 2003 2004 Figure 4 Real GDP developments, Bonaire -1,0 0,0 1,0 2,0 3,0 4,0 2002 2003 2004

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 47 Table 1. Percentage changes in GDP, Bonaire, 2004 with PEAI Percentage Changes related to the previous year ISIC Industry Weight in GDP 2002*2003* 2004* Production of Goods ABC Agriculture, Fishery and Mining 2.3 -746 34 D Manufacturing 3.5 -19-11 E Utilities: Electricity and Water 3.6 -26 3 F Construction 13.3 -1221 11 Commercial services G Trade: Wholesale and Retail 12.5 -155 1 H Hotel, restaurants & cafs 8.4 2413 5 I Transport & Communication 17.1 0-7 10 J Financial intermediation 7.8 35 8 Real Estate, Renting, Business activities and 11.1 KM Private education 610 0 Non-commercial services L Public Administration 14.6 -5-3 -1 N Health and Social Work 2.4 9-2 -2 O Other community, social & personal service activities 7.7-1-10 -2 Private Households P W/Employed Persons 0.4 -13 1 Interest Margin (4.6) 35 8 Real GDP -0.53.4 1.2 *Note: All values are estimated, and will be revised when the final data becomes available.

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine 48 Jaargang 6 Resultaten Enqut e Intermediair Verbruik 2002 De structuur van de intermediaire kosten van bedrijven in de financile en niet-financile sector in Bonaire Lorette Ford Inleiding In de periode juni 2003-mei 2004 heeft het CBS als onderdeel van de Nationale Rekeningen enqute een onderzoek verricht naar het intermediair verbruik 2002 onder 1700 bedrijven in de Antillen. Van dit totaal zijn er ruim 200 bedrijven op Bonaire genquteerd, waarbij de respons 75,8 procent bedraagt. De bedrijven di e genquteerd zijn zitten in de financile en de niet-financile sector, de particuliere huishoudsector, de sector overheid en de instellingen zonder winst oogmerk ten dienste van huishoudens. De steekproeftrekking is ge heel volgens het SNA systeem geschiedt dus zowel op sectorbasis als op bedrijfstakniveau. Volgens dit systeem van nationale rekeningen bestaat de econo mie uit 5 sectoren, t.w: de financile sector (alle rechtspersoonlijkheid bezittende financile bedrijven). In de steekproeftrekking zijn commercile banken uitgesloten. de niet-financile sector (alle rechtspersoonlijkheid bezittende niet-financile bedrijven (NVs, BVs, e.d.); houdstermaatschappijen die NVs beheren; eenmanszaken indien quasi corporate; stichtingen met een productief doel en of ten dienste van bedrijven); de huishoudsector (alle ingezeten huishoudens in de hoedanigheid van consument; eenmanszaken; maatschappen; eigenaren van woningen; taxien busbedrijven, huishoudelijk personeel); de sector overheid (alle eenheden die activiteiten ontplooien ka rakteristiek voor de overheid; stichtinge n gecontroleerd en Het intermediaire ve rbruik vormt een belangrijk deel van de totale kosten van bedrijven. In dit artikel wordt een analyse gegeven van de samenstelling van deze intermediaire kosten van de financile en niet-financile bedrijven in Bonaire, uitgesplitst aar bedrijfstak. De samenstelling verschilt sterk per sector en per bedrijfstak.

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 49 hoofdzakelijk gefinancierd door de overheid; overheidsbedrijven zonder rechtspersoonlijkheid); in de steekproef zijn alleen de overheidsbedrijven en de stichtingen genquteerd. de instellingen zonder winstoogmerk ten di enste van huishoudens (stichtingen hoofdzakelijk gecontroleerd en gefinancierd door gezinnen). Doelstelling Dit onderzoek wordt om de 5 jaar gehouden en het doel hiervan is om inzi cht te krijgen in de structuur van de intermediaire kosten van bedrijven. In dit artikel worden de onderzoeksresultaten met betrekking tot de financile en niet-financile sector in Bonaire besproken. In het navolgende zal worden ingegaan op: De definitie van het intermediair verbruik De structuur van het intermediair verbru ik in de financile sector in Bonaire De structuur van het intermediair verbruik in de niet-financile sector in Bonaire De definitie van het intermediair verbruik7: Het intermediair verbruik8 vormt een belangrijk onderdeel van de totale kosten van bedrijven en wordt ook aangegeven als de intermediaire kosten of de intermediaire consumptie. Het intermediair verbruik of de intermediaire kosten maken tezamen met de exporten, de investeringen en finale consumptie deel uit van het totaal verbruik of de totale vraag naar goederen en diensten. Het verschil met het finaal verbruik of consumptie is dat de intermediaire kosten bestaan uit niet-duurzame goederen en di ensten (dus goederen en diensten met een verwachte levensduur van 1 jaar), die in he t productieproces worden getransformeerd of opgebruikt en die aan het eind van het proces geheel in de nieuwe producten zijn opgegaan. Goederen en diensten met een verwachte leve nsduur van langer dan 1 jaar worden in de nationale rekeningen als investerin gen aangeduid en worden om die reden dus niet beschreven in dit artikel. Voorbeelden van goederen die worden getransformeerd in het productieproces zijn grondstoffen (b.v graan in meel en meel weer in brood). Voorbeelden van intermediair verbruik die worden opgebruikt zijn elektriciteit, water en de meeste andere diensten. Van het intermediair verbruik worden behalv e investeringen ook uitges loten personeelskosten, afschrijving op vaste activa, indirecte belastinge n, subsidies en uitgaven die door de bedrijven worden opgegeven als waardevolle goederen zoal s kunstwerken en juweel artikelen gemaakt van waardevolle metalen en stenen. Van deze gr oep wordt aangenomen dat ze niet worden opgebruikt en door de tijd heen niet in kwaliteit achteruitgaan. In de laatst gehouden enqute zijn o.a. de volgende inte rmediaire kosten opgegeven: de verschillende soorten grondsto ffen en materialen en goederen, accountantsen administratiekosten, bankkosten, brandstof, huur van gebouwen, machines en transportmiddelen, onderhouden reparatiekosten, onderzoek en ontwikkeling, water en elektriciteit, transportkosten, reisen verblijfskosten, advertentiekosten, 7 System of National Accounts Brussels/Luxem burg, New York, Paris, Washington DC, 1993, pg 143 8 In de jaarverslagen van bedrijven worden deze kosten ook aangegeven als exploitatiekosten

PAGE 50

Modus Statistisch Magazine 50 Jaargang 6 kosten uitgegeven aan schoonmaak, kleding, en verzekeringskosten9. De structuur van het intermediair ver bruik van de financile sector in Bonaire In deze sector in Bonaire zijn ondergebracht de kredietverlenende instellingen die geen depositos aanhouden en de verzekeringsmakelaars. Het intermediair verbruik in deze sector bedraagt NAf 3,7 miljoen. Dit verbruik bestaat zoals grafiek 1 laat zien voor he t grootste deel, ruim 45 procent, uit zakelijke di ensten. Deze diensten hebben voornamelijk betrekking op accountantsen administratiekosten, reclameen advertentiekosten en beveiligingskosten. Andere belangrijke intermediaire kosten zijn zoals grafiek 1 laat zien de kostengroep huur van gebouwen met 12,4 procent, papier en overige kantoorbenodigdheden met 10,1 procent, co mmunicatiediensten me t bijna 9 procent, elektriciteit en water met 7,4 pr ocent en bankkosten en horecadienst en met respectievelijk 3,7 en 2,2 procent. De structuur van het intermediai r verbruik van de niet-financile sector. Tabel 1 geeft aan welke bedrijfstakken de niet-fin ancile sector kent en wat het aandeel van de intermediaire kosten is per bedrijfstak. Tabel 1. De intermediaire kosten per bedrijfstak in de nietfinancile sector, Bonaire 2002 Bedrijfstak NAf mln.% Hotels, restaurants en caf's 35,320,0 Transport, opslag en communicatie 33,819,1 Bouwnijverheid 22,412,7 Industrie 19,411,0 Handel 16,69,4 Openbare Nut 16,09,1 Overige gemeenschapsdiensten 10,96,2 Landbouw, veeteelt en mijnbouw 9,45,3 Zakelijke dienstverlening 8,95,0 Gezondheidszorg en sociaal werk 4,32,4 Totaal 176,9100,0 Het totaal intermediair verbruik in deze sector bedraagt NAf 176,9 miljoen. Uit tabel 1 valt af te lezen dat de grootste aandelen worden verteg enwoordigd door de bedrijfstakken Hotel, restaurant en caf, Transport, opslag en comm unicatie, Bouwnijverheid, Industrie, Handel en Openbaar Nut. Een kleiner aandeel gaat naar de bedrijfstakken Overige gemeenschapsdiensten, Landbouw, veeteelt en mijnbouw, Zakelijke dienstverlening en Gezondheidszorg en sociaal werk. 9 exclusief personeelsverzekeringen Grafiek 1: Opbouw van de intermediaire kosten van de sector Financile Dienstverlening, Bonaire, 200201020304050 Zakelijke diensten Huur van bedrijfsgebouwen Papier en overige kantoorbenodigdheden Communicatiediensten Electriciteit en water Bankkosten Horecadiensten %

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 51 In de volgende sub-paragrafen wordt ingegaan op de belangrijkste interm ediaire kosten van de 6 grootste bedrijfstakken. Tevens worden van de drie grootste bedrijfstakken de belangrijkste intermediaire kosten in een grafiek weergeven Hotels, restaura nts en cafs Tabel 1 geeft aan dat met een intermediair verbruik van NAf 35,3 miljoen deze bedrijfstak het grootste aandeel ve rtegenwoordigt. De belangrijkste intermediaire kosten in deze bedrijfstak zijn de zakelijke diensten, (reclameen advertentie, marketing, consultancy, beveiligingskosten) met bijna 19 procent, gevolgd door de overige finale producten met 18 procent en de agrarische producten, overige voeding en drank met ruim 17 procent. Grafiek 2 toont aan dat er ook een hoog intermediair verbruik van water, elektriciteit en kookgas is met 15,4%. Niet te verwaarlozen z ijn de onderhoud en reparatiekosten van gebouwen met bijna 6 procent, horecadiensten met 4,6 procent en huur van gebouwen met 4,1 procent. Transport, opslag en communicatie Deze bedrijfstak verteg enwoordigt met een intermediair verbruik van NAf 33,8 miljoen de tweede grootste in de ni et-financile sector van Bonaire. Grafiek 3 toont aan dat de belangrijkste intermediaire kosten worden gevormd door onderhoudskosten van machines en transportmiddelen met 38 procent, brandstof en olieproducten met 19 procent, en huur van machines (o.a. containerkranen) met 15 procent. Andere belangrijke intermediaire kosten in deze bedrijfstak zijn de zake lijke diensten (7,6%), verzekering (5,3%), elektri citeit en water (4,3%) en communicatiediensten (2,2%). De brandstof werd voor he t grootste deel gebruikt door het luchtvervoer. De zakelijke diensten hebben hier betrekking op marketing, consultancy, en accountancy kosten. De verzekeringen bestaan hier grotendeels uit transportverzekeringen. Bouwnijverheid Bouwnijverheid heeft een intermediair verbru ik van NAf 22,4 miljoen en neemt hiermee een derde plaats in het totaal verbruik van de niet-financile sector in Bonaire. De grootste aandelen intermediaire kosten bestaa n zoals grafiek 4 toont, uit bouwmaterialen en loondiensten met bijna 40 procent, en steen en zand met 25 procent. Grafiek 2: Opbouw van de intermediaire kosten van de Bedrijfstak Horeca, Bonaire 2002 05101520Zakelijke dienstverlening Overige finale producten Agrarische producten, overige voeding en dranken Electriciteit, kookgas en water Onderhoud en reparatie van gebouwen Reis-en verblijfskosten Huur van gebouwen Overige kosten% Grafiek 3: Opbouw van de intermediaire kosten van de bedrijfstak Transport, Opslag en Communicatie, Bonaire 200201020304050 Onderhoudskosten van machines en Brandstof en olieproducten Huur van machines Zakelijke diensten Verzekeringen Elektriciteit en water Communicatie Overige kosten % Grafiek 4: Opbouw van de intermediare kosten in de bedrijfstak Bouwnijverheid, Bonaire 200201020304050 Bouwmaterialen en loondiensten Steen en zand Huur vanmachines Onderhoudskosten van machines en transportmiddel Zakelijke diensten chemische producten Metaal en metaalproducten Overige kosten %

PAGE 52

Modus Statistisch Magazine 52 Jaargang 6 Andere belangrijk interm ediaire kosten zijn h uur van machines met 8 procent, en onderhoud en reparatiekosten van machines en tran sportmiddelen met bijna 5 procent. Ook de zakelijke diensten (3,6%), chemisch e producten (2,9%) en de groep metaal en metaalproducten (2,8%) moeten worden vermeld. In de chemische producten zit onder andere asfalt die door de wegenen as falteringsbedrijven wordt gebrui kt en verf van met name de schildersbedrijven. Industrie Van het intermediair verbruik van NAf 19,4 miljo en worden de grootste relatieve aandelen gevormd door de zakelijke diensten met 40 proc ent en opslagkosten met ruim 14 procent. Deze laatst genoemde kostengroep wordt voornamelijk door de rijstverwerkende industrie gebruikt. De derde grote groep kosten in de bedrijfstak industrie is st een en zand (13%), die door de betonen blokkenfabrieken wordt verbruikt. Tabel 2. Aandeel van de belangr ijkste intermediaire kosten in de bedrijfstak industrie, Bonaire 2002 Productcode Omschrijving van het product N af. Mln. % 29 Zakelijke diensten 7,8 40,3 20 Opslagkosten 2,8 14,5 3 Steen en zand 2,5 13,0 10 Textiel, en papier 1,1 5,8 12-13 Elektriciteit 0,8 3,9 27 Makelaarsactiviteiten (huur van gebouwen, huur bedrijfsgebouwen) 0,7 3,6 24 Verzekeringen 0,7 3,6 Een niet te verwaarlozen aandeel van het intermediair verbruik g aat naar de groep textiel en papier met bijna 6 procent. De textiel bestaat onder andere uit zeilsto f voor de bouw van boten en jachten en papier dat onder andere door de drukkerijen wordt gebruikt. Noemenswaard hier zijn ook kos ten als elektriciteit, huur van gebouwen en verzekeringen met een gelijke aandeel van bijna 4 procent. Handel Het totaal intermediair verbruik in deze bedr ijfstak bedraagt NAf 16,6 mi ljoen. Tabel 3 geeft aan dat de grootste kostengroepen zijn huur van ge bouwen met 29 procent, zakelijke diensten met 11 procent, elektriciteit met bijn a 10 procent en personenen goederen vervoer te zee met 7,8 procent. Verder bestaan de intermediaire kosten uit personenen goederenvervoer in de lucht (6,0%) communicatiediensten (5,7%), kosten va n transportondersteunende activiteiten (4,8% waaronder opslagkosten) en de verzekeringskosten (4 %). Tabel 3. Aandeel van de belangrijkste intermediaire kosten in de bedrijfstak handel, Bonaire 2002 Productcode Omschrijving van het product N af. Mln. % 27 Makelaarsactiviteiten (huur van gebouwen, huur bedrijfsgebouwen) 4,8 29,0 29 Zakelijke diensten 1,9 11,3 12 Elektriciteit 1,6 9,7 18 Personen en goederen vervoer ter zee 1,3 7,8 19 Personen en goederen vervoer in de lucht 1,0 6,0 21 Communicatie 0,9 5,7 20 Overig vervoer en transportondersteunde activiteiten 0,8 4,8 24 Verzekeringen 0,7 4,0

