Citation
Modus Jaargang 7 Nummer 3

Material Information

Title:
Modus Jaargang 7 Nummer 3

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 3

ModusStatistisch MagazineNummer 3 iIn dit nummerRedactioneel.........................................................iii De Arbeidsinkomensquote van bedrijven Curaao, 2004 .......................................................1 Aanalyse van de sector huishoudens Curaao, 2004.............. ............... ............... ........... .......... .......5 Analyse prijsontwikkelingen 2006.......... .............9 Developments in the economic activities for Curaao for 2006.................................................13 Eerste resultaten arbeidskrachtenonderzoek 2006 Bonaire ...... ............... .............. ........... .........16 Veiligheidsgevoel en slach tofferschap.............21 Hoog opgeleide personen in de Nederlandse Antillen (3)...........................................................24 Curaao, External Transactions Developments, 2000-2004............ .......... .......... ........... .......... ........31 Voornaamste resultaten Vacatureonderzoek Curaao 2006................ ............... .............. ..........36

PAGE 4

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 iiVerklaring va n de tekens0 of 0,0Minder dan de helf t van de gekozen eenheid -Nul .onbekend (blank)Een waarde kan op logisch grondslagen niet voorkomen

PAGE 5

ModusStatistisch MagazineNummer 3 iii I n 2004 is de arbeidsinkomensquote (AIQ), het deel van de netto toegevoegde waarde van bedrijven dat toevloeit aan de werknemers in de vorm van lonen en salarissen, sterk toegenomen in vergelijking met het voorgaande jaar: van 84 naar 99 procent. Het betreft hier de sector niet-financile bedrijven, dat v oor het grootste deel bestaat uit bedrijven met rechtspersoonlijkh eid (N.V.'s), maar voor een deel ook bedrijven zoals eenmanszaken omvat die inkomen genereren uit de winstgeven dheid van hun onderneming. E en hoge AIQ bete kent een lage winstgevendheid. Als de AIQ boven de 100 uitstijgt lijdt de onderneming zelfs verlies. Te hoge AIQ's beteke nen dus laag rendement voor aandeelhouders en eigenaren van eenmanszaken en geeft weinig ruimte voor investeringen en het aanboren van nieuwe markten. Als deze s ituatie te lang aanhoudt komt het bestaan van de onderneming in gevaar. D e scherpe toename van het AIQ in 2004 wordt veroorzaakt doordat het gemiddelde loon s neller is gestegen dan de arbeidsproductiviteit (productie p er werkende). Dat kan verschillende oorzaken hebben, z oals tegenvallende omzetten of p roductieuitval. Doordat veel lonen via de collectieve arbeidsovereenkomsten autonoom toenem en is een toename van het AIQ onafwendbaar. In 2004 is de winstgevendheid in alle bedrijfstakken verminderd, en zelfs in enkele omgeslagen in verlies. Dat geldt met name voor de horeca en de gezondheidszorg. Voor beide bedrijfstakken geldt dat de verliesgevendheid een structureel karakter dreigt aan te nemen, omdat zij reeds jaren lang optreedt. Dit resultaat ge eft aan dat de economische groei van Curaao, die al langere tijd zeer bescheiden van omvang is, erg kwetsbaar is doordat de geneigdheid to t het doen van investeringen getemperd kan worden door lage winstverwachtingen. Dat kan van invloed zijn op de werkgelegenheid. Hoewel uit de arbeidskrachtenonderzoeken blijkt dat de werk loosheid daalt, zijn een groot aantal mensen nog steeds op zoek naar werk. Uit het vacature onderzoek van november 2006, waarover voor Curaao in dit nummer van Modus wordt gerapporteerd, blijkt de vraag naar arbeid bescheiden te zijn: minder dan 1000 vacatures op een totaal aanbod van meer dan 9000 werkzoekenden. Opvallend is dat juist in de horeca veel vraag is naar personeel. Dat ka n er op duiden dat de recente ontwikkelingen juist in deze bedrijfstak positief zijn, na jaren van verliesgevendheid. Die ontwikkeling kan heel goed gevoed zijn doordat in 2006 het toerisme flink is gestegen: het aantal overnachting name met 10 procent toe. Zoals uit de Conjunctuurenqute blijkt geven veel bedrijven, ook in de horeca, aan, omzetverhogingen te verwachten. D e werkgelegenheidscijfers voor Bonaire geven aan dat de economie aldaar aantrekt. Het aantal werkenden is met grote percentages toegenomen, waarbij ook jongeren in toenemende mate kansen krijgen op de arbeidsmarkt. Aan de arbeidsmarkt valt af te meten da t de economie sedert 2002 in een duidelijk opgaande fase is terechtgekomen. ColofonUitgave: Centraal Bureau voor de Statistiek Redactie: Francis Vierbergen Maureen Bergwijn-Blokland Mike Jacobs Maria Duyndam Harely Martina Adres: Fort Amsterdam, Willemstad, Curaao, Nederlandse Antillen Telefoon: (599 9) 4611 031 Fax: (599 9) 4611 696 E-mail: info@cbs.an Website: www.cbs.an Auteursrechten: Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Abonnementen: Modus verschijnt vier maal per jaar. De abonnementsprijs bedraagt NAFL. 25,(exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFL. 10,Redactioneel

PAGE 6

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 iv

PAGE 7

ModusStatistisch MagazineNummer 3 1De arbeidsinkomensquote van bedrijven Curaao, 2004Maureen Bergwijn-BloklandDe arbeidsinkomensquote (AIQ) is het gedeelte van de netto toegevoegde waarde in de economie dat opgaat aan de beloning van ar beid in de vorm van lonen. Het complement van de arbe idsinkomensquote geeft de kapitaalintensiteit aan. Hoe hoger de arbeidsinkomensquote hoe hoger de arbeidsintensiteit en hoe lager de kapitaalintensiteit.Inleiding De arbeidsinkomensq uote (aiq) is het gedeelte van de nett o toegevoegde waarde in de economie dat opga at aan de beloning van arbeid in de vorm van lonen. Een stijging van de arbeid sinkomensq uote houdt een daling van de winstgevendheid van bedrijven in. De arbeidsinkomensq uote geeft ook een indicatie van de arbeid sintensiteit van een bepaalde bedrijfstak. Het complement van de arbeidsinkomensquot e geeft de kapitaalintensiteit aan. Hoe hoger de arbeidsinkomensquote hoe hoger de arbeidsintensiteit en hoe lager de kapitaalintensiteit. Een arbeidsinkomensquote van meer dan 100 procent geeft aan dat de loonsom hoger is dan de productie en dat betreffende bedrijfs tak verlieslijdend is. De arbeidsinkomensquote kan worden berekend per se ctor, per bedrijfstak en/of voor de gehele econom ie. Onderstaande analyse zal worden beperkt tot de niet – financile sector en de voorkomende bedrijfstakken in Curaao Hierbij zullen de volgende vraagstukken worden behandeld: 1. Hoe heeft de winstgevendheid van de bedrijven zich in 2004 ontwikkeld? 2. Hoe hoog is de ar beidsintensiteit in de diverse bedrijfstakken?DefinitiesHieronder volgt een kor t overzicht van de definities van de geha nteerde begrippen die gerelateerd zijn aan de arbeidsinkomensquote.De arbeidsproductiviteit is gelijk aan de productie per werkende.De loonvoet is gelijk aan de verandering in de loonsom pe r werkende.De toegevoegde waarde is het inkomen dat gedurende het productieproces word t gevormd. De toegevoegde waarde kan worden b erekend als het ve rschil tussen de productiewaarde en het intermediai r verbruik. Het intermediair verbruik bestaat uit de goederen en dien sten die bij de productie worden ingezet en aan het eind van het productieproces geheel in nieuwe producten zijn opgegaan.

PAGE 8

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 2 De nietfinancile sector omvat alle rechtspersoonolijkhe id bezittende nietfinancile bedrijven (NV’s, BV’s), houdstermaatschappijen die NV’s beheren, en stichtingen met een productief doel. Tot de nietfinancile sector behoren ook die eenmanszaken, vennootschappen onder firma en maatschappen die voor wat betreft hun economisch en financieel gedrag vergelijkbaar zijn met vennootschappen. Deze worden quasi vennootschappen genoemd1.MethodologieDe gegevens betreffend e de werkenden zijn afkomstig uit het arbe idskrachtenonderzoek (AKO). Het Arbeidsk rachtenonderzoek is een steekproefonderzoek waarbij 6 procent van alle huishoudens in Curaao worden genterviewd2. De gegevens betreffende de toegevoegde waarde en de loonsom zijn gebaseerd op de nationale rekeningen. De nationale rekeningen omvatten een samenhangende beschrijving van het econom isch proces bestaande uit producti e, inkomensvorming, inkomens(her)verdeling en inkomensbesteding. Voor de opstelling van de nationale rekeningen worden grotendeels twee enqutes gebruikt, te weten de nationale rekeningen enqute en de conjunctuur enqute. Hierbij worden op reguliere basis alle grote be drijven, bedrij ven met 10 of meer werknemers in dienst, ge nquteerd. Uit het bedrijvenbestand van minder dan 10 werknemers, de categorie “kleine bedrijven”, wordt een repres entatieve steekproe f getrokken, die later wordt opgehoogd om de totale populatie te verkrijgen. Dit ophogen geschiedt aan de hand va n het totaal aantal werkenden uit het eerder aangehaalde AKO3. Daling winstgevendheid De arbeidsinkomen squote van de niet – financile sector in Curaao is gestegen van ongeveer 84 in 2003 naar 99 procent in 2004, een stijging van 15 procentpunten (zie tabel 1). Dit komt erop neer dat de winstgevendheid van de bedrijven is afgenomen. Hiermee ze t de trend van de afgelopen periode zich voort (zie grafiek 1). De daling van de wi nstgevendheid is het gevolg geweest van een sterkere stijging van de loonvoet in vergelijking met de stijging van de arbeidsproductiviteit. 1 System of National Accounts 1993, blz.93 en volgende.2 Voor een uitgebreide besc hrijving van de methodologie van het AKO wordt verwezen naar de "Eerste Resultaten AKO Curaao 2004, Modus jaargang 7 no.1.3 Voor een uitgebreide methodologie van de nationale rekeningen wordt verwezen naar de publicatie "National Accounts Netherlands Antilles 1997-2004 Central Bureau of Statistics 2006, en System of National Accounts 1993, Brussels/Luxembourg, NY,Paris, Washington DC.1993.

PAGE 9

ModusStatistisch MagazineNummer 3 3 De loonvoet, die gelijk is aan de verandering in de loonsom per werk ende, bedraagt bijna 20 procent. Dit is het ge volg van een sterkere stijging van de loonsom in vergelijking met een daling in het aantal werkenden (zie tabel 2). Zoals aangegeven in de resultaten van het AKO is de werkende bevolking met 1700 p ersonen gedaald. Deze personen betreffen vnl. mannen, in de leef tijd van 15-24 jaar en p ersonen in vaste dienst. De arbeidsproductivitei t is met 1,4 procent toegenomen tot ca. 49. 279 gulden. De netto toegevoegde waarde is licht gestegen (0,5%) terwijl het aantal we rkenden zoals eerder aangehaald gedaald is. Ontwikkelingen per bedrijfstak geven aan dat de winstgeve ndheid in alle bedrijfstakken gedaal d is. Een aantal bedrijfstakken is zelfs verlieslijdend geworden zoals gendiceerd wordt door de AIQ van boven 100. In het navolgende volgt een analyse van de vier grootste bedrijfstakken qua toegevoegde waarde namelijk industrie, handel, transport, exploitatie onroerende goederen. De arbeidsinkomensquote van de bedrijfsta k industrie is met bijna 6 punten gestegen naa r 63,3 in 2004. In de be drijfstak handel heeft een toename van de AIQplaatsgevonden met bijna 14 punten van 79,1 naar 92,9. In de bedrijfstakken “transport, opslag en communicatie” en “exp loitatie onroerende goederen” heeft een st ijging van resp. ruim 13, en bijna 24 punten plaatsgevonden. Verder zijn beide bedrijfstakken verander d van winstgevende in verlieslijdende bedrijfstakken (z ie tabel 2). Voor al deze bedrijfs takken geldt de eerde r aangehaalde oorzaak van de stijging, nl. een sterkere toename va n de loonvoet in vergelijking met de arbeidsproductiviteit. In de bedrijfstak exploitatie onroerende goederen heeft zelfs een daling van de arbeidsproductivitei t plaatsgevonden.

