Citation
Modus Jaargang 7 Nummer 4

Material Information

Title:
Modus Jaargang 7 Nummer 4

Subjects

Subjects / Keywords:
labour
inflation
bevolking
population
arbeidsmarkt
economy
education
onderwijs
tourism
gezondheid
health
prices
foreign trade
social affairs
housing
Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 3

ModusStatistisch MagazineNummer 4 iIn dit nummerRedactioneel.........................................................iii Verkeer en verkeersveiligheid in Curaao..........1 Migranten in de Nederlandse Antillen deel 1.....5 Resultaten Conjunctuurenqute jaar 2006.. .....10 Economische ontwikkelingen Curaao 2006 en 2007............. .................. ............ ............ ..........16 Analyse prijsontwikkelingen Nederlandse Antillen 2006........................................................19 Regional Economic Devel opments in 2006......22 Voornaamste resultaten vacatureonderzoek 2006 Sint Maarten...............................................26 Voornaamste resultaten vacatureonderzoek 2006 Bonaire.......... .............. ............ ........... .........34

PAGE 4

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 iiVerklaring va n de tekens0 of 0,0Minder dan de helf t van de gekozen eenheid -Nul .onbekend (blank)Een waarde kan op logisch grondslagen niet voorkomen

PAGE 5

ModusStatistisch MagazineNummer 4 iii I n 2006 groeide de economie van Curaao met 1,5 procent. Vergeleken met andere landen en eilanden kan dit percentage als bescheiden beschouwd worden. Desalniettemin is dit voor Curaao het hoogste g roeipercentage van de afgelopen tien jaar. Voor 2007 wordt verwacht dat de groei nog met enkele tienden van p rocenten zal oplopen. Vooral rond de eeuwwisseling, of zoals u wilt de millenniumwisseli ng, deden zich een aantal jaren met negatieve g roei voor, gevolgd door jaren van stilstand: net wel of net geen g roei. H et negatieve economische klimaat werd benadrukt door de g rote emigratiegolf, waardoor de bevolking binne n enkele jaren tijd daalde van 147 naar 126 duizend. Vanaf 2002 is er weer sprake van een groeiende bevolking en van een groeiende of tenminste niet verder achteruitgaande economie. D e overeenkomsten in g olfbeweging bij de bevolkingsaantallen en de economische activiteiten zijn natuurlijk niet toevallig. Curaao is als de meeste andere Caribische eilanden een open economie waar migratiestromen een veel grotere rol spelen in de bevolkingsontwik kelingen dan de natuurlijke aanwas. Migratiegeneigdheid zal bij een s lechter wordende economie leiden tot een uitstroom naar andere landen, in dit geval naar Nederland, en een omgekeerde beweging te zien geven als de economie weer aantrekt. De vraag daarbij is, of hier slechts sprake is van push en pull factoren die op rele feiten zijn gebaseerd, of dat ook verwachtingen van mensen een grote rol spelen bij het besluit om zich te verplaatsen. Afgaande op de retourmigratie van de in Curaao geboren bevolking die in de laatste jaren te zien is, lijken verwachtingspatron en een rol te spelen. Daarbij is het heel goed mogelijk dat de terugkeer op basis van verwacht ingen ook zelf een vraag naar arbeid creert. Een indicatie daartoe is de omstandigheid dat in 2005 het aantal werkzoekenden toenam, waarbij na nadere analyse bleek dat het hier vooral om retourmigranten geboren in Curaao ging. Op dat moment hadden zij nog geen werk kunnen vinden, maar een jaar later bleek deze “bobbel” te zijn verdwenen. Ofwel hebben zij zelf werk gecreerd ofwel hebben zij door de aantrekkende economie werk kunnen vinden. Verwachtingen spelen in ieder geval ook een rol bij de beoordelingen va n ondernemers met betrekking tot het investeringsklimaat. Ondernemers hebben een behoorlijk groot vertrouwen in de economie, en de toekomstverwachtingen zijn zelfs nog beter. Dat geldt in ieder geval voor de ondernemers in Bonaire en Sint Maarten. In Curaao zijn de verwachtingen bi j de laatste meting juist wat minder positief dan voorheen. Het idee circuleert dat ten tijde van de meting de onrust rond de akkoorden voor de nieuwe staatkundige stru ctuur een rol hebben gespeeld. Bij de volgende conjunctuurmeting zal dan moeten blijken dat de rust is teruggekeerd en het vertrouwen hersteld. De redactie van Modus wenst u veel leesplezier toe. ColofonUitgave: Centraal Bureau voor de Statistiek Redactie: Francis Vierbergen Maureen Bergwijn-Blokland Mike Jacobs Maria Duyndam Harely Martina Adres: Fort Amsterdam, Willemstad, Curaao, Nederlandse Antillen Telefoon: (599 9) 4611 031 Fax: (599 9) 4611 696 E-mail: info@cbs.an Website: www.cbs.an Auteursrechten: Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Abonnementen: Modus verschijnt vier maal per jaar. De abonnementsprijs bedraagt NAFL. 25,(exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFL. 10,Redactioneel

PAGE 6

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 iv

PAGE 7

ModusStatistisch MagazineNummer 4 1 V erkeer en verkeersveiligheid in CuraaoEllen Maduro-Jeando r In het huidige artikel w ordt aandacht besteed aan datgene wat er mis kan gaan wanneer de verkeerscomponenten, de mens, het voertuig en de omgeving, niet op elka ar ingesteld zijn, wat leidt tot verkeersongelukken.InleidingHet wegverkeer omvat drie componenten, te weten: het voertuig, de mens en de omgeving. De component mens de deelnemer aan het wegverkeer is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop hij aan het verkeer participeert. De deelnemer is ieder persoon die middels een voertuig, of te voet de straat op gaat. Van de deelnemer wordt verwacht dat hij verantwoord gedrag vertoont en zich aan de verkeersregels houdt. Indien gebruik wordt gemaakt van een voertuig, dan dient deze in verkeersveilige staat te verkeren. De overheid voorziet in het scheppen van voorzieningen en voorwaarden opdat het wegverkeer soepel en veilig kan verlopen. Hierbij kan gedacht worden aan het asfalteren van wegen en het aanbrengen van zebrapaden, het aanleggen van rotondes en het plaatsen van verkeer sborden, verkeerslichten, straatverlichting, vangrails etc. In het huidige artikel wordt aandacht besteed aan datgene wat er mis kan gaan wanneer de verkeerscomponenten niet op elkaar ingesteld zijn, namelijk de voorkomende verkeersongelukken. Bronnen die hierbij gebruikt worden zijn de verkeersstatistieken van de verkeersafdeling van het politiekorps Curaao, het aantal doo r Curaao Road Services (CRS) geregistreerde verkeersongelukken en statistieken van de Vereniging Veilig Verkeer Curaao (VVV). De CRS verleent assistentie bij zowel lichte als zware ongelukken. De politie wordt betrokken bij zware ongelukken, waarbij slachtoffers zijn gevallen.Het wagenparkTabel 1 geeft een beeld van het wagenpar k van Curaao over de afgelopen vijf jaren. Het totaal aantal geregistreerde motorrijtuigen b edraagt in 2006 84.244. Ten opzichte van“De mens in in de eerste plaats zelf veranwoordellijk voor hoe hij aan het verkeer deelneemt ”

PAGE 8

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 2 2002 (79.083) is dit een groei van bijna 7 p rocent. Personenauto’s vormen de grootste categorie motorrijtuigen; het aandeel bedraagt zowel in 2002 als 2006 circa 80 procent van alle motorrijtuigen. Het aantal personenauto's is vanaf 2002 met 5117 gegroeid, hetgeen neerkomt op een toename van ruim 8 procent. Vanaf 2002 tot en met 2006 zijn er 338 motorfietsen bijgekomen. Dit betekent een toename van circa een derde deel. Het CBS beschikt verder niet over informatie aangaande het pr ofiel van de personen die middels een motorrijtuig deelnemen aan het verkeer noch over het bouwjaar van de motorrijtuigen.Verkeersongelukken nader beschouwdVerkeersongelukk en algemeenTabel 2 geeft een overzicht van het aantal CRS-registraties per jaar voor wat betreft verkeersongevallen. Over een periode van 10 jaar (19972006) komt dit neer op een gemiddelde van circa 6800 geregistreerde aanrijdingen per jaar. Het aantal geregistreerde aanrijdingen is in deze periode toegenomen met 65 procent. Over de periode waarvoor informatie over de geregisteerde motorruituigen beschikbaar is (2002-2006), ziet men een stijging van bijna een derde deel (32,4%). “Het aantal geregistreerde aanrijdingen is in 10 jaar toegenomen met 65 procent.”

PAGE 9

ModusStatistisch MagazineNummer 4 3 Volgens het CRS is het aantal ongelukken in de laatste drie maanden van het jaar wat hoger dan in de overige maanden. Registraties van de tijdstippen waarop aanrijdingen plaatsvinden (tabel 3) leveren het volgende beeld op. Tachtig procent van de ongelukken geschiedt tussen 7 uur 's morgens en 8 uur 's avonds. De tijdstippen waarop de meeste ongevallen gebeuren is tussen twaalf en n uur 's middags en vijf en zes uur in de namiddag, de middagen avondspits. Leeftijd van de deelnemers aan het verkeerHelaas is er niet veel bekend over de kenmerken van personen die deelnemen aan het verkeer. Ttabel 4 is een weergave van de leeftijd van personen die betrokken zijn geraakt bij een verkeersongeval, zoals geregistreerd door CRS. Per leeftijdsgroep zijn de aantallen over de jaren opgeteld tot subtotalen, welke gesommeerd zijn tot een totaal van 59.657 ongelukken. Ten aanzien van dit totaal is per leeftijdsgroep het aandeel berekend. Jongeren van 18 tot en met 24 vormen het grootste aandeel personen (16%) betrokken bij de door CRS geassisteerde verkeersongelukken. Vanaf de leeftijd-categorie 45-49 wordt het percentage kleiner. Hoe ouder, hoe minder vaak men betrokken is bij een auto ongeluk. Verkeersongelukken met dodelijke afloopGeslacht en leeftijd van slachtoffers en verdachtenGelijk het aantal aanrijdingen toont het aantal ongelukken met dodelijke afloop tot en met 2004 een stijgende lijn. Na 2004 is er sprake van een wisselend verloop. De slachtoffers bestaan voornamelijk uit mannen. Over de gehele periode van 2001 tot en met 2006 zijn in totaal 139 slachtoffers gevallen, waarvan 86 procent mannen. In 2006 is een derde deel 30 jaar en jonger, een derde deel 31 tot en met 60 jaar en weer een derde deel 61 jaar en ouder. Gegevens van slachtoffe rs zijn niet op consequente wijze gespecificeerd. Voor 2006 is “De meeste ongevallen gebeuren in de middagen de avondspits”

PAGE 10

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 4 aangegeven dat 80 pr ocenten van de slachtoffers man is, 10 procent vrouw en in 10 procent van de gevallen de identiteit onbekend is. Voorts is een vierde deel van de verdachten 30 jaar en jonger, weer een vierde deel 31 tot en met 60 jaar, 40 procent 61 en ouder en van de overige 10 procent de leeftijd onbekend. Het totale aantal ongelukken met dodelijk gevolg over de periode 2001-2006 is 122, hetgeen neerkomt op een jaargemiddelde van 20,3 ongelukken met fatale afloop. Oorzaak verk eersongelukkenIn tabel 6 is voor alle oorzaken bij fatale ongelukken het totaal berekend over de zes j aren in kwestie. Het overzicht laat zien dat een te hoge snelheid de meest voorkomende oorzaak is. De tweede meest voorkomende oorzaak is links rijden/inhalen. Op de derde plaats komt verkeerd oversteken. Rijden door rood licht, vermoeidheid/ alcoholgebruik, inhalen en onoplettendheid zijn de minst voorkomende oorzaken.ConclusiesUit de beschikbare gegevens blijkt dat het aantal geregistreerde motorrijtuigen tussen 2002 en 2006 met 7 procent is gestegen. Het aantal aanrijdingen is gedurende die periode echter met 32,4 procent gestegen. De meeste ongelukken geschieden in de middagen avondspits. Volgens de registraties zijn jongeren van 18-24 jaar het vaakst betrokken bij verkeersongevallen. Het zijn voornamelijk mannen die het slachtoffer worden bij ongelukken met dodelijke afloop. De meest voorkomende oorzaak van fatale ongelukken he eft te maken met de snelheid waarmee men de auto bestuurt.