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 53 Openbare nutsbedrijven Het intermediair verbruik bedraagt hier NAf 16 miljoen. Uit tabel 4 valt op te maken da t dit verbruik voor he t grootste deel bestaat uit brandstof en olieproducten met 59 procent. Ongeveer 19 pr ocent van het totaal verbruik bestaat uit onderhoud en reparatie van machines en trans portmiddelen, terwijl 12 procent de zakelijke diensten betreft. Een kleiner aandeel wordt gevormd door kosten als verzekeringen (4,3%), kantoorbenodigdheden (2,1%), communicatiediensten (1,6%) en elektriciteit en water (0,7%). Tabel 4. Aandeel van de belangr ijkste intermediaire kosten in de bedrijfstak Openbaar nut, Bonaire 2002 Productcode Omschrijving van het product N af. Mln. % 36 Brandstof en olieproducten 9,4 58,5 17 Onderhoud en reparatie van machines en transportmiddel3,0 18,9 29 Zakelijke diensten 1,8 11,1 24 Verzekeringen 0,7 4,3 10 Kantoorbenodigdheden 0,3 2,1 21 Communicatie 0,2 1,6 12-13 Elektriciteit en water 0,1 0,7

PAGE 54

Modus Statistisch Magazine 54 Jaargang 6 Results of poverty assessment Survey (1) Income and income distribution Martha Victoria Introduction This report presents data on the income and income distribution of households in the islands of the Netherlands Antilles for the calendar year 2004 2005. These data were compiled from information collected in the 2004 2005 Budget Survey conducted by the Bureau for the Statistics. Income Household income The income of households includes the income of the head of household and all ot her individuals 15 years old and over, whether or not they are related to the head of household. The me dian household income divides the distribution into tw o equal parts: one half of the cases falling below the median income and the other half above the median. The median income of households in the islands of the Netherlands Antilles shows no significant difference, with the exception of Bonaire and Saba. Saba ha s a higher median household income than the other islands, followed by Bonaire. The other three islands, Cu racao, St. Maarten, and St. Eustatius (Statia) have nearly the same median household income. Type of Household A household is defined as one or more people living in a residence. The occupants may be a single family, one person living alone, two or more families living together, or any other group of related or unrelated people who share living arrangements. As shown in table 1, median household income varies by type of households. Th e median household income is higher in Saba followed by Bonaire. Male headed households median household incomes are higher in each island compared to female headedand oneperson median household incomes. Female headed households have a median household income higher than one-person households in Curacao and Median household income is higher in Saba than in the other islands of the Netherlands Antilles. Households maintained by women have a lower median household income than the other households, with the exception of one-person household in Curaao and St. Maarten. Their income is substantially lower than the incomes of other types of households.

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 55 St. Maarten, and lower in Bonaire, St. Eustat ius, and Saba. In Saba one-person households median income is even higher than male headed households median income. The mean household income for Saba and Bonaire is higher than the other islands. Male headed households mean incomes is higher than fema le headedand one-person households mean incomes in Curacao, St. Maarten, and St. Eustatius. In Bonaire and Saba male headed households mean incomes is higher than female headed households mean income. One-person households mean income is higher than female headed households mean income. The median income is between 1,000 2,000 NA florins, and this is the figure that in a sense is the most representative50% above and 50% below. It is perhaps the best measure of what the typical Antillean earns. Furthermore, it is resistant. That is, it is changed very little (or not at all) by wild changes in a few observations. For exampl e, if the top few incomes are to increase dramatically, nothing would happen to the median. Finally, the mean income is higher than the medi an income in each island. The mean is the only central measure that takes into account the total of all the observations. This figure is obtained by counting up every florin equally (low est to the highest). It gives th e total income, yet it is not as good a measure of typical income as the median, because it can be inflated by a few very large incomes. Table 1. Median and Mean Income by Type of Household Households BonaireCuraao St. MaartenSt. Eustatius Saba Median Income All households 1,5901,3381,3491,383 1,817 Type of Household Male headed household 1,7331,6821,5601,717 1,782 Female headed household 1,4531,0321,165848 1,770 One-person household 1,5008781,037975 2,100 Mean income All households 1,8751,711,6791,593 1,891 Type of household Male headed household 2,0382,1931,8952,034 1,881 Female headed household 1,5581,1931,4061,243 1,728 One-person household 2,0801,4231,4521,321 2,194 Source: 2004-2005 Budget Survey Differences in income distri bution between the islands The reason why the differences in income distri bution are higher in Cur acao, St. Eustatius, and St. Maarten is that they have a large group of ho useholds that earns a lower equivalent income. The equivalent income is defined as the hous ehold income of the individual adjusted for differences in household size. The assumption unde rlying an equivalent income measure is that larger households need more income than one-p erson households to reach a given level of economic well-being. As shown in table 2, 35.2 percent of households earns NAf.1, 000 or less in Curacao. 16.1 percent earns less than NAf. 500. In Curacao 7 pe rcent of the hous eholds earns more than NAf 4,000. For St. Eustatius 42.3 percent of households incomes are NAf.1, 000 or lower, 14.1 percent lower than NAf 500. St. Eustatius has the highes t percentage of households earning below NAf. 1,000. 3.4 percent of households earn more than NAf. 4,000. In St. Maarten 35.4 percent of hous eholds earn NAf. 1,000 or less, 10.9 percent earn less than Naf. 500. The percentage of households earning more than Naf. 4,000 is 5.9.

PAGE 56

Modus Statistisch Magazine 56 Jaargang 6 In Bonaire 21.5 percent of households earn Naf.1, 000 or less. Six percent earns less than Naf. 500. The percentage of households th an earn more than Naf. 4,000 ais 5.3. Saba is the island with the lowest percentage (1 9.8 percent) of households that earn Naf.1, 000 or less, of which 5.3 percent with an income below Naf. 500. The percentage households with an income above Naf. 4,000 is the lowest in th e Netherlands Antilles, namely 3 percent. Table 2. Distribution of Households by Equivalent Income and Island Monthly income Bonaire Curaao St. MaartenSt. Eustatius Saba % <= 500 6.0 16.110.914.1 5.3 501 1000 15.5 19.124.528.2 14.5 1001 1500 23.1 20.219.813.4 22.9 1501 2000 19.6 15.514.914.1 16.8 2001 2500 10.8 7.510.110.7 16.0 2501 3000 9.5 6.78.77.4 7.6 3001 3500 7.6 3.74.15.4 8.4 3501 4000 2.5 4.11.13.4 5.3 4001 4500 2.8 1.92.70.7 1.5 4501 5000 0.6 1.30.80.7 1.5 5001 5500 0.3 0.40.50.7 > 5500 1.6 3.41.91.3 Total 100.0 100.0100.0100.0 100.0 Source: 2004-2005 Budget Survey Income inequality The amount of income dispersion in the househol d income distribution among the islands of the Netherlands Antilles differs from each other. The shares of household income received by quintiles of households (the fi ve groups of households resulting after ranking households from lowest to highest and then dividing them into five equally sized groups) are shown in table 3. The incidence of poverty is lower in Saba and B onaire than in St. Maar ten and St. Eustatius, while in Curacao it is much higher than in the other islands. These observations can be explained with the help of table 3, which shows the pe rcentages of the equivalent household income received by equal percentiles of households ranked by their income levels. In Bonaire and Saba the highest 20% group (quintile) of the household r eceives about 6 times mo re than the lowest 20% quintile, while in St. Martin it is about 9 times more than th e lowest group, Statia is 12 times more and Curacao the highest quintile receiv es more than 14 times more than the lowest quintile. This means that among these five islands, Curacao has the highest income inequality. Table 3. Household Income distribution by quintile by Island BonaireCuraao St. Maarten St. Eustatius Saba 1st (lowest) 20% group 6.43.34.63.7 6.2 2nd 20% group 12.510.011.09.9 13.0 3rd 20% group 17.415.916.116.5 19.3 4th 20% group 24.224.324.325.3 24.7 5th (highest) 20% group 39.446.544.044.6 36.8 Total 100.0100.0100.0100.0 100.0 Ratio highest group lowest group 6.214.19.612.1 5.9 Source: 2004-2005 Budget Survey

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 57 Conclusion Median household income is higher in Saba than in the other islands of the Netherlands Antilles. Households maintained by wome n have a lower median household income than the other households, with the exception of one-person household in Curaao and St. Maarten. Their income is substantially lower than th e incomes of other types of households. The income inequality is also lower in Saba and Bonaire in comparison to the other islands. Curaao has the highest income inequality and the lowest median household income.

PAGE 58

Modus Statistisch Magazine 58 Jaargang 6 The quarterly overview of the foreign trade statistics Roeland Dreischor Introduction In this article an overview of the trade development of the Leeward Islands will be given for the first quarter of 2005. The foreign trade statistics of the Leeward Islands register the flow of merchandise to and from the islands of Curaao and Bonaire. All movements of merchandise in free circulation between Curaao and Bonaire are excluded. The islands of St.Maarten, Sa ba and St.Eustatius are free ports and therefore no information is available through customs except for the trade between Curaao, Bonaire and St.Maarten. The CBS uses the Special Trade System for processing and publishing of all import and export data by commodity and by country for Curaao and Bonaire. Under this system the import statistics cover all goods cleared through customs for home use from abroad or from the national free zone. Export statistics cover all goods of national origin to be dispatched to another country. The value of the goods equals the value of the commodity at the place and time it crosses the border. The basis for valuation is cost of insu rance and freight (cif) for imports and free on board (fob) for exports. The quarterly trade analysis indicates the trade flow excluding the value of pe troleum products. In the following paragraphs the international merchandise flow of the Leeward islands is presented for the first quarter of 2005. Total imports and exports Total import and export of goods (Curaao and Bonaire) In the first quarter of 2005 the total import of Curaao has decreased with 20 million guilders to an estimated total of 333 million guilders compared to the same quarter of the previous year. This is a decline of approximately 6 percent. The import in Bonaire has gone up from 17 to 46 million in the first quarter of 2005, an increase of approximately Both islands of the Neth erlands Antilles show a different development in th eir imports in the first quarter of 2005. The total import of Curaao has decreased with 20 million guilders, whereas the imports of Bonaire has gone up with 29 million guilders. Curaao imports has decreased in almost all of the sections. The rise in Bonaire imports was mainly caused by imports of aircraft parts.

PAGE 59

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 59 29 million guilders (Table 1). Both islands of the Netherlands Antilles show a different development in their imports in the first quarter of 2005. As can be seen in the table below the imports in Curaao fluctuate in each quarter and drop with 16 percent in the first quarter of 2005. The island of Bonaire has shown an import incr ease of 23 million in the first quarter of 2005 compared to previous quarter. Table 1. Total import and export of the Leeward islands (Excluding oil products) Q1 2004Q2 2004Q3 2004 Q4 2004 Q1 2005 Curaao Import 353,073 318,138355,961396,311 333,020 Export 33,062 21,20850,63036,108 33,721 Bonaire Import 16,509 17,98419,88523,235 45,995 Export 10,947 6,2404,5427,134 7,164 Notes: *All values in estimated 1000 of Ang. In comparison with the same quarter of last year the total export value of Curaao has increased with only 2 percent in the first quarter of 2005. Bonaire has exported a total of 7 million in the first three months of 2005. If co mpared with the same quarter of the previous year the export from Bonaire has decreased with 4 million, which represents a decline of 35 percent. It should be noted that the overall exports from Curaao and Bonaire include goods, which have been previously imported. This may cause significant fl uctuations if the export figures are compared to previous quarters. Imports and exports of goods Curaao, import and export of goods (excluding oil products) The import of general merchandise in the first quarter of 2005 has decreased in almost all of the SITC sections. The section of beverages and tobacco has decreased the most with 39 percent. This section has dropped from 13 million to 9 million in imports compared to the previous quarter of 2004. The product categories that have contributed to a decrease of the section is the import of non-alcoholic beverages and tob acco products, both produ cts dropped with more than 31 percent compared to the previous quarter of 2004. The section of commodities and transactions not classified ha s remained almost the same compared to the previous quarter, which is 4 mi llion. This decrease is ap proximately 14 percent. Another SITC section that show s a decline is the m anufactured goods secti on with 13 percent. The import of these products has dropped with 5 million guilders in the first quarter of 2005. The other product sections of m achinery and transport equipmen t, chemicals products, and animal oils and fats has decreas ed with respectively 10, 7, and 6 percent in the first quarter of 2005. As shown in table 2 the section of food and live animals has dropped with more than 2 million guilders. This section indicates a sl ight decrease of almost 4 percent. Only two sections have indica ted an increase in import value in the first quarter of 2005. The import of crude materials has augmented with mo re than 20 percent to the amount of 4 million, which is a considerable increase compared to the previous quarter of 2004. This increase is attributed to simply worked wood products, wh ich amounts to two million guilders in the first quarter. Another section that also shows a simila r increase of 4 million guilders in imports is the section of miscellaneous manufactured articles This section has gone up with 8 percent.

PAGE 60

Modus Statistisch Magazine 60 Jaargang 6 The export from Curaao also shows a decline in th e majority of the sections in the first quarter of 2005. The section with the highest decline of more than 70 percent is the section of animal oil and fats, followed by the section of crude ma terials with a drop of 64 percent. Another decrease is the section of food and live animal s with 26 percent, which amounts to almost 8 million guilders in the first quarter of 2005. Table 2. General merchandise (Excluding oil products), Curaao Import Export SITC Description Q1 2005Q1 2004 Q1 2005 Q1 2004 0 Food and live animals 65,38567,896 7,574 10,291 1 Beverages and tobacco 9,05512,555 766 792 2 Crude materials, inedible, except fuels 4,2733,397 292 802 4 Animals oils and fats 1,6371,736 10 34 5 Chemicals and related products 43,71246,670 2,955 1,529 6 Manufactured goods classified chiefly by material 42,26247,621 2,860 2,887 7 Machinery and transport equipment 105,591116,067 9,400 11,620 8 Miscellaneous manufactured articles 57,32452,832 8,321 3,340 9 Commodities and transactions not classified 3,7814,298 1,543 1,767 Total 333,020353,072 33,721 33,062 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. ** A zero value may indicate a rounding effect or no transac tion registered for a particular section or country The export of the section miscella neous manufactured articles has a very high increase of more than double the amount compared to the previous quarter of 2004. This section has augmented with 5 million guilders in the fi rst quarter of 2005. The product ca tegory related to the increase of the section is furniture a nd other related products, which amounts to almost 6 million in the first three months of 2005. The ne xt export section that has show n an augmentation in the first quarter of 2005 is the section of chemical pr oducts with an increase of 93 percent. This increment in the section is attributed to the product categories of soap products and perfumery and cosmetic products, which are respectively estimated with an export value of 1 million guilders, and 662 thousand guilders in th e first quarter of 2005. Bonaire, import and export of goods (excluding oil products) In Bonaire the import of goods has shown an incr ease in five sections. The section machinery and transport equipment has a remarkable increas e of 27 million guilders in the first quarter of 2005. This section indicates a high augmentation of more than five times the amount of the previous quarter. The product categ ory that has contributed to the development in this section is related to aircraft and other parts with an import value of 25 million guilders. It should be noted that the import of capital goods does affect the trade flow overview of Bonaire in the first quarter of 2005. Another section increase is registered for th e manufactured goods section, which has gone up from 2 million to 3 million guilders, a raise of 69 percent. The section chemical products shows a raise in import from 776 thousand guild ers to more than 1 million guilders. This increase is up to almost 38 pe rcent in the firs t quarter of 2005. The section animal oils and fats has dropped th e highest with almost 37 percent, which is a decline from 111 to 70 thousand guilders in 2005. The next section that shows a significant decrease of 26 percent is the sec tion of crude materials. This section has gone down with 119 thousand guilders (Table 3). The le ast declined section in the first quarter of 2005 is beverage and tobacco with approximately 1 percent.

