Citation
Modus Jaargang 8 Nummer 3

Material Information

Title:
Modus Jaargang 8 Nummer 3

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redaction eel ................................................... iii Inkomsten en uitgaven van de eilandsoverheid Curaao en de landsoverheid Nederland se Antillen ............................................................ 1 Income development in Sint Ma arten ........... 7 Anal y se pr ijsontw i kk elinge n 2007 ................ 10 Developm ents in the production activities for Curaao in 2007 ........................................ 14 Berekenin gen van de armoedegrens voo r Curaao ........................................................... 19 Internationale econ o mische ontw i kkelingen in 2007 en 2008 ............................................... 26 Numm er 3 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 8 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, De internationale financile crisis laat wereldwijd zijn sporen na, waarbij met name groeivertragingen zijn opgetreden in het laatste kwartaal van 2008, en de vooruitzichten voor 2009 door het IMF wereldwijd neerwaarts zijn bijgesteld. Voor de ontwikkelde landen wordt zelfs een contractie verwacht, en voor de landen in ontwikkeling een verminderde groei. Het vertrouwen van consumenten en producenten is laag, en de onzekerheid over de toekomst is nadelig voor het ondernemersklimaat. Hoewel het nationale bankwezen relatief veilig wordt geacht is het te verwachten dat de internationale recessie haar sporen ook zal nalaten op het groeipotentieel van de nationale economie door vraaguitval. Met name de aan de toeristische sector verwante bedrijfstakken kunnen hierdoor problemen ondervinden. Recente indicatoren wijzen al in die richting. Verminderde economische groei zal van invloed zijn op de inkomsten van de overheid. In 2007 wisten de Eilandoverheid Curaao en de Landsoverheid meer dan 86 miljoen gulden extra aan indirecte belastingen (invoerrechten, accijnzen en omzetbelasting) te innen, een duidelijk teken van verhoogde economische activiteit.Een belangrijk deel van die extra inkomsten moest worden aangewend voor verhoogde rentebetalingen. Beide overheden betaalden in dat jaar ruim 316 miljoen gulden rente aan binnenlandse schuldeisers, een toename van 36 miljoen. Met de met Nederland overeengekomen schuldsanering zal de financile huishouding van de overheid ruimte krijgen om tegenvallers op te kunnen vangen, en om haar beleid op belangrijke punten te intensiveren. Een belangrijk beleidsterrein is armoedebestrijding. Met het recentelijk beschikbaar komen van armoedegrenzen voor Curaao en binnenkort ook voor Sint Maarten en de andere eilanden wordt duidelijkheid geschapen welke huishoudens onder de armoedegrens vallen en kan gericht beleid worden uitgevoerd om deze huishoudens te helpen. Met behulp van bestaande gegevens en met het uitvoeren van dieper onderzoek onder de arme huishoudens kunnen armoedeprofielen worden opgesteld die inzicht bieden in de aard en de omvang van de armoede en de achtergrondvariabelen die daar een rol bij spelen. Op grond daarvan kan het beleid worden aangescherpt voor de onmiddellijke hulpverlening (poverty alleviation) en voor het creren van voorwaarden voor ontwikkelingen op langere termijn. Wat dit laatste betreft valt te denken aan gericht beleid op het gebied van de arbeidsmarkt, educatie, huisvesting en wijkvoorzieningen. Het achterblijven van de economische ontwikkelingen betekent een extra risico voor de realisering van de doelstellingen. Actuele statistische data voor monitoring van ontwikkelingen en bijsturing van bele id zijn daarmee ook extra belangrijk geworden. Colofon Uitgave : Centraal Bureau voor de Statistiek Redactie: Francis Vierbergen Maureen Bergwijn-Blokland Mike Jacobs Maria Duyndam Harely Martina Ostrid Girigori Adres: Fort Amsterdam, Willemstad, Curaao, Nederlandse Antillen. Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 E-mail: info@cbs.an Website: www.cbs.an Auteursrechten: Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Abonnementen: Modus verschijnt vier maal per jaar. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= Nummer 3 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine iv Jaargang 8

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Inkomsten en uitgaven van de eilandsoverheid Curaao en de landsoverheid Nederlandse Antillen in 2007 Joyce Mahabali Inleiding In dit artikel worden de inkomsten en uitgaven van de eilandsoverheid van Curaao en de landsoverheid van de Nederlandse Antillen over 2007 beschr even en geanalyseerd. Het gaat hier om een vergelijking met het jaar 2006. In tabel 1 worden de cijfers van de eilandsoverheid Curaao gepresenteerd en in tabel 2 de cijfers van de landsoverheid Nederlandse Antillen. Voor de jaren waarvoor er geen rea lisatie cijfers beschikbaar waren, zijn voorlopige cijfers gebruikt. Na de beschrijving van de ontwikkelingen volgt een toelichtin g op de posten die gehanteerd zijn in de tabellen. Ontwikkelingen Eilandsoverheid Curaao In 2007 zijn de inkomsten toegenomen met 5,5 procent van 896,2 miljoen naar 945,2 miljoen. Van de inkomsten is 46 procent afkomstig van de directe belastingen betaald door gezinnen. Deze zijn toegenomen met 3,2 procent van 420,6 miljoen naar 433,8 miljoen. De directe belastingen betaald door bedrijven zijn toegenomen van 161,8 miljoen naar 172,6 miljoen. Dat is een stijging van 6,7 procent. De indirecte belastingen van bedrijven zijn eveneens toegenomen en wel met 43,6 procent. De inkomensoverdrachten om niet van het buitenland zijn toegenomen met 36,0 miljoen, een stijging van 67 procent. De overige inkomsten van bedrijven zijn toegenomen met 1,0 miljoen. Tot de overige inkomsten van bedrijven behoren voor een groot deel dividenden van overheid N.V.s en voor een klein deel verkoop van kapitaalgoederen. De uitgaven zijn in 2007 gestegen van 914,9 miljoen naar 941,9 miljoen. Deze toename wordt voornamelijk toegeschreven aan de stijging van de binnenlandse rentebetalingen met 9,4 procent en de stijging van levering van goederen en diensten door bedrijven met 6,7 procent. De loonsom van de overheid is toegenomen met 3,2 procent. Indien de totale inkomsten vergeleken worden met de totale uitgaven, dan is er een tekort van 18,7 miljoen voor 2006 en een overschot van 3,3 miljoen voor 2007. Doordat de inkomsten sneller zijn toegenomen dan de uitgaven, is het tekort in 2007 weggewerkt. Nummer 3 1

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine Tabel 1. Inkomsten en uitgaven van de Eilandsoverheid Curaao 2006 2007 Mutatie 2006-2007 Waarde Waarde absoluut relatief mln NAF % Inkomsten Directe belastingen van gezinnen 420.6 433.8 13.3 3.2 Directe belastingen van bedrijven 161.8 172.6 10.8 6.7 Inkomensoverdrachten om niet van buitenland 53.7 89.7 36.0 67.0 Indirecte belastingen van bedrijven 52.4 75.2 22.8 43.6 Overige inkomsten van bedrijven 4.9 5.9 1.0 20.0 Inkomensoverdrachten om niet van gezinnen 19.2 18.6 -0.6 -3.2 Goederen en diensten aan gezinnen en bedrijven 4.2 3.9 -0.3 -6.6 Schenkingen 179.5 145.4 -34.1 -19.0 Totale inkomsten 896.2 945.2 48.9 5.5 Uitgaven Loonsom overheid 265.6 274.0 8.4 3.2 Goederen en diensten door bedrijven 298.6 318.7 20.1 6.7 Binnenlandse rentebetalingen 126.9 138.8 11.9 9.4 Rente van overheid aan buitenland 9.5 9.0 -0.5 -4.9 Prijsverlagende subsidies 44.4 44.0 -0.4 -1.0 Inkomensoverdrachten om niet aan land 25.0 20.0 -5.0 -20.0 Inkomensoverdrachten om niet aan gezinnen 136.7 129.8 -6.9 -5.1 Bruto investeringen 8.2 7.6 -0.6 -7.4 Totale uitgaven 914.9 941.9 27.0 3.0 Bron: Bank van de Nederlandse Antillen, Financin Eilandgebied Curaao Landsoverheid Nederlandse Antillen In 2007 zijn de inkomsten gestegen en wel van 749, 1 miljoen naar 826,5 miljoen. Deze zijn toegenomen van 645,5 miljoen in 2006 naar 709,4 miljoen in 2007. Deze toename wordt voor een groot deel veroorzaakt door de stijging van de indirecte belastingen van bedrijven. Verder zijn toegenomen overige inkomsten van bedrijven met 9,4 miljoen, schenkingen met 3,8 miljoen en inkomensoverdrachten om niet van gezinnen met 3,3 miljoen. De kapitaaloverdrachten om niet van gezinnen zijn met 2,5 miljoen afgenomen. Tevens zijn de goederen en diensten aan gezinnen en bedrijven met 0,5 miljoen afgenomen. De uitgaven zijn toegenomen met 10,9 procent van 79 0,5 miljoen in 2006 naar 876,5 miljoen in 2007. De posten die voor een groot deel de uitgaven bepalen zijn de lonen en sociale lasten, de inkomensoverdrachten om niet aan eilandgebieden en de binnenlandse rentebetalingen. De inkomensoverdrachten om niet aan eilandgebi eden zijn toegenomen met 16,5 procent, de binnenlandse rentebetalingen met 16 procent en de lone n en sociale lasten met 16,7 miljoen of te wel 5,7 procent, Afgenomen zijn goederen en diensten door bedrijve n de rente van overheid aan buitenland en bruto investeringen. Jaargang 8 2