PAGE 11

ModusStatistisch MagazineNummer 4 5InleidingIn het Caribisch gebied en ook de N ederlandse Antillen zijn veranderingen in de bevolkingssamenstelling vaker het gevolg van veranderingen in migrantenstromen dan van mutaties in geboorteen sterftecijfers1. De eilanden van de Nederlandse Antillen trekken om verschille nde redenen migranten aan. In dit nummer van de Modus zullen, aan de hand van de census cijfers uit 2001, de demografische kenmerke n van de migranten besproken worden. In een volgend nummer van de Modus komt de sociaal-economische p ositie aan bod.Geboorteplaats en nationaliteitIn dit artikel verwijst de term migrant naar p ersonen die niet geboren zijn in de N ederlandse Antillen. Ook personen geboren in Aruba en in Nederland worden in dit artikel beschouwd als migranten. Personen geboren in de Nederlandse Antillen worden in dit artikel aangeduid met de term ‘Antilliaan’ en personen geboren b uiten de Nederlandse Antillen met de term ‘migrant’. In het jaar 2001 bedroeg het aandeel migranten 26,4 procen t van de bevolking van de Nederlandse Antillen. In vergelijking met de telling in 1992 is dat een stijging van b ijna 4 procentpunten. Destijds was het aandeel van migranten 22,5 procent. Verder is op de eilanden de verhouding migrant/Antilliaan verschillend. In Sint Maarten is het bijvoo rbeeld opvallend dat het aandeel migranten groter (63,4%) is dan het aandeel Antillianen. In tabel 2 wordt gekeken naar de samenhang tussen geboorteplaats en nationaliteit. Van de totale bevolking heeft 84,9 procent de Nederlandse nationali teit en 15,1 procent een vreemde nationaliteit. Migranten in de Nederlandse Antillen Deel 1Sabrina Dinmohamed In dit artikel wordt aandacht besteed aan de demografische kenmerken van de migrantenbevolking van de Nederlandse Antillen. De sociaal-economische kenmerken van deze groep komen in een volgen de aflevering aan de orde. ”In Sint Maarten is het aandeel migranten groter dan het aandeel Antillianen” 1Bron: Regional And Internati onal Migration in the Caribbean and it s impact on sustainable developmentCompendium on recent research in migration in the Caribbean (presented at the Carribean Expert Group Meeting on Migration, Human Rights and De velopment in the Caribbean, 2005)

PAGE 12

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 6 Van de migranten heeft ruim de helft (51,2%) een vreemde nationaliteit en de andere helft de Nederlandse (48,8%). Hier moet er rekening gehouden worden met het feit dat er zich onder migranten ook een grote groep mensen geboren in Nederland en Aruba bevindt. De migranten waarbij relatief vaker de Nederlandse nationaliteit voorkomt zijn geboren in Nederland (99,1%), Aruba (98,4%), Indonesi (90,9%), Anguilla (79,4%), St. Kitts & Nevis (67,3%), Montserrat (67,1%), Suriname (66,1%), St. Vincent (62,9%), Portugal (56,4%) en Libanon (55,2%). Als we naar absolute cijfers kijken, zien we dat naast Aruba en N ederland, personen uit de Dominicaanse Republiek (3.077) en Su riname (1.584) de grootste groepen elders-geborenen met een N ederlandse nationaliteit zijn. Bijna alle Antillianen hebben de Nederlandse nationaliteit (97,9%). Er is een kleine groep mensen (2,1%) die wel in de Nederlandse Antillen is geboren maar niet de N ederlandse nationaliteit bezitten. Deze situatie komt met name voor in Sint Maarten (bijna 1.700 personen). Landen van herkomst van migrantenTabel 3 geeft een overzicht van de herkomstlanden van de migr anten verdeeld naar regio. Het grootste deel van de migranten is afkomstig uit het Caribisch gebied (52,2%). 19,2 procent van de migranten komt uit Europa en 17,6 procent uit Zuid Amerika. Tabel 5 geeft de specifieke landen aan waar de migranten vandaan komen. De grootste migrantengroep in de Nederlandse Antillen zijn personen afkomstig uit de Dominicaanse Republiek (18,7%), Nederland (15,2%) en Aruba (7%). In vergelijking met de meting van 1992 zijn vooral migranten uit Colombia, Dominica, Jamaic a en Venezuela toegenomen. Er zijn in 2001 minder migranten uit bijvoorbeeld St. Kitts-Nevis in de Nederlandse Antillen. Elk eiland heeft daarnaast ook een eigen samenstelling van de migrantenbevolking: in Bonaire zijn de grootste migrantengroepen (in volgorde van grootte) afkomstig uit Nederland (23,2%), Dominicaanse Republiek (19,7%) en Colombia (10,3%) in Curaao staan dezelfde landen als in Bonaire in de top drie in Sint Maarten zien we een andere verdeling, namelijk Dominicaanse Republiek (19,1%), Hati (13,4%) en Dominica (8,4%) in St. Eustatius vormen migranten uit St. Kitts de grootste groep (8,9%), gevolgd door migranten uit de Dominicaanse Republiek (5,5%) en de Verenigde Staten (4%) in Saba vormen migranten uit de Verenigde Staten, Dominicaanse “De grootste migrantengroep zijn personen afkomstig uit de Dominicaanse Republiek”

PAGE 13

ModusStatistisch MagazineNummer 4 7 Republiek en Aruba samen 19,1 procent van de migranten Tabel 4 geeft de spreiding weer van enkele migrantengroepen over de eilanden van de N ederlandse Antillen (in bijlage 1 worden de absolute aantallen weergegeven): 78,2 procent van de migranten uit de Dominicaanse Republiek is voornamelijk aanwezig in Curaao en Sint Maarten migranten uit Nederland zijn met 78,6 procent vooral woonachtig in Curaao migranten geboren in Aruba wonen met 86 procent voornamelijk in Curaao en Sint Maarten 79,5 procent van de migranten in Nederlandse Antillen uit Colombia woont in Curaao migranten uit Hati zijn voor het merendeel woonachtig in Sint Maarten, 80,8 procent Binnen de migrantenbevolking zijn er ook enkele minderheidsgroepen. Er is gekozen om te kijken naar groepen waar er tussen de vijf en twintig persone n op de Nederlandse Antillen aanwezig zijn. Er zijn in deze categorie migranten uit onder andere Botswana, Polen, Singapore, Iran, Rusland, Australi en Fiji eilanden.GeslachtDe percentages mannen en vrouwen voor de Antillianen bedragen respectievelijk 47,9 en 52,1 procent. Voor de migrantenbevolking zijn de percentages voor mannen en vrouwen respectievelijk 44,2 en 55,8 procent. Tabel 5 laat de man-vrouw verhouding zien van de grootste migr antengroepen in de N ederlandse Antillen. Voor de meeste migrantengroepen geldt dat er meer vrouwen dan mannen zijn. Dit is met name het geval bij de groep afkomstig uit Colombia, Dominicaanse Republiek en Jamaica. In de migrantenbevolking afkomstig uit Hati zijn er meer mannen aanwezig.Leeftijd Als we kijken naar de leeftijdsstructuur van de personen geboren in de Nederlandse Antillen dan zien we dat bijna de helft (49,6%) deel uitmaakt van de bevolking in de economisch actieve leeftijdscategorie van 24 tot en met 64 jaar. Voor de migranten is dat percentage hoger, na melijk 68,4 procent. Er zijn relatief weinig jonge migranten tussen de 0 en 14 jaar in de Nederlandse Antillen (13,5%). Bij Antillianen is dat 28 procent. De groep 65-plussers is onder de Antillianen (9,9%) iets groter dan onder de migranten (7,5%). Bovenstaande cijfer s hebben betrekking op de gehele migrantengroe p in de Nederlandse “Vooral in de groep afkomstig uit Colombia, Domicaanse Republiek en Jamaica zijn er meer vrouwen dan mannen aanwezig”

PAGE 14

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 8 Antillen. Per migrantengroep verschilt de leeftijdsopbouw ook. Van de migranten uit bijvoorbeeld Nederland en Venezuela zit er ook een relatief groot deel in de leeftijdscategorie 0-14 jaar (ongeveer een kwart).Burgerlijke staatTabel 7 geeft informatie over de burgerlijke staat van migranten en Antillianen in de leeftijd van 20 jaar en ouder. Onder de migranten z ijn er meer gehuwden (51,3%) dan onder de Antillianen (41,5%). Mannelijke migranten zijn vaker gehuwd (53,7%) dan vrouwelijke migranten (49,4%). En vrouwelijke migranten zijn vaker gehuwd dan vrouwelijke Antillianen, respectievelijk 49,4 procent en 36,3 procent. Onder de Antillianen is 43,3 procent ongehuwd, bij de migranten is dat 37,2 procent. Er is tussen migranten en Antillianen niet veel verschil in personen die zijn gescheiden of verweduwd. Voor zowel migranten als Antillianen geldt dat vrouwen vaker weduwe of gescheiden zijn dan mannen.ConclusieIn het jaar 2001 bedroeg het aandeel migranten 26,4 procen t van de bevolking van de Nederlandse Antillen. Van de totale bevolking heeft 84,9 procent de Nederlandse nationa liteit en 15,1 procent een vreemde nationaliteit. Ruim de helft (51,2%) van de migranten heeft een vreemde nationaliteit en de andere helft (48,8%) de Nederlandse. De grootste migrantengr oepen in de Nederlandse Antillen zijn afkomstig uit de Dominicaanse Republiek (18,7%), Nederland (15,2%) en Aruba (7%). De percentages mannen en vrouwen voor de Antillen bedragen respectievelijk 47,1 procent en 52,1 procent. Voor de migrantenb evolking zijn de pe rcentages voor mannen en vrouwen respectievelijk 44,2 en 55,8 procent. Voor wat betreft de leeftijdsstructuur zit 49,6 procent van de Antillianen in de leeftijdscategorie 24-64 jaar, voor migranten is dat 68,4 procent. Qua burgerlijke staat zijn er onder migranten (51,3%) meer gehuwden dan onder Antillianen (41,5%). Onder de Antillianen is 43,3 procent ongehuwd, bij de migranten is dat 37,2 procent.