PAGE 61

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 61 Table 3. General merchandise (Excluding oil products), Bonaire Import Export SITC Description Q1 2005Q1 2004Q1 2005 Q1 2004 0 Food and live animals 3,3143,368280 1,867 1 Beverages and tobacco 7517570 0 2 Crude materials, inedible, except fuels 3354546,028 8,107 4 Animals oils and fats 701110 0 5 Chemicals and related products 1,0707760 0 6 Manufactured goods classified chiefly by material 3,0011,77813 94 7 Machinery and transport equipment 33,8156,463688 703 8 Miscellaneous manufactured articles 3,2532,802153 176 9 Commodities and transactions not classified 38602 0 Total 45,99516,5097,164 10,947 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. ** A zero value may indicate a rounding effect or no transac tion registered for a particular section or country Almost all sections in the export of Bonaire ha ve decreased in the firs t quarter of 2005. The two sections with a high export decline are: manufact ured goods classified chiefly by materials with 86 percent, and food and live animals with 85 percent. Another export good that has declined is the crude material section. This section shows a decline of almost 2 million guilders in the first quarter of 2005. The important salt produc tion contributes to the major export of the section crude mate rials. The salt export is estimated to be 6 million guilders in the first quarter of 2005. Imports and exports by main country and general merchandise Curaao, imports by origin (excluding oil products) In the first quarter of 2005 the import of goods from the Un ited States of America has amounted to 36 percent of the total island imports exclud ing oil products. The main products of import from the United States of America are the machin ery and transport equipment products. This is estimated to be approximately 47 million guilder s in the first quarter of 2005. Besides the import of products of previously mentioned section ot her important products such as: food and live animal and miscellaneous manufactured goods are imported from the USA (Table 5). Table 4. Import by Main Country in 2005-I, Curaao Country Value % USA 120,65936.2 Netherlands 73,73522.1 Venezuela 19,2215.8 Puerto Rico 18,4515.5 Japan 11,5903.5 Panama 11,5023.5 Aruba 8,8012.6 Colombia 6,8682.1 Brazil 5,9191.8 Rest of the world 56,27416.9 Total 333,020100.0 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. Curaao has imported 74 million guilders in products from the Netherlands in the first quarter of 2005. The import from the Netherlands is 22 per cent of the total imports. The main import products from the Netherlands are machinery and transport equipment, these are about 17 million guilders. Another important import item from the Netherlands is the food and live

PAGE 62

Modus Statistisch Magazine 62 Jaargang 6 animals merchandise, which amounts to 16 million. In the first quarter of 2005, Curaao imports a total value of 19 million guilders from Venezuela, which represents more than 5 percent of the total imports. Mo st products imported from afore mentioned neighbor country are food and live animal products. Curaao imports about 18 million guilders from the Caribbean island of Puerto Rico, which consists mainly of products from the section machinery and transport equipment and miscellaneous manufact ured articles, both sections show an import value of 6 million guilders Table 5. Imports by Main Country and SITC Section in 2005-I, Curaao SITC Description USA Netherlands Venezuela Puerto Rico 0 Food and live animals 23,14815,590 6,166 1,008 1 Beverages and tobacco 1,5472,390 1,585 388 2 Crude materials, inedible, except fuels 2,008436 108 29 4 Animal and vegetable oils, fats and waxes 778118 48 22 5 Chemicals and related products, n.e.s. 14,7858,812 1,671 4,197 6 Manufactured goods classified chiefly by material 11,77813,797 3,436 1,047 7 Machinery and transport equipment 46,82316,908 3,576 5,887 8 Miscellaneous manufactured articles 19,73312,246 2,570 5,865 9 Commodities and transactions not classified 583,438 60 7 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. ** A zero value may indicate a rounding effect or no trans action registered for a par ticular section or country Curaao, exports by destination (excluding oil products) Most exports from Curaao are to the Netherla nds, which consists of 27 percent of the total exports in the first quarter of 2005. The main e xport products to the Neth erlands are related to food and live animal products which amount to about 6 million guilders (Table 7). Other products that Curaao has exported to the Nether lands are related to machinery and transport equipment with a total valu e of 1 million guilders. Table 6. Exports by Main Country in 2005-I, Curaao Country Value% Netherlands 9,21527.3 Aruba 8,01623.8 USA 8,01423.8 Venezuela 1,6044.8 Windward islands 1,2763.8 Costa Rica 4981.5 Barbados 4441.3 Brazil 3731.1 Puerto Rico 2510.7 Rest of the world 4,03012.0 Total 33,721100.0 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. The neighbor island of Aruba is the second import ant export destination of Curaao in the first quarter of 2005. The exports to Aruba are estimated to 8 million. Most of the export products to Aruba are miscellaneous manufactured articles with a total value of 4 million guilders. As shown in table 6, the United Stat es of America also forms an important export market for the island of Curaao. In the first quarter of 2005, Curaao has exported 8 million guilders to the United States of America. Both Aruba and the United States of America had the same export market share of about 24 percent of the total exports from Curaao.

PAGE 63

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 63 Table 7. Export by main country and SITC section in 2005-I, Curaao SITC Description NetherlandsAruba USA Venezuela 0 Food and live animals 5,919617 5 856 1 Beverages and tobacco 187249 50 3 2 Crude materials, inedible, except fuels 036 6 17 5 Chemicals and related products, n.e.s. 4859 278 243 6 Manufactured goods classified chiefly by material 504370 1,636 10 7 Machinery and transport equipment 1,1471,977 2,939 420 8 Miscellaneous manufactured articles 4563,899 2,986 44 9 Commodities and transactions not classified 9979 114 10 Notes: A zero value may indicate a rounding effect or no transac tion registered for a particular section or country ** All values in estimated 1000 of Ang. Bonaire, imports by origin (excluding oil products) The island of Bonaire has imported more th an 30 million guilders in products from the Netherlands. In the first quarter of 2005, the Neth erlands is the main import partner of Bonaire with 67 percent of the total imports. The major import products from the Netherlands pertain to the machinery and transport equipment products that amount to approximately 27 million guilders. In the second place are the imports of food and live animals products with 1 million, followed by manufactured goods with an export value of more than 800 thousand guilders. Table 8. Import by main country of origin in 2005-I, Bonaire Country Value% Netherlands 30,83567.0 USA 7,67116.7 Venezuela 3,1586.9 Japan 1,0162.2 France 7881.7 Rest of the world 2,5275.5 Total 45,995100.0 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. From table 8 can be deduced that the United States of America also has a high ranking as one of the import partners of Bonaire. A total amount of almost 8 million has been imported from the USA in the first quarter of 2005. The imports c onsist mostly of machinery and transport equipment products which amount to 3 million guilders. Another main product section that Bonaire imports from the USA is miscellaneous manufactured articles with a value of more than 1 million guilders. The neighbor country of Venezuela has a market share of 7 percent of the total import in the first quarter of 2005. The import from Venezuela is estimated to 3 million guilders. Most imported products pertain to th e machinery and transport equipment section (Table 9). Bonaire, exports by destination (excluding oil products) The exports from Bonaire to the USA amount to al most 3 million guilders in the first quarter of 2005 that is 37 percent of the total exports. The main export product section to the USA is crude material with a value of less than 3 million guilders. The crude material section represents the salt production export from Bonaire. Bonaire has exported a value of approximately 2 million guilders to Mexico (22 %). The export of crude material is the main export produc t to Mexico. The export value to the South

PAGE 64

Modus Statistisch Magazine 64 Jaargang 6 American country of Uruguay is estimated at more than 900 thousand guilders. This represents a share of 14 percent of the to tal export from Bonaire. In th e first quarter of 2005, the main products of export to Uruguay and Brazil are also attributed to the crude materials section. Bonaire has exported more than half a million guild ers to Brazil during the first three months of 2005. Table 9 Bonaire, Imports by main country and SITC section in 2005-I SITC Description NetherlandsUSA VenezuelaJapan 0 Food and live animals 1,2411,474 3550 1 Beverages and tobacco 325197 1600 2 Crude materials, inedible, except fuels 22227 360 4 Animal and vegetable oils, fats and waxes 1653 10 5 Chemicals and related products, n.e.s. 444407 280 6 Manufactured goods classified chiefly by material 8341,026 5442 7 Machinery and transport equipment 26,9182,679 2,0011,013 8 Miscellaneous manufactured articles 7151,568 331 9 Commodities and transactions not classified 32040 00 Notes: A zero value may indicate a rounding effect or no transac tion registered for a particular section or country ** All values in estimated 1000 of Ang. Table 10. Export by main country in 2005-I, Bonaire Country Value% USA 2.67637.4 Mexico 1.58922.2 Uruguay 98313.7 Brazil 5657.9 Costa Rica 3715.2 Rest of the world 98013.7 Total 7.164100.0 Notes: All values in estimated 1000 of Ang. Table 11. Exports by main country and SITC section in 2005-I, Bonaire SITC Description USAMexicoUruguay Brazil 2 Crude materials, inedible, except fuels 26461589982 564 7 Machinery and transport equipment 200 0 8 Miscellaneous manufactured articles 2700 0 Notes: A zero value may indicate a rounding effect or no transac tion registered for a particular section or country ** All values in estimated 1000 of Ang.

PAGE 65

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 65 Arbeidskrachtenonderzoek 2005 St. Maarten Werkloosheid gedaald Zaida Lake Inleiding In oktober 2005 hield het Centraal Bureau voor de Statistiek een Arbeidsk rachten onderzoek (AKO) in Sint Maarten. Het AKO is een steekproef onderzoek onder huishoudens met als doel de recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te meten. Het onderzoek wordt normaliter om de twee jaar in de maanden februari/maart gehouden. Om budgettaire redenen was het in 2005 niet mogelijk om het onderzoek in dezelfde periode te houden. Derhalve werd het onderzoek dit jaar naar oktober 2005 verschoven. Men dient rekening te houden met het feit dat het tijdstip van het jaar waarin het onderzoek werd uitgevoer d, invloed heeft kunnen uitoefenen op de resultaten ten opzichte van maart 2003. Seizoen effecten, zoal s een hoog toeristisch seizoen rond deze periode (meer werkgelegenheid), zijn niet uitgesloten. Omdat het AKO een steekproefonderzoek is heeft het werkloosheidspercentag e in de steekproef van 2005 een onnauwkeurigheidsmarge van 1.30 procentpunten met een betrouwbaarheid van 80 procent. Dit betekent dat het werkloosheidspercentage geschat wordt op 13,4 procent met een onnauwkeurigheidsmarge va n plus of min 1,30 procentpunten. Resultaten Tabel 1 geeft de voornaamste resultaten voor 2003 en 2005 weer. Totalen De werkende bevolking van Sint Maarten is tussen beide meetmomenten met ruim 1.800 personen gestegen, een toename van ruim 11 procent. Immigratie is de voornaamste oorzaak van de stijging. Het aantal werkenden bedraagt in oktober 2005 18.073 personen. Het aantal werkenden in Sint Maarten is tussen 2003 en 2005 gestegen, en het aantal werkzoekenden gedaald. Als gevolg hiervan daalde het werkloosheidspercentage tot 13,4 procent. Het aantal werkenden geboren in Sint Maarten nam met ongeveer eenderde toe.

PAGE 66

Modus Statistisch Magazine 66 Jaargang 6 Tabel 1. Ontwikkeling van de bevolking1 en de beroepsbevolking, St. Maarten mutaties mrt. 2003okt. 2005 absoluut % 1 Werkend 16.20018.073 1,873 11,6 2 Werkzoekend 3.4332.798 -635 -18,5 (1+2) 3 Beroepsbevolking 19.63320.871 1,238 6,3 4 Economisch niet actief 5.4225.997 575 10,6 5 Bevolking 15jr.+ 25.05526.868 1,813 7,2 6 Totale bevolking 33.31735.910 2,593 7,8 (3:6) 7 Particip atiegraad (%) 58.958.1 -0,8 8 Werkloosheidpercentage (%) 17.513.4 -4,1 (1:6) 9 Werkend/Totale bev. (%) 48.650.3 1,7 1 Bevolking buiten instituten De ratio werkenden op de totale bevolking be draagt in 2005 50,3. Ten opzichte van 2003 is deze ratio met 1.7 procentpunten gestegen. De toenam e van de ratio kan verklaard worden door het feit dat de bevolking minder snel is gestegen dan het aantal werkenden (8% versus 11%). Het aantal werkzoekenden is in de betreffe nde periode met ruim 600 personen afgenomen. Procentueel is dit een daling van bijna 19 proc ent. Het aantal werkzoekenden bedraagt in 2005 2.798 personen. Als gevolg van de daling van het aantal werkzoekenden en een st ijging in het aantal werkenden is het werkloosheidspercentage met 4,1 proc entpunten gedaald naar 13,4 procent van de beroepsbevolking (was 17,5%). De beroepsbevolking is in 2005 uitgekomen op 20.871 personen, het gecombineerde effect van de toename van het aantal werkenden en de af name van het aantal werkzoekenden. Dit is een toename van ruim 6 procent. De participatiegraad van Sint Maarten, dit is de beroepsbevolking als percentage van de totale bevolking, is in oktober 2005 ten opzichte van maart 2003 ge daald en bedraagt thans 58,1 procent van de beroepsbevolking. De participa tiegraad is gedaald doordat zowel het aantal jongeren (beneden de 15 jaar) als het aantal econom isch niet-actieven sne ller is toegenomen dan de beroepsbevolking. Geslacht Het aantal werkende mannen is ten opzichte van maart 2003 met bijna 11 procent gestegen. Er zijn in oktober 2005 9.714 mannen werkzaam. Net als bij de mannen is het aantal werkende vrouw en gestegen en wel met bijna 13 procent. De omvang van de werkende bevolking bij de vrouwen bedraagt 8.359 personen. Het aantal werkzoekende mannen is met ruim 30 0 personen gedaald; va n ruim 1.500 personen in maart 2003 naar 1.194 personen in oktober 2005, een daling van 23 procent. Het werkloosheidspercentage van de mannen be draagt in oktober 2005 10,9 procent, 4 procent punten lager dan in 2003. Het aantal werkzoekende vrouwen daalt van ru im 1.800 naar 1.604, een daling van 15 procent. Het werkloosheidspercentage van de vrouwen d aalt met 4 procent punten ten opzichte van 2003 en bedraagt in oktobe r 2005 16,1 procent.

