Citation
Modus Jaargang 9 Nummer 1

Material Information

Title:
Modus Jaargang 9 Nummer 1

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redaction eel ................................................... iii Demografie Cu raao ...................................... 1 Prijsontw i kkelingen Ned. Antillen 2008 ........ 11 Onderzoek naar mig r anten ............................ 20 Conjunctuurenqute Bonaire en Curaao .... 31 Income development in Bona ire ................... 38 Onderstand en gebruik subsidieregelingen 42 Aanbod en verbruik goederen, diensten ...... 48 Register Modus Statistisch Ma gazine Jrg 8 53 Numm er 1 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen ii Jaargang 9

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Zoals veel eilanden in de regio kan het verloop van de bevolking van Curaao in de laatste honderd jaar bepaald niet als evenwichtig worden beschouwd. Verschillende, elkaar soms verstevigende, oorzaken liggen hieraan ten grondslag. In Curaao sloot de eerste demografische transitie relatief laat af. Het geboortecijfer nam pas in de jaren van de vorige eeuw sterk af. De tweede demografische transitie zette zich daarna in. Kenmerken van deze maatschappelijke ontwikkeling zijn een verdere daling van het geboortecijfer, tot zelfs onder de vervangingswaarde, kleinere gezinnen waarbij met name het aantal alleenstaanden toeneemt, en een blijvend laag sterftecijfer ook door een toenemende levensverwachting. De vergrijzing van de bevolking van Curaao werd daardoor ingezet. Deze trend werd door migratie versterkt. In de er en er jaren nam het vertrekoverschot toe, waardoor de bevolkingsgroei nog verder werd afgeremd. Twee grote emigratiegolven, na 1985 en rond de millenniumwisseling, zijn er de oorzaak van dat de bevolking in die perioden daalde. Doordat relatief veel jongeren vertrokken nam de vergrijzing versneld toe. De laatste jaren is er duidelijk sprake van een vestigingsoverschot. Dit is historisch gezien een bijna unieke situatie die de bevolking versneld doet toenemen, maar nog geen invloed uitoefent op de vergrijzing, omdat de jongeren in de samenleving niet worden vervangen. Curaao vergrijst door dit alles in een hoog tempo, hetgeen op korte termijn versterkt zal worden doordat de babyboomers de leeftijdsgrens van 60 jaar nu snel naderen. De maatschappelijke consequenties van de vergrijzing zijn duidelijk. De economische basis waarop pensioensuitkeringen in het huidige omslagstelsel zijn gebaseerd wordt relatief steeds smaller. Verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, zoals in de plannen voor hervorming van het pensioenstelsel wordt voorgesteld, zal deels een tijdelijke verlichting geven, en deels de economische basis vergroten. De economische basis kan ook in gevaar komen onder invloed van de huidige internationale economische crisis. Een krimp in de economie zal afdracht van pensioenpremies kunnen drukken. De indruk bestaat alom dat Curaao de crisis relatief ongeschonden door zal komen, in afwijking van landen in de regio die in hogere mate afhankelijk zijn van het toerisme. Desondanks is er geen sprake van zorgeloosheid bij de ondernemers. Het vertrouwen in de economie is in de loop van 2008 zichtbaar gedaald, en ook de mening dat het investeringsklimaat goed is, welke in de voorgaande drie jaren spectaculair was toegenomen, is in de laatste periode afgenomen. Nieuwe cijfers uit de komende onderzoeken van het CBS onder bedrijven en huishoudens zullen meer inzicht geven in de recente ontwikkelingen op het gebied van de economische groei en de arbeidsmarkt. Colofon Uitgave : Centraal Bureau voor de Statistiek Redactie: Francis Vierbergen Maureen Bergwijn-Blokland Sabrina Dinmohamed Maria Duyndam Harely Martina Ostrid Girigori Adres: Fort Amsterdam, Willemstad, Curaao, Nederlandse Antillen. Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 E-mail: info@cbs.an Website: www.cbs.an Auteursrechten: Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Abonnementen: Modus verschijnt vier maal per jaar. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= Nummer 1 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine iv Jaargang 9

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Demografie Curaao; bevolkingsontwikkeling en vergrijzing Menno ter Bals Inleiding In dit artikel wordt de ontwikkeling van de bevolkings omvang en de leeftijdsopbouw van de bevolking van Curaao van halverwege de 20e eeuw tot 2008 beschreven. Er wordt met name gekeken naar deze periode omdat voor deze periode een bijna volledige historische reeks aa n bevolkingsstatistieken aanwe zig is in tegenstelling tot de periode voor 1950. Verschillende factoren van bevolkingsgr oei worden nader onder de loep genomen, namelijk geboorte, sterfte en migratie, de drie componenten van bevolkingsverandering. Een aantal vragen staat centraal in dit artikel. Hoe heeft de bevolkingsomvang en de leeftijdsopbouw van de bevolking van Curaao zich ontwikkeld in het verleden ? Welke demografische oorzaken zijn aan te wijzen voor deze ontwikkeling? Wat kan Curaao in de toekomst verwachten op het gebied van ontwikkeling van de bevolkingsomvang en de leeftijdsopbouw van de bevolking? In het artikel is getracht zoveel mogelijk volledige st atistische historische reekse n weer te geven. Echter in sommige gevallen ontbreekt voldoende informatie en is de serie cijfers onvolledig of alleen voor een beperkte periode beschikbaar. De data die gebruikt is is afkomstig van de bevolkingsregisters van de eilanden en van de verschillende volkstellingen. Daarbij moet in acht worden genomen dat alleen mutaties van gere gistreerde personen worden meegeteld in de ve rschillende cijfers. In het eerste hoofdstuk wordt de ontwikkeling van de bevolkingsomvang van Curaao behandeld. Daarna wordt in het tweede hoofdstuk dieper ingegaan op de ontwikkeling van de leeftijdsopbouw van de Curaaose bevolking. Tenslotte wordt er een toekomstperspectief gegeven over de bevolking van Curaao. Ontwikkeling van de bevolkingsomvang Explosieve bevolkingsgroei Over de afgelopen twee eeuwen is Curaao gegroe id van een eiland met 12.000 inwoners naar een eiland met ruim 140.000 inwoners. De meest explos ieve bevolkingsgroei heeft zich vanaf ca. 1920 voorgedaan. In vijftig jaar tijd wordt de bevolking ruim 4,5 keer zo groot (zie figuur 1). Met name in de jaren 0 en begin jaren vindt door een hoog geboortecijfer en een laag sterftecijfer een grote aanwas van de bevolking plaats. Het gemiddeld aantal kinderen dat een Curaaose vrouw krijgt in de jaren 50 is meer dan 5. Nummer 1 1

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine Figuur 1 0 20000 40000 60000 80000 100000 120000 140000 160000 180000 Bevolkingsomvang Curaao, 1818-2008 Gedurende de jaren 60 en 70 is het geboortecijfer significant gedaald. Rond 1960 worden er jaarlijks nog 35 kinderen per 1.000 inwoners geboren, maar in 1975 is dit al gezakt naar 19 kinderen per 1000 inwoners. Het sterftecijfer is nagenoeg gelijk gebleven in deze periode, ca. 5 sterfgevallen per 1.000 inwoners per jaar. Het kleiner wordende verschil tussen geboorteen sterftecijfer in deze periode leidt uiteindelijk tot een afname van de natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte waarbij migratie buiten beschouwing wordt gelaten) (figuur 2). Figuur 2 0 5 10 15 20 25 30 35 40 Per 1000 inwonersGeboortecijfer, sterftecijfer en natuurlijke bevolkingsgroei Curaao, 1946-2007 Geboorte Sterfte Natuurlijke bevolkingsgroei Tegelijkertijd heeft Curaao in deze periode te maken met een vertrekoverschot. Dat wil zeggen dat jaarlijks meer mensen emigreren dan dat er als immigrant bijkomen. Deze trend was al rond 1954 ingezet en heeft aangehouden, met enkele kleine uitzonderingen daargelaten, tot 1993 (figuur 3). 2 Jaargang 9

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Figuur 3 -8000 -6000 -4000 -2000 0 2000 4000 6000 8000 10000 12000 Migratie Curaao, 1946-2007 immigratie emigratie netto migratie Tussen begin jaren 70 en halverwe ge jaren 80 zien we dat de bevolkingsomvang min of meer stabiliseert en dat het verloop van de grafiek iets grilliger wordt (figuur 1). Tot halverwege de jaren 0 schommelt de bevolkingsomvang tussen ca. 146. 000 en de absolute piek van 153.000 in 1986. Doordat het geboortecijfer vanaf 1974 blijft schomme len rond de 20 geboortes per 1.000 inwoners en het sterftecijfer nog altijd rond de 5 sterftes per 1.000 inwoners blijft stabililiseert de natuurlijke bevolkingsgroei zich rond de 2.000 personen per jaar (figuur 2). Tegelijkertijd blijft het vertrekoverschot bestaan tussen 1970 en 1985 zond er een zichtbaar waarneembare positieve of negatieve trend. Dat wil zeggen dat over deze periode ook de netto migratie (immigratie min emigratie) min of meer stabiel blijft (figuur 3) en er dus nog altijd meer mensen vertrekken van het eiland dan dat er zich vestigen op het eiland. Bevolkingskrimp Na 1986 begint de bevolking van Curaao te krim pen. Met uitzondering va n een opleving tussen 1993 en 1997 neemt de bevolking af van 153.000 personen naar een kleine 127.000 personen in 2002 (figuur 1). Was in de periode voor 1986 de natuurlijke bevolkingsgroei nog de belangrijkste component van bevolkingsgroei, na 1986 wordt de andere component, migratie, overwegend de belangrijkste component (figuur 4), met uitzondering van de jaren 1 992-1994 en 1997 (data voor 1995 en 1996 is niet beschikbaar). Dit betekent dat de omvang van de netto migratie groter is dan de omvang van de natuurlijke bevolkingsgroei. In dit geval is het ve rtrekoverschot groter dan het geboorteoverschot. Nummer 1 3

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine Figuur 4 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Componenten van bevolkingsgroei Curaao, 1946-2007 natuurlijke groei netto migratie Tussen 1986 en 1992 vindt er een grote emigratiegolf plaats op Curaao. Terwijl de immigratie in deze periode vrijwel constant blijft neemt de emigratie fors toe tussen 1986 en 1988 en blijft op een hoog niveau tot 1992 (figuur 3). Tegelijkertijd blijft het ge boortecijfer nog altijd rond de 20 geboorten per 1.000 inwoners schommelen, maar zien we een toenam e van het sterftecijfer. Het cijfer loopt op van 6 naar 8 sterfgevallen per 1.000 inwoners tussen 1986 en 1992 (figuur 2). Dus aan de ene kant vertrekken er veel personen van het eiland en aan de andere kant sterven er steeds meer mensen. Bij elkaar zorgt dit voor een afname van de bevolkingsomvang. Tweede emigratiegolf Hierop volgen enkele jaren waarin de emigratieg olf tot een einde komt en de immigratie iets toeneemt. De netto migratie bereikt in de jaren 1993 en 1994 zelfs positieve waarden: er vestigen zich meer mensen op Curaao dan dat er vertrekken. De natuurlijke bevolkingsgroei blijft stabiel, want er vindt vrijwel geen verandering plaats in het geboor tecijfer en het sterftecijfer. Als gevolg hiervan groeit de bevolking dus weer wat in de periode 1993-1997 in plaats van verder te krimpen zoals in de jaren daarvoor. Echter, de opleving is van korte du ur, want in 1998 dient een volgende emigratiegolf zich aan. De emigratie loopt op van zon 2.900 emig ranten in 1994 tot een recordhoogte van meer dan 10.000 emigranten in 2000 (figuur 3). Tegelijkertijd neemt de immigratie iets af, alhoewel in geringe mate, van een kleine 4.500 in 1997 tot 3.700 in 1999. Opvallend is dat vanaf 1997 het geboortecijfer in ko rte tijd fors afneemt. Het geboortecijfer lag sinds 1993 rond de 21 geboortes per 1.000 inwoners, maar in drie jaar tijd neemt dit af naar 15 geboortes (figuur 2). De oorzaak hiervan is de forse afna me van het aantal vrouwen in de zogenaamde vruchtbare leeftijd (15-44 jaar)(figuur 5). De afname is met name groot bij de groep vrouwen in de leeftijd van 20 tot en met 35 jaar, de leeftijd en waartussen de meeste geboortes plaatsvinden. 4 Jaargang 9

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Figuur 5 0 5000 10000 15000 20000 25000 30000 35000 40000 Totale vrouwelijke bevolking per leeftijdsgroep Curaao, 1992-2008 0-14 15-44 45+ Het sterftecijfer blijft redelijk constant op ca. 8 sterfgevallen per 1.000 inwoners tussen 1998 en 2002. De sterke afname van het aantal kinderen dat geboren wordt in combinatie met de torenhoge emigratie heeft een aanzienlijk effect op de bevo lkingsomvang. De omvang van de bevolking neemt af van iets meer dan 147.000 in 1998 naar nog ge en 127.000 in 2002 (figuur 1). Met andere woorden een afname van ruim 20.000 person en in slechts vier jaar tijd. Positieve migratie Wat betreft migratie is de periode na 1986 dus behoorlijk turbulent met twee grote emigratiegolven. Echter in 2002 lijkt het tij weer te keren en begi nt een periode waarin sprake is van een positieve immigratietrend. Ieder jaar vestigen zich meer immigranten op Curaao dan dat er emigranten vertrekken. Tussen 2002 en 2007 komt dit neer op een gemiddeld vestigingsoverschot van zon twee drieduizend personen per jaar, hoewel in 2007 he t vestigingsoverschot met 1151 personen een stuk lager is dan in voorgaande jaren (tabel bijlage 1). Dit is vrij uniek omdat sinds 1947 het vestigingsoverschot niet zo groot is geweest. De natuurlijke bevolkingsgroei is inmiddels naar een historisch dieptepunt gezakt (grafiek 2). Na 2002 neemt het geboortecijfer verder af naar ie ts meer dan 13 geboortes per 1.000 inwoners. Het sterftecijfer loopt in 2002 en 2003 op naar bijna 9 sterfgevallen per 1.000 inwoners maar neemt daarna weer af naar 8 sterfgevallen per 1000. Geboorteen sterftecijfer zijn in de loop der jaren dus steeds dichter bij elkaar komen te liggen (figuur 2). Dat wil zeggen dat het geboorteoverschot is afgenomen. In 1958 lag het geboorteoverschot nog op 30 geboorten per 1.000 inwoners, in 2007 is dat nog slechts 5. Ter vergelijking, in Nederland werden in 2007 el f kinderen per 1.000 inwone rs geboren en stierven er 8 inwoners per 1.000 1 Als gevolg van de positieve netto migratie is de bevolking van Curaao weer toegenomen naar iets meer dan 140.000 inwoners op 1 januari 2008. 1 Informatie van website http://statline.cbs.nl laatst bezocht op 19 augustus 2009 Nummer 1 5

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine Ontwikkeling van de leeftijdsopbouw De verschillende ontwikkelingen die in het voorg aande stuk zijn beschreven hebben niet alleen invloed op de omvang van de bevolking, maar ook op de leeftijdsopbouw van de bevolking. Met name de afname van het geboortecijfer en het langdurige vertrekovers chot tussen 1954 en 1993 hebben duidelijke sporen nagelaten in de leeftijdsst ructuur van de bevolking. Daarbij is er een derde factor die van groot be lang is in deze veranderingen in leeftijdsopbouw: een toenemende levensverwachting. Het volgende gedeelte zal deze ontwikkelingen verhelderen. Volkstellingen Sinds 1960 is ieder decennium een volkstelling (Census) gehouden in Curaao waardoor de ontwikkeling van de leeftijdsstruct uur van de bevolking mooi in beeld te brengen is. Figuur 6 geeft het verloop weer en laat tevens een toekomstprognose zien van de leeftijdsopbouw. Figuur 6 0 10 20 30 40 50 60 70 80 10%8%6%4%2%0%2%4%6%8%10%Leeftijdsopbouw bevolking Curaao 1960 1972 1981 1992 2001 2030 Male Female In 1960 vindt de eerste Census plaats op Curaao. Uit de gegevens van deze volkstelling is duidelijk te zien dat er een aanzienlijke geboortegolf he eft plaatsgevonden in he t voorgaande decennium: kinderen in de leeftijdscategorien tot 15 jaar zijn zeer dominant vertegenwoordigd in de bevolking ten opzichte van de hogere leefti jdscategorien (figuur 6). 41,5 Procent van de bevolking van Curaao is jonger dan 15 in 1960 terwijl 6,7 procent van de bevolking 60 jaar en ouder is. 6 Jaargang 9