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Bij vergelijking van de totale uitgaven met de totale inkomsten blijkt er een tekort te zijn van 41,4 miljoen voor 2006 en 50,0 miljoen voor 2007. Di t wil zeggen dat het tekort in 2007 verder is toegenomen. Deze zal via andere financieringsbronnen gedekt moeten worden. Tabel 2. Inkomsten en uitgaven van de Landsoverheid Nederlandse Antillen 2006* 2007* Mutatie 2006-2007 Waarde Waarde absoluut relatief mln NAF % Inkomsten Kapitaaloverdrachten om niet van gezinnen 3.8 1.3 -2.5 -65.8 Indirecte belastingen van bedrijven 645.5 709.4 63.9 9.9 Overige inkomsten van bedrijven 68.5 77.9 9.4 13.7 Inkomensoverdrachten om niet van gezinnen 13.2 16.5 3.3 25.0 Goederen en diensten aan gezinnen en bedrijven 1.8 1.3 -0.5 -27.8 Schenkingen 16.3 20.1 3.8 23.3 Totale inkomsten 749.1 826.5 77.4 10.3 Uitgaven Loonsom overheid 295.5 312.2 16.7 5.7 Goederen en diensten door bedrijven 117.7 105.7 -12.0 -10.2 Binnenlandse rentebetalingen 153.1 177.6 24.5 16.0 Rente van overheid aan buitenland -6.1 -6.5 -0.4 6.6 Inkomensoverdrachten om niet aan eilandgebieden 188.6 219.8 31.2 16.5 Inkomensoverdrachten om niet aan gezinnen 39.5 40.8 1.3 3.3 Bruto investeringen 19.8 13.9 -5.9 -29.8 Netto leningen -17.6 0.0 17.6 -100.0 Totale uitgaven 790.5 863.5 73.0 9.2 *) Cijfers zijn schattingen Toelichting op de posten in de tabellen 1. Directe belast ingen van gezinnen Directe belastingen worden geheven op het inkomen en vermogen van bedrijven en gezinshuishoudingen. Deze belastingen worden zo als de naam reeds aangeeft rechtstreeks op het inkomen van de verschuldigde geheven. De dire cte belastingen van gezi nshuishoudingen omvatten de inkomsten-, loonen motorrijtuigenbelasting. De motorrijtuigenbelasting wordt voor het gedeelte dat betaald is door bedrijven als een indirecte belasting aangemerkt. 2. Directe belasti ngen van bedrijven Winstbelasting is de enige vorm van directe belast ingen betaald door bedrijven aan de overheid. De inkomstenbelasting welke in feite ook door bedrijven wordt betaald, wordt in de nationale rekeningen echter aangemerkt als een directe belasting welke uitsluitend door gezinshuishoudingen is verschuldigd. De reden daarvan is dat het nettore sultaat van niet-N.V.s re chtstreeks deel uitmaakt van het inkomen van gezinshuishoudingen. Nummer 3 3

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine 3. Inkomensoverdracht om niet van buitenland Het betreft hier dat deel van de winstbelasting da t off-shore maatschappijen aa n de overheid afstaan. 4. Indirecte belastingen van bedrijven Indirecte belastingen zijn belastingen ten aanzien van de productie, verkoop, inkoop of gebruik van goederen en diensten die door de producenten als kosten van de productie worden beschouwd. De wijze van heffing gesc hiedt niet direct bij de consument, maar via de producent die deze belasting doorberekent in de kostprijs. Voorbeelden zijn o. a. invoerrechten, accijnzen, omzetbelasting en grondbelasting. 5. Overige inkomsten van bedrijven Deze post omvat de door het eilandgebied ontvange n dividenden van de overheids-N.V.s en van de Centrale Bank, de netto pachten, alsmede de netto besparingen en rente van de nietrechtspersoonlijkheid bezittende overheidsbedrijv en. De negatieve netto besparingen van de overheidsbedrijven zijn op deze bedragen in mindering gebracht. 6. Inkomensoverdrachten om niet van gezinnen Deze bedragen betreffen ontvangsten van de overheid zoals school-, collegeen examengelden, boetes en vervolgingskosten, leges en retributies voor prestaties van de overheid die niet als een "verkoop' van een dienst zijn aan te merken, de netto-opbrengsten van de Landsloterij, ouderlijke bijdragen in verleende studiebeurzen etc. 7. Goederen en diensten aan gezinnen en bedrijven Goederen en diensten aan bedrijven heeft betrekking op de diensten geleverd door hoofdzakelijk D.O.W., S.V.B. en Veterinaire Dien st aan de particuliere en overheidsbedrijven. Daarnaast zijn ook de leges en retributies ontvangen van bedrijven i.v.m. inklaring van goederen door de douane, ophalen van bedrijfsvuil door Selikor, gerechtskost en e.d., hierin begrepen. Slechts de betalingen voor diensten waartegenover geen uitdrukkelijke ve rplichting opgelegd door de overheid staat, zijn als verkopen van diensten aangemerkt. Het beta alde bedrag moet bovendien in een redelijke verhouding staan tot de geleverde dienst, wil dit als een verkoop worden aangemerkt. Onder goederen en diensten aan.gezinshuisho udingen is opgenomen de gelden ontvangen van gezinshuishoudingen i.v.m. diensten geleverd door musea, bibliotheken, Hof van Justitie, onderwijs (boekengelden) etc. 8. Schenkingen Voor het eilandgebied Curaao ga at het voornamelijk om schenkin gen gedaan door landsoverheid Curaao. (Bij de uitgaven van la ndsoverheid is het bedrag geplaatst onder inkomensoverdrachten om niet aan eilandgebieden.) Schenk ingen bij landsoverheid Nederlandse Antillen zijn afkomstig van de eilandgebieden en van het bu itenland (ontwikkelingshulp). Jaargang 8 4

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine 9. Loonsom overheid Tot de loonsom overheid worden gerekend de bezo ldigingen, lonen, vergoedingen voor overwerk, loonindexeringen, standplaatstoelagen, kindertoelagen,vakantie-uitkeringen, gratificaties, kostwinnerstoelagen, detacheringtoelagen en doorbetaal de lonen i.v.m. ziekte, studie en andere korte afwezigheid van het werk, met behoud van inkomen, de toeslagen A.O.V. en A.W.W., de kosten van medische verzorging van het pers oneel, aanvullingsbijdragen op premies aan pensioenfondsen en levensverzekeringmaatschappijen (niet het werknemersde el), de kosten van uiten terugzending van personeel, kledingtoelagen en andere bijdragen die niet tot de lonen en salarissen zijn gerekend. 10. Goederen en diensten door bedrijven Het gaat hier om de totale waarde van de verkop en van zowel consumptieals kapitaalgoederen door bedrijven aan de overheid. Ook de leveringen van overheidsbedrijven aan de overheid zijn inbegrepen. 11. Binnenlandse rentebetalingen Deze betreffen onder andere rentebetalingen i.v.m. kapitaalverstrekkingen door levensverzekeringsmaatschappijen en pensioenfondse n aan de overheid bijv. onderhandse leningen en aankoop van staatsobligaties en rent ebetalingen aan commercile banken en de Centrale Bank. 12. Rente van overheid aan buitenland Het gaat hier hoofdzakelijk om re ntebetalingen door de overheid aan het buitenland i.v.m. ontvangen leningen. 13. Prijsverlagende subsidies De prijsverlagende subsidies, ontvangen van de overheid, hebben zoals de naam reeds aangeeft een kostprijsverlagend effect op de producten van bedrijven. Het doel van deze subsidies is om te voorkomen dat het bedrijf verlies zal lijden indien zij haar producten verkoopt tegen een prijs die de kostprijs niet dekt. Een (te) lage verkoopprijs ka n door de overheid worden afgedwongen indien zij dit op sociale gronden wenselijk acht, bijv. de wate rprijs en huren van woning en. De overheid koopt dan a.h.w. middels de subsidie een gedeelte van de productie op. 14. Inkomensoverdracht om niet aan land Het gaat hier om schenkingen gedaan door de eilandsoverheid aan de landsoverheid. Het bijvoegsel om niet brengt tot uitdrukking dat tegenover de ov erdracht geen tegenprestatie geleverd behoeft te worden, dus noch een terugbetaling noch een le vering van een arbeidsprestatie of dienst. 15. Inkomensoverdracht om niet aan gezinnen Hier betreft het diverse overdrachten (schenkingen van de overheid) aan gezinshuishoudingen zoals onderstanden en noodvoorzieningen aan behoeftigen, studiebeurzen, eilandspensioenen en pensioenvervangende uitkeringen e.d.. Nummer 3 5

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine 16. Bruto investeringen Bruto investeringen omvatten de uitgaven van producenten aan verhandelbare goederen. Bruto investeringen in vaste activa, die zowel kunnen worden aangekocht als in eigen beheer kunnen worden voortgebracht, omvatten: Goederen met een levensduur van 1 jaar of langer, met uitzondering van gronden, minerale afzettingen en andere niet-reproduceerbare materile activa. Voorbeelden zijn gebouwen, machines, transportmiddelen, wegen waterbouwkundige werken. Uit g aven met betrekkin g tot de verbeterin g en veranderin g van g oederen met een levensduur van 1 jaar of langer, die de verwac hte economische levensduur aanmerkelijk doet verlengen of de productiviteit belangrijk doet toenemen. Uitgaven met betrekking tot de winning en verbetering van land en ontwikkeling en uitbreiding van bossen, mijnen, plantages e.d. Aankopen van vee voor de fokkerij, trekdieren, melkkoeien e.d. Dealer's marges en andere overdrachtskosten me t betrekking tot transacties in land, minerale afzettingen e.d. Naast de bruto investeringen in vaste activa wo rdt ook tot de bruto investeringen gerekend de verandering in de voorraden; een afname van de voorraden vormt een desinvestering. De voorraden bestaan voornamelijk uit material en, hulpstoffen, goederen in bewerking en nog niet afgezette eindproducten. 17. Kapitaaloverdrachten Het betreft hier alle schenkingen aan gezinshuisho udingen en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van investeringen in vaste activa, uitkerin gen aan de pensioenfondsen wegens tekorten in het fonds en de afdrachten van ontwikkelingsg elden bestemd voor kapitaalprojecten, aan de overheidsbedrijven. Jaargang 8 6