PAGE 67

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 67 Tabel 2. Ontwikkeling van de bevolking1 en de beroepsbevolking naar geslacht, St. Maarten mutaties mrt. 2003okt. 2005 absoluut % Mannen 1 Werkend 8.7809.714934 10,6 2 Werkzoekend 1.5451.194-351 -22,7 (1+2) 3 Beroepsbevolking 10.32510.908583 5,6 4 Economisch niet actief 1.8502.007157 8,5 5 Bevolking 15jr.+ 12.17512.915740 6,1 6 Totale bevolking 16.20317.3031.100 6,8 (3:6) 7 Participatiegraad (%) 63.763.0-0.7 8 Werkloosheidpercentage (%) 15.010.9-4.0 (1:6) 9 Werkend/Totale bev. (%) 54.256.12.0 Vrouwen 1 Werkend 7.4198.359940 12,7 2 Werkzoekend 1.8881.604-284 -15,0 (1+2) 3 Beroepsbevolking 9.3079.963656 7,0 4 Economisch niet actief 3.5723.990418 11,7 5 Bevolking 15jr.+ 12.87913.9531.074 8,3 6 Totale bevolking 17.11418.6071.493 8,7 (3:6) 7 Participatiegraad (%) 54,453,5-0,8 8 Werkloosheidpercentage (%) 20,316,1-4,2 (1:6) 9 Werkend/Totale bev. (%) 43,444,91,6 1 Bevolking buiten instituten De mannelijke beroepsbevolking is met bijna 600 personen gestegen, een stijging van bijna 6 procent. De mannelijke beroepsbevolking telt thans 10.908 personen. De vrouwelijke beroepsbevolking is met meer dan 650 personen gestegen, een stijging van 7 procent. De totale vrouwelijke beroepsb evolking komt in 2005 uit op 9.963 personen. Zowel bij de mannen als bij de vrouwen is de pa rticipatiegraad gedaald, tot respectievelijk 63,0 en 53,5 procent. Bij de vrouwen is de oorzaak iets meer dan bij de mannen gelegen in het feit dat het aantal economisch niet -actieven in de periode onder beschouw ing sneller is gestegen dan de beroepsbevolking. Bij de mannen zijn het juist iets meer de jongeren (<15 jaar) die de oorzaak van de daling in de participatiegraad zijn. Leeftijd Een stijging van de werkende bevol king in 2005 voltrekt zich in alle leeftijden vanaf 15 jaar. De grootste stijging voltrekt zich in de leeftijdsgroep 25-44 jaar. Bij de jongeren (15-24 jaar) is de werkende bevolking in ab solute aantallen bijna gelijk gebleven. De totale bevolking van de jongeren is daarentegen wel gestegen. Uit de cijfers blijkt dat een groot deel van deze jongeren economisch niet actief blijven, bijvoorbeeld omdat ze op school blijven. Het aantal werkende jongeren bedraagt 1.401 personen. De werkende bevolking in de leeftijdsgroep 25-34 jaar is met ruim 1.200 personen gestegen, een stijging van bijna 13 procent. Er zijn in oktober 2005 10.934 personen werkzaam. De werkende bevolking in de hogere leeftijden (45 jaar en ouder) is met ruim 600 personen gestegen, een stijging van bijna 12 procent. Het aantal werkenden bedraagt 5737 personen. De werkzoekende bevolking is in alle leeftijdsg roepen gedaald, waarbij de grootste procentuele daling in de leeftijdsgroep 45 jaar en ouder is te zien. Het aantal werkzoekenden daalt hier met bijna 30 procent en het werkloosheidsper centage daalt met bijna 5 procent punten.

PAGE 68

Modus Statistisch Magazine 68 Jaargang 6 Tabel 3. Ontwikkeling van de bevolking1 en de beroepsbevolking naar leeftijd, St. Maarten mutaties mrt. 2003okt. 2005 absoluut % 15-24 jaar 1 Werkend 1.3621.401 39 2,9 2 Werkzoekend 639613 -26 -4,1 (1+2) 3 Beroepsbevolking 2.0012.014 13 0,6 4 Economisch niet actief 1.8572.210 353 19,0 5 Bevolking 15jr.+ 3.8584.224 366 9,5 (3:5) 6 Participatiegraad (%) 51,947,7 -4,2 7 Werkloosheidpercentage (%) 31,930,4 -1,5 (1:8) 8 Werkend/Totale bev. (%) 35,333,2 -2,1 25-44 jaar 1 Werkend 9.71210.934 1.222 12,6 2 Werkzoekend 1.9771.613 -364 -18,4 (1+2) 3 Beroepsbevolking 11.68912.547 858 7,3 4 Economisch niet actief 1.4711.403 -68 -4,6 5 Bevolking 15jr.+ 13.16013.950 790 6,0 7 Participatiegraad (%) 88,890,0 1,1 (1:8) 8 Werkloosheidpercentage (%) 16,912,9 -4,1 (1:6) 9 Werkend/Totale bev. (%) 73,878,3 4,6 45 en ouder 1 Werkend 5.1265.737 611 11,9 2 Werkzoekend 816572 -244 -29,9 (1+2) 3 Beroepsbevolking 5.9426.309 367 6,2 4 Economisch niet actief 2.0942.384 290 13,8 5 Bevolking 15jr.+ 8.0368.693 657 8,2 7 Participatiegraad (%) 73,972,6 -1,4 (1:8) 8 Werkloosheidpercentage (%) 13,79,1 -4,7 (1:6) 9 Werkend/Totale bev. (%) 63,866,0 2,2 1 Bevolking buiten instituten In de leeftijdsklasse 25-44 jaar daalt het we rkloosheidspercentage met 4,1 procentpunten. Het aantal werkzoekenden neemt met ruim 18 procent af. Het jeugdwerkloosheidspercentage (voor jongeren in de leeftijdsgroep 15-24 jaar) bedraagt in oktober 2005 30,4 procent, 1,5 procentpunten minder dan in 2003. De ratio jeugdwerkloosheid/t otale werkloosheid komt uit op 2,3. Een ratio van hoger dan 2 wordt internationaal als hoog beschouwd. Bij de jongeren daalt de partic ipatiegraad van 51,9 procent in maart 2003 naar 47,7 procent in oktober 2005. Zoals reeds aangegeven komt dit voor al omdat jongeren langer op school blijven. In de leeftijdsgroep 25-44 jaar is de participatiegraad met 1.1 procentpunt gestegen. De oorzaak hiervan ligt in de toename va n de beroepsbevolking, terwijl he t aantal economisch niet-actieven nauwelijks is veranderd. De participatiegraad in de leef tijdsgroep 45plus daalt met ruim 1 procentpunt, van 73,9 naar 72,6 procent. Dit komt omdat het aantal economisch ni et-actieven veel sneller is toenomen dan de beroepsbevolking in deze leeftijdsklasse. Werkenden naar economische positie De stijging van de werkenden heeft zich nagenoeg geheel alleen in de categorie vaste dienst voltrokken. Het aantal personen in vaste dienst is ten opzichte van maart 2003 met bijna 1.900

PAGE 69

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 69 personen toegenomen. De ontwikkelingen in overige categorien zijn minimaal ten opzichte van het voorgaande. De stijging van de werkenden betreft alle bevolkingsgroepen in bijna gelijke aantallen, behalve personen geboren in Nederland. Pr ocentueel is het aantal werkende n geboren in Sint Maarten het meest gestegen (34,5 procent). Tabel 5. Werkenden naar economische positie en geboorteplaats, St. Maarten 2003 2005 Economische positie Sint Maarten Overig NA+ Aruba NederlandOverigTotaal Sint Maarten Overig NA+ Aruba Nederland OverigTotaal Werkgever / Kleine zelfstandige 199 391781.5462.214256313 61 1.6362.266 Loontrekker in vaste dienst 1.360 1.5841317.26810.3431.9012.243 170 7.91212.226 Loontrekker in tijdelijke dienst160 52781.2351.525139127 21 1.1011.388 Losse jobs 45 8407548836414 0 502580 Contract 158 169207061.053237148 42 9161.343 Overig/Onbekend 21 001611821844 16 194272 Totaal 1.943 2.28030711.67016.2002.6152.889 310 12.26118.075

PAGE 70

Modus Statistisch Magazine 70 Jaargang 6 Achternamen in de Nederlandse Antillen Taeke Gjaltema Inleiding In dit artikel wordt gekeken wat de meest voorkomende achternamen zijn in de Nederlandse Antillen. Omdat, zoals zal blijken, de frequentie van bepaalde namen verschillend is per eiland worden ze voor elk van de vijf eilanden gepresenteerd. Eerst wordt nader ingegaan op de problemen met de telling en schrijfwijze van achternamen. Vervolgens worden de resultaten gepresenteerd. Informa tie over de oorsprong, betekenis en achtergrond van de achternamen wordt niet gegeven. Definities en methodologie Iedereen heeft tenminste n vooren n achternaam. Met achternaam bedoelen we hier de familie naam, dit is de naam die aan de kinderen doorgegeven kan worden. Bij vrouwen gaat het om de meisjesnaam en niet om de naam van de echtgenoot. In de traditi e van Nederland en de Nederlandse Antillen heeft men n achternaam of een meervoudige achternaam die in zijn geheel de familie naam is. Echter, elk land heeft zijn eigen gebruiken. Problemen doen zich het meest voor bij buitenlandse namen waarbij de achternaam een samenstelling van namen van beide ouders is. In Spanje (en Spaanstalig Amerika) worden dubbele namen gebruikt: een persoon krijgt de achternaam van de vader en vervolgens de achternaam van de moeder. Echter, slechts de achternaam van de vader wordt opnieuw weer doorgegeven aan de volgende generatie. Bijvoorbeeld, i ndien de vader Juan Fernandez Gomez, en de moeder Maria Garcia Marquez heten, wordt de achternaam van het kind Fernandez Garcia. Vervolgens wordt Fernandez weer doorgegeven aan de volgende generatie. In Portugal is dit vergelij kbaar, echter nu komt eerst de naam van de moeder en dan de naam van de vader (en wordt deze l aatste doorgegeven). In Martina, Martis, Richardson, Maduro en Jansen zijn de vijf meest voorkomende achternamen in de Nederlandse Antillen. Zestien procent van de Sabanen hebben als achternaam Hassell. Veruit het hoogste eilandelijke percentage in de hele Antillen. In dit artikel wordt nagegaan welke achternamen het meeste voorkomen in de bevolkingsregisters van de eilanden. Dat lijkt gemakkelijk, maar is dat niet. Niet in alle landen wordt de familienaam in zijn geheel doorgegeven en vaak ook worden namen anders gespeld.

PAGE 71

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 71 China en Japan wordt eerst de achternaam en da n de voornaam geschreven. Het is dus vanuit de registraties niet altijd duidelijk welke deel va n de naam gekozen moet worden als achternaam. Bij het nemen van de hele naam wordt he t vrkomen van bepaalde achternamen sterk onderschat (immers Garcia Marquez en Garcia Fernandez tellen bijvoorbeeld niet als n, maar als twee namen). Door alleen de eerste achternaam te nemen in plaats van de hele achternaam komt bijvoorbeeld Rodriquez nu ni et 302 maar 503 maal voor. Ook Hernandez, Lopez, Gonzalez, Garcia en Perez komen nu veel vaker voor. Maar ook het nemen van alleen de eerste achternaam die geregistreerd is geeft pr oblemen. Een deel van de namen met buitenlandse oorsprong werd als geheel overgenomen als achtern aam in het Nederlands of in andere landen met een vergelijkbaar systeem en wordt dus deze gehele naam doorgegeven. Dit laatste komt in de Nederlandse Antillen vooral voor bij personen van Portugese (is ook Madeira en de Azoren) oorsprong. Hatianen hebben ook regelmatig een dubbe le naam die in zijn geheel naar de kinderen overgaat. Ook de spelli ng van veel namen uit landen waar doorgaans niet het Latijnse alfabet wordt gebruikt zorgt er voor dat soms dezelfde naam op verschillende manieren wordt gespeld terwijl het waarschijnlijk dezelfde naam betr eft. Verder zijn er na men die niet of slechts gedeeltelijk voorkomen in de (g eregistreerde) namen van de ouders Tevens zijn er natuurlijk ook nog invoerfouten waardoor binnen een familie of gezin verschillende spellingen voorkomen. Deze worden niet altijd hersteld en zo ontstaan er binnen een familie takken met verschillende namen. In bijlage II zijn enkele voorbeelde n van de bovenstaande problemen opgenomen. Hier is gekozen om in principe de eerste achter naam te kiezen, behalve als het duidelijk is dat het een volledige naam betreft. Bijvoorbeeld bij Sint Jago is niet Sint als naam gekozen maar Sint Jago (ook St. Jago is hieraan toegevoegd). Voorvoe gsels zijn ook meegenomen. Zo zijn Silva en da Silva twee verschillende achterna men. Voor de meest voorkomende meervoudige achternamen is per geval een oplossing gezocht. De meeste achternamen die problemen geven zijn echter niet freque nt waardoor het geen invloed heeft op de hier gepresenteerde tabellen. De gegevens komen uit het bevolkingsregister uitgaande van de situ atie op 1 januari 2004. Registers zijn niet compleet, er komen persone n in voor die zich niet hebben uitgeschreven terwijl dit wel had gemoeten en er zijn personen niet ingeschreven die wel ingeschreven behoren te zijn. Voorts zijn er niet gere gistreerde illegalen. In het algemeen is er een overregistratie van personen (van met name niet-Nederlandse nationali teiten). De CBS cijfers laten zien dat er 180.726 personen woonachtig waren in de Nederl andse Antillen. Het register bevat echter 229.843 personen. Bij de gepresenteerde aantalle n moet hiermee rekening gehouden worden, werkelijke aantallen zullen in het algemeen lage r zijn. De (relatieve) aan delen en de rangorde is naar verwachting slechts beperkt benvloed. Achternamen In het bevolkingsregister van de Nederlands e Antillen kwamen op 1 januari 2004 in totaal 22 185 namen voor. Zoals reeds beschreven in het vorige gedeelte over definities en methodologie, staan er meer personen ingeschrev en in de registers dan dat er werkelijk woonachtig zijn. Hierdoor komen de frequenties niet overeen met de bevolkingsaantallen. Tabel 1 geeft een overzicht van het aantal namen in het bevolkingsregister per eiland. Ook het gemiddeld aantal personen per achternaam is ge geven. Het grootste aantal achternamen komt voor in Curaao: ruim 16 duizend. Dit is minder dan twee keer het aantal namen dat voorkomt in Sint Maarten. In Curaao is echt er het aantal registreerde persone n vier keer zo hoog als in Sint Maarten. Vergeleken met de andere eilanden z ijn de verschillen nog groter. Curaao kent derhalve ook het grootst aantal gemiddeld aanta l personen per achternaam. Saba en Sint Eustatius hebben, met minder dan drie, het geringste aantal pers onen per achternaam.

PAGE 72

Modus Statistisch Magazine 72 Jaargang 6 Tabel 1: Totaal aantal namen in het register (1 januari 2004) Eiland PersonenNamen Personen per achternaam Curaao 167.97916.13410,4 Bonaire 13.4502.8404,7 Sint Maarten 43.8638.6085,1 Sint Eustatius 3.1081.1292,8 Saba 1.4435022,9 N ederlandse Antillen229.84322.18510,4 Tabel 2 geeft de top tien van de meest voorkomende achternamen in de Nederlandse Antillen en in de afzonderlijke eilanden (B ijlage 1 geeft nog verdere informa tie). Martina is veruit de meest voorkomende naam in de Nederlandse Antillen. Dit komt voornamelijk doordat het grote aantal Martinas in Curaao. Martis is de tweede m eest frequente naam. In zowel Bonaire als in Curaao staat deze achternaam op de tweede plaats Op de derde plaats de naam Richardson, dit is de meest voorkomende naam in Sint Maarte n. De rest van de top 10 wordt bepaald door Curaao en de meest frequente naam in Bonaire (Winklaar) en de nummer twee van Sint Maarten (Gumbs). Door hun geringe bevolkingsomvang, zijn de mees t geregistreerde namen van Sint Eustatius en Saba niet terug te vinden in het rangorde overzicht van de Nederlandse Antillen. Tabel 2. Top 10 van namen per eiland Nederlandse Antillen Bonaire Curaao Naam aantal %Naam aantal%Naam aantal % 1 Martina 3.904 1,7Winklaar 3072,3Martina 3.783 2,3 2 Martis 2.046 0,9Martis 2962,2Martis 1.734 1,0 3 Richardson 1.543 0,7Cicilia 2762,1Maduro 1.058 0,6 4 Maduro 1.132 0,5Janga 2712,0Jansen 1.054 0,6 5 Jansen 1.111 0,5Sint Jago 1971,5Sambo 799 0,5 6 Winklaar 844 0,4Frans 1951,5Hooi 771 0,5 7 Sambo 809 0,4Bernabela 1681,2Martha 712 0,4 8 Hooi 794 0,3Anthony 1641,2Maria 707 0,4 9 Gumbs 778 0,3Mercera 1631,2Leito 703 0,4 10 Martha 758 0,3Nicolaas 1531,1Francisca 669 0,4 Sint Maarten Sint Eustatius Saba Naam aantal %Naam aantal%Naam aantal % 1 Richardson 1.087 2,5Spanner 882,8Hassell 234 16,2 2 Gumbs 581 1,3Courtar 752,4Johnson 120 8,3 3 Hodge 422 1,0Brown 612,0Simmons47 3,3 4 Williams 416 0,9Schmidt 561,8Peterson 26 1,8 5 Lake 404 0,9Woodley 561,8Wilson 23 1,6 6 Joseph 381 0,9Redan 541,7Heyliger22 1,5 7 Arrindell 375 0,9Berkel 491,6Zagers 22 1,5 8 Peterson 307 0,7Hook 491,6Linzey 20 1,4 9 Carty 287 0,7Putten, van441,4Barnes 17 1,2 10 James 269 0,6 Arnaud 391,3 Every 17 1,2 Het aandeel van de meest voorkom ende achternaam verschilt per eiland. Op Saba draagt maar liefst 16,2 procent de naam Hassell. Op de andere eilanden zijn de percentages aanzienlijk lager (tussen de 2,3 en 2,8%). De mate van concentr atie van namen blijkt ook uit Tabel 3. Hoe kleiner