PAGE 10

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 4Uit tabel 2 is verder af te lezen dat de bedrijfstakken “gezondhe idszorg en sociaal werk” en overige gemeenschappelijke, sociale en persoonlijke dienstverlening” de hoogste AIQ’s hebben van resp. ongeveer 129 en 130. De toename ten opzichte van 2003 is gelijk aan resp. 21 en 32 p rocentpunten.Alle bedrijfstakken relatief arbeidsintensiefDe arbeidsinkomensquote verschilt per bedrijfstak. Dit komt onder andere door verschillen in de verh ouding tussen arbeid en kapitaal per bedrij fstak. Bedrijven die relatief veel kapitaal in het productieproces gebruiken hebben ove r het algemeen een relatief lage aiq en bedr ijven die relatief veel arbeid inzetten hebben over het algemeen een relatief hoge AIQ. De arbeidsinkomens quote kan afhankelijk van de hoeveelheid i ngezette arbeid en kapitaal van jaar op jaar verschillend zijn c.q. fluctueren. Gezien deze jaarlijkse schommelingen is de AIQ over de periode 2000-2004 gemiddeld, teneinde een indicatie te geven va n de arbeidsen kapitaalintensieve bedrijfstakken. Uit tabel 3 blijkt dat in alle bedrijfstakken sprake is van een relatief hoge AIQ. De top vier bedrijfstakken qua arbeidsintensiteit zijn in volgorde van grootte gezondheidszorg, horeca, “ overige gemeenschappelijke en persoonlijke dienstverlening” en b ouwnijverheid die gemiddeld over de periode 2000-2004 ee n arbeidsinkomensquote van meer dan 1 00 procent hebben. Deze top groep word t gevolgd door de bedrijfstakken “transpor topslag en communicatie” en “zakelijke diensten” met een aiq van tussen de 90 en 100 procent. De bedrijfstakken industrie, handel, en “landbouw, veeteelt, vi sserij en mijnbouw” hebben een gemiddelde AIQ van rond de 80 procent. De bedrijfstak openbaar nut heeft de laagste

PAGE 11

ModusStatistisch MagazineNummer 3 5InleidingDe nationale reke ningen vormen het statistisch raamwerk op basis waarvan ontwikkelingen in de economie worden beschreven. Het omva t een samenhangend stelsel van rekeningen van vijf binnenlandse institutionele sector en en de sector buitenland. De nationale rekeningen van de Antillen worden opgesteld volg ens internationale richtlijnen zoals vastgelegd in het System of N ational Accounts 1993 (SNA93) van de United Nations Statistical Division (UNSD)1. In het SNA93 systeem worden vijf binnenlandse sectoren onderscheiden:de sector fina ncile bedrijvende sector niet-fin ancile bedrijven de overheidssector met sub-sector sociale verzekering de sector huishoudens de sector instelli ngen zonder winstoogmerk ten dienste van huishoudens Daarnaast bevat het sy steem informatie ove r transacties met het buitenland, zoals omschreven in de sector buitenland. Dit artikel beperkt zich tot een analyse van ontwikkelingen in de sector huishoudens. In deze afleve ring van Modus zijn ontwikkelingen in de sector buitenland en de secto r nietfinancile bedrijve n belicht in resp. de artikelen “Curaao ex ternal transactions 2000-2004” en “De ar beidsinkomensquote van bedrijven, Curaao 2004. DefinitiesTot de sector huishoudens worden alle ingezeten huishoudens gerekend, in de hoedanigheid van cons ument, leverancie r van arbeid en producen t. De producenten worden gevormd door: eenmanszaken, maatschappen en vennootschappen onder firma die Analyse van de sector huishoudens, Curaao, 2004Maureen Bergwijn-BloklandTot de sector huishoudens worden alle ingezeten huishoudens gerekend, in de hoedanigheid van consument, leverancier van arbeid en producent. De gegevens van de sector huis houdens zijn inclusief de gegevens van de st ichtingen die voor namelijk worden gefinancierd en gecontro leerd door gezinnen, de zogenoemde instellingen zonder winstoogmerk (IZW's)1 Voor een uitgebreide methodologie van de nationale rekeningen wordt verwezen naar de publicatie "National Accounts Netherlands Antilles 1997-2004 Central Bureau of Statistics 2006, en Syst em of National Accounts 1993, Brussels/Luxembourg, NY,Paris, Washington DC.1993.

PAGE 12

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 6niet worden aangemerkt als quasi vennootschap; bij voorbeeld snacks, toko’s, tandartsen, advocatenkantoren; taxien mini busbedrijven, huishoudelijk personeel, en eigenaren van woningen. Een quasi vennootschap is een be drijf dat geen eigen rechtspersoonlijkheid bezit, maar wel een volledige boekhouding en zelfstandige beslissi ngsbevoegdheid. Het financieel en economisc h gedrag van zo een bedrijf lijkt op dat van een vennootschap. Quasi vennootschappen behoren derhalve tot de sector financile of nietfinancile bedrijven. De gegevens van de se ctor huishoudens zijn inclusief de gegevens van de stichtingen die voornamelijk worden gefinancierd en gecontroleerd door gezinnen, de zogenoemde inst ellingen zonder winstoogmerk (IZW’s) Voorbeelden hiervan zijn de Stich ting Dierenbescherming en de Stichting Wilhelminafonds. Het primair inkomen van gezinnen bestaat uit de som van lonen, salarissen en sociale lasten ontvangen va n ondernemingen, overheid, buitenland en huishoudens, vermeerderd met het inkomen uit beleggingen en ondernemersactiviteit, en inkomen toegerekend aan polishouders. Het netto beschikbaar inkomen (h ierna te noemen inkomen) van gezinnen bestaat uit het eerder aangehaa lde primair inkomen exclusief afschrijvingen verminderd met de belasting op inkomen en vermogen, en de sociale premies, en vermeerderd met de ontvangen sociale uitkeringen en de per saldo ontvangen inko mensoverdrachten. Voorbeelden van in komensoverdrachten betreffen overmakinge n van gezinshuishoudens naar familieled en in het buitenland i.v.m. studie, onderstanden, en overige doeleinden. De bruto investeringen bestaan uit het saldo van de aanen verk open van goederen die langer dan een jaar herhaaldelijk o f voortdurend in het pr oductieproces kunnen worden ingezet bijvoorbeeld machines, woningen, vervoersmidde len, computers. Daarnaast bestaan de br uto investeringen uit veranderingen in voorra den en het saldo van de aanen verkopen van kostbaarheden. In het geval van de sector huishoudens bestaan de investeringen vo or 99 procent uit investeringen in woningen. De consumptieve bestedingen van de secto r huishoudens (gezinsconsumptie) omvatten de goederen en diensten die gebruikt worden voor de rechtstreekse bevrediging van de individuele behoeften. De besparingen zijn ge lijk aan dat deel van het beschikbaar inkomen dat niet wordt aangewend voor consumptie. Het vorderingensaldo wo rdt berekend als de netto besparingen verm inderd met de investeringen, het saldo van de kapitaaloverdrachten plus de afschrijvingen en voorraadveranderingen. Kapitaaloverdrachten hebben betrekking op b etalingen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat en die drukken op het vermogen van de betaler of dienen voor de financiering van inve steringen in vaste activa. Binnen de sect or huishoudens hebben de kapitaaloverdrachten betrekking op de successieen schenkingsrechten. In het onderstaande vol gt een kort e analyse van de ontwikkelingen in 2004 met b etrekking tot het inkomen, de consumptieve bestedinge n, de besparingen, de bruto investeringen en het vorderingensaldo. De cijfers zijn afkomstig uit de nationale rekeningen publicatie van het Centraal Bureau voor de Statisti ek getiteld “National Accounts Netherland s Antilles 1997-2004”

PAGE 13

ModusStatistisch MagazineNummer 3 7 Stijging inkomens Het netto beschikbaar inkomen (afgekort inkomen) van huishou dens is in 2004 gestegen met ruim 6 pr ocent naar ongeveer 2,8 miljard gulden. Gemiddeld komt dit neer op ca. 21.000 gulden per huishouden. De stijging van het in komen is voornamelijk het gevolg geweest van een stijging van de loonsom die het groot ste deel (ruim 90 p rocent) uitmaakt van het inkomen. De loonsom is gestegen met ru im 14 procent naar 2,5 miljard gulden. Verder heeft ook een toename p laatsgevonden van het inkomen van de zelfstandige ondernemers (gemengd inkomen). Dit inkomen heeft zich positief ontwikkeld van 237 miljoen naar 258 miljoen gulden hetgeen ge lijk is aan bijna 9 p rocent. In 2004 hebben de huishoudens bovendien meer interest en dividend en sociale uitkeringen ontvangen. Toename consumptieve bestedingenDe consumptieve be stedingen van de Curaaose huishoudens zi jn gelijk aan ruim 2,5 miljard gulden in 2004. Ten opzichte van 2003 heeft een stijging van de consumptie plaatsgevonden. De to ename bedraagt bijna 7 procent in vergelijki ng met 3 procent in 2003. Gezien de gelijke po sitieve ontwikkelingen van het inkomen en de consumptie is de consumptie quote, het aandeel van de consumptieve bestedingen in het inkomen, min of meer gelijk gebleven op ongevee r 0,90. Over het algemeen ka n worden gesteld dat indien de spaarrente laag is, besparingen worden afgeremd en consumptie wordt gestimuleerd. Dit algemeen fenomeen zou ook van toepassing kunne n zijn op Curaao. Hier is echter nader onderzoek vereist.Stabilisatie besparingenDe besparingen in 2004 zijn ongeveer gelij k aan die van 2003; ca. 245 miljoen gulden. Het aandeel van de besparingen in het inkomen, de spaarqu ote is evenals de consumptiequote op hetzelfde niveau gehandhaafd. De sp aarquote bedraagt ongeveer 10 procent. In 2003 heeft ee n daling van de besparingen en spaarquote plaatsgevon den. In die zin kan

PAGE 14

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 8de stabilisatie van de besparin gen in 2004 als een gunstige ontwikkeling worden aangemerkt. Positieve ontwikkeling investeringen en vorderingensaldoDe bruto investeringen zijn toegenomen met 1 procent van 186 miljoen gulden in 2003 naar 188 miljoen gulden. De toename is voornamelijk het gevolg de stijging van de investeringen in de be drijfstak exploitatie onroerende goederen. Deze investeringen hebben betrekking op investeringen in woningen waaronde r onderhoud van de eigen woning. Bovenstaande beschr even ontwikkelingen gecombineerd met een toename van de afschrijvingen en gelijk gebleven kapitaaloverdrachten hebben geresulteerd in een positief vorderingensal do van ongeveer 91 miljoen gulden. Dit is gelijk aan een toename van bijna 13 proc ent in vergelijking met 2003. SamenvattingUit analyse van de 2004 resultaten blijkt dat het huishoudinkomen in Curaao is toegenomen. Dit is voorname lijk het gevolg van een stijging van de loonsom die het merendeel uitmaakt van het primai r inkomen. Doordat de huishoudens zowel in 2003 als 2004 bijna evenveel hebben geconsumeer d als verdiend zijn de besparingen ongevee r gelijk gebleven.

