Citation
Modus Jaargang 8 Nummer 2

Material Information

Title:
Modus Jaargang 8 Nummer 2

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redaction eel ................................................... iii Results of the business-cycle survey Sint Maarten first half y ear of 2007 ............... 1 Resultaten conjunctuurenqute Bonaire en Curaao 2007 ............................................. 8 Kenmerken van moeilijk op te vullen vacat ures ............................................. 14 Gender and long term unemploy m ent in Cu raao ...................................................... 18 Internatio nal tourist arrivals around the Wo rld ............................................ 24 Ontw ikkeling van het aantal bedrijven en de w e rkgelegenheid in het micro-, kleinen midd enbedrijf in Curaao .. 28 Numm er 2 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 8 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Geachte Lezer, Redactioneel Deze aflevering van modus bevat een gevarieerde serie artikelen over de resultaten van de conjunctuur enqute, ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, de internationale toeristen markt en het micro-, kleinen middenbedrijf. De resultaten van de conjunctuurenqute duiden op een toename van het vertrouwen in de economie in Bonaire, Curaao en St.Maarten. Het vertrouwen in de toekomst is licht afgenomen in St.Maarten en Bonaire, en juist toegenomen in Curaao. De perceptie ten aanzien van het investeringsklimaat is verbeterd in St.Maarten en Curaao, en gestabiliseerd in Bonaire. Uit de analyse van de kenmerken van moeilijk op te vullen vacatures is o.a. gebleken dat vacatures met hoge opleidingseisen en werkervaringseisen moeilijk op te vullen zijn. Voor wat de eisen ten aanzien van de persoonlijkheid betreffen blijken representativiteit en motivatie problemen op te leveren. Als bron is het vacatureonderzoek van november 2006 gehanteerd. In het artikel Gender and Long Term Unemployment in Curaao, wordt lange termijn werkloosheid onderzocht. Personen die langer dan een jaar op zoek zijn naar werk worden gerekend tot deze groep. Van de 12 procent werkzoekenden is ongeveer 53 procent langer dan een jaar op zoek naar werk. Verder zijn meer vrouwen dan mannen langer dan een jaar werkloos. De verdeling naar geslacht is ook ongelijk als gekeken wordt naar leeftijd en opleidings niveau. In het voorlaatste artikel wordt ingegaan op ontwikkelingen op de internationale toeristen markt. Hierbij wordt het aantal inkomende toeristen in de wereld beschreven gebruikmakend van gegevens van de World Tourism Organisation. Tevens wordt ingegaan op ontwikkelingen in de Nederlandse Antillen. Colofon Uitgave : Centraal Bureau voor de Statistiek Redactie: Francis Vierbergen Maureen Bergwijn-Blokland Mike Jacobs Maria Duyndam Harely Martina Ostrid Girigori Adres: Fort Amsterdam, Willemstad, Curaao, Nederlandse Antillen. Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 E-mail: info@cbs.an Website: www.cbs.an Auteursrechten: Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Abonnementen: Modus verschijnt vier maal per jaar. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= double digit groei plaatsgevonden van respectievelijk 28, 14 en 22 procent. Saba heeft een groei doorgemaakt van 0,5 procent. Het aantal toeristen in St.Maarten is licht gedaald met 0,5 procent. Ondanks de hoge olieprijzen, wisselkoers fluctuaties, instabiele financile markten, en natuur rampen, is de internationale toeristische markt, gemeten op basis van het totaal aantal inkomende toeristen, gegroeid in 2007. De groei bedraagt ongeveer 6 procent. Daarmede is een nieuw record van bijna 900 miljoen toeristen gevestigd. De toename heeft met name plaatsgevonden in het Midden Oosten, gevolgd door Azi. De meeste bedrijven (meer dan 65 procent) in Curaao zijn micro bedrijven. Het grootste deel van de werkenden (ongeveer 30 procent) zit in de middenbedrijven. Op de meetmomenten 1993, 1998 en 2006 is het aandeel van de micro bedrijven toegenomen, terwijl het aandeel in de werkgelegenheid fluctueert. De ontwikkelingen op de eilanden van de Nederlandse Antillen zijn verschillend. In Curaao, Bonaire, en St.Eustatius heeft een Nummer 2 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine iv Jaargang 8

PAGE 6

Modus Statistisch magazine Results of business-cycle survey Sint Maarten first half year of 2007 Chris M. Jager Introduction The Central Bureau of Statistics (C.B.S .) implements a business-cy cle survey twice a year on the islands of the Netherlands Antilles. In this article some results for Sint Maarten for the first half year of 2007 are presented. The objective of the survey is to coll ect recent data on an objective and reg ular basis about business and economic developments. Furthermore it gives information abou t expectations and opinio ns of entrepreneurs. The survey is being executed among all companies with 10 or more employees while for companies with less than 10 employees a sample is taken. In total more than 1100 businesses in the Ne therlands Antilles have been approache d, of which 282 in Sint Maarten. The results as shown here are related to expectations and opinions of the non-financial busin esses in Sint Maarten. The survey has shown that, a low percentage of the entrepreneurs (only 15%) ha ve indicated that they experience investment obstacles. Seve nty four percent of companies, alt hough slightly less th an in June and December 2006, have shown to ha ve confidence in the future. The percentage of companies which have rated the investment climate as good has increased slightly, from 26 to 31 percent. Less companies expect to make a profit in 2007; 56 percent of the companies to 67 percent for 2006. In this article the survey results regardin g the following topics will be presented: 1. investment obstacles, 2. competitive position, 3. change in the companys confidence, 4. confidence in the future, 5. perception towards investment climate, 6. business results, 7. changes in turnover. Nummer 2 1

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine 2 Jaargang 8 Survey results Investment obstacles Only 15 percent of the entrepreneurs have indicated that they have experienced investment obstacles. This is the lowest percentage during the 4 ye ars the CBS is implementing the surv ey. As can be read from figure 1 these obstacles are as in the previous year, mainly due to a shortage of financial resources and government policy. The latter has decreased sligh tly while shortage of financial re sources has dropped from 10 to 8 percent. Other obstacles has decrea sed considerably: from 9 to just 3 pe rcent of the businesses (see figure 1). Figure 1. Investment obstacles St. Maarten.0 2 4 6 8 10 12Short fin resou r c e s poor market foreca st expect. profitabilit y interest lev el government poli cy o ther obstacle s % companies Dec '05 Jun '06 Dec '06 Jun '07 Besides stating the obstacles th e survey also has given us an insight in the factors that positively influenced the investments These mainly consist of positive expectati ons of market developments (18%) and the availability of financial resources ( 16%). Almost 39 percent of the interv iewed businesses have stated that this question is not applicable. Competitive position The perception towards competition within the domestic market is more or less the same compared to December 2006 (see figure 2). Most of the entrepreneurs, 55 percent (former survey 64%), have indicated that their position in the market has stay ed the same. The percentage of enterprises that has an improved position in the market is the same as in the previous surv ey (18%). About 16 percent (compared to 14 percent in December 2006) of the entrepreneurs have expe rienced an improved position on the market.

PAGE 8

Modus Statistisch magazine Figure 2. Competition domestic market St. Maarten.0 10 20 30 40 50 60 70improvedthe samedeterioratednot applic.% companies Dec '05 June '06 Dec '06 June '07 Change in the companys confidence One of the questions about the companys perception towards business and economy is about the companys confidence in the economy in comparison with the results of December 2006. The figures in Sint Maarten (see figure 3) have slightly changed in relation to the former survey: a few more companies (from 12% to 20%) have po inted out that their confidence ha s increased. Also somewhat more companies have indicated their conf idence in the economy has decrease d (from 6 to 13 %). Due to these changes fewer businesses have indicated their confidence in comparison with last December has remained the same. This figure has gone down from 82 to 67 percent. Figure 3. Change confidence economy St. Maarten.0 10 20 30 40 50 60 70 80 Dec '05 June '06 Dec '06 June '07% companies decreased the same improved Nummer 2 3

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine Confidence in the future The percentage of companies which ha ve confidence in the future (see f igure 4), is still very high (74%) although it has decreased somewhat in comparison to December 2006 when it was even higher: 78 percent. An increased percentage, 12 percent, stated they ha d no confidence in the future (was 4%). A lower percentage of entrepreneurs than the former survey 15 percent, had no opinion about this topic. Figure 4. Confidence future St. Maarten.0 10 20 30 40 50 60 70 80 Dec '05 June '06 Dec '06 June '07% companies yes no no opinion Analysis of the data regarding confidence in the future by company size (figure 5) shows that 90 percent of larger companies (with 50 employees and more) have conf idence in the future. For the small companies (up to 10 employees) this percentage is much lower (63%). Figure 5. Confidence future and company size June '070 10 20 30 40 50 60 70 80 90 < 10 10 50 50 and more% companies yes no no opinion 4 Jaargang 8