PAGE 15

ModusStatistisch MagazineNummer 4 9

PAGE 16

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 10InleidingAfgelopen december 2006 is de zesde conjunctuurenqute door het Centraal Bureau voor de Statistiek uitgevoerd. In totaal zijn daarbij bijna 840 bedrijven benaderd op de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen waarvan bijna 70 in Bonaire, 200 in Sint Maarten en ruim 570 in Curaao. Het onderzoek is uitg evoerd onder alle bedrijven met tien of meer werknemers, terwijl van de bedrijven met minder dan tien werknemers een steekproef is genomen. Over Saba en Sint Eustatius wordt in dit artikel geen informatie verstrekt, dit vanwege een gebrek aan basisgegevens. Doel van de conjunctuurenqute is om op frequente basis, twee maal per jaar, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en ec onomische parameters en ontwikkelingen. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. In dit artikel wordt nader ingegaan op de resultaten van de opi nievragen van de enqute. Kwantitatieve gegevens over b ijvoorbeeld omzet, exploitatiekosten en investeringen worden hier niet besproken. Een beeld wordt gegeve n van de verkregen gegevens van bedrijven (NV’s en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) op de eilanden Bonaire en Curaao ten aanzien van de volgende onderwerpen: 1 investeringsbelemmeringen en – bevorderingen, 2 concurrentiepositie, 3 verandering van het ondernemersvertrouwen, 4 vertrouwen in de toekomst, 5 perceptie t.a.v. het investeringsklimaat, 6 bedrijfsresultaten, 7 mutaties bruto toegevoegde waarde.Resultaten Conjunctuurenqute j aar 2006Chris M. Jager De conjunctuurenqu te verschaft t wee maal per jaar actuele informatie over bedrijfsmatige ontwikkelingen en verwac htingen en opinies van ondernemers. In dit artikel worden de opinievragen behandeld.

PAGE 17

ModusStatistisch MagazineNummer 4 11 Vanwege het ontbreken van voldoende data op het moment van schrijven heeft geen analyse plaatsgevonden van de gegevens van St.Maarten de gegevens per bedrijfstak met uitzondering van de bruto toegevoegde waarde BonaireInvesteringsbelemmeringen en – bevorderingen.Evenals in voorgaande twee periodes wordt door ongeveer een derde van de respondenten (32%) aangegeve n dat er sprake is geweest van investeri ngsbelemmeringen (zie figuur 1). Deze zijn vooral een gevolg van een tekort aan financile middelen: 32 p rocent, een wederom ho ger percentage dan de 28 procent van een half jaar daarvoor. Andere factoren spelen een veel kleinere rol, alleen het overheidsbeleid komt uit boven de tien procent (toegenomen van 8 naar 11%). Dat het belang van de aanwezigheid van kapitaal groot is blijkt uit het feit dat door de respondenten is aange geven dat de investeringen vooral positief be nvloed zijn door de beschikbaarheid va n financile middelen (22%). Daarnaast zijn ook goede marktverwachtingen (eveneens 22%) van groot belang. Een andere belangrijke factor is de beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel: 11 procent van de bedrijven heeft aangegeven dit te beschouwen als een investeringsbenodigdheid. ConcurrentiepositieVoor wat betreft de concurrentiepositie op de binnenlandse markt is het beeld in vergelijking met de vorige enqute licht veranderd (zie figuur 2). Wat minder bedrijven hebben aangegeven dat deze verslechterd is (van 20 naar 14%), iets meer dat deze onveranderd is (van 56 naar 62%). Van de bedrijven heeft 11 procent aangegeven dat deze verbeterd is (was 13%).

PAGE 18

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 12 Verandering van het ondernemersvertrouwen.In vergelijking met de voorgaande enqute van juni 2006 hebben minder bedrijven aangegeven dat het onde rnemersvertrouwen verminderd is; van 20 naar 11 procent. Meer bedrijven hebben aangegeven dat het gelijk is gebleven; van 55 naar 65 procent. In overeenstemming met het voorgaande is het percentage ‘verbeterd ’ nauwelijks veranderd (van 25 naar 24%).Vertrouwen in de toekomst.Gebleken is wederom dat meer bedrijven hebben laten weten dat het vertrouwen in de toekomst is verbeterd; dit keer van 63 naar 65 procent. Ofschoon toenemend, zit het nog wel onder het hoge niveau van 71 procent van december 2004. Het aantal bedrijven dat b lijkt gn vertrouwen te hebben in de toekomst is iets afgenomen en wel van 17 naar 14 procent. Bijna 21 procent van de b edrijven geeft aan geen mening te hebben (zie figuur 4). Oordeel t.a.v. het investeringsklimaatTen opzichte van voorgaa nde metingen is de perceptie van het investeringsklimaat in 2006 duidelijk verbeterd. Het percentage b edrijven dat zegt het klimaat goed te vinden is toegenomen van 31 naar 47 procent. Voor het eerst zijn de percentages voor goed en matig nu gelijk aan elkaar (beiden 47%). Het percentage bedrijven dat zegt het klimaat slecht te vinden neemt af van 12 naar 7 procent. BedrijfsresultatenUit het onderzoek is naar voren gekomen dat voor wat betreft n van de belangrijkste parameters van bedrijven, de bedrijfsresultaten, precies 54 procent heeft aangegeven winst te hebben behaald (winst voor afdracht van belastinge n). Dit is hoger dan de verwachting die men een half jaar eerder in de halfjaarenqute heeft aangegeven (48%), doch lager dan het percentage over het jaar 2005: 61 procent. Het percentage b edrijven met een positief bedrijfsresultaat is vergeleken met 2005 dus afgenomen met 7 procentpunten, zie ook figuur 6. Door 46 procent van de benaderde bedrijven is een negatief bedrijfsresultaat (verlies) aangegeven. Opgemerkt moet worden dat deze percentages gn inzicht geven in de

PAGE 19

ModusStatistisch MagazineNummer 4 13 omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen.Mutaties Brut o Toegevoegde Waarde (B.T.W.) bedrijven 2006.Door van de productiewaarde de intermediaire productiekoste n (exploitatiekosten) af te trekken, ontstaat de bruto toegevoegde waarde (BTW). In Bonaire heeft de toename van de BTW van de bedrijven t.o.v. 2005 volgens de resultaten van de conjunctuurenqute in totaal 6,2 procent bedragen. De sterkste stijgingen (zie figuur 7) hebben zich over het jaar voor gedaan bij de bedrijfstakken overige diensten (18,0%) en de handel (15,1%). De mutaties bij de gezondheidszorg (11,9%), bouw (11,7%), horeca (11,5%) en transport & communicatie (10,8%) bedragen gemiddeld 11,5 p rocent. De industrie blijft daarmee vergeleken wat achter met een percentage van 7,9 p rocent. Alleen de be drijfstakken zakelijke diensten (-1,2%) en nutsbedrijven (-3,5%) hebben te maken met een (beperkte) daling van de bruto toegevoegde waarde.CuraaoInvesteringsbelemmeringen en – bevorderingen.Evenals in juni 2006 is door ruim 20 procent van de respondenten aangegeven dat ze investeringsbelemm eringen hebben ondervonden in het jaar 2006. Voor zover hiervan sprake is zijn deze vooral een gevolg geweest van een tekort aan financile middelen (11%, zie ook figuur 8) en van het overheidsbeleid (8%). De investeringen zijn naar mening van bijna 26 procent van de bedrijven vooral bevorderd door de beschikb aarheid van financile middelen. Daarnaast zijn vooral een goede werking van de markt (16% van de bedrijven) en rendementsverwachtingen (14%) factoren geweest die hier van belang zijn.ConcurrentiepositieVoor wat betreft de concurrentiepositie op de binnenlandse markt (zie figuur 9) hebben in vergelijking met juni 2006 iets minder b edrijven aangegeven dat deze verslechterd is: 13 procent (was 17%). Het aantal b edrijven dat heeft aangegeven dat deze verbeterd is, is nagenoe g gelijk gebleven (17 naar 18 procent). De meeste bedrijven (nu meer dan 60%) hebben wederom aange-

PAGE 20

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 14 geven dat de concurrentiepositie ongewijzigd is gebleven. Verandering van het ondernemersvertrouwen.Iets minder ondernemers in vergelijking met juni 2006 hebben aangegeven dat het vertrouwen gelijk is gebleven (van 68 naar 64%). 19 Procent van de bedrijven heeft aangegeven dat het vertrouwen in onderneming en economie is verminderd, een hoger percentage dan van de vorige enqute (zie figuur 10). Dit percentage is de afgelopen vier periodes telkens gedaald en is nu voor het eerst gestegen. Wederom 17 procent van de bedrijven heeft aangegeven dat het ondernemersvert rouwen verbeterd is. Vertrouwen in de toekomstBij de bedrijven is in tegenstelling tot voorgaande perioden sprake geweest van een geringe afname van het vertrouwen in de toekomst. Dit neemt af van 65 naar 63 procent. In 17 procen t van de gevallen is aangegeven dat men gn vertrouwen in de toekomst heeft (was 12%). Er kan hier, zeker ook in vergelijking met voorgaande perioden, van een ongunstige ontwikkeling worden gesproken (figuur 11). ZoÂ’n 20 procent van de ondernemers heeft aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag. Oordeel t.a.v. het investeringsklimaatOok bij de mening ten aanzien van het investeringsklimaat heeft zich een beperkte negatieve ontwikkeling voorgedaan. Iets meer bedrijven hebben weliswaar aangegeven dat deze goed is (van 15 naar 16%), doch duidelijk meer bedrijven hebben aangegeven dat deze verslechterd is (van 14 naar 19%). Dit is een enigszins ongunstige ontwikkeling die een eind heeft gemaakt aan de positieve ontwikkeli ng van de afgelopen perioden. De meeste bedrijven oordelen

PAGE 21

ModusStatistisch MagazineNummer 4 15wederom het investeringsklimaat als zijnde ‘matig’: 65 procent (was 71%).BedrijfsresultatenUit het onderzoek is naar voren gekomen dat voor wat betreft de bedrijfsresultaten, bijna 68 procent van de bedrijven over 2006 een p ositief bedrijfsresultaat heeft behaald (winst voor afdracht van belastingen), een toename van 7 procentpunten ten opzichte van 2005. Bijna een derde (32%) van de benaderde bedrijven heeft een nega tief bedrijfsresultaat (verlies) geboekt, een afname van 7 procentp unten t.o.v. het voorgaande jaar. Overigens is het wel zo dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen. Mutaties bruto toegevoegde waarde (B.T.W.) bedrijven 2006.Volgens schattingen van de conjunctuurenqute heeft de toename van de BTW bij b edrijven in totaal 6,5 procent bedragen. De sterkste stijgingen hebbe n zich over het jaar 2006 voorgedaan bij de bedrijfstakken hotels & restaurants (14,3%), zakelijke dienstverlening (11,2%), bouw (9,9%) en handel (8,8%). Transport & communicatie en de gezondheidszorg hebben een relatief kleine toename van de BTW laten zien met respectievelijk 4,4 en 5,5 procent. De overige diensten en de industrie hebben te maken met afnames van de BTW met respectievelijk -1,3 en -3,3 procent.