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Afname jongere bevolking, toename oudere bevolking Na 1970 is duidelijk te zien dat door het afgenomen geboortecijfer het aandeel van de leeftijdsgroep 0-14 jaar is afgenomen van bijna 40 procent in 1972 naar rond de 28 procent halverwege de jaren 80 (figuur 6). Ook de emigratie heeft invloed gehad op deze afname (zie het stuk migratie uitgelicht). Over het algemeen emigreren namelijk vooral jongere mensen. De afname van de natuurlijke bevolkingsgroei gecombineerd met het vertrekove rschot van vooral jongere mensen zorgen langzamerhand voor een groei van het aandeel oudere personen ten opzichte van het aandeel jongere personen in de bevolking. Het aandeel 60 plussers neemt toe van ongeveer 8 pr ocent naar 9,5 procent in de periode 1970-1985. De grootste groei vindt in deze periode nog plaats in de leeftijdsgroep 15-59 jaar. Dat is een logisch gevolg van afname in de leeftijdsgroep 0-14 jaar, deze personen worden ouder en stromen door naar de volgende leeftijdsgroep terwijl er weinig aanwas van nieuwe personen is in de 0-14 leeftijdscategorie. Figuur 7 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Relatieve leeftijdsverdeling bevolking Curaao, 1972-2008 0-14 15-59 60+ De emigratiegolf van 1986-1992 en de toename van het sterftecijfer in deze periode heeft op de leeftijdsopbouw van de bevolking niet bijzonder veel invloed. Wel is te zien dat de ingezette trend van afname van de leeftijdsgroep 014 jaar en toename van de leefti jdsgroep 60+ verder doorzet. De groep 60 + neemt toe naar 11,4 procent en de groep 0-14 jaar neemt af tot 26 procent in 1992 (figuur 7). Wanneer de bevolkingspiramide van de volkstellin g van 1992 vergeleken wordt met die van 1981 is de ontwikkeling van deze leeftijdsgroepen duidelijk te zien. De basis van de piramide is iets smaller geworden en de top van de piramide is iets in omvang toegenomen (figuur 6). Omdat de aanwas van de jongste leeftijdsgroep in de jaren 1998-2002 drastisch is verminderd door het dalende geboortecijfer en het jongere deel va n de bevolking (<40) eveneens sterk is afgenomen door de enorme emigratie verschuiven de verhoudingen in de bevolkingssamenstelling nog meer. De groep 60 plussers neemt verder toe van 12,6 pr ocent in 1998 naar 15,9 procent in 2002 en de leeftijdsgroep 0-14 jaar neemt af van 26,2 procent in 1998 tot 23,4 procent in 2002. Nummer 1 7

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine Ook na 2002 zetten deze ontwikkelingen zich voort. Tot 2008 blijft het aandeel jongeren afnemen en het aandeel 60+ toenemen in de bevolking van Curaao. Opvallend verder is dat het aandeel bevolking in de leeftijdscategorie 15-59 tussen 1985 en 2008 vrijwel constant is gebleven met circa 61 procent. In de bevolkingspiramides van de verschillende volkstellingen is dus duidelijk te zien hoe sterk de groep jongeren tot 15/20 jaar tussen 1960 en 2001 afneemt en de bevolking van 60 jaar en ouder behoorlijk toeneemt (figuur 6). Zien we in 1960 no g een piramide met een grote basis, zo zien we deze bulk langzaam omhoog schuiven en de basis steeds smaller worden; de grote groep mensen die in de jaren 0 en 60 zijn geboren wordt ouder en schuift omhoog naar de volgende leeftijdscategorien. De aanwas onderaan de pirami de neemt af doordat er minder kinderen geboren worden. Tegelijkertijd wordt de top van de piramide steeds breder doordat meer en meer mensen in de hoogste leeftijdscategorien terecht komen. Toename levensverwachting Daarbij is de levensverwachting voor zowel ma nnen als vrouwen in Curaao tussen 1960 en 2007 toegenomen. Kon een man die geboren werd in 1960 nog verwachten 69,2 jaar oud te worden, zo kon een man geboren in 2007 verwachten bijna 72,2 jaar oud te worden. Voor vrouwen zijn deze levensverwachtingen respectievelijk 73,5 jaar en 79,6 jaar. Vrouwen leven dus over het algemeen langer dan mannen en daar bij is de levensverwachting voor vrouwen een stuk meer toegenomen dan voor mannen. Vergrijzing De beschreven ontwikkelingen, namelijk het afnemen van het geboortecijfer, het vertrekoverschot en de toenemende levensverwachting, bij elkaar opge teld zorgen voor een nieuwe ontwikkeling binnen de Curaaose bevolking: vergrijzing. Dat wil zeggen dat het aandeel ouderen in de bevolking gestaag doorgroeit ten opzichte van de jongere bevolking en dat ouderen steeds langer leven. In het kort samengevat is dus de groep 60 plus sers toegenomen van 6,7 procent van de totale bevolking van Curaao in 1960 naar bijna 17 procent in 2008. De groep 0-14 jarigen is daarentegen afgenomen van 41,5 procent van de bevolking in 1960 naar net geen 22 procent in 2008. De komende twee decennia zal het proces van vergrijzing alleen maar sterker worden omdat de grote groep mensen die in de jaren 50 en 60 zijn geboren dan de 60-jarige leeftijd zullen gaan bereiken (zie figuur 6; 2030). Daarbij geldt dat de levensverw achting is toegenomen en deze in de toekomst vermoedelijk nog wat verder zal toenemen. Migratie uitgelicht Omdat migranten grotendeels tot de leeftijdsgroepen onder de 40 jaar behoren (meer dan 70 procent van de migranten, zowel immigranten als emigranten) is in de periode vanaf 2002 het proces van de vergrijzing wellicht afgeremd (tabel bijlage 1). Er vindt door het vestigingsoverschot immers enige groei plaats van de bevolking jonger dan 40 jaar. De tabel laat duidelijk zien dat na 2002 de aanwas van de bevolking jonger dan 40 jaar groter is dan de aanwas van bevolking ouder dan 40 jaar. Toch 8 Jaargang 9

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine moet hier enige nuance in worden aangebracht omdat de leeftijdsopbouw van immigratieen emigratiestromen verschillend is. Meer dan de helft van de emigranten is jong er dan 25 jaar terwijl iets minder dan 40 procent van de immigranten jong er is dan 25. Als er nog nauwkeuriger naar de migratiestromen wordt gekeken is duidelijk te zien da t vooral jongeren tussen de 15 en 25 jaar het eiland verlaten. Zij vormen 1/3 deel van de groe p emigranten terwijl slechts 15 procent van de immigranten tussen de 15 en 25 jaar is. Deze groep laat een vrijwel continu vertrekoverschot zien waar andere leeftijdsgroepen een vestigingsoverscho t laten zien. Met andere woorden, veel jongeren tussen 15 en 25 jaar vertrekken van het eiland en worden niet vervangen door jonge immigranten. Dit heeft vooral te maken met jongeren die na ar het buitenland vertrekken om te studeren. Het proces van vergrijzing heeft dus ondanks een ve stigingsoverschot doorgezet en het deel van de bevolking van 60 jaar en ouder is toegenomen tot bijna 17 procent in 2008. Het deel jongeren 0-14 jaar is afgenomen tot 21,6 procent in 2008. Wanneer de gr oep jongeren wordt uitgebreid naar 0-24 jaar dan is een afname te zien van 57,4 procent van de bevolking in 1960 naar 34,8 procent in 2008. Conclusie Een hoog geboortecijfer en een laag sterftecijfer in de jaren en begin jaren hebben bijgedragen aan de explosieve bevolkingsgroei op Curaao die r eeds vanaf de jaren 20 was ingezet. Echter, door een sterke afname van het geboortecijfer gedurend e de jaren en onstond een afname van de natuurlijke bevolkingsgroei. Gedurende de jaren en neemt het vertrekoverschot eveneens toe waardoor, in combinatie met de afnemende natuurlijke bevolkingsgroei, de bevolkingsgroei afneemt. Dit vertrekoverschot dat eind jaren 50 is ingezet houdt vrijwel continu aan tot begin jaren Tussen 1970 en 1986 stabiliseert het vertrekoverschot zich en ook de natuurlijke bevolkingsgroei is min of meer constant. Als gevolg hiervan verandert ook de bevolk ingsomvang niet veel in deze periode. Na 1986 ontstaan er twee emigratiegolven, van 1986 tot 1992 en van 1998 tot 2002. Een fors vertrekoverschot tijdens deze emigratiegolven en een toename van het sterftecijfer leiden tot bevolkingskrimp. Tevens vindt er een verschuiving plaats van na tuurlijke bevolkingsgroei naar migratie als belangsrijkste component van bevolkingsverandering. Na 1997 neemt door een forse afna me van het geboortecijfer de be volkingskrimp toe. De bevolking van Curaao begint echter weer te groeie n na 2002 door een vestigingsoverschot. Het vertrekoverschot dat tot begin jaren 0 aa nhield, wat grotendeels op het conto komt van personen jonger dan 40 jaar, in combinatie met de afnemende natuurlijke bevolkingsgroei en stijgende levensverwachtingen zorgen voor een proces van veroudering van de bevolking; vergrijzing. Het aandeel jongeren (0-14) binnen de bevolking begint af te nemen en het aandeel ouderen (60+) begint toe te nemen. Nummer 1 9

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Na 1997 komt de vergrijzing in een stroomversnelling terecht, mede door het afnemen van de jongste leeftijdsgroepen in de bevolking. Ook al onstaa t er weer een vestigingsoverschot na 2002, de vergrijzing blijft aanhouden doordat jongeren, met name tussen 15 en 25, niet vervangen worden in de bevolking. In de toekomst zal de vergijzing sterker toenemen doordat de grote groep personen die in de vruchtbare jaren 0 en zijn geboren de 60-jarige leeftijd zal gaan bereiken en dus zorgen voor een aanwas in de leeftijdsgroep 60+. En daarnaast is het aannemelijk dat de levensverwachting nog zal stijgen welke eveneens bijdraagt de groeiende omvang van de groep 60 plussers. Bijlage 1 Net migration Curaao, 1998-2007 net mig 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 0-4 -474 -477 -579 -332 36 131 219 319 213 155 5-9 -434 -557 -644 -401 6 186 201 308 200 152 10-14 -373 -423 -536 -287 -89 145 154 234 198 119 15-19 -687 -875 -1048 -802 -527 -226 -228 -68 -99 -243 20-24 -981 -1040 -1145 -811 -160 20 -3 74 -101 -289 25-29 -273 -520 -526 -255 660 642 470 567 391 284 30-34 -127 -371 -405 -164 853 720 392 391 392 267 35-39 -132 -329 -413 -197 708 533 273 296 246 196 40-44 -115 -304 -404 -202 419 371 168 198 181 178 45-49 -160 -260 -265 -168 179 162 124 111 132 105 50-54 -113 -154 -229 -145 102 85 38 32 114 62 55-59 -87 -124 -182 -118 18 54 49 57 51 17 60-64 -55 -95 -104 -63 -25 48 31 51 37 72 65-69 -37 -57 -53 -36 -25 40 24 55 39 49 70-74 -15 -36 -36 -34 -6 8 27 18 13 17 75-79 -3 -14 -23 -6 -4 -10 23 6 11 7 80-84 1 -12 -7 -9 -5 3 2 3 7 2 85+ 0 -1 -9 0 -3 -4 2 -2 4 1 total -4065 -5649 -6608 -4030 2137 2908 1966 2650 2029 1151 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 0-14 -1281 -1457 -1759 -1020 -47 462 574 861 611 426 15-24 -1668 -1915 -2193 -1613 -687 -206 -231 6 -200 -532 25-39 -532 -1220 -1344 -616 2221 1895 1135 1254 1029 747 40+ -584 -1057 -1312 -781 650 757 488 529 589 510 0-39 -3481 -4592 -5296 -3249 1487 2151 1478 2121 1440 641 40+ -584 -1057 -1312 -781 650 757 488 529 589 510 10 Jaargang 9

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Prijsontwikkelingen in de Nederlandse Antillen in 2008 Harry Blijenberg Achtergronden bij de inflatie in 2008 2008 was een jaar waarin wereldwijd de inflatie sterk steeg. De belangrijkst e drijvende factoren achter de inflatie in 2008 waren: De sterke economische groei in (zuid)oost Azi, met name in China en India. Hierdoor nam de vraag naar met name grondstoffen (olie, metalen, bouwmaterialen) en voedsel sterk toe, Vermindering van de beschikbaarheid van landbouwareaal in gebruik voor de verbouw van gewassen voor voedselconsumptie door concurrentie van ge wassen voor de productie van biobrandstoffen, De kredietcrisis, die vooral in de tweede helft van 2008 hard toesloeg en oversprong op de rele economie. Dit ging gepaard met een afname van de industrile productie en keer op keer forse neerwaartse bijstellingen van de verw achting voor economische groei. In 2008 hadden deze ontwikkelingen een direct effect op de prijzen van ruwe olie en andere grondstoffen, en van voedsel (zie grafiek 1): Grafiek 1 Prijsindexcijfers op de wereldmarkt voor een aantal commodities (bron: OPEC, Monthly Oil Market Report, January 2009) De prijs van ruwe olie steeg in de eerste helft van 2008 tot boven de US$ 147 per vat in juli door een sterke toename van de vraag vanuit met name In dia en China bij een gelijkblijvende productie. Daarnaast speelden speculatie op de termijnmarkten en conflicten in een aantal olieproducerende landen (Nigeria, Irak) een rol. De afnemende indust rile productie in de tweede helft van 2008 zorgde Nummer 1 11

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine voor een daling van de vraag naar olie. De olieprijs reageerde met een scherpe daling tot onder de US$ 34 per vat half december. Het effect van de olieprijs werkte vooral ook door in producten waarvoor ruwe olie als grondstof dient (zoals be nzine, diesel en kunststoffen) en producten en diensten waarvoor veel energie nodig is (zoals elektriciteit en transport). Ook veel delfstoffen, zoals metalen en grondstoffen voor gebruik in de bouw, werden in 2008 flink duurder, eveneens door de grote vraag vanuit zuidoost Azi. Onder invloed van de economische crisis daalden in de tweede helft van 20 08 ook de prijzen van deze producten. De sterke economische groei in China en India zorg de voor meer welvaart in deze landen, waardoor de vraag naar voedsel steeg. In reactie hierop st egen wereldwijd de voedselprijzen. Daarnaast stond het aanbod van voedsel onder druk: de hoge prijs van ruwe olie maakte het voor veel boeren aantrekkelijk om van gewassen voor de productie van voedsel over te schakelen op gewassen voor de productie van biobrandstoffen. Verder werd het aanbod beperkt door exportbeperkingen (rijst) en tegenvallende oogsten (mas). De sterk dalende olie prijs in de tweede helft van 2008 zorgde er voor dat de verbouw van biobrandstofgewassen st eeds minder rendabel werd, zodat arealen landbouwgrond weer beschikbaar kwamen voor de verbouw van voedselgewassen. Als importafhankelijk land konden de Nederlandse Antillen zich dan ook niet onttrekken aan de wereldwijde prijsontwikkelingen. Voor de Nederlandse Antillen speelde naast deze oorzaken ook de wisselkoersverhouding tussen de euro en de gulden een rol; de koers van de euro steeg flink in de eerste helft van 2008 en daalde weer in de tweede helft (zie tabel 1). Hierdoor stegen de prijzen van importgoederen uit Europa in de eerste helft van 2008 extra veel, terwijl de prijzen van deze goederen in de tweede helft van 2008 juist extra daalden (of verder stijgende prijzen in euros werden getemperd door de sterker wordende gulden). Tabel 1. Officile wisselkoers van de euro in 2008 (maandgemiddelden in NAf) Jan Feb Mrt Apr Mei Jun Jul Aug Sep Okt Nov Dec 2,6213 2,6268 2,7653 2,8070 2,7717 2,7700 2,8087 2,6725 2,5593 2,3727 2,2677 2,3949 Bron: BNA, www.centralbank.an Ten slotte werden ook de minimumlonen aangepast; in Bonaire en in Curaao gebeurde dit zelfs twee keer, zodat het minimumlonen daar in 2008 gemiddeld 4,3 procent respectievelijk 8,6 procent hoger lagen dan in 2007. Hierdoor werd arbeid duurder. Inflatie van de Nederlandse Antillen in 2008 De inflatie van de Nederlandse Antillen nam in de loop van 2008 sterk toe en kwam aan het eind van het jaar uit op 6,3 procent (zie grafiek 2); meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2007, toen de inflatie nog 2,8 procent bedroeg. Sinds het begin van de inflatiemetingen voor de Nederlandse Antillen was de inflatie alleen in de jaren 1974-1975 (+20,2% en +14,8%) en in de jaren 1978-1981 (maximaal +13,9% in 1980) hoger dan in 2008 (zie gr afiek 3). Vanaf 1983 schommelde de inflatie altijd tussen 0 en 4 procent, met uitzonde ring van het jaar 2000 (+4,5%). 12 Jaargang 9