PAGE 12

Modus Statistisch magazine Income development in Sint Maarten Martha Victoria This article presents data on the income and income inequality of households in Sint Maarten, for the years 2005 and 2007. Data on household income is obtained from the LFS (Labor Force Survey) 2005 and 2007, a sample survey which is conducted by the Central Bureau of Statistics every two year. Introduction Interpreting the analysis presented in the article, the reader should take the following into account: Income data gathered from the LFS are expressed in gross terms. No allowance is made for direct taxes and social contributions to arrive at net disp osable income, which is a better indicator for income distribution analysis. As with all sample surveys, results from the LFS survey may be influenced by sampling errors. A more reliable source of household income data would be the population census, but since the last census was conducted in 2001, more recent data from the LFS was chosen to assure actuality. The 2005 and 2007 incomes have been deflated with respect to the consumer price index (CPI) 1996, to compare developments of 2005-2007. The income of households includes the income of the head of household and all other individuals 15 years and older in the household. For the purpose of analysis the incomes are equivalised. The equivalent income is defined as the household income of the individual adjusted for differences in ho usehold size. The assumption underlying an equivalent income measure is that larger households need more inco me than one-person households to reach a given level of economic well-being. This article begins with a section discussing growth in income, followed by a section on differences in income distribution of household in come and ends with a section of income inequality. Nummer 3 7

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine Growth in real income between 2005 and 2007 Table 1. Type of households by equivalent income 2005 2007 Mean income All households 3,024 3,246 Male headed household 3,347 3,570 Female headed household 2,492 2,656 Median income All households 2,219 2,471 Male headed household 2,468 2,701 Female headed household 1,653 1,873 The Mean income (average) is the amount obtained by dividing the total aggregate income of a group by the number of units in that group. According to table 1, between 2005 and 2007, the average household income has increased from ANG 3,024 to ANG 3,246, a rise of about 7 percent. Both male and female headed households have an increase in mean income with almost 7 percent. The median household income divides households in to two equal segments with the first half of households earning less than the median hous ehold income and the other half earning more. Between 2005 and 2007, the median household income is up by around 11 percent. In addition, the median household incomes headed by male and female households have increased by 9 and 13 percent respectively. Differences in income distribution Table 2. Distribution of equivalent household income 2005 2007 % % <-----1000 18 13 1001-2000 28 27 2001-3000 19 21 3001-4000 12 11 4001-5000 7 11 5001---> 16 17 Total 100 100 Income distribution refers to how evenly the total amount of income in an economy is divided between all households. The group of households earning below ANG 1,000 has fallen by 5 percentage points in 2007, while the income category 4001-5000 has had an increase of four percentage points. Also the income category 2001-3000 has an increase of 2 percentage points. The other income categories 1001-2000 and 3001-4000 have had a slight decline in 2007. Distribution of equivalent household incomeSt Maarten <----1000 1001 20002001 30003001 4000 4001 5000 5001 ------> 0 5 10 15 20 25 30% 2005 2007 Altogether the income distribution has changed slightly between 2005 and 2007. There was a positive shift from lower income category to a higher income category, as seen in table 2 and the following graph. Jaargang 8 8

PAGE 14

Modus Statistisch magazine Income inequality The income quintiles are a commonly used measure for income distribution. A Quintile is one of the values that divide a frequency distribution into five parts, each containing a fifth of the sample population. The lowest 20 percent group has in 2005 and 2007 nearly 5 percent of the total income. Households in the lowest 40 percent of the income distributi on own only 14 percent in 2005 and less than 15 percent in 2007, and those in the lowest 80 percent own above 50 percent of the total income. The rest pertains to the highest 20 percent group. It can be concluded that there has been an increase in all 20 percent groups, with the exception of the hi ghest 20 percent group. These observations can be explained with the help of table 3, which shows the percentages of the equivalent household income received by equal percentiles of househ olds ranked by their income levels. The highest 20 percent group of the households rece ives 10.4 times more than the lowest 20 percent quintile in 2005, and 9.8 times in 2007. This means that the inequality in the income distribution has had a slight decrease between 2005 and 2007. The Gini coefficient is a measure of the income in equality in a society. It measures the degree to which two frequency (percentage) distributions correspond. The Gini coefficient is a number between 0 and 1, where 0 means perfect equality (exact correspondence, e.g. everyone has the same income) and 1 means perfect inequality (one person has all the income, everyone else earns nothing). This means that the higher the Gini coefficient, the more unequal the income distribution. The latest Gini coefficient readings for Sint Maarten point to an incidence of inequality (see table 3). In comparison to 2005, the Gini coefficient has decreased from 0.438 to 0.418 in 2007, which means that the income distribution has become less unequal in 2007. Table 3. Equivalent income distributed by household quintile in the island of Sint Maarten 2005 2007 1st (lowest) 20% group 5 5 2nd 20% group 9 10 3rd 20 % group 15 15 4th 20% group 22 23 5th (highest) 20% group 49 47 total 100 100 Relation highest group with lowest group 10.4 9.8 Gini coefficient 0.438 0.418 Conclusion Both mean and median household incomes have in creased in 2007, compared to 2005. Households headed by women have had a lower mean and median household income than male headed households. The largest changes in the income distribution have been in the income categories 1000 and under (5 percent decrease) and 4001-5000 (4 percent increase). Compared to 2005, the income inequality has declin ed in 2007 (from 10.4 to 9.8 times the amount of the poorest households). Nummer 3 9

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Analyse prijsontwikkelingen 2007 Joyce Mahabali In dit artikel presenteert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de consumenten prijsindexcijfers van het jaar 2007 voor de eilanden Cura ao, Bonaire en Sint Maarten. De consumenten prijsindexcijfers zijn voor alle drie eilanden gestegen respectiev elijk voor Curaao met 3,0 procent, Bonaire met 1,8 procent en Sint Maarten met 2,3 procent. Het gemiddelde, gemeten over de twaalf maanden van het jaar, wordt door het CBS als een goede indicator van de inflatie beschouwd. Inflatie Curaao 2007: 3,0 procent. Gemiddeld zijn de prijzen in Curaao in 2007 met 3,0 procent gestegen. De inflatie komt daarmee 0,1 procentpunt lager uit dan in het voorgaande jaar, toen de mutatie 3,1 procent bedroeg. In 2005 was het percentage 4,1 procent. Ontwikkelingen per sector De negen sectoren waaruit de prijsindex wordt op gebouwd tonen allen gemiddelde prijsstijgingen in 2007, waarbij de grootste prijsstijging aan de sector voeding kan worden toegeschreven. In deze sector zijn de prijzen gemiddeld met 8,9 procent gestegen. Prijsstijgingen zijn in alle groepen geregistreerd met de grootste prijsstijgingen voor zu ivelproducten (16,0%), aardappelen, groenten en fruit (11,8%) en vlees en vis (10,9%). Het prijsindexcijfer voor de sector dranken en r ookwaren laat gemiddeld een prijsstijging zien van 3,3 procent. Dit is veroorzaakt door het feit dat zowel dranken alsmede rookwaren duurder zijn geworden. De prijsindex voor de sector wonen is gemi ddeld met 2,5 procent toegenomen. De toename is voornamelijk toe te schrijven aan de gestegen kosten voor woning(4,6%) en tuinonderhoud (3,4%). Het prijsindexcijfer voor de sector woninginric hting en huisraad is gemiddeld met 2,4 procent gestegen. Woninginrichting (3,4%), huishoudelijke di ensten (3,4%) en huishoudelijke uitgaven (3,0%) zijn duurder geworden. Jaargang 8 10