PAGE 22

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 16 Hoogste economische groei in 10 jaarDe economie van Curaao is in 2006 gegroeid met 1,5 procent reel. In vergelijking met de 0,8 procent groei in 2005 heeft dus een sterkere groei plaatsgevonden met 0,7 procentpunten. In vergelijking met de afgelopen 10 jaar is dit percentage het hoogs t. Het Bruto Binnenlands Product komt daarmee uit op NAf 4.382,4 miljoen gulden. Voor 2007 wordt verwacht dat de groei zich zal voortzetten en zal uitkomen op ongeveer 1,7 procent. Vergelijking met overige eilanden van de AntillenDe economische groei in Curaao is versneld, maar toch minder sterk geweest in vergelijking met de groei op de overige eilanden. In St.Maarten en Bonaire heeft een groei van respectievelijk 5,2 en 3 procent p laatsgevonden (zie tabel 1)Internationale ontwikkelingenVanwege de openheid van de Curaaose economie hebben ontwi kkelingen in de wereld grote invloed op lokale ontwikkelingen. Met name ont wikkelingen in de economien van dee belangrijkste handelspartners, t.w. de VS Nederland en Venezuela spelen hierbij een rol. Volgens de World Economic Outlook is de wereldeconomie in 2006 gegroeid met 5,4 procent. Hieronder enkele ontwikkelingen:De economische groei in de USA is ongeveer gelijk gebleven, terwijl het Euro gebied een versnelde groei heeft doorgemaakt van 1,4 naar 2,6 procent. De Nederlandse economie is gegroeid met 3 procent. Dit is het Economische ontwikkelingen Curaao 2006 en 2007Maureen Blokland De economie van Curacao groeide in 2006 met 1,5 procent. Hoewel deze gr oei bescheiden genoemd mag worden, zeker in vergelijk ing met de andere eilanden, is daarmee het ho ogste percentage in de afgelopen tien jaar bereikt. “De economie van Curaao is in 2006 versneld, maa r toch minder ster k gegroeid dan op de overige eilanden.”

PAGE 23

ModusStatistisch MagazineNummer 4 17 hoogst behaalde groeicijfer in de afgelopen zes jaar. De activiteiten in het Caribische gebied en Latijns-Amerika vertonen een toename van 5,5 procent in 2006 in vergelijking met 4,6 procent in 2005. De economie van Venezuela is gegroeid met ruim 10 procent. Van belang zijn tevens ontwikkelingen in de zgn “emerging markets and developing countries” waarin China en India opvallen met een groei van respectievelijk ongeveer 10,7 en 9,2 procent De perspectieven voor 2007 en 2008 zijn p ositief. De verwachting is dat de wereld economie ook in de jaren 2007 en 2008 verder zal groeien maar iets vertraagd in vergelijking met 2006. Achtergrond van de ontwikkelingen in Curaao Ontwikkelingen per bedrijfstakDe ontwikkelingen per bedrijfstak vertonen allen een groei met uitzondering van de bedrijfstakken openbaar nut en overige diensten. In grafiek 2 zijn de bedrijfstakken in volgorde van gr oeipercentages gerangschikt. Uit de grafiek blijkt dat een belangrijke bijdrage aan de groei is geleverd door activiteiten in de bedrijfstakken bouw, handel, horeca, zakelijke dienstverlening en financile dienstverlening. De groei is in alle eerder genoemde bedrij fstakken sterker c.q versneld in vergelijking met 2005; dit met uitzondering van de bedr ijfstak financile dienstverlening. In deze bedrijfstak heeft een vertraging van de groe i plaatsgevonden (zie tabel 3). Voor alle eerder genoemde bedrijfstakken zijn de perspec tieven voor 2007 positief.BouwIn 2006 zijn de bouwactiviteiten toegenomen met 3,7 procent in vergelijking met 3,3 procent in 2005. Deze toename heeft o.a. te maken met de construc tie van diverse hotels en de constructie van de nieuwe luchthaven.

PAGE 24

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 18De toegevoegde waarde van de bouw is gelijk aan ruim NAf 190 miljoen, hetgeen gelijk is aan bijna 4,5 procent van het totale Bruto Binnenlands Product. HorecaUit analyse van het aantal toeristen naar land van herkomst blijkt dat een sterke stijging heeft plaatsgevonden van het aantal toeristen afkomstig uit NoordAmerika (7,5%) en Europa (11,6%) met na me Nederland (11%). Het grootste deel (ruim 45%) van het aantal toeristen is afkomstig uit Europa met name N ederland, gevolgd door het aantal toeristen uit Noord Amerika (24%). Overige markten betreffen het Caribische gebied en Latijns Amerika (w.o. Venezuela, Aruba, Jamaica).Financile dienstverleningIn deze bedrijfstak zijn o.a. de commercile banken, verzekeringsmaatschappijen en ook de internationale fina ncile dienstverlening (zgn offshore bedrijven) opgenomen. Verschillende indicatoren in deze sector wijzen uit dat een toename van economische activiteiten in deze sector heeft plaatsgevonden, met uitzondering van de internationale financile di enstverlening. De commercile banken hebben 12 procent meer leningen verstrek t en hun net operating income is toegenomen met 12 procent. Ook de verzekerings maatschappijen hebben een goed jaar doorgemaakt. De deviezeninkomsten van de internationale financile dienstverlening zijn per saldo afgenomen met bijna 2 procent. De toegevoegde waarde in deze sector is gestegen met ongeveer 3 procent, naar NA f 807 miljoen, ruim 18 procent van het BBP. Zakelijke dien stverleningIn deze bedrijfstak zijn o.a. opgenomen de diverse accountants en advocatenkantoren, onroerend goed activiteiten, het verhuur en b eheer van appartemente n, en het verhuur van transportmiddelen (o.a. carrentals). Deze bedrijfstak heeft kunnen meedelen in de positieve ontwikkelinge n in met name het toerisme. De groei in deze bedrijfstak b edraagt 2,8 procent reel tegenover 1,8 procent in 2005. De toegevoegde waarde komt daarmee uit op NAf 308 miljoen hetgeen gelijk is aan 7 procent van het Bruto Binnenlands Product.HandelDe toegevoegde waarde van de handel is in 2006 gestegen met 2,7 procent reel in vergelijking met 2,4 procent in 2005. In guldens gemeten be draagt de toegevoegde waarde ruim 470 miljoen, hetgeen gelijk is aan 11 procent van he t Bruto Binnenlands product. Ontwikkeling van de bestedingenHet zijn met name de investeringen (4%) en daarnaast de consum ptieve bestedingen (2%) die hebben bijgedragen aan de groei. Anderzijds heeft er een afname plaatsgevonden van het saldo van de exporten en importen. “Vooral de investeringen hebben bijgedragen aan de groei”

PAGE 25

ModusStatistisch MagazineNummer 4 19InleidingIn dit artikel worden de Consumenten Prijsindexcijfers (CPI) voor het jaar 2006 van de Nederlandse Antillen geanalyseerd. De procentuele mutaties over de jaren 2002 tot en met 2006 zullen worden gepresenteerd. Het CPI van de Nederlandse Antillen is een samengestelde index va n Curaao, Bonaire en Sint Maarten. De afzonderlijke eilanden hebben in de index een weging die gebaseerd is op hun aandeel in de totale consumptie van de Nederlandse Antillen in het basisjaar. Dit aandeel is gelijk aan 72,2 procent voor Curaao, 21,8 procent voor Sint Maarten en 6,0 procent voor Bonaire. Zoals bekend worden voor Saba en Sint Eustatius geen indexcijfers berekend. Het verloop van de p rijzen op deze eilanden wordt gelijk gesteld aan dat van Sint Maarten. Inflatie Nederlandse Antillen 2006: 2,9 procent.In 2006 zijn de prijze n in de Nederlandse Antillen gemiddeld met 2,9 procent gestegen vergeleken met het jaar 2005. De inflatie komt daarmee in 2006 lager uit dan het percentage in 2005, toen 3,8 procent werd bereikt.Ontwikkelinge n per sectorVan de negen sectoren waaruit de prijsindex wordt opgebouwd tonen acht sectoren in het jaar 2006 gemiddelde prijsstijgingen. De sector die een prijsdaling registreert is ‘kleding en schoeisel’. Hieronder wordt nader ingegaan op de prijsontwikkelingen in de sectoren.VoedingIn 2006 zijn in de sector ‘voeding’ de prijzen gemiddeld met 6,8 procent gestegen. Prijsstijgingen zijn in alle groepen geregi-Analyse prijsontwikkeling Nederlandse Antillen 2006Joyce Mahabali In 2006 zijn de prijzen in de Nederlandse Antillen minder snel gestegen dan in het jaar daarvoor. Dit is vooral het effect vande gestegen energieprijzen in 2005. Vooral de prijzen van voeding zijn in 2006 (wederom) het snelste toegenomen.

PAGE 26

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 20 streerd met de grootst e prijsstijgingen voor aardappelen, groenten en fruit (11,7%) en suiker en chocolade (9,7%).Dranken en rookwaren De prijsindex voor de sector ‘dranken en rookwaren’ is gemidde ld met 3,4 procent toegenomen. Dit is veroorzaakt door het feit dat zowel dranken als rookwaren duurder zijn geworden.WonenIn de sector ‘wonen’ is het prijsindexcijfer gemiddeld met 2,5 procent toegenomen. Per saldo zijn de prijzen in alle groepen gestegen, maar vooral in de groepen woningonderhoud (3,5%) en energieverbruik (3,3%).Woninginrichting en huisraadIn de sector ‘woninginrichting en huisraad’ zijn de prijzen gemiddeld met 2,3 procent gestegen. De prijzen van huishoudelijke diensten zijn het sterks t gestegen (4,1%). Het betreft hier de ver hoging van de minimumlonen voor huishoudelijk personeel.GezondheidszorgDe prijzen in de sector ‘gezondheidszorg’ zijn met 0,6 procent gestegen.Vervoer en communicatieIn de sector ‘vervoer en communicatie’ is het p rijsindexcijfer met ge middeld 2,5 procent toegenomen. Onkosten t.b.v. vervoersmiddelen (auto-onderdelen) zijn het meest toegenomen (4,3%), terwijl de uitgaven voor communicatie, voornamelijk telefoongesprekskosten, in prijs zijn gedaald (-1,3%).Recreatie en ontwikkelingHet prijsindexcijfer van de sector ‘recreatie en ontwikkeling’ is met 0,6 procent gestegen. Amusement en cultuur (1,7%) en hobbyartikelen (1,6%) zijn het meest gestegen.OverigDe prijsindex voor de sector ‘overig’ is gemiddeld met 1,9 procent toegenomen. Het gaat hier vooral om de prijsstijgingen van overige goederen en diensten (2,4%).Kleding en schoeiselDe prijzen in de sector ‘kleding en schoeisel’ zijn in 2006 gedaald met 0,1 procent. Zowel kleding als schoeisel zijn goedkoper geworden.Ontwikkelinge n 2002-2006In tabel 1 worden de procentuele mutaties van de prijzen per sector tussen 2002 en 2006 weergegeven. Uit de tabel blijkt dat gedurende de periode van 5 jaren (2002 tot en met 2006) de sectoren ‘voeding’, ‘wonen’, ‘gezondheidszorg’ en ‘overig’ constant in prijs zijn toegenomen, afwisselend met een sterke o f minder sterke groei. De prijsindex voor de sector ‘voeding’ heeft over de periode 2002 tot en met 2006 stijgingspercentages gekend die boven het “In de laatste vij f j aren zijn de prijzen van voeding steeds meer tot veel meer dan het gemiddelde toegenomen”