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Grafiek 2. Verloop van de inflatie van de Nederlandse Antillen in 2008 0 1 2 3 4 5 6 7DecJanfebMrtAprMeiJunJulAugSepOktNovDec 2007 2008 In f latie (% stijging van de 12-maandsgemiddelde CPI ) Grafiek 3. Verloop van de inflatie in de Nederlandse Antillen sinds 1974 0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 '74'76'78'80'82'84'86'88'90'92'94'96'98'00'02'04'06'08Inflatie (% stijging van de jaargemiddelde CPI ) Nummer 1 13

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine Inflatie naar bestedingscategorie Grafiek 4 geeft de inflatiecijf ers voor de verschillende bested ingscategorien weer. Duidelijk is te zien dat de verschillende bestedingscategorien ruwweg 3 verschillend e niveaus van inflatie laten zien: Voeding kende in 2008 met +17,4 procent verreweg de hoogste inflatie, Dranken en rookwaren, vervoer en communicati e, woninginrichting en huisraad, en wonen kenden in 2008 een inflatie die rond het totaalgemiddelde lag (+5,4% tot +6,6%), Gezondheidszorg, kleding en sc hoeisel, recreatie en ontwikkeling, en de categorie overig kenden een inflatie die ruim onder het totaalgemiddelde lag (+1,7% tot +2,5%). Grafiek 4. Inflatie van de Nederlandse Antillen in 2008 naar bestedingscategorie 6.3 17.4 6.6 6.2 5.6 5.4 2.5 2.0 1.9 1.7 0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20T O T A A L V o e d i n g D ra n k e n e n ro o k w a r e n V e rv o e r e n c o m m u n i c a t i e W o n i n g i n ri c h t i n g e n h u i s r a a d W o n e n O v e ri g G e z o n d h e i d s z o rg K l e d i n g e n s c h o e i s e l R e c re a t i e e n o n t w i k k e l i n gInflatie (% stijging van de jaargemiddelde CPI ) Binnen de categorie voeding vielen vooral de prijsst ijgingen van zuivelproducten met 47,6 procent en van spijsvetten en -olin met 34,7 procent op (zie ta bel 2). Op suiker en choc olade (+8.4%) en kant-enklare gerechten (+7,1%) na stegen ook de prijze n van alle andere groepen voedingsmiddelen met meer dan 10 procent (+11,5% tot +17,9%). Andere opvallende prijsstijgingen kwamen voor bij onkosten t.b.v. vervoermiddelen (+18,2%), energieverbruik (+17,1%) en hobby-artikelen (+12,9%). In de twee eerstgenoemde groepen zijn elektriciteit en brandstoffen vertegenwoordigd, die, in navolging van de internationale prijsontwikkelingen, ook in de Nederlandse Antillen een fikse prijsstijging vertoonden. 14 Jaargang 9

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Een groot aantal groepen vertoonden in 2008 in de Nederlandse Antillen prijsstijgingen van meer dan 5 procent: rookwaren (+9,5%), dranken (+6,3%), woningonderhoud (+6,1%), goederen en diensten n.e.g. (+5,9%) en tuinonderhoud (+5,5%). Ook de meeste groepen van de ca tegorie woninginrichting en huisraad vertoonden prijsstijgi ngen van meer dan 5 procent. In de meeste gevallen zijn de eerder genoemde achterliggende oorzaken eenvoudig terug te vinden, bijvoorbeeld duurdere grondstoffen bij rookwaren, woningen tuinonderhoud en huishoudelijke artikelen; hogere transportkosten bij meubilair en huishoudelijke artikele n; de verhoging van het minimumloon bij woningen tuinonderhoud en huisho udelijke diensten; en de duurdere euro werkte in vrijwel alle groepen door. Rekening houdend met de wegingen van de verschillende bestedingscategorien in de Consumentenprijsindex is het mogelijk om het aand eel van elk van deze bestedingscategorien in de totale inflatie te berekenen. Deze aandelen zijn weergegeven in grafiek 5. Voeding nam ruim n derde van de totale inflatie voor haar rekening, wonen ruim een kwart en vervoer en communicatie ruim n vijfde. Alle overige categorien waren tezamen verantwoordelijk voor bijna n zesde van de totale inflatie. Binnen de categorien wonen en vervoer en communicatie droegen vooral de hogere prijzen voor energie en brandstoffen bij aan de inflatie; in tota al waren energiedragers ve rantwoordelijk voor ruim drie tiende van de inflatie. Nummer 1 15

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Tabel 2. Inflatie Nederlandse Antillen n aar eiland en bestedingscategorie, 2001-2008 Inflatie Eiland Weging 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 Bonaire 6.0% 1.3% -0.3% 0.8% 1.8% 1.3% 1.3% 1.8% 6.2% Curaao 72.2% 1.8% 0.4% 1.6% 1.4% 4.1% 3.1% 3.0% 6.9% Sint Maarten 21.8% 1.0% 0.5% 1.6% 2.1% 3.1% 2.3% 2.3% 4.6% BESTEDINGSCATEGORIE/-GROEP TOTAAL 1.6% 0.4% 1.6% 1.6% 3.7% 2.8% 2.8% 6.3% VOEDING 3.0% 3.6% 2.0% 4.2% 7.1% 6.8% 7.5% 17.4% Graanproducten 1.5% 2.9% 1.4% 1.6% 2.5% 2.5% 4.8% 15.1% Vlees en vis 3.7% 1.7% 0.4% 6.6% 8.0% 7.2% 8.7% 17.9% Spijsvetten en -olin -3.1% -4.4% 0.8% 0.9% 8.4% 2.9% 7.6% 34.7% Zuivelproducten (behalve boter) -0.9% 4.5% 4.2% 2.9% 8.0% 7.9% 12.5% 47.6% Aardappelen, groenten en fruit 7.7% 8.0% 4.9% 8.1% 14.4% 12.6% 10.3% 15.9% Suiker en chocolade 3.1% 3.2% 1.9% 5.2% 6.7% 9.5% 4.2% 8.4% Kant-en-klare gerechten 0.4% 0.5% 0.6% 1.1% 2.1% 2.3% 4.1% 7.1% Verteringen buitenshuis 2.2% 3.6% 0.5% 0.8% 1.8% 2.5% 3.1% 11.5% Overige voedingsmiddelen 1.4% 2.2% 1.7% 2.0% 4.1% 6.3% 6.6% 12.2% DRANKEN EN ROOKWAREN 1.4% 0.0% -0.4% -0.4% 2.3% 3.4% 2.4% 6.6% dranken 1.0% -0.1% -0.7% -0.8% 2.5% 3.8% 2.5% 6.3% rookwaren 3.4% 1.1% 1.0% 1.7% 1.2% 1.1% 1.9% 9.5% KLEDING EN SCHOEISEL -0.8% -1.5% 0.2% -0.1% -0.7% 0.0% 0.8% 1.9% kleding -0.2% -1.6% -0.4% -0.3% 0.3% 0.0% 0.8% 1.7% schoeisel -3.5% -1.0% 2.9% 0.6% -5.2% -0.4% 1.0% 2.6% WONEN 2.4% 1.7% 4.2% 2.1% 4.9% 2.5% 2.7% 5.4% woonkosten 2.2% 2.3% 2.2% 2.3% 2.2% 2.2% 2.4% 2.3% energieverbruik 1.5% 0.7% 12.2% 2.5% 14.3% 3.3% 3.5% 17.1% woningonderhoud -3.4% -3.2% 1.5% 1.8% 2.1% 3.3% 4.8% 6.1% tuinonderhoud -0.7% -1.3% 3.1% 3.5% 1.9% 2.7% 3.2% 5.5% water 9.7% 2.9% 7.0% 0.1% 9.8% 2.9% 0.8% 0.8% WONINGINRICHTING EN HUISRAAD 0.8% -0.9% 2.0% 0.5% 5.1% 2.3% 2.3% 5.6% meubilair en verlichting -0.3% -0.3% -0.3% -0.1% 12.2% -0.3% 0.5% 5.4% stoffering en woningtextiel 0.0% -4.4% 1.1% 0.4% -5.1% 0.2% 1.3% 3.3% huishoudelijke apparaten en gereedschappen -0.3% -11.4% -1.3% -2.4% 3.5% 3.9% 1.8% 2.5% huishoudelijke artikelen 0.1% 2.3% 0.1% -0.3% 2.1% 2.0% 1.9% 5.8% huishoudelijke uitgaven n.e.g. 1.7% 0.4% -2.3% -1.1% -0.2% 4.1% 3.3% 7.5% huishoudelijke diensten 5.2% 6.6% 12.9% 4.0% 12.3% 4.0% 5.2% 8.1% woninginrichting n.e.g. -2.0% -1.4% 0.6% 1.5% 1.9% 1.7% 2.9% 6.2% GEZONDHEIDSZORG 4.9% 1.3% 0.7% 0.6% 1.0% 0.6% 0.6% 2.0% gezondheidszorg 4.9% 1.3% 0.7% 0.6% 1.0% 0.6% 0.6% 2.0% VERVOER EN COMMUNICATIE 1.1% -2.9% -0.9% 1.1% 2.9% 2.5% 1.8% 6.2% vervoersmiddelen (voor privgebruik) 1.6% -2.0% -3.0% 1.6% 0.1% 2.9% 3.9% 2.2% onkosten tbv vervoersmiddelen (privgebruik) 1.6% 0.1% 1.7% 2.7% 8.8% 4.3% 2.7% 18.2% vervoer 6.9% -9.5% -1.9% 0.1% 0.3% 0.6% 0.3% 0.9% communicatie -6.9% -3.0% -1.8% -2.7% -3.8% -1.3% -0.7% 0.0% RECREATIE EN ONTWIKKELING -0.1% -0.1% 0.1% 0.2% 0.4% 0.6% 0.8% 1.7% recreatie -0.9% -0.9% 0.0% -0.2% -0.7% -0.2% 0.0% 0.0% amusement en cultuur 0.9% 0.3% 0.9% 0.7% 1.9% 1.8% 2.3% 4.4% boeken enz. 1.4% 0.4% -0.6% 1.3% 2.1% 1.2% 1.2% 3.5% ontwikkeling 1.0% 1.5% 0.5% 0.4% 1.5% 1.4% 1.3% 2.2% hobby artikelen -1.0% -3.7% 6.4% 0.5% 0.0% 1.6% 5.6% 12.9% OVERIG 1.1% 1.3% 0.7% 0.6% 1.4% 2.0% 1.6% 2.5% persoonlijke verzorging 1.0% 0.4% 0.5% 0.1% 0.7% 1.7% 1.8% 1.6% verzekeringen 0.9% 3.5% 0.0% -0.3% 0.7% 1.2% 0.5% 0.0% goederen en diensten n.e.g. 1.3% 0.6% 1.2% 1.4% 2.2% 2.5% 2.4% 5.9% 16 Jaargang 9

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Grafiek 5. Aandeel van de bestedingscategorien in de inflatie van de Nederlandse Antillen in 2008 Wonen 27.9% Vervoer en communicatie 21.9% Voeding 34.2%Woninginrichting en huisraad 5.9% Overig 4.4% Gezondheidszorg 0.5% Dranken en rookwaren 1.6% Recreatie en ontwikkeling 1.9% Kleding en schoeisel 1.6% De grote prijsstijgingen van voeding en energie domineerden de prijsontwikkelingen in 2008. Deze groepen staan bekend om de sterke prijsschommeli ngen, en daardoor kunnen zij het beeld van de prijsontwikkelingen vertroebelen. Daarom wordt ook vaak gekeken naar het inflatiecijfer zonder het effect van de sterk schommelende prijzen van voed ing en energie. Deze zogenaamde kerninflatie bedroeg in 2008 2,9 procent; in 2007 bedroeg deze nog 2,1 procent. De kerninflatie is in 2008 dus ook toegenomen, maar minder sterk dan de inflatie. Inflatie naar eiland Op zowel Bonaire als Curaao en Sint Maarten was de inflatie in 2008 aanzienlijk hoger dan in 2007 (zie tabel 2). Er waren flinke verschillen in inflatie tussen de verschillende eilanden: in Sint Maarten was de inflatie in 2008 met 4,6 procent het laagst, in Curaao was deze met 6,9 procent anderhalf keer zo hoog. De inflatie op Bonaire bedroeg 6,2 procent. Op Saba en Sint Eustatius worden geen prijzen waargenomen voor de consumentenprijsindex; voor deze eilanden zijn dus ook geen inflatiecijfers beschikbaar. Er waren ook behoorlijke verschillen tussen de eilanden voor wat betreft de inflatie van de individuele bestedingscategorien. Grafiek 6 maakt dit zichtbaar. In Curaao was de inflatie voor vervoer en communicatie beduidend hoger dan op de andere eilanden; ook had Curaao een hogere inflatie voor zowel voeding als voor recreatie en ontwikkeling. Curaao had alleen voor dranken en rookwaren een iets lagere inflatie dan de twee andere eilanden. Op Bonaire was de inflatie voor zowel wonen als voor dranken en rookwaren duidelijk ho ger dan op de twee andere eilanden. Daarentegen was de inflatie voor kleding en schoeisel op Bonaire juist het laagst. Sint Maarten, ten slotte, had voor geen van de categorien de hoogste inflatie binnen de Nederlandse Antillen. Wel was hier de inflatie juist het laagst voor een aantal categorien: met na me voor woninginrichting en huisraad, vervoer en communicatie, gezondheidszorg, voeding, en recreatie en ontwikkeling. Nummer 1 17

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine Opvallende verschillen in prijsontwikkeling waren er in 2008 bijvoorbeeld voor zuivelproducten. In Curaao werden deze maar liefst 55,7 procent duurder; dit was in Sint Maarten slechts 24,4 procent. Ook onkosten ten behoeve van vervoermiddelen stegen in Curaao (+20,6%) mr in prijs dan in Sint Maarten (+7,9%). Schoeisel werd in Curaao 3, 3 procent duurder en op Bonaire 3,5 procent goedkoper. Bij energieverbruik, ten slotte, was Bo naire met een prijsstijging van 24,4 procent juist slechter af dan Curaao met een pr ijsstijging van 15,7 procent. Figuur 6. Inflatie van de eilanden van de Nederlandse Antillen in 2008 naar bestedingscategorie 0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20T O T A A L V o e d i n g D r a n k e n e n r o o k w a re n V e rv o e r e n c o m m u n i c a t i e W o n i n g i n r i c h t i n g e n h u i s ra a d W o n e n O v e ri g G e z o n d h e i d s z o r g K l e d i n g e n s c h o e i s e l R e c r e a t i e e n o n t w i k k e l i n gInflatie (% stijging van de jaargemiddelde CPI) Bonaire Curaao Sint Maarten Vooruitzichten prijsontwikkelingen in 2009 De vooruitzichten voor de inflatie in 2009 hangen sterk af van de ontwikkeling van de wereldeconomie, die in 2008 in een hoog tempo verslechterde. Het IMF verwacht in haar World Economic Outlook van april 2009 een krimp van de wereldeconomie (-1,3%) in 2009 en pas in 2010 weer een lichte groei (+1,9%). Als de wereldeconomie in 2009 inderdaad niet meer aantrekt, zal de prijs van ruwe olie waarschijnlijk rond het huidige niveau van US$ 40-50 per vat blijven schommelen en ook andere commodities zullen rond hun huidige (lagere) prijsniveaus blijven liggen. De voedselprijzen zullen waarschijnlijk op hun huidige (hoge) prijsniveau blijven hangen, aangezien de vraag waarschijnlijk zal blijven toenemen; anderzijds zal ook het aanbod aan vo edsel weer toenemen door overschakeling van (inmiddels onrendabele) gewassen voor biobrandst offen op voedselgewassen. Een verdere verlaging van de rente door de Europese Centrale Bank is mogelijk, waardoor de koers van de euro nog wat verder zou kunnen zakken ten opzichte van de doll ar en de gulden en de import vanuit Europa goedkoper zou worden voor de Nederlandse Antillen Loonsverhogingen in 2009, in reactie op de inflatie van 2008, zorgen waarschijnlijk voor hogere prijzen voor diensten en producten waar veel arbeid in verwerkt zit. De economische crisis ka n er ook toe leiden dat producenten de prijzen van 18 Jaargang 9