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine De gemiddelde prijsstijging van 2,0 procent in de sector vervoer en communicatie is een combinatie van enerzijds prijsstijgingen in de groepen vervoersmiddelen (4,7 %), onkosten t.b.v. vervoersmiddelen (2,6%) en vervoer (0,5%) en an derzijds prijsdalingen in de groep communicatie (1,1%). De stijging in de groep vervoersmiddelen heeft betrekking op autos die duurder zijn geworden. In de groep onkosten t.b.v. vervoersmidd elen zijn benzine, motoronderdelen, autobanden en diverse olin duurder geworden. De daling van de prijsindex in de groep communicatie is toe te schrijven aan een verlaging van de tari even voor lokale telefoongesprekken. Minder sterke prijsstijgingen hebben zich in 2007 voorgedaan in de sectoren overig (1,7%), kleding en schoeisel (0,9 %), recreatie en ontwikke ling (0,9 %) en gezondheidszorg (0,8 %). Inflatie Bonaire 2007: 1,8 procent. Gemiddeld zijn de prijzen in Bonaire in 2007 met 1, 8 procent gestegen. In 2006 was het percentage 1,3 procent en in 2005 eveneens 1,3 procent. Ontwikkelingen per sector Van de negen sectoren waaruit de prijsindex wordt opgebouwd tonen acht sectoren in het jaar 2007 prijsstijgingen, waarbij de grootste prijsstijgingen zich hebben voorgedaan in de sector voeding. In de sector kleding en schoeisel zijn de prijzen gelijk gebleven. In de sector voeding zijn prijsstijgingen in alle groepen geregistreerd. Het meest zijn de prijzen van aardappelen, groenten en fruit (11,4%), suiker en chocolade (9,4%) en zuivelproducten (8,8%) gestegen. De prijsindex voor de sector wonen is gemiddeld met 1,9 procent toegenomen. De toename is toe te schrijven aan prijsstijgingen die zich hebben v oorgedaan in de groepen woonkosten (2,4%), woningonderhoud (2,1%), tuinonderhoud (1,5%) en energieverbruik (1,1%). Het prijsindexcijfer voor de sector overig is gemiddeld met 1,3 procent gestegen. De prijsstijgingen hebben zich voorgedaan in alle drie groepen van de sector, t.w. persoonlijke verzorging (3,1%), goederen en diensten (1,3%) en verzekeringen (0,1%). In de sector vervoer en communicatie zijn de prijzen gemiddeld met 1,0 procent gestegen. In deze sector zijn de onkosten t.b.v. vervoersmi ddelen met 2,4 procent het sterkst gestegen. De prijsindex voor de sector woninginrichting en huisraad is gemiddeld met 0,9 procent gestegen als gevolg van prijsstijgingen van huishoudelijke ap paraten en gereedschappen (2,6%), huishoudelijke diensten (1,5%) en huisho udelijke uitgaven (1,3%). Nummer 3 11

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine Geringe prijsstijgingen hebben zich in 2007 voorgedaan in de sectoren recreatie en ontwikkeling (0,3%), dranken en rookwaren (0,2%) en gezondheidszorg (0,2%). Inflatie Sint Maarten 2006: 2,3 procent. Gemiddeld zijn de prijzen in Sint Maarten in 2007 met 2,3 procent gestegen. In 2006 was het percentage eveneens 2,3 procent en in 2005 3,1 procent. Ontwikkelingen per sector Van de negen sectoren waaruit de prijsindex wordt opgebouwd tonen acht sectoren in het jaar 2007 gemiddelde prijsstijgingen, waarbij de grootste prijsstijging aan de sector wonen kan worden toegeschreven. Voor de sector wonen is het prijsindexcijfer in 2007 met 3,6 procent gestegen, voornamelijk veroorzaakt door een prijstoename van energi e (7,1%) en van woningonderhoud (6,0%). De prijstoename voor tuinonderhoud is 2,8 pr ocent en voor woonkosten 2,4 procent. In de sector voeding zijn de prijzen gemiddeld met 2,7 procent gestegen. De prijzen van overige voedingsmiddelen (7,2%), suiker en chocolade (6,6 %), spijsvetten (5,6%) en zuivelproducten (3,8%) zijn het sterkst gestegen. Voor de sector woninginrichting en huisraad is de prijsindex toegenomen met 2,4 procent. De stijging is veroorzaakt door een prijstoename van huishoudelijke diensten (11,8%) en huishoudelijke uitgaven (5,6%). De prijsindex voor de sector vervoer en communi catie is gemiddeld met 1,4 procent gestegen. Hier zijn de prijzen van vervoersmidd elen (2,7%) en de onkosten t. b.v. vervoersmiddelen (2,9%) toegenomen. De stijging in de groep vervoersmiddel en heeft betrekking op autos die duurder zijn geworden. In de groep onkosten t.b.v. vervoersmidd elen zijn benzine, motoronderdelen, autobanden en diverse olin duurder geworden. Minder sterke prijsstijgingen hebbe n zich voorgedaan in de sectoren overig (0,8%), recreatie en ontwikkeling (0,7%), kleding en schoeisel (0,6%) en dranken en rookwaren (0,4%). De prijzen in de sectorgezondheidszorg zijn ongewijzigd gebleven. Jaargang 8 12

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Consumentenprijzen Nederlandse Antillen, procentuele veranderingen ten opzichte van het voorgaande jaar Omschrijving Wegingscofficint 2003 2004 2005 2006 2007 Curaao Voeding 1.233 2.1 4.8 7.4 7.9 8.9 Dranken en rookwaren 157 -0.6 -0.6 3.3 4.1 3.3 Kleding en schoeisel 476 0.3 -0.2 -0.6 0.4 0.9 Wonen 3.084 4.5 1.5 5.8 2.7 2.5 Woninginrichting en huisraad 702 2.5 0.5 5.8 2.5 2.4 Gezondheidszorg 127 0.7 1.1 1.7 0.7 0.8 Vervoer en communicatie 2.263 -1.3 0.4 2.8 2.4 2.0 Recreatie en ontwikkeling 765 0.1 0.2 0.3 0.3 0.9 Overig 1.193 0.7 0.6 1.5 2.3 1.7 Totaal 10.000 1.6 1.4 4.1 3.1 3.0 Bonaire Voeding 1.493 2.9 5.0 4.2 3.4 4.7 Dranken en rookwaren 154 0.2 1.3 -4.6 0.8 0.2 Kleding en schoeisel 575 0.0 0.2 0.0 0.0 0.0 Wonen 2.535 1.8 1.8 1.8 1.7 1.9 Woninginrichting en huisraad 628 0.8 0.6 3.1 2.2 0.9 Gezondheidszorg 245 2.0 1.1 0.7 1.3 0.2 Vervoer en communicatie 2.273 -1.3 1.1 -0.5 -0.8 1.0 Recreatie en ontwikkeling 855 0.0 0.1 0.0 0.1 0.3 Overig 1.242 0.1 1.2 1.1 1.4 1.3 Totaal 10.000 0.8 1.8 1.3 1.3 1.8 Sint Maarten Voeding 1.034 1.0 1.6 7.1 3.9 2.7 Dranken en rookwaren 133 0.1 -0.5 1.8 1.8 0.4 Kleding en schoeisel 693 -0.1 0.1 -1.5 -1.6 0.6 Wonen 3.868 3.9 3.7 3.1 2.3 3.6 Woninginrichting en huisraad 583 0.9 0.6 2.9 1.9 2.4 Gezondheidszorg 275 0.5 -1.0 -1.0 0.0 0.0 Vervoer en communicatie 2.016 0.5 3.2 4.0 3.6 1.4 Recreatie en ontwikkeling 568 0.3 0.1 0.9 1.4 0.7 Overig 830 0.8 0.6 1.2 0.9 0.8 Totaal 10.000 1.6 2.1 3.1 2.3 2.3 Samenvattend Voor alle drie de eilanden dragen voeding en wonen in belangrijke mate bij aan de totale prijsstijging, ook gezien het gewicht dat deze sectoren hebben in het totaal van de bestedingen. Nummer 3 13

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine Developments in the production activities for Curaao in 2007 Glenda Varlack In 2007 Curaao has experienced a real economic boost co mpared to 2006 when the GDP growth was about 3.5 percent. Real GDP growth or real economic development is equal to the change in the production of goods and services excluding price developments. The subsequent analysis is according to the first results of the research for the volume indicators which are related to the pr oduction of goods and services. Also other general developments will be addressed in sev eral industries. All production percenta ges per industry can be viewed in table 2. It should be emphasized that this data gives an indication of the recent economic developments in 2007. Production developments by industry Agriculture, Fishing and Mining The developments of this industry are measured on the basis of the production of sand and blocks. In 2007 a considerable growth is observed of more than 20 percent, compared to a growth of about 12 percent in 2006. The development of sand and blocks mostly runs parallel with the growth of the construction industry, although this production of sand and blocks is not totally dependent on the local market. The weight of this industry may seem very marginal (0.4%) in the overall economy, nevertheless the value added that the mining section delivers is of substantial value and impact. Manufacturing For the manufacturing industry there is a relative growth in all the diff erent manufacturing subindustries with the exception of the ship repair subindustry. Here there was a slight decrease in the amount of man-hours worked. The ship repair subindustry presented a decrease of about 1 percent, while the paint sub-industry and packing have grown both with 0.1 percent in their production. The oil refinery has shown an increase of about 2 percent in its activities. Graph 1: Manufacturing 0.0 50.0 100.0 150.0 200.0 2003200420052006 2007 yearindex Oil refinery Liters paint Packing Ship repai r Jaarjang 8 14

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Utility The overall utility production has augmented with 3 percent after a slight decrease of 1 percent the year before (2006). In the utility industry, cubic meters water and the kWh for electricity are taken into account. The volume of electricity generation in 2007 has increased with 2.7 percent over the 2006 levels. Water production ha s shown an increase of 4.9 percent. In other developments in this industry it is viewed that the prices have increased and are going to continue to rise looking at the increase in oil prices per barrel. Graph2: Utility production0 50 100 150 200 20032004200520062007 yearindex water electra Graph 3: Construction 0 20 40 60 80 100 120 20032004200520062007 yearindex Weighted construction index Construction In the construction industry a substantial amount of activities is observed. Although there are no increases in the investment of finished works 1 (graph 4), there is still construction in ongoing projects of 2006 and new projects that started in 2007, like hotels, street renewals, retail stores and other tourism related construction. The overall growth has been 5 percent (2007) compared to 33 percent of 2006 (see graph 3).The main indicators used to measure this growth are the production of sand and blocks and also the investments of finished works (together they form the weighted construction index). In the construction industry it is observed that its development has more or less stabilized at the same level. Graph 4: Investment of finished work 0.0 100.0 200.0 yearindex investment of finished work 48.5 73.5 62.4 155.7 108.1 20032004200520062007 Graph 5: Merchandise import 105 110 115 120 125 130 135 2003 2004 2005 2006 2007 yea r index Merchandise import index Trade The main indicator for trade is the development in the import of merchandise; which has risen with 8 percent in 2007. Due to the different economic developments on the island the imports have been growing steadily. In 2006 the growth has been NAf. 2715 million, in 2007 it has been about NAf. 3001 million (not corrected with inflation). This development is a reflection of the economic boom in the different industries. 1 Investment of finished works is the value of works that have been finished and de livered. In Dutch it is called opgeleverde wo ningen. Nummer 3 15