PAGE 27

ModusStatistisch MagazineNummer 4 21totaalgemiddelde en die van de onderscheiden sectoren uitkomen. Alleen in 2003 is dat niet het geval, de sector ‘wonen’ heeft dan de hoogste procentuele mutatie. Het hoogste percentage van de sector ‘voeding’ is geregistreerd voor 2005. De prijsontwikkelingen in de groep aardappelen, groenten en fruit blijken steeds verantwoordelijk te zijn geweest voor de meer dan gemiddelde stijgingen van de voedingsprijzen. In de sector ‘wonen’ zijn de prijsontwikkelingen voor de peri ode onder beschouwing zeer gevarieerd. Het hoogste percentage, namelijk 5,1 procent voor het jaar 2005, heeft te maken met de gestegen prijzen voor energie en water in Sint Maarten, Curaao en Bonaire. In de sector ‘dranken en rookwaren’ is na een daling in 2003 en 2004 een stijging waar te nemen. In de sector ‘kleding en schoeisel’ zijn slechts in 2003 de prijzen gestegen. In de sector ‘woninginrichting en huisraad’ zijn alleen in 2002 de prijzen gedaald. In de sector ‘gezondheidszorg’ zijn de mutaties beperkt gebleven, met als hoogste toenames 1,3 procent in 2002 en 1,1 procent in 2005. Ook voor de sector ‘recreatie en ontwikkeling’ zijn de mutaties beperkt gebleven. De hoogste stijging is 0,6 procent in 2006 en de laagste mutatie is een prijsdaling in 2002 (-0,1%). De totaalindex is in 2005 het meest gestegen (3,8%). De laagste mutatie heeft zich voorgedaan in 2002, namelijk 0,4 procent. In dat jaar zijn de mees te prijsdalingen geregistreerd. Gemiddeld over de gehe le periode berekend zijn de prijzen jaarlijks met 2,0 procent gestegen. De gemiddelde jaarlijkse stijgingspercentages zijn het hoogst voor ‘voeding’ (4,8%) en ‘wonen’ (3,1%). Deze zijn ook twee van de drie sectoren met de hoogste weging in het totaal indexcijfer, welke samen goed zijn voor 44 procent van alle uitgaven van huishoudens. “Gemiddeld over de gehele periode berekend zijn de prijzen j aarlijks met 2,0 procent gestegen.”

PAGE 28

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 22IntroductionEconomic developments of a country can be measured by three main economic indicators, namely Gross Domestic Product (GDP) in constant prices; this is equal to the nominal GDP stated in the base-year price level. Real GDP growth on an annual basis is the nominal GDP growth adjusted for inflation and expressed as a percentage. Inflation; this is a persistent rise in the general price level, as measured against a standard level of purchasing power. The inflation rate is the rate of increase of the average price level, usually the consumer price index is used. Current account balance; this is the sum of the balance of trade1, net factor income and net transfer payments. A current account surplus increases a countryÂ’s net foreign assets by the corresponding amount, and a deficit does the reverse. In most countries the balance of trade is typically the most important part of the current account. In this article the external current account balance is set out as a percentage of GDP This article describes the economic developments of certain Latin American and Caribbean (LAC countries), comprising o f the following sub-regions: 1. Mexico2 2. South America 3. Central America 4. The Caribbean. The economic indicators for these 4 groups are set out in table 1, while table 2 gives a composition of the current account balance.Regional economic developments in 2006Lorette Ford In 2006, the total economy of the Latin American and Caribbean countries has grown with 5.5 percent. The growth is obser ved in all four sub-regions, with the la rgest growth measured in the Caribbean. 1 The difference between the monetary value of exports and imports in an economy over a certain period of time2 Geographically the sub-region of North America consists of Me xico, the US and Canada, but in this article Mexico is considered part of Latin America

PAGE 29

ModusStatistisch MagazineNummer 4 23 Real GDP growthIn 2006 the total economy of the LAC countries has grown with 5.5 percent as measured by the real Gross Domestic Product. The growth is observed in all 4 sub-regions. Analysis by sub-region reveals that the largest growth has taken place in the Caribbean. The real GDP of Mexico has grown to 4.8 p ercent in 2006, which is 2 percentage points more than the previous year. South America’s economy has recorded a growth of 5.4 percent in 2006, which is 0.9 p ercentage points more than 2005. One main factor that ha s lead to this growth is the increase in the price of raw materials which are their main export products (oil, copper, and beef). In this regard it is worth mentioning the increase in export and price of crude oil from Venezuela. From table 1 it can be observed that Venezuela, Argentina and Peru have the highest GDP growth of this group with respectively 10.3, 8.5 and 8.0 percent. Central America’s GDP has grown with 5.7 percent which is 0.4 pe rcentage points more than 2005. Factors that have supported the positive growth of Central America are, among others: “One main factor for South American growth is the increase in the price of raw materials such as oil, copper, and beef.”

PAGE 30

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 24 The growth of domestic demand as a result of an increase in consumption (especially private consumption) and an increase in gross fixed investments (Panama, Guatemala). An expansion of nontraditional exports. Stronger direct fo reign investments in a number of countries; this has gone to the real estate sector, tourism, financial activities, agriculture and trade (Panama and Costa Rica), and to the communications and transportation sector in Honduras. An analysis by country in this group shows that the majority has experienced an increase greater than 4 percent, with the exception of N icaragua. Costa Rica and Panama are the most dynamic, whose economie s have grown with 8 percent. Despite the fact that Guatemala and El Salvador have suffered severe damage due to hurricanes that lashed the region in 2005, they show growth rates that are higher than the previous year. The reason for this is th at they have received more multilateral aid, debt relieves and more flows of remittances. As mentioned earlier the largest growth in LAC countries has taken place in the Caribbean, which shows a growth of 8.3 p ercent in 2006, a 2.9 percentage points more than 2005. In 2006, Trinidad and Tobago and Dominican Republic are the fastest growing economies in this sub-region, with respectively 12.0 and 10.7 percent. The following factors, among others, have contributed to the growth in the Caribbean:High energy prices, from which especially Trinidad & Tobago has benefited.Increased capacity in the gas processing industry (Trinidad &Tobago) The Cricket World Cup3 has lead to strong construction (especially tourism-related construction) and investment in Trinidad & Tobago, Jamaica, Saint Lucia, Guyana, Saint Kitts and Nevis, Barbados, Saint Vincent & the Grenadines, Antigua and Barbuda. InflationWith regard to price developments, the overall consumer price inflation in LAC countries has declined, from 6.1 percent in 2005 to 5.0 percent in 2006, due to the fact that it has dropped in the majority of the sub-regions. This decline is not universal in all countries; in some countries the inflation rate has accelerated or remained high. In Mexico the inflation rate has risen from 3.3 percent in 2005 to 4.1 percent in 2006. Countries in South America wherein inflation has increased are Paraguay (2.6 percentage points) and Uruguay (1.5 percentage points). In 2006 the inflation rate in Central America has decreased with 2.1 percentage points compared to 2005, to arrive at 6.3 percent. The highest inflation rates are recorded in Costa Rica and in Nicaragua; both rates have come down to 9.4 percent in 2006 from 14.1 and 9.6 percent respectively in 2005. The lowest inflation rate is recorded in Panama; where the inflation rate has declined from 3.4 percent in 2005 to 2.2 percent in 2006. 3 The Cricket World Cup that was held in the Caribbean from March 5 – April 28, 2007 is the largest sporting event hold in the region. Preparations for the CWC have le d to accelerated economic activity in the region “In 2006, Trinidad & Tobago and the Dominican Republic were the fastest growing economies in the Caribbean region”

PAGE 31

ModusStatistisch MagazineNummer 4 25 Furthermore, there is a widespread decrease in price levels, excluding El Salvador where there was a slight increase from 4.3 percent in 2005 to 4.9 percent in 2006. The inflation rate in the Caribbean also has fallen 2.1 percentage points to arrive at 6.2 p ercent in 2006. Jamaica’s fall with 7.1 p ercentage points is mainly responsible for this decline.Current AccountThe total external curre nt account surplus in LAC countries has increased from 1.4 p ercent of GDP in 2005 to 1.7 percent in 2006. Table 2 reveals that the surplus in both years was caused mainly by the surplus of the trade balance, due to the expansion in the value of the export’s merchandise and imports. Sub-regions that have been responsible for the surplus of the curre nt balance in 2006 are South America and the Caribbean. Factors that have lead to the surplus in South America have been among others the rise of Venezuela’s value of exports of petroleum p roducts mainly to the United States of America and the increase in Bolivia’s external current bala nce from 6.6 percent o f GDP in 2005 to 11.3 percent in 2006. Contrary to the surplus in South America and the Caribbean, both Mexico and Central America have recorded a deficit o f respectively -0.2 and -4.8 percent of GDP in 2006. The deficit in the latter sub-region has remained constant compared to 2005, and it implies a trade deficit due to the higher petroleum bill. Despite the fact that the current account of Mexi co has experienced a deficit, in comparison to 2005 it has performed better. Sources: IMF World Economic Outlook, April 2007 IMF World Economic Outlook Update Regional Economic Outlook Western Hemisphere, April 2007Economic Survey of Latin America and the Caribbean 2006-2007 UN/ECLAC: the Central American Isthmus: Economic evolution duri ng 2006 and prospects for 2007, July 2007 “One factor for the surplus in the South American current account is the rise of Venezuela’s value of exports of petroleum products, mainly to the U.S.A.”