PAGE 10

Modus Statistisch magazine Perception towards investment climate As is the case in former surveys, most of the compan ies consider the investment climate to be moderate: almost 60 percent (see figure 6). The opinions towards the investment climate are somewhat more positive than during the former survey. The percentage of companies which have rated the investment climate as good has increased from 26 to 31 percent. The percentage of companies which consider th e investment climate to be Bad has decreased with 2 percent to 10 percent. Figure 6. Investment climate St. Maarten.0 10 20 30 40 50 60 70 Dec '05 June '06 Dec '06 June '07% companies good moderate bad It can be concluded that the perception in Sint Maarte n towards future and investment climate has stayed relatively good. This former surveys as well as in relation to the results for the Leeward Islands. Business results Contrary to the results of the surveys of the last three years and the good perceptions of future and investment climate, the expectations regarding business results have not improved (see figu re 7). According to the expectations fewer companie s will make a profit in 2007. Abou t 56 percent of the companies are expecting a profit; which is c onsiderably less than the 67 percen t of the preceding year 2006. Nummer 2 5

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine Figure 7. Businessresults St. Maarten '03 '07.0 10 20 30 40 50 60 70 2003 2004 2005 2006 expect. 2007% companies pos. neg. From the data regarding expectations by company size (figure 8) it is clear that medium sized (10-50 employees) and large companies (50 em ployees and over) do much better in terms of gross profit compared to small companies (up to 10 employees). Of the small companies only 21 percent expect a profit. For medium sized companies this is 76 and large companies 46 percent. The annual business-cycle survey, which is executed in the first months of 2008, will show us if these expectations will be realised. Figure 8. Business results by size of enterprize, June '07.0 10 20 30 40 50 60 70 80small medium large% companies pos. neg. Changes in turnover According to estimations of the busi ness-cycle survey, the total growth of the turnover over the period 1st half 2006 1st half 2007 is 6.3 percent. Figure 9 shows that espe cially the construction and trade industries have large increases in their turnover. The turnover in th e construction industry has grown with more than 20 percent, trade with 8.5 percent. The other industries are doing less well t hough none of them have a negative growth in terms of turnover. 6 Jaargang 8

PAGE 12

Modus Statistisch magazine Figure 9. Changes turnover St. Maarten 1st half 2007 to 1st half 200620.7 8.5 2.5 4.1 0.4 2.0 0.05.010.015.020.0 Construction Trade Hotels & rest. Transp. & comm. Business services Other services Nummer 2 7

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine Resultaten conjunctuurenqute Bonaire en Curaao 2007 Chris M. Jager Inleiding Afgelopen december 2007 is de achtste co njunctuurenqute door het Centraal Bu reau voor de Statistiek uitgevoerd. In totaal zijn daarbij ruim 1100 bedrijven benaderd op de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen waarvan 96 in Bonaire, 282 in Sint Maarten, 20 op Saba en ruim 770 in Curaao. Het ond erzoek is uitgevoerd onder alle bedrijven met tien of meer werknemers, terwijl van de bedrijven vanaf drie tot tien werknemers een steekproef is genomen. Doel van de conjunctuurenqute is om op frequente basis, twee maal per jaar, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en economische parameters en ontwikkelingen. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtin gen en opinies van ondernemers. Dit artikel beperkt zich tot informatie over de eilanden Bonaire en Curaao. De informatie over Saba en Sint Maarten zal in een separaat artikel in het Engels worden behandeld. In Sint Eustatius wordt sinds enige tijd, vanwege een gebrek aan respons, g een conjunctuurenqute meer uitgevoerd. In dit stuk wordt nader ingegaan op de resultaten van de opinievrag en van de enqute. Kwantitatieve gegevens over bijvoorbeeld omzet en exploitatiekosten worden hier niet besproken. Een beeld wordt gegeven van de verk regen gegevens van bedrijven op de eilanden Bonaire en Curaao ten aanzien van de volgende onderwerpen: 1. investeringsbelemmeringen en bevorderingen, 2. concurrentiepositie, 3. verandering van het ondernemersvertrouwen, 4. vertrouwen in de toekomst, 5. perceptie t.a.v. het investeringsklimaat, 6. bedrijfsresultaten 8 Jaargang 8

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Bonaire Investeringsbelemmeringen en bevorderingen Afgelopen december 2007 is door 28 procent van de respondenten aangegeven dat er sprake is geweest van investerings-belemmeringen. Dit is vrijwel gelijk aan het percentage van 2006. Het tekort aan financi le middelen is wederom de belangrijkste belemmering bij het doen van investeringen (zie figuur 1). Het aantal bedrijven dat deze belemmering h eeft aangegeven is iets toegenomen in verge lijking met de vorige meting, van 15 naar 18 procent. Het aantal bedrijven dat de overheid als belemmering heeft aangegeven (overheidsbeleid) is toegenomen van 4 naar 8 procent. De overige mogelijke factoren spelen allen een kleinere rol als belemmering voor het plegen van investeringen. De nieuw opgenomen optie verkrijgen werkvergunning speelt op Bonaire, in ieder geval vooralsnog, geen rol van betekenis. Slechts 3 procent van de ondernemers heeft deze optie voor 2007 aangegeven. Voor wat betreft de investerings-bevorderingen kan worden vermeld dat ook hier het belang van het kunnen verkrijgen van kapitaal groot is. Dit blijkt uit het feit dat door relatief veel respondenten is aangegeven dat de investeringen vooral positief worden benvloed door de beschikbaarheid van financ ile middelen (21%). Daarnaast zijn goede verwachtingen t.a.v. de markt een andere belangrijke factor. Bijna 20 procent van de bedrijven heeft aangegeven dit te beschouwen als een bevorderende factor bij investeringen. Concurrentiepositie Voor wat betreft de concurrentiepositie van bedrijven op de binnenlandse markt is het beeld in december 2007 in verg elijking met de vorige enqute van juni 2007 nauwelijks veranderd (zie figuur 2). Wat minder bedrijven, 17 procent, hebben aangegeven dat deze verbeterd is (was 21%) en iets meer bedr ijven hebben aangegeven dat deze verslechterd is (van 11 naar 13%). De categorie onveranderd is ongewijzigd gebleven: deze bedraagt 52 procent. Figuur 2: concurrentie binnenlandse markt Bonaire.0 10 20 30 40 50 60ver beterd onv e randerd vers lec hterd n.v.t.% bedrijven juni '06 dec '06 juni '07 dec '07 Nummer 2 9

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Verandering van het ondernemersvertrouwen Aanzienlijk meer bedrijven hebben in vergelijking met voorgaande enqute van juni 2007 aangegeven dat het ondernemersvertrouwen verbeterd is; van 28 naar 36 procent (zie figuur 3). Daar staat tegenover dat eveneens meer bedrijven hebben aangegeven dat het ondernemersvertrouwen verminderd is; van 8 naar 15 procent. In overeenstemming met het voorgaande is het percentage onveranderd sterk afgenomen van Figuur 3: verandering vertrouwen economie juni '08.0 10 20 30 40 50 60dec 04 junidec '05 junidec '06 junidec '07 verminderd gelijk verbeterd 64 naar 50 procent. Vertrouwen in de toekomst De perceptie van bedrijven ten aanzien van het vertrouwen in de toek omst is de afgelopen periode, in tegenstelling tot voorgaande periodes, voor het eerst sinds 2 jaar afgenomen. De afname bedraagt 10 procentpunten. Darmee komt het percentage bedrijven ui t op 59 procent. Dit percentage komt overigens nog wel boven het niveau van juni 2005 uit. Het aantal bedrijven dat heeft aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst is toegenomen van 10 naar 16 procent. Precies 25 procent van de bedrijven heeft aangegeven geen mening te hebben (zie grafiek no.4). Figuur 4: vertrouwen toekomst Bonaire juni '080 10 20 30 40 50 60 70 dec 04 junidec '05 junidec '06 junidec '07% bedrijven ja nee geen mening Perceptie t.a.v. het investeringsklimaat Ten opzichte van voorgaande metingen is de perceptie van het inve steringsklimaat in de tweede helft van 2007 niet meer verbeterd maar is zich gaan stabiliseren. Het percentage bedrijve n dat zegt het klimaat goed te vinden is gelij k gebleven op 49 procent (zie ook figuur 5). Het pe rcentage matig is heel licht toegenomen naar bijna 45 procent. Het percentage bedrijven dat zegt het klimaat slecht te vinden is voor de derde opeenvolgende keer blijven staan op bijna 7 procent. Figuur 5: investeringsklimaat Bonaire juni '08.0 10 20 30 40 50 60 70dec 04junidec '05junidec '06junidec '07% bedrijven goed matig slecht 10 Jaargang 8