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Tourism In the hotel and restaurants (horeca) industry the main indicator is the stay over nights, which are used to measure the developments in this industry. The Curaao tourism industry has experienced a steady growth in stay over nights (table 1). The stay over nights has increased with about 19 percent (2,560,291 nights) in 2007, compared to the 10 percent (2,155,853 nights) in 2006. This astounding growth has been ascribed to an increase in the South American, Caribbean and European tourist market which has increased with respectively about 113, 19 and 16 percent. The North American tourist market decreased with about 3 percent. The increase in South American tourists is mainly credited to the Venezuelan tourist market which has increased with 184 percent. In the Caribbean tourist market, Trinidad and Tobago surpassed all the other islands with 64 percent. In graph 6 a progression of the stay over nights is given in which we can observe a steady growth for the last years. Graph 6: Stayover nights0 50 100 150 20032004200520062007 yearindex Stayover nights Table 1: Stay over nights development Year Stay over nights change 2003 1,919,036 6.0 2004 1,939,544 1.1 2005 1,959,759 1.0 2006 2,155,853 10.0 2007 2,560,291 18.8 Source data: CTB Transport and Communication This industry has experienced an increase of about 7 percent in its overall production figures. Although this sector is characterized by strong competition most of its sub industries have thrived in their production endeavors. Transport: Port activities In the port an increase can be observed in the number of vessels that were piloted inward (graph 7) according to their GRT (gross registered tonnage) with more than 5 percent compared to 2006. Exception on this matter is the other vessels, which decreased with 6 percent. In 2006 the vessels piloted inward had a collective growth of more than 4 percent. The container movements in TEUs (twenty-foot equivalent units) both for loading and unloading, have increased with 8 percent. (Source data: CPA) Graph 7:Piloted Vessels Inward0 200 400 600 800 1000 1200 1400 tanker cruisefreighterothers Type of vesselTotal vessels 2006 2007 With regard to cruise calls there were a total of 256 cruise ships in 2007 which have carried a total of 340,907 passengers compared to the 205 cruise sh ips with 323,345 passengers in 2006. This means there has been an increase of about 5 percent in cruise passengers,despite lesser cruise calls. Jaarjang 8 16

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Transport: Airport After a decrease in landings in 2004 and 2006 (graph 8), airlift has been increasing with the different airlines that have Curaao as their home base and also the international airlines that are flying in. This situation has contributed to an increase in airport passengers (about 17 percent in 2007). It can also be viewed that landings not always correlate with the amount of passengers; this is mainly due to the amount of seating that is available on an airplane. Graph 8: Airport developments 0 50 100 150 20032004200520062007 yearairport pax index90 95 100 105 110 115 120landings index airport pax landings Communication In the communication area there have been differ ent developments. Namely a strong competiveness on mobile and internet services, new product de velopments and others. Overall there has been further growth in the mobile telephony; this is due to the competitive mobile phone market and the continued facilities and services that these phones offer. Financial intermediation As indicator for this industry a weighted financia l index consisting of the balance of the off-shore commerce operation remainder is the inflow export services minus outflow import services and the supplied loans by the commercial banks is used. The overall industry has increased with 1 percent. The loans by the commercial banks have been increa sing steadily over the years. In 2007 the loans have augmented with 11 percent compared with the year before. The off-shore sector is also showing a decreasing (-18%) development over 2007 in different off-shore businesses and opportunities compared to 2006. Real estate, renting, busin ess activities and other services In 2007 the exploitation of property goods has expe rienced an increase of 5 percent in the rented spaces compared to a decrease of 4 percent in 2006. In spite of the setbacks in the beginning of 2007 this industry has managed to strive. Current de velopments are the construction of new business lodgings. Government, health & social work and other community, social and personal service activities For these industries the major focus is on employment in the respective industries. A growth in employment in the government industry is viewed of almost 2 percent. Health & social work also have augmented with more than 3 percent. Other co mmunity, social and personal service activities on the other hand has shown a decline of about 4 percent. Nummer 3 17

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine Table 2. Percentage changes in Production, Curaao, 2007 Percentage Changes related to the previous year ISIC Industry 2005* 2006* 2007* Production of Goods ABC Agriculture, Fishery and Mining 5 12 20 D Manufacturing 2 2 1 E Utilities: Electricity and Water -3 -1 3 F Construction 3 33 5 Commercial services G Trade: Wholesale and Retail 1 3 8 H Hotel, restaurants & cafs 1 10 19 I Transport & Communication 1 -2 7 J Financial intermediation 2 13 1 KM Real Estate, Renting, Business activities and Private education 1 -4 5 Non-commercial services L Public Administration 3 5 2 N Health and Social Work 3 2 3 OP Other community, social & personal service activities and Private Households w/employed persons -2 -22 -4 Note: All values are subjected to change Jaarjang 8 18

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Berekening van de armoedegrens voor Curaao Francis Vierbergen Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft on langs de armoedegrens voor Curaao berekend. Dezelfde methodologie zal ook worden gebruikt voor de berekening van armoedegrenzen voor de andere eilanden van de Nederlandse Antillen. De methode voor het berekenen van de armoedegrenzen is gekozen in samenspraak met nationale en internationale experts en sluit goed aan bij de inte rnationale praktijk. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de lokale omstandigheden. Nu de berekeningen voor Curaao zijn afgerond kunnen er voor dit eiland diepgaande analyses van de armoedeproblematiek worden gedaan. Achtergrond In februari 2007 is door het CBS in samenwerking met de United Nations Population Fund (UNFPA) een driedaagse workshop Poverty Assessment georganiseerd, waaraan vertegenwoordigers van overheidsdiensten en NGOs hebben deelgenomen. De workshop is verzorgd door de heer Ralph Hakkert van het Institute for Applied Economic Research (IPEA). Tijdens een vervolgvergadering in juni 2007 is do or de aanwezige vertegenwoordigers besloten een werkgroep in te stellen die verdere vorm zou ga an geven aan de (technische) uitvoering van het project armoedegrenzen. Naast de werkgroep is eveneens een stuurgroep gevormd, waarin alle eerdere diensten en instellingen aanwezig zijn om de werkgroep van advies te dienen. De werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van het Centraal Bureau v oor de Statistiek, de Geneeskundige en Gezondheidsdienst, de Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting, Directie Arbeidzaken en het Soci aal Kennis Centrum. Een vertegenw oordiger van Sint Maarten heeft eveneens deel uitgemaakt van de werkgroep. Gebruikte methodologie Het uitgangspunt is het berekenen van een aan de lokale behoeften aangepaste absolute (monetaire) armoedegrens, gedefinieerd als het inkomensniveau waarbij een huishouden nog net voldoende middelen kan aanschaffen om een ge zond leven te kunnen leiden. In januari 2008 hebben twee experts verbonden aan het International Poverty Center (IPC) en het het Institute for Applied Economic Research (IPEA) uit Brasilia, Brazili, op Curaao samen met de werkgroep de verschillende methodes bestudeerd die gebruikt kunnen worden voor de berekening van de armoedegrenzen voor de Nederlandse Antillen. De bedoeling is om voor ieder eiland Nummer 3 19

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine specifiek een armoedegrens te bepalen, omdat iede r eiland een eigen sociaal-economische situatie heeft. Aan de experts is een discussienotitie gepresent eerd, die door de werkgroep was samengesteld. In samenspraak met de experts van het IPC en het IPEA is gekozen voor de in de regio meest gebruikte methodologie ter bepaling van de armoedegrenzen. Uitgangspunt is een normatieve vaststelling van de uitgaven aan voedinsgmiddelen, waarna door middel van een ophoging voor noodzakelijke overige uitgaven een tot aalbedrag wordt bepaald. Gezien de bijzondere omstandigheden die de Anti lliaanse eilanden ondervinden op het gebied van kosten van huisvesting en energiekosten is besloten om niet alleen de voeding maar ook de uitgaven voor huisvesting (huur) en water en elektriciteit te normeren. In de periode daarna heeft de werkgroep zi ch bezig gehouden met het verfijnen van de methodologische uitgangspunten, het verzamelen van de benodigde data en het construeren van datamodellen. Niet alle benodigde data bleken evenwel snel toegankelijk te zijn of te kunnen worden gemaakt. Met name voor Saba en Sint Eustatius, maar ook voor de andere eilanden, kost het de nodige moeite om de benodigde gegevens te verkrijgen. Er is daarom besloten de werkzaamheden per ei land af te ronden. Gezien de wens van het Eilandgebied Curaao om tot een snelle afronding va n het project te komen, is aan Curaao voorrang gegeven. De nu gebruikte methodologie zal ook als uitgangspunt dienen voor de berekeningen voor de andere eilanden, te beginnen met Sint Maarten. Het produceren van armoedeprofielen voor alle eila nden zal door dit alles pas in een later stadium plaats kunnen vinden. De noodzaak tot het ve rvaardigen van beleidsmatige analyses van de armoedeproblematiek blijft evenwel onveranderlijk bestaan. Huishoudens en equivalentiemethode Uit praktische overwegingen is besloten is om de berekening van de armoedegrens uit te voeren voor een standaard huishouden, in plaats van het berekenen van een variteit aan armoedegrenzen voor bepaalde typen van huishoudens. He t is n.l. moeilijk om armoedegrenzen te berekenen voor alle huishoudtypen, en tevens kan het gebruik van meerdere grenzen tot verwarring leiden. Het standaard huishouden bestaat uit twee volwasse nen en twee kinderen. Dit standaard huishouden is niet een benadering van het ge middelde of meest voorkomende type huishouden in Curaao. Met name bij de huishoudens met lagere inkomens is ge en enkel huishoudtype do minant. De vier grootste groepen betreffen eenpersoonshuishoudens, eenou dergezinnen, gehuwden/samenwonenden met Jaargang 8 20