PAGE 15

ModusStatistisch MagazineNummer 3 9Analyse prijsontwikkelingen 2006Joyce MahabaliDe consumenten prijsindexcijfers zijn voor alle drie eilanden gestegen, respectievelijk voor Curaao met 3,1 p rocent, Bonaire met 1,3 procent en Sint Maarten met 2,3 procent.InleidingIn dit artikel presenteer t het Centraal Bureau voor de Statistiek (C BS) de co nsumenten p rijsindexcijfers van het jaar 2006 voor de eilanden Curaao, Bona ire en Sint Maarten. De consumenten prijsind excijfers zijn voor alle drie eilanden gestegen, respectievelijk voor Curaao met 3,1 pr ocent, Bonaire met 1,3 procent en Sint Maarten met 2,3 procent. Het gemiddelde, gemete n over de twaalf maanden van het jaar, wordt door het CBS als een goede indicator van de inflatie beschouwd.Inflatie Curaao 2006: 3,1 procentGemiddeld zijn de prijzen in Curaao in 2006 met 3,1 procent ge stegen. De inflatie komt daarmee 1 procentpunt lager uit dan in het voorgaande jaar, toen de mutatie 4,1 p rocent bedroeg. In 20 04 was het percentage 1,4 procent.Ontwikkelinge n per sectorDe negen sectoren wa aruit de prijsindex wordt opgebouwd tone n allen gemiddelde p rijsstijgingen in 2006 waarbij de grootste prijsstijging aan de sector ‘voeding’ kan worden toegeschreven. Hieronder wordt nader ingegaan op de prijsontwikkelingen in de sectoren.VoedingIn 2006 zijn in de sect or ‘voeding’ de prijzen gemiddeld met 7,9 procent gestegen. Prijsstijgingen zijn in alle groepen geregistreerd met de grootste prijsstijgingen voo r aardappelen, groenten en fruit (15,4%), suiker en chocolade (8,3%) en vlees en vis (8,1%).Dranken en rookwarenHet prijsindexcijfer voor de sector ‘dranken en rookwaren’ laat gemiddeld een prijsstijging zien van 4,1 procent. Dit is veroorzaakt doordat zowel dranken alsmede rookwaren duurder zijn geworden.Wonen De prijsindex voor de sector ‘wonen’ is gemiddeld met 2,7 procent toegenomen. De toename is voornamelijk toe te schrijven aan prijsstijgingen van en ergie (3,9%) en wate r (3,4%).

PAGE 16

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 10Woninginrichting en huisraadHet prijsindexcijfer voor de sector ‘woninginrichting en hui sraad’ is gemiddeld met 2,4 procent gest egen. Huishoudelijke apparaten en gereedschappen (5,2%), huishoudelijke dienst en (4,1%) en huishoudelijke uitg aven (3,4%) zijn duurder geworden.Vervoer en communicatieDe gemiddelde prijssti jging van 2,3 procent in de sector ‘vervoer en communicatie’ is een combinatie van ener zijds prijsst ijgingen in de groepen onkosten t.b.v. vervoersmiddelen (4,2 %), vervoersmiddelen (1,7 %) en vervoer (0,9%) en anderzijds prijsd alingen in de groep communicatie (1,3%). In de groep onkosten t.b.v. vervoersmiddelen zijn motoronderdelen, au tobanden en diverse olin duurder geworden De stijging in de groep vervoersmiddelen heeft betrekking op auto’s die duurder zi jn geworden. In de groep vervoer gaat he t voornamelijk om de luchthavenbelasting die in september 2006 is verhoogd. De daling van de prijs in de groep communicatie is het gevolg van verlaagde telefoongesprekskosten van het UTSnetwerk naar het CT-netwerk en omgekeerd.OverigIn de sector ‘overig’ is de prijsindex gemiddeld met 2,2 procent gestegen. De p rijsstijgingen hebben zich voorgedaan in alle drie groepen van de sector, te weten goederen en diensten (2,9%), persoonlijke verzorging (1,8%) en verzekeringen (1,3%).Overige sectorenGeringe prijsstijginge n hebben zich in 2006 voorgedaan in de sectoren ‘recreatie en ontwikkeling’ (0,3 %), ‘kleding en schoeisel’ (0,4 %) en ‘gezondheidszorg’ (0,7 %).Inflatie Bonaire 2006: 1,3 procent.Gemiddeld zijn de pr ijzen in Bonaire in 2006 met 1,3 procent ge stegen. In 2005 was het percentage eveneens 1,3 procent en in 2004 1,8 procent.Ontwikkelinge n per sector:Van de negen sectoren waaruit de prijsindex wordt opgebouwd tonen zeven sectoren in het jaar 2006 prijsstij gingen, waarbij de grootste prijsstijgi ngen zich hebben voorgedaan in de se ctoren ‘voeding’, ‘woninginrichting en huisraad’ en ‘wonen’. Voor de sector ‘vervoer en communicatie’ is een prijsdaling geregistreerd. In de secto r ‘kleding en schoeisel’ zijn de prijzen gelij k gebleven. Hieronder word t nader ingegaan op de prijsontwikkelingen in de sectoren.VoedingArtikelen in de sector ‘voeding’ zijn in 2006 gemiddeld 3,4 procent duurder geworden. Prijsstijgingen zijn in alle groepen, me t uitzondering van de groep spijsvetten, geregistreerd. Spijsve tten zijn gedaald in prijs. Het meest zijn de prijzen van suiker en chocolade (14,2%) en zuivelproducten (11,2%) gestegen.Woninginrichting en huisraadDe prijsindex voor de sector ‘woninginrichting en huisraad’ is gemiddeld met 2,2 procent gestegen al s gevolg van prijsstijgingen van huisho udelijke uitgaven (10,7%), huishoudelijke diensten (1,4%) en woninginrichting (0,2%).WonenIn de sector ‘wonen’ is de prijsindex gemiddeld toegenomen me t 1,6 procent. De toename is toe te schrijven aan prijsstijgingen die zi ch hebben voorgedaan in de groepen w oonkosten (2,4%), energieverbruik (0,4%), woningonderhou d (0,6%) en tuinonderhoud (0,8%). De prijzen van water zijn onge wijzigd gebleven.

PAGE 17

ModusStatistisch MagazineNummer 3 11OverigHet prijsindexcijfer voor de sector ‘overig’ is gemiddeld met 1,4 procent gestegen. De p rijsstijgingen hebben zich voorgedaan in alle drie groepen van de sector, t. w. overige goederen en diensten (0,5%), verzekeringen (1,6%) en persoonlijke verzorging (2,6%).GezondheidszorgIn de sector ‘gezo ndheidszorg’ is de p rijsindex gemiddeld toegenomen met 1,3 p rocent. Dit is veroor zaakt doordat enkele geneesmiddelen duurde r zijn geworden.Vervoer en communicatieIn de sector ‘vervoer en communicatie’ is het prijsindexcijfer ge middeld gedaald met 0,8 procent als gevolg van een prijsdaling van de groep communi catie. De oorzaak voor deze daling is een afname van de telefoongesprekskosten.Overige sectorenIn vergelijking met voorgaande sectoren hebben minder sterke prijsstijgingen zich voorgedaan in de sectoren ‘dranken en rookwaren’ (0,8%) en ‘recreatie en ontwikkeling’ (0,1%). De mutaties in de sector ‘kleding en schoeisel’ zijn per saldo ongewijzigd gebleven.Inflatie Sint Maarten 2006: 2,3 procent.Gemiddeld zijn de prijze n in Sint Maarten in 2006 met 2,3 procent ge stegen. In 2005 was het percentage 3,1 en in 2004 2,1 procent.Ontwikkelinge n per sectorVan de negen sectoren waaruit de prijsindex wordt opgebouwd tonen zeven sectoren in het jaar 2006 gemiddel de prijsstijgingen, waarbij de grootste prijsstijgingen aan de sectoren ‘voeding’ en ‘vervoer en communicatie’ kunnen worden toegeschreven. Voor de sector ‘kleding en schoeisel’ is een prijsdal ing geregistreerd. In de sector ‘gezondheidsz org’ zijn de prijzen ongewijzigd gebleven. Hieronder wordt nader i ngegaan op de prijsontwikkelingen in de sectoren.VoedingIn de sector ‘voedi ng’ zijn de prijzen gemiddeld gestegen me t 3,9 procent. Het meest zijn de prijzen ge stegen van suiker en chocolade (13,4%), zu ivelproducten (8,7%) en vlees en vis (6,1%).Vervoer en communicatieDe prijsindex voor de sector ‘vervoer en communicatie’ is gemi ddeld met 3,6 procent gestegen. Hier zijn de prijzen van vervoersmiddelen (7,4 %) en de onkosten t.b.v. vervoersmiddele n (5,3%) toegenomen. De stijging in de gr oep vervoersmiddelen heeft betrekking op auto ’s die duurder zijn geworden. In de gr oep onkosten t.b.v. vervoersmiddelen zijn motoronderdelen, autobanden en diverse olin duurde r geworden. WonenVoor de sector ‘wonen’ is het prijsindexcijfer in 2006 met 2,2 procent gestegen, voornamelijk veroorzaakt door een prijstoename van materiaalkosten voo r woning(5,0%) en tuinonderhoud (3,8%). De prijs van water is in 2006 gelijk gebleven aan die van 2005. De prijs van energie is toegenomen met 1,2 procent.Woninginrichting en huisraadVoor de sector ‘w oninginrichting en huisraad’ is de prijsi ndex toegenomen met 1,9 procent. De stijgin g is veroorzaakt doo r de huishoudelijke diensten (4,7%) en huishoudelijke uitg aven (3,3%).Dranken en rookwarenDe prijsindex voor de sector ‘dranken en rookwaren’ is gemiddeld met 1,8 procent toegenomen. Zowel dranken als rookwaren zijn in prijs gestegen.Recreatie en ontwikkelingIn de sector ‘recreatie en ontwikkeling’ is de prijsindex gemiddeld met 1,5 procent gestegen. De stijging is toe te schrijven aan prijsstijgingen van de groepen ontwikkeling

PAGE 18

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 12 (5,1%), amusement en cultuur (1,3%) en recreatie (0,1%).Overige sectorenIn vergelijking met voorgaande sectoren hebben minder sterke prijsstijgingen zich voorgedaan in de sector en ‘overig’ (0,9%). In de sector ‘kleding en schoeisel’ is de p rijsindex gemiddeld me t 1,6% afgenomen. Zowel kleding als schoe isel zijn goedkoper geworden.SamenvattendIn 2006 zijn zowel in Curaao, Bonaire en Sint Maarten de prijzen gestegen. Voor Sint Maarten en Curaao is de inflatie in vergelijking met vorig jaar afgenomen. Voor Bonaire is de infl atie ten opzichte van het voorgaande jaar gelijk gebleven. Voor Curaao zijn het de sectoren ‘voeding’ en ‘dranken en rookwaren’ die de b elangrijkste bijdrage n aan de inflatie hebben geleverd.