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Bedrijfsresultaten Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de bedrijfsresultaten zijn verbeterd in 2007. Van de bedrijven heeft 68 procen t aangegeven winst te hebben behaald over het jaar 2007 (winst voor afdracht van belastingen). Dit is aanmerkelijk hoger dan het percentage van een jaar daarvoor (54%) en bovendien het hoogste percentage ooit gemeten. Conform de verwachting van het halfjaar 2007 heeft ruim 2/3 van de bedrijven winst behaald. Het percen tage bedrijven met een negatief bedrijfsresultaat (verlies) is navenant afgenomen met 14 procentpunten en uitgekomen op 32 procent, (zie ook figuur 6). Opgemerkt moet worden dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen. Figuur 6: bedrijfsresultaten Bonaire '03 '070 10 20 30 40 50 60 702003 2004 2005 2006 2007% bedrijven pos neg Curaao Investeringsbelemmeringen enbevorderingen Afgelopen december is door 18 procent van de respondenten aangegeven dat ze investeringsbelemmeringen hebben ondervonden in het jaar 2007. Dit is 2 procent minder dan in afgelopen drie voorgaande perioden. Voor zover hiervan sprake is, zijn deze vooral een gevolg geweest van een tekort aan financile middelen (iets afgenomen naar 9%, zie ook figuur 8), een slechte werking van de markt (5%) en van het overheidsbeleid (afgenomen naar 3%). Figuur 7: investeringsbelemmeringen Curaao in %0 3 6 12 De investeringen zijn naar mening van 21 procent van de bedrijven bevorderd door de beschikbaarheid van fi nancile middelen. Daarnaast zijn het vooral een goede werking van de markt (19% van de bedrijven) en in mindere mate de rendementsverwachting (9%) die hier een factor van belang zijn. 9 juni 06 dec '06 juni 07 dec '07 Nummer 2 11

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine Concurrentiepositie Voor wat betreft de concurrentiepositie op de binnenlandse Curaaose markt (zie figuur 9) is de situatie in vergelijking met voorgaande perioden weinig veranderd. Iets minder bedrijven hebben aangegeven dat deze verbeterd is: van 20 naar 17 procent. Het aantal bedrijven dat heeft aangegeven dat deze vers lechterd is, is met 13 procent gelijk gebleven. De meeste bedrijven (52%) hebben zoals gebr uikelijk aangegeven dat de concurrentiepositie ong ewijzigd is gebleven. Figuur 8: concurrentiepositie binnenlandse markt 0 10 20 30 40 50 60 verbeterdonveranderdverslechterdn.v.t.% bedrijven juni '06 dec '06 juni '07 dec '07 Verandering van het ondernemersvertrouwen Nog geen 10 procent van de bedrijven heeft aangegeven dat het vertrouwen in de economie is verminderd, een lager percentage dan van de vorige enqute (14%, zie f iguur 10). Tevens is dit het laagste percentage gemeten sinds de start van de conjunctuurenqute in 2004. Verder heeft maar liefst 34 procent van de bedrijven aangegeven dat het vertro uwen in de economie verbeterd is, het hoogste percentage ooit gemeten. In vergelij king met december 2006 hebben iets minder ondernemers aangegeven dat het vertrouwen gelijk is gebleven (van 58 naar 56%). Figuur 9: verandering vertrouwen economie dec. '070 10 20 30 40 50 60 70dec 04 junidec 05 junidec 06 junidec 07 verminderd gelijk verbeterd Vertrouwen in de toekomst Bij de bedrijven is weer sprake geweest van een toename van het vertrouwen in de toekomst. Dit is toegenomen van 67 naar 73 procent. Daarmee zet de trend van de af gelopen perioden zich voort. In slechts 8 procent van de gevallen is aangegeven dat men gn vertrouwen in de toekomst heeft (was 11%). Er kan hier in vergelijking met voorgaande perioden, van een gunstige ontwikkeling wo rden gesproken. Zon 19 procent van de ondernemers heeft aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag. Figuur 10: vertrouwen toekomst per dec. '070 10 20 30 40 50 60 70dec 04 junidec 05 junidec 06 junidec 07% bedrijven ja nee geen mening 12 Jaargang 8

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Perceptie t.a.v. het investeringsklimaat Ook de mening ten aanzien van het investeringsklimaat heeft zich positief ontwikkeld. Duidelijk m eer bedrijven hebben aangegeven dat deze goed is (van 27 naar 39%) en minder bedrijven hebben aangegeven dat deze slecht is (afname van 12 naar 9 procent De meeste bedrijven oordelen nog steeds, ofschoon afnemend in aantal, het investeringsklimaat als matig nl. 52 procent (was 62%). Het beeld in vergelijking met 3 jaar geleden (december 2004) is ingrijpend gewijzigd: van matig en slecht naar matig en goed Figuur 11: investeringsklimaat per dec. '070 10 20 30 40 50 60 70dec 04 junidec 05 junidec 06 junidec 07% bedrijven goed matig slecht Bedrijfsresultaten Uit het onderzoek is naar voren ge komen dat voor wat betreft de bedr ijfsresultaten, bijna 71 procent van de bedrijven over 2007 een positief bedrijfsresultaat verwacht (winst voor afdracht van belastingen). Dit is gelijk aan een toename van 3 procentpunten ten op zichte van 2006, en het hoogste percentage ooit gemeten. Ruim 29 procent van de benaderde bedrijven heeft een negatief bedrijfsresultaat (verlies) behaald, een afname van 3 procentpunten t.o.v. het voorgaande jaar. Overigens is het wel zo da t deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen. Figuur 12: bedrijfsresultat en Curaao '03 t/m '07.0 10 20 30 40 50 60 702003 2004 2005 2006 2007% bedrijven pos neg Samenvatting In Bonaire lijkt sprake te zijn van een stabiliserin g van de situatie. Uitzondering daarop vormen de bedrijfsresultaten. Mr bedrijve n dan ooit gemeten met de conjun ctuurenqute, 68 procent, hebben aangegeven dat zij wi nst hebben gemaakt. Curaao laat over 2007 een ander beeld zien: weinig verandering bij de investeringsbelemmeringen en de concurrentiepositie. Het vertrouwen in economie en toekomst is toegenomen. Verder heeft een verbetering van (de perceptie van) het invester ingsklimaat plaatsgevonden. Ook hier zien we een toename van het aantal bedrijven met winst, en wel naar 71 procent. Nummer 2 13

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine Kenmerken van moeilijk op te vullen vacatures Zaida Lake Inleiding Uit de resultaten van het Vacatureonderzoek van November 2006 blijkt dat vanuit het bedrijfsleven verschillende vacatures als lokaal moeilijk op te vu llen worden ervaren. Van de 996 vacatures wordt 35 procent door bedrijven als moeilijk op te vullen beschouw d. Het doel van dit artikel is om aan de hand van de resultaten van het onderzoek na te gaan wat voor type vacatures als moeilijk op te vullen wordt beschouwd en om aan de hand van de uitkomsten inzicht te verscha ffen in de kenmerken van deze vacatures. De kenmerken van de vacatures worden met elkaar v ergeleken om zodoende een uitspraak te doen over welk type vacatures moeilijk kunnen worden opgevuld. De vergelijkingsmaat die in dit artikel wordt gebruikt is de moeilijkheidsgraad. Deze graad is alleen voor deze analyse ontworpen. Het is een maat om ve rgelijking tussen de aantallen mogelijk te maken. De moeilijkheidsgraad wordt gedefinieerd als het aan tal niet moeilijk op te vullen vacatures gedeeld door het aantal moeilijk op te vullen vacatures. De scores die uit deze ratio komen, worden op een continum afgezet, oplopend van kleiner dan 1 tot groter dan 1. Een score beneden 1 houdt in dat vacatures met die kenmerken moeilijker zijn op te vullen dan vacatures waarvan de kenmerken hoger scoren. Kortom hoe groter de moeilijkheidsgraad, hoe minder problemen het met zich meebrengt de vacatures op te vullen. Jaargang 8 14

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Kenmerken van de vacatures De kenmerken die zullen worden beschreven zijn beroepsgroep, opleidingsniveau, opleidingsrichting, bedrijfstak, persoonlijkheid kenmerken en werkervaring. Beroepsgroep Tabel 1 Moeilijk op te vullen vacatures per beroepsgroep Moeilijkheidsgraad Managers/directeuren 0,6 Deskundigen 1,0 Assistent deskundigen 1,8 Supervisors 0,7 Klerken 10,7 Dienstverleners 1,1 Vak-en Handwerklieden 2,2 Ongeschoolde beroepen 4,1 Uit bovenstaande tabel komt naar voren dat vooral vacatures voor managers/directeuren door bedrijven als moeilijk opvulbaar worden beschouwd. Maar ook vacatures voor Supervisors (of floormanagers) schijnen moeilijkheden op te leveren. Het valt op dat ook beroepen in de Dienstverlening dicht bij moeilijk op te vullen gr enzen. Dit is opvallend vooral gezien de snel groeiende toeristenindustrie. Maar ook De skundigen scoren relatief laag (1.0). De vacatures voor Klerken (bankklerken, telefonist en, receptionisten, caissires, etc. ) zijn het gemakkelijkst op te vullen. Opleidingsniveau Er is ook gekeken naar de gevraagde opleidings eisen van de moeilijk opvulbare vacatures. Moeilijk op te vullen vacatures per opleidingsniveau Moeilijkheidsgraad T/m LO 3,7 MAVO/LBO/VSBO 2,0 HAVO/MBO/SBO 2,4 HBO 1,0 ACADEMISCH 0,4 Vacatures met een hoge opleidingseis, dit is HBO en hoger, zijn het moeilijkst op te vullen, waarbij vooral vacatures voor Academisch opgeleiden uitschieten (0,4). Daarentegen scoren de vacatures met lage opleidin gseisen (t/m Lagere school) hoog (3.7). Deze vacatures leveren dus we inig moeilijkheden op. Nummer 2 15