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine kinderen en gehuwden/samenwonenden zonder kinderen. Deze groepen vormen volgens de Census 2001 meer dan 80 procent van het totaal aantal huishoudens met lagere inkomens in Curaao. Om rekening te houden met verschillen in huishoudens zal gebruik gemaakt worden van de zogenaamde OECD equivalentiemethode, waarbij door middel van schaalfactoren de algemene armoedegrens kan worden herleid naar specifieke huishoudtypen. Deze methode wordt in veel landen gebruikt. De schaalfactoren zijn als volgt: De eerste volwassene in het huishouden krijgt een factor 1 Alle volgende volwassenen (personen van 18 jaar en ouder) krijgen elk een factor 0,5 Alle kinderen (personen jonger dan 18 jaar) krijgen een factor 0,3 Het standaard huishouden (2 volwassenen en 2 kinderen) heeft een schaalwaarde van 2,1 (1+0,5+0,3+0,3). Elk huishouden kan op deze wijze een schaalwaarde toegewezen krijgen. Door deze schaalwaarde ten opzichte van de standaardwaarde als vermenigvuldigingfactor te gebruiken kan de armoedegrens voor elk type huishouden worden vastgesteld. Opgemerkt dient te worden dat de genoemde scha alfactoren de aangepaste OECD schaalverdeling betreft. De oorspronkelijke schaal had gewichten van 1 voor de eerste volwassene, 0,7 voor elke volgende volwassene, en 0,5 voor ieder kind. Deze werd door velen te steil geacht voor landen met een moderne levensstijl; zij past beter bij landen waar de eerste levensbehoeften een groot deel van het gezinsbudget opslokken. De eilanden van de Nederlandse Antillen ne men in de mondiale inkomensverdeling een middenpositie in. Gelet op de uitkomsten van het budgetonderzoek kan gesteld worden dat het uitgavenpatroon van de huishoudens met de catego rien wonen en vervoer en communicatie als de twee grootste uitgavenposten beter aansluit op de westerse gebruiken dan op die van armere landen Uitgaven Voeding Als uitgangspunt voor de berekening van de kosten van voeding geldt dat sprake moet zijn van een voedingspakket dat een gezond leven kan garand eren. Daarbij wordt niet alleen gelet op het minimum aantal calorien voor de verschillende hu ishoudleden, maar ook op de aanwezigheid van noodzakelijke nutrinten zoals vi taminen, mineralen en vezels. Er is gebruik gemaakt van een door een ditiste aangeleverde menulijst voor het standaard huishouden, waarin acht basisgroepen voedingsmidde len zijn opgenomen. Deze groepen zijn in de rest van het rekenproces verder uitgesplitst om reke ning te houden met consum ptie verdeeld over de verschillende maaltijden per dag. In een speciaal opgezet uitgebreid rekenmodel zi jn de dagelijkse benodigde hoeveelheden van elke groep en subgroep voedingsmiddelen gekoppeld aan specifieke artikelen en bijbehorende Nummer 3 21

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine prijsinformatie die door het CBS verzameld wordt voor de berekening van de maandelijkse consumenten prijsindexcijfers (CPI). Met behulp van de zogenaamde Monte Carlo procedure zijn hiermee grote aantallen mogelijke combinaties voedingsmiddelen per groep en subgroep berekend. Dit levert als resultaat een lijst met uitgaven per combinatie op. Voordeel van deze methode is dat alle voedingsproducten die door huishoudens worden aangekocht in de berekeningen worden meegenomen. De artikelen die voor het CPI worden waargenomen zijn namelijk het resultaat van het meest recente budget onderzoek, zodat de relatie met het werkelijke consumptiepatroon van huishoudens is gegarandeerd. De resultaten van de berekeningen zijn daarna van laag naar hoog gesorteerd op totaalprijs voor de combinatie. Omdat uitgegaan wordt van minimale uitgaven voor een gezond voedingspakket is vervolgens gekozen voor een afkappunt in de reek s combinaties waarbij naar mening van ditiste een voldoende gevarieerde combinatie van artikelen voorkomt die voldoet aan de oorspronkelijke eisen van calorische en nutrile waarden. Het bij het afkappunt behorende tota albedrag is vervolgens vastgesteld als het uiteindelijke bedrag voor voeding ter bepaling van de armoedegrens. Huurwaarde Als uitgangspunt voor de bereke ning van de huurwaarde is geko zen voor een standaardwoning van 60 vierkante meter woonoppervlakte, welke geschikt moet zijn voor bewoning van het standaard gezin. Op basis van de eilandelijke bouwverord ening en praktijkervaring behoort een woning tenminste 60 m2 groot te zijn. Een kleiner gebouw kan niet als woning worden aangemerkt. Deze grootte is daarom ter bepaling van de armoedegrens als norm gesteld. In de Census van 2001 zijn vragen opgenomen om trent de typen woningen, het bouwjaar, de huur (ingeval van huurwoningen) en de oppervlakte. Op basis van die gegevens zou een gemiddelde huur kunnen worden uitgerekend van hu urwoningen die qua grootte in de buurt liggen van de gestelde norm. De gegevens uit de Census zijn evenwel verouderd, omdat voor de jaren na 2001 de gegevens ontbreken. Ook betreffen de opgegeven huren de werkelijk betaalde bedragen, inclusief de gesubsidieerde huur. Aangezien va n normering sprake moet zijn, exclusief subsidies en kortingen, valt de gemiddelde huur uit de censusopgaven als methode af. Besloten is daarom om voor de normering van de huurwaarde uit te gaan van de bepalingen van de Huurcommissie, die stelt dat voor een woning waar van de stichtingskosten onder de NAF. 100.000 gulden zijn de kale jaarlijkse huur 12 proc ent van die stichtingskosten mogen bedragen. Gezien de relatie van de huur met de stichtin gskosten is het van belang de opbouw van de vergelijkbare woningvoorraad naar bouwperiode te kennen. De Census wordt daarom gebruikt om de aantallen vergelijkbare woningen naar bouwperiode te bepalen. Jaargang 8 22

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Voor de jaren na de census zijn schattingen omtrent de aantallen woningen van Dienst Ruimtelijke Ordening en Volkshuisves ting (DROV) gebruikt. DROV heeft ook voor bekende jaren de bouwkosten per m2 aangeleverd. Daarmee zijn de bouwkosten per bouwperiode, na interpolatie voor onbekende jaren/perioden, voor een eenvoudige woning van 60m2 bepaald. Door weging van de bouwprijzen per periode me t het aantal woningen in die periode kan een gemiddelde huur voor de totale geschikte woningvoorraad worden berekend. Water en elektriciteit Het verbruik van water en elektriciteit is ge baseerd op een huishoudonderzoek van Fundashon Antiyano Pa Energia (FAPE) uit 1999 en verbruiksc ijfers van het wateren elektriciteitsbedrijf Aqualectra uit 2005. Bij het verbruik van elektriciteit zijn niet-noodza kelijke energieverbruikers zoals diepvriezers en airconditioners uit de gegevens verwijderd. Wel zijn apparaten zoals strijkijzers, koelkasten, wasmachines, lampen en fans op genomen. Daarnaast is ook rekening gehouden met het gebruik van een radio of een televisietoestel. Voor het verbruik van water is rekening gehouden met de door Aqualectra berekende daling in het gemiddelde waterverbruik van huishoudens tussen 1 999 (FAPE onderzoek) en 2007. Ook hierbij is niet-noodzakelijk verbruik, zoals autowassen, badkuip en tuin sproeien weggelaten. Daarnaast is er een voorziening getroffen voor verspilling en an der onnodig verbruik. Het grootste verbruik aan water is namelijk aan douche en toilet, en hier zijn grote besparingen te realiseren door verstandig gebruik. De eindresultaten van de berekeningen zijn in laatste instantie aan Aqualectra voorgelegd voor commentaar. Hierna werd op basis van de actuele tarieven per juli 2008 het totale bedrag voor genormeerd verbruik van water en elektriciteit vastgesteld. Overige uitgaven Ter bepaling van de overige noodzakelijke kosten van levensonderhoud wordt het geheel van de genormeerde kosten opgehoogd met een zeker percentage. De methode is een lokale aanpassing van de methode van Engel, welke in andere gevallen alleen voor de voedingscomponent een normbedrag vaststelt. De methode gaat gewoonlijk uit van de non-lineaire functie tpl = fpl / (fe/te) waarbij de armoedegrens (tpl) een functie is van de voedingscomponent (fpl) en de ratio tussen de uitgaven van voeding (fe) en de totale uitgaven (te) van een referentiegroep huishoudens. Als referentiegroep wordt doorgaans die groep huishoudens gekozen die qua inkomen of bestedingsniveau dicht bij de armoedegrens aan liggen, bijvoorbeeld huishoudens die in een Nummer 3 23