PAGE 73

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 73 de bevolkingsomvang van het eiland, hoe sterke r de concentratie. De drie meest frequente achternamen hebben een gezamenlijk aandeel van minder dan vijf procent Curaao en Sint Maarten tot ruim een kwart in Saba. Alleen in Curaao heeft de top 10 een aandeel van minder dan tien procent. Tabel 3: Concentratie van achternamen per eiland top 3top 1050% %%aantal Curaao 3,97,1489 Bonaire 6,516,3106 Sint Maarten 4,810,3398 Sint Eustatius 7,218,489 Saba 27,838,025 De laatste kolom in Tabel 3 geeft aan bij hoeve el namen (indien geordend van meest frequente naar minst frequente) een aandeel van vijftig procent van de bevolking bereikt wordt. In Saba hebben de 25 meest voorkomende namen samen een aandeel van vijftig procent. Op Sint Eustatius en Bonaire is dit rond de honderd en op Sint Maarten en Curaao zijn met respectievelijk zon vieren vijfhonderd namen de helft van de bevolking benoemd. Per eiland zijn verschillende name n te vinden in de top 20. Op de bovenwindse eilanden zijn het Engelse namen en op Curaao en Bona ire hebben de namen een meer een Nederlands/Papiamentse oorsprong. De verschillen tussen de eilanden blijkt ook indien we gaan kijken naar de plaats die de nummers 1 van een eiland innemen op de rangorde lijst van de andere eilanden. Zo vinden we de nummer n van Bonaire, Winklaar, terug op plaats 18 in Curaao en op plaats 3745 in Sint Maarten. Op Sa ba en Sint Eustatius komt de naam zelfs helemaal niet voor. Martina, meest frequente in Curaao, is slechts 91e op het buureiland Bonaire en pas 2883e op Sint Maarten. Een uitzondering vormt de naam Martis, deze staat zowel in Bonaire als in Curaao de tweede plaats. Richardson, nummer 1 in Sint Maarten is nummer 30 in Curaao en 78e in Bonaire, 17e in Sint Eustatius en 62e in Saba. De 1e van Sint Eustatius, Spanner, komt slechts terug op plaats 5045 in Curaao en op plaats 3298 in Sint Maarten. Op de andere eilanden komt de naam niet voor. Tenslott e, de Hassells van Saba vinden we terug op de volgende plaatsen: 458e in Curaao, 848e in Bonaire, 2875e in Sint Maarten en 14e in Sint Eustatius. De frequenties van de beginle tter van achternamen staan in Ta bel 4. In top 10 van meest voorkomende achternamen op Curaa o beginnen er vijf met een M (Martina, Martis, Maduro, Martha en Maria). Ook in Bonaire zullen de m eeste telefoonaansluitingen terug te vinden zijn onder de letter M. De meest freq uente begin letter in Sint Maarten is de B, gevolgd door de M. Geen van beide letters is de begi nletter van een naam de top 10 va n meest. In Sint Eustatius en Saba is de meest frequente beginletter wel weer de beginletter van de meest frequente achternaam (S en H respectievelijk ). Naast de verwachte letters Q, X en Y, komen ook de Z en de klinkers O, I, U weinig voor als 1e letter van achternamen. De enige uitzondering is Saba, waar de Z relatief vaak voorkomt (vnl. Zaegers en Zagers) en, daarente gen, de F weer minder.

PAGE 74

Modus Statistisch Magazine 74 Jaargang 6 Tabel 4 De meest voorkomende beginletter van achternamen N ederlandse AntillenCuraaoBonaire Sin t Maarten Sin t EustatiusSaba A 5,15,16,55,23,91,7 B 6,86,46,18,49,85,3 C 7,37,28,97,36,74,7 D 4,13,93,55,05,13,0 E 2,62,83,12,01,21,7 F 3,94,14,13,42,80,7 G 4,54,33,65,64,94,8 H 5,24,92,36,48,120,9 I 1,41,70,50,90,40,6 J 4,34,04,75,33,19,8 K 2,63,02,21,51,41,7 L 5,45,42,86,16,17,8 M 11,812,813,08,17,94,6 N 1,71,71,91,61,22,4 O 1,51,71,60,70,80,9 P 6,56,66,26,57,64,0 Q 0,200,20,20,10,10,1 R 6,46,05,48,07,25,0 S 7,97,89,97,311,28,9 T 2,62,44,62,53,32,2 U 0,230,20,10,20,20,0 V 2,62,72,82,10,91,0 W 4,03,75,24,55,34,6 X 0,040,00,10,10,10,1 Y 0,270,10,20,80,20,8 Z 0,810,90,60,40,62,8 Totaal 100,0100,0100,0100,0100,0100,0 Zoals eerder beschreven levere n dubbele namen enigszins problem en op bij het bepalen van de frequentie van achternamen. Ongeveer 36 procent van de personen in the Nederlandse Antillen staat met meer dan n achte rnaam in het register ingeschreven (d e, da, ter, van, el, la etc. niet meegerekend). Dubbele namen komen vooral voor op Curaao en Bonaire: bijna 40 procent heeft een dubbele achternaam, op de andere eilande n is dit met rond de 14 procent een stuk lager (zie Tabel 5). Tabel 5: Personen geregistreerd met dubbele nameni n meer dan ntotaal % dubbele naam Curaao 1475390782383138,1 Bonaire 23131507382039,5 Sint Maarten 83541404975814,4 Sint Eustatius 1032167119913,9 Saba 4587553314,1 N ederlandse Antillen26910122313914131,2 iDubbele of meervoudige naam, de, da, ter, van, el, la etc. zijn niet meegerekend Tabel 6 geeft, tenslotte, een overzicht va n de meest voorkomende achternamen in de Nederlandse Antillen naar geboorteland van de personen. Bedenk hierbij dat personen met een naam van buitenlandse origine, zelf geboren ku nnen zijn in de Nederl andse Antillen (kinderen

PAGE 75

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 75 geboren in de Nederlandse Anti llen en uit ouders geboren buiten de Nederlandse Antillen worden dus niet bij elkaar opgeteld). Opmerkelijk zijn de overeenkomsten tussen Angu illa en buur(ei)land Sint Maarten. Het aandeel van de meest frequente namen in het totaal ve rschilt ook nogal. Deze is zeer laag bij in Nederland geborenen. Ook onder in Colombia geborenen is het aa ndeel van de meest voorkomende achternamen relatief laag. China, Po rtugal (ook de Azoren en Madeira) en Sint Lucia zijn landen van geboorte met een relatief hoge concentratie. Tabel 6: Meest voorkomende achternamen op de Nederlandse An tillen per geboorteland (indien tenminste 50 registraties van een achternaam) geboorteland naam abs. % totaal geboorteland naam abs. % totaal Anguilla Richardson 123 15,0Haiti Joseph 193 2,8 Anguilla Gumbs 71 8,7Haiti Pierre 126 1,8 Anguilla Hodge 55 6,7Haiti Jean 88 1,3 All names 818 100 All names 6985 100 China Wu 287 13,4Jamaica Brown 75 2,5 China Feng 154 7,2Jamaica Williams 72 2,4 China Chen 99 4,6Jamaica Campbell 55 1,9 All names 2144 100 All names 2944 100 Colombia Martinez 86 1,5Portugal Silva da 140 8,6 Colombia Rodriguez 82 1,4Portugal Rodrigues 110 6,7 Colombia Gonzalez 79 1,4Portugal Vieira 96 5,9 Colombia Lopez 79 1,4 All names 1635 100 All names 5743 100 Nederland Jong, de 58 0,5 Dominica Joseph 105 4,2Nederland Jansen 54 0,5 Dominica George 69 2,7 All names 11082 100 Dominica Charles 51 2,0 All names 2524 100Nederlandse Antillen Martina 3782 2,5 Nederlandse Antillen Martis 1973 1,3 Dominicaanse Rep, Rodriguez 228 1,7Ned erlandse Antillen Rich ardson 1092 0,7 Dominicaanse Rep, Martinez 22 7 1,7 All names 153991 100 Dominicaanse Rep, Perez 219 1,6 All names 13300 100Saint Kitts-Nevis Williams 58 2,7 All names 2144 100 Frankrijk Richardson 93 3,3 Frankrijk Gumbs 85 3,0Sint Lucia Joseph 52 6,4 Frankrijk Lake 58 2,1 All names 809 100 All names 2802 100 Venezuela Rodriguez 84 2,8 Guyana Singh 56 4,4Venezuela Gonzalez 50 1,7 All names 1282 100 All names 2999 100

PAGE 76

Modus Statistisch Magazine 76 Jaargang 6 Bijlage 1 Tabel I: vervolg top 10 meest voorkomende achternamen (tabel 2 in tekst). Nederlandse Antillen Curaao Bonaire Naam aantal% Naam aantal% Naam aantal % 11Maria 7420,3 Zimmerman 6680,411Thode 1260,9 12Leito 7220,3 Lourens 6610,412Molina 1120,8 13Lourens 6890,3 Isenia 6600,413Palm de 1120,8 14Zimmerman 6840,3 Daal 5570,314Coffie 1090,8 15Isenia 6810,3 Cijntje 5540,315Emerenciana 1020,8 16Francisca 6800,3 Doran 5500,316Martijn 980,7 17Rodriguez 6610,3 Pieter 5310,317Thielman 960,7 18Janga 6490,3 Winklaar 5290,318Domacasse 900,7 19Cicilia 6330,3 Rodriguez 5030,319Melaan 860,6 20Williams 6260,3 Alberto 4730,320Pourier 860,6 21Joseph 6090,3 Koeiman 4420,3 22Daal 6070,3 Paulina 4390,3 23Thomas 5800,3 Henriquez 4160,2 24Wilson 5800,3 Vrutaal 4100,2 25Doran 5720,2 Windster 4090,2 26Hodge 5710,2 Pietersz 4040,2 Sint Maarten 27Cijntje 5630,2 Windt, de 4030,2 Naam aantal % 28Alberto 5560,2 Rosa 4000,211Thomas 2630,6 29Pieter 5450,2 Juliana 3980,212Brown 2620,6 30Lake 5280,2 Richardson 3980,213Wilson 2580,6 31Palm 5140,2 Pieternella 3840,214Brooks 2390,5 32Arrindell 5000,2 Mathilda 3730,215Fleming 1970,4 33Windt 4960,2 Mercelina 3710,216Charles 1950,4 34Rosa 4950,2 Willems 3690,217Smith 1790,4 35Paulina 4770,2 Bernadina 3680,218Jones 1630,4 36Sint 4660,2 Elizabeth 3680,219York 1620,4 37Pietersz 4610,2 Janga 3660,220Rogers 1540,4 38Brown 4560,2 Girigorie 3630,221Pantophlet 1520,3 39Koeiman 4510,2 Hernandez 3610,222Henry 1470,3 40Silva 4470,2 Ricardo 3430,223Pierre 1470,3 41Henriquez 4460,2 Lopez 3330,224George 1440,3 42Hassell 4440,2 Cicilia 3320,225Webster 1280,3 43Mercelina 4420,2 Melfor 3300,226Jean 1260,3 44Hernandez 4390,2 Sophia 3290,227Marlin 1230,3 45Garcia 4350,2 Gonzalez 3270,228Rombley 1230,3 46Perez 4340,2 Garcia 3210,229Flanders 1220,3 47James 4320,2 Obispo 3210,230Davis 1190,3 48Peterson 4210,2 Perez 3180,2 49Vrutaal 4210,2 Schoop 3180,2 50Martinez 4200,2 Albertus 3160,2

PAGE 77

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 77 Bijlage 2: Voorbeelden van co mplicaties met achternamen Verschillende spelwijzen buitenlandse achternamen die mogelijk gelijk zijn: Abou-Lteif Abou Litaif Abou Ltaif Abou Lteif Aboultaif Bultaif Drie spelwijzen van zelfde naam: Sint Jago St Jago St. Jago Kleine verschillen (hoeven geen fouten te zijn, echter bij namen waar mi nder spellingsruimte is de frequentie hierdoor hoger): Anastacia Anastasia Anastatia Americaan Amerikaan Ook worden soms twee namen verbonden met een streepje en soms niet, bv.: Bien Aime Bien-Aime Binnen n gezin spelfout Oliphas/Oliphar en deel achternaam in voornaam (Olius): Voornaam Achternaam Cyrius Olius Oliphas Hoofd gezin Daniel Olius-Oliphar Kind Binnen n gezin wel of niet voorvoegsel gescheiden: voorvoegsel naam van Geenen van Geenen Spelfout, binnen n gezin verschillende spelling: Mendes Cachucho Hoofd gezin (man/vrouw/kind) Mendes Cachucho Kind 1 Mendes Chachucho Kind 2 Er zijn ook voorbeelden van veranderingen in de familie naam door spelfouten. Zo is bijvoorbeeld een deel van de familie Martines veranderd in Martina. Voorbeelden van het doorgeven van namen van ouders naar kinderen: Eerste achternaam ouders naar kinderen: Martinez Brito Echtgenote binnen gezin Mathilda Hoofd gezin (man/vrouw/kind) Mathilda Martinez Kind Duque Londono Hoofd gezin

PAGE 78

Modus Statistisch Magazine 78 Jaargang 6 Puerta Berrio Echtgenote binnen gezin Duque Puerta Kind Laatste achternaam naar kinderen: Dias da Silva Hoofd gezin Sousa da Silva Kind Tinoco de Sousa Echtgenote binnen gezin Hele naam vader naar kinderen, hoofd van Portugese oorsprong: Coelho Rodrigues (pt) Hoofd gezin (man/vrouw/kind) Coelho Rodrigues Kind Lopes Ribeiro (pt) Echtgenote binnen gezin Hele naam vader naar kinderen, hoofd van Dominicaanse (Rep.) oorsprong: Nunes de Pontes Echtgenote binnen gezin Peralta Rodriguez Kind Peralta Rodriguez Hoofd gezin (man/vrouw/kind) Ouders uit Libanon, kind met Spaanse gecombineerde naamgeving: Dassouki Echtgenote binnen gezin Kaddoura Ali Hoofd gezin (man/vrouw/kind) Kaddoura Dassouki Kind Gemixte geval (tweede naam vader en eerste naam moeder naar kind): Brazao Gomes vader (Portugees) Miele Castella moeder (Spaans) Gomes Miele kind Dubbele namen Hati in geheel door: Louis Jean Hoofd gezin (man/vrouw/kind) Louis Jean Kind