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Opleidingsrichting Als de opleidingsrichting in beschouwing wordt genomen, valt op dat geen van de richtingen beneden 1 scoren. De resultaten van het Vacature onderzoek geven aan dat in 2006 vooral de vraag naar personen met een algemene opleiding ten opzichte van 1998 is toegenomen. Moeilijk op te vullen vacatures per opleidingsrichting Moeilijkheidsgraad Geen 4,3 Technisch 1,7 Economisch-Administratief 1,2 Sociaal-verzorgend 1,6 Uit de analyse kan worden geconcludeerd da t van de vacatures die wel een specifieke opleidingsrichting eisen, vacatures met Economischen Administratieve richtingen het laagst scoren. Bedrijfstak Er tevens gekeken naar bedrijfstakken waarin de vacatures voorkomen. Moeilijk op te vullen vacatures per Bedrijfstak Moeilijkheidsgraad Bouw 3,9 Handel 1,1 Hotels and Restaurants 1,6 Transport en Communicatie 6,4 Financile dienstverlening 3,4 Zakelijke dienstverlening 0,8 Gezondheidszorg en Sociale dienstverlening 2,4 Overige dienstverlening 6,0 Vacatures in de Zakelijke dienstverlening schijnen de meeste problemen op te leveren (0,8). Ook de Handel scoort relatief laag (1,1). Daarentegen hebben Transporten Communicatie en Overige dienstverlening de hoogste scores (respectievelijk 6,4 en 6,0) en zijn indicatief dat de vacatures in deze bedrijfstakken weinig moeite opleveren. Ook de Financile dienstverlening en de Bouwbedr ijven registreren hoge scores (3,4 en 3,9). Jaargang 8 16

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Persoonlijkhe idskenmerken In het Vacatureonderzoek is de vraag opgenomen over persoonlijkheidskenmerken van de kandidaten. Onderstaande tabel beschrijft welke van deze kenmerken de meeste problemen opleveren. Moeilijk op te vullen vacatures en persoonlijkheidskenmerken Moeilijkheidsgraad Communicatieve vaardigheden 1,5 Talenkennis 1,9 In teamverband kunnen werken 1,8 Zelfstandig kunnen werken 1,9 Motivatie 1,3 Representativiteit 0,8 Kennis van automatisering 1,4 Klantvriendelijkheid 2,5 Overig 1,3 Het grootste gedeeltevan de persoo nlijkheidskenmerken in de tabel scoort om en nabij de 1, met uitzondering van representativiteit Representativiteit scoort het l aagst (0,8). Ook motivatie scoort naar verhouding laag(1,3). Klantvriendelijkheid heeft de hoogste score. De mate waarin persoonlijkheidkenmerken een rol sp elen is erg afhankelijk van het type beroep dat wordt uitgeoefend. Werkervaring Tot slot is in de analyse ook gekeken naar de gevraagde werkervaring. Moeilijk op te vullen vacatures naar wel of geen werkervaringseis Moeilijkheidsgraad Ja 1,3 Nee 3,7 De moeilijkheidsgraad van vacatures die geen werker varing eisen scoort naar verhouding hoog (3,7). Het vinden van kandidaten zonder werkervaring levert dus weinig problemen op. Conclusies Uit de analyse is naar voren gekomen dat lokaal vooral vacatures met hoge opleidingseisen (HBO en hoger) en vacatures voor Managers/Directeuren en ook Supervisors als moeilijk opvulbaar worden beschouwd. Daarnaast blijkt dat vacatures met een economischen administratieve opleidingseis ook moeilijk zijn op te vullen. Ook blijkt dat vacatures waarvoor werkervaringse isen gelden, moeilijk op te vullen zijn. Op het niveau van de persoonlijkheids-kenme rken is naar voren gekomen dat met name representativiteit en enigszins ook motivatie als eisen de meeste moeilijkheden opleveren. Nummer 2 17

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine Gender and Long Term Unemployment in Curaao Sean de Boer Introduction Women in the Caribbean are more likely to be unemployed 1 than men (see table 1). Seguin o (2003) stated that this is despite the fact that womens educational attainment in the region rivals that of men, and in some cases, exceeds mens educational attainment 2 Leana and Feldman 3 conclude that the association between gender and unemployment declined substantially worldwide the past decades. On the other hand, the authors observed a stronger association between age and unemployment. In 2007 the inequality between men and women in Curaao regarding unemployment was 1.4 (see female/male ratio in table 1). Table 1: Unemployment rate by sex Latest year of data available Female % Male % Female/male ratio Aruba 2000 7.4 6.5 1.1 Anguilla 2002 9.5 6.3 1.5 Barbados 2004 10.6 9.0 1.2 Jamaica 2007 14.2 6.9 2.1 Curaao,Neth. Ant. 2007 14.0 9.9 1.4 Trinidad & Tobago 2002 14.5 7.8 1.9 Belize 2002 15.3 7.5 2.0 Source: ILO 2006, CBS Labour Force Survey 2007 The following article will first describe the gender inequa lity by age and education. Based on the findings of the Labour Force Survey it will focus on long term unemployment by exploring gender differences by age, education, the reasons for being unemployed and the wa y of looking for a job. By definition a person is considered to be long term unemployed when this pers on is looking for a job for more than 12 months. 1 A person is considered to be unemployed when this person doesnt work at the moment and this person wants to start working within two weeks or this person is intended to start with own business within two weeks. 2 Seguino, S: Why are women in the Caribbean so much likely than men to be unemployed? University of Vermont, University of West Indies, December 2003. 3 Leana, C. R & D. C. Feldman, Gender differences in responses to unemployment, Journal of Vocational Behavior, V38 NL, February 1991, P.65-77. Jaargang 8 18

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Gender and unemployment Graph 1 illustrates the development between unemploy ed men and women for the island of Curaao since the year 2000. As the gap obviously tightens between 2000 and 2005, a turnaround in this development can be observed between 2005 and 2007. Since 2006 the ga p between men and women seems to widen again. Graph 1 Unemplo y ment rate 0 5 10 15 20 25 20002001200220032004200520062007 Year% Male Female Total The small inequality between men and women regarding the overall unemployment displays significant differences when analyzed by age (See table 2). The inequality between men and women is the largest between 35 and 44 years of age, although for this category the ratio went down from 2.4 in 2006 to 2.0 in 2007. Women in this age category are twice more likely to be unemployed than men. As for the category 55 years and over, the Labour Forc e Survey has registered an unemployment ratio of 2.4 in 2006. In 2007 this inequality is reduced to a small difference of 1.2, due to a decrease in unemployment of women in this age category. Table 2: Unemployment rate by age and sex (%) and gap ratio 2006 2006 2006 2007 2007 2007 Male Female ratio Male Female ratio 15 24 31.5 45.6 1.4 22.3 26.8 1.2 25 34 12.5 16.4 1.3 12.3 17.6 1.4 35 44 8.1 19.2 2.4 7.5 14.2 1.9 45 54 10.0 11.3 1.1 7.8 11.3 1.4 55+ 5.8 13.9 2.4 5.3 6.6 1.2 Total 11.3 17.7 1.6 9.9 14.0 1.4 The overall unemployment between 2006 and 2007 is the largest in the age categories 15 -24 years and 25 34 years and the smallest in the age category 55 years and over. The inequality between unemployed men and wome n displays some interesting developments by educational attainment (See table 3). Nummer 2 19