PAGE 32

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 26InleidingEen volledig systeem van arbeidsmarktstatistieken geeft informatie over zowel het aanbod als de vraag naar arbeid. Informatie over de aanbodzijde wordt verkregen uit het Arbeidskrachtenonderzoek (AKO). Het AKO is een huishoudonderzoek. Het geeft informatie omtrent het aantal werkenden en werkzoekenden en hun kenmerken. Het Vacatureonderzoek geeft informatie over de vraag naar arbeid en de kenmerken van de vacatures en de gezochte kandidaten In 1995 hield het CBS voor het eerst een Vacatureonderzoek in Curaao, Bonaire en Sint Maarten. In 1998 werd dat onderzoek herhaald, zij het dat toen geen sprake was van een steekproefonderzoek, maar een totaaltelling gekoppeld aan de bedrijventelling. Om tegemoet te komen aan de behoefte aan meer en recente informatie over de vraagzijde van de arbeidsmarkt, heeft het CBS in november 2006 het V acatureonderzoek herhaald. Het betrof een steekproefonderzoe k onder bedrijven zoals dat ook het geval was geweest in 1995. De betreffende informatie stelt beleidsmakers in de gelegenhe id om gericht beleid te voeren op het bewerkstelligen van een goede aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt Er dient bij de interpretatie van de resultaten rekening te worden gehouden met het feit dat het Vacatureonderzoe k een momentopname is. De vergelijkingen in dit document geven aan hoe de situatie is in november 2006 in vergelijking met juni 1998. Er kunnen op b asis van de gepresenteerde cijfers geen conclusies worden getrokken over hoe de vraag op de arbeidsmarkt zich in de tussenliggend jaren heeft ontwikkeld. Voornaamste resultaten vacatureonderzoek 2006 Sint MaartenZaida Lake Een volledig systeem van arbeidsmarktstatistieken geeft infomatie over zowel het aanbod als de vraag naar arbeid. Dit artikel behandelt de vr aag, zoals die uit het vacatureonderzoek is gebleken In Sint Maarten is vooral vraag naar me nsen in de bouw.

PAGE 33

ModusStatistisch MagazineNummer 4 27Korte samenvattingDe resultaten van het Vacatureonderzoek in Sint Maarten wijzen uit dat er ten opzichte van 1998 veel vacatures bij zijn gekomen. Het gaat hierbij vooral om een toename van het aantal vacatures in de bouw. Ook de handel, transp ort, gezondheidszorg en de overige dienstverlening hebben een toename in het aantal vacatures geregistreerd. De vacaturegraad stijgt van 2,1 in 1998 naar 4,1 in 2006. De vraag naar type opleidingen op de arbeidsmarkt is vooral gericht op laag opgeleiden (t/m MAVO/LBO/VSBO). Het gaat hier om 65 procent van de vacatures. Er is een verschuiving waar te nemen van een vraag naar overweg end personen zonder specifieke opleidingsrichting in 1998 naar een vraag naar personen met een specifieke opleidingsrichting in 2006. Hierbij neemt de vraag naar technisch opgeleiden de eerste p laats in (35 procent van alle vacatures). Er worden in de loop van 2007 bijna 440 nieuwe vacatures verwacht, waarvan 1 procent stageplaatsen zal zijn. Ongeveer 65 procent van de bedrijven is niet op de hoogte van noch vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwij s noch van het project 'Sociale Vormingsplicht'. Uit analyse is gebleken dat er een positief verband bestaat tussen op de hoogte zijn en de bereidheid om leerlingen te begeleiden. MethodologieHet Vacatureonderzoek van 2006 is een steekproefonderzoek onder ongeveer 1600 bedrijven in Bonaire, Curaao en Sint Maarten. Uit de kleine bedrijven (met minder dan 10 werkenden) is een steekproef getrokken. De grote bedrijven zijn integraal geteld. Benedenstaand diagram geeft een overzicht van het totaal aantal onderzochte bedrijven. De resultaten van het onderzoek zijn aan het eind van de verwerkingsfase met het totaal aantal werkenden uit het Arbeidskrachtenonderzoek opgehoogd. Dit leverde het totaal aantal vacatures in de populatie op.Definities:Vacatures : vacatures zijn niet opgevulde arbeidsplaatsen waarvoor kandidaten wordt gezocht. Hieronder vallen ook ope nstaande arbeidsplaatsen waarvoor kandidaten van uitzendb ureaus worden gezocht, arbeidsplaatsen voor kandidaten voor een tijdelijk dienstverband, en tevens arbeidsplaatsen voo r betaalde stageplaatsen. Vacaturegraad : de vacatures in de steekproe f worden opgehoogd met het aantal werkenden uit de Arbeidskrachtenonderzoeken om tot een schatting van het totaal aantal vacatures in de populatie te komen. De vacaturegraad is een verhoudingsmaat tussen het aantal werkenden en het aanta l vacatures, en wordt gedefinierd als het aantal werkenden gedeeld door het aantal vacatures maal 100. Met de vacaturegraad kunnen vergelijkingen tussen tijdstippen en tussen groepen worden gemaakt. Doelgroep van de Vacaturetelling : bedrijven in de private sector en overheids NV's. Bedrijven : de definitie van de Vacaturetelling is dezelfde definitie die voor de Bedrijventelling wordt gehanteerd en die thans oo k door de nationale re keningen statistieken wordt gehanteerd. Een bedrijf moet aan drie eisen voldoen om als bedrijf meegeteld te worden:

PAGE 34

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 281 Men moet kunnen spreken van productie van goederen of diensten met het doel deze te verkopen; 2 Binnen de eenheid moet zelfstandig beheer over het productieproces worden uitgeoefend. 3 Het moet aan tenminste n van de volgende drie minimumeisen voldoen: a. er moeten gemiddeld voor tenminste 15 uur per week door n (of meer) personen werkzaamheden worden verricht, of b. de productie of omzet in het laatste boekjaar bedraagt tenminste 50 duizend gulden, of c. de waarde van alle activa bedraagt ten minste 50 duizend gulden aan het eind van het laatste boekjaar De eerste voorwaarde sl uit bestuursorganen, de meeste overheidsinstellingen, kerkgenootschappen en volle dig gesubsidieerde (onderwijs)instellingen uit, want deze hebben over het algemeen niet het verkopen van hun diensten als doelstelling. De tweede voorwaarde onderscheidt hoofdbedrijven van filialen. Een bedrijf kan n of meer vestigingen bezitten. Als een bedrijf slechts n vestiging heeft, dan is die ene vestiging ook het hoofdbe drijf. Een bedrijf met meerdere vestiginge n op hetzelfde eiland heeft slechts n hoofdbedrijf; alle overige vestigingen zijn filialen. De hoofdvestiging is de plaats waar de beslissingen voor het hele bedrijf genomen worden, normaliter is dit de vestiging waar de directie zetelt. In filialen worden wel goederen of diensten geproduceerd en/of verkocht, maar de beslissingen worden door het hoofdbedrijf genomen. Filiaalvestigingen op een ander eiland worden op dat eiland als bedrijf geteld. Dus een filiaal van een Curaaos bedrijf in St.Maarten, is in Curaao niet als filiaal in de telling opgenomen, maar wordt in het b edrijvenregister opgenomen als een bedrij f in St.Maarten. Punt 3 geeft een afbakening aan de onderkant van economische activiteiten en sluit alle b edrijven uit die een beperkt bedrijfsmatig karakter hebben (zoals hobbyisten) Bij de definitie van een bedrijf is ook het onderscheid tussen offshore bedrijven en lokale bedrijven van belang. Offshore bedrijven hebben een offshore vergunning en mogen geen lokale zaken doen. De meeste word en geadministreerd door een lokaal bedrijf (vaak een trustkantoor) en betalen daar een vergoeding voor naast de winstbelasting die ze aan de overheid betalen. Een beperkt aantal offshore b edrijven heeft in de Antillen wel eigen personeel in dienst en produceert daarmee toegevoegde waarde. Alleen deze offshore b edrijven tellen mee. Offshore bedrijven worden als bedrijf geteld indien ze iemand in loondienst hebben die voor minimaal 15 uu r per week betaald wordt. De andere criteria zijn voor offshore ondernemingen niet toegepast. Stageplaats : arbeidsplaatsen die door studenten worden ingenomen die in het kade r van een afstudeeropdracht werken aan een b epaald project in een bedrijf of instantie, met het doel om aan het eind een afstudeerscriptie te schrijven. Stagiaires hebben een arbeidsovereenkomst met de werkgever in het bedrijf, werken voor een bepaalde tijd en krijgen een vaste vergoeding. Werkervaringsplaats : arbeidsplaatsen waarvoor geldt een arbeidsovereenkomst voo r onbepaalde tijd tussen werkgever en werknemer, met het doel dat de werkneme r werkervaring opdoet. Bij de bedrijven wordt de term 'werkervaringsplaatÂ’ genterpreteerd als zijnde een arbeidsplaats waarvoor geen

PAGE 35

ModusStatistisch MagazineNummer 4 29werkervaring wordt geist. In het Vacatureonderzoek wordt deze definitie aangehouden. Opleidingsniveau : voor een definitie van de opleidingsniveaus wordt de niveauindeling van de UNESCO aangehouden zoals deze in de onderstaande staat, afkomstig uit de CBS Census publicatie over de werkzoekenden, staan beschreven.Voornaamste resultatenAantal vacatures en VacaturegraadHet aantal vacatures is ten opzichte van juni 1998 meer dan verdubbeld. Er zijn in totaal 620 vacatures geteld In 1998 bedroeg het aantal 267. De vacaturegraad is 4,1 en is ten opzichte van 1998 met 2 punten toegenomen. Dit betekent dat het aantal vacatures ten opzichte van het aantal werkenden is toegenomen.Aantal vacatures naar bedrijfstakDe bedrijfstak met het grootste aantal vacatures is de bouw. Er zijn in de bouw in totaal 168 vacatures geteld, hetgeen neerkomt op 27 procent van alle vacatures. Na de b ouw is de handel de bedrijfstak met de meeste vacatures (147 vacatures, 24%). Daarna volgt de overi ge dienstverlening (109, 18%). Onder deze bedrijfstak vallen een diversiteit van activ iteiten zoals radioen televisiestations, nachtclubs, discotheken, fitness centra, nummerkantoren, wasserijen en schoonheidssalons. De nutsbedrijven, financile dienstverlening (zoals banken en ve rzekeringsmaatschappijen) en het partic uliere onderwijs hebben op het moment van meting nauwelijks vacatures. Ten opzichte van 1998 zijn er op bedrijfstakniveau verschuivingen waar te nemen. In de bouw waren er in dat jaar nauwelijks vacatures opgegeven. In 2006 zijn juist daa r de meeste vacatures te vinden. Tegelijkertijd is in deze bedrijfsta k de werkgelegenheid sterk toegenomen. In de handel is het aantal vacatures meer dan verdubbeld, en in de overige dienstverlening zelfs verdriedubbeld, terwijl in de horeca het aantal vacatures vrijwel gelijk is gebleven. “De meeste vacatures zijn er in de bouw, gevolgd door de handel”