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine bandbreedte van 5 procent boven en onder de armoedegrens liggen. De veronderstelling daarbij is, dat huishoudens die net voldoende inkomen hebben om voeding te bekostigen bij de keuze van andere producten alleen de meest noodzakelijke zullen kiezen. De keuze van de bandbreedte is arbitrair, en hoe groter de bandbreedte, hoe groter de vrijheden zullen zijn om meer producten dan de meest noodzakelijke aan te schaffen. De methode is valide indien voldoende waarneming en rond de armoedegrens beschikbaar zijn en indien die armoedegrens (bij benadering) bekend is. Voor de Nederlandse Antillen geldt dat redelijk re cente gegevens uit het bu dgetonderzoek van 2004beschikbaar zijn. Dit onderzoek levert gedetailleerde bestedingen van huishoudens voor alle eilanden, maar is voor armoedeonderzoek (te) bepe rkt in haar steekproefomvang. Daarnaast is het zo dat bij het kiezen van het bestedingspatroon van de laagste bestedingscategorien te veel invloed van kleine huishoudens (alleenstaanden) in de resultat en wordt meegenomen. De berekeningen voor de armoedegrenzen zijn immers gestandaardiseerd op een huishouden van vier personen, twee volwassenen en twee kinderen. Daarbij zou door de lage aantallen huishoudens in deze groep de representativiteit ernstig in geva ar kunnen komen door uitschieters en andere waarnemingsfouten. Uiteraard is ook de armoedegrens nog niet bekend, zodat ook daar aannames over gemaakt zouden moeten worden. Ter oplossing voor de problemen die de aangepast methode van Engel voor de Nederlandse Antillen oplevert is een aangepast rekensysteem gebruikt. Voor bepaling van de ratio overige uitgaven wo rdt om de volgende redenen gebruik gemaakt van de gemiddelde bestedingen van alle huishoudens: 1. de gemiddelde huishoudgrootte in de steekproef ligt dichter bij de standaard huishoudgrootte 2. er zijn voldoende waarnemingen om sterke afwijkingen van het gemiddelde op te vangen Nadeel is wel dat in de bestedingen van een gemiddeld huishouden het criterium van selectie van meest noodzakelijke overige uitgaven niet meer im pliciet aanwezig is. Om dit bezwaar op te vangen worden de niet-noodzakelijke uitgaven zoveel mo gelijk uit de lijst van bestedingscategorien verwijderd. Dit is uiteraard een behoorlijk arbitraire werkwijze die om die reden ook zoveel mogelijk door alle werkgroepleden is ondersteund. Ten aanzien van ziektekosten, afvalstoffenheffing en autobus zijn in plaats van werkelijke gemiddelden gemputeerde bedragen gebruikt. Jaargang 8 24

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Volledig verslag De documenten met betrekking tot de berekeningen die dieper ingaan op de details van de gevolgde methodiek zijn te raadplegen op de website van het CBS ( www.cbs.an ). Uitkomsten De armoedegrens voor een standaard huishouden (twee volwassenen en twee kinderen) bedraagt per 1 juli 2008 Naf. 2195,per maand. Dit betreft het totaalbedrag aan bestedingen, incl usief de omzetbelasting, die nodig zijn om de noodzakelijke middelen aan te scha ffen. De facto wordt hier dus he t besteedbaar inkomen (na aftrek van loonbelasting en sociale premies, t.w. AOV en AVBZ, maar inclusief de netto bijdrage aan de ziektekostenpremie), beschreven. De opbouw van de algemene armoedegrens voo r het standaard huishouden is als volgt: Voeding.....................................................................................Naf. 997,42 Wonen (huur).............................................................................344,62 Elektriciteit.................................................................................138,41 Water..........................................................................................80,54 Overige uitgaven........................................................................633,76 Met gebruikmaking van de eerder genoemde equivalentiefactoren kan voor andere huishoudens de relevante armoedegrens worden berekend. Enkele voorbeelden zijn: Alleenstaande (1 persoonshuishouden) Naf. 1.045,Twee volwassenen Naf. 1.568,Een volwassene met een kind Naf. 1.359,Een volwassene met twee kinderen Naf. 1.672,Twee volwassenen met een kind Naf. 1.881,Drie volwassenen Naf. 2.090,Nummer 3 25

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Internationale economische ontwikkelingen in 2007 en 2008 Lorette Ford Inleiding De economische ontwikkeling van een land kan door middel van drie belangrijke economische indicatoren worden gemeten, namelijk het rele Brut o Binnenlands Product ( BBP), de inflatie en he t saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans. Dit artikel beschrijft de drie ec onomische indicatoren voor twee gr ote groepen van landen t.w.: 1. De ontwikkelde landen: hieronder vallen de US, de Europese Unie, Japan, het Verenigd Koninkrijk, Canada en de overige ontwikkelde landen (o.a de NIE Newly Industrialized Asian Economies) 2. De opkomende landen en ontwikkelingslanden waar onder Afrika, Centraal en Oost Europa, Verenigde Onafhankelijke Staten 1 Opkomend Azi 2 het Midden Oosten, de zogenaamd e Western Hemisphere, bestaande uit Latijns Amerika en het Caribische Gebied. Er is gebruik gemaakt van cijfers en analyses uit de World Economic Outlook va n april 2007 en April 2008 van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Regional Economic Outlook Western Hemisphere, April 2008. Ontwikkelingen in 2007 Rele BBP Uit tabel 1 valt af te lezen dat de wereld ec onomie met 4.9 procent reel is gegroeid, 0,1 procentpunten minder dan in 2006. Dit komt voor namelijk door een economische terugval in de ontwikkelde landen wier economie met 0,3 procentp unten is gedaald ten opzi chte van 2006. Van deze groep van landen valt de daling van het BBP in de Verenigde Staten en Japan het meest op. Het rele BBP van de Verenigde Staten is in 2007 met ruim 2 procent gestegen, dat is 0,7 procentpunten minder dan in 2006. De oorzaken hiervan zijn gelegen in het feit dat consumptie en investeringen gedaald zijn vanwege de financile turbulentie die va naf augustus 2007 in Amerika is ontstaan. In Japan heeft een daling van 0,3 procentpunten plaatsgevonden, in ve rgelijking met een stijging van 0,5 procentpunten het jaar daarvoor. 1 o.a Rusland, Ukrainekazkhstan, Belarus,Turkmenistan 2 deze groep wordt gevormd door China, Zuid -Azie (India, Pakistan, Bangladesh), Asea n5 (Indonesie, Thailand, Filipijnen, Malaysi a en Vietnam) Jaargang 8 26

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Ook in de Europese Unie is het BBP gedaald ten opzichte van het jaar daarvoor. In 2007 is een rele BBP van 2,6 procent gemeten, tegenover een rele BBP van 2,8 procent in 2006. In de opkomende landen en ontwikkelingslanden is in 2007 de economie met bijna 8 procent gegroeid; ten opzichte van 2006 is dit een verbetering van 0,1 procentpunten. Tabel 1. Bruto Binnenlands Product, Reel 2005-2008 2005 2006 2007 2008 1. Ontwikkelde landen, waarvan: Verenigde Staten 3,1 2,9 2,2 0,5 Europese Unie 1,6 2,8 2,6 1,4 Japan 1,9 2,4 2,1 1,4 Verenigd Koninkrijk/Engeland 1,8 2,9 3,1 1,6 Canada 3,1 2,8 2,7 1,3 Overige ontwikkelde landen 3,2 3,8 3,9 4,0 Subtotaal 2,6 3,0 2,7 1,3 2. Opkomende landen en ontwikkelingslanden, waarvan : Afrika 5,7 5,9 6,2 6,3 Centraal en Oost Europa 6,1 6,6 5,8 4,4 Verenigd Onafhankelijke Staten 6,5 8,2 8,5 7,0 Opkomend Azi 9,0 9,6 9,7 8,2 Midden Oosten 5,7 5,8 5,8 6,1 Latijns Amerika en Caribische Gebied 4,6 5,5 5,6 4,4 Subtotaal 7,1 7,8 7,9 6,7 Totaal 4,4 5,0 4,9 3,7 Deze verbetering wordt veroorzaakt door het feit dat op Centraal en Oost Europa na alle landen in deze groep een stijging ten opzi chte van 2006 hebben meegemaakt. De hoogste stijging die is waargenomen bedraagt 0,3 procentpunten (Afrika en Verenigd Onafhankelijke Staten). In het Midden Oosten is het percentage constant gebleven. Centra al en Oost Europas rele BBP is in 2007 gedaald met liefst 0,8 procentpunten, terwijl het in het jaar daarvoor een stijging heeft meegemaakt van 0,5 procentpunten. Tabel 1 geeft verder aan dat het rele BBP in Opko mend Azi in alle jaren het hoogste percentage heeft. In 2007 wordt zelfs een percentage van 9,7 procent genoteerd. Van Opkomend Azi is het vooral China die in 2007 opvalt. (11,4 %). In dit land heeft er onder andere een sterke investeringsgroei plaatsgevonden evenals een groei in de netto exporten. Een ander land dat opvalt in de opkomende en on twikkelingslanden is de Verenigd Onafhankelijke Staten; hier is in 2007 een percentage van 8,5 procent gemeten. Nummer 3 27