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Table 3: Unemployment by education and sex (%) and gap ratio 2006 2006 2006 2007 2007 2007 Male Female Ratio Male Female ratio Elementary 10.3 14.7 1.4 17.9 17.0 0.9 Second level first stage 62.4 51.8 0.8 55.9 56.2 1.0 Second level second stage 23.6 29.5 1.3 19.8 22.1 1.1 Third level 3.7 4.0 1.1 6.4 4.7 0.7 Total 100.0 100.0 100.0 100.0 First, both men and women are especially educated on a second level. The majority has attained only the first stage of this level (LBO/VSBO/MAVO). When tr ying to identify the difference between men and women on each level it becomes clear that the differe nces are slight. Women are a little bit better educated than men, except on the third level. Between 2006 and 2007 more men than women are registered with a third level (HBO/WO). Table 4 reveals the unemployment rate by education and sex. Table 4: Unemployment rate by education and sex (%) and gap ratio 2006 2006 2006 2007 2007 2007 Male Female ratio Male Female Ratio Elementary 18.6 28.3 1.5 11.0 21.1 1.9 Second level first stage 14.1 21.8 1.5 13.8 16.4 1.2 Second level second stage 8.6 13.8 1.6 8.1 13.3 1.6 Third level 4.0 6.9 1.7 4.4 6.0 1.4 Total 11.3 17.7 1.6 9.9 14.0 1.4 Between 2006 and 2007, for instance, the gap (ratio) has widened for the unemployed with only an elementary education (from 1.5 to 1.9, meaning twic e the number of women against the number of men), while for the unemployed with a second level first stage (LBO/VSBO, MAVO) and a third level (HBO/WO) the gap has become smaller. It can therefore be concluded that even though wome n in Curaao are slightly better educated than men they are more likely to be unemployed than men. Gender and long term unemployment In 2007 the Labour force Survey registered an unemployment rate of 12 percent. Of this 12 percent almost 53 percent is considered to be long term unemployed. The next section of this article will focus on this particular group Table 5 shows the proportion of long term unemployed men and women by age for the years 2006 and 2007. Between 25 and 54 years of age there are substantially more women unemployed on a long term than men. As for the category 15 -24 years of age the inequality between men and women is relatively small. Table 5: Long term unemployed by age and sex in 2007 (row %) 2006 2007 2006 2007 Male Male Female Female 15 24 53.4 54.9 46.6 45.1 25 34 39.0 46.5 61.0 53.5 35 44 24.6 20.6 75.4 79.4 45 54 46.6 37.9 53.4 62.1 55+ 29.6 61.7 70.4 38.3 Total 36.9 38.7 63.1 61.3 Jaargang 8 20

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Looking at the development between 2006 and 2007 of unemployed men and women on a long term, some shifts by age can be observed. There is, for instance, an increase of the proportion of unemployed men and a decrease of unemployed women for the age category 25 34 years of age. Another noticeable shift can be observed for the age categories 45 54 years of age and 55 years and above: for the age category 45 54 there is a decrease of the proportion of unemployed men and an increa se for unemployed women. For the age category 55 years and above there is a substantial increase in the proportion of men and a substantial decrease for women. A possible explanation for this lies in the fact that older men in Curaao tend to look for work after their retirement and women tend to stop looking for work. An interesting development is the difference of gender by educational attainment (Table 6). Between 2006 and 2007 a decrease in the proportion of long term unemployed men and an increase of long term unemployed women with an elementary level of educat ion can be observed. A different scenario strikes for the unemployed with a second level, first stage educat ion and the unemployed with a third level education. In both cases, the proportion has increased substa ntially for men, and has decreased women. It seems therefore that long term unemployed men with a mi d to high level education are more likely to be unemployed than women with the same level, while th is is the other way around for men and women with an elementary level. Table 6: Long term unemployed by education and sex in 2007 (row %) 2006 2007 2006 2007 Male Male Female Female Elementary 40.3 38.8 59.7 61.2 Second level, first stage 35.8 40.4 64.2 59.6 Second level, second stage 38.5 34.5 61.5 65.5 Third level 23.2 49.4 76.8 50.6 Total 36.9 38.7 63.1 61.3 Table 7 shows the reasons that the respondents ha ve given for being unemployed on a long term. Table 7: reasons for being long term unemployed by gender (%) 2006 2007 2006 2007 Male Male Female Female High demands on the labour market 45.7 52.8 54.3 47.2 Bad economic development 31.5 34.5 68.5 65.5 Problems with my age when applying 34.5 30.7 65.5 69.3 Foreigners are taking the jobs 36.9 19.7 63.1 80.3 There is no work that meets my education 10.2 57.6 89.8 42.4 Minor work experience 58.9 34.2 41.1 65.8 From the table it can be derived that in 2007 the male respondents have indicated the high demand on the labour market and the mismatch between job offer and education as the main reasons for not getting in job. In 2006 the main reason was minor work experience. Women stated the fact that foreigners are taking the jobs as the main reason for being long term unemployed in 2007. In 2006 the main reason was the mismatch between job offer and education. When looking at the cross tabulation between the reas ons for being long term unemployed and educational attainment some striking detail s can be observed (Table 8). Nummer 2 21

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine Table 8: reasons for being long term unemployed by education 2007 (%) Women Elementary Second Level first stage Second Level second stage Third Level High demands on the labour market 5.1 70.1 19.7 5.1 Bad economic development 7.5 74.3 18.2 0.0 Problems with my age when applying 32.6 56.2 11.2 0.0 Foreigners are taking the jobs 12.6 74.9 12.5 0.0 There is no work that meets my education 0.0 74.7 0.0 25.3 Minor work experience 9.5 49.8 40.8 0.0 Men Elementary Second Level first stage Second Level second stage Third Level High demands on the labour market 9.0 79.2 7.6 4.2 Bad economic development 14.7 43.9 41.4 0.0 Problems with my age when applying 25.7 66.7 7.6 0.0 Foreigners are taking the jobs 52.5 47.5 0.0 0.0 There is no work that meets my education 12.6 60.5 14.3 12.6 Minor work experience 23.6 48.2 28.2 0.0 A substantial proportion of men with elementary education think that foreigners are taking the jobs, while a substantial proportion of women in the same category use their age as main reason. A great proportion of men with a second level of education (LBO/VSBO/MAVO, HAVO/VWO/MBO) also attribute their unemployment to bad economic developments, while women in the same education category think of minor work experiences as the main contributing factor for being unemployed on a long term. Finally, long term unemployed women are more likely to react on ads, write an application letter and pay visits to businesses as long term unemployed men do (See table 9). Men, on the other hand, leave the negotiations more often to employment agencies. Table 9: ways of looking for a job by Gender, long term unemployed (%) 2006 2007 2006 2007 Male Male Female Female Reactions on ads 18.7 24.4 81.3 75.6 Application by letter 31.3 30.9 68.7 69.1 Paid visits to businesses 34.7 37.5 65.3 62.5 Via employment agencies 29.3 45.9 70.7 54.1 Friends and relatives 62.8 55.0 37.2 45.0 Jaargang 8 22

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Conclusions In comparison with the latest available data of the Caribbean the differences between men and women regarding the overall unempl oyment in Curaao is on average even though the gap seems to have widened since 2006. Women in mainly the age category 35 44 years of ag e are twice more likely to be unemployed than men. Even though women in Curaao are slightly better educ ated they are more likely to be unemployed than men. As for long term unemployment, there are substant ially more women unemployed than men between 25 and 54 years. For the age category 55 years and above there is a substantial increase in the proportion of men and a substantial decrease for women. A possible explanation for this is that older men in Curaao tend to look for work after their retirement and women tend to stop looking for work. It seems that long term unemployed men with a mi d to a high level education are more likely to be unemployed than women with the same level, while th is is the other way around for men and women with an elementary level. Women stated the fact that foreigners are taking the jobs as the main reason for being long term unemployed in 2007. Men, on the other hand, use the high demands on the labour market and the mismatch between job offer and education as the main reasons for being long term unemployed. When doing the analysis by educational attainment, men with an elementary level are more likely to think that foreigners are taking the jobs, while women in the same category think of their age as main contributing factor for being unemployed. Men with a higher education level (mostly second level) attribute their unemployment to bad economic developments, while women in the same category use minor work experience as reason. Long term unemployed women, finall y, tend to react more often than men on advertisement, to write an application letter or pay visits to businesses, while men would turn to employment agencies to mediate. Nummer 2 23