PAGE 19

ModusStatistisch MagazineNummer 3 13 IntroductionEconomic indicators are among the most closely watched data in the world. Periodically there is some publication of these indicators that influences investment or business decisions which in turn affect the future of the economy. For the indicators the developments in the di fferent industries is observed. This article describes developments in some economic indicators which are related to the p roduction volume of goods and services. These data give an indication of economic developments in 2006. Also other general developments will be addressed.Developments by industryMiningThe production indica tor used for this industry, is the production of sand and blocks. In 2006 a substantial gr owth is observed of more than 12 percent, compared to a minor growth of 2 percent in 2005. The growth in the production of sand and blocks mostly runs parallel with the growth of the construction industry although it is not totally dependent on the local market. The share of this indu stry may seem very marginal (0.4%) in the overall economy, nevertheless the value added that the mining industry delivers is of considerable value and impact.Utilities: Water & ElectricityIn this industry the cu bic meters water and the kWh for electric ity are taken into account. The volume of electricit y generation in 2006 has decreased with 1.5 percent over the 2005 levels. The peak production in 2006 is mostly in the second ha lf of the year, while Developments in the economic activities for Curaao in 2006Glenda Varlack

PAGE 20

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 14 in 2005 the highest leve l of production takes p lace in the first half. Water production on the other hand has shown a slight increase of 0.3 percent, of which the highest leve l of production has been in the second half of the year. In other developments in this industry it is viewed that in December 2005 the government instituted an energy fund in which its purpose has been to absorb the increases in oil prices ; the capital on the energy fund has since run out in March 2006. Price increases are imminent unless other solutions are being resolved. ConstructionIn the construction i ndustry a substantial amount of activities is observed. New hotels are being built and othe rs are expanding. The new airport terminal public housing and business entities al l have been under construction in 2006. The main indicators used to measure developments in this industry are the p roduction of sand and blocks and also the investments of finished works1. The investment of finished wo rks has more than doubled (see graph 2). In spite of this entire boost, the industry has b een coping with differen t difficulties, like a shortage of a skilled workforce. Hotels, restaurants and cafÂ’sIn the hotels, restaurant s and cafÂ’s (horeca) industry there are a variety of indicators that can be used to measure developments. Research shows that the best indicator is the total number of nights th at tourists spend on the island. The stay-over ni ghts have increased with 10 percent (2,155,853 nights) in 2006, compared to the 1 percent (1,959,759 nights) in 2005 (see table 1). This astounding growth has be en ascribed to an increase in number of tourists from North America and Europe. The increase in tourists from these regions is equal to respectively about 8 and 10 percent. The number of tourists from the Caribbean has increased slightly with 0.4 percent which is mainly credited to Aruba and Puerto Rico. Transport: seaport activitiesThe number of vessels that ha ve been pilote d inward (graph 3) have increased with more than 4 percent in 20 06 compared to 2005, according to their gro ss registered tonnage (GRT). The growth rate in 2005 has been more than 11 percent. 1 Investment of finished works is the va lue of works that have b een finished and delivered. In Dutch it is called 'opgeleverde woningen'.

PAGE 21

ModusStatistisch MagazineNummer 3 15 The container movements in TEUs (twentyfoot equivalent unit’s) both for loading and unloading, have increa sed with 2 percent. With regard to cruise calls there have been a total of 205 cruise ships in 2006 which carried a total of 326,885 passengers compared to the 204 cruise ships with 279,476 passengers in 2005. This means there has been an increase of about 17 p ercent in the numb er of passengers. Financial intermediationIndicators for developments in this industry are the loans from commercial banks and the b alance of the foreign exchange inflow and outflow resulting from offshore activities. The loans by the co mmercial banks have b een increasing steadil y over the years. In 2006 the loans have augmented with 25 percent compared to the year before. The off-shore sector is also showing an increasing trend even af ter the reduction in different off-shor e businesses and opportunities over the past years.Real estate, rentin g business activities and other servicesIn the exploitation of property goods there is a slight decrease in the rented spaces by square meters due to some setbacks in this industry. The decrease in the rented spaces has led to a slight decl ine of 0.2 percent in comparison to the 2 pe rcent growth of 2005 in this industry.Public administration, health & social work and other communit y social and personal service activitiesFor these industries the main focus is on employment. Employ ment in public administration has augm ented with almost 5 percent. Employment in ‘Health & social

PAGE 22

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 16Eerste resultaten A rbeidskrachtenonderzoek 2006Arbeidsmarkt Bonaire trekt verder aanZaida LakeTussen 2004 en 2006 is he t aantal werkenden in Bonaire flink gestegen. De groei in de economiche activiteiten heeft de vraag naar arbeid doen stijgen. Die vraag was zo groot dat dat heft geleid tot een verdere toename van de immigratie.InleidingIn oktober 2006 heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek een Arbeidskrachten onderzoek (AKO) in Bo naire gehouden. Het AKO is een steekproefonderzoek onder huishoudens met als doel de recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te meten. De belangrijk ste concepten in dit onderzoek zijn het werkloosheidsp ercentage, de ontwikke ling in de werkende bevolking, de ontwikke ling in de werkzoekende bevolking en de participatiegraad. Het onderzoek wordt elke tw ee jaar in Bonaire gehouden. Het AKO is een stee kproefonderzoek, waarbij de steekproef zo danig is gekozen dat het werkloosheidsper centageeen onnauwkeurigheidsmarge van 1,85 procentpunten met een betrouwbaarh eid van 90 procent heeft. Dit betekent dat het werkloosheidsp ercentage geschat word t op 7,8 procent met een onnauwkeurigheidsmarge van plus of min 1,85 procentpunten Bij analyse van de hier gepresenteer de resultaten dient rekening gehouden te worden met deze marges.De ResultatenTabel 1 geeft de voorna amste resultaten voo r 2004 en 2006 weer, uitgesplitst naa r geslacht. In Tabel 2 worden deze gegevens nogmaals gepresenteerd, verbijzonderd naa r leeftijd. Achtereenv olgens zullen de b eroepsbevolking, de participatiegraad, de werkenden, de werkzo ekenden en tenslotte het werkloosheidspercentage worden behandeld, steeds met verbij zonderingen naar leeftijd en geslacht.Beroepsbevolking en participatiegraadDe beroepsbevolking (werkenden plus werkzoekenden) is tussen oktober 2004 en oktober 2006 met ruim 1.000 personen gestegen, een stijging van bijna 20 procent. De beroepsbevolking telt thans 6.128 personen. De beroepsbevolking van de mannen is met ruim 650 personen gest egen (een stijging van 27 procent). Deze telt 3.146 personen. Bij de vrouwen is de beroepsbevolking gestegen naar 2.982 pe rsonen, een stijging van bijna 13 procent.

PAGE 23

ModusStatistisch MagazineNummer 3 17 De beroepsbevolking is in alle leeftijdsgroepen gestegen, met name in de leeftijdsgroep 15-24 jaar. In deze laatste leeftijdsgroep is die met 48 procent gestegen Daarbij dient aangetekend te worden dat de p articipatie van jongeren in het arbeidsp roces laag is. De be roepsbevolking van de j ongeren telt 747 personen. De beroepsbevolking v oor de leeftijdsgroep 25-44 jaar is met 12 procent gestegen. De beroepsbevolking in deze leeftijdsgroep telt thans 3.017 personen. Ook voor de leeftijden vanaf 45 jaar is de beroepsbevolking gesteg en en wel met bijna 23 procent. De beroep sbevolking voor deze leeftijdsgroep telt 2.363 personen.ParticipatiegraadDe participatiegraad is de verhouding van de beroepsbevolking op de totale bevolking en is een graadmeter voor de participatie aan het economis ch verkeer. De participatiegraad is gestegen van 49,1 p rocent in oktober 2004 naar 52,0 procent in 2006. Zowel de beroepsbevolking als de b evolking is in deze periode gestegen waarbij de stijging va n de beroepsbevolking het grootst is. De participatiegraad van de mannen is met b ijna 5 procentpunte n gestegen. Deze bedraagt thans 54,9 procent van de mannelijke bevolking. Te genover een stijging van de bevolking staat een naar verhouding grotere stijging van de beroepsbevolking. De participatiegraad van de vrouwen is in oktober 2006 bijna ongewijzigd gebleven ten opzichte van oktobe r 2005. Naar verhouding is de beroepsbev olking evenveel gestegen als de bevolking. De participatiegraa d bedraagt thans 49,2 pr ocent van de vrouwelijke bevolking. De participatiegraad in de leeftijdsgroep 1524 jaar bedraagt 49,1 procent, 6,5 procent punten meer dan in oktober 2004. De oorzaak hiervan is de grote toename van het aantal werkende jongeren. De leeftijdsgroep 25-44 jaar heeft de hoogste participatiegraad. Bijn a 90 procent van de bevolking in deze leeftijdsgroep is econo-

PAGE 24

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 18 misch actief. Dit percen tage is vergeleken met oktober 2004 nage noeg ongewijzigd gebleven. Zowel de be roepsbevolking als de bevolking stijgen met bijna dezelfde proporties. De participatiegraad bedraagt 89,8 p rocent. De participatiegraad in de leeftijdsgroepen vanaf 45 jaar met 1, 5 procentpunt licht gestegen en bedraagt thans 57,3 procent.WerkendenHet aantal werkenden is met ruim 980 p ersonen gestegen; een stijging van ruim 20 p rocent. De toename van het aantal werkenden weerspiegelt de groei in de economische activiteiten in Bonaire, hetgeen ook tot uitdrukki ng komt in de toename van de immigratie. De vraa g naar arbeid heeft kennelijk geleid tot een verhoogde immigratie van arbeid sactieven. Er zijn thans 5.647 personen werkzaam. Het aantal werkende mannen stijgt van 2.266 personen in oktober 2004 naar 2.941 p ersonen in oktober 20 06, een stijging van bijna 30 procent. Het aantal werkende vrouwen is met 311 personen toegenomen, een stijging van 13 procent. Het aantal werkende vrouwen bedraagt thans 2.706. Het aantal werkende jongeren is fors gestegen. Opvallend is de toename in de totale bevolking in deze leeftijdsklasse. De stijging betreft veel meer arbeidsactieve jongeren dan personen die nog aan het studeren zijn of ande rszins niet aan het arbeidsproces deelnemen. In oktober 2006 zijn 594 jongeren werkzaam. In de leeftijdsgroep 2544 jaar is het aantal werkenden met ruim 300 personen gestegen. Dit is een stijging van ruim 12 procent. Het aantal werkenden in deze leeftijdsgroep telt 2.807 personen. Tussen oktober 2004 en oktober 2006 is het aantal werkenden in de leeftijden vanaf 45 jaar met ruim een kwart gestegen. Er zijn 2.246 personen in deze leeftijdsgroep werkzaam.

PAGE 25

ModusStatistisch MagazineNummer 3 19 Werkenden naar economische positie en geboorteplaatsVan de werkenden werkt 60 procent in vaste dienst, 12 procent is we rkgever en/of kleine zelfstandige. Ten opzic hte van 2004 is het aandeel werkenden in vaste dienst met 5 p rocentpunten gestegen Het aandeel werkgevers en/of kleine zelfstandigen blijft nagenoeg gelijk. Uit tabel 3 blijkt dat he t aantal werkenden in vast dienstverband he t meest is gestegen. Het aantal kleine zelfstandigen en het aantal p ersonen in tijdelijk dienstverband komen op de tweede en derde plaats. In oktober 2006 is 45 procent van de werkenden in Bonaire geboren, 21 procent in de overige Nederl andse Antillen of Aruba, 11 procent in Ne derland en bijna een kwart elders gebore n. In oktober 2004 is deze verdeling nageno eg hetzelfde, met uitzondering van de categorie geboren in N ederland, dat duidelijk is toegenomen. De stijging van de werkenden betreft werkenden uit alle geboorte plaatsen. Het aantal werkenden geboren in Bonaire en in N ederland is het meest gestegen. Zoals uit grafiek 1 (pagina 20) blijkt is de werkgelegenheid in Bonaire vanaf 2004 weer aan het stijgen. In de jaren na 1996 is het aantal werkenden in Bonaire steeds verder afgenomen. Da t weerspiegelde een periode van economische achteruitgang. Zoals uit de resultaten van het AKO van 2004 en 2006 blijkt is aan deze negatieve ontwikkeling sedertdien een einde gekomen.Werkzoekenden en werkloosheidspercentagesHet aantal werkzoekende n is in 2006 vrijwel onveranderd gebleven ten opzichte van 2004. Vanwege de kleine aantallen betreft het toch nog een stijging van 5,5 procent. E r zijn 481 personen werkzoekend. Het werkloosheidsperce ntage is het aandeel werkzoekenden in de beroepsbevolking. Het werkloosheidspercentag e bedraagt in oktob er 2006 7,8 procent en is hiermee een procentpunt lager da n oktober 2004. De orzaak van deze afname ligt vooral bij de toename van het aantal werkenden. Het aantal werkzoekende mannen is tussen oktober 2004 en ok tober 2006 gelij k gebleven. Het aantal werkzoekende mannen bedraagt thans ru im 200 personen. Het werkloosheidspercentage van de mannen is gedaald met bijna 2 procentpunten naar 6,5 procent. Deze daling is het gevolg van een st ijging van het aantal werkende mannen. Het aantal werkzoekende vrouwen is in oktober 2006 met ruim 9 procent gestegen. Er zijn thans ruim 270 vrouwen werkzoekend. Het werkloosheidspercentage van de