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine In 2007 bedraagt het rele BBP van LatijnsAmerika en het Caribische gebied 5,6 procent; het hoogste percentage dat door deze groep van landen is behaald sedert 1970. Van deze groep zijn het vooral Argentini, Dominicaanse Republiek, Peru, Panama en Venezuela die in 2007 opvallen (zie tabel 1a). De toename van de binnenlandse vraag in deze landen kan als grootste oorzaak van de groei worden genoemd. Inflatie Zoals eerder gezegd zijn behalve het rele BBP ook de ontwikkelingen van de inflatie en het saldo op de lopende rekening van belang. Het inflatiepercentage is in de ontwikkelde landen gedaald van 2,4 procent in 2006 naar 2,2 procent in 2007. De daling heeft met name plaatsgevonden in de Verenigde Staten en het Eurogebied. Het inflatiepercentage in de Verenigde Staten is met 0,3 procentpunten gedaald van 3,2 in 2006 naar 2,9 in 2007. In het Eurogebied is het inflatiecijfer met 0,1 procentpunten gedaald, terwijl het in he t jaar daarvoor constant is gebleven. Tabel 1a: rele BBP, LatijnsAmerika en het Caribische Gebied, geselecteerde landen 2006 2007 Argentini 8,5 8,7 Colombia 6,8 7,0 Dominicaanse Republiek 10,7 8,5 Panama 8,7 11,2 Peru 7,6 9,0 Uruguay 7,0 7,0 Venezuela 10,3 8,4 Het inflatiecijfer van Canada is in vergelijking met de overige landen in deze groep wel gestegen, namelijk van 2,0 in 2006 naar 2,1 procent in 2007. Verder toont de tabel aan dat het hoogste inflatieci jfer in 2007 uit de eerste categorie landen is gemeten in de Verenigde Staten (2,9%). Terwijl in de ontwikkelde landen het algemeen inflatiecijfer is gedaald, wordt in de opkomende en ontwikkelingslanden een ander beel d waargenomen. Het inflatiecijfer is namelijk gestegen met 1,0 procentpunten. Op Afrika na verton en alle landen in deze groep een stijging van het inflatiecijfer ten opzichte van 2006. Opvallend is de stijging in het Middenoosten en Latijn sAmerika en Opkomend Azi, met respectievelijk 3,4 en 1,2 procentpunten. In 2007 noteert het Midden-Oosten ook het hoogste percentage van 10,4, gevolgd door de Verenigd Onafhankelijke Staten met 9,7 procent. Jaargang 8 28

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Tabel 2. Inflatie, jaarlijkse procentuele verandering, 2005-2008 2005 2006 2007 2008 1. Ontwikkelde landen, waarvan: Verenigde Staten 3,4 3,2 2,9 3,0 Europese Unie 2,2 2,2 2,1 2,8 Japan -0,3 0,3 nb 0,6 Verenigd Koninkrijk/Engeland 2,0 2,3 2,3 2,5 Canada 2,2 2,0 2,1 1,6 Overige ontwikkelde landen 2,1 2,1 2,1 2,6 Subtotaal 2,3 2,4 2,2 2,6 2. Opkomende en ontwikkelingslanden, waarvan: Afrika 7,1 6,4 6,3 7,5 Centraal en Oost Europa 5,1 5,4 5,6 6,4 Verenigd Onafhankelijke Staten 12,1 9,5 9,7 13,1 Opkomend Azi 3,8 4,1 5,3 5,9 Midden Oosten 6,2 7,0 10,4 11,5 Latijns Amerika en Caribische Gebied 6,3 5,3 6,4 6,6 Subtotaal 5,7 5,4 6,4 7,4 Saldo lopende rekening Hoewel de lopende rekening van de betalingsbalans in de ontwikkelde landen in 2007 een negatief saldo vertoont, is er ten opzichte van 2006 een verbetering opgetreden. Het saldo stijgt namelijk van -1,5 procent van BBP na ar -1,2 procent van het BB P. Opvallend hier is dat Japan in alle jaren een positief saldo kent, in alle jaren is het zelfs het hoogst in vergelijking met andere landen uit deze groep. Tabel 3. Saldo lopende rekening (in % van BBP), 2005-2008 2005 2006 2007 2008 1. Ontwikkelde landen, waarvan: Verenigde Staten -6,1 -6,2 -5,3 -4,3 Europese Unie 0,2 -0,1 -0,2 -0,7 Japan 3,6 3,9 4,9 4,0 Verenigd Koninkrijk/Engeland -2,5 -3,9 -4,9 -4,8 Canada 2,0 1,6 0,9 -0,9 Overige ontwikkelde landen 1,6 1,5 2,1 2,9 Subtotaal -1,3 -1,5 -1,2 -1,1 2. Opkomende en ontwikkelingslanden, waarvan: Afrika 1,9 3,1 0,1 1,7 Centraal en Oost Euro pa -4,7 -6,3 -6,6 -7,2 Verenigd Onafhankelijke Staten 8,8 7,5 4,5 4,8 Opkomend Azi 4,0 5,9 6,7 5,5 Midden Oosten 19 ,7 20,9 19,8 23,0 Latijns Amerika en Caribische Gebied 1,4 1,5 0,5 -0,3 Subtotaal 4,1 4,8 4,5 4,2 Nummer 3 29

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine In de opkomendeen ontwikkelingslanden wordt in 2007 een andere beeld waargenomen dan in de eerste categorie landen. Hier vertoont de lopende reke ning een positief saldo van 4,5 procent, terwijl in vergelijking met het jaar daarvoor een verslechtering is opgetreden. Het saldo is namelijk achteruit gegaan met 0,3 procentpunten. De oorzaken hiervan zijn gelegen in het feit dat in de totale importen in deze groep van landen kleiner zijn dan de importen en de importen re latief ook minder snel stijgen dan de exporten. Hetenige land wiens betalingsbalans is verbeterd ten opzichte van 2006 is Opkomend Azi. In deze groep landen zijn het voornamelijk de exporten van China naar de regio (Opkomend Azi) die gestegen zijn. Het totaal positief saldo van 4,5 procent kan worden verklaard door het feit dat de meeste landen een surplus vertonen; het Midden Oosten noteert zelfs een surplus van 19,8 procent van BBP. De meeste landen uit het Midden Oosten zijn olie-exporteurs en door de hoge olieprijzen in 2007 zijn de exportopbrengsten dan ook hoog. Verwachting 2008 Rele BBP Voor 2008 wordt de groei van de wereldeconomie op 3,7 procent BBP geschat, 0,8 procent punten minder dan in 2007. In beide groepen van landen wordt een mind er sterke groei verwacht.(zie tabel 1) Tabel 1 toont aan dat in de ontwikkelde landen een groei van 1,3 procent wordt verwacht, hetgeen een vermindering zal zijn van 1,4 procentpunten. Op de overige ontwikkelde landen na zullen alle landen in deze groep een verslechtering meemaken ten opzichte van 2007. Voor de opkomende -en ontwikkelingslanden wordt ve rwacht dat ze met 1,2 pr ocent achteruit zullen gaan. Op Afrika en het Midden-Oosten na zullen alle landen in deze categorie er slechter op worden. De economische groei in Afrika zal in 2008 met 0,1 procentpunten vooruitgaan, en in het MiddenOosten met 0,2 procentpunten. Inflatie Naar verwachting zal de inflatie in de ontwikkelde landen in 2008 met 0,4 procentpunten stijgen ten opzichte van 2007. De inflatie zal in alle landen oplopen; in de Europese Unie zelfs met 0,7 procentpunten. Ook in de opkomende landen en ontwikkelingslanden zal de inflatie oplopen en wel met 1 procentpunt. Het land dat in deze groep het meest zal opvallen is de Verenigde Onafhankelijke Staten, waarin het inflatiecijfer met 4,4 procentpun ten zal stijgen, namelijk van 9,7 procent in 2007 naar 13,1 procent in 2008. Dit land zal tevens he t hoogste cijfer hebben in 2008, gevolgd door het Midden Oosten (11,5%). (zie tabel 2) Jaargang 8 30

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Lopende rekening van de betalingsbalans Tabel 3 geeft aan dat de lopende rekening van de betalingsbalans in de ontwikkelde landen enigszins zal verbeteren; het saldo zal echter negatief blijven (-1,1% van het BBP). Canada, de Europese Unie en Japa n vallen hier het meest op. Het sa ldo op de lopende rekening in Canada zal van een positief saldo (0,9%) overslaan in een negatief saldo (-0,9%). In de Europese Unie zal het negatief saldo van -0,2 met 0,5 proc entpunten achteruitgaan tot -0,7 procent. Japan daarentegen zal een positief saldo behouden hoewel het met 0,9 procentpunten zal dalen. Ondanks het feit dat in het Midden Oosten het sald o zal toenemen met maar liefst 3,2 procentpunten zal het algehele saldo in de tweede categorie van la nden toch afnemen en wel van 4,5 procent in 2007 naar 4,2 procent in 2008. Dit komt omdat in de meeste landen een daling zal plaatsvinden. Conclusie Bij vergelijking van de ontwikkeli ng van het rele BBP in de twee gr oepen van landen valt op dat de economie van de opkomende en ontwikkelingslanden zowel in 2007 als in 2008 harder groeit. In 2007 is de rele BBP van de opkomende en ontwikkelingslanden bijna driemaal zoveel als dat in de ontwikkelde landen en in 2008 bijna vijfmaal. De economie van de opkomende en ontwikkelings landen groeit ook ha rder dan dat van de wereldeconomie; dit geldt zowel voor 2007 als 2008. Ten aanzien van de inflatie kan hetzelfde worden gezegd. Ook hier is het inflatiecijfer van de opkomende en ontwikkelingslanden hoger als dat in de ontwikkelde landen. Ook ten aanzien van het saldo van de lopende reke ning kan worden gesteld dat de opkomende en ontwikkelingslanden er beter voor staan dan de ontwikkelde landen In deze groep van landen is voor elk jaar een positief saldo gemeten, terwijl in de eerste groep landen steeds een negatief saldo is genoteerd. Nummer 3 31