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine International Tourist Arrivals around the World Glenda Varlack Introduction The year 2007 surpassed the expectations for internat ional tourism with arrivals reaching new record figures close to 900 million. In this article a review of the intern ational tourist arrivals worldwide will be given, with a closer look at the Netherlands Antilles. An international tourist arrival is viewed from the perspective of the country of reference. The international tourist visitors are inbound visitors (non resident visitor making trips to the country of reference). The data will be presented in the form of the share in the total international tourist arrivals of the world, also the change will be reflected between the years 2006 and 2007. Take into account that the results in the table may vary due to rounding effect. Global Overview The international tourist market has grown by an es timated 6 percent in 2007. This represents about 52 million more tourist arrivals than in 2006. The result is more striking because of the different external factors likely impacting negatively the demand, from the continued volatile fuel prices, which affect surcharges by airlines; the exchange rate fluctuations; turbulence in financial markets; security concerns, health issues and acts of God. Regardless of these factors the tourist arrivals has augmented. Figure 1: World Inbound Tourism The estimated 6 percent growth represents a new world record figure of nearly 900 million tourist arrivals. In reality 2007 has been the fourth consecutive year of growth above the long-term forecast of 4.1 percent estimated by the World Tourism Organization. With the exception of 2003 it is observed that international tourist arrivals have steadily been growing. (See figure 1) Source: World Tourism Organization (UNWTO) All the different regions (Europe, Asia and the Pacifi c, Americas, Africa, Middle East) have registered an increase in tourist arrival, with the Middle East leading an estimated 13 percent rise equivalent to more than 46 million international tourist arrivals. Asia and the Pacific have been in the second place (10% increase to 185 million) and are emerging as a strong tourism destinations, trailed by Africa with an increase of about 8 percent which is more than 44 million. The Americas, which has the third largest share in the world tourism arrivals (15.8%), recovered ground by doubling its growth rate of 2 percent in 2006 with about 5 percent. This percentage is comparable to 142 million arrivals in 2007. Tourism arrivals in the European region have increased with about 4 percent to reach 480 million. Jaargang 8 24

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Growth by (Sub) Region The additional estimated 52 million arrivals around the world for 2007, compared with 2006 is divided between Europe with about 19 million, Asia and the Pacific 17 million, 6 million for the Americas, 5 million arrivals for the Middle East and 3 mill ion for the continent of Africa. (See pie chart) The figures also have illustra ted that Europe covers the largest share (53.5%) in international arrivals of which the sub region the Southern/Mediterranean Europe shows an increase of 19.6 percent. Asia and the Pacific are the second largest share holders in arrivals wi th approximately 21 percent with North-East Asia showing greater perspectives (11.6%). For the Amer icas a share of 15.8 percent is observed, which positions this region on the third place, its sub regi on of North America is the most visited with 10.6 percent. The Middle East and Africa follows resp ectively with 5.2 percent and 4.9 percent. Table 1: International Tourist Arrivals by (Sub)region Full year Share Change 2005 2006 2007* 2007* 2006/2005 2007*/2006 (million) % % World 806.0 846.0 898.0 100.0 5.4 6.1 Europe 441.0 460.8 480.1 53.5 5.0 4.2 Northern Europe 52.9 54.9 56.0 6.2 7.6 2.0 Western Europe 142.6 149.8 155.0 17.3 5.0 3.5 Central/Eastern Eu. 87.1 91.3 92.8 10.3 4.0 1.7 Southern/Mediterran. Eu. 158.4 164.8 176.3 19.6 4.7 7.0 Asia & the Pacific 155.4 167.8 184.9 20.6 8.0 10.2 North-East Asia 87.6 94.3 104.2 11.6 7.8 10.5 South-East Asia 49.3 54.0 60.4 6.7 9.5 11.8 Oceania 10.5 10.5 10.7 1.2 0.4 1.4 South Asia 8.0 9.0 9.7 1.1 11.9 7.8 Americas 133.5 135.7 142.1 15.8 1.9 4.7 North America 89.9 90.7 95.0 10.6 0.9 4.7 Caribbean 18.9 19.4 19.3 2.1 3.4 -0.9 Central America 6.5 6.9 7.7 0.9 10.4 11.1 South America 18.3 18.7 20.2 2.2 2.4 8.1 Africa 37.3 40.9 44.2 4.9 9.9 7.9 North Africa 13.9 15.1 16.4 1.8 8.4 8.5 Sub-Saharan Africa 23.4 25.9 27.8 3.1 10.8 7.5 Middle East 39.2 41.0 46.4 5.2 7.8 13.4 Tourism Organization (UNWTO) as collected by UNWTO January 2008 Nummer 2 25

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Developments in the Caribbean and Netherlands Antilles For the Americas a glance at the Caribbean and at the islands of the Netherlands Antilles in particular is observed. According to these estimated data the Caribbean has a share of 2.1 percent in the growth of 52 million arrivals, but in comparison to 2006 its international arrivals have declined with about 1 percent. The overview for the islands will vary according to the availability of the data for 2007. Contrary to the development in the Caribbean in general the islands of the Netherlands Antilles have experienced a growth in 2007. Curaao for instance has experienced an enormous growth of 28 percent in tourist arrivals compared to 2006 (5.5%). This is primarily due to the South American tourist market which more than doubled its growth. Source: Curaao Tourist B oard St. Maarten has recorded a slight decline in its tourist arrivals of about 0.3 percent; this is mainly due to the set back in all of the tourist markets with the exception of the North American which has increased with 3.5 percent. Source: Island Government of St. Maarten Tourist Office Data presented is from January through September 2006/2007 Saba, the smallest island of the Netherlands Antilles has noted a slight improvement of 0.5 percent in its first three quarters in 2007. The growth is excluding the day trippers that visit the island. The international tourist arrivals are mostly from North America and the Rest of the World. Source: Central Bank of the Neth.Ant, Statistical Table 10.6. Stay-over tourism Saba. Data presented is from January through September 2006/2007 Jaargang 8 26

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine The island of St.Eustatius has observed an increase of nearly 22 percent in its international tourist arrivals, which is equivalent to 11568 tourists. The most significant growth is from the European region which has increa sed from 4782 tourist arrivals to 5893. S ource: St.Eustatius Tourism Development Foundation The tourism industry in Bonaire recorded 13.9 percent improvement over the first half year of 2007 in comparison to the same period of the year before in all the tourist regions. This is a positive note after a decline of abou t 5 percent in the first 2 quarters in 2006. Source: Central Bank of the Neth.Ant, Statistical Table 10.3 Stay-over tourism Bonaire Data presented is of January through June 2007. Conclusion The international tourist arrivals in 2007 around the world show that growth was remarkably steady through the year. The result is more striking becaus e of the different external factors likely impacting negatively the demand, from the continued volatile fuel prices, which affect surcharges by airlines; the exchange rate fluctuations; turbulence in financ ial markets; security concerns, health issues and acts of God. Regardless of these factor s the tourist arrivals has augmented. For the islands of the Netherlands Antilles an increa se in arrivals also may translate in economic growth for the islands. It also means that they continually have to invest sufficient funds in these markets to maintain a steady development although it is never a guarantee due to external factors. In 2007 according to the timeframe of the data presented, all the islands of the Netherlands Antilles have recorded an improvement with the exception of St. Maarten. Nummer 2 27

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine Ontwikkeling van het aantal bedrijven en de werkgelegenheid in het micro-, kleinen middenbedrijf in Curaao Ria Duyndam Inleiding De ontwikkeling van het micro, kleinen middenbedrijf in Curaao staat de afgelopen 2 3 jaar in de belangstelling, gezien de veelheid van verzoeken die het Centraal Bureau voor de Statistiek met grote regelmaat ontvangt ten aanzien van dit onderwerp. Deze belangstellin g is te verklaren uit het feit dat duurzame economische ontwikkeling hoog op de agenda staat van diverse instanties die belast zijn met het economisch beleid en het micro-, kleinen middenbed rijf wordt gezien als een belangrijk onderdeel van de economie. Er is vooral vraag naar het belang van het micro-, kleinen middenbedrijf in de totale economie van Curaao, de groei van het aantal bedrijven en de ontwikkeling van de werkgelegenheid hierin. In dit artikel zal een beschrijving worden gegeven van het aantal bedrijven en van de werkgelegenheid in het micro-, kleinen middenbedrijf in 1993, 1998 en 2006. Tevens zal kort worden ingegaan op de ontwikkeling in het aandeel van de bedrijven en werkenden in de periode onder beschouwing. Methodologie Om de ontwikkeling van de bedrijvigheid en de werkgelegenheid te onderzoeken in de micro-, kleine-, en middenbedrijven is gebruik gemaakt va n het bedrijvenregister van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dit register is voor wat betreft de jaren 1993 en 1998 gebaseerd op de in die jaren gehouden bedrijventellingen. Na 1998 is besloten om het bedrijvenregister te actualiseren op basis van de administratieve databestanden van de Sociale Verzekeringsbank en de Kamer van Koophandel. In het bestand van de Sociale Verzekeringsbank bevinden zich alle werkge vers die premie afdragen voor hun personeel. In het bestand van de Kamer van Koophandel word en bedrijven ingeschreven die zich komen aanmelden. De eerste implementatie van het bedrijvenregister, dat op basis van de administratieve databestanden is bijgewerkt, heeft plaatsgevonden in 2006. De update bestaat dus uit de bedrijven die geteld zijn in 1998, met een aanvulling uit de administratieve databestanden. Daarnaast worden jaarlijks bedrijven Jaargang 8 28