PAGE 26

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 20 vrouwen blijft nagenoeg ongewijzigd ten opzichte van 2004. Zowe l de stijging van het aantal werkzoekenden al s de stijging van het aantal werkenden maak t dat het percentage vrijwel niet verandert. Het aantal werkzoekende jongeren is met bijna 20 procent gest egen. In oktober 2006 bedraagt het aantal we rkzoekende jongeren 153. Omdat het aantal werkenden in verhouding nog meer is toegenomen dan het aantal werkzoekenden, is het werkloosheidsp ercentage onde r de jongeren gedaald naar 20,5 procent, bijna 5 procentpunten lager dan in 2004. Ondanks deze afname bl ijft het jeugd werkloosheidspercentage hoog. Het percentage is 2,6 maal zo hoog al s het totale werkloosheidspercentage. Dit is hoger dan hetgeen internationaal als acceptabele norm wordt aanvaard (maximaal 2 maal zo hoog). Het aantal werkzoeken den in de leeftijdsgroep 25-44 jaar is met ruim 20 personen gestegen, een stijging van ongeveer 11 procent. Het aantal werkzoekenden in deze leeftijdsgroep bedraagt 210 personen en het werkloosheidspercentage is ongewijzig d gebleven ten opzichte van 2004. Zowel het aantal werkenden al s het aantal werkzoekenden zijn met ev en grote proporties toegenomen. Grafiek 2 toont aan dat het werkloosheidspercentage in Bonair e tussen 2000 en 2002 is verdubbeld. In deze periode daalde ook de werkgelegenheid. Na 200 2 is de invloed van een zich herstellende arbeidsmarkt duidelij k in de cijfers terug te zien. Zowel het aantal werkenden nam toe (grafiek 1), als het aantal werkzoekenden daalde (grafiek 2).

PAGE 27

ModusStatistisch MagazineNummer 3 21 Veiligheidsgevoel en slachtofferschapEllen Maduro-Jeandor I n de Armoedemeting is aan de respondenten een aantal vragen gesteld over de ve iligheid in de buurt. In dit artikel word t bekeken of het veiligheidsgevoel anders is als men slachto ffer van een delict is. Vooral slachtoffers van misd rijven voelen zich thuis vaak niet meer veilig.InleidingIn de Armoedemeting da t in 2004-2 005 door het Centraal Bureau voor de Statistiek in de N ederlandse Antillen is verricht, is aan de respondenten een aantal vragen gesteld over de veiligheid in de buurt. Het ging onder anderen om het gevoe l van veiligheid met betrekking tot de buurt en slachtofferschap. In dit artikel wordt i ngegaan op het veiligheidsgevoel en de er varing als slachtoffer van een delict. Aan de respondenten is de vraag gesteld in hoever re respondenten zich veilig voelen wanneer ze alleen thuis zijn. Voorts is de respondenten een aantal misdrijven v oorgelegd met de vraag hoe vaak zij het slachtoffer daarvan zijn geworden. Daar huiselijk geweld geen buurtaangelegenheid is, is dit type misdrijf in dit artikel buiten beschouwing gelaten. Er is gekeken in hoev erre het veiligheidsgevoel samenhangt met het werkelijk voorkomen van criminal iteit. Uitgangspunt is dat respondenten di e ooit het slachtoffer zijn geworden van een misdrijf, zi ch minder veilig zullen voelen in hun buurt. Verwacht wordt dat het onveilighe idsgevoel gebaseerd is op ondervonden crim inaliteit. Tevens worden de resultaten van de eilanden met elkaar vergeleken. Veiligheidsperceptie t.a.v. de buurtOp de vraag of de respondenten zich veilig voelen wanneer ze alleen thuis zijn, antwoordt een ruime meerderheid dat men zich veilig voelt. Voor Curaao en Bonaire is het veiligheidsgevoel minder dan de overige eilanden (72 en 80%). Respondenten in Saba voelen zich het veilig st in hun buurt (circa 95%). De keerzijde van de me daille is wel dat voo r een niet onaanzienlijk deel van de bevolking de geborgenheid van he t eigen huis niet voldoende is om zich ve ilig te voelen. Dat geldt voor meer dan een kwart van de b evolking van Curaao en eenvijfde van de bevolking van Bonaire. Het onveiligheidsgevoe l komt daarmee op de Benedenwindse eila nden duidelijk vake r voor dan op de Bovenwindse eilanden.

PAGE 28

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 22 2 2 2 2 2

PAGE 29

ModusStatistisch MagazineNummer 3 23Veiligheidsperceptie en slachtofferschapAan de respondenten is de vraag gesteld hoe vaak zij het slachtoffe r zijn geworden van geweld of van di efstal en vandalisme. Uit de resultaten blijkt over het algemeen dat van de respondenten die nooi t het slachtoffer zijn geworden van de aang egeven misdrijven, het aandeel dat zich veil ig voelt groter is dan het aandeel met onveiligheidsgevoelens. De laatst genoemde gr oep geeft bovendien vaker aan n of meerdere malen het slachtoffer te zijn geworden van de in de meting gevraagde misdrijven. Dus het gevoel van onveiligheid blijkt samen te gaan met slachtofferschap. Een vergelijking van de eilanden onderling laat een duidelijk versch il zien tussen de Benedenen Bovenwindse eilanden. Het onveiligheidsgevoe l thuis is bij de respondenten van de Benedenwindse eilanden die slachtoffer van de aangegeven misdrijven zijn gewe est opmerkelijk veel groter dan bij degene n die nooit met deze misdrijven in aanraki ng zijn gekomen. Het onveiligheidsgevoel is zowel in Bonaire als in Curaao bij slachtoffers tenminste het dubbele van degenen di e geen slachtoffer zijn. Meer dan de helft van de slachtoffers van geweld of diefstal of vandalisme in Curaao voelt zich thuis niet me er veilig. In Bonaire zijn de percentages bijna net zo hoog. Het opmerkelijke daarbij is dat het geen verschil maakt of men slachtoffer van geweld dan wel van diefst al is geweest. Het onveiligheidsgevoel neemt bij beide misdrijven vergelijkenderwijs toe. Het verschil in onve iligheidsgevoelens tussen slachtoffers van misdrijven en nietslachtoffers is bij de respondenten uit de Bovenwindse eilanden veel kleiner. Het is uit de beschikba re gegevens niet te achterhalen waarom he t onveilighe idsgevoel op de Bovenwindse eila nden minder snel toeneemt bij slachto ffers van misdrijven. Die geringere toen ame kan wel deels verklaren waarom meer mensen op de Benedenwindse eilanden zich thuis niet veilig voelen.ConclusieIn Curaao en Bonair e is het percentage respondenten dat zich thuis alleen veilig voelt lager dan in Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius. Over het algemeen blijkt dat slachtoffers van misdrijven zich thuis vaker onveilig voelen dan niet-slachtoffers. In Curaao en Bonaire is het verschil in onveiligheidsgevoelens tussen slac htoffers van misdrijven en niet-slachtoffers grote r dan bij de respondenten van Sint Maarten, Sint Eustatius en Sa ba. Dat verschil kan deels ook het verschil in het algemeen gevoel van onveiligheid tussen beide groepen eilanden verklaren. Vooral in Saba is he t onveilighe idsgevoel minder vaak aanwezig, en is het verschil tussen slachtoffers en niet-slachtoffers minder groot. De veiligheidspercepti e en de samenhang tussen veiligheidsperce ptie en slachtofferschap is niet op alle eilanden hetzelfde. Uit wetenschappelijk onderzoek1 blijkt telkens dat voor het ve iligheidsgevoel vooral de sociale samenhang of cohesie in een buurt b elangrijk is. Wanneer mensen elkaar hulp b ieden en diensten, kennis en informatie uitwisselen, ontstaan bindingen tussen mensen en tussen me nsen en hun woonplek. Verbetering van de co hesie in de buurten, kan een antwoord zijn op de hoge mate van onveiligheidgevoelens in deze buurten. 1 Zie o.a. "Nee, ik voel me nooit onveilig", Determinanten van sociale veiligheidsgevoelens; Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving i.o.v. de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Den Haag, oktober 2004

PAGE 30

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 24Hoogopgeleide personen in de Nederlandse Antillen (3)Sabrina DinmohamedInleidingDit is het derde deel van een serie artikelen over hoogopgeleide pers onen in de Nederlandse Antillen. De ge gevens betreffen net als de voorgaande kere n de cijfers uit de Census 2001. In het eerste artikel1 in Modus was de aandacht uitgegaan naar de geboorteplaats van hooggeschoolden (H BO of WO opleiding) en naar het (ei)land waar men deze opleiding gevolgd heeft. In het tweede artikel2 werden er voor Curaao en Bonaire enkele vergelijkingen gemaakt tussen de situ atie in 1992 en 2001. In deze Modus zal hetz elfde gedaan worden voor de eilanden Saba, Si nt Eustatius en Sint Maarten.SabaLand van studieTabel SAB-1 geeft weer waar de hoogopgeleiden die woonac htig zijn in Saba, gestudeerd hebben. Er is een groei van hoogopgeleiden op het eila nd te zien, namelij k 43,2 procent. De Vereni gde Staten zijn het b elangrijkste land van studie. In 1992 heeft 46,6 procent (41/88) een vervolgstudie in de Verenigde Staten gedaan in 2001 is dit 45,2 procent (57/126). Nederland volgt daarna, daar is in 2001 een lichte daling te zien in vergelijking met 1992. In de bijlage is er voor elk eiland een kruistabel opge nomen met de variabelen geboorteplaats en studieland.Land van geboorteTabel SAB-2 geeft weer waar alle hoogopgeleiden op Saba in 1992 en 2001 geboren zijn. In 1992 is 18,6 procent (16/88) op Saba geboren, in 2001 is di t 15 procent (19/126). Het aantal hoogopgele iden geboren in Nederland is afgenomen van 17 procent (15/ 88) in 1992 naar 7,9 procent (10/126) in 2001. Er is ook een grot e groep hoogopgeleiden geboren in de Verenigde Staten; in 1992 is dat 30,6 procent (27/ 88) en in 2001 33,3 1 Modus, jaargang 6, nummer 2, juni 20052 Modus, jaargang 6, nummer 3+4, januari 2006

PAGE 31

ModusStatistisch MagazineNummer 3 25 p rocent (42/126). Er is vooral een stijging waar te nemen in de groep die elders geboren is ( Engeland, India, Canada etc.) Door de aanwezighe id van de Medical School verblijven er veel buitenlandse hoogopgeleiden ( staf, docenten en studenten) in Saba. Hoogopgeleide SabanenIn tabel SAB-3 wordt uitsluitend gekeken naar de hoogopgeleiden die in Saba geboren zijn. In 2001 heeft geen van de hoogopgeleiden zijn/haar studie gevo lgd op Saba, in 1992 was dit 1 persoon. Er is een groep mens en afgestudeerd in Aruba, Nederland en de Verenigde Staten.