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine hun producten flink verlagen om de omzet op peil te houden. Dit is bijvoorbeeld al het geval in Spanje (New York Times, 21-4-2009). In dat ge val zou 2009 voor de Nederlandse Antillen zelfs deflatie kunnen opleveren. Als echter de economie in de loop van 2009 weer zou aantrekken, dan zal de olieprijs ongetwijfeld weer stijgen. Het is lastig te voorspellen hoeveel de prijs van ruwe olie dan zal stijgen, omdat dit sterk afhangt van hoeveel de vraag toeneemt en of het aa nbod de toenemende vraag kan bijhouden. Door de lage olieprijs zijn veel winningsprojecten econ omisch niet meer rendabel en worden of zijn inmiddels stilgelegd. Als de vraag naar olie weer groeit, zal het enige tijd duren voordat uit deze bronnen weer olie wordt gewonnen, met als mogelijk gevolg een nieuwe prijs schok van ruwe olie. Bij een aantrekkende wereldeconomie zullen ook de prijzen van commodities en voedsel weer gaan stijgen. Voor diensten en arbeidsintensieve producte n geldt waarschijnlijk hetzelfde als is beschreven voor het geval van een niet aantrekkende economie omdat de loonontwikkeling achterloopt bij de prijsontwikkeling. Bij een status quo van de huidige economische situatie zou de inflatie in de Nederlandse Antillen in 2009 rond de 2 procent kunnen uitkomen. Uit het hi eraan voorafgaande betoog zal duidelijk zijn, dat de economische vooruitzichten voor 2009 nog zeer onzeker zijn, en dat het genoemde inflatiecijfer dus ook een grote mate van onzekerheid kent. Nummer 1 19

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Migratietheorien en onderzoek naar migranten Sabrina Dinmohamed Inleiding Migratie is een wereldwijd verschijnsel; in 20 05 was 3% van de wereldbevolking migrant 2 Op Curaao was in 2001 3 17,2 procent van de bevolking migrant. De grootste migrantengroepen in Curaao worden gevormd door personen afkomstig uit Nederland, Dominicaanse Republie k, Colombia en Suriname. Bij vergelijking van de Censuscijfers uit 1992 met die van 2001 zien we een stijg ing van het aantal migranten op Curaao. Migratie is historisch gezien een belangrijk verschijnsel op Curaao. Toch is er weinig systematisch onderzoek gedaan naar migranten en migratie op Curaao. Zowel uit beleidsals wetenschap pelijk oogpunt is onderzoek naar migranten gewenst en noodzakelijk. In dit artikel wordt ge tracht een overzicht te geven van verschillend e benaderingen die er op internationaal en regionaal bestaan met betrekking tot onderzoek naar mi granten. Hiermee wordt het grotere geheel van onderzoek naar het verschijnsel migratie in beeld gebracht en kan er vervolgens bepaald worden wat voor soort onderzoek voor Curaao relevant en wenselijk is. De volg ende vragen staan centraal in dit artikel: Wat is migratie en waardoor ontstaat het? Welke migratiethemas worden er in de internationale literatuur besproken? Welke organisaties op internationaal en region aal niveau doen onderzoek naar migranten Wat voor onderzoek is er op Curaao beschikbaar over migranten en waar zijn er leemtes? Migratietheorien En van de grondleggers van onderzoek naar migratie is Edward Ravenstein 4 die een aantal migratiewetten opstelde over hoe migranten zich verplaatsen en in welke richting. Zoomers (2006) onderscheid het fenomeen naar theorien die zich richten op de verklaring van het ontstaan van migratie en theorien die antwoord proberen te vinden op de vraag waarom migratie, zodra deze is ontstaan, de neiging heeft zichzelf in stand te ho uden of zelfs te versterken. Hieruit volgend kunnen er drie soorten theorien onderscheiden worden: Rationele theorien: Volgens het Harris-Todaro mo del handelen migranten rationeel en zullen zij besluiten van A naar B te vertrekken zodra zij verw achten hierdoor hun inkomen te kunnen verhogen of hun bestaan te kunnen verbeteren. Het wordt echter steeds duidelijker dat voor een goed begrip van migratie ook voldoende aandacht moet worden besteed aa n niet-economische dimensies, het subjectieve en de rol van instituties, die verstor end kunnen werken. Recent is een nieuwe stroming 2 Uit: Population Bulletin-Population Referen ce Bureau, Vol. 63, No. 3, September 2007 3 Uit: Census 2001 4 The laws of migration, 1885 20 Jaargang 9

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine ontstaan in het verlengde van het Harris-Todaro mo del. Deze nieuwe stroming staat bekend als de new economics of migration (de nieuwe migratie-economie). Volgens deze benadering moet migratie niet worden gezien als de uitkomst van individueel gedrag, maar als het resultaat van de interactie van personen binnen grotere verbanden (f amilies en huishoudens). Migratie is volgens deze benadering niet gericht op de maximaliserin g van het verwachte inkomen; het gaat om inkomensspreiding en het minimaliseren van de risicos. Migrantennetwerken: bij theorien die het voortdur en van migratie verklaren, wordt vooral het belang van migrantennetwerken benadrukt. Dit zijn netwerken van migranten, voormalige migranten en niet-migranten, die met elkaar verbonden zijn door familiebanden, vriendschappen en het feit dat ze een gemeenschappelijke afkomst hebben. Structurele verklaringen: migratie is een reactie op de penetratie van de wereldeconomie in perifere regios (gebieden die niet tot de kern van de wereldeconomie horen). De instroom van kapitaal en goederen wordt beantwoord met een uitstroom van arbeid, al hoewel aan de grenzen allerlei obstakels worden opgeworpen. Er wordt benadrukt dat de richting van de internationale migratie in sterke mate wordt bepaald door oude koloniale relati es: culturele, taalkundige en bestuurlijke banden bepalen voor een belangrijk deel het verloo p van migratie en de intensiteit van de uitwisselingsrelaties. Ook geldt dat internationale migratie voor een belangrijk deel wordt bepaald door de actieve rekrutering vanuit het bestemmingsgebied door potentile werkgevers. Volgens Zoomers (2006) kunnen migratiestromen slec hts worden verklaard door het samenspel van de keuzes en afwegingen van individuele migrante n (micro-theorien), van sociale netwerken (mesotheorien) en mondiale structurele factoren (macro -theorien). Migratie is niet het resultaat van individueel gedrag, maar wordt gestructureerd door sociale contacten en mag niet los worden gezien van structurele situaties. In andere woorden: migratie ontstaat als een antwoord op structurele beperkingen en mogelijkheden, waarbij de migranten n hun families maar ook andere actoren een actieve rol hebben. Definities Migratie heeft verschillende richtingen. Bij immigr atie gaat het om de komst van personen uit een ander land in een nieuw land. Emigratie daarentegen is de actie waarbij me nsen hun geboorteland verlaten om zich in het buitenland te vestigen. Migratie is lastig om te meten omdat er tussen landen geen gemeenschappelijke definitie bestaat van wat een migrant is. Er zijn onder andere definities die uitgaan van geboortela nd, nationaliteit, duur van verblijf of generatie (eerste, tweede). De Verenigde Naties 5 gebruikt de volgende definities voor migrant. Lange termijn migrant: een persoon die naar een land verhuist dat anders is dan zijn/haar gewoonlijke woonplaats 6 voor een periode van minstens n j aar, zodat het land van bestemming het 5 Recommendations on Statistics of Inte rnational Migration, 1998, Revision 1 6 Usual residence Nummer 1 21

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine nieuwe land van gewoonlijke verblijfplaats wordt. Vanuit het perspectief van het land van herkomst is de persoon een lange termijn emigrant en va nuit dat van het land va n bestemming een lange termijn immigrant. Korte termijn migrant: een persoon die naar een land verhuist dat anders dan zijn/haar gewoonlijke woonplaats voor een periode van tenminste drie maanden maar korter dan een jaar, behalve in gevallen waar het verhuizing recreatie, vakantie, bezoek aan vrienden/familie, medische behandeling of religieuze pelgrimage tot doel heeft. Voor doeleinden van statistieken over internationale migratie, kan het land van bestemming, ge durende het verblijf, als het land van gewoonlijke woonplaats beschouwd worden. Remigrant: personen die terugg aan naar hun land van herkomst 7 nadat zij internationale migranten zijn geweest (hetzij korte termijn of lange termij n) in een ander land en die de intentie hebben tenminste een jaar in hun eigen land te blijven. Themas in de internationale literatuur Het onderwerp migratie raakt verschillende themas. In het navolgende worden enkele themas uit de literatuur genoemd en kort beschreven. Verschillende territoria Migranten kunnen bij hun migratie letterlijk met verschillende territoria te maken krijgen. Het eerste is het land van vertrek, vervolgens kunnen zij ergens een tussenstop ma ken (transit land) en vervolgens is er de eindbest emming (land van aankomst). Verschillende stadia in migratie Er zijn verschillende stadia in het migratieproces te onderscheiden: voor de migratie: push en pull fact oren, wel of niet gedwongen migratie tijdens de migratie: verschillende stadia van de reis en binnenkomst in het nieuwe land, blijven in het nieuwe land of teruggaan na de migratie: integratie, nationaliteit verkrijgen Soorten migranten Er zijn verschillende soorten migranten: arbeidsmigranten (economische vluc htelingen, legaal en illegaal) personen die met anderen meegaan of personen di e zich voegen bij familie (familiehereniging) asielzoekers/vluchtelingen Vormen van migratie Personen kunnen op verschillende wijze migreren: Vrijwillig/geforceerd Legaal/illegaal (mensenhandel, gesm okkeld, om economische redenen) Tijdelijk/permanent 7 Country of citizenship 22 Jaargang 9

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Vooral mensensmokkel (migration smuggling) en me nsenhandel (trafficking) krijgen veel aandacht. Bij smokkelen gaat het om mensen, in consensus, illegaal de grens over helpen. Bij mensenhandel gaat het om dwang of dreiging en exploitatie va n mensen (al dan niet illegaal over de grens geholpen). 8 Gevolgen voor land van herkomst Migratie kan gevolgen hebben voor zowel het la nd van herkomst als het land van aankomst. Belangrijke negatieve gevolgen voor he t land van herkomst zijn brain-drain 9 het verdwijnen van de beroepsbevolking en het verlies aan rendement op de investering die is gedaan voor de opleiding en scholing. Een positief gevolg kan zijn de geldoverdrachten 10 die teruggestuurd worden aan de achterblijvers. Dit geld kan invloed hebben op de economische ontwikkeling van een (arm) land en kan soms zelfs meer zijn dan de ontwikkelingshulp die een land per jaar ontvangt. Het kan echter geen vervanging voor ontwikkelingshulp zijn omdat migranten slechts de eerste acht tot vijftien jaar geld naar huis sturen. Er zou dus een constante st room van migranten nodig zijn om de overdrachten te gebruiken als instrument voor ontwikkeling. De Wereldbank schat dat in 2007 337 miljard dollar aan geldoverdrachten is verzonden, waarvan 251 miljard dollar naar ontwikkelingslanden. Ook kunnen er doordat er familie/vrienden/kennissen in het buitenland zitten, transnationale contacten ontstaan die van positieve invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van het herkomstland. Volgens de International Organisation for Migration (IOM) kan op deze wijze de ontwikkelingsbijdrage van de diaspora (verspreiding van een volk over verschillende delen van de wereld) gemaximaliseerd worden. Gevolgen voor gastland Gevolgen van immigratie liggen op demografis ch vlak (bevolkingsgroei, sekse compositie, leeftijdscompositie, vruchtbaarheidscijfer, hu welijkspatronen), economisch vlak (inkomens, werkeloosheid), sociaal (huizen, onderwijs, gezondheidszorg), politiek vlak en cultureel vlak (talen, culturen). Negatieve gevolgen voor het ontvangstland kunnen zijn dat grote groepen mensen moeten integreren, onderwijs moeten volgen en gebruik gaan maken van de sociale voorzieningen. Doorgaans wekt de term immigrant meer negatiev e connotaties op dan positieve omdat gevestigde burgers eerder denken aan een opeenstapeling van problemen die te maken hebben met werkeloosheid, criminaliteit, ruimtelijke concentrat ie etcetera. In de literatuur over de Nederlandse situatie wordt geschreven dat autochtonen tolerantie, solidariteit en individuele vrijheid nog steeds zien als belangrijke waarden, echter worden zij st eeds negatiever over allochtonen (FORUM 2004:8). Positieve gevolgen kunnen zijn sociale en culturele verrijking, maar ook een positief economisch effect op groei en werkgelegenheid. 8 Definitie International Organization for Migration (IOM) 9 Population Reference Bureau: the emigration of a large number of a country's highly skilled and educated population to other c ountries that offer superior economic and social opportunities 10 United Nations Population Informati on Network: Monies earned or acquired by migran ts that are transmitte d back to their country of origin Nummer 1 23

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine Remigratie Er zijn ook migranten die teruggaan naar het land van herkomst. Dit kan zijn gedwongen/gedeporteerd of vrijwillig. Voorwaarden voor vrijwillige terugkeer zijn onder andere economische groei in het voormalige thui sland, goed ondernemersklimaat en goede arbeidsvoorwaarden. Remigranten kunnen van grote waarde zijn voor een land. Zij nemen onder andere kennis en werkervaring mee terug. Illegale migratie De Verenigde Naties geeft aan dat er in 200 5 ruw geschat wereldwijd 20 tot 30 miljoen ongedocumenteerde migranten zijn. Dat is 10 tot 15 procent van het totaal percentage immigranten. Illegale migratie kan op verschillende wijzen plaats vinden. Illegale migratie in bijvoorbeeld het Caribisch gebied heeft verschillende vormen: migranten uit het Caribisch gebied die ille gaal landen buiten de regio binnenkomen (voornamelijk Verenigde Stat en, Canada en Europa) migranten die op illegale wijze migreren naar landen binnen het Caribisch gebied migranten die op illegale wijze migreren naar Caribische landen, maar een andere eindbestemming (buiten de regio) hebben Van belang is dat ook illegale n recht hebben op bescherming en gebruik van bepaalde sociale voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg) Integratie Integratie is een vaak genoemd thema in debatten ov er migranten. Met integratie wordt bedoeld het inpassen van nieuwe bevolkingsgroepen in een sa menleving zonder dat ze hun culturele kenmerken moeten opgeven of worden gesoleerd van de meerderheid (Timmerman et al. 2004). Voorwaarden voor geslaagde integratie zijn onder andere het kweken van vertrouwen en het voeren van een herkenbaar en transparant integratiebeleid (FORUM 2004:12). In enkele EU-landen zijn allochtonen verplicht inburgeringcursussen en traj ecten te volgen. Voor wat betreft het Caribisch gebied zijn er slechts enkele landen die een inte gratiebeleid hebben en integratie van migranten in hun land bevorderen. 11 Transnationale mobiliteit Jackson et al. (2006) geeft aan dat migratie steeds transnationaler wordt en bestaat uit een ongoing series of cross-border movements in which immigrants develop and maintain numerous economic, social and cultural links in more than one nati on (in: Zoomers 2006). Het gaat hier dus om een situatie waarbij migranten een thuisbasis hebben in twee landen waartussen zij frequent reizen (Thomas-Hope 2000). Door meer mogelijkheden om te reizen en technologische ontwikkelingen zijn deze transnationale banden (het effect van beiden landen) sterker geworden, niet alleen op nationaal niveau, maar ook op het niveau van huishoudens en families. 11 Carribean Export Group Meting on Migration, Human Rights and Development in the Caribbean Migration in the CaribbeanWhat do we know? 24 Jaargang 9