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine verwijderd uit het register die als gesloten zijn aangetroffen bij de jaarlijks gehouden Nationale Rekeningen enqute. Vanwege het feit dat een bedrijventelling niet te vergelijken is met een update van het register op basis van administratieve databestanden zal de beschrijving van het aantal bedrijven en de werkgelegenheid hierin hoofdzakelijk op relatieve basis plaatsvinden. Definities De volgende definities voor het micro-, klein-, middenen grootbedrijf worden gehanteerd sinds de bedrijventelling van 1998. In het artikel zelf is voor de vergelijkbaarheid tussen de verschillende jaren de omzetdimensie buiten beschouwing gelaten, aang ezien dit gegeven niet voorkomt in de genoemde administratieve databestanden. Microbedrijf : dit zijn bedrijven met minder dan 5 personen in loondienst en een omzet van minder dan een half miljoen NAf. Kleinbedrijf : dit zijn bedrijven met minder dan 10 personen in loondienst en een omzet van minder dan een half miljoen NAf. Het microbedrijf vormt een onderdeel van het kleinbedrijf. Middenbedrijf : dit zijn bedrijven met tussen de 10 en 50 personen in loondienst of een omzet van tussen de half miljoen Nafl. en 5 miljoen NAf. Grote bedrijven : dit zijn bedrijven met 50 of meer person en in loondienst en een omzet vanaf 5 miljoen NAf. Bedrijventelling (Business Census): het tellen van het aantal bedrijven om een inzicht te krijgen in de structuur van het bedrijfsleven en de ontwikkeling hiervan. Nationale Rekeningen enqute : een verplichte jaarlijkse enqute waarbij financile gegevens van bedrijven worden gevraagd. Bedrijf : een bedrijf is een organisatie die goederen en/of diensten produceert. Om volgens de CBSdefinitie als bedrijf te worden aangemerkt is vereis t dat ten minste n persoon voor 15 uur per week werkzaam is in deze organisatie. Nummer 2 29

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine Aantal en aandeel bedrijven naar klassengrootte In tabel 1 zijn de absolute en relatieve verdelingen van het totaal aantal be drijven onderverdeeld naar micro-, klein-, middenen grootbedrijf aangegeven. Het microbedrijf neemt in alle jaren het grootste aandeel voor zijn rekening (gemiddeld bijna 69%), gevolgd door het kleinbedrijf (gemiddeld ruim 15%). Tabel 1 Aantal en aandeel bedrijven naar klassengrootte 1993 2006 Absoluut Relatief (%) Klasse 1993 1998 2006 1993 1998 2006 Micro 2.624 2.902 4.627 65,8 67,4 73,0 Klein 640 654 946 16,1 15,2 14,9 Midden 592 600 615 14,9 13,9 9,7 Groot 129 147 150 3,2 3,4 2,4 Totaal 3.985 4.303 6.338 100,0 100,0 100,0 In 1993 zijn 3.985 bedrijven geteld. Het microbedri jf neemt het grootste aandeel voor zijn rekening (bijna 66%), gevolgd door het kleinbedrijf (ongeveer 16%). Na de bedrijventelling in 1998 bestaat het bedr ijvenbestand uit 4,303 bedrijven. Voor de vergelijkbaarheid met 1993 en 2006 wordt alleen ge keken naar de verdeling op basis van het aantal werkenden en is de omzetdimensie buiten beschouwing gelaten 1 Van de 4,303 bedrijven in 1998 valt bijna 67,5 procent onder het microbedrijf, ruim 15 procent onder het kleinbedrijf, en bijna 15 procent onder het middenbedrijf. Het aantal bedrijven in het register van het Centraal Bureau voor de Statistiek is na de update van 2006 aanzienlijk meer dan na de 2 bedrijventellingen van 1993 en 1998. Dit kan te maken hebben met het feit dat in 1993 en 1998 alleen zichtbare activiteit is geteld, terwijl in de administratieve databestanden ook bedrijven staan ingeschreven die niet als zodanig te herkennen zijn, zoals b.v. kleine administratiekanto ren of kleine aannemers. Evenals de overige meetmomenten 1993 en 1998 zijn de meeste bedrijven (73%) in 2006 microbedrijven. De aandelen van de kleine en middenbedrijven zijn gelijk aan resp. 14,9 en 9,7 procent. 1 Zie hoofdstuk Definities Jaargang 8 30

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Aandeel bedrijven naar klassengrootte en bedrijfstak In 1993 komt bijna 39 procent van alle bedrijven in de Grooten kleinhandel voor, waarvan het grootste deel (ruim 25,5%) onder he t microbedrijf valt, ruim 6 procen t onder het kleinbedrijf, en bijna 6 procent onder het middenbedrijf (tabel 2). Horeca neemt ook een belangrijke plaats in met bijn a 20 procent van het aant al bedrijven, waarvan ruim 15 procent minder dan 5 werkenden heeft. Bijna 3 procent van de bedrijven in deze bedrijfstak is kleinbedrijf en 1,5 procent middenbedrijf. In de bedrijfstak Overige dienstverlening bevindt zich 10 procent van het aantal bedrijven, waarvan het grootste deel (ruim 7%) microbedrijf is. In de overige bedrijfstakken zijn, relatief gezien, beduidend minder micro-, kleinof middenbedrijven. Tabel 2 Relatief aandeel bedrijven naar klassengrootte en bedrijfstak 1993 2006 (%) Micro Klein Midden Groot Totaal 1993 1998 2006 1993 1998 2006 1993 1998 2006 1993 1998 2006 1993 1998 2006 Landbouw, veeteelt en mijnbouw 1,5 1,5 0,9 0,2 0,2 0,1 0,0 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 1,7 1,8 1,1 Industrie en Nutsbedrijven 3,5 4,0 2,9 1,4 0,8 0,7 1,9 1,6 0,8 0,6 0,4 0,2 7,4 6,9 4,6 Bouwnijverheid 1,0 2,7 5,9 0,4 0,8 1,1 0,8 1,1 0,9 0,4 0,3 0,1 2,6 4,9 8,0 Grooten Kleinhandel 25,6 22,1 19,0 6,3 5,3 5,0 5,9 4,5 3,0 0,8 0,7 0,4 38,6 32,7 27,4 Horeca 15,2 11,7 9,6 2,8 1,9 1,7 1,5 0,9 0,6 0,2 0,3 0, 2 19,7 14,8 12,1 Transport en Communicatie 1,0 1,7 3,0 0,5 0,7 0,9 0,7 0,9 0,6 0,2 0,3 0,2 2,4 3,5 4,7 Financile Dienstverlening 2,0 3,9 4,7 0,7 0,9 0,8 0,8 1,0 0,9 0,2 0,3 0,3 3,7 6,1 6,7 Zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs 4,6 8,4 14,9 1,7 2,2 2,3 1,6 2,1 1,7 0,2 0,5 0,5 8,1 13,2 19,4 Medischeen sociale Dienstverlening 4,2 4,6 5,4 0,8 0,9 1,0 0,6 0,6 0,4 0,2 0,3 0,3 5,8 6,3 7,1 Overige dienstverlening 7,2 6,8 6,7 1.3 1,5 1,3 1,1 1,1 0,7 0,4 0,3 0,2 10,0 9,8 8,9 65,8 67,4 73,0 16,1 15,2 14,9 14,9 13,9 9,7 3,2 3,4 2,4 100,0 100,0 100,0 In 1998 bevindt zich in vergelijking met 1993 een iets lager percentage van de bedrijven in Grooten kleinhandel (33%), waarvan ruim 22 procent in het microbedrijf voorkomt, ruim 5 procent in het kleinbedrijf en 4 procent in het middenbedrijf. Ook het aandeel van bedrijven in de Horeca is mind er dan in 1993, n.l. 15 procent, met het grootste gedeelte in het microbedrijf (bijna 12%). Het aandeel van de micro-, kleinen middenbedrijv en in Zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs is daarentegen sterk toegenomen in vergel ijking met 1993. In deze bedrijfstak bevindt zich nu ruim 13 procent van de bedrijven, een toename van 5,5 procent ten opzichte van 1993. Ruim 8 procent hiervan is microbedrijf, en ruim 2 proc ent zowel kleinbedrijf als middenbedrijf. Nummer 2 31