PAGE 32

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 26De groep hoogopgeleiden afgestudeerd op Aruba is gedaald van 6 naar 3 personen, voor N ederland als studieland is het aantal gelijk gebleven. Voor de Vereni gde Staten is er een stijging te zien van 5 naar 8 personen.Sint EustatiusLand van studieVolgens de cijfers in tabel EUX-1 telt Sint Eustatius in het jaar 2001 221 personen met een hoge opleiding, in 1992 zijn dat er 135. Dit is een stijging va n bijna 61,3 procent. Binnen de Nederlan dse Antillen (als studieland) is er een li chte stijgi ng van het aantal personen uit Si nt Eustatius dat in Curaao afstudeert; in 1992 2,9 procent (4/ 135) en in 2001 5,4 procent (12/221). Er is een toename va n studenten die hun diploma in Nederland behalen, een stijging van 27,8 procent. Ook voor hoogopgeleid en die in de Verenigde Staten hebben gestudeerd geldt er een lichte stijging va n 9,7 procent. Verder zien we een enorme stijging van personen die “elders” hun hoge opleiding hebben gevolgd. Ook voor Sint Eustatius geldt dat de aanwezigheid van de Medical School zorgt voor een groot buitenlandse aantal hoogopgeleiden op het eiland. Deze zijn afkomsti g uit uiteenlopende landen zoals de VS, Duitsland, Canada, Indonesi etc.Land van geboorteTabel EUX-2 geeft he t geboorteland weer van hoogopgeleiden in Sint Eustatius. Er is in 2001 een stijging te zien van 76 p rocent (16/21) als het gaat om hoogopgeleiden die in Sint Eustatius geboren zijn. De Verenigde Staten, gevolgd door N ederland zijn zowel in 1992 als in 2001 belangrijke herkomst landen van hoogopgeleiden in Sint Eustatius.Hoogopgeleide StatianenTabel EUX-3 laat zien waar hoogopgeleiden die in Sint Eu statius geboren zijn hun hoge opleiding gevolgd hebben. Er is in 2001 een s tijging te zien van hooggeschoolden die in Nederland het diploma hebben gehaald. In 1992 is het 9,5 procent en in 2 001 27 procent. Het aantal personen dat in de Verenigde Staten hun opleiding heeft gevolgd is absoluut gezien toegenomen. Als aandeel van het totaal aantal afgestudeerden is, in 1992 42,9 procent en in 2001 37,8 procent van de hoogopgeleide Statianen in de Verenigde Staten afgestudeerd.Sint MaartenLand van studieTabel SXM-1 geeft weer in welk (ei)land de personen met een h oge opleiding die woonachtig zijn in Sint Maarten, gestudeer d hebben. In vergelijking me t 1992 is de groei minimaal (4,6%) va n 2190 personen naa r 2290 personen. In 1992 zijn de Verenigde Staten het belangrijk ste land van studie, gevolgd door Nederland. In 2001 zijn de rollen omgedraaid; de meeste studenten studeren af in Nederland. In 1992 en 2001 heeft bijna de helft van de hoogopgeleiden in Sint Maarten de studie elders gevolgd. Vaak voorkomende st udielanden in deze groep zijn India, Ca nada, Engeland en Frankrijk. In bijna alle gevallen betreft het ook personen die in de ze landen geboren zijn.Land van geboorteTabel SXM-2 specific eert het geboortelan d van alle hoogopgel eiden in Sint Maarten in 1992 en 2001. In 1992 is 10,8 procen t (236/2190) van de hooggeschoolden gebore n op Sint Maarten, in 2001 is dit 11,3 procent (260/2290).

PAGE 33

ModusStatistisch MagazineNummer 3 27 De groep hoogopgele iden geboren in N ederland is vrijwel gelijk gebleven. Hooggeschoolden geboren in de Verenigde Staten zijn met 236 personen in 1992 gedaald naar 147 personen in 2001, dat is een daling van 37,7 procent. Er is een stijging te zien van hoo gopgeleiden die ‘elders’ geboren zi jn. Zoals reeds aangegeven betreft het hier met name personen geboren in India, Fran krijk, Engeland en Canada.Hoogopgeleide Sint MaartenarenIn tabel SXM-3 wordt uitsluitend gekeken naar de groep hoogopgel eiden die in Sint Maarten geboren is. Het aantal hoogopgeleiden dat in Nederl and afgestudeerd is, is in vergelijking me t 2001 gestegen van 43 naar 67 personen. He tzelfde geldt ook voo r

PAGE 34

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 28het aantal hooggeschool den dat in de Verenigde Staten het di ploma heeft gehaald; hier is er een stijging va n 10,6 procent. Bijna de helft van de hooggeschoolde Sint Maartenaren heeft de st udie in de Verenigde Staten gevolgd. In 1 992 is dit 47,9 procent en in 2001 48,1 procent. Ongeveer een kwart (25,8%) heeft in 2001 Nederland als studieland gehad.ConclusieHet aantal hoog opgeleiden op alle drie eilanden is tussen 19 92 en 2001 gestegen. De stijging op Sint Eu statius is het grootst met 63,7 procent. In Saba is er een stijging van 43,1 procent en in Sint Maarten is dat 4,6 procent. Het grootste deel van de hoogopgeleide p ersonen op Saba heef t gestudeerd in de Verenigde Staten of Ne derland. Er is een daling van 31,5 proc ent in 2001 voor p ersonen die in Nederland hebben gestudeerd. Anderzijds is er een stijging van 39 procent voor hoogopgeleiden met een diploma uit de Verenigde Staten. Voor Sint Eustatius geldt dat de meeste hoogopgeleiden hun st udie ook hebben afgerond in de Verenigde Staten. Er is tussen 1992 en 2001 een kleine stijging van 9,6% p rocent te zien. Daarna volgen Nederland en Suriname als studielanden. Hoogopgeleiden op Sint Maarten halen hun diploma het vaakst in de Verenigde Staten of Nederland. In 2001 is er een dali ng van 8.6 procent voor mensen di e hun diploma in de Verenigde Staten hebben gehaald. En een stijging van 5% van personen die in Nederland hebben gestudeerd. De meeste hoogopgele iden op Saba zijn geboren op het eiland zelf, de Verenigde Staten of Nederland. Er is tussen 1992 en 2001 een daling te zien van 33,3 procent van hoogopgeleiden gebore n in Nederland. Voor Sint Eustatius zijn de meeste hoogopgeleiden geboren in de Verenigde Staten (in 2001 daling va n 14,2 procent) o f Nederland. Hooggeschoolden in Sint Maarten zijn voornamelijk afkomstig uit Nederland, Curaao, de Verenigde Staten of het eiland zelf. Er is tussen 1992 en 2001 voor al een stijging te zien van hoogopgeleide personen geboren op Sint Maarten of Curaao. Hooggeschoolde Sa banen behalen hun diploma in de Verenigd e Staten, Aruba of in Nederland. Er is tussen 1992 en 2001 met name een stijging te zien van Sabanen die in de Verenigde Staten afstuderen. Ook Statianen hale n hun diploma voornamelijk in Nederland of de Verenigde Staten. Het aantal Stat ianen dat in Nederlan d het diploma behaalt is verviervoudigd. Voor hoogopgeleide Sint Maartena ren geldt dat zij hun hoger on derwijs het vaakst volgen in de Verenigde Staten. Er is ten opzichte van 1992 in 2001 een stijging te zien van 10,6 procent.

PAGE 35

ModusStatistisch MagazineNummer 3 29

PAGE 36

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 30

PAGE 37

ModusStatistisch MagazineNummer 3 31Curaao, External Transactions Developments 2000-2004Roeland DreischorIntroductionIn this article a brief analytical description will be given of the ex ternal transactions developments of the Rest of the World (ROW) account for th e island of Curaao from the year 2000 to 2004. The Rest of the World account refers to a full range of transactions that take place between the total economy of a country a nd the rest of the world according to the definitions and concepts of the System of National Accounts (SNA). The ROW account has an accounting structure similar to that of an institutional unit, in which the rele vant accounts capture both transactions taking place between the resident institutional sectors of the total economy and transactions with non-resident units that make up th e rest of the world. The view point of the ROW account is established from the rest of the world. A “resource” for the rest of the world is a “use” for the nation and vi ce versa. The ROW account consists of three accounts1, which are: 1) the external ac count of goods and services, 2) the exte rnal account of primary incomes and current transfers, and 3) the external ac cumulation account (capital account). In the first account of the ROW the import and export of goods and services are recorded. This accoun t shows the import o f goods and services as resources and the export of goods and services as uses. The second account provides transactions on b oth resource and use si des of the following items: compensation of employees; property income; current taxes on income and wealth; and other current transfers. The third account within the ROW account is the accumulation account which shows flows out of the financia l transactions. In the following paragraph some of the definitions of the ROW account are explained. DefinitionsThe main definitions used in the Rest of the World account are described according to the SNA, these are as follows: ResourceThe SNA utilizes the term resource to indicate transactions which add to the

PAGE 38

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 32amount of econo mic value of a unit or a sector, in this case the ROW. Use The term use relates to transactions that reduce the amount of economic value of a unit or sector.GoodsGoods are physical objects for which a demand exits over whic h ownership rights can be established and whose ownership can be transferred from one institutional unit to another by engaging in transactions on markets.ServicesServices are hetero geneous outputs produced to order and ty pically consist of changes in the conditi ons of the consuming units realized by the activities of the p roducers at the demand of the consumers. Compensation of employeesThis is defined as the total payment, in cash or in kind, payable by an enterprise to an employee in return for work done by the latter during the accoun ting period. Property incomeProperty incomes can be defined as the income receivable by the owner of a financial asset or tangible non-produced asset in return for pr oviding funds to or p utting the tangible no n-produced asset at the disposal of, anothe r institutional unit. Property income can be classified in the System of National Accounts (SNA) as follows: Interest; Distributed income of corporations; and Rei nvested earnings on direct foreign investment. InterestInterest is the amount that the debtor becomes liable to pay to the creditor over a given period of time without reducing the amount of principal outstanding. Interest is a form of property income that is receivable by the owners of cert ain financial assets, such as: Deposits; Securities other than shares; Loans; and othe r accounts receivable.Distributed income of corporations (Dividends) Dividends are distribu ted profits and the residual value of the assets of the corporation in the event of its liquidation which the shareholder is entitled as a result of placing funds at the disposal o f corporations. Other current transfersThese transfers refer to non-life insurance premiums and claims, the receipt o f development aid for social projects, pensions, and students & family grants.Transactions Developments 2000-2004Export of Goods and ServicesFrom the goods and serv ices account can be deduced that the total export of goods has fluctuated between 808 million in 2000 an d 793 million guilders in 2004 (Table 1). The highest increase in total export of goods is in 2004 with more than 15 percent. This is an augmentation of almost 105 millio n guilders compared to the previous year. The export of general merchandise from Curaao has fluctuated considerable in the period from 2000 to 2004. The highest decrease is in 2003 w ith 48 millio n guilders while in 2004 an increa se of 61 million is stated. The increase of almost 13 percent in export of merchandise is due to the boost in export from the Curaao Free-zone in the year 2004. In 2004 the repair on goods has increase d with 24 million guilde rs compared to 2003, meaning more ships for re pair services in the docking facilities. This increment is almost 38 percent and is the highest increase in the period from 2000 to 2004 for repair on goods. The bunkering service (goods procured in ports) has decreased from 135 million in 2000 to 88 million in 2002, an d than shows an increase again to 138 million

PAGE 39

ModusStatistisch MagazineNummer 3 33 guilders in 2004. This fl uctuation is caused p rimarily by chan ging oil prices. The total export of serv ices in Curaao has an average growth of almost 2 percent during the period from 2000 to 2004. The highest increase is in 2001 with 224 million which amount to a total export value in services of 1750 mill ion guilders. In 2004 the export of servic es declines to 1607 million guilders. This represents a drop of 82 million guilders compared to the previous year. The received fore ign payments for transportation services have augmented to a value of 182 million guilders in 2001, and in the following years this has dropped to an approximate value of 1 17 million guilders in 2004. The drop in re venue earnings from abroad in the transportation services can be attributed to less air transportation of the local carrier DCA, which has been declared bankrupt in 2004. In 2003 the received foreign exchange earnings from the tourism sector (Travel) augments with almost 36 million to a value of 423 million guilders then drops in 2004 with 26 million to a value of 398 million guilder s. The earnings from the international financial services (offshore) have decrea sed from 416 million in 2000 to a value of 375 million guilders in 2004. This is a drop of almost 10 percent in earnings from the offshore. Import of Goods and ServicesThe total import of goods has an average percentage growth of 3 percent in the perio d from 2000 to 2004. The total import o f goods increases with 20 percent in 2001, which amounts to the hi ghest total import value of 2342 million gui lders in the perio d from 2000 to 2004 (Table 1). The import of gene ral merchandise is noticeably higher in 2001 with a value o f 1962 million guilders. Th is is an increase o f 22 percent compared to the previous year. The increase in imports is generated by the different construction activities in 2001, o f