PAGE 79

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 79 Een nationaal informatieplan voor verbetering van de informatievoorziening Francis Vierbergen Adres onbekend Economische crisis of niet, er wordt altijd wel gebouwd op onze eilanden. Grote projecten zoals hotels, time-shares, appartementencomplexen, bedrijfspanden, maar vaak ook kleine projecten: woonhuizen, bijgebouwen, appartementen. Mensen en bedrijven vestigen zich of verhuizen als gevolg van deze activiteiten. In de dynamiek van onze samenleving vinden er allerlei andere mutaties plaats: kinderen worden geboren, mensen sterven, huwen of scheiden, besluiten bij elkaar te gaan wonen, families vestigen zich op andere eilanden of emigreren naar andere landen. Er vinden steeds wijzig ingen plaats in de basisgegevens van personen en bedrijven. Basisgegevens die in een of meer bestanden van de overheid en andere instelli ngen zijn geregistreerd. Elke keer als er zon wijz iging plaats vindt moeten dus vaak meerdere instan ties van die wijziging op de hoogte gebracht worden: het bevolkingsbureau, het wateren elektriciteitsbedrijf, het telefoonbedrijf, de school, de belastingdienst, de Kamer van Koophandel, de Sociale Verzekeringsbank, de verzekeringsmaatschappij, de werkgever. Ieder van die instellingen heeft haar eigen registraties en moet dus bij elke wijziging deze doorvoeren in die registrati es. Het gevolg is dat n enkele wijziging, een ver huizing bijvoorbeeld, soms meer dan tien keer moet worden aangebracht. Dat vergt tijd en geld van al de betrokkenen. De kans op fouten is ook groot, vooral als instanties verschillende registraties hanteren: kavelnummer, straatnummer, wijknummer met eigen volgnummer of zelfs helemaal geen nummer. Zo kunnen Plantage Blaauw z/n, Curasol Kavel K-66 en Kaya Kanchi 43 betrekking hebben op hetzelfde adres in drie verschillende registraties. Het is dan ook geen wonder dat veel post niet bezorgd kan worden. Vaak voorkomende oorzaken Er vinden steeds wijzigingen plaats in de basisgegevens van personen en bedrijven. Tal van bedrijven en overheidsorganisaties registreren deze gegevens en moeten dus allen ook de wijzigingen opnemen. De kans op fouten is daarbij groot, vooral als niet alle gegevens eenduidig zijn. Een adequaat gecentraliseerd registratiesysteem is de oplossing voor onjuiste adressen of onvolledige of foute gegevens. Door centralisering wordt doubleren van gegevens voorkomen, wat tot kostenbesparingen voor alle betrokken instanties zal leiden. Maar er zal wel eerst genvesteerd moeten worden in de opbouw en het onderhoud van dit systeem

PAGE 80

Modus Statistisch Magazine 80 Jaargang 6 van onbestelde post zijn: persoon woont niet op aangegeven adres, adres niet te vinden, huisnummer bestaat niet, adres onbekend. Niet alleen voor de postbezorg ing is een adequaat adressensy steem van belang. Ook voor de politie, de brandweer, de ambul ancedienst en andere hulpverlen ende instanties is het van (levens)belang om snel op de juiste plaats te zijn. Levens hangen daar soms letterlijk van af. Onjuiste adresgegevens maken het ook andere over heidsdiensten moeilijk hun taken efficint uit te kunnen voeren: de belastingdienst, de arbeidsinspectie, de milieudienst. De oplossing hiervoor is een centraal adressenb estand, dat door n centra le organisatie wordt onderhouden, en waarvan alle andere instan ties gebruik kunnen (e n moeten) maken. Dat voorkomt fouten en werkt kostenen tijdsbesparend. Een dergelijke centraal adressenregister is n van de basisregistraties van waaruit een nationaal informatieplan is opgebouwd. In dit artikel wordt nader ingeg aan op de contouren van gecentra liseerde basisregisters, als basis van een nationaal informatieplan, de verdere mogelijkheden die dit biedt, en de wijze waarop dit in de praktijk kan worden opgebouwd. Het belang van juiste data Voor de maatschappij als geheel en voor de (politieke) beleidsvorming in het bijzonder is een adequate informatievoorziening van groot belang. De term adequate informatie kan hierbij worden omschreven als informatie die betrouwbaar tijdig en volledig is en daardoor aan het doel waarvoor zij gebruikt wordt beantwoordt. De overheid heeft relevante actuel e data nodig om haar beleid te onderbouwen, te monitoren en bij te sturen. Ook de private se ctor heeft behoefte aan actuele relevante informatie om haar bedrijfsplannen te formuleren, te beoordelen en bij te stur en. Het onderwijs heeft actuele relevante data nodig voor (o.a.) het doen van wetenschappelijk onderzoek. De burger is gebaat bij actuele relevante informatie om genformeer d te zijn omtrent de huidige maatschappelijke toestand. Versnippering van data Momenteel wordt decentraal door diverse administraties met een verschillend doel en verschillende richtlijnen, dezelfde informatie va stgelegd per persoon, activiteit, object etc. Doordat er geen afspraken zijn over standaarden en definities zijn deze bestanden niet met elkaar te vergelijken en ontbreekt de mogelijkheid om snel een overzicht te krijgen van de ontwikkelingen binnen een be paald beleidsterrein. Als gevolg van deze situatie ontstaat er spr aakverwarring doordat informatie over hetzelfde onderwerp vanuit verschillende gezichtspunten wo rdt gepresenteerd, waarbij deze zich soms zelfs tegenspreken. Een voorbeeld is het verschil in omvang van de we rkloosheid volgens de na tionale statistiek en die volgens administratieve bestanden. Een nog sprekender voorbeeld is de commotie die jaren geleden ontstond doordat meerdere, onderling aanzie nlijk afwijkende cijfers beschikbaar waren over het aantal werkenden bij de overheid; een probleem dat overi gens nog steeds niet opgelost is. Doordat de beschikbare informa tie niet koppelbaar blijk t te zijn komt het vaak voor dat extra onderzoek nodig wordt bevonden om aanvullende, voor het beleid relevante, informatie te verkrijgen, terwijl deze reeds in andere bestanden aanwezig is, maar voor het doel onbruikbaar.

PAGE 81

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 81 Stap 1. Centralisering van de data De huidige situatie, die tot gevo lg heeft dat ons land door intern ationale organisaties zoals het IMF wordt gekwalificeerd als d ata poor, roept om verbetering. De huidige informatietechnologische mogelijkheden bieden hierbij uitkomst. Het CBS ziet als oplossing voor de versnipperi ng en ontoegankelijkheid van informatie het centraliseren van de data. De concepten hiervan z ijn uitgewerkt in een Nationaal Informatieplan. Als basis van het Nationaal Informatieplan ligt de centralisatie van basisdata. Alle informatie in registraties die door de instellingen van de ove rheid en semi-overheid worden aangehouden en gegevens bevatten die overlappen met gegevens van andere regist raties, dan wel ook een belang hebben voor het overheidsbeleid en voor de statistische informatievoorziening, worden enkelvoudig en eenduidig aangehouden in centrale registers. Enkelvoudig betekent dat een gegeven, bijvoorb eeld een adres, slechts op n plaats wordt geregistreerd en onderhouden. Eenduidig beteke nt dat het gegeven volgens vastomlijnde definities en procedures is aangemaakt. Elk centraal register wordt aangemaakt en onde rhouden door een aangewezen beheersinstantie die verantwoordelijk is voor de kwalit eit en volledigheid van de informatie. Deze centrale registers zijn toegankelijk voor alle instanties voor wat betref t de gegevens die zij daaruit nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Deze informatie wordt dan op het moment dat zij nodig is, automatisch u it de centrale registraties opgehaald. Een reeds werkend voorbeeld hiervan is het kantoor Rijbewijzen in Curaao, waar de gegevens van de klant on-line worden opgehaald uit het geautomatiseerde bevolkingsregister. In het nationaal informatieplan wordt in begins el van vier centrale basisregistraties uitgegaan: Basisregistratie Persoonsgegevens Basisregistratie Bedrijven Basisregistratie Vastgoed Basisregistratie Adressen Voor elk van deze basisregistra ties fungeert een instantie als be heerder van de database. Deze heeft de autoriteit om de gegevens te mutere n: invoeren, wijzigen en afvoeren. De andere registers, maar ook gebruikers, hebben de mogeli jkheid om geconstateerde wijzigingen kenbaar te maken aan de beheerder van die gegevens. De registraties maken gebruik van unieke identificatiecodes. Zonder deze codes kunnen er geen koppelingen gemaakt worden. In het geval van natuurlijke personen kan hiervoor het reeds bestaande sedula-nummer en/of he t CRIB-nummer worden gebruikt In het geval van bedrijven (natuurlijke en rechtspersonen) het CRIB-nummer of het bedr ijfsnummer van de Kamer van Koophandel. Een centrale (logische) database bevat de koppelingen van de regi stratiecodes en fungeert tevens als doorgeefluik van de gegeve ns naar de gebruikers. Voorbeelden van het gebruik van het systeem zijn: In de basisregistratie personen wordt de persoon en zijn familie gekoppeld aan een adrescode. Bij het opvragen va n de file van de betreffende persoon worden daarmee de correcte adresgegevens direct uit het basisbestand adressen gehaald. In het vastgoedregister koppelt de adrescode het object aan he t juiste adres van het object en de persoonscode het object aan de eigenaar en het adres van de eigenaar.

PAGE 82

Modus Statistisch Magazine 82 Jaargang 6 Gebruikers zoals de belasti ngdienst of de SVB halen via de persoonscode de gegevens van de persoon en zijn juiste adres binnen. Wijzigingen in de basisgegevens hoeven nu sl echts nmaal te worden gemeld, waarna het systeem er voor zorgt dat de gemuteerde informa tie overal beschikbaar is. In het ideale geval hoeft de wijziging niet noodzakelijkerwijze bij de beheerder zelf te worden aangemeld, maar bij n van de aangesloten instanties, die deze wijz iging dan doorsturen naar de beheerder. Deze controleert de melding en voert de mutatie dan door. Te denken valt hierbij aan de (w ijk)kantoren van de overheid, waar burgers de wijzigingen kunnen aanmelden, het on-line aanmeld en, of de veranderingen die bij de nutsbedrijven worden aangemeld. Schematisch gezien ziet een dergelijk systee m, met als voorbeeld een aantal aangesloten gebruikers, er als volgt uit: Het systeem zorgt er voor dat alle in het pr oces opgenomen instanties over dezelfde (basis)gegevens beschikken en dat de actuali teit van de gegevens zoveel mogelijk wordt gegarandeerd. Gecentraliseerd informatiesysteemonderwijs justitie leerling basisregistratie personen persoon school adres leraarpersoonscodemisdrijf naam voornamen basisregistratie adressen geboortedatum geboorteplaats basisregistratie bedrijven adrescodebedrijfscode naam straatnaampersoonscodeactiviteit huisnummeradrescodewerkenden geocodevastgoedcodestichtingsvorm .bedrijfscode gezondheidszorg belasting dienst basisregistratie vastgoed vastgoedcodepatient loonbelast. ziekenhuis winstbel.vastgoedtypeziekte stichtingsdatumSVB eigenaarscodeNutsbedrijven functieBrandweer Ruimtelijke ordening GeografischEconomische zaken InformatiesysteemSociale zaken Etc. geocode adrescode vastgoedcode bedrijfscode persoonscodes centrale database

PAGE 83

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 83 Door aan het systeem ook geografische kenmerken toe te voegen worden de toepassingsmogelijkheden nog verder uitgebreid. Zo kunnen met de meest recente gegevens regionale analyses worden uitgevoerd met betr ekking tot huisvesting, ec onomische activiteiten, grondgebruik. Hulpverleners kunnen op basis van adressen gemakkelijker de weg vinden met behulp van kaarten of routebeschrijvingen. In ee n compleet systeem zou de brandweer bij een brandmelding in een bedrijf op basis van het ad res en de bedrijfscode vooraf kunnen bepalen om wat voor soort bedrijf het gaat, hoeveel mensen daar werken, met welke gevaarlijke stoffen daar wordt gewerkt, en hoeveel mensen er in de directe omgeving wonen. Niet alleen voor de overheid zelf maar ook burgers en het bedrijfsl even kunnen direct en indirect profiteren van gecentraliseerde gegevens. Een derg elijk centraal systeem is een basisvoorwaarde om tot E-Government te kunnen komen. Stap 2. Autorisatie van gebruik door derden Het koppelen van de basisregistraties aan gebruike rs opent de mogelijkheid de gegevens van die gebruikers ook onderling te koppelen. Dat heeft voor een aantal doe leinden een groot voordeel: Het systeem kan, door wederzijdse bestandsverg elijkingen, allerlei controles uitvoeren. Zo kan bijvoorbeeld op basis van het pers oonsnummer een leerling die op twee scholen tegelijk is ingeschreven gemakkelijk worden opgespoord. Werkenden die in de bestanden van de SVB voorkomen, kunnen worden gema tched met de werkenden die bij de belastingdienst voorkomen. Personen die zich u it het bevolkingsregister laten schrijven kunnen ook uit de bestanden van de SVB worden geschreven. Het construeren van beleidsrelevante rapporten waarin gegevens van meerdere instanties op elkaar moeten worden afgestemd en g eanalyseerd, wordt mogelijk. Daardoor is aanvullend onderzoek vaak niet meer nodig en kunnen beleidseffecten beter gemonitord worden. Het maken van statistische opstellingen, w aarvoor anders (dure) onderzoeken voor nodig zijn, wordt eenvoudiger en goedkoper. In Nederl and en vooral ook in de Scandinavische landen is men reeds zover ontwikkeld met het stroomlijnen van bestanden dat de verwachting is dat daar geen volkstellingen meer zullen behoeven te worden uitgevoerd. Men zal voortaan administratieve censussen kunnen uitvoeren op elk gewenst moment. Actuele informatie omtrent demografisch e, sociaal-economische en huisvestingsvariabelen kunnen voortaan fr equent worden opgeleverd. In het volgende voorbeeld worden de mogelijkheden tot het verkrijgen van analytische data via koppeling van bestaande gegevens deels uitgewerkt voor de onderwijssectie. V oorbeeld mogelijkheden van koppeling databronnen: onderwijsgegevens Gekoppelde gegevens leerlingkaart persoonscodecentrale datageslacht, leeftijd, geboorteplaats, nationaliteit, familiesamenstelling, crimineel gedrag adrescodeopleiding ouders, beroep ouders, inkomen ouders, bedrijf werkzaa m schoolcodewijk, type woning, wijkvoorzieningen opleiding klas vakkenpakketschooldatatype bedrijf/school, adres, woon-school verkeer cijferlijstenschoolresultaten naar type opleiding, schooltype, geslacht historieaansluiting opleiding / arbeidsmarkt financiele data onderwijs naar type school/opleiding