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Onderzoek naar migranten Onderzoek naar migranten kan verschillende doelen hebben. Ten eerste kan re cent onderzoek nieuwe perspectieven bieden op bestaand beleid. He t kan bijvoorbeeld gaan om visumbeleid, toelatingsbeleid, immigratiebeleid, werkvergunningen, asielbeleid, integratiebeleid etcetera. Verder kan onderzoek naar migranten de samenleving info rmeren, mythen uit de weg helpen. Daarnaast kan onderzoek naar migranten een bijdrage leveren aan het wetenschappelijk debat. Onderzoek kan plaats vinden vanuit bijvoorbeeld sociologisch, an tropologisch, economisch en/of politiek oogpunt Op internationaal niveau International Organization for Migration (IOM): bevordert samen met haar partners ordelijke en humane migratie, internationale samenwerking op het gebied van migratie, het uitvoeren van initiatieven en projecten op het gebied van mi gratie en het geven va n humanitaire hulp aan migranten die in nood verkeren waaronder vluchtelingen en mensen die op de vlucht zijn binnen de eigen landsgrenzen (ontheemden). IOM helpt landen bij het opzetten van statistische informatiesystemen. Training van personeel is ook belangrijk. IOM is ook actief in de CARICOM. De nieuwe internationale aanpak omtrent verzameling en opslag van data bouwt op al bestaande structuren van staten. The International Labour Organisation (ILO): verzamelt en compileert data met betrekking tot internationale arbeidsmigranten. United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR): verzamelt en compileert data met betrekking tot asielaanvragen, bepaling van vl uchtelingenstatus, vluc htelingenpopulaties, vluchtelingenstromen, demografische kenmerken en lo caties waar vluchtelingen heen gaan (kampen, centra, stedelijke gebieden). The United Nations Statistics Division (UNSD): is verantwoordelijk voor het op internationaal niveau verzamelen en verspreiden van officile nationale data over internationale migratie. United Nations Population Division (UNPD) : maakt schattingen van percentages migranten in landen, door middel van data geleverd door United Nations Statistics Division. Daarnaast doen zij ook regelmatig onderzoek naar nationaal beleid met betrekking tot internationale migratie en evalueren zij de invloed die internationale migratie heeft op de ontwikkeling van herkomstlanden en gastlanden. Centro Latinoamericano y Caribeo de Demograf a (CELADE) (tak van ECLAC verantwoordelijk voor bevolkingsvraagstukken): doet onderzoek naar demografische themas en organiseert technische cursussen over demografische analyse. Investigacin de la Migracin Internacional en Latinoamrica (IMILA) is een project dat in de jaren 0 is opgezet door CELADE om internationale migratie, met name emigratie, binnen de regio van Latijns Amerika en het Caribisch gebied te onderzoeken. De basis informatiebronnen zijn de censussen van de verschillende landen binnen de regio. Het gaat om informatie over personen in censussen die zijn afgenomen in landen waarin ze niet zijn geboren. In een database is censale informatie opgenomen van zowel landen binnen de re gio als daar buiten. Nummer 1 25

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Caribbean Community (Caricom): ee n handelsorganisatie van vijftien Caribische landen. Het doel van de Caricom is het verbeteren van de handels en economische relaties tussen de verschillende leden en de cordinatie en regulatie van deze relaties De integratie van de economische activiteiten is ook een onderdeel van de Caricom. Het hoofdkwartier is gevestigd in Georgetown, Guyana Voor wat betreft onderzoek naar migratie heeft de Cari com van enkele aangesloten landen een database met gegevens van de laatste Census ronde in 20 00/2001. Hieruit kan data verkregen worden over migratie in de verschillende landen. Op Caribisch niveau Caribische landen worden van oudsher gekenmerkt d oor emigratie, immigratie en zijn ook transitlanden voor bestemmingen buiten het Caribisch gebied. De migrat ieproblematiek in het Caribisch gebied (met name op de eilanden) verschilt van bijvoorbeeld Europa of Zuid Amerika. De eerste reden heeft te maken met de groo tte van de eilanden. Zowel immigratie als emigratie hebben een grote impact op deze relatief klei ne samenlevingen. In he t Caribisch gebied is bevolkingsgrootte en groei vaker het resultaat van verandering in migrat iestromen dan van geboorte en sterfte. Ten tweede is het opvallend dat in Europa het vraagstuk van integratie van migranten een grotere rol speelt dan in de Caribische regio. Ook dit zou verklaard kunne n worden door het feit dat de Caribische landen van oudsher zijn samengesteld uit immigranten. Volgens Martinez Pizarro (2005) zijn er drie patronen van internationale migratie in de LAC 12 -regio: Overzeese immigratie (naar Caribisch gebied) Intra-regionale migratie Emigratie naar landen buiten de regio (V erenigde Staten en andere OECD landen) Er is echter weinig bekend over deze stromen. In dit hoofdstuk zal kort besproken worden welke initiatieven er in het Caribisch gebied zi jn om data over migratie te verzamelen. Er is behoefte aan accurate en tijdige data over verschillende bewegingen binnen en ook naar en vanuit de Caribische regio. Volgens Thomas-Hope (2 005) moet er extra aandacht worden gegeven aan de geldoverdrachten omdat deze een cruciale rol sp elen bij de ontwikkeling van Caribische landen. Zij geeft verder aan wat voor Caribische landen moeilijkheden kunnen zijn om volledige cijfers over migranten te verkrijgen en migrantenonderzoek te doen. Circulaire migratie bijvoorbeeld is een veel voorkomend verschijnsel. Migranten hebben dan twee thuisbasissen en wisselen frequent van woonplaats. De vraag is of deze personen geregistreerd moeten worden als migranten of als ingezetenen die tijdelijk in het buitenland gaan we rken. Verder geeft zij ook aan wat de uitdagingen zijn voor het verkrijgen van data met betrekking tot Zuid-Noord migratie, intra-Caribische migratie, remigratie, tijdelijke migratie en illegale migratie. Landen in het Caribisch gebied hebben over het algemeen allemaal een vorm van dataverzameling met betrekking tot migranten. De be langrijkste bronnen voor migratie data zijn censussen, surveys en administratieve bronnen (aankomsten/vertrekken, visumaanvragen werkvergunningen, paspoortaanvragen, bevolkingsregisters en data met betrekking tot grensbewaking.). Probleem is dat data vaak verspreid is over verschillende instellingen en er geen budget is voor een effectief data 12 Latijns Amerika en het Caribisch gebied 26 Jaargang 9

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine management systeem. Verder hebben de statistische bureaus in het Caribi sch gebied gebrek aan infrastructuur, menskracht en budget om een effi cinte migratie dataverzamelingssysteem op te zetten. 13 De Caricom heeft verschillende initiatieven onde rnomen om regionale communicatie, samenwerking en harmonisering van survey methoden, statisti sche concepten en definities te cordineren 14 De Regional Census Coordi nating Committee en de Standing Committee of Caribbean Statisticians (SCCS) zijn twee organen binnen de Caricom die statistieken v oor/over het Caribisch gebied cordineren. Verder heeft het IOM in samenwerking met de Deense Immigratiedienst het Migration Data Shring Mechanism (DSM) ontworpen en ontwikkeld. Dit instrument gaat ervan uit dat elk land in een andere ontwikkelingsfase zit voor wat betr eft technische infrastructuur, beschikbaarheid van menskracht en budget en informatie, documentatie en wetgeving over migratie. Een van de eigenschappen van dit systeem is dat het datauitwisseling mogelijk maakt via een elektronische database en uiteindelijk ook via het Internet. 15 Ook voor wat betreft het Caribisch gebied zou een soortgelijk systeem mogelijkheden bieden voor dataverzameling en uitwisseling. Het Centraal Bureau voor de Statistiek Aruba heeft in 2004 een onderzoek naar migranten gedaan Double or Quits: A study on recent migration to Aruba 1993-2003. Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van informatie over de karakteristiek en en de manier van leven van migranten. Enkele onderwerpen die aan bod komen in dit onderzoek zijn onder andere migratieverleden, migratiemotieven, werk, gezondheidzorg, woonomstandigheden, migrantenkinderen, integratie, geldoverdrachten, contact met thuisland. Curaao en migrantenonderzoek: mogelijke benaderingen Historisch gezien is de aanwez igheid van migranten op Curaao geen nieuw verschijnsel. Na de slavernij kwamen er vanaf 1915 met de vestiging va n de Shell grote groepen migranten naar Curaao. De laatste jaren zijn de migrantenstromen, echt er door verschillende oorzaken, veranderd en gegroeid. In de jaren negentig groeide de toeristi sche sector op de Caribische eilanden, ook op Curaao, en trokken de landen door gebrek aan lokale werkkracht veel migranten, met name van buureilanden, Colombia en Venezuela. Economis che achteruitgang, sociale verloedering, hoge werkeloosheid en weinig hoop voor de toekomst zi jn voor de migranten rede nen om weg te gaan.Uit de Census van 2001 blijkt dat er met name een stijging is van migranten uit Colombia, Venezuela en Jamaica. In deze periode is er een piek voor wat betreft immigratie. Vanaf het jaar 2000 kan er gesproken worden van nieuwe migranten, in tegenstelling tot oude migranten die ten tijde van de Shell naar Curaao kwamen. Rond deze periode was er ook een grote emigratiegolf van Curaaonaars naar onder andere Nederland. De ontstane gaten op de arbeidsmarkt werden weer opgevuld door de krachten uit het buitenland. 13 ECLAC/IOM (2007). Report of the expert group meeting on migration data collection, management and sharing in the Caribbean. LC/CAR/L.144 14 ECLAC (2007). Migration data collection, management, sharing in the Caribbean. LC/CAR/L.139 15 Meer informatie over DSM: www.dsm-migration.net Nummer 1 27

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine Voor wat betreft dataverzameling geldt dat ook op Curaao de informatie versnipperd is over verschillende instellingen. Er zijn verschillende benaderingen mogelijk voor wat betreft onderzoek naar immigranten op Curaao. Benadering 1: vanuit de migrant Bij een onderzoek vanuit de migrant gaat het erom de migranten zelf, hun ervaring en belevingen te onderzoeken. Een mogelijke vraag zou kunnen zijn: Op welke wijze kunnen de leefomstandigheden van migranten op Curaao besc hreven worden? Het onderzoek kan zich richten op migratiemotieven, kenmerken van de immigranten, participatie in de Curaaose samenleving en relatie met het thuisland. Wat betreft methodologie kan er een combinatie worden gemaakt van gebruik van administratieve bestanden/Census en kwalitatief materiaal zo als diepte-interviews (gestructureerd en/of ongestructureerd) en participerende observatie. Benadering 2: impact op de samenleving Een andere benadering is een impactstudie (kwa ntitatief) over effecten van immigranten op verschillende gebieden in de samenleving zoals onderwijs, arbeidsmarkt, gezondheidszorg (in navolging van de reeds verrichte studie Impactstudie Vreemdelingenproblematiek door het Eilandgebied Curaao 2007). Benadering 3: vanuit de samenleving Bij deze benadering gaat het om onderzoek onder de Curaaose bevolking, instanties en hun mening over de aanwezigheid van migran ten. Het gaat er hier om op welke manier Curaaonaars de aanwezigheid van migranten in de samenleving er varen. Onderzoek zou zich kunnen richten op beleid van politiek, werkgelegenheid, integrat ie/aanpassing, inburgeringmethoden en taal. Kwalitatieve onderzoeks methoden zoals diepte-interviews en participerende observatie kunnen gebruikt worden bij deze onderzoeksbenadering. 28 Jaargang 9

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Samenvatting en conclusies In het voorgaande is een overzicht gegeven va n welke themas en benaderingen er zijn met betrekking tot het verschijnsel mi granten en het onderzoeken ervan. Hieraan is gekoppeld de vraag wat voor onderzoek naar migranten voor Curaao relevant en wenselijk is. Er is eerst kort besproken wat de verschillende theorien zijn die migratie verklaren. Vervolgens zijn enkele themas aangegeven die in de internationale literatuur over migranten voorkomen. Verder is aangegeven dat er op internationaal en regionaal niveau diverse organisaties zijn die zich op verschillende wijze bezighouden met onderzoek naar migranten: verzameling van data met statistische doeleinden, onderzoek naar beleid, dataverzameling met betre kking specifieke soorten migranten (bijvoorbeeld vluchtelingen, arbeidsmigranten). Voor wat betreft migranten in het Caribisch gebi ed kan gesteld worden dat onderzoek naar deze groep lastig is om verschillende redenen. Ten eerst e is er sprake van een definitieprobleem door het feit dat Caribische samenlevingen van oudsher bestaan uit immigranten en er daarnaast ook veelvuldige circulaire migratie plaats vindt. De vraag is dan wie er als migrant beschouwd moet worden. Ten tweede ontbreekt het veel Caribische landen aan infrastructuur, menskracht en budget om een efficinte migratie dataverzamelingssysteem op te zetten. Het thema migranten op Curaao behoeft meer onde rzoek. Op Curaao is er vooral kwantitatieve data, alhoewel verspreid over verschillende bro nnen, over migranten aanwezig. Er is weinig kwalitatief onderzoek naar migranten. Er dient dieper in gegaan te worden op specifieke karakteristieken. Op deze manier kan er ook bijgedragen worden aan het ontwikkelen van een evidence based beleid met betrekking tot migrat ie en migranten. Om de vraag te beantwoorden wat relevant onderzoek voor Curaa o is, zijn drie invalshoeken voor onderzoek geformuleerd. De n gaat uit van de belevingswereld van de migranten, de ander richt zich meer op de effecten van hun aanwezigheid op verschillende gebieden van de Curaao samenleving en de laatste gaat over de ideen van de lokale bevolking over immigranten. Nummer 1 29

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine Literatuurlijst Duany, J. (2002). Mobile Livelihoods: The Sociocul tural Practices of Circular Migrant Between Puerto Rico and the United States. The International Migration Review, 36, No. 2: 355-388. ECLAC (2005). Report on the expert group meeting on migration, human rights and development in the Caribbean. LC/CAR/L.57 _______ (2007). Migration data collection, management, sharing in the Caribbean. LC/CAR/L.139 ECLAC/IOM (2007). Report of the expert group m eeting on migration data collection, management and sharing in the Caribbean. LC/CAR/L.144 International Organization for Migration (2008). World Migration 2008: Managing Labour Mobility in the Evolving Global Economy Jackson, P., P. Crang, C. Dwyer (2004). Transnational Spaces. London: Routledge Jaspers, D. (2006). Programme on international migration in Latin America (IMILA). Paper voor: United Nations Expert Group Meeting on Measuring International Migration: Concepts and Methods, 4 -7 December 2006, New York, ESA/STAT/AC.119/22 Martinez Pizarro, J. (2005). International migrat ion in Latin America and the Caribbean: A summary view of trends and patterns. Paper voor: United Nations Expert Group Meeting on International Migration and Development, July 2005 Zoomers, E.B. (2006). Op zoek naar eldorado. Over internationale migratie, sociale mobiliteit en ontwikkeling. Rede in verkorte vorm uitgesprok en bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Sociale Geografie, in het bijzonder Regionaal Ontwikkelingsbeleid en Internationale Migratie, aan de Radboud Universiteit Nijmegen op donderdag 28 september 2006 Population Reference Bureau (2007). World Popula tion HighlightsKey Findings from PRBs 2007 World Population Data Sheet. Vol. 62, No.3 Thomas-Hope, E. (2000). Trends and patterns of migration to and from Caribbean countries. In: IOM/CEPAL. Simposio sobre migracion internatcional en las Americas. San Jose, Costa Rica. UN Economic Comission for Latin America and the Intern ational Organization for Migration. 1.2.1 1.2.22 Timmerman, C., I. Lodewijckx, D. Vanheule, J. Wets (2004). Wanneer wordt het vreemd. Leuven: Acco United Nations (1998). Recommendations on Statistics of International Migration, Revision 1 United Nations (database). United Nations' Tren ds in Total Migrant Stock: The 2005 Revision Worldbank (2007). World Bank's Migration and Development Brief 5 (July 10, 2008), Revisions to Remittance Trends 2007 Websites http://www.migrationinformation.org/Glossary/ http://www.eclac.org/Celade/proye ctos/migracion/IMILA00e.html http://www.kennislink.nl/pub licaties/migratietheorieen 30 Jaargang 9