PAGE 40

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 34 which the upgrading of the oil refinery in Curaao. In 2004 the import of general merchandise increase s with almost 195 million to an import value of 18 32 million guilders. The oil import for loca l consumption shows an increase in 2001 and 2004 with respectively 10 percent and 13 percent. The p ayments for good s for processing have dropped from 74 mill ion in 2001 to 29 million guilders in 2004. Between 2000 and 2004 the average percen tage decrease for goods for processing ha s been almost 15 p ercent. The goods pr ocured in ports (bunker service) have an average drop of 6 p ercent, which is an ap proximate value of 4 million guilders be tween 2000 and 2004. As can be seen in tabl e 1 the total import of services augments fr om 843 million in 2000 to 930 million guilders in 2004. This represents an average increase of almost 3 p ercent from the ye ar 2000 until 2004. The money outflow from Curaao for p ayments of tr ansportation services for either air or sea has au gmented the highest in 2001 with 21 million to a value of 152 million guilders. The payments of local residents for travel re lated services (Tourism sector) have increased steadily since 2000. The highest increase of more than 69 million guilders is noticed in 2003 for travel services. The International Financial secto r fluctuates a lot betw een 2000 and 2004. In 2001 the money outflow for International financial services has been 139 million, while in 2004 this has dropped to 110 million guilders. The compilation item o f “other services” shows an average decrease of almost 26 million during the period from 2000 to 2004 (Table 1).Primary incomes and current transfersBetween 2000 and 2004 the compensation of employee transf ers to Curacao from abroad has an average growth of 3 percent. Compensation of employees refers to the earnings of border, seasonal and othe r workers paid by an empl oyer resident in one economy to employees resident in othe r economies, such as military personnel abroad, and embassy employees. Between 2000 and 2003 the comp ensation transfers from abroad have incr eased, while in 2004 this has dropped with about 37 percent (Table 2). The transfers of labor income from Curaao to abroad have declined from 23 million in 2000 to only 2 million guilders in 2004. The average de crease percentage is approximately 39. This means that in the period from 2000 to 20 04 less wage transfers of local institutions to workers abroad have taken place. The received amount from abroad fo r property income has augmented wi th more than 47 million in 2004 compared to 2000.

PAGE 41

ModusStatistisch MagazineNummer 3 35 In the period from 200 0 to 2004 the property income has an average growth of 15 percent in transfers from abroad In 2002 the interest p aid by foreig n companies is 120 million guilders, which is the highest amount paid in the period from 2000 to 2004. The received distributed income of corporations (dividend) from abro ad has risen from 2000 to 2004 with more than 51 million guilders. In 2004 the paid divide nd from abroad is 65 million guilders. This is an increment of 27 million guilders co mpared to 2003. Between 2000 and 2004 th e property income p aid to abroad has an average growth of approximately 14 percent. The property income paid to abroad augments from almost 82 million in 2000 to 1 25 million guilders in 2004. The interest pa id to abroad has an average growth of only 1 percent during the period of 2000 to 2004. The highest decrease in intere st paid to abroad is in 2001 with 26 percent, while the highest increase is in 2004 with 34 percent. The transfer of divide nd to abroad has augmented from 32 mi llion in 2000 to a value of 77 million guilders in 2004 (Table 2). This increase is around 46 million guilders. The current taxes on income transfers refer to profit taxes paid by offshore companies. The paid taxes from ab road have an average growth of about 8 perc ent in the period from 2000 to 2004. The amoun t of paid taxes from abroad fluctuates be tween 82 million in 2000 and 100 million in 2004. The current taxes on income has the highest increase in 2003 with 45 percent compared to the p revious year, while in 2004 a decline takes p lace with almost 18 percent. Due to the tax arrangement for the Kingdom of the N etherlands (BRK) less tax transfers are done in 2004. The average growth percentage of othe r current transfers received from abroad has b een 24 percent in th e period between 2000 and 2004. The highest increase of othe r current transfers received from abroad is in 2002 with 269 million guilders compared to the previous year. In 2004 a drop of 30 percent takes place in ot her current transfers. From the year 2000 to 2004 the other current transfers to abroad ha ve an average decline of 1 percent. In 2003 the amount of othe r current transfers to abroad has the highest value of 322 million gui lders, and then this drops with 60 milli on to a value of 262 million guilders in 2004 (Table 2). Capital AccountThe Investment grants received from abroa d usually are developmen t aid for investment projects. The averag e growth of the investment grants betw een 2000 and 2004 is 39 percent. In 2004 th e investment grants have augmented with ab out 83 million to an estimated value of 137 million guilders compared to 2003 (Table 3). Most of the other ca pital transfers amounts are attributed to migrantsÂ’ transfers to an d from countries abroad. During the perio d from 2000 to 2004 the ot her capital transfers to abroad from Curaa o have increased the highest in 2002 to almost 3 million guilders. This is an increment of 2 million compare d to 2001. In 2003 an d 2004 the capital transfers to abroad ha ve declined. The othe r capital transfers from abroad to Curaao have accumulated to the highest value in 2001 which is 5 million guilders. In 2003 the capital transfer from abroad are almost 4 million guilders, while the transfer values in the other years are le ss than 1 million guilders (Table 3).

PAGE 42

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 36InleidingEen volledig systee m van arbeidsmarktstatistieken geeft info rmatie over zowel het aanbod als de vraag naar arbeid. Informatie over de aanbodzijde wordt verkregen uit het Arbeidskrachtenonderzoek (AKO). Het AK O is een huishoudonderzoek. Het geeft in formatie omtrent het aantal werkenden en werkzoekenden en hun kenmerken. Het Vacatureonderzoek geeft informatie over de vraag naar arbe id en de kenmerken van de vacatures en de gezochte kandidaten. In 1995 hield het CBS voor het eerst een Vacatureonderzoek in Cu raao, Bonaire en Sint Maarten. In 1988 werd dat onderzoek herhaald, zij het dat to en geen sprake was van een steekproefonde rzoek, maar een totaaltelling gekoppel d aan de bedrijventelling. Om tegemoet te komen aan de behoefte aan meer en recente in formatie over de vraagzijde van de arbeidsmarkt, heeft het CBS in november 2 006 het Vacatureonderzoek herhaald. De betreffende informatie stelt beleidsmakers in de gelegenheid om gericht beleid te voeren op het b ewerkstelligen van een goede aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt Er dient bij de interpre tatie van de resultaten rekening te worden gehouden met het feit dat het Vacature onderzoek een momentopnameis. De vergelijkingen geven aan hoe de situatie was in juni 1998 ten opzichte van november 2006. Er kunnen op basis van de gepresenteerde cijfer s geen conclusies worden getrokken over hoe de vraag op de arbeidsmarkt zich gedurende de tussenliggende jaren heeft ontwikkeld.Korte samenvattingDe resultaten van he t Vacatureonderzoek in Curaao wijzen uit da t er ten opzichte van 1998 weinig vacatures bi j zijn gekomen. Dit b lijkt ook uit de Vacaturegraad die ten opzichte van 1998 ongewi jzigd is gebleven (2.1). Er is vooral vraag naar laag opgele iden (t/m MAVO/LBO/VSBO). Het gaat hier om 65 procent van de vacatures. Ten opzichte van 1998 is een verschuiving te zien van een vraag na ar personen met geen Voornaamste resultaten vacatureonderzoek 2006 Curaao Zaida LakeHet Vacatureonderzoek geeft in formatie over de vraag naar arbeid en de kenmerke n van de vacatures en de gezochte kandidaten. Er is vooral vraag naar l aag opgeleiden, vooral in de technische en economischadministratieve richting.

PAGE 43

ModusStatistisch MagazineNummer 3 37specifieke opleidingsri chting naar een vraag naar personen me t een specifieke opleidingsrichting. Hi erbij neemt de vraag naar technisch opgeleiden de eerste plaats in (29 procent) gevolgd door personen met een economischadministra tieve opleiding (27 p rocent). Er worden in de l oop van 2007 ruim 2800 nieuwe vacatures verw acht, wat in 20 p rocent van de geva llen stageplaatsen betreft. Ongeveer 70 procent van de bedrijven is niet op de hoogte van de ve rnieuwingen in het lokaal beroepsonderwij s en van het project ‘Sociale Vorm ingsplicht’. MethodologieHet Vacatureond erzoek van 2006 is een steekproefonderzoek onder ongeveer 1600 bedrijven in Bonaire, Curaao en Sint Maarten. Uit de klei ne bedrijven (met minder dan 10 werkenden) is een steekproef getrokken. De grote be drijven zijn integraal geteld. Benedenstaa nd diagram geeft een overzicht van het totaal aantal onderzochte bedrijven. De resultaten van het onderzoek werden aan het eind van de verwerkingsfase met het totaal aantal we rkenden uit het Arbeidskrachtenonderz oek opgehoogd. Dit leverde het totaal aant al vacatures in de p opulatie op.Definities:Vacatures : niet opgevulde arbeidsplaatsen waarvoor kandidaten wordt gezocht. Hieronder vallen ook openstaande arbeidsplaatsen waar voor kandidaten via uitzendbureaus worden gezocht, tevens arbeidplaatsen waarvoor kandidaten voor een tijdelijke dienstverband, en tevens arbeidsplaatsen voor be taalde stageplaatsen. Vacaturegraad : de vacaturegraad is een verhoudingsmaat tussen het aantal werkenden en het aant al vacatures. Het wordt gedefinieerd als het aant al werkenden gedeel d door het aantal vacatu res maal 100. Met de vacaturegraad kunnen vergelijkingen van het aantal vacatures tussen verschillende tijdstippen en tussen verschillende groepen worden gedaan. Doelgroep van de Vacaturetelling : bedrijven in de private sector en overheids NV’s. Bedrijven : het betreft hier dezelfde definitie die voor de Bedrijventel ling en de Nationale Rekeningen word t gehanteerd. Een bedrijf moet aan drie eisen voldoen om als bedrijf meeget eld te worden: 1. Men moet kunnen spreken van productie van go ederen of diensten met het doel deze te verkopen; 2. Binnen de eenheid moet zelfstandig beheer over het productieproces worden uitgeoefend. 3. Het moet aan tenminste n van de volgende drie minimumeisen voldoen: a. er moeten gemiddeld voor tenminste 15 uur pe r week door n (of meer) personen werkzaamheden worden verricht, of b. de productie of omzet in het laatste b oekjaar bedroeg tenminste 50 duizend gulden, of c. de waarde van alle activa bedroeg ten minste 50 duizend gulden aan het eind van het laatste boekjaar De eerste voorwaarde sluit bestuursorganen, de meeste overheids instellingen, kerkgenootschappen en volledig gesubsidieerde (onderwijs)instellingen uit, want deze hebben over het algeme en niet het verkopen van hun diensten als doelstelling. De tweede voorwaa rde onderscheidt hoofdbedrijven van fili alen. Een bedrijf kan n of meer vestigin gen bezitten. Als een b edrijf slechts n vestig ing heeft, dan is die