PAGE 84

Modus Statistisch Magazine 84 Jaargang 6 Via gekoppelde primaire gegevens van de l eerlingen (persoonscode en adrescode) is informatie te verkrijgen omtrent geslacht, leeftijd, geboorteplaats, nationaliteit, datum van vestiging, familiesamenstelling (bevolki ngsregister), registratie bij justitie, kenmerken van de ouders: opleiding, beroep, inkomen, bedrijf (bedrijfsregister/SVB/ belastingdienst, CBS), woninggegevens : type woning, wijk, wijkkenmerken (vastgoedregister, DROV, DOW). Met de eigenlijke schooldata kunnen analyses worden uitgevoerd met betrekking tot type school, woon-schoolverkeer (adressenr egister), schoolresu ltaten naar type opleiding, type school, kenmerken leerling, aan sluiting opleiding op de arbeidsmarkt (beroepeninformatie SVB, belastingdienst, CBS) en financile data: uitgaven en investeringen in (type) onderwijs (school administraties, schoolbesturen, Dienst financin) Consequenties Het gebruik maken van data die uit verschillende bronnen afkomstig is heeft alle en zin als die data ook onderling op elkaar z ijn afgestemd. Dat wil zeggen da t iedere betrokken instantie gebruik maakt van dezelfde definities en conc epten. Dat is niet altijd even eenvoudig. Vaak worden administratieve bestanden voor spec ifieke doelen aangehouden waardoor haast vanzelf andere concepten worden toegepast. Een jongere kan in het ene bestand een juridisch karakter hebben en een persoon betreffen di e jonger is dan 21 jaar, terwijl in een ander bestand de term jongere een sociaal-economisch ka rakter heeft waarmee een persoon in de leeftijd van 15-24 jaar wordt bedoeld. Vergelijking van d eze bestanden leidt per defini tie tot (grote) verschillen. Een oplossing hiervoor is om naast het kenmerk jongere ook een kenmerk leeftijd toe te voegen, zodat altijd een conversie naar een alternatief concept kan worden gemaakt. Dat betekent dat in de aanloop naar een volledig ge ntegreerd systeem onderhandelingen tussen de betrokken registerhouders zal moeten plaatsv inden om deze extra kenmerken toe te voegen. Consequentie van dit proces is verder, dat registerhouders, eigen aars van gegevens, niet meer alleen naar interne vereisten voor de gegevens opslag moeten kijken, maar ook rekening zullen moeten houden met de wensen en vereisten va n andere belanghebbenden. De eigenaars zullen hun blikveld voortaan moeten verbreden van een verzuild, functioneel perspectief naar een perspectief van het delen van informatie. In de literatuur wordt dit het perspectief van de Tshaped manager genoemd10. Dat vereist niet alleen een me ntaliteitsombuiging, maar zal in gevallen ook betekenen dat de wetgeving zal moeten worden aangepast. De informatieverzameling gebeurt namelijk meestal vanuit een wettelijke regeling en vo or zover ook de wijze van dataverzameling en -opslag bij wet is geregeld, zal dat wetsonderdee l moeten worden aangepast. Proliferatie van gegevens heef t tevens invloed op het beheersbaar houden van de informatie, vooral wanneer deze gevoelige gepersonifieerde data bevat. Er zal dan extra aandacht gegeven moeten worden op het waarborgen van de privacy. 10 The new modality of sharing information across func tional boundaries while steadfastly working towards the achievement of the narrower organizational objectives may help to create a new kind of manager the T-shaped manager. The T-shaped manager is one who has learned to live with, and ultimately thrive within tension created by the dual responsibility. He or she must be able to break out of the traditional co rporate hierarchy to share knowledge across organizations (represented by the horizont al part of the T) while remaining committed to individual business unit performance (represented by the vertical part of the T); ECLAC/CDCC, Information, Information Management and Governance, December 2001.

PAGE 85

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 85 Een nationaal informatiesysteem werkt uiteinde lijk kostenbesparend. Mutaties worden voortaan door slechts n instantie uitgevoerd. Het re ndement wordt ook gegenereerd doordat fouten worden beperkt zodat overheidsdienste n beter en sneller hun werk kunnen doen. Daarnaast bestaan er duidelijke efficiencyvoorde len. Er kan snelle managementinformatie of beleidsrelevante informatie gegenereerd wo rden. Klanten kunnen snel ler en beter geholpen worden. De transparantie van de overheid wordt daardoor verbeterd. Vereisten Geen opbrengsten zonder kosten. Het is duidelijk dat er heel wat moet gebeuren voordat een nationaal informatiesysteem is opgezet. Het vereist de inzet van mens en machine. De uitgangsgedachte is, dat steeds het prakti sch haalbare voorrang moet krijgen, zonder het einddoel uit het oog te verliezen. Praktisch haalbaar betekent onder andere: 1 Voor wat betreft de inzet van informatietec hnologie: maak zoveel mogelijk gebruik van bestaande systemen en bouw deze via nieuwe modules zodanig uit dat het systeem kan communiceren met de centrale database. De ervaring leert dat het ontwerpen van grote systemen, waarbinnen het gehele proces is opgenomen, niet werkt: vaak wordt niet eens de ontwerpfase afgerond. Begin daarnaast me t databestanden die reeds geautomatiseerd zijn en die gemakkelijk aan te passen zijn. Het succes daarvan kan een goed motief zijn om ook moeilijkere regi sters te ontsluiten. 2 Zorg ervoor dat alle actoren die in het systeem een rol zullen spelen zich bewust worden van de noodzaak tot samenwerking en ook duidelijk de voordelen voor de eigen organisatie als die voor de maatschappij al s geheel inzien. Het denken zal moeten veranderen van eilandmentalite it naar de globale visie: de T-management view. 3 Een centrale beheersorganisatie zal het proces verder moeten specificeren en begeleiden in de uitvoering. Belangrijk is dan we l dat de programmamanager voldoende bevoegdheid heeft om in te grijpen waar dat nodig blijkt te zijn. Randvoorwaarden De wetgeving zal op bepaalde onderdelen aangep ast moeten worden om bestandsuitwisselingen mogelijk te maken, en om de privacy van de burger te regelen Er zullen investeringen nodig zi jn in harden software en in training van gebruikers. Een centrale rol krijgen de netwerkstructuren waarop het gehele systeem is gebaseerd. De middelen daarvoor moeten beschikbaar komen. Deze diepte -investeringen zullen zich pas op termijn kunnen terugverdienen uit kostenbesparingen en ve rbeterde dienstverlening. Ook zal de nodige aandacht moeten worden gegeven aan methoden voor onderhoud van het systeem. Er zal een instantie moeten worden aangewe zen of gecreerd die het project kan trekken, begeleiden en zorgdragen voor de uitvoering.

PAGE 86

Modus Statistisch Magazine 86 Jaargang 6 Government Finance Statistics Joyce Mahabali Introduction In 2001 the IMF released the second edition of the Government Finance Statistics Manual. The revised manual provides economic and accounting principles to be used in compiling the statistics and guidelines for the presentation of fiscal statistics within an analytic framework. The concept and principles set out in the manual are harmonized with those of the System of National Accounts 1993 (SNA 1993), so that government finance statistics can be used jointly with other macroeconomic statistics. In this article a summar y will be given of the main features of the new Government Finance Statistics (GFS) system, including the changes from the old GFS from 1986. And at last some first possible steps for implementing the new GFS system will be given. In Curaao, both the Central Bank and The Ministry of Finance are using the GFS 1986 system. It is the intention to implement the GFS 2001 system. Government Finance Statistics The GFS system is designed to provide statistics that enable policymakers and analysts to study developments in the financial operation, financial position and liquidity situation of the general government sector or the public sector in a consistent and systematic matter. The GFS analytic framework can be used to analyze the operations of the government. One method used in the GFS system to produce summary information on the overall performance and financial position of the general government or public sector is thro ugh the use of a set of balancing items such as the net operating balance, net lending/ borrowing and the change in net worth. The GFS system is designed to provide statistics that enable policymakers and analysts to study developments in the financial operation, financial position and liquidity situation of the general government sector or the public sector in a consistent and systematic matter. The GFS analytic framework can be used to analyze the operations of the government. The harmonization of the GFS system with other macroeconomics statistical systems means that data from the GFS system can be combined with data from other systems to assess general government or public sector developments in relation to the rest of the economy.

PAGE 87

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 87 In contrast to summary measures, the detailed da ta of the GFS system can be used to examine specific areas of government operations. The harmonization of the GFS system with other macroeconomics statistical systems means that data from the GFS system can be combined w ith data from other systems to assess general government or public sector developments in relation to the rest of the economy. Structure of the GFS system Both, the general government sector and public sector are defined as institutional units. These are economic entities that are capable of owning assets, incu rring liabilities and engaging in economic activities and transactions with other entities in their own right. Two types of flows are recorded in the G FS system: transactions and other economic flows. Transactions are interactions between two institutional units that take place by mutual agreement. Other economic flows include price changes an d a variety of other economic events that affect the holdings of assets and lia bilities, such as debt write-offs. The Balance Sheet for the general government or public sector presents the stocks of assets and liabilities at th e end of the accounting period. Various classifications are related to the fl ows and stocks recorded in the GFS system. For example, expense transactions are clas sified by purpose and by economic type; assets are classified according to whether th ey are financial or nonfinancial. Despite the harmonization of the GFS syst em with the 1993 SNA, there are some differences between these two statistical syst ems. The most important difference is that the focus of the GFS system is on financial transactionstaxing, spending, borrowing and lendingwhile the 1993 SNA also focuses on the production and consumption of goods and services. As a result, the treatment of government productive activities in the GFS system differs substantially from the trea tment of those activities in the 1993 SNA. Methodological changes from the 1986 GFS System 1986 2001 Coverage of units Defined on a functional basis rather than a unit basis. It includes all units carrying out a function of government, but in principle, only those transactions that are directly related to the functions of government are included. Focus on general governmental sector as defined in the 1993 SNA, which is on the basis of Institutional Units. The general government sector consists of all resident government units and all resident non-profit institutions that are controlled and mainly financed by government. Basis of Recording Transactions are recorded when cash is received or paid Use of the cash basis means that arrears and changes in the level of arrears are not recorded. Flows are recorded on an accrual basis, which is at the time economic value is created, transformed, exchanged, transferred or extinguished. This means that past-due obligations, such as arrears of debt principal, interest payments or payments for goods and services are also recorded.

PAGE 88

Modus Statistisch Magazine 88 Jaargang 6 Recording of non monetary transactions Only selected in-kind transactions were incorporated and as memorandum items. A memorandum item provides additional information about items related to, but not included on, the balance sheet. Other economic flows (for example the destruction of an asset) which are non-cash events were not recorded. All economic events that affects assets, liabilities, revenue or expense rather than just those represented by a cash transaction. For example, barter and grants of goods and services are included. Other economic flows, which are flows other than transaction that affect a units stocks of assets, liabilities and net worth, are fully integrated. Valuation Debt securities are valued at the amount government is obligated to pay when the debt matures, which may differ from both nominal value and the current market value. Assets and liabilities are valued at current market prices. NB. Nominal value of debt securities is included as a memorandum item. Balance Sheets Only includes stocks of certain debt liabilities. All stocks of financial assets, non financial assets and liabilities are included. Integration of Flows and Stocks The stock data included are limited to debt liabilities. The changes in the stocks of debt liabilities normally cannot be reconciled with the flows recorded. Additional information is needed to complete the reconciliation. The stock data at the end of an accounting period can be derived from the stock data at the beginning of the accounting period and the flows occurring during the period, because of the comprehensive recording of transactions and other economic flows. Analytical Framework -Focus on a single balancing item, the overall deficit/surplus and it s financing. -Cash transactions in non financial assets were treated as capital revenue and expenditure that affected the overall deficit/surplus. -The net acquisition of financial assets for policy purposes was designated as lending minus repayments and treated like expenditure in deriving the overall deficit/surplus. -Several new balancing items are introduced. Analysis of the general governmental sector must include a variety of considerations fo r proper fiscal analysis. -The difference between revenue and expense is a balancing item, the net operating balance that measures the change in net worth resulting from transactions. -All transactions involving the acquisition or disposal of financial assets are now treated as financial transactions. Net lending/ borrowing is a balancing item defined as the net acquisition of all financial assets less the net incurrence of all liabilities from transactions. Relationships between GFS 1986 an d GFS 2001 Classi fication Systems The relationships between the GFS 1986 and 2001 cl assification systems are shown in the chart below.

PAGE 89

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 89 Chart 1. Relationships between GFSM 1986 and GFSM 2001 Classification Systems GFSM 1986 GFSM 2001 The relationships are described as follows: All GFSM 1986 total revenue and grants ar e classified to the GFSM 2001 aggregate revenue, except for the sales of fixed capital assets, stocks, and land and intangible assets, which are classified to the net acquisition of nonfinancial assets (disposals/ sales). The GFSM 1986 aggregates total current expenditure and capital transfer s are classified to the GFSM 2001 aggregate expense. The remainder of GFSM 1986 expenditure, i.e., the acquisition of fixed capital assets, and pur chases of stocks, land and intangible assets, are classified to the GFSM 2001 aggregat e net acquisition of nonfinancial assets (acquisitions/ purchases). The GFSM 1986 aggregate lending minus repa yments is classified to the GFSM 2001 aggregate net acquisition of financial assets. The GFSM 1986 aggregate financin g is split into two components: the financial assets change in cash, deposits, and s ecurities held for liquidity pu rposes, are classified to the GFSM 2001 aggregate net acquisi tion of financial assets. Th e liabilities that make up total net borrowing are cla ssified to the GFSM 2001 a ggregate net incurrence of liabilities. Total Revenue and Grants Excluding sales of fixed capital assets, stocks, land and intangible assets Revenue Sales of fixed capital assets, stocks, land and intangible assets Current expenditure plus capital transfers Acquisition of fixed capital assets, purchases of stocks, land and intangible assets Total expenditure Expense Net Acquisition of Nonfinancial Assets Lending minus Repayments Net Acquisition of Financial Assets Total change in cash, deposits and securities held for li q uidit y p ur p oses Total net borrowing Financing Net Incurrence of Liabilities

PAGE 90

Modus Statistisch Magazine 90 Jaargang 6 The Analytic Framework of GFS 2001 The core of the analytic framework is a set of four financial statements: The Statement of Government Operations The Statement of Other Economic Flows The Balance Sheet The Statement of Sources and Uses of Cash The Statement of Government Operations is a summary of the transactions of the general government sector in a given accounting period. It presents details of transactions in revenue, expense, the net acquisition of nonf inancial assets, the net acquisiti on of financial assets and the net incurrence of liabilities. A transaction is an interaction between two units that take place by mutual agreement. Mutual agreement means that there was prior knowledge a nd consent by the units, bu t it does not mean that both units entered into the transaction volun tary. Some transactions, such as the payment of taxes, are imposed by force of law. Every transaction is either an exchange or a tr ansfer. A transaction is an exchange if one unit provides e.g. a good or service to another unit and received a good or service of the same value in return. A transaction is a transfer if one unit provides e.g. a good or labor to another unit without receiving simultaneously a good or labor of any value in return. The Statement of Other Economic Flows allocates changes to stocks of assets, liabilities and net worth that come about from s ources other than transactions. An other economic flow is a change in the volume or value of an asset or liability that does not result from a transaction. Volume changes are described as other change s in the volume of assets or liabilities. Value changes are described as holding gains and losses. Other changes in the volume of assets and liabilitie s cover a wide variety of events. These events are divided into three groups. The first group consists of events that involve the addition to or deletion from the balance sheet of an existing asset or liability with no changes in its quantity or quality e.g. a s ubsoil deposit of minerals may become economically exploitable as a result of technol ogical progress or an increase in market prices. The second group includes changes in the quantities or qualities of assets e.g. the discovery of a new mineral. The third category relates to changes resulting fr om reclassifications of entire units from one sector to another or the reclas sification of individual assets a nd liabilities from one category to another category e.g. a public corporation might cease charging economically significant prices and become a government unit. The Balance Sheet presents the stocks of assets and liabi lities at the end of the accounting period. The total value of the assets less the total value of liabilities is defined as net worth and is an indicator of wealth. A balance sheet is typically compiled at the end of each accounting period, which is also the beginning of the next accounting period. The Statement of Sources and Uses of Cash records cash inflows and outflows using a classification similar to that of the Statemen t of Government Operation. Information on the sources and uses of cash is important for as sessing the liquidity of the general government

PAGE 91

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 91 sector. The Statement of Sources and Uses of Ca sh shows the total amount of cash generated or absorbed by: operating activities; transactions (purchases or sa les) in nonfinancial asset; transactions involving financial assets and lia bilities other than cash it self (cash flow from financing activities). Unlike the accrual-based Statemen t of Government Operations, the Statement of Sources and Uses of Cash reflects a cash basis of recording. Recommended steps to implement the GFS 2001 It is recognized by the IMF that full implemen tation of the new GFS System is a long-term activity. However, priorities can be established taking into account the available existing resources. To this end, a migration pa th towards the GFSM 2001 is recommended. Some possible first steps which can be implemented in the short term are: Assign specific responsibility to officers fo r the compilation of GFS data, this should include a full time team working on GFS. Set up a GFS committee comprising officers from the Ministry of Finance, the Central Bank and the Central Bureau of Statistics. Develop a system to standardize and collect information on public sector corporations. Development of a Bridge Table to transform existing cash data to modified cash data. Calculate interest accrued. Adjust cash-based statistics to allow for know n deficiencies e.g. inco rporation of revenue and expense arrears. Identify in kind transactions. Estimate Consumption of Fixed Capital (CFC ) by utilizing national accounts data. Gross Domestic Product (GDP) as a meas ure for CFC can also be investigated. Development of a clear and consistent path to valuing non financial assets, namely, the collection of information on the existing stocks of non financial assets and their valuation at current market price. This can be initiated with the in troduction of asset registers. Long Term Measures include: Adoption of the revised Classifi cation Structure of the Statement of Sources and Uses of Cash The assembly of Balance Sheet information on financial assets and liabilities that would enable estimates to be made of the other economic flows of th e system as they relate to these financial items. Ultimately, a fully developed accrual accounting sy stem should be introduced to facilitate the preparation of complete balance sheets.