PAGE 36

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 30Vacaturegraad naar bedrijfstakDe vacaturegraad, het aantal vacatures als p ercentage van het aantal bezette arbeidsp laatsen, is het hoogste in de bouw: 9,6. Daarna volgen de g ezondheidszorg, de handel en de industrie met vacaturegraden van respectievelijk 5,4, 3,9 en 3,5. De bedrijven met de laagste vacaturegraden zijn de financile di enstverlening en de nutsbedrijven. Een vergelijking met 1998 laat zien dat in verschillende bedrijfstakken de vacaturegraden zijn afgenomen. Dit geldt vooral voor de landen mijnbouw (nam af van 62,5 naar 2,6) en ook voor het particulier onderwijs (daalde van 14,1 naar 3,3). Ook in de industrie en in de nutsbedrijven is er sprake van een daling. Daarentegen nam de vacaturegraad in de bouw opmerkelijk toe (van 1,0 in 1998 naar 9,6 in 2006). De handel registreerde een toename van de vacaturegraad van 1,6 naar 3,9. BeroepUit de resultaten van het onderzoek is naar voren gekomen dat op de arbeidsmarkt met name vraag is naar vaken handwerklieden zoals timmerlieden, metselaars, etc. Meer dan 30 procent van de vacatures betreft vacatures voor Vaklieden (zie tabel 2). Uit de tabel blijkt dat ook dienstverleners en klerken veelgevraagde typen beroepen zijn (respectievelijk 22 en 17% van het totaal aantal vacatures). Onder dienstverleners vallen beroepen als verzorgers, kappers en veiligheidsbeambten. Onder 'klerken' kunnen worden verstaan kantoorklerken, kassiers en baliemedewerkers. De verdeling lag anders in 1998. In 1998 was de vraag naar assistent deskundigen en supervisors (waaronder beroepen zoals assistent computerdeskundigen, medische assistenten, verpleegsters etc) hoog, 24 procent van alle vacatures, gevolgd door klerken en dienstverleners met elk 22 procent. Het aandeel vacatures voor vaklieden is ten opzichte van 1998 aanzienlijk gestegen, hetgeen te verwachten wa s, gezien de stijging van het aantal vacatures in de Bouw. Het percentage vacatures voor vaklieden is van 9 naar 33 procent gestegen. Opvallend is het lage aandeel vacatures voo r managers, directeuren en deskundigen. Het aandeel Asssitent de skundigen/voormannen is van 24 naar 8 procent gedaald.OpleidingsniveauUit tabel 3 blijkt dat 65 procent van de vacatures functies voor laag opgeleiden betreft. Dit betreft vacatures dat een MAVO/ LBO/VSBO opleiding of lager vereiste. 22 procent vereist een middelbaar opleidingsniveau (HAVO/MBO/SBO) en 14 procent vereist een hoog opleidingsniveau (HBO o f hoger). Ten opzichte van 1998 is in 2006 de vraag naar personen met een laag opleidingsniveau “Meer dan 30 procent van de vacatures betreft vaklieden zoals timmerlieden en metselaars”

PAGE 37

ModusStatistisch MagazineNummer 4 31behoorlijk gestegen (van in totaal 17 naar 65 p rocent). Daartegenover staat een daling van het aantal vacatures dat een hoog opleidingsniveau vereist (van 57 naar 14 procent). De invloed van de gestegen vraag naar vaklieden in de bouw is hier duidelijk merkbaar.OpleidingsrichtingEr is in het Vacatur e onderzoek ook gekeken naar de vraag naar verschillende opleidingsrichtingen op de arbeidsmarkt. Uit de resultaten is naar vore n gekomen dat er met name vraag is naar personen zonder een specifieke eis met betrekking tot de opleidingsrichting (44%) Daar waar de vacatures wel een specifieke opleidingsrichting vereisen, betr eft het met name de technische richtingen. Dit geldt voor 35 p rocent van de vacatures. De opleidingsrichtingen waar de minste vraag naar is, zijn de economisch-administratieve richting en de sociaalverzorgende richting, elk met een percentage van 11 p rocent. De toename van het aantal vacatures tussen 1988 en 2006 heeft meer dan voorheen betrekking op functies waar een opleiding in een specifieke richting gevraagd wordt. In 1998 had 69 procent van de vacatures betrekking op functies waar geen specifieke opleidingsrichting voor geist werd. In 2006 is dit percentage tot 44 procent gedaald. Daartegenover staat een stijging van het percentage vacatures met een specifieke opleidingsrichting als vereiste. Het percentage vacatures met een technische opleiding stijgt het meest, van 14 naar 35 procent.StageplaatsenEen issue van maatschappelijke discussie is die rondom stageplaatsen op de arbeidsmarkt, waarbij ook over de toekomstige mogelijkheden voor het plaatsen van lokale studenten in stageplaatsen onzekerheid heerst. Om tegemoet te komen aan de vraag naa r meer informatie rondom deze kwestie heeft het CBS enkele vragen met betrekking tot stageplaatsen in het Vacatureonderzoe k opgenomen. En vraag betreft hoeveel stagiaires thans werkzaam zijn in bedrijven. De ander vraag b etrof de toekomstige vraag naar stagiaires (de facto het aanbod van stageplaatsen). Voor dit laatste is in het vacatureonderzoe k ook deels onderzocht in hoeverre bedrijven b ereid zijn om lokale studenten uit het b eroepsonderwijs en leerlingen die afkomstig zijn in het project 'Sociale Vormingsplicht' in hun bedrijf op te nemen en te begeleiden. Tevens is onderzocht in hoeverre bedrijven op de hoogte zijn van de vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwijs en van het project "Sociale Vormingsplicht'. Want dit kan tot op zekere hoogte de mate van b ereidheid van bedrijven om stagiaires in hun bedrijf op te neme n benvloeden. De resultaten van beide deelonderzoeken zullen in deze en de volgende paragrafen beschreven worden. Uit de resultaten van het onderzoek naar het aantal stagiaires is naar voren gekomen dat per november 2006 182 stagiaires werkzaam “Tweederde van de vacatures betreft laagopgeleiden. “

PAGE 38

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 32zijn in het bedrijfsleven. Dit komt neer op ongeveer 1 procent va n de werkende bevolking. Uit tabel 5 blijkt dat het grootste deel werkzaam is in de horeca (23%) de handel (16%), de overige dienstverlening (eveneens 16%) en de zakelijke di enstverlening (14%). In 1998 is niet naar stagiaires gevraagd, waardoor geen vergelijking in de tijd mogelijk is.Verwachte va catures en stageplaatsenIn het kader van inform atie verstrekking over toekomstige verwachtingen op de arbeidsmarkt, is in het Vacatureonderzoek een vraag hieromtrent opgenomen. Onderdeel van deze vraag betreft hoeveel van de toekomstige vacatures stageplaatsen zullen zijn. Vervolgens wordt eerst een beschrijving gegeven van het aantal verwachte vacatures en daarna een beschrijving van hoeveel van deze vacatures stagep laatsen zullen zijn. Er worden in totaal 439 vacatures in de toekomst (d.i. binnen een jaar na het onderzoek) verwacht. De resultaten in tabel 6 wijzen uit dat de handel de meeste vacatures verwacht (134, 31% van het totaal) daarna volgt de horeca (114, 26%). Ook de bouw en de zakelijke dienstverlening zijn vermeldenswaardig, beiden met 13 procent van alle verwachte vacatures. Het aantal verwachte stageplaatsen is laag te noemen. In totaal wordt niet meer dan 58 toekomstige stageplaatsen verwacht. Deze komen nagenoeg alleen in de handel en de horeca voor. Als het aantal verwachte stageplaatsen in verhouding tot het aantal vacatures wordt genomen, dan valt in tabel 6 op dat hoewel transport in vergelijking een klein aantal vacatures verwacht (18), het aandeel stageplaatsen relatief hoog is (28% van de 18 verwachte vacatures betreffen stageplaatsen). Ook de 'overige dienstverlening' heeft een relatief groot aandeel van 21 procent. De handel en de horeca volgen met respectievelijk 19 en 16 procent van het aantal verwachte vacatures in die bedrijfstakken. Op de hoogte van onderwijsvernieuwingOm tegemoet te komen aan de behoefte naa r meer informatie over de toekomstige mogelijkheden voor lokale stagiaires op de arbeidsmarkt is, zoals al aangegeven, in het Vacatureonderzoek onde rzoek gedaan naa r “Vooral de handel en de horeca verwachten op korte termijn veel vacatures”

PAGE 39

ModusStatistisch MagazineNummer 4 33kennis over het nieuwe onderwijssysteem en de bereidheid om leerlingen te begeleiden. De twee vragen in het Vacatureonderzoek daaromtrent luiden "Bent u op de hoogte van vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwijs?" en "Bent u bereid om leerlingen uit het lokaal beroepsonderwijs en/of jongeren uit de Sociale Vormingsplicht in uw bedrijf op te nemen om werkervaring op te doen?" De resultaten in tabel 7 wijzen uit dat in zijn algemeenheid bedrijven relatief weinig op de hoogte zijn van de vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwijs en van het project 'Sociale Vormingsplicht': 67 procent is niet of slechts een beetje op de hoogte.Bereidheid om leerlingen te begeleidenIn het Vacatureonderzoek is tevens een p eiling gedaan in hoeverre bedrijven bereid zijn om leerlingen uit het lokaal beroepsonderwijs en uit het project 'Sociale Vormingsplicht' in hun bedrijf te begeleiden. Uit de antwoorden op deze vraag is naa r voren gekomen dat een relatief groot aantal b edrijven, in totaal 72 procent, bereid is om leerlingen in hun bedrijf op te nemen en te begeleiden. Mate van Kennis en Bereidheid In het zoeken naar mogelijke achtergronden van de redenen waarom bedrijven wel of niet b ereid zijn om leerlingen te begeleiden, is een analyse gedaan naar een mogelij k verband tussen mate van kennis en de bereidheid om leerlingen te begeleiden. Daarbij is de hypothese dat de mate kennis over de vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwijs de mate van bereidheid om leerlingen te begeleiden bepaalt. Uit tabel 9 komt geen duidelijk verband tussen veel kennis en bereidheid om leerlingen te begeleiden naar voren. Het grootste percentage (78 procent) van de b edrijven met veel kennis over de vernieuwingen in het beroepsonderwijs zijn b ereid om leerlingen te begeleiden. Maar oo k voor de bedrijven die niet goed op de hoogte zijn van de vernieuwingen in het lokaal b eroepsonderwijs geldt dat het grootste gedeelte (70 procent) bereid is om leerlingen te begeleiden.

PAGE 40

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 34InleidingVoor een beschrijving van de methodologie wordt verwezen naar het voorgaande artikel, dat de resultaten van het vacatureonderzoek voor Sint Maarten beschrijft.Korte samenvattingDe resultaten van het Vacatureonderzoek in Bonaire wijzen uit dat ten opzichte van 1998 het aantal vacatures m eer dan verdubbeld is. Ook de vacaturegraad is opzichte van 1998 twee keer zo hoog (2,5 in 1998 en 5,9 in 2006). De toename van het aantal vacatures doet zich bijna alleen in de bouw voor. Er is vooral vraag naar laag opgeleiden (t/m MAVO/LBO/VSBO) op de arbeidsmarkt. Dit betreft 65 procent van de vacatures. Ten opzichte van 1998 is het aandeel van vacatures voor technisc h opgeleiden behoorlijk gestegen; van 17 naar 47 procent. Er worden in de loop van 2007 ruim 300 nieuwe vacatures verwacht, waarbij het in 11 procent van de gevallen stageplaatsen betreffen. Ongeveer 70 procent van de bedrijven is niet op de hoogte van de vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwijs en van het project 'Sociale Vormingsplicht'. Uit de analyse is verder gebleken dat er geen duidelij k verband is tussen de mate waarmee bedrijven op de hoogte en de bereidheid om leerlingen te begeleiden. Voornaamste resultatenAantal vacatures en vacaturegraadEr zijn in 2006 in totaal 261 vacatures geteld. In 1998 bedroeg het aantal 121. Het aantal vacatures is dus te n opzichte van 1998 mee r dan verdubbeld.Voornaamste resultaten vacatureonderzoek 2006 BonaireZaida Lake Uit het vacature onderzoek dat in Bonaire werd gehouden blijkt dat er v ooal vraag naar werkenden is in de bouw. Voor tweederde van de vacatures w orden laagopgeleide personen gezocht.

