Citation
Modus Jaargang 10 Nummer 1

Material Information

Title:
Modus Jaargang 10 Nummer 1
Publication Date:

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redactioneel................................................... iii 1. Dalende arbeidsproductiviteit In Curaao in 2008...................................... 1 2. Geringe toename van het economisch belang van het middenen kleinbedrijf in 2008 in Cu raao ..........................................14 3. Gedetineerde n in Cu raao......................... 27 4. Resultaten conjunctuurenenqute Bonaire en Cur aao jaar 2010................... 32 5. Prijsontwi kkeling Curaao 2010................ 38 Nummer 1 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 10 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Geachte Lezer, Voor u ligt weer een nieuwe editie van MODUS, het statistisch magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao. Zoals wellicht bij u bekend is, tracht het CBS middels deze publicatie artikelen te realiseren die meer diepgang geven aan verschillende materie en de hieruit voortvloeiende onderwerpen. Modus verschijnt normaliter vier maal per jaar, maar afgelopen jaar en ook dit jaar stond het CBS voor grote uitdagen (o.a. de verwerking van Census 2011) waardoor het CBS minder aandacht kon toewijden aan deze specifieke publicaties. Vandaar dat er ook mindere edities gedurende dit jaar zijn verschenen. Het voorliggende is het resultaat wederom van extra inspanning van onze medewerkers, om u, naast de reguliere gegevens, van additionele nuttige informatie te voorzien. Redactioneel Colofon Oplage : 400 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 5411 696 info@cbs.an www.cbs.an Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Ostrid Girigori Drukwerk Interpress NV Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2011 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Zo kunt u interessante artikelen vinden over de resultaten uit de conjunctuur enquete dat in 2010 is gehouden in Bonaire en Curaao, de arbeidsproductiviteit, de prijsontwikkelingen en de ontwikkelingen van het Midden Klein Bedrijf in de economie van Curaao. Verder is er een artikel toegewijd aan gedetineerden in Curaao waar in wordt gegaan op de aard en omvang. Rest mij u veel leesplezier toe te wensen en uit te kijken naar de volgende edities van MODUS die komend jaar vooral in het teken zullen staan van de analyse van de Census 2011. Sean de Boer Directeur CBS Nummer 1 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine iv Jaargang 10

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 1 Dalende arbeidsproductiviteit in Curaao in 2008 Arbeidsproductiviteit van 2003 tot en met 2008 en ontwikkeling van de componenten van de Bruto Toegevoegde Waarde (BTW) Ria Duyndam Inleiding Productiviteit is een maat voor de efficiency waarmee een productieproces wordt uitgevoerd en is een indicatie voor de winstgevendheid en het concurrentievermogen van een bedrijf, bedrijfstak of economie. De meest gebruikte (ruwe) maat voor productiviteit is de arbeidsp roductiviteit. Het is een relatieve maat, waarmee men de jaren met elkaar kan vergelijken of waarmee men zich met andere bedrijven of bedrijfstakken kan meten. Arbeidsproductiviteit wordt door het Centraal Bureau v oor de Statistiek gedefinieerd als bruto toegevoegde waarde (BTW) per werkende in constante prijzen (dus gecorrigeerd voor inflatie). Als de productiviteit per arbeider hoog is, dan is er relatief minder arbeid nodi g. Een hoge arbeidsproduct iviteit kan ontstaan door scholing, arbeidsverdeling of specialisatie en kapitaalin tensiteit (de inzet van veel kapitaalgoederen). Door mensen te specialiseren worden ze bekwamer op dat gebied. Arbeidsproductiviteit is een belangrijke indicator voor de welvaart van een land Een economie met een hoge arbeidsproductiviteit impliceert dat he t land ook een hoog bruto binnenlands product heeft per capita, en dus een hoog welvaartsniveau1. Sinds 1998 zijn er geen cijfers meer gepubliceerd over de arbeidsproductiviteit in de toenmalige Nederlandse Antillen2. In dit artikel zal de ontwikkeling in Curaao worden beschreven voor de jaren 2003 tot en met 2008. De arbeidsproductiviteit zal ook p er bedrijfstak worden geanalyseerd. Ar beidsproductivitei t verschilt per bedrijfstak, afhankelijk van de inzet van kapitaalgo ederen. Bedrijfstakken met veel machines of andere kapitaalgoederen kennen een hogere arbeid sproductiviteit dan andere bedrijfstakken. Hiernaast zal ook de ontwikkeling van de componenten va n de BTW per werkende en per bedrijfstak worden beschreven. Deze componenten zijn afschrijvingen op pr oductiemiddelen (materile va ste activa), loonkosten en overig inkomen (exploitatieresultaat). Door deze componen ten te beschrijven wordt meer inzicht gekregen in de opbouw van de BTW en hoe deze verdeeld is in de verschillende bedrijfstakken. De benodigde data voor dit artikel zijn afkomst ig uit de jaarlijkse Nationale Rekeningen enqute 1 Sociaal economische trends, 2e kwartaal 2009, CBS Nederland 2 Modus Jaargang 3 nummer 4, December 1998

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine 2 Jaargang 10 Methodologie Elk jaar wordt op de eilanden van de Nederlan dse Antillen de Nationale Rekeningen enqute gehouden. Deze enqute verschaft o.a. inzicht in in komsten, uitgaven en exploitatieresultaat van de bedrijven. Er worden definitieve gegevens gevraag d over het afgelopen boekjaar; het laatste jaar waarvan definitieve cijfers beschikbaar zijn is 2008. Bedrijven me t 10 werknemers of meer worden elk jaar in de enqute opgenomen. Van de bedr ijven met minder dan 10 werknemers wordt een steekproef getrokken, waarna ze 4 achtereenvolgende jaren genquteerd worden. In totaal worden ongeveer 1300 bedrijven benaderd. De verkregen cijfers van de bedrijven worden opgeho ogd naar het totale aant al werkenden die uit het jaarlijkse arbeidskrachtenonderzoek (AKO) worden verkregen3. De BTW wordt bepaald door de intermediaire kosten (kostprijs en overige operationele kosten) van de brutoproductie af te trekken. Om de arbeidsproductiviteit te bepalen wordt de BTW gedeeld door het aantal werkenden (lopende prijzen) en daarna gecorrigeerd voor de inflatie (constante prijzen). Dezelfde methode wordt toegepast op de componenten van de BTW. De berekening naar constante prijzen wordt alleen op totaalniveau gedaan. Op bedrijfstakniveau wordt uitsluitend gekeken naar lopende prijzen omdat de prijsontwikkeling in de afzonderlijke bedrijfstakken waarschijnlijk niet het algemene consumenten prijsindexcijfer (CPI) volgt. Een betere methode zou zijn om het Producenten Prijsindexcijfer (PPI) te gebruiken voor de berekening naar constante prijzen, maar dit is op Curaao nog niet beschikbaar. Behalve de nominale ontwikkeling is ook de procentuele groei berekend van de arbeidsproductiviteit en van de componenten van de BTW4. De tabellen staan in de bijlage en in de tekst wordt, waar nodig, hiernaar verwezen. De groei is berekend van jaar op jaar, en ook gemiddeld over de gehele periode van 2003 tot en met 2008. Bedrijfstakken waarin slechts n of enkele bedrij ven voorkomen zijn sameng evoegd met een andere bedrijfstak. Dit is het geval vo or mijnbouw (samen met landbouw ) en het particuliere onderwijs (samen met zakelijke dienstverlening). 3 De ophoogfactor is het aantal werkenden uit de enqute gedeeld door het aantal werkenden uit de AKO, per bedrijfstak 4 Dit gebeurt met een speciale formule