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine Ook in 2006 bevinden zich de meeste bedrijven in de Grooten kleinhandel (ruim 27,5%), hoewel het aandeel wederom is gedaald. Microen kleinbedrijf is het meest vertegenwoordigd in deze bedrijfstak met 24 procent (19% microbedrijf en 5% kleinbedrij f). Het middenbedrijf heeft een aandeel van bijna 3 procent in deze bedrijfstak. Zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs neemt nu de 2 e plaats in met ruim 19 procent van de be drijven, waarvan bijna 15 procent in het microbedrijf en ongeveer 2 procent in zowel kleinals middenbedrijf. Het aandeel bedrijven in de Horeca is gedaald naar 12 procent waarvan bijna 10 procent zich in het microbedrijf bevindt en ruim 1, 5 procent in het kleinbedrijf. Ontwikkeling in het aandeel bedrijven Het aandeel van het microbedrijf is in 1998 met ru im 1,5 procentpunten toegenomen t.o.v. 1993, maar daarentegen is het aandeel van he t kleinbedrijf met bijna 1 procentpunt afgenomen. Ook het aandeel van het middenbedrijf laat een da ling zien van 1 procentpunt. Het totale micro-, kleinen middenbedrijf kent een afname van 0, 2 procent ten opzichte van 1993. In 2006 is het aandeel van de microbedrijven met ruim 5,5 procentpunten gestegen. Het aandeel van het kleinbedrijf laat daarentegen een verdere afna me zien en bedraagt nu bijna 15 procent. Het aandeel van het middenbedrijf is gedaald tot ruim 9,5 procent, terwij l dit aandeel in 1993 nog bijna 15 procent bedroeg en in 1998 bijna 14 procent. Het totale micro-, kleinen middenbedrijf ke nt een toename van 1 procent t.o.v. 1998. Het aantal en aandeel werkenden naar klassengrootte In tabel 3 is de absolute en relatieve verdeling gegeven van de werkenden in het micro-, klein-, middenen grootbedrijf voor de jaren 1993, 1998 en 2006. Tabel 3 Aantal en aandeel van de werkgelegenheid naar klassengrootte 1993 2006 Absoluut Relatief (%) Klasse 1993 1998 2006 1993 1998 2006 Micro 7.448 5.789 7.078 18,2 13,8 14,9 Klein 4.031 4.432 6.171 9,9 10,5 13,0 Midden 12.543 11.942 13.152 30,7 28,4 27,7 Groot 16.837 19.933 21.006 41,2 47,4 44,3 Totaal 40.859 42.096 47.407 100,0 100,0 100,0 In 1993 komt bijna 59 procent van de werkenden in het micro-, kleinen middenbedrijf voor. Hiervan werken de meeste mensen in het middenbedrijf, bijn a 31 procent, ondanks dat slechts 15 procent van de bedrijven als middenbedrijf wordt geclassificeer d (zie tabel 1). Het microbedrijf dat bijna 66 procent van het aantal bedrijven vertegenwoordigt (tabel 1) heeft slechts 18 procent van de werkenden. Het grootste aantal werkenden bevindt zich in de grote bedrijven, n.l. 41 procent van het totaal, terwijl het aandeel grote bedrijven ongeveer 3 procent bedraagt. Jaargang 8 32

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine In 2006 bevindt bijna 56 procent van de werken den zich in het micro-, klein en middenbedrijf. Werkenden naar klassengrootte en bedrijfstak In tabel 4 is te zien dat in 1993 de meeste we rkenden in de Grooten kleinhandel voorkomen (ruim 26%), waarvan ruim 11 procent in het middenbedrijf werkzaam is. Van het microbedrijf werkt bijna 7 procent van de werkenden in deze bedrijfstak en ruim 4 procent van het kleinbedrijf. De tweede grootste bedrijfstak voor de werkgelegenh eid wordt gevormd door Industrie en nut. In deze gecombineerde bedrijfstak bevindt zich ruim 18 procent van de werkenden, waarvan 4 procent uit het middenbedrijf afkomstig is. De meeste werk enden in Industrie en nut komen voor in de grote bedrijven (bijna 12,5%). Horeca is met 11,5 procent de derde grootste bedrijfstak met bijna 8 procent van de werkenden in het micro-, kleinen middenbedrijf (3 ,5% in het microbedrijf, 1,5% in het kleinbedrijf en 3% in het middenbedrijf). Voor het micro-, kleinen middenb edrijf is verder van belang de Zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs (5,5%) en de Overige dienstverlening (bijna 6%). Tabel 4 Relatief aandeel van de werkgelegenheid naar klassengrootte en bedrijfstak 1993 2006 (%) Micro Klein Midden Groot Totaal 1993 1998 2006 1993 1998 2006 1993 1998 2006 1993 1998 2006 1993 1998 2006 Landbouw, veeteelt en mijnbouw 0,4 0,4 0,2 0,0 0,2 0,1 0,1 0,0 0,3 0,4 0,3 0,1 0,9 0,9 0,8 Industrie en nutsbedrijven 0,9 0,8 0,6 0,8 0,6 0,7 4,0 3,3 2,5 12,4 7,7 5,6 18,1 12,5 9,3 Bouwnijverheid 0,3 0,5 0,9 0,2 0,6 1,0 2,0 2,3 2,4 3,3 2,8 1,6 5,8 6,2 5,8 Grooten kleinhandel 6,9 4,7 4,4 4,2 3,8 4,4 11,2 9,3 8,2 3,9 6,0 5,4 26,3 23,8 22,3 Horeca 3,4 2,6 2,3 1, 5 1,2 1,4 2,7 1,6 1,9 3,8 4,5 3, 9 11,5 9,9 9,5 Transport en communicatie 0,3 0,4 0,6 0,4 0,4 0,7 1,5 1,4 1,8 4,8 5,4 3,2 7,0 7,6 6,4 Financile dienstverlening 0,5 0,7 0,9 0,4 0,6 0,7 2,4 2,3 2,7 3,1 6,3 7,0 6,4 10,0 11,3 Zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs 1,3 1,5 2,6 1,0 1,5 2,0 3,1 4,4 4,9 2,3 5,3 7,6 7,8 12,7 17,2 Medischeen sociale dienstverlening 1,1 1,0 1,3 0,5 0,6 0,8 1,6 1,1 1,2 5,3 5,7 6,9 8,6 8,4 10,2 Overige dienstverlening 2,9 1,2 1,3 0,8 1,9 1,0 2,0 2,6 1,8 1,8 3,4 3,1 7,5 8,2 7,2 18,2 13,8 14,9 9,9 10,5 13,0 30,7 28,4 27,7 41,2 47,4 44,3 100.0 100.0 100.0 In 1998 komen ook de meeste werkenden voor in de Grooten kleinhandel (bijna 24% tegenover ruim 26% in 1993), waarvan ruim 9 procent in het middenbedrijf, bijna 5 procent in het microbedrijf en bijna 4 procent in het kleinbedrijf. Zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs heeft ruim 12,5 procent van het aantal werkenden. Zowel microals kleinbedrijf kent nu een aandeel van 1,5 procent, hetgeen niet veel verschilt met 1993. Middenbedrijf heeft nu bijna 4, 5 procent van de werkenden in deze bedrijfstak, tegenover ruim 3 procent in 1993. Nummer 2 33

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine In Industrie en nutsbedrijven en Financile dienstverlening is de werkgelegenheid respectievelijk 12,5 en 10 procent, maar de werkenden bevinden zich hoofdzakelijk in de grote bedrijven (respectievelijk 8 en 6 procent). Evenals in 1993 en 1998 zijn ook in 2006 de meeste werkenden te vinden in de grooten kleinhandel (22%), waarvan zowel in microals in kleinbedrijf 4 procent en in het middenbedrijf 8 procent (tabel 12). De tweede grootste werkgever blijft ook nu de zake lijke dienstverlening en particulier onderwijs met 17 procent van het aantal werkenden. Hiervan bevi ndt zich bijna 3 procent in het microbedrijf, 2 procent in het kleinbedrijf en 5 procent in het middenbedrijf. Financile en medische dienstverlening vormen resp. de derde en vierde grootste werkgever met 11 en 10 procent, maar de werkenden bevinden zich ho ofdzakelijk in de grote bedrijven (7% voor beide bedrijfstakken). Horeca blijft een belangrijke werkgever voor het mi cro-, kleinen middenbedrijf, met in microen middenbedrijf ruim 2 procent van de werkenden en in het kleinbedrijf bijna 1,5 procent. Ontwikkeling van het aandeel werkenden Het middenbedrijf heeft de meeste werkenden van he t micro-, kleinen middenbedrijf, hoewel het relatieve aandeel op het totale aantal werkenden een dalende lijn vertoont vanaf 1993 (tabel 3). Daarentegen is het aandeel werkenden in het klei nbedrijf aan het stijgen sinds 1993, ondanks een relatieve afname van het aantal bedrijven met tu ssen de 5 en 10 werkenden. De totale relatieve werkgelegenheid in het micro-, kleinen middenbed rijf ligt in de periode gemiddeld rond de 55 procent. Het aandeel van het microbedrijf is in 1998 met bi jna 4,5 procentpunten afgenomen t.o.v. 1993, maar daarentegen is het aandeel van he t kleinbedrijf met bijna 1 procentpunt toegenomen. Ook het aandeel van het middenbedrijf laat een daling zien van ruim 2 procentpunten. In 2006 is het aandeel van de microbedrijven met ruim 1 procentpunt gestegen. Het aandeel van het kleinbedrijf laat ook een stijging zien en bedraa gt nu 13 procent. Het aa ndeel van het middenbedrijf is gedaald tot ruim 27,5 procent. Jaargang 8 34