PAGE 92

Modus Statistisch Magazine 92 Jaargang 6 The analytical Framework Opening Balance Sheet Closing Balance Sheet & Liabilities A ssets & Liabilities Transactions Other Economic Flows Holding Gains and Losses in Other Changes in V olume of Assets Revenue Nonfinancial assets Flows Stocks++ Net worth Nonfinancial assets Nonfinancial assetsEquals Plus Change in net worth [net operating balance] Change in net worth Net financial worth Change in net financial worth [net lending/ borrowing] Change in net financial worthEquals Financial assets Financial assets Financial assets LiabilitiesMinus Liabilities LiabilitiesMinusMinus Equals Equals PlusPlus EqualsEquals Equals Stocks+ Net worth Nonfinancial assets Equals Plus Net financial worthEquals Financial assets LiabilitiesMinus Nonfinancial assets Change in net worth Change in net financial worth Financial assets LiabilitiesMinus Equals Plus Equals Expense=

PAGE 93

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 93 Ouderen en huisvesting Een algemene studie naar enkele karakteristieken van huishoudensvan zestig plussers en een pilot studie naar de gehechtheid met de buurt van zestig plussers in Soto en Rooi Santu Sean de Boer Inleiding Uit een verrichte studie van de Permanente Commissie Bevolkingsvraagstukken in maart 1999 naar opvattingen van de bevolking over bevolkingsvraagstukken en bevolkingsbeleid blijkt dat het percentage 60 plussers, afhankelijk van de migratieontwikke lingen, in 2007 tot 15 16 procent in Curaao zullen stijgen en in 2017 zelfs tot 20 22 procen t. De vooruitberekeningen hebben als basis de censusgegevens uit 2001. In 2001 bedraagt het aandeel van de 60 plussers in Curaao 15,3 procent van de totale bevolking. Met de toenemende vergrijzing bestaat er ook een toenemende aandacht voor ouderen waarbij het met name gaat om de positie die ouderen binnen een veranderde maatschappij zullen innemen; de ontwikkeling rondom hun sociale leven (sociale netwerken) en de nodige steun die ouderen nodig zullen hebben wanneer de fysieke beperkingen zich voor doen. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat op de Antillen de bevolking de mening is toegedaan dat er een vereenzaming onder zestig plussers (ouderen) plaatsvindt. Ouderen wonen volgens de gemeenschap in toenemende mate alleen en blijven vaker alleen achter omdat hun naaste familie en/of vrienden naar het buitenland zijn vertrokken. Ook is de gemeenschap van mening dat ouderen in toenemende mate op grote afstand van hun kinderen wonen. Ondanks het feit dat het onderzoek van de commissie de perceptie doet ontstaan dat ouderen in de Antilliaanse gemeenschap alleen worden gelaten blijkt u it internationale studies De bevolking vergrijst. Het aandeel ouderen in de totale bevolking groeit gestaag. Het aandeel zestigplussers bedraagt thans 15 procent. Vooruitberekeningen gaan er van uit dat dit percentage zal toenemen tot boven de 20 in 2017. Met de toenemende vergrijzing bestaat er ook een toenemende aandacht voor de positie van ouderen in de maatschappij. In dit artikel wordt ingegaan op de huisvestingssituatie van ouderen. Ouderen wonen relatief vaak in eigendomswoningen (Census 2001) en zijn gehecht aan de buurt waarin ze wonen (pilot buurtmonitor Curaao 2005)

PAGE 94

Modus Statistisch Magazine 94 Jaargang 6 dat ouderen het alleen wonen ook bewust kunne n verkiezen (Kendig 1984; Priemus 1984). Dit doen ze vooral door de grote gehechtheid aan h un woning en woonomgeving. Die gehechtheid is sterker naarmate men langer in de huidige w oning en buurt woont, in de buurt ook belangrijke gebeurtenissen heeft meegemaakt en daar een sociaal netwerk h eeft opgebouwd. Tenslotte wijzen de internationale studies uit dat het ontbreken van een geschikt woningaanbod de lage mobiliteit van ouderen kan versterken. Dit artikel tracht en ig inzicht te geven in de huisvesting ssituatie van huishoude ns met een zestig plusser aan het hoofd in Curaao. Er wordt gekeke n naar de algemene karakteristieken van het woonverblijf van huishoudens waar het hoofd een zestig plusser is en naar de mate van tevredenheid en gehechtheid met de woonomgeving van zestig plussers die in de buu rten Soto en Rooi Santu zijn gehuisvest. V ooral dit laatste is niet repr esentatief voor het hele eiland. Dit artikel heeft louter de pretentie om te be schrijven. Verklaringen word en er niet gegeven, maar bovengenoemde bevindingen kunnen als m ogelijke verklaringen worden aanschouwt. Wonen Uit de censusgegevens blijkt dat het merendeel van huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd van een huishouden een woning in eigendom heeft. Voorts blijkt dat ten opzichte van het voorgaande censusjaar meer huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd over een eigen woning zijn gaan beschikken. Tabel 1. Woningen naar eigendomstitel en leeftijd hoofd Census 2001 Census 1992 Leeftijd hoofd EigendomAndersEigendomAnders 60+ 81,9%18,1%70,4%29,6% <60 62,4%37,6%66,3%33,6% Ook valt op dat huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd, in vergelijking met huishoudens met een hoofd in de jongere leeftijd sgroep, vaker een eigen woning betrekken (zie bovenstaande tabel). De jongere leeftijdsgroep, d aarentegen, beschikt, in vergelijking met het voorgaande censusjaar, veel minder over een eigendomswoning. Uit de censusgegevens 2001 blijkt voorts dat 97 procent van de woningen, in eigendom van huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd, op zich zelfstaande woningen zijn. Slechts 1 procent van de huishoudens met een zestig plusse r aan het hoofd woont in een appartement en nog eens 1 procent in twee-onde r-n kap woningen. De spec ifieke gegevens omtrent huisvesting waren niet gevraagd tijdens de census in 1992. Een analyse van het huishouden met een zestig plusser aan het hoofd, dat een zelfstandige woning bewoont laat zien dat bijna 12 procen t uit getrouwde paren met inwonende kinderen bestaat, 10 procent uit n oude r met inwonende kinderen, bijna 22 procent uit alleenwonende ouderen en 16 procent uit getrouwde paren zo nder kinderen. Samen dus goed voor 60 procent van het aantal huishoudtypes dat in Curaao voorkomt dat met name een zelfstandige woning betrekt. Ook deze gegevens zijn voor het censusjaar 1992 niet beschikbaar. Slechts 35 procent van de huishoudens met een zes tig plusser aan het hoofd woont in een woning met een woonoppervlakte onder de 90 m. Drientwin tig procent woont in een woning met een oppervlakte tussen de 90 en 119 m, iets minder dan 17 procent in een woning tussen 120 en 149 m en ruim 16 procent in woningen met een oppervlakte van 150 m of groter.

PAGE 95

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 95 Tabel 2. Grootte van de huisvesting van zestig plussers In m Totaal% < 60 M 1.56212,0 6089 M 2.97622,9 90-119 M 3.00723,1 120-149 M 2.16816,7 150-179 M 1.1578,9 180-209 M 8746,7 210-279 M 6595,1 280-299 M 1681,3 300 M of meer 4303,3 Bron: census 2001 Een analyse van relatie tussen huishoudgrootte en het beschikbare woonoppervlakte van huishoudens met een zestig plus ser aan het hoofd wijst uit da t woningen met een oppervlakte onder de 90 m met name door kleinere huis houdens worden bewoond (1 persoon) en dat woningen vanaf de 90 m met name door groter e huishoudens worden bewoond (2 of meer). Gemiddeld wonen 2 tot 3 personen in woning die 90 m of groter zijn (z ie onderstaande tabel). Tabel 3. Woningen van zestigplussers naar woonoppervlakte en huishoudgrootte, relatieve cijfers Huishoudgrootte Woonoppervlakte Totaal123 4+ Totaal 10025,531,417,2 25,8 < 60 M 10052,423,99,0 14,7 6089 M 10030,228,716,6 24,5 90-119 M 10021,931,717,9 28,5 120-149 M 10018,633,818,1 29,5 150-179 M 10017,732,819,0 30,5 180-209 M 10017,035,020,4 27,6 210-279 M 10014,640,820,6 24,0 280-299 M 10016,132,125,0 26,8 300 M of meer 10012,639,322,6 25,6 Bron: Census 2001 Een analyse van de relatie tussen het aantal slaa pkamers en de huishoudgrootte wijst voorts uit dat tweeen drie slaapkamer woningen van hui shoudens met een zestig plusser aan het hoofd vooral door huishoudens bestaande uit 1 tot 2 pe rsonen worden bezet terwijl woningen met 3 slaapkamers of meer door 3 of meer personen word en bezet. Het ziet er naar uit dat vooral onder de 2 tot 3 slaapkamer woningen van een sc heve situatie kan worden gesproken. Internationaal hanteert men een bezettingsgraad van 1 1/3, of te wel vier personen op drie slaapkamers, ervan uitgaande dat n paar een slaapkamer bezet en de resterende kamers elk door n persoon. Tabel 5. Woningen van zestigplussers naar huishoudgrootte en aantal slaapkamers Aantal slaapkamers huishoudgrootte Totaal1234+ geen Totaal 1006,72151,720,5 0,2 1 10019,532,238,19,6 0,6 2 1004,324,355,316,0 0,1 3 1001,215,460,523 4+ 1000,69,654,834,8 0,1 Bron: Census 2001

PAGE 96

Modus Statistisch Magazine 96 Jaargang 6 De woningen van huishoudens met een zestig plusse r aan het hoofd in Cura ao blijken tenslotte zeer geschikt te zijn voor bewoning. Een vergelijking met het voorgaande censusjaar laat zien dat de huisvestingssituatie van huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd zelfs beter is geworden (zie onderstaande tabel). Tabel 6. Staat van woningen naar leeftijd van het hoofd, 2001 en 1992 Census 2001 Census 1992 Leeftijd hoofd Goed /redelijkSlechtGoed /redelijkSlecht 60+ 93,86,290,89,2 <60 94,95,191,98,1 Een vergelijking van de kwaliteit van huisvesting van huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd en huishoudens met een jongere hoofd laat zi en dat er geen signifi cant verschil is te ondekken in de beoordeling van de huisvesting va n zestigplussers en de jongere huishoudens. Beide groepen wonen wel in veel betere woninge n, indien beide censusjaren met elkaar worden vergeleken. Gehechtheid met de buurten Rooi Santu en Soto De censusen de Buurtmonitor Soto en Rooi Santu11 gegevens leveren geen informatie over de woonduur en de vereenzaming van ouderen. De buurtm onitor kan slechts indicatief iets in de richting van gehechtheid met de buurt aangeven. Bovendien gelden deze gegevens slechts voor de buurten Soto en Rooi Santu en niet voor het eiland Curaao. De gehechtheid met de buurt kan indicatief word en gemeten middels vragen die betrekking hebben op de mening van de respondent, de mate van tevredenheid met de buurt, de verhuisgeneigdheid en de ma te van opbouw van sociale netwerken in de buurt. Het valt dan op dat iets minder dan 89 procent van de zestig plussers, die aan het hoofd staat van een huishouden, met de stelling ee ns is dat mensen in de buurten Soto en Rooi Santu graag blijven wonen en bijna 92 procent geeft aan dat mensen het niet vervelend vinden om in de bovengenoemde buurt te blijven wonen. De tevredenheid met de buurten Soto en Rooi Santu blijkt ook uit het feit dat bijna 95 procent de mening is toegedaan dat je het getroffen hebt indien je in de buurt woont en 97 procent het prettig vindt om in de buurt te wonen. Uit het buurtonderzoek, dat de buurten Soto en Rooi Santu bestrijkt, blijkt tenslotte dat ruim 95 procent van de zestig plussers geen verhuisplannen heeft. Ruim 82 procent van de zestig plussers is voorts de mening toegedaan dat de mensen in de buurt elkaar goed kennen, terwijl 84 procent vindt dat men in de buurt op een prettige wijze met elkaar omgaat. Uit het onderzoek blijkt ook dat ruim 82 procent de mening is toegedaan dat in de buurt veel saamhorigheid bestaat en 89 procent zich vo lstrekt thuis voelt bij de mensen in de buurt. Conclusie Het merendeel van huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd in Curaao woont in eigendomswoningen. Voorts blijkt dat ten opzi chte van het voorgaande censusjaar meer huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd ove r een eigen woning zijn gaan beschikken. De jongere leeftijdsgroep, daarentegen, beschikt, in vergelijking met het voorgaande censusjaar, veel minder over een eigendomswoning. 11 Buurtmonitor Soto en Rooi Santu, een pilot onderzoek naar de socio-economische situatie in opdracht van Social kennis Centrum, September December 2005

PAGE 97

Modus Statistisch Magazine Nummer 3+4 97 De relatie tussen huishoudgrootte en het beschikbare woonoppervlakte van huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd w ijst uit dat woningen met een oppervlakte onder de 90 m met name door kleinere huishoudens met een zes tig plusser aan het hoofd worden bewoond (1 persoon) en dat woningen vanaf de 90 m met name door grotere huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd worden bewoond (2 of meer). Een analyse van de relatie tussen het aantal slaapkamers en de huishoudgrootte bevestigt we derom voorgaande bevi ndingen doch ziet het ernaar uit dat vooral onder de 2 tot 3 slaapkame r woningen van een scheve situatie sprake is waarbij de zestig plussers iets te ruim wonen. De woningen van huishoudens met een zestig plusse r aan het hoofd in Cur aao blijken tenslotte zeer geschikt te zijn voor bewoning. Een vergelijking met het voorgaande censusjaar laat zien dat de huisvestingssituatie van huishoudens met een zestig plusser aan het hoofd zelfs beter is geworden Voor wat betreft de gehechtheid met de buurt kan voor Soto en Rooi Santu worden bevestigd dat zestig plussers zeer tevreden te zijn met hun wo ning en woonomgeving. De sociale contacten in deze buurten tussen ouderen en de overige bew oners en omgekeerd blijkt goed te zijn. De ouderen ervaren de leefbaarheid van deze buurten goed en tonen haast geen verhuisneigingen. De verschillende opvattingen geven duidelijk b lijk aan een geringe discrepantie tussen de woning en woonomgeving en gehechtheid met deze buurten waarin ook huishoudens met een zestig plusser aan het ho ofd voorkomen wonen. Het is dus niet onwaarschijnli jk dat ouderen in deze buurten ook het alleen wonen hebben verkozen naast de algemene verwachting van de gemeenschap dat ouderen vereenzamen wegens het vertrek van kinderen uit het ouderlijk huis of de naaste woonomgeving.