PAGE 8

Modus Statistisch Magazin e Definities Arbeidsproductiviteit: bruto toegevoegde waarde per werkende in constante prijzen (gecorrigeerd voor inflatie). Bruto Binnenlands Product (BBP): de totale productie van goederen en diensten binnen een land. Om het BBP te berekenen wordt de Bruto Toegevoegde waarde van de verschillende sectoren van de economie bij elkaar opgete ld. Deze sectoren omvatten de financile en niet-financil e instellingen, de huishoudens, de non-profit instellingen en de overheid. Van deze Bruto Toegevoegde waarde worden vervolgens de belastingen minus subsidie s op goederen en diensten en de rentemarge afgetrokken om tot het BBP te komen. Brutoproductie: de omzet plus veranderingen in voorrade n. Voor de handel: omzet minus kostprijs (handelsmarge). Bruto Toegevoegde Waarde (BTW): de brutoproductie minus het intermediaire verbruik. Het is het inkomen dat beschikbaar is voor de beloning van de betrokken productiefactore n, o.a. de vergoeding voor arbeid (beloning van werknemers en toegereken d loon van zelfstandigen) en afschrijvingen op productiemiddelen. Consumenten Prijs Indexcijfer (CPI): het cijfer dat als maatstaf wordt gebruikt voor het meten van de gemiddelde prijsontwikkeling van goederen en diensten die door huishoudens worden aangeschaft voor consumptie. Intermediair verbruik: de operationele kosten van een bedrijf, exclusief afschrijvingen, lonen en sociale lasten. Inbegrepen zijn o.a. de kost prijs, utiliteitskosten, transportkosten e.d. Kapitaalgoederen: de goederen die nodig zijn om producten voort te brengen, b.v. machines, computers e.d. Een andere benaming voor kapitaalgoederen is productiemiddelen. Kapitaalintensiteit: de verhouding tussen de hoeveelheid kapitaalgoederen en de hoeveelheid arbeid in het productieproces. Arbeidsintensiteit : heeft betrekking op een bedrijfsof een productieproces. Arbeidsintensief vereist relatief veel menselijke arbeid en weinig machines. Nationale Rekeningen : geven de economische transacties weer tussen de sectoren, die in een bepaald jaar in de nationale economie hebben plaats gevonden. De Nationale Rekeningen worden in boekhoudkundige vorm weergegeven. Nummer 1 3

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine 4 Jaargang 10 Bruto toegevoegde waarde per werkende per bedrijfstak Totale arbeidsproductiviteit In tabel 1 is te zien dat de totale BTW per werkende, zowel in lopende als in constante prijzen, in 2006 en in 2008 een daling vertoont, welke vooral wordt veroorzaakt door een sterke achteruitgang in de financile dienstverlening. In 2008 is verder ook sprake van een aanzienlijke daling bij de nutsbedrijven. De arbeidsproductiviteit is het hoogst in 2007 (76.4 duizend gulden in constante prijzen) en het laagst in 2008 (56.5 duizend gulden in constante prijzen). De gemiddelde groei van de arbeidsproductivitei t tussen 2003 en 2007 bedraagt 3,4 procent in lopende prijzen en 1,1 procent in constante prijzen5. Maar door de sterke daling bij de financile dienstverlening en de nutsbedrijven in 2008 is de gemiddelde groei tussen 2003 en 2008 gedaald naar respectievelijk 2,7 procent en -0,4 procent. Tabel 1 BTW per werkende in lopende prijzen, per bedrijfstak 2003 2004 2005 2006 2007 2008 1.000 Naf Landbouw, visserij en mijnbouw 41.0 52.1 52.5 49.2 47.1 46.1 Industrie* 49.8 58.8 45.1 55.7 56.8 60.6 Nutsbedrijven 180.4 173.7 197.3 203.3 220.7 161.8 Bouwnijverheid 41.1 48.3 57.3 51.0 53.2 53.4 Grooten kleinhandel 41.2 44.2 45.9 47.7 48.2 55.4 Horeca 26.1 28.6 30.2 34.0 37.6 46.3 Transport en communicatie** 122.0 109.7 102.5 129.6 118.0 132.8 Financile dienstverlening*** 288.2 271.4 306.6 209.6 309.9 41.4 Zakelijke dienstverlening en 63.2 59.0 62.6 60.6 63.1 56.2 particulier onderwijs Medische en sociale dienstverlening 52.5 56.5 57.2 58.1 59.7 61.8 Overige dienstverlening**** 31.1 39.9 47.1 54.2 54.0 51.4 Totaal in lopende prijzen 66.1 68.2 72.8 71.1 78.2 61.8 Totaal in constante prijzen van 2006 72.5 73.7 75.6 71.6 76.4 56.5 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs ** *exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen Arbeidsproductiviteit per bedrijfstak Op bedrijfstakniveau heeft de financile dienstverlening tot en met 2007 de hoogste arbeidsproductiviteit in vergelijking met de andere be drijfstakken, maar in 2008 is deze flink gedaald. In 2007 draagt een werkende nog ruim 300 duizend gulden per jaar bij aan de productiviteit van deze bedrijfstak, dit is het hoogste bedrag in de periode onder beschouwing. De daling in 2008 is het gevolg van de wereldwijde economische crisis, waardoor de beleggingsopbrengsten uit het buitenland van de pe nsioenfondsen negatief zijn geworden. In 2006 is er ook sprake van een daling, maar dit heef t dan vooral te maken met mutaties in de technische 5 Zie tabel 5 in de bijlage