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Resultatenconjunctuurenqute Bonaire en Curaao jaar 2008. Chris M. Jager Inleiding Afgelopen december 2008 zijn tijdens de tiende conjun ctuurenqute in totaal 1111 bedrijven benaderd op de verschillende eilanden va n de Nederlandse Antille n waarvan 88 in Bonaire, 278 in Sint Maarten, 39 in Saba en 706 in Curaao. Het onderzoek is ui tgevoerd onder alle bedr ijven met tien of meer w erknemers, terwijl van de bedrijven vanaf drie tot tien werknemers een steekproef is genomen. Dit artikel beperkt zich tot informatie over de eilanden Bonaire en Curaao. De resultaten betreffende het onderzoek in Saba en Sint Maarten zullen in een separaat artikel in het Engels worden behandeld. In Sint Eustatius wordt sinds enige tijd, vanwege een gebrek aan respons, geen conjunctuurenqute meer uitgevoerd. Doel van de conjunctuurenqute is om op frequente ba sis, twee maal per jaar, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en economische parameters en ontwikkelingen. Daarna ast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. In dit artikel wordt nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute. Kwantitatieve gegevens over bijvoorbeeld omzet en exploi tatiekosten worden hier niet besproken. Een beeld wordt gegeven van de verkregen gegevens van bedrijven (NVs en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) op de eilanden Bonaire en Curaao ten aanzien van de volgende onderwerpen: 1. investeringsbelemmeringen en bevorderingen, 2. concurrentiepositie, 3. verandering van het ondernemersvertrouwen, 4. vertrouwen in de toekomst, 5. mening (perceptie) t.a.v. het investeringsklimaat, 6. bedrijfsresultaten. Nummer 1 31

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine Bonaire Investeringsbelemmeringen en bevorderingen Afgelopen december 2008 is door bijna 30 procent van de respondenten aangegeven dat er sprake is geweest van n of meerdere investeringsbelemmeringen. Dit komt goed overeen met een jaar daarvoor toen het ruim 28 procent was. De belemmering tekort aa n financile middelen, is wederom de belangrijkste be lemmering bij het doen van investeringen geworden (zie figuur 1). Deze is fors toegenomen van 11 procent in juni 2008 naar 20 procent per december 2008. De invester ingsbelemmering verkrijgen van werkvergunningen (gemeten vanaf december 2007) is daarentegen sterk in omvang afgenomen van 12 naar 1 procent en speelt daarmee geen rol van betekenis meer. Het aantal bedrijven dat de overheid als belemmering heeft aangegeven (overheidsbeleid) is duidelijk toegenomen en wel van 1 naar 7 procent. De andere mogelijke factoren spelen allen een kleine rol als belemmering voor investeringen. Voor wat betreft de investeringsbevorderingen kan worden vermeld dat ook hier de factor kapitaal van groot belang is. De meeste respondenten geven aan dat de investeringen vooral positief worden benvloed door de beschikbaarheid van financile middelen: van 17 in december 2007 naar 25 procent per december 2008. Daarnaast zijn goede verwachtingen t.a.v. de markt een andere belangrijke factor. Bijna 14 procent van de bedrijven heeft aangegeven di t te beschouwen als een bevorderende factor bij het plegen van investeringen. De voorgaande periode, juni 2008, is dit 11 procent. Concurrentiepositie Voor wat betreft de concurrentiepositie van bedr ijven op de binnenlandse markt is het beeld in december 2008 beperkt veranderd in vergelijking met vorige periodes (zie figuur 2). Wat meer bedrijven, 17 procent (was 12% in juni 2008), hebben aangegeven dat deze verbeterd is en een iets lager percentage bedrijven heeft aangegeven dat deze verslechterd is: 14 procent. De categorie onveranderd is in omvang afgenomen van 67 naar 59 procent, doch blijft hoger dan de cijfers van juni en december 2007. Figuur 2: concurrentie bi nnenlandse markt Bonaire.0 10 20 30 40 50 60 70verbeterdonveranderdverslechterdn.v.t.% bedrijven juni '07 dec '07 juni '08 dec '08 Figuur 1: investeringsbelemmeringen Bonaire in %0 5 10 15 20T e k o r t f i n m i d d S l e c h te m a r k t v e r w R e n d e m v e r w R e n te n i v e a u V e r k r i j g e n w e r k v e r g O v e r h b e l e i d O v e r i g% bedrijven juni '07 dec '07 juni '08 dec '08 32 Jaargang 9

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Verandering van het ondernemersvertrouwen in de economie Eind 2008 hebben minder bedrijven in vergelijking met de voorgaande enqute van juni 2008 aangegeven dat het ondernemersvertrouwen verbeterd is; dit percentage is van 24 afgenomen naar 14 procent (zie figuur 3). Daarentegen hebben meer bedrijven aangegeven dat het ondernemersvertrouwen verminderd is; van 20 naar 31 procent. In overeenstemming met het voorgaande is het percentage gelijk met 56 procent onveranderd gebleven. Vertrouwen in de toekomst De perceptie van bedrijven ten aanzien van het vertrouwen in de toekomst is de afgelopen periode, in tegenstelling tot voorgaande periode, afgenomen. Dit met een daling van 13 procentpunten van 71 naar 58 procent, waarmee het vertrouwen vrijwel gelijk is aan het niveau van december 2007. Het aantal bedrijven dat heeft aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst is iets toegenomen van 10 naar 14 procent. Bijna 28 procent van de bedrijven heeft aangegeven geen mening te hebben (zie figuur 4). Mening t.a.v. het investeringsklimaat Ten opzichte van voorgaande 4 perioden is de opinie over het investeringsklimaat in de laatste helft van 2008 tamelijk sterk veranderd. Het percentage bedrijven dat zegt het klimaat goed te vinden is duidelijk verminderd en wel van 47 naar 26 procent (zie figuur 5). Het percentage wat matig aangeeft is navenant toegenomen van 44 naar bijna 63 procent. Het percentage bedrijven dat zegt het klimaat slecht te vinden is met ruim twee procentpunten toegenomen naar ruim 11 procent. Figuur 3: verandering vertrouwen economie0 10 20 30 40 50 60dec 04 junidec '05 junidec '06 junidec '07 juni '08 dec '08% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Figuur 4: vertrouwen toekomst Bonaire 0 10 20 30 40 50 60 70dec 04 juni dec '05 juni dec '06 juni dec '07 juni '08 dec '08 % bedrijven ja nee geen mening Figuur 5: investeringsklimaat Bonaire 0 10 20 30 40 50 60 70 dec 04 junidec '05 junidec '06 junidec '07 juni '08 dec '08% bedrijven goed matig slecht Nummer 1 33

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine Bedrijfsresultaten Uit het onderzoek is gebleken dat de bedrijfsresultaten, conform de verwachting van juni 2008, iets zijn verslechterd t.o.v. 2007. Van de bedrijven h eeft namelijk 65 procent aangegeven winst te hebben behaald over het jaar 2008 (winst voor afdracht van belastingen). Dit is drie procentpunten minder dan een jaar daarvoor. Toen lag dit met 68 pr ocent op het hoogste niveau ooit in een conjunctuurenqute gemeten. Het percentage bedrijven met een negatief bedrijfsresultaat (verlies) is navenant toegenomen met 3 procentpunten en uitgekomen op 35 procent, zie ook figuur 6. Opgemerkt moet worden dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen. Curaao Investeringsbelemmeringen en bevorderingen Afgelopen december 2008 is door bijna 19 proc ent van de respondenten aangegeven dat ze investeringsbelemmeringen hebben ondervonden in het jaar 2008. Dit is vrijwel hetzelfde, nog geen procentpunt meer, dan in december 2007. Voor zover er sprake van is zijn deze investeringsbelemmeringen vooral een gevolg gewe est van een tekort aan financile middelen. Het percentage is toegenomen, van 3 naar 10 procent, zie ook figuur 7. Daarmee komt het weer ongeveer op het niveau van 2007. Naast deze belemmering spelen alleen de werking van de markt en het overheidsbeleid een (bescheiden) rol van betekenis; deze belemmeringen zijn beide toegenomen en wel van 1 naar 5 procent. Het verkrijgen van werkvergunningen wordt in Curaao, evenals rendementsverwachting en renteniveau, door ondernemers blijkbaar nauwelijks als investeringsbelemmering gezien. Wel zijn deze factoren heel bescheiden in omvang toegenomen. Figuur 6: bedrijfsresultaten Bonaire 2003 20080 10 20 30 40 50 60 70 2003 2004 2005 2006 2007 2008% bedrijven pos neg Figuur 7: investeringsbelemmeringen Curaao in %0 2 4 6 8 10Te k o r t f i n mi dd Slechte marktverw R e nde ment sv erw R en t en i veau Verkrijgen w e rk ve rg Overh.beleid O ve r i g juni 07 dec '07 juni 08 dec '08 34 Jaargang 9

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine De investeringen zijn naar mening van 22 procent van de bedrijven bevorderd door de beschikbaarheid van financile middelen. Daarnaas t heeft 18% van de bedrijven aangegeven dat dit door een goede werking van de markt gebeurt. Verder zijn ze in mindere mate bevorderd vanwege de rendementsverwachting (11%) en de beschi kbaarheid van gekwalificeerd personeel (7%). Concurrentiepositie Voor wat betreft de concurrentiepositie op de bi nnenlandse Curaaose markt (zie figuur 8) is de situatie in vergelijking met voorgaande perioden weinig veranderd. Er is sprake van een lichte verbetering. Iets meer bedrijven hebben aangegeven dat de concurrentiepositie verbeterd is, van nog geen 20 naar ruim 22 procent. Bovendien hebben minder bedrijven aangegeven dat deze verslechterd is, van 16 naar 10 procent. Ook in 2008 hebben, net als in voorgaande periodes, de meeste bedrijven aangegeven, een stijgend percentage van 59%, dat de concurrentiepositie ongewijzigd is gebleven. Verandering van het ondernemersvertrouwen in de economie Bijna 21 procent van de bedrijven heeft aangegeven dat het vertrouwen in de economie is verminderd, een hoger percentage dan afgelopen twee perioden en vergelijkbaar met december 2005 en 2006 (zie figuur 9). Verder heeft slechts 14 procent van de bedrijven aangegeven dat het vertrouwen in de economie verbeterd is, een duidelijk lager percentage dan de vorige periode (25%). In vergelijking met december 2007 hebben meer ondernemers aangegeven dat het vertrouwen gelijk is gebleven; dit stijgt van 59 naar 65 procent. Figuur 8: concurrentie binnenlandse markt 0 10 20 30 40 50 60verbeterdonveranderdverslechterdn.v.t.% bedrijven juni '07 dec '07 juni '08 dec '08 Figuur 9: verandering vertrouwen economie0 10 20 30 40 50 60 70 dec 04 junidec 05 junidec 06 junidec 07 juni 'dec 08% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Nummer 1 35

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine Vertrouwen in de toekomst Bij de bedrijven is nauwelijks sprake geweest van een verandering van het vertrouwen in de toekomst. Dit blijkt nogal stabiel te zijn en is ie ts toegenomen van 68 naar 71 procent. Afgelopen december 2008 is in 9 procent van de gevallen aan gegeven dat men gn vertrouwen in de toekomst heeft (was 11%). Een zelfde percentage als voorgaan de periode, 21 procent van de ondernemers, heeft aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag. Mening t.a.v. het investeringsklimaat Figuur 10: vertrouwen toekomst Curaao0 10 20 30 40 50 60 70dec 04 junidec 05 junidec 06 junidec 07 juni 'dec 08% bedrijven ja nee geen mening Figuur 11: investeringsklimaat Curaao 0 10 20 30 40 50 60 70 dec 04 junidec 05 junidec 06 junidec 07 juni'dec 08% bedrijven goed matig slecht Het oordeel ten aanzien van het investeringsklimaat is de afgelopen periode wat minder positief geworden (zie figuur 11). Minder bedrijven hebben aangegeven dat deze goed is: van 40 naar 32 procent. Daarmee is aan de trend van groei vanaf 2005 van een gunstige perceptie vooralsnog een einde gekomen. Het percentage bedrijven welke heeft aangegeven dat deze slecht is, is met 10 procent echter ongewijzigd gebleven. De meeste bedrijven oordelen zoals gebruikelijk het investeringsklimaat als matig: 58 procent (toename van 8% t.o.v. juni 2008). 36 Jaargang 9

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Bedrijfsresultaten Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat voor wat betreft de bedrijfsresultaten, 72 procent van de bedrijven over 2008 een positief resultaat heeft behaald (winst voor afdracht van belastingen). Dit is een bescheiden toename van 1 procentpunt ten opzichte van december 2007. Over de periode 2003-2008 is dit echter het hoogst gemeten percentage en de stijgende trend heeft zich hiermee heel voorzich ti In overeenstemming met het voorgaan Bedrijfsresultaten Curaao 2003 t/m 2008.0 10 20 30 40 50 60 70 802003 2004 2005 2006 2007 2008% bedrijven pos neg g voortgezet (zie figuur 12). de heeft 28 procent van de benaderde bedrijven een negatief amenvatting den opgemerkt dat het bij de investeringsbelemmeringen opvallend is dat het uraao laat over het jaar 2008 een iets ander beeld zien dan Bonaire: in tegenstelling tot de perceptie bedrijfsresultaat (verlies) behaald, een afname van 1 procentpunt t.o.v. het voorgaande jaar. Overigens is het zo dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventu ele faillissementen. S Over Bonaire kan wor verkrijgen van werkvergunningen geen rol van bete kenis meer speelt. Wederom zijn een gebrek aan financile middelen de belangrijkste belemmering voor het doen van investeringen. De concurrentiepositie op de binnenl andse markt is nauwelijks veranderd. Verder zijn zowel het vertrouwen in de economie als in de toekom st wat afgenomen en is de perceptie van het investeringsklimaat minder positief geworden. Op de bedrijfsresultaten hebben deze minder optimistische meningen vooralsnog weinig effect: 65 procent van de bedrijven heeft in 2008 winst behaald, iets minder dan over 2007. C op het zustereiland, is het vertrouwen in de toekom st niet afgenomen doch licht verbeterd. Wel is de mening over het investeringsklimaat minder positief geworden. De stijgende trend is doorbroken. Ook hier is het tekort aan financile middelen de belangrijkste investeringsbelemmering en blijkt ook hier de afgifte van werkvergunningen geen groot probleem te zijn voor bedrijven. De concurrentiepositie op de binnenlan dse markt is eveneens, net als in Bonaire, nauwelijks veranderd. En ook het vertrouwen in de economie is verminderd. De positieve trend bij de bedrijfsresultaten heeft zich daarentegen voortgezet, ook al is het minimaal. Meer bedrijven dan ooit gemeten in de conjunctuurenqute, 72 procent, heeft aangegeven winst te hebben behaald over het jaar 2008. Nummer 1 37

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine Income development in Bonaire Martha Victoria Introduction This article presents data on the income and income ineq uality of households in Bonaire, for the years 2006 and 2008. Data on household income is obtain ed from the LFS (Labor Force Survey) 2006 and 2008, a sample survey which is conducted by the Central Bureau of Statistics every two year. Interpreting the analysis presented in the article, the reader should take the following into account: Income data gathered from the LFS are expressed in gr oss terms. No allowance is made for direct taxes and social contributions to arrive at net disposab le income, which is a better indicator for income distribution analysis. As with all sample surveys, results from the LFS survey may be influenced by sampling errors. A more reliable source of household income data would be th e population census, but since the last census was conducted in 2001, more recent data from the LFS was chosen to assure actuality. The 2008 income has been deflated with the consumer price index (CPI) 2006, to compare developments of 2006-2008. The income of households includes the income of the head of household and all other individuals 15 years and older in the household. For the purpose of analysis the incomes are equivalised The equivalent income is defined as the household income of the individual adjusted for differences in household size. The assumption underlying an equivalent income measure is that larger households need more income than one-person households to reach a given level of economic well-being. This article begins with a section discussing growth in income, followed by a section on differences in income distribution of household in come and ends with a section of income inequality. 38 Jaargang 9