PAGE 44

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 38ene vestiging ook het hoofdbedrijf. Een bedrijf met meerdere vestigingen op hetzelfde eiland heef t slechts n hoofdbedrijf; alle overige ve stigingen zijn filialen. De hoofdvestiging is de plaats waar de beslissingen voor het hele bedrijf genomen worden, normaliter is dit de vestiging waar de directie zetelt. In filialen worden wel goederen of diensten geproduceerd en/of verkocht, maar de besl issingen worden door het hoofdbedrijf genomen. Filiaalvestigingen op een ander eiland worden op dat eiland als bedrijf geteld. Dus een filiaal van een Cura aos bedrijf in Sint Maarten, is in Curaao niet als filiaal in de telling opgenomen, ma ar wordt in het bedrijvenregister opge nomen als een bedrijf in Sint Maarten. Punt 3 geeft een afbakening aan de onderkant van economische activiteiten en sluit alle bedrijven uit die een beperkt bedrijfsmatig karakter hebben (bijvoorbeeld hobby’s). Bij de definitie van ee n bedrijf is ook het onderscheid tussen offshore bedrijven en lokale bedrijven van belang. Offshore bedrijven he bben een offshore vergunning en mogen geen lokale zaken doen. De meeste word en geadministreerd door een lokaal bedrijf (vaak een trustkantoor) en betale n daar een vergoeding voor naast de winstbelas ting die ze aan de overheid betalen. Ee n beperkt aantal offshore bedrijven heef t in de Antillen wel eigen personeel in dienst en produceert daarmee toegevoegde wa arde. Alleen deze offshore bedrijven te llen mee. Offshore bedrijven worden als bedrijf geteld indien ze iemand in loondienst hebben die voor minimaal 15 uur per week betaald wordt. De andere criteria zijn voor offshore ondernemingen niet toegepast. Stageplaats : arbeidsplaatsen in een bedrijf of instantie die door studenten worden ingenomen die in het kade r van een afstudeeropdracht aan een bepa ald project werken, met het doel om aan het eind een afstudeerscriptie te schrijven. Stagiaires hebben een arbeidso vereenkomst met de werkgever in het bedrijf, werken voo r bepaalde tijd en kr ijgen een vaste vergoeding. Werkervaringsplaats : arbeidsplaatsen waarvoor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen we rkgever en werkneme r geldt, met het doe l dat de werkneme r werkervaring opdoet. Bi j de bedrijven wordt de term ‘werkervarin gsplaats genterpreteerd als zijnde arbe idsplaatsen waarvoo r geen werkervaring wo rdt geist. In het Vacatureonderzoek wordt deze definitie aangehouden. Opleidingsniveau: voor een indeling van de opleidingsniveaus wordt de indeling van de UNESCO aangehouden zoals deze in de onderstaande staat wordt beschreven.Voornaamste resultatenAantal vacatures en VacaturegraadEr zijn in totaal 950 vacatures geteld. In 1998 bedroeg het aant al 889. Het aantal vacatures is ten opz ichte van 1998 met 7 procent gestegen. De vacaturegraad bedraagt 2,1 en is ten opzichte van 1998 onge wijzigd gebleven. Hieruit blijkt dat het aantal vacatures, in verhouding tot het aa ntal werkenden, nagenoeg ongewijzig d is gebleven.Aantal vacatures per bedrijfstakDe zakelijke dienstve rlening heeft in 2006 het grootste aantal vaca tures (157), Dit komt neer op17 procent van al le vacatures. Na de

PAGE 45

ModusStatistisch MagazineNummer 3 39 zakelijke dienstverleni ng is de horeca de bedrijfstak met de me este vacatures (139, 15%), daarna de handel (137, 14%), de gezondheidszorg (122, 12%) en de overige dienstverlening (107, 11%). Vergeleken met 1998 is er een toename van het aantal vacatures in de horeca, de gezondheidszorg en de zakelijke dienstverlening te zien, en een afname in de andere eerder genoemde bedrijfstakken. Ook in de bouw is het aantal vacatures toegenomen.Vacaturegraad per bedrijfstakDe hoogste vacaturegr aden (het aantal vacatures als percentage van het aantal bezette arbeidsp laatsen) komen voor in de horeca, de overige di enstverlening en de zakelijke dienstverlening (ieder met een vacaturegraad va n 3 of hoger). De bedrijven met de la agste vacaturegraden zijn de nutsbedrijven (0.6), het onderwijs (1.3) en de handel (1.4). Een vergelijking met 1998 laat zien dat veel bedrijfstakken de vaca turegraad is afgenomen. Dit geldt vooral voor de Land/Mijnb ouw, de Industrie, de nutsbedrijven en de Overige Dienstverlen ing. Daartegenove r registreerde de bouw een toename (1,4 naa r 1,7), evenals de horeca (van 2,0 naar 3,2), transport en communicati e (1,2 naar 1,6), de zakelijke dienstverlening (2,7 naar 3,0) en de gezondheidszorg (2 ,1 naar 2,5).BeroepEr is vooral vraag naar functies in de dienstverlenende beroepen. Bijna 30 procent van de vraag betreft vacat ures voor dienstverleners. Naast dienstverleners zijn assistent deskundigen en klerke n ook veel gevraagde beroepen met percentages va n respectievelijk 15 en 14 procent van alle vacatures. Vacatures voor Vaken handwerklieden maken voo r 13 procent deel uit van alle vacatures.

PAGE 46

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 40 De verdeling is nagenoe g gelijk als in 1998. In 1998 was er ook voor namelijk vraag naar dienstverleners (27 pr ocent van alle vacatures), gevolgd door a ssistent deskundigen en supervisors (21 pr ocent), en vaklieden (15 procent). Opvallend is het relatief laag aantal vacatures voor managers, directeuren en deskundigen. Dit geldt zowel voor 1998 (4 procent) als voor 2006 (5 procent)OpleidingsniveauUit tabel 3 blijkt dat de meerderheid van de vacatures (52 procent), vaca tures betreft voor laag opgeleiden, te weten personen met een MAVO/LBO/VSBO opleiding en lager. 28 Procent vereist een middelbaar opleidingsniveau (HAVO/MBO/VSBO) en 20 p rocent vereist HBO of hoger. Ten opzichte van 1998 is de vraag naar laag opgeleiden met 4 proc entpunten toegenomen. Daartegenover st aat een even grote daling van het aantal vacatures me t een hoge opleidingseis.OpleidingsrichtingEr is in het Vacature onderzoek ook gekeken naar de vraag naar sp ecifieke opleidingsrichtingen op de arbe idsmarkt. Uit tabel 4 blijkt dat met name vraag is naar technisch opgeleiden. Bijna 30 procent van de vacatures vereist een te chnische opleidingsrichting. Maar ook de vraag naar economisch-administra tief opgeleiden is hoog te noemen (27 procent). De opleidingsrichting met de minste vraag is de Sociaalverzorgende richting (verpleging, gezinsverzorging etc) (18 procent van de vacatures). Noemenswaardig is da t ruim een kwart van de vacatures geen sp ecifieke opleidingsrichting eist. In 19 98 was dit percentage duidelijk hoger: 37 proc ent. Hieruit blijkt dat werkgevers meer zijn gaan letten op specifieke ri chtingen, waar bij vooral de groei in de economisc hadministratieve richting opvalt (van 19% in 1998 naar 27% in 2006) StageplaatsenOnderwerp van maatscha ppelijke discussie is het issue rondom stageplaatsen op de arbeidsmarkt, de toekomstige mogelijkheden voor het pl aatsen van loka le studenten en leerlingen in stageplaatsen als mede het aantal stagiaires in bedrijven. Om tegemoet te komen aan de vraag naa r meer informatie rondom deze issues heeft het CBS enkele vragen met betrekking tot stageplaatsen in he t Vacatureonderzoe k opgenomen. En vraag betreft hoeveel stagiaires thans werkzaam zijn in de b edrijven. De andere vraag betreft de toekomstige vraag naar stagiaires (de facto het aanbod van stageplaatsen).

PAGE 47

ModusStatistisch MagazineNummer 3 41 Voor dit laatste is in het Vacatureonderzoek ook deels onderzoek gedaan naar de bereidheid van bedrij ven om lokale studenten uit het beroepsond erwijs en leerlingen die afkomstig zijn uit het project ‘Sociale Vormingsplicht’ in hun bedrijf op te nemen en te begeleiden. De Sociale Vormingsplicht is erop gericht om ka nsarme jongeren, die voortijdig de school he bben verlaten, een tweede kans op de arbeidsmar kt te geven. Tevens is gekeken naar de mate waarin bedrijven op de hoogte zijn van de vernieuwingen in het l okaal beroepsonderwijs en het project “Socia le Vormingsplicht’. Aangenomen wordt dat tot op zekere hoogte de mate van bereidhe id van bedrijven om stagiaires in hun bedrij f op te nemen en te begeleiden wordt benvl oedt door de mate van kennis over het onderwijssysteem. De resultaten van beide deelonderzoeken zullen in deze en de volgende paragrafen beschreven worden. Er zijn 950 stagiaires werkzaam bij bedrijven. Dit komt neer op ongeveer 2 procent van de werkende bevolking. Uit tabel 5 blijkt dat het grootste gedeelte werkzaam is in de hande l (22 procent) en in de gezondheidszorg (18 procent). De zakelijke dienstverlenin g, de horeca en de b ouw, volgen met respectievelijk 14, 13 en 11 procent van al le stagiaires. In 1998 is niet naar het aantal stagiaires gevraagd, waardoor verg elijking niet mogelijk is.Verwachte va catures en stageplaatsenTen aanzien van de toekomstige verwachtingen op de arbeid smarkt is in het Vacatureonderzoek de omvang van de toekomstige vacatures gemeten. Tevens is onderzocht hoeveel hiervan stageplaatsen zijn. Eerst wordt een beschrijving gegeven van het aantal verwachte vacatures en daarna volgt een beschrijvi ng van het aantal

PAGE 48

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 42stageplaatsen als onder deel van het aantal verwachte vacatures. Er worden in 2007 (de periode binnen een j aar na het onde rzoek) ruim 2.800 vacatures verwacht. De Financie elZakelijke dienstverlening is de bedrijfstak met de meeste toekomstige vacatures; in totaal 726, bijna een kwart van alle verwachte vacatures. Daarna volgen de Handel en Transport en Communicatie met respectievelijk 430 en 411 verwachte va catures (beiden 15 procent) en de Bouw met 383 vacatures, wat neerkomt op 14 procent van de verwachte vacatures. Voor wat betreft de stag eplaatsen, worden er in 2007 ruim 500 po sities daarvoor verwacht. Dit is bijna 20 procent van de verwachte vacatures. De twee bedrijfstakken met de meeste stagepla atsen zijn de Overige dienstverlening met 132 verwachte stagep laatsen en de Handel met 105. Per bedrijfstak kan word en nagegaan wat het aandeel verwachte stag eplaatsen is in het totaal van de verwachte vacatures. De Overige dienstverlening heeft het grootste aandeel stageplaatsen, namelijk 38 p rocent. Van het relati ef klein aandeel verwachte vacatures in de Industrie en N utsbedrijven, is 35 procent open voor stages. De Horeca en de Handel lopen niet ver achter met respectievelijk 30 en 24 p rocent stageplaatsen als onderdeel van de verwachte vacatures in die bedrijfstakken.Op de hoogte van onderwijsvernieuwingTeneinde na te ga an in hoeverre p laatsingsmogelijkheden zijn voor lokale studenten en leerling en uit het lokaal beroepsonderwijs heeft het CBS in het Vacatureonderzoek de volgende vraag opgenomen: “Bent u op de hoogte van vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwijs?” De resultaten van wijz en uit dat 70 procent van de bedrijven weinig tot helemaal niet op de hoogte zijn van de vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwi js en het project ‘Sociale Vorm ingsplicht’.Bereidheid om leerlingen te begeleidenIn het Vacatureonderz oek is tevens een peiling verricht van de mate waarin bedrijven bereid zijn om leer lingen uit het lokaal b eroepsonderwijs en uit het project ‘Sociale Vormingsplicht’ in hun bedrijf op te nemen en te begeleiden. De vraagstelling hierbij luidt “Bent u bereid om leerlingen uit het lokaal beroepsonderwij s en/of jongeren uit de Sociale Vormingsplic ht in uw bedrijf op te nemen om werkervaring op te doen?” De resultaten laten zi en dat 57 procent van de bedrijven bereid zi jn om zowel leerlingen uit het lokaal beroepsonderwijs als uit het project ‘Sociale Vorm ingsplicht’ in hun bedrijf op te nemen en te begeleiden.

PAGE 49

ModusStatistisch MagazineNummer 3 43