PAGE 10

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 5 reserves. Onder normale omstandigheden wordt in deze bedrijfstak met relatief weinig mensen een hoge toegevoegde waarde gecreerd. Vr de economische crisis (tot en met 2007) is de gemiddelde groei vanaf 2003 in de financile dienstverlening 1,5 procent, maar in vanaf 2003 to t en met 2008 bedraagt de gemiddelde groei -27,6 procent. De sterkste groei vindt plaats in 2007 (47,9% ten opzichte van 2006)4. Deze groei vindt vooral plaats bij de verzekeringsmaatsc happijen door hogere premieopbren gsten en een lagere toevoeging aan de reserves in vergelijking met 2006. Verder zijn er in 2007 ook hogere opbrengsten uit de offshore. Naast financile dienstverlening vertonen de nutsbedrijven ook een hoge arbeidsproductiviteit, vanwege het sterk machinale karakter van deze bedr ijfstak, maar ook de hoge arbeidsintensiviteit. Met uitzondering van een lichte daling in 2004, is er sprake van een geleidelijke stijging tot en met 2007. De arbeidsproductiviteit bedraagt 220.7 duizend gulden in 2007, maar daalt in 2008 tot 161.8 duizend gulden, hetgeen te wijten is aan de fluctuaties van de brandstofprijzen. De hoogste groei is tussen 2004 en 2005, namelijk 13,6 procent. Dit heeft te maken met een verhoogde brutoproductie en een lager intermediair verbruik in 2005, wat resulteert in een hogere BTW. De gemiddelde groei tussen 2003 en 2008 bedraagt -1,8 procent, terwijl dit tussen 2003 en 2007 nog 4,1 procent is5. De laatste bedrijfstak met een arbeidsproductiviteit van boven de 100 duizend gulden is transport en communicatie met als hoogste waarde 132.8 duizend in 2008. Vooral de co mmunicatiebedrijven kennen een hogere arbeidsproductiv iteit na opkomst van de ICT. Tussen 2003 en 2008 is de gemiddelde groei 1,4 procent6. De hoogste groei vindt plaats in 2006 (26,4% ten opzichte van 2005). In 2006 is er sprake va n een toename van activiteiten op het gebied van communicatie (vooral het gebr uik van mobiele telefoons). De groei van 12,6 procent in 2008 komt voornamelijk door een afname van de kosten bij de telecommunicatiebedrijven, met daarnaast ook een groei van de omzet bij zowel transportals communicatiebedrijven. De groei is minder dan die van 2006 omdat ook het aantal arbeiders in 2008 is gestegen. De overige bedrijfstakken blijven in allemaal onder de 65 duizend gulden met hun arbeidsproductiviteit in de periode onder beschouwin g. In de meeste gevallen is er sprake van een hoge arbeidsintensiteit en een la gere inzet van kapitaalgoederen. Horeca laat tussen 2003 en 2008 een gemiddelde groei zien van 10 procent. De gemiddelde groei in de andere, niet met name genoemde, bedrijfstakken bevindt zich onde r de 10 procent, en is in en kele gevallen zelfs negatief. 6 Zie tabel 5 in de bijlage

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine 6 Jaargang 10 Afschrijvingen per werkende per bedrijfstak Afschrijvingen per werkende geeft een beeld van de kapitaalintensiteit van een bedrijf of bedrijfstak. Een bedrijf of bedrijfstak is kapitaalintensief als ten opzichte van een ander bedrijf of andere bedrijfstak meer wordt genvesteerd in kapitaalgoederen. Totale afschrijvingen per werkende in constante prijzen In tabel 2 is te zien dat de afschrijvingen per werkende in constante prijzen een dalende lijn vertoont tussen 2003 en 2008. Het verschil tussen deze twee jaren bedraagt 3.4 duizend gulden. De kosten van de gebruikte kapitaalgoederen gaan dus omlaag, hetgeen meer ruimte creert voor beloning van arbeid en het exploitatieresultaat. Dit wil ni et zeggen dat er niet wordt genvesteerd in productiemiddelen. Er wordt echter voor het gr ootste deel genvesteerd in langdurig meegaande productiemiddelen zoals gebouwen en andere bouwen grondwerken, en verder in machines of inventaris. De gemiddelde groei in constante prijzen tu ssen 2003 en 2008 bedraagt -5,8 procent7. In het grootste deel van de bedrijfstakken is er sprake van een negatieve gemiddelde groei, maar vooral in transport en communicatie (-9,5%), industrie (-7,2%) en landbouw, visserij en mijnbouw (-5%). De hoogste afschrijvingen per werkende bevindt zich in de nutsbedrijven, met daarop volgend transport en communicatie en de financile dienstverlening. Tabel 2 Afschrijvingen per werkende in lopende prijzen, per bedrijfstak 2003 2004 2005 2006 2007 2008 1.000 Naf Landbouw, visserij en mijnbouw 10.9 13.1 9.2 9.5 7.7 8.0 Industrie* 9.6 10.1 8.3 6.2 6.3 6.1 Nutsbedrijven 53.2 58.1 50.6 59.7 64.9 71.6 Bouwnijverheid 2.7 2.8 2.9 2.4 2.0 2.5 Grooten kleinhandel 4.3 5.2 4.9 4.7 4.5 4.6 Horeca 5.3 6.0 6. 3 5.5 4.6 5.0 Transport en communicatie** 46.9 39.9 34.3 32.2 27.3 25.8 Financile dienstverlening*** 12.9 11.9 10.8 10.4 10.8 12.7 Zakelijke dienstverlening en 8.7 8.9 8.1 8.7 8.7 8.1 particulier onderwijs Medische en sociale dienstverlening 3.2 3.4 4.3 4.1 4.1 3.9 Overige dienstverlening**** 6.0 4.1 7.0 7.3 6.8 6.7 Totaal in lopende prijzen 10.2 9.9 9.1 8.9 8.4 8.6 Totaal in constante prijzen van 2006 11.2 10.7 9.5 8.9 8.2 7.8 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs ** *exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen 7 Zie tabel 6 in de bijlage

PAGE 12

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 7 Afschrijvingen per werkende per bedrijfstak, in lopende prijzen Nutsbedrijven is de meest kapitaalintensieve bedrijfstak met de hoogste afschrijvingen per werkende, namelijk 71.6 duizend gulden in 2008. Met uitzonderi ng van 2005 is er vanaf 2003 een stijgende lijn te zien, waardoor de afschrijvingen per werkende in 2008 18.4 duizend gulden hoger zijn dan in 2003. De gemiddelde groei tussen 2003 en 2008 bedraagt 5,1 procent6. De hoogste groei vindt plaats in 2006 (18,1 procent ten opzichte van 2005). In de jaren 20 03 tot en met 2005 zijn er grote investeringen geweest in de zogenaamde andere grondwerken en in machines, waardoor in de jaren daarop de afschrijvingen toenemen. Tegelijkertijd neemt het aantal werknemers geleidelijk af, waardoor de afschrijvingen per werkende dus ook toenemen. Transport en communicatie is na de nutsbedrijven de tweede be drijfstak met hoge afschrijvingen per werkende in vergelijking met de overige bedrijfstakken. In 2008 bedragen deze 25.8 duizend gulden. Deze bedrijfstak laat echter vanaf 2004 wel een daling zien in de afschrijvingen per werkende. In totaal is er een verschil van 21.3 duizend gulden per werkende tussen 2003 en 2008. De gemiddelde daling tussen 2003 en 2008 bedraagt zoals eerder aange haald -9,6 procent, waarbij in 2007 de sterkste daling te zien is (-15,4% ten opzichte van 2006)7. Deze daling wordt enerzijds veroorzaakt door een toenemend personeelsaantal (toename van 11%), en anderzijds door lagere investeringen in 2006. Van 2003 tot en met 2008 nemen de afschrijvingen van de transportbedrijven af en die van de communicatiebedrijven toe. Ook zijn er over het algemeen mr investeringen bij de communicatiebedrijven dan bij de transportbedrijven (met uitzondering van investeringen in het vliegveld). Investeringen vinden vooral plaats in infrastructuur (datacommunicatielijnen). De derde bedrijfstak met afschrijvingen per werkende boven de 10 duizend gulden in de periode 2003 2008 is de financile dienstverlening In 2008 bedragen deze 12.7 duizend gulden per werkende. In tabel 2 is te zien dat er niet veel fluctuatie is tu ssen de jaren, en de gemiddelde groei bedraagt dan ook -0,2 procent8. Vanaf 2007 is er sprake van een lichte toen ame in deze kosten, nadat er een daling is geweest tussen 2003 en 2006. In 2008 is er flin k genvesteerd in gebouwen door de offshore en pensioenfondsen. De afschrijvingen zijn hierdoor we l iets toegenomen, maar in relatief mindere mate dan de investeringen. Net als transport en communicatie laat ook industrie een sterke gemiddelde daling zien (-7,2%). In deze bedrijfstak is er in 2005 en 2006 een daling in de afschrijvingen per werkende, hetgeen vooral veroorzaakt wordt door een toenemend aantal werkenden in deze bedrijfstak. Dit is tevens te zien in tabel 1 waar de arbeidsproductiviteit toeneemt vana f 2004 (met uitzondering van 2005), hetgeen dus duidt op de inzet van meer mensen tegenover mi nder productiemiddelen. Van 2006 tot en met 2008 zijn de afschrijvingen vrijwel stabiel. Afschrijvingen en het aantal personeelsleden nemen in gelijke mate toe. De sterkste daling van de afschrij vingen per werkende vindt plaats in 2006, -25,1 procent ten opzichte van 2005 (-2.1 duizend gulden per werkende). De in vesteringen laten een dalin g zien vanaf 2003 tot 8 Zie tabel 6 in de Bijlage

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine 8 Jaargang 10 en met 2006, maar nemen daarna weer toe. Vooral in 2007 wordt er flink genvesteerd door de betonindustrie. Behalve de nutsbedrijven zijn er nog slechts drie andere bedrijfstakken met een positieve gemiddelde groei, namelijk medischeen sociale dienstverlenin g (3,3%), overige dienstve rlening (1,8%) en grooten kleinhandel (1,3%). De overige, niet eerder genoemde bedrijfstakken laten allemaal een negatieve gemiddelde groei zien7. Loonkosten per werkende per bedrijfstak Een andere component van de BTW wordt gevormd door de loonkosten, de beloning voor geleverde arbeid. Totale loonkosten per werkende in constante prijzen In tabel 3 is te zien dat de totale loonkosten per werkende (in constante prijze n) licht dalen vanaf 2005 om uiteindelijk in 2008 uit te komen op 44.8 du izend gulden per werkende In 2004 was dit nog 48.7 duizend gulden per werkende. Hierbij moet wel de aantekening worden gema akt dat de daling van de totale loonkosten alleen te zien is na correctie voor inflatie. In lopende prijzen is er een stijging van bijna 5 duizend gulden per werkende tussen 2003 en 2008. De gemiddelde groei tussen 2003 en 2008 bedraagt -1,3 procent in constante pr ijzen, met de sterkste dalingen in 2005 (-3,2% ten opzichte van 20 04) en in 2006 (-3,1% ten opzichte van 2005) 9. Ondanks de gemiddelde daling van de totale l oonkosten per werkende zijn er slechts twee bedrijfstakken die een negatieve gemiddelde groei ve rtonen in 2008, ten opzichte van 2003 (zakelijke dienstverlening en onderwijs en industrie). Tabel 3 Loonkosten per werkende in lopende prijzen, per bedrijfstak 2003 2004 2005 2006 2007 2008 1.000 Naf Landbouw, visserij en mijnbouw 21.2 25.1 27.9 26.3 24.2 28.1 Industrie* 42.9 47.3 42.9 39.5 41.8 42.1 Nutsbedrijven 93.5 93.7 92.8 92.7 91.0 105.4 Bouwnijverheid 39.3 41.8 40.8 41.5 43.6 45.9 Grooten kleinhandel 29.8 31.8 33.4 33.4 35.2 35.3 Horeca 22.9 24.6 22.9 25.2 24.0 28.4 Transport en communicatie** 72.6 68.5 76.2 74.0 69.9 82.0 Financile dienstverlening*** 99.3 94.8 97.2 96.2 110.3 109.5 Zakelijke dienstverlening en 50.8 45.5 42.0 39.5 39.7 39.6 particulier onderwijs Medische en sociale dienstverlening 53.7 55.8 55.6 55.4 57.7 58.5 Overige dienstverlening**** 29.0 34.5 36.7 37.6 35.5 36.9 Totaal in lopende prijzen 44.2 45.0 45.4 45.4 46.6 49.0 Totaal in constante prijzen van 2006 48.4 48.7 47.1 45.7 45.5 44.8 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs ** *exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen 9 Zie tabel 7 in de Bijlage

PAGE 14

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 9 Loonkosten per werkende per bedrijfstak in lopende prijzen De loonkosten (salarissen en sociale lasten) zijn het hoogst in de financile dienstverlening vanwege de hoge mate van specialisatie in deze bedrijfstak. Dit is vooral het geval bij de trustmaatschappijen en offshore bedrijven. De loonkosten per werkende bedragen 109.5 duizend gulden in 2008 en zijn ten opzichte van 2003 gestegen met 10.2 duizend gulden. Gemiddeld is de groei tussen 2003 en 2008 1,6 procent, waarmee duidelijk is dat er niet echt grote verschillen tussen de jaren zijn8. Alleen in 2007 is er wel een sprong te zien van 14,7 procent als de loonkosten met 14.1 duizend gulden stijgen. Deze stijging vindt voornamelijk plaa ts bij de offs horebedrijven. De nutsbedrijven komen met de loonkosten dicht in de b uurt van de financile dienstverlening in 2008. Behalve kapitaalintensief is deze bedrijfstak ook arbeidsintensief. In 2008 zijn de loonkosten 105.4 duizend gulden per werkende en in tabel 3 is te zien dat dit een toen ame is van 14.4 duizend gulden ten opzichte van 2007 (een groei van 15,8%). In de jaren 2003 tot en met 2007 zijn er niet zulke grote verschillen te zien. De gemiddelde groei over de jaren 2003 tot en met 2008 komt uit op 2,0 procent9. Transport en communicatie volgt op de twee eerder genoemde bedrijfstakken met 82 duizend gulden aan loonkosten per werkende in 2008. Evenals bij de nutsbedrijven is ook hier sprake van een flinke stijging ten opzichte van 2007, namelijk met 12.1 du izend gulden (17,3%). Een iets minder sterke stijging is te zien in 2005 als de loonkosten stijgen met 7.7 duizend gulden ten opzichte van 2004 (11.1%). De gemiddelde groei bedraagt 2,0 procent tussen 2003 en 20089. De loonkosten per werkende in zakelijke dienstverlening en onderwijs laten een negatieve gemiddelde groei zien van -4,1 procent. De loonkost en per werkende dalen van 2003 tot en met 2006, maar zijn daarna weer langzaam aan het stijgen. Toch zijn de loonkosten per werkende in 2008 nog 11.2 duizend gulden lager dan in 2003. Nadere analys e laat zien dat bij vooral de grotere bedrijven in de zakelijke dienstverlening (onder andere acco untantskantoren) vanaf 2003 lagere loonkosten hebben per werkende, enerzijds door lagere salariss en, maar anderzijds ook door een afname van het aantal werkenden. Na 2006 verandert deze verhoudi ng waardoor de loonkosten per werkende weer toenemen. Exploitatieresultaat (overig inkomen) per werkende per bedrijfstak Het exploitatieresultaat is het bedrag dat over blijft nadat van de BTW de loonkosten en de afschrijvingen zijn afgetrokken. Dit resultaat, ook wel overig inkomen genoemd, is onder andere beschikbaar voor het doen van investeringen in productiemiddelen. Het exploitatieresultaat kan positief of negatief zijn (winst of verlies). De gemiddelde groei kan niet voor alle bedrijfstakken worden berekend omdat de gebruikte formule niet kan worden toegepast bij negatieve bedragen Daarom wordt de gemiddelde groei alleen op totaalniveau berekend10. 10 Zie tabel 8 in de Bijlage

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Totaal exploitatieresultaat per we rkende in constante prijzen In tabel 4 is te zien dat door de afname van de BTW per werkende in 2008, met daarbij slechts een lichte afname van loonkosten en afsc hrijvingen, er nauwelijks iets overblijft aan overig inkomen. De meeste bedrijfstakken komen nog wel positief uit, maar vooral financile dienstverlening en de nutsbedrijven hebben een negatief ex ploitatieresultaat in 2008. De oor zaak hiervan is al eerder in dit artikel beschreven (paginas 4 en 5). Het totale overige inkomen per werkende in constante prijzen in 2008 bedraagt 3.9 duizend gulden, terwijl dat in 2007 nog 22.6 duizend gulden is. De gemiddelde groei tussen 2003 en 2008 komt uit op -18,1 procent in constante prijzen9. Indien de ontwikkeling tussen 2003 en 2007 wordt genomen, dus zonder de tegenvallende resultaten van 2008, komt de gemiddelde groei uit op 11,9 procent. In 2007 wordt de sterkste groei gezien, 33,3 procent ten opzichte van 2006 (een toename van 5.6 duizend gulden). Het overig inkomen per werkende is in 2008 met 82.9 procent gedaald ten opzichte van 2007, een afname van 18.7 duizend gulden. Tabel 4 Exploitatieresultaat per werkende in lopende prijzen, per bedrijfstak 2003 2004 2005 2006 2007 2008 1.000 Naf Landbouw, visserij en mijnbouw 8.9 14.0 15.5 13.3 15.3 9.9 Industrie* -2.8 1.4 -6.1 10.0 8.7 12.4 Nutsbedrijven 33.7 21.9 54.0 50.9 64.7 -15.2 Bouwnijverheid -0.9 3.7 13.6 7.1 7.6 5.1 Grooten kleinhandel 7.1 7.2 7.5 9.6 8.6 15.5 Horeca -2.1 -2.0 1.1 3.3 9. 1 12.9 Transport en communicatie** 2.5 1.3 -7.9 23.3 20.8 25.0 Financile dienstverlening*** 176.0 164.7 198.6 103.0 188.8 -80.8 Zakelijke dienstverlening en 3.7 4.6 12.5 12.4 14.7 8.6 particulier onderwijs Medische en sociale dienstverlening -4.4 -2.8 -2.7 -1.4 -2.1 -0.6 Overige dienstverlening**** -3.9 1.3 3.4 9.3 11.7 7.9 Totaal in lopende prijzen 11.8 13.3 18.3 16.9 23.1 4.2 Totaal in constante prijzen van 2006 12.9 14.4 19.0 17.0 22.6 3.9 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs ** *exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen Exploitatieresultaat per werkende per bedrijfstak, in lopende prijzen Tussen 2003 en 2007 ligt het overig inkomen van de financile dienstverlening tussen ongeveer 100 en 200 duizend gulden per werkende. Maar vanwege te genvallende beleggingsresultaten in 2008, samen met ongeveer gelijkblijvende afschrijvingen en loonkosten is er in 2008 een negatief exploitatieresultaat van 80 .8 duizend gulden. Hierbij moet aangetekend worden dat bedrijven die niet afhankelijk zijn geweest van beleggingen in het buitenland, zoals bijvoorbeeld trustmaatschappijen of holdings, het wel goed hebben gedaan in 2008. 10 Jaargang 10

PAGE 16

Modus Statistisch Magazin e De nutsbedrijven hebben eveneens een negatief exploitatieres ultaat in 2008, -15.2 duizend gulden per werkende. De BTW per werkende is achteruitgegaan terwijl afschrijvingen en loonkosten zijn toegenomen, hetgeen uiteindelijk resulteert in het ne gatieve resultaat. Tussen 2003 en 2007 is het exploitatieresultaat per werkende steeds positief geweest, met bedragen variren tussen ongeveer 22 en 65 duizend gulden per werkende. Medische en sociale dienstverlening laten elk jaar een negatief expl oitatieresultaat zien, hoewel het sinds 2003 geleidelijk aan richting positief gaat. In 2008 bedraagt het exploitatieresultaat -0.6 duizend gulden per werkende. Bij dit resultaat is geen rekening gehouden met subsid ies van Land en Eiland. Deze worden namelijk niet meegenomen bij de sector bedrijven in de Nationale Rekeningen, omdat anders sprake zou zijn van een dubbeltelling met de sector overheid in de Nationale Rekeningen. Vergelijking van tabel 1 en tabel 3 laat zien dat de BTW van deze bedrijfstak voor het grootste gedeelte gebruikt wordt voor de loonkosten. De overige bedrijfstakken vertonen allen een positief exploitatieresultaat per werkende in 2008, en in de meeste gevallen ook in de andere jaren. Voor enkele bedrijfstakken geldt zelfs dat het exploitatieresultaat per werk ende in 2008 hoger is dan in de jaren vanaf 2003. Transport en communicatie heeft het hoogste bedrag aan expl oitatieresultaat per werkende, 25 duizend gulden, een toename van 20,2 procent ten opzichte van 2007. In 2006 en 2007 komt het resultaat in deze bedrijfstak ook boven de 20 duizend gulden per werkende uit. Grooten kleinhandel laat in 2008 een toename van het expl oitatieresultaat per werkende zien van 80,7 procent ten opzichte van 2007 en komt uit op 15.5 duizend gulden per werkende in 2008. Uit vergelijking van de tabellen 1, 2 en 3 komt naar vo ren dat de toename van het exploitatieresultaat per werkende in deze bedrijfstak te danken is aan een toename van de BTW bij ongeveer gelijkblijvende loonkosten en afschrijvingen. Het exploitatieresultaat van de bedrijfstakken i ndustrie en horeca is ook toegenomen in 2008 met respectievelijk 42 en 41,6 procent en komt voor het eerst sinds 2003 boven de 10 duizend gulden per werkende uit. De stijging van ho reca is wat minder dan die van in dustrie omdat de loonkosten per werkende van de horecabedrijven zijn gestegen ten opzichte van 2007, terwijl die van de industrile bedrijven ongeveer gelijk zijn gebleven. Het exploitatieresultaat per werkende in zakelijke dienstverlening en onderwijs is met 41,5 procent gedaald tot 8.6 duizend gulden. Alleen in 2003 en 2004 is dit lager geweest, in de andere jaren varieert het tussen ongeveer 12 en 15 duizend gulden pe r werkende. De schommeling van het resultaat heeft vooral te maken met de loonkosten per werkende, zie tabel 3. Nummer 1 11

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine Conclusie De arbeidsproductiviteit is in 2008 flink gedaald ten opzichte van 2007. Vanaf 2003 is de arbeidsproductiviteit ruim 70 duizend gulden per we rkende geweest, en in 2008 is deze tot 56.5 duizend afgenomen. Door de economis che crisis is er in 2008 een sterke achteruitgang in de financile dienstverlening en de nutsbedrijven zijn in 2008 achteruitgegaan vanwege de fluctuaties in de brandstofprijzen. Door deze ontwikkelingen is de totale arbeidsproductiviteit in 2008 beduidend lager dan in 2007, en ook in vergelijking met de jaren vanaf 2003. De bedrijfstakken met de hoogste arbeidsproductiviteit tot en met 2007 zijn financile dienstverlening, de nutsbedrijven en transport en communicatie. In 2008 heeft financile dienstverlening de laagst e arbeidsproductiviteit. De gemiddelde jaarlijkse groei van de arbeidsproductiviteit van 2003 tot en met 2007 is 1,1 procent, maar door genoemde ontwikkelingen in financile dienstverlening en bij de nutsbedrijven wordt deze over de periode 2003 tot en met 2008 negatief (-4,1%). De totale afschrijvingen per werkende zijn aan het afnemen vanaf 2004, en de totale loonkosten per werkende vanaf 2005. Tot en met 200 7 is er hierdoor sprake van een groeiend exploitatieresultaat per werkende (met uitzondering van 20 06), wat dus ruimte geeft voor het doen van investeringen. In 2008 is het exploitatieresultaat per werkende nog stee ds positief, hoewel beduidend lager dan in 2007. Bijlagen Tabel 5 Jaarlijkse en gemiddelde groei BTW per werkende, per bedrijfstak 2004 2005 2006 2007 2008 % Gemiddelde groei 20032008 (%) Gemiddelde groei 20032007 (%) Landbouw, visserij en mijnbouw 27,1 0,7 -6,2 -4,3 -2,2 2,0 2,8 Industrie* 18,2 -23,4 23,6 2,0 6,7 3,3 2,7 Nutsbedrijven -3,7 13,6 3,0 8,6 -26,7 -1,8 4,1 Bouwnijverheid 17,4 18,7 -11,0 4,3 0,4 4,5 5,3 Grooten kleinhandel 7,4 3,8 4,0 1,0 14,9 5,1 3,2 Horeca 9,6 5,5 12,6 10 ,5 23,1 10,0 7,5 Transport en communicatie** -10,1 -6,5 26,4 -8,9 12,6 1,4 -0,7 Financile dienstverlening*** -5,8 12,9 -31,6 47,9 -86,7 -27,6 1,5 Zakelijke dienstverlening en -6,7 6,1 -3,3 4,2 -10,9 -1,9 0,0 particulier onderwijs Medische en sociale dienstverlening 7,6 1,3 1,6 2,7 3,5 2,8 2,6 Overige dienstverlening**** 28,4 17,9 15,2 -0,4 -4,8 8,7 11,7 Totaal in lopende prijzen 3,1 6,8 -2,3 9,9 -21,0 -1,1 3,4 Totaal in constane prijzen van 2006 t 1,7 2,6 -5,3 6,7 -26,0 -4,1 1,1 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs ** *exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen 12 Jaargang 10

PAGE 18

Modus Statistisch Magazin e Tabel 6 Jaarlijkse en gemiddelde groei afschrijvingen per werkende, per bedrijfstak 2004 2005 2006 2007 2008 % Gemiddelde groei 20032008 (%) Landbouw, visserij en mijnbouw 20,2 -30,1 4,3 -19,8 5,0 -5,0 Industrie* 5,1 -17,9 -25,1 1,6 -2,7 -7,2 Nutsbedrijven 9,2 -12,9 18,1 8,7 10,3 5,1 Bouwnijverheid 1,9 4,1 -17,0 -16,2 23,8 -1,5 Grooten kleinhandel 21,9 -5,5 -4,5 -4,9 3,5 1,3 Horeca 14,4 3,8 -11, 7 -17,8 9,1 -1,0 Transport en communicatie** -15,0 -14,0 -6,0 -15,4 -5,5 -9,5 Financile dienstverlening*** -7,6 -9,7 -3,6 3,9 18,0 -0,2 Zakelijke dienstverlening en 2,4 -9,6 8,1 -0,7 -6,7 -1,3 particulier onderwijs Medische en sociale dienstverlening 7,1 26,8 -4,5 -2,0 -4,5 3,3 Overige dienstverlening**** -30,9 68,0 5,3 -6,9 -2,1 1,8 Totaal in lopende prijzen -3,3 -7,3 -2,7 -5,3 1,6 -2,9 Totaal in constante prijzen van 2006 -4,6 -11,0 -5,7 -8,0 -4,9 -5,8 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs ** *exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen Tabel 7 Jaarlijkse en gemiddelde groei loonkosten per werkende 2004 2005 2006 2007 2008 % Gemiddelde groei 20032008 (%) Landbouw, visserij en mijnbouw 18,0 11,2 -5,4 -8,3 16,4 4,8 Industrie* 10,1 -9,3 -7,9 5,9 0,7 -0,3 Nutsbedrijven 0,1 -0,9 -0,2 -1,8 15,8 2,0 Bouwnijverheid 6,5 -2,5 1,8 5,1 5,2 2,6 Grooten kleinhandel 6,8 5,2 -0,1 5,3 0,3 2,9 Horeca 7,2 -7,1 10,0 -4,8 18,7 3,7 Transport en communicatie** -5,6 11,1 -2,8 -5,5 17,3 2,0 Financile dienstverlening*** -4,5 2,5 -1,1 14,7 -0,7 1,6 Zakelijke dienstverlening en -10,5 -7,6 -6,1 0,6 -0,4 -4,1 particulier onderwijs Medische en sociale dienstverlening 4,0 -0,5 -0,3 4,2 1,4 1,4 Overige dienstverlening**** 19,1 6,3 2,4 -5,7 4,0 4,1 Totaal in lopende prijzen 1,9 0,8 0,0 2,7 5,1 1,7 Totaal in constante prijzen van 2006 0,5 -3,2 -3,1 -0,3 -1,6 -1,3 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs ** *exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen Tabel 8 Jaarlijkse en gemiddelde groei overig inkomen per werkende* 2004 2005 2006 2007 2008 % Gemiddelde groei 20032008 (%) Gemiddelde groei 20032007 (%) Totaal in lopende prijzen 13,1 37,6 -7,9 37,3 -81,7 -15,6 14,5 Totaal in constante prijzen van 2006 11,5 32,1 -10,6 33,3 -82,9 -18,1 11,9 Informatie niet per bedrijfstak beschikbaar omdat berekeni ng van de ontwikkeling met negatieve cijfers niet mogelijk is. Nummer 1 13

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine 14 Jaargang 10 Geringe toename van het economisch belang van het middenen kleinbedrijf (MKB) in 2008 Ontwikkeling van het MKB in de economie van Curaao van 2007 tot 2008 Ria Duyndam Inleiding In de Modus van april 201011 is het economisch belang van het middenen kleinbedrijf in de periode van 2006 tot 2007 beschreven. In dit artikel zal gekeken worden naar de ontwikkeling in 2008 ten opzichte van 2007. Sinds het vorige artikel zijn er enkele aanpassingen in de data geweest, zodat bepaalde percentages en bedragen kunnen afwijken van wat eerder is gepubliceerd. Er zijn bijvoorbeeld correcties gemaakt van het aantal werkenden aan de hand van het jaarlijkse arbeidskrachte nonderzoek. Het aantal werk enden wordt gebruikt om de data mee op te hogen. Verder zijn enkele cijfers aangepast na het alsnog binnenkomen van informatie over 2007. Nutsbedrijven zijn in dit artikel niet meegenomen in de totalen, aangezien zich hierin geen middenof kleinbedrijven bevinden. Hetze lfde geldt voor de mijnbouw. Naast een beschrijving van het aandeel in de totale economie en per bedrijfstak, zal ook gekeken worden naar de brutoproductie, loonkosten en investeri ngen van het middenen kleinbedrijf in relatie tot de grote bedrijven. In 2008 bedraagt het aandeel MKB bedrijven 98 procent van het totaal aantal bedrijven, een stijging van 1 procent in vergelijking met 2007. Het aan deel microbedrijven bedraagt 87 pr ocent, kleinbedrijf 7 procent en het middenbedrijf 4 procent. De werkgelegenheid is ook met 1 procent gestegen en be draagt nu 55 procent van de totale werkgelegenheid in Curaao12. 11 Modus jaargang 9, nummer 2 + 3, april 2010 12 Bedrijvenregister CBS

PAGE 20

Modus Statistisch Magazin e Methodologie Om het aandeel van het MKB in het Bruto Binnenland s Product (BBP) vast te stellen wordt de Bruto Toegevoegde Waarde (BTW) van de bedrijven gebruikt. Deze BTW komt uit de Nationale Rekeningen enqute, welke elk jaar wordt gehouden onder de bedrijven op de voormalige Nederlandse Antillen. Deze enqute verschaft o.a. inzicht in inkomsten, uitgaven en exploitatieresultaat van de bedrijven. De gege vens uit deze enqute worden gebruikt om de Nationale Rekeningen van de eilanden van de voor malige Nederlandse Antillen op te stellen. Naast enqutegegevens worden hiervoor o.a. ook cijfers van de overheid en de Sociale Verzekeringsbank gebruikt, en importen exportcijfers. De BTW wordt bepaald door de intermediaire kosten (kostprijs en overige operationele kosten) van de brutoproductie af te trekken. Het Bruto Binnenlands Product (BBP) wordt gebruikt als indicator voor de economische ontwikkeling van een land. Al naar gelang het BBP gedurende ee n periode stijgt of daalt kan men stellen dat de economie aan het groeien, respectievelijk aan het krimpen is. De BTW van de middenen kleinbedrijven is bij elkaar opgeteld en vergeleken met de totale BBP van Curaao. Op deze manier kan het aandeel van het MKB in de economie worden bepaald. Om na te gaan wat de bijdrage van het MKB is in elke bedrijfstak, is de BTW van het middenen kleinbedrijf per bedrijfstak bij elkaar opgeteld en vergeleken met de totale BTW in diezelfde bedrijfstak. Deze vergelijking kan niet worden ge daan op het niveau van het BBP, aangezien dit niet per bedrijfstak beschikbaar is, maar alleen voor de totale economie. De ontwikkeling van het aandeel van het MKB in de BTW per bedrijfstak zal voor elke bedrijfstak apart worden besproken, vanwege het belang voor de economie. Hiernaast zal soms ook de nominale ontwikkeling worden beschreven. Om het belang van het middenen kleinbedrijf in an dere variabelen aan te geven is ook gekeken naar het aandeel in de brutoproductie, loonkosten en investeringen in materile vaste activa. De ontwikkeling zal alleen voor de meest opvallende bedrijfstakken worden beschreven. Dit geldt tevens voor de nominale ontwikkelingen. Nummer 1 15

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Definities Kleinbedrijf : dit zijn bedrijven met minder dan 10 personen in loondienst n een omzet van minder dan een half miljoen NAf. Het microbedrijf vormt een onderdeel van het kleinbedrijf (minder dan 5 personen in loondienst n een omzet van minder dan 0,5 miljoen NAf.) Middenbedrijf : dit zijn bedrijven met tussen de 10 en 50 personen in loondienst f een omzet van tussen 0,5 en 5 miljoen gulden. Grote bedrijven : dit zijn bedrijven met tussen meer dan 50 personen in loondienst n een omzet vanaf 5 miljoen gulden. Bruto Toegevoegde Waarde (BTW) : de brutoproductie minus het intermediaire verbruik. Brutoproductie : de omzet plus veranderingen in voorrade n. Voor de handel: omzet minus kostprijs (handelsmarge). Intermediair verbruik : de operationele kosten van een bedrijf, exclusief afschrijvingen, lonen en sociale lasten. Inbegrepen zijn o.a. de kost prijs, utiliteitskosten, transportkosten e.d. Bruto Binnenlands Product (BBP) : de totale productie van goederen en diensten binnen een land. Om het BBP te berekenen wordt de Bruto Toegevoegde waarde van de verschillende sectoren van de economie bij elkaar opgete ld. Deze sectoren omvatten de financile en niet-financil e instellingen, de huishoudens, de non-profit instellingen en de overheid. Van deze Bruto Toegevoegde waarde worden vervolgens de belastingen minus subsidie s op goederen en diensten en de rentemarge afgetrokken om tot het BBP te komen. Nationale Rekeningen : geven de economische transacties weer tussen de sectoren, die in een bepaald jaar in de nationale economie hebben plaats gevonden. De Nationale Rekeningen worden in boekhoudkundige vorm weergegeven. 16 Jaargang 10

PAGE 22

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 17 Ontwikkeling van de Bruto Toegevoegde Waarde (BTW) van het MKB in verhouding tot het Bruto Binnenlands Product (BBP) In 2008 is het aandeel van het middenen kleinbedrijf in de totale economie van Curaao licht gestegen met 0,2 procentpunten ten opzichte van 2007 en bedraagt nu 29,5 procent (tabel 1). Nominaal is de BTW van het MKB met 133 miljoen toegenomen in 2008, iets minder dan de toename van 2007. Maar het BBP vertoont een sterkere stijging, waardoor het aandeel van het MKB op de economie slechts marginaal toeneemt. Ontwikkeling van het aandeel van het MKB in de totale BTW en per bedrijfstak Om het belang van het MKB in de verschillende bedr ijfstakken te analyseren is het relatieve aandeel van de BTW van het micro, klein en middenbedrijf op de to tale BTW van alle bedrijven samen bepaald, exclusief primaire bank en, taxis en buschauffeurs en huishoudelijke hulpen. Zoals is aangegeven bij de methodologie kan deze vergelijki ng niet worden gedaan op het niveau van het BBP, aangezien dit niet per bedrijfstak beschikbaar is, maar alleen voor de totale economie. Het aandeel van het MKB in de totale BTW13 Als naar de relatieve ontwikkeling van de Bruto Toegevoegde Waarde van het MKB wordt gekeken als aandeel van de BTW van alle bedr ijven bij elkaar (exclusief raffinad erij, primaire banken, taxis en buschauffeurs en huishoudelijke hu lpen), is te zien dat het aandeel van het MKB in 2008 flink is gestegen ten opzichte van 2007. Dit wordt voorna melijk veroorzaakt door een behoorlijke terugval van de BTW van de financile dienstverlening, waardoor de totale BTW ruim 444 miljoen lager uitkomt. De stijging van het aandeel van het MKB bedraagt 14,6 procentpunten en komt in totaal uit op 63,3 procent (tabel 2). In alle bedrijfstakken vertonen de middenen kleinbedrijven een stijging van het aandeel in de totale BTW, maar in de financile dienstverlening is dit het meest gestegen (7,1%), gevolgd door het MKB in grooten kleinhandel (2,8%). Het aandeel in de overige bedrijfstakken is met gemiddeld 1 procentpunt gestegen. Nominaal gezien heeft het middenen kleinbedrijf in de financile dienstverlening in 2008 het hoogste bedrag aan BTW, namelijk ruim 466 miljoe n gulden. Dit bedrag vertegenwoordigt ook het hoogste aandeel in de totale BTW (19,7%). 13 Zie tabel 2 Tabel 1 Aandeel MKB in de economie Bruto toegevoegde waarde MKB BBP Aandeel van het MKB mln. Naf % 2002 1.134 3.868 29,3 2003 1.149 3.942 29,1 2004 1.350 4.004 33,7 2005 1.457 4.199 34,7 2006 1.223 4.390 28,0 2007 1.368 4.666 29,3 2008 1.501 5.080 29,5

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine 18 Jaargang 10 De MKB in grooten kleinhandel heeft het tweede hoogste bedrag aan BTW (bijna 335 miljoen gulden). Het aandeel op de totale BTW is gestegen met 2,8 procentpunten tot 14,1 procent. Na grooten kleinhandel volgt het MKB in zakelijke dienstverlening en onderwijs met een BTW die ruim 26 miljoen gulden lager is in vergelijking met 2007 (217 miljoen gulden). Toch is het aandeel in de totale BTW licht gestegen met 0,5 procentpunt. Tabel 2 Relatieve ontwikkeling aandeel MKB in de BTW 2007 2008 BTW Aandeel MKB BTW Aandeel MKB Totaal MKB Bedrijfstak Totaal Totaal MKB Bedrijfstak Totaal Bedrijfstak mln Naf mln Naf % % mln Naf mln Naf % % Landbouw, veeteelt, visserij 13,1 13,0 100,0 0,5 14,1 12,9 91,8 0,5 Industrie* 149,0 80,3 53,9 2,9 175,9 92,9 52,8 3,9 Bouwnijverheid 237,5 97,2 40,9 3,5 249,0 111,3 44,7 4,7 Grooten kleinhandel 453,7 318,1 70,1 11,3 536,8 334,6 62,3 14,1 Horeca 147,3 62,0 42,1 2,2 181,9 62,6 34,4 2,6 Transport en communicatie** 325,8 73,4 22,5 2,6 400,6 71,1 17,7 3,0 Financile dienstverlening*** 797,9 356,3 44,7 12,7 115,5 466,2 19,7 Zakelijke dienstverlening 363,1 243,4 67,0 8,7 346,4 217,1 62,7 9,2 en onderwijs Medische en sociale 181,8 44,2 24,3 1,6 211,0 62,9 29,8 2,7 dienstverlening Overige dienstverlening**** 143,2 82,3 57,5 2,9 136,8 69,4 50,8 2,9 Totaal 2812,2 1368,2 48,7 48,7 2368,0 1499,8 63,3 63,3 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs *** exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen Het aandeel van het MKB in de BTW per bedrijfstak14 Hierna zal de ontwikkeling op bedrijfstakniveau worden beschreven, waarbij gekeken wordt naar het aandeel van het MKB in de betreffende bedrijfstak zelf. Landbouw, veeteelt en visserij bevindt zich in 2008 niet meer voor 100 procent in het MKB, vanwege een verschuiving van middennaar grootbedrijf. De nominale daling van de BTW van het MKB bedraagt 0,1 miljoen gulden in 2008, en het aandeel in de totale BTW van deze bedrijfstak is met ruim 8 procentpunten gedaald. De BTW is vooral bij de middenbedrijven afgenome n door een toenemend intermediair verbruik bij een gelijkblijvende brutoproductie. De kleine landbouwbedrijven hebben wel mr geproduceerd, maar hebben ook meer kosten gemaakt, waardoor de BTW ongeveer gelijk blijft aan die van 2007. Zowel de middenals kleine bedrijven hebben in 2008 meer uitgegeven aan grondstoffen. 14 Zie tabel 2

PAGE 24

Modus Statistisch Magazin e Industrie De BTW van het middenen kleinbedrijf in indust rie is met bijna 13 miljoen gestegen tot ruim 93 miljoen gulden in 2008. Het relatieve aandeel in de BTW van deze bedrijfstak is echter met 1,1 procentpunten gedaald, omdat ook de BTW van de grote bedrijven is toegenomen (met bijna 27 miljoen gulden). De toename van de BTW wordt vooral veroorzaakt door