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Growth in income between 2006 and 2008 Mean income (average) is the amount obtained by dividing the total aggregate income of a group by the number of units in that group. According to table 1, between 2006 and 2008, the average household income has increased from ANG 2,360 to ANG 3,880, a rise of about 64 percent. In addition, the mean household income headed by male and female households grew by 69 and 61 percent respectively. The median household income divides households into two equal segments with the first half of households earning less than the median household income and the other half earning more. Between 2006 and 2008, the median household income is up by 60 percent. The median household incomes headed by male and female households have increased by 63 and around 62 percent respectively. Table 1. Type of households by equivalent income 2006 2008 Mean income All households 2,360 3,880 Male headed household 2,532 4,279 Female headed household 1,951 3,146 Median income All households 1,803 2,890 Male headed household 1,923 3,139 Female headed household 1,406 2,271 Differences in income distribution Income distribution r efers to how evenly the total amount of income in an economy is divided between all households. The group of households earning below ANG 2,000 has fa llen by 25 percentage points in 2008. Also in absolute terms, the amount of households has decreased from 322 to 178. The income categories below 1000 and 1001-2000 have declined, while the income categories 2001-3000 and up have had an increase. Altogether the income distribution has changed between 2006 and 2008. There is a positive shift from lower income category to a higher income category, as seen in table 2 and the following graph. Table 2. Distribution of equivalent household income 2006 2008 abs. % abs. % <-----1000 141 25 58 10 1001-2000 181 31 120 21 2001-3000 114 20 124 22 3001-4000 53 9 75 13 4001-5000 33 6 62 11 5001-----> 52 9 128 23 Total 574 100 567 100 Nummer 1 39

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine Distribution of equivalent household incomeBonaire <----10001001 20002001 30003001 40004001 50005001 ------> 0 5 10 15 20 25 30 35% 2006 2008 Income inequality The income quintiles are a commonly used measure for income distribution. A Quintile is one of the values that divide a frequency distribution into five parts, each containing a fifth of the sample population. The lowest 20 percent group has in 2006 and 2008 nearly 5 percent of the total income. Households in the lowest 40 percent of the income distribution own only 15 percent in 2006 and less than 15 percent in 2008, and those in the lowest 80 percent own abov e 50 percent of the total income. The rest pertains to the highest 20 percent group. It can be conclude d that there has been a sl ight decrease in all 20 percent groups, with the exception of the highest 20 percent group. These observations can be explained with the help of table 3, which shows the percentages of the equivalent household income received by equal percentiles of househ olds ranked by their income levels. The highest 20 percent group of the households rece ives 9.6 times more than the lowest 20 percent quintile in 2006, and 10.7 times in 2008. This means that the inequality in the income distribution has had a slight increase between 2006 and 2008. Table 3. Equivalent income distributed by household quintile in the island of Bonaire 2006 2008 1st (lowest) 20% group 4.9 4.5 2nd 20% group 10.1 10 3rd 20 % group 15.3 14.9 4th 20% group 22.7 22.6 5th (highest) 20% group 47 48 total 100 100 Relation highest group with lowest group 9.6 10.7 Gini coefficient 0.415 0.433 40 Jaargang 9

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine The Gini coefficient is a measure of the income inequality in a society. It measures the degree to which two frequency (percentage) distributions correspond. The Gini coefficient is a number between 0 and 1, where 0 means perfect equality (exact correspon dence, e.g. everyone has the same income) and 1 means perfect inequality (one person has all the in come, everyone else earns nothing). This means that the higher the Gini coefficient, the more unequal the income distribution. The latest Gini coefficient readings for Bonaire point to an incidenc e of inequality (see table 3). In comparison to 2006, the Gini coefficient has increased from 0.415 to 0.433 in 2008, which means that the income distribution has become more unequal in 2008. Conclusion Both mean and median household incomes have in creased in 2008, compared to 2006. Households headed by women have had a lower mean and median household income than male headed households. The largest changes in the income distribution have been in the income categories 1000 and under (15 percent decrease). The second larg est groups are those earning 5001 and up (14 percent increase). Compared to 2006, the income inequality has increase d in 2008 (from 9.6 to 10.7 times the amount of the poorest households). Nummer 1 41

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine Onderstand en mate van gebruik van subsidieregelingen Zaida Lake Inleiding De onderstands bedragen van gezinnen en personen in Curaao zijn naar verhouding laag, vooral als deze worden getoetst tegen de gemiddelde huishoudgrootte (2.8). In 2007 was de norm Naf.259,90 per twee weken voor een gezin en voor een individu was dat Naf.150,15 per twee weken. Om onder andere voor de relatief lage bedragen te compenseren, is bij eilandenregeling bepaald dat alle personen met een onderstand recht hebben op extra financile steun van de overheid in de vorm van subsidies, om tegemoet te komen aan de dagelijkse levensbehoeftes. In 2007 en 2008 werden voor het eerst enkele vragen met betrekking tot de subsidieregelingen tot het Arbeidskrachtenonderzoek (AKO) gevoegd. Het huidig artikel heeft twee doelen; ten eerste om het aantal onderstandtrekkers dat gebruik maakt van subsidieregelingen in kaar te brengen. De periode van onderzoek is oktober 2008 Ten tweede is dit artikel bedoeld om te kijken of er een verband bestaat tussen de economische status (werkzoekend of niet actief) van de onderstandtrekker en de mate waarin deze gebruik maakt van de subsidieregelingen. Methodologie De analyse, behorend bij het tweede doel van dit ar tikel, gaat zoals gezegd, uit van twee doelgroepen, namelijk werkzoekenden met een onderstand en ni et actieven met een onderstand. Beide groepen worden met elkaar vergeleken. De hypothese daarbij luidt: houdt de economische status van de onderstandtrekker verband met het gebruik maken van subsidieregelingen? Om de hypothese te toetsen is gebrui k van twee nominale variabelen, zijnde: 1. gebruik maken van de subs idieregeling, ja of nee 2. en economische status van de onderstandtrekker. Voor elk type subsidie in de tabel is op zoek gegaan naar een mogelijk verband tussen de twee variabelen. De toetsingsmaat is de Chi-kwadraat. De Chi-kwadraat is een statistische maat die een significant verband/associatie aangeeft tussen twee nominale variabelen. Hoe groter de Chikwadraat hoe sterker het verband. De kans op inc orrectheid van de conclusi es is gesteld op=0.05. 42 Jaargang 9

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine De Chi-kwadraat geeft niet noodzakelijkerwijs de richting van het verband aan, maar uit de conclusies in dit artikel zullen mogelijke indicaties van oorzaken worden aangegeven. Definities : Een werkzoekende is elk persoon van 15 jaar en ouder, dat ten tijde van het AKO geen werk had, de maand voorafgaand aan het onderzoek acti ef naar werk heeft gezocht en bereid is om binnen twee weken te beginnen. Een werkende is elk persoon van 15 jaar en ouder, dat de week voorafgaand aan het AKO een baan had of ten minste 4 uren in de week werk tegen betaling heeft verricht. Een niet-actieve is elk persoon van 15 jaar en ouder dat noch werkt, noch op zoek is naar werk. Voor de doeleinden van dit artikel zijn g epensioneerden en studenten, uit de analyse weggelaten, omdat het aantal onderstandtrekkers onder deze groepen na ar verhouding klein is. Aantal onderstandtrekkers Uit de cijfers van het Arbeidskrachtenonderzoek blij kt dat in oktober 2008, 4948 personen onderstand krijgen. Deze cijfer is gebaseerd op de definitie zoals deze in het AKO wordt gehanteerd en is niet geheel vergelijkbaar met cijfers ui t administratieve bronnen. Het aant al personen met een onderstand maakt 4.5 procent deel uit van de bevolking van 15 jaar en ouder. De overgrote meerderheid bestaat uit vrouwen (70 procent). Tabel 1 Bevolking 15 jaar en ouder met een onderstand. 2008 Absoluut Percentages Man 1498 30 Vrouw 3450 70 Totaal 4948 100 Een onderverdeling van het aantal personen met een onderstand naar hun economische status in tabellen 2 en 3, laten zien dat er 4 keer zove el niet-actieven zijn met een onderstand als werkzoekenden. Het aantal werkzoekenden met een on derstand bedraagt dat 885 (18 procent van alle onderstandtrekkers) en het aantal niet actieven telt 3605 personen (73 procent van alle onderstandtrekkers). Er zijn ook een aantal werken den die hebben opgegeven onderstand te genieten; het aantal bedraagt ongeveer 460 personen. Voor dit artikel is deze groep buiten beschouwing gelaten, vanwege het relatief klein getal. Nummer 1 43

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine Tabellen 2 en 3 geven een overzicht van de verdeling van het aantal niet actieven en het aantal werkzoekenden met een onderstand, naar geslacht. Tabel 2 Niet actieven met een onderstand per geslacht. Absoluut Percentages Man 1179 33 Vrouw 2426 67 Totaal 3605 100 Tabel 3 Werkzoekenden met een onderstand per geslacht. Absoluut Percentages Man 178 20 Vrouw 707 80 Totaal 885 100 Een conclusie dat uit beide tabell en kan worden getrokken is dat van de beide groepen, naar verhouding meer werkzoekenden vrouwen onderstand krijgen dan niet actieve vrouwen. Verband tussen subsidieregeling en economische status De subsidies die in dit artikel zullen worden geanalyseerd zijn kinderbijslag (bij wet voor maximaal 3 kinderen per gezin), schoolkleding (voor maximaal 3 kinderen per gezin), busgeld (voor maximaal 3 kinderen), gratis medische zorg (PP-kaart), subsidie bij betaling van water en elektriciteit, huursubsidie en ontheffing van betaling van vuilophaaldienst (Selikor). Hier volgt de een uiteenzetting van de mate waar in zowel werkzoekenden als niet-actieven met een onderstand gebruik maken van de subsidieregeling en. Het verband tussen beide concepten wordt per subsidie bekeken. Kinderbijslag Tabel 4 Kinderbijslag Absoluut Percentages Werkzoekenden Niet actieven Totaal Werkzoekenden Niet actieven Totaal Geen 605 3054 3659 68 85 82 Voor tussen 1 en 3 kinderen 279 550 829 32 15 18 Totaal 884 3604 4488 100 100 100 Chi-kwadraat=125..5 voor p=0.05 Uit tabel 4 komt naar voren dat er sterk verband bestaat tussen de economische positie van de onderstands trekker en het ontvangen van kind erbijslag. Het aandeel werkzoekenden met een onderstand dat kinderbijslag krijgt is twee keer zo hoog als het aandeel niet actieven met een onderstand. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat 80 procent van de werkzoekenden met een onderstand uit vrouwen bestaat. Hiervan is 46 procent in de leeftijd tussen 35-44 jaar. Beide groepen maken evenveel gebruik van de regeling. 44 Jaargang 9

PAGE 50

Modus Statistisch Magazine Schoolkleding Tabel 5 Schoolkleding Absoluut Percentages Werkzoekenden Niet actieven Totaal Werkzoekenden Niet actieven Totaal Geen 572 2918 3490 65 81 78 Voor tussen 1 en 3 kinderen 312 687 999 35 19 22 Totaal 884 3605 4489 100 100 100 Chi-kwadraat=108.18 voor p=0.05 Er schijnt ook een verband te bestaan tussen de ec onomische positie van de onderstandtrekker en het krijgen van subsidie voor schoolkleding. Wederom geldt dat niet actieven minder gebruik van deze regeling dan werkzoekenden. De percentages zijn respectievelijk 35 procent van de werkzoekenden versus 19 procent van de niet-actieven. Busgeld voor kinderen Tabel 6 Busgeld voor kinderen Absoluut Percentages Werkzoekenden Niet actieven Totaal Werkzoekenden Niet actieven Totaal Geen 766 3251 4017 87 90 89 1 of meer kinderen 119 353 472 13 10 11 Totaal 885 3604 4489 100 100 100 Chi-kwadraat= 10.07 voor p-=0.05 Ook voor wat betreft busgeld voor kinderen komt naar voren dat een zeker verband bestaat tussen beide variabelen, zij het minder sterk dan bij de vorige twee subsidieregelingen.Werkzoekenden maken voor 13 procent gebruik van de regeling en bi j de niet actieven is het aandeel 10 procent. Opvallend dat een groot aandeel van alle onders tandtrekkers (89 procent) geen busgeld voor kinderen ontvangt. PP-kaart Tabel 7 PP-kaart Absoluut Percentages Werkzoekenden Niet actieven Totaal Werkzoekenden Niet actieven Totaal Ja 503 2791 3294 57 77 73 Nee 381 813 1194 43 23 27 Totaal 884 3604 4488 100 100 100 Chi-kwadraat=153.40 voor p=0.05 Werkzoekenden maken meer gebruik van de aangebo den medische voorzieningen (PP-kaart) van de overheid dan niet actieven. De verhoudingen zijn respectievelijk 43 versus 23 procent. Nummer 1 45

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine Subsidie voor water en elektra Tabel 8 Subsidie voor water en elektra Absoluut Percentages Werkzoekenden Niet actieven Totaal Werkzoekenden Niet actieven Totaal Ja 0 313 313 0 9 7 Nee 884 3291 4175 100 91 93 Totaal 884 3604 4488 100 100 100 Chi-kwadraat=82.53 voor p=0.05 Een klein deel van de onde rstands trekkers krijgt subsidie voor water en elektriciteit. De verhouding is 7 op 93. Deze conclusie geldt in nagenoeg deze lfde mate voor zowel werkzoekenden als voor niet actieven. Huursubsidie Tabel 9 Huursubsidie Absoluut Percentages Werkzoekenden Niet actieven Totaal Werkzoekenden Niet actieven Totaal Ja 100 608 708 11 17 16 Nee 785 2995 3780 89 83 84 Totaal 885 3603 4488 100 100 100 Chi-kwadraat=16.62 voor p=0.05 Ongeveer 16 procent van alle onderstandtrekkers krijgt huursubsidie. Hierbij is weinig verschil tussen werkzoekenden en niet-actieven. Beiden ma ken nagenoeg evenveel gebruik van de regeling. Ontheffing van Selikor Tabel 10 Ontheffing v. betaling Selikor Absoluut Percentages Werkzoekenden Niet actieven Totaal Werkzoekenden Niet actieven Totaal Ja 187 830 1017 21 23 23 Nee 697 2774 3471 79 77 77 Totaal 884 3604 4488 100 100 100 Chi-kwadraat=1.43 voor p=0.05 Ongeveer een kwart van alle onderstandtrekkers maakt gebruik van de mogelijkheid tot ontheffing van betaling van Selikor. De aandelen zijn vrijwel gelijk voor zowel de werkzoekenden als voor de niet actieven. 46 Jaargang 9

PAGE 52

Modus Statistisch Magazine Samenvatting en Conclusies Dit artikel heeft ten eerste als doel om het totaal aantal onderstands trekkers dat gebruik maakt van de subsidieregeling van de overheid te beschrijven. Ten tweede heeft het als doel om te kijken of er verschil zou bestaan tussen he t gedrag van werkzoekenden en dat van niet actieven bij de gebruikmaking van de subsidieregelingen. Uit de Arbeidskrachtenonderzoeken blijkt dat een rela tief klein deel van de bevolking van 15 jaar en ouder onderstand krijgt (4.5 proc ent). Van de onderstandtrekkers is 18 procent werkzoekend en 73 procent is niet actief. Het overig deel bestaat uit werkenden die zeggen onderstand te genieten. Uit de analyse naar het verband tussen de economische status van de onderstandtrekker en het gebruik van de subsidieregelingen, komt allereerst naar voren dat in zijn algemeenheid relatief weinig onderstandtrekkers gebruik maken van de subsidieregelingen. De verhouding is gemiddeld rond 75 procent niet tegenover ongeveer een kwart wel. Met uitzondering van busgeld voor kinderen, subsidie voor water en elektra, huursubsidie en ontheffing van Selikor, maken onderstandtrekkers (voor ongeveer een kwart) gebruik van de overige subsidieregelingen in dit artikel en deze kinderbijslag en schoolgeld voor kinderen. In beide gevallen zijn het vooral de werkzoekenden die gebruik maken van deze regelingen, in verhouding van 2 op 1. De redenen voor bovengenoemde conclusie is vooralsnog niet bekend. Het is duidelijk dat intervenirende factoren een rol spelen waarom he t accent vooral bij de werkzoekenden ligt. Een mogelijke verklaring kan liggen in het feit dat na ar verhouding meer vrouwen werkzoekend zijn dan niet actief. En het zullen voorna melijk vrouwen met kinderen zijn (46 procent van de werkzoekende vrouwen met een onderstand zijn in de leeftijd va n 35-44 jaar, de leeftijdsgroep met hulpbehoevende kinderen). Uit een Census publicatie van het CBS uit 2005; Huishoudens met zorgbehoevende kinderen, blijkt dat van alle noudergezinnen met zorgbehoevende kinder en, 93.8 procent een vrouw aan het hoofd heeft. Uit het voorgaande is echter nog niet gezegd we lk percentage van de vrouwen met een onderstand aan het hoofd staat van een noudergezin met hulpbe hoevende kinderen. Deze informatie is immers niet uit het AKO te halen. Maar gezien het feit dat dit aandeel in de bevolking relatief groot is te noemen (93.8), is het aannemelijk dat deze factor een ro l speelt in de cijfers in dit artikel. Er zijn, zoals gezegd, naar verhouding meer werkzoekende vrouwen met een onderstand dan niet actieve vrouwen. Conclusie : het zullen hoogstwaarschijnlijk voornameli jk werkzoekende vrouwen met kinderen zijn die gebruik zullen maken van subs idieregelingen van de overheid met name kinderbijslag en schoolkleding. Nummer 1 47

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine Het aanbod en verbruik van goederen en diensten in Curaao, 2005-2006 Lorette Ford Inleiding en doelstelling In dit artikel wordt een analyse gegeven van het aanbod en verbruik van goederen en diensten per sector en bedrijfstak in Curaao, over de periode 2005-2006. In de aanbodtabel worden 2 componenten onderscheiden, te weten goederen en diensten aangeboden door ingezetenen (de binnenlandse productie) en goederen en diensten aangeboden door buitenlandse bedrijven (de importen). Het totaal verbruik 16 geeft de aanwending aan van het aanbod en is als volgt te verdelen naar componenten: het intermediair verbruik dat bestaat uit niet-duurzam e goederen en diensten (dus goederen en diensten met een verwachte levensduur van korter dan 1 jaar), die in het productieproces worden getransformeerd of opgebruikt en die aan het eind van het proces geheel in de nieuwe producten zijn opgegaan. Voorbeelden van goederen die worden getr ansformeerd in het productieproces zijn grondstoffen (bijvoorbeeld graan in meel en meel weer in brood). Voorbeelden van intermediair verbruik die worden opgebruikt zijn elektriciteit, water en de meeste andere diensten; de consumptie. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de consumptie van huishouden s (inclusief instellingen zonder winstoogmerk in dienst van de huishoudens 17 ) en consumptie van de overheid; de investeringen, bestaande uit bruto investeringen in vaste activa, en voorraadverandering de exporten van goederen en diensten. 16 In dit artikel zijn de belastingen, subs idies en rentemarges bu iten beschouwing gelaten 17 In de grafieken en tabellen zullen de Huishoudens en instelli ngen zonder winstoogmerk gemakshalve worden aangeduid met huishou dens 48 Jaargang 9

PAGE 54

Modus Statistisch Magazine De ontwikkelingen in het aanbod Hieronder wordt nader ingegaan op de ontwikke lingen van de componenten waaruit het totaal aanbod bestaat, t.w. de binnenlandse productie en de importen. Fi g uur 1. Aandeel totaal aanbod per component, Curaao 2005-20060% 20% 40% 60% 80% 100% 20052006 Importen Binnenlandse productie Het totale aanbod per component Zoals eerder is aangehaald bestaat het totale aanb od uit de binnenlandse productie en de importen. Figuur 1 toont het aandeel van deze componenten van het aanbod. In beide jaren vertegenwoordigt de binnenlandse productie meer dan twee derde van het totale aanbod. De importen hebben een aandeel van ongeveer een derde in het totale aanbod. Het totale aanbod in Curaao is met 7,6 procent gesteg en van 10,2 miljard in 2005 naar 10,9 miljard in 2006. Uit tabel 1 valt af te lezen dat deze stijging voornamelijk wordt veroorzaakt door een toename in de importen met bijna 10 procent. In 2006 bedraagt de import namelijk 3,4 miljard gulden tegenover 3,1 miljard gulden in 2005. Deze stijging wordt teweeggebracht door een toename van de import van zowel goederen als diensten met respectievelijk 10 procent en 8 procent. Tabel 1. Het totale aanbod per component Curaao 2005-2006 2005 2006 % mutatie Binnenlandse productie 7.032,4 7.503,6 6,7 Importen 3.120,8 3.423,3 9,7 Goederen 2.302,9 2.537,3 10,2 Diensten 817,9 886,0 8,3 Totaal aanbod 10.153,2 10.926,9 7,6 De binnenlandse productie per sector en bedrijfstak Hieronder wordt een analyse gegeven van de binne nlandse productie per sector en bedrijfstak. In 2006 bedraagt de binnenlandse productie ongeveer 7,5 miljard gulden tegenover een waarde van 7,0 miljard gulden in 2005, een nominale stijging van 6,7 procent Uit tabel 2 valt af te lezen dat de productie van de niet-financile sector in 2006 met 10,2 procent is gestegen De productie in de sector huishoudens is het minst gestegen, te weten met 0,1 procent. Tabel 2. Binnenlandse productie per sector % mutatie 10,2 0,2 1,9 0,1 2005 4.445,3 1.334,2 757,5 495,3 7.032,4 2006 4.899,3 1.336,6 771,8 495,9 7.503,6 Niet-financile bedrijven Financile bedrijven Overheid Huishoudens 6,7 Totaal Nummer 1 49

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine De totale binnenlandse productie kan ook worden ingedeeld naar de verschillende bedrijfstakken. De grootste stijgingen in 2006 hebben plaatsgevonden in de bedrijfstakken Vervoer, opslag en communicatie met 22 procent, Open bare nutsbedrijven met 18 proc ent, Onderwijs met 13 procent, Industrie met 12 procent, Horeca met 10 procent en Bouw met 9 procent (zie figuur 2). Figuur 2. Mutatie binnenlandse productie per belangrijkste bedrijfstak, Curaao 2005-2006 0.05.010.015.020.0 25.0 Bouwnijverheid Horec a Industrie Onderwijs Openbare nutsbedrijven Vervoer, opslag en communicatie% De ontwikkelingen van het verbruik Zoals in de inleiding is aangehaald bestaat het to taal verbruik uit het intermediair verbruik, de consumptie, investeringen en de exporten. Uit figuur 3 valt het aandeel van deze componenten in het totaal verbruik af te lezen. Het grootste aandeel komt van de consumptie met 33 procent, gevolgd door het intermediair verbruik met 30 procent en de export met 25 procent. De investeringen vertegenwoordigen het kleinste aandeel met 12 procent. Figuur 3: Aandeel van het totaal verbruik per component, Curaao 2006 33% 12% 25% 30% Intermediair verbruik Consumptie Investeringen Export In 2006 bedraagt het totaal verbruik 11,2 miljard guldens. Dat is in vergelijking met 2005 een stijging van bijna 8 procent. Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging in de exporten met ruim 11 procent, en een stijging in het intermediair verbruik met bijna 10 procent. Ook de consumptie stijgt, namelijk met bijna 7 procent, terwijl er in de investeringen een daling valt waar te nemen van bijna 2 procent (zie tabel 3). Tabel 3. Verbruik per co mponent, Curaao 2005-2006 Mln. NAf % mutatie 2005 2006 Intermediair verbruik 3.102,0 3.401,6 9,7 Consumptie 3.455,1 3.680,3 6,5 Investeringen 1.367,6 1.344,0 -1,7 Export van goederen en diensten 2.497,0 2.788,6 11,7 Totaal 10.421,7 11.214,5 7,6 50 Jaargang 9

PAGE 56

Modus Statistisch Magazine Hieronder wordt nader ingegaan op de ontwikkeling per component. Het intermediair verbruik In 2006 bedraagt het intermediair verbruik 3,4 miljard gulden tegenover een waarde van 3,1 miljard gulden in 2005; een nominale stijging van bijna 10 procent. Tabel 4 geeft aan dat de grootste stijgingen in 2006 hebben plaatsgevonden in de bedrijfstakken Vervoer, opslag, en communicatie met bijna 36 procent,gevolgd door Openbare nutsbedrijven met ruim 35 procent, Landbouw, veeteelt, visserij en mijnbouw met 20 procent, Financile dienstverlening met 18 procent en Bouwnijverheid met 13 procent. Bedrijfstakken die in 2006 een daling vertonen in het intermediair verbruik zijn Overige gemeenschappelijke dien sten, sociale en pers.dienstverlening (-9,9%), Overheid (-2,4%), Onroerend goed, verhuur, overige zakelijke dienstverlening (-1,7%) en Handel (-0,6%). Tabel 4. Het intermediair verbruik per bedrijfstak Mln NAf % mutatie 2005 2006 ABC Landbouw, veeteelt, visserij en mijnbouw 32,0 38,3 19,5 D Industrie 504,5 514,4 2,0 E Openbare nutsbedrijven 230,8 312,5 35,4 F Bouwnijverheid 274,0 310,1 13,2 G Handel 340,3 338,2 -0,6 H Horeca 203,0 223,0 9,8 I Vervoer, opslag en communicatie 286,4 388,7 35,7 J Financile dienstverlening 412,4 484,8 17,6 K Onroerend goed, verhuur, overige zakelijke dienstverlening 253,1 248,8 -1,7 L Overheid 116,9 114,1 -2,4 M Onderwijs 35,3 36,7 4,1 N Gezondheidszorg en sociaal werk 153,7 157,9 2,7 O Overige gemeenschappelijke diensten, sociale en pers.dienstverlening 259,7 234,0 -9,9 Totaal 3.102,0 3.401,6 9,7 De consumptie De nationale consumptie van 3,7 miljard gulden in 2006 bestaat voor bijna drie kwart uit consumptie van huishoudens en voor ongeveer een vierde deel uit overheidsconsump tie. Uitgaande van een waarde van 3,5 miljard in 2005 kan worden geconc ludeerd dat de nationale consumptie in 2006 is gestegen met 6,5 procent. Deze stijging wordt grotendeels teweeggebracht door een toename in de consumptie van de huishoudens met bijna 8 procent. De investeringen De totale investeringen (bruto investeringen in vaste activa en voorraadverandering) zijn met bijna 2 procent gedaald. Dit komt voorname lijk door een daling in de voorraadverandering met 129 miljoen gulden, aangezien de bruto investeringen in vaste activa in absolute zin is toegenomen met 106 miljoen gulden van 1.347,3 miljoen gulden in 2005 naar 1.453,1 miljoen gulden in 2006. De stijging van de bruto investeringen in vaste ac tiva wordt voornamelijk teweeggebracht door een stijging van de bruto investeringen in vaste activa bij de overheid en bij de niet-financile sector. Nummer 1 51

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine Deze stijgen respectievelijk met 12 en 10 procent in 2006. De kleinste stijging van de bruto investeringen in vaste activa heeft plaatsgevonden in de sector huishoudens (zie figuur 4). Figuur 4: Mutatie bruto investeringen in vaste activa per sector, Curaao 2005-2006 0.02.04.06.08.010.012.014.0 Huishoudens Financile sector Niet-financile sector Overheid% De exporten Ook de exporten vormen, zoals eerder is aangehaald, een onderdeel van het totale verbruik. In 2006 bedragen de totale exporten 2,8 miljard gulden; hiervan bestaat ongeveer 60 procent uit diensten. In vergelijking met 2005 is de totale export gestegen, namelijk met bijna 12 procent. Zowel de export van goederen als de export van diensten is gestegen, maar zoals tabel 5 aangeeft is de export van goederen het meest gestegen (20,5%). Tabel 5. De exporten van goederen en diensten 2005 2006 Mutatie(in %) Goederen 887,3 1069,5 20,5 Diensten 1609,7 1719,1 6,8 Totaal 2497,0 2788,6 11,7 Conclusie Het totaal aanbod van goederen en diensten in 2006 is gestegen ten opzichte van 2005. De stijging van het aanbod door buitenlandse bedrijven (de importen) is hiervan de belangrijkste oorzaak. Ook het aanbod van goederen en di ensten door ingezetenen (de binnenlandse productie) is gestegen, hoewel minder dan de importen. De binnenlandse productie is het meest gesteg en in de niet-financile sector en in de bedrijfstakken Vervoer, opslag en communica tie, Openbare nutsbedrijven, Industrie, Horeca en Bouwnijverheid. Het totaal verbruik van goederen en diensten in 2006 is gestegen ten opzichte van 2005. Van het totaal verbruik zijn de exporten (van zo wel goederen als diensten), het intermediair verbruik en de consumptie gestegen, terwijl de investeringen gedaald zijn. De belangrijkste stijgingen van het intermedia ir verbruik hebben zich voorgedaan in de bedrijfstakken Vervoer, opslag en communicatie, Openbare nutsbedrijven, Landbouw, veeteelt, visserij en mijnbouw, Financile dienstverlening en Bouwnijverheid. 52 Jaargang 9

PAGE 58

Modus Statistisch Magazine Register Modus Statistisch Magazine, Jaargang 8 Analyse prijsontwikkelingen 2007 Joyce Mahabali Modus jrg.8;nr.3;p.10-13 Bedrijven en werkgelegenheid micro-, klein en middenbedrijf in Curaao Ria Duyndam Modus jrg.8;nr.2;p.28-34 Berekening van de armoede grens voor Curaao Modus jrg.8;nr.3;p.18-25 Conjuctuurenquete Bonaire en Curaao 1 e halfjaar 2007 Chris M. Jager Modus jrg.8;nr.1;p12-17 Developments in production activities Curaao 2007 Glenda Varlack Modus jrg.8; nr.3; p.14-18 An economic overview on the production activities St.Maarten 2007 Glenda Varlack Modus jrg.8; nr.4; p.2-4 Economisch belang van het MKB benadert dat van het grootbedrijf : ontwikkeling van het aandeel van het midden en kleinbedrijf in de economie van Curaao van 2001 tot en met 2006 Ria Duyndam Modus jrg.8;nr.4;p.38-45 Foreign trade statistics of the Leeward Islands in 2007 Roeland Dreischor Modus jrg.8;nr.4;p.29-37 Foreign trade statistics of the Leeward Islands in 2006 Roeland Dreischor Modus jrg.8;nr.1;p.22-28 Gender and long term unemployment Curaao Sean de Boer Modus jrg.8;nr.2;p.21-27 Nummer 1 53

PAGE 59

Modus Statistisch Magazine Household income distribution Curaao Martha Victoria Modus jrg.8;nr.1;p.33-35 Income developments Sint Maarten Martha Victoria Modus jrg .8;nr.3;p.7-9 Inkomsten en uitgaven eilandoverheid Curaao en de Landsoverheid Nederlandse Antillen in 2007 Joyce Mahabali Modus jrg.8;nr3;p.1-5 Internationale economische ontwikkelingen 2007-2008 Lorette Ford Modus jrg.8;nr3;p.26-29 Kenmerken moeilijk op te vullen vacatures Zaide Lake Modus jrg.8;nr.2;p.17-20 De lopende rekening van de betalingsbalan s Internationale Vergelijking 2003-2004 Lorette Ford Modus jrg.8;nr.1;p.29-32 Migranten in de Nederlandse Antillen (2) Sabrina Dinmohamed Modus jrg.8;nr.1;p.5-11 Naar een nationaal informatiesysteem : een stelsel van basisregistraties voor het eilandgebied Curaao Sean de Boer Modus jrg.8;nr.4;p.18-28 Personal income in Curaao Martha Victoria Modus jrg.8;nr.1;p.18-21 ` Resultaten conjuctuurenquet e Bonaire en Curaao 2007 Chris M. Jager Modus jrg.8;nr.2;p.8-16 54 Jaargang 9

PAGE 60

Modus Statistisch Magazine Resultaten conjuctuurenquete Bonaire en Curaao 1 e halfjaar 2008 Chris M. Jager Modus jrg .8;nr.4;p.46-50 Resultaten slachtofferonderzoek 2008 Ellen Maduro Modus jrg.8;nr.4;p.5-17 Results of business-cycle survey Sint Maarten first half year of 2007 Chris M.Jager Modus jrg.8;nr.2;p.1-7 Verkeer en verkeersveiligheid in Curaao Ellen Maduro-Jeandor Modus jrg.8;nr.1;p.1-4 Nummer 1 55