PAGE 41

ModusStatistisch MagazineNummer 4 35De vacaturegraad bedraagt 5.9 en is ten opzichte van 1998 3.4 punten gestegen. Hieruit blijkt dat het aantal vacatures, in verhouding tot het aantal werkenden is gestegen.Aantal vacatures per bedrijfstakDe bouw heeft het grootst aantal vacatures (145). Het betreft meer dan de helft (56%) van alle vacatures. Ten opzichte van het groot aantal vacatures in de bouw is het aantal vacatures in de overige bedrijfstakken klein te noemen. In de land-en mijnbouw en de financile dienstverlening komen vrijwel geen vacatures voor en in het particulier onderwijs zijn er op het moment van meting helemaal geen vacatures. In 1998 waren de handel en de horeca de bedrijfstakken met de meeste vacatures. Er heeft zich sedertdien een verschuiving voorgedaan in de richting van de bouw.Vacaturegraad per bedrijfstakDe bouw is de bedr ijfstak met de hoogste vacaturegraad (22,0). Daarna volgen de industrie en overige dienstverlening met respectievelijk 7,5 en 6,8. Op het aantal werkenden zijn er in deze bedrijfstakken relatief veel vacatures. De bedrijfstakken met de laagste vacaturegraad zijn de horeca (1,2) en de handel (1,3) In vergelijking met 1998 is in verschillende bedrijfstakken de vacaturegraad toegenomen. Dit geldt vooral voor de bouw (van 0 naar 22). Ook in de industrie is de vacaturegraad gestegen van nagenoeg 0 naar 7,5. In de landen mijnbouw stijgt de vacaturegraad van 0 naar 3. Noemenswaardig is ook de stijging in de overige dienstverlening van 3,1 naar 6,8. In de ge zondheidszorg stijgt de vacaturegraad licht van 1,4 naar 2,1.BeroepEr is vooral vraag naar vaken handwerklieden op de arbeidsmarkt. Bijna de helft van de vraag betreft vacatures voo r Vaklieden. Naast vaklieden worden ook ongeschoolde b eroepen veel gevraagd. 21 Procent van de vacatures betreft vacatures voor ongeschoolde beroepen. Vacatures voor Dienstverleners en Klerken maken samen 19 procent deel uit van alle vacatures. “De bouw heeft meer dan de helft van het aantal vacatures. Ten opzichte hiervan is het aantal vacatures elders klein te noemen”

PAGE 42

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 36De verdeling was heel anders in 1998. Toen was voornamelijk de vraag naar dienstverleners en klerken het grootst (37% van alle vacatures), gevolgd door assistent deskundigen en supervisors (24%), en managers en directeuren (21%). Vacatures voor vaklieden maakten in 1998 slechts voor 12 p rocent deel uit van de vacatures.OpleidingsniveauUit tabel 3 blijkt dat voor 85 procent van de vacatures een laag opleidingsniveau, tot en met MAVO/LBO/VSBO, wordt geist. 11 Procent vereist een middelbaar opleidingsniveau (HAVO/MBO/SBO) en voor slechts 3 procent wordt een opleidingseis van HBO of hoger gesteld. Ten opzichte van 1998 is de vraag naar p ersonen met een laag opleidingsniveau met 49 procentpunten toegenomen (van 36 naar 85%). Daartegenover staat een daling van de vraag naar personen met een HAVO opleiding met 30, en hoog opleidingsniveau met 20 procentpunten.OpleidingsrichtingEr is in het Vacatur e onderzoek ook gekeken naar de verschillende opleidingsrichtingen op de arbeidsmarkt. Uit de resultaten blijkt dat er met name vraag is naar technisch opgeleiden. Voor ruim 45 procent van de vacatures wordt een technische opleidingsrichting geist. Maar ook de vraag naar personen zonder een specifieke richting is relatief hoog; 41 procent. De opleidingsrichting waar het minste vraag naar is, is de economischadministratieve richting (2 procent van de vacatures). Ten opzichte van 1998 zijn het aantal vacatures waarvoor geen specifieke opleidingsrichting is vereist toegenomen, van 32 naar 41 procent. Vooral het aantal vacatures dat een technische rich ting vereist is behoorlijk gestegen; van 17 naar 47 procent.StageplaatsenOnderwerp van maatschappelijke discussie is de issue rondom stageplaatsen op de arbeidsmarkt, de toe komstige mogelijkheden voor het plaatsen van lokale studenten en leerlingen in stageplaatsen als mede het aantal stagiaires in bedrijven. Om tegemoet te komen aan de vraag naa r meer informatie rondom stageplaatsen heeft het CBS enkele vragen in het Vacatureonderzoek opgenomen. En vraag betreft hoeveel stagiaires thans werkzaam zijn in de b edrijven. De andere vraag betreft de toekomstige vraag naar stagiaires (de facto het aanbod van stageplaatsen). Voor dit laatste is in het Vacatureonderzoe k ook deels onderzoek gedaan naar de b ereidheid van bedr ijven om lokale studenten uit het beroepsonderwijs en leerlingen die afkomstig zijn uit het project 'Sociale Vormingsplicht' in hun bedrijf op te nemen en te begeleiden. De Sociale Vormingsplicht is erop gericht om kansarme jongeren, die voortijd ig de school hebben verlaten, een tweede kans op de arbeidsmarkt te geven. Tevens is gekeken naar de mate waarin bedrijven op de hoogte zijn van de ver“Voor 85 procent van de vacatures wordt een laag opleidings-niveau gevraagd”

PAGE 43

ModusStatistisch MagazineNummer 4 37nieuwingen in het lokaal beroepsonderwijs en het project "Sociale Vormingsplicht'. Aangenomen wordt dat tot op zekere hoogte de mate van bereidhe id van bedrijven om stagiaires in hun bedrijf op te nemen en te begeleiden wordt be nvloedt door de mate van kennis over het onderwijssysteem. De resultaten van beide deelonderzoeken zullen in deze en de volgende paragraaf beschreven worden. Er zijn in totaal 99 stagiaires werkzaam in bedrijven. Dit komt neer op ongeveer 2 p rocent van de we rkende bevolking. Uit tabel 5 blijkt dat het grootste deel werkzaam is in de horeca (40 procent) en in de gezondheidszorg (22 procent). Transport en communicatie volgt met 15 procent van alle stagiaires. In 1998 is niet naar stagiaires gevraagd, waardoor een vergelijking in de tijd niet mogelijk is.Verwachte va catures en stageplaatsenTen aanzien van de toekomstige verwachtingen op de arbeidsmarkt, is in het Vacatureonderzoek de omvang van de toekomstige vacatures gemeten. Te vens is onderzocht hoeveel hiervan stageplaatsen zijn. Eerst wordt een beschrijving gegeven van het aantal verwachte vacatures en daarna volgt een beschrijving van het aantal stageplaatsen als onderdeel van het aantal verwachte vacatures. Er worden in 2007 ruim 300 vacatures b innen een jaar na het onderzoek verwacht. De bouw is de bedrijfstak met de meeste toekomstige vacatures; ruim 200 van de 309 verwachte vacatures, 65 procent van het totaal. Daarna volgen de handel en de horeca met elk 25 verwachte vacatures; een aandeel van 8 procent. De i ndustrie en de gezondheidszorg verwachten elk iets meer dan 20 vacatures (7 procent) Voor wat betreft het aantal stageplaatsen, worden er in 2007 iets meer dan 30 verwacht. Dit is 11 procent van de verwachte vacatures. De twee bedrijfsta kken met de meeste verwachte stageplaatsen zijn transport en communicatie met ruim de helft daar van en handel en horeca met 30 procent Per bedrijfstak is nage gaan wat het aandeel stageplaatsen is van de verwachte vacatures. Transport en communicatie heeft het grootste aandeel (72 procent) Daarna volgen de “De bouw is de bedrijfstak met de meeste toekomstige vacatures, 65 procent van het totaal. “

PAGE 44

ModusStatistisch MagazineJaargang 7 38handel en de horeca met 40 procent en de industrie met een kwart van de verwachte vacatures stageplaatsen als aandeel van de vacatures.Op de hoogte van onderwijsvernieuwingTeneinde na te gaan in hoeverre plaatsingsmogelijkheden zijn voor lokale studenten en leerlingen uit het lokaal beroepsonderwijs heeft het CBS in het Vacatureonderzoek de volgende vraag opgenomen: "Bent u op de hoogte van vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwijs?" De resultaten wijzen uit dat bijna 70 procent van de bedrijven weinig tot helemaal niet op de hoogte zijn van de vernieuwingen in het lokaal beroepsonderwijs en het project 'Sociale Vormingsplicht'.Bereidheid om leerlingen te begeleidenIn het Vacatureonderzoek is tevens een p eiling verricht van de mate waarin bedrijven bereid zijn om leerlingen uit het lokaal beroepsonderwijs en het project 'Sociale Vormingsplicht' in hun bedrijf op te nemen en te begeleiden. De vraagstelling hierbij luidt "Bent u bereid om leerlingen uit het lokaal beroepsonderwijs en/of jongeren uit de Sociale Vormingsplicht in uw bedrijf op te nemen om werkervaring op te doen?" Het blijkt dat 58 procent van de bedrijven b ereid is om zowel leerlingen uit het lokaal b eroepsonderwijs als uit het project 'Sociale Vormingsplicht' in hun bedrijf op te nemen en te begeleiden. Mate van Kennis en Bereidheid om leerlingen te begeleidenTen einde tot een mogelijke verklaring te komen waarom bedrijven wel of niet bereid zijn leerlingen te begele iden, is gekeken of e r een verband bestaat tussen de mate van kennis van de onderwijsvernieuwingen en de bereidheid om leerlingen te begeleiden. Uit deze resultaten is een redelijk verband te zien tussen de mate van kennis van de onderwijsvernieuwing en de bereidheid om leerlingen te begeleiden Het percentage van de bedrijven met veel kennis over de vernieuwingen in het beroepsonderwijs zeggen leerlingen te willen begeleiden bedraagt 76 procent. Een kleiner deel van de bedrijven die niet goed op de hoogte zijn van de vernieuwingen in het beroepsonderwijs en van het project 'Sociale Vormingsplicht' is bereid om leerlingen te begeleiden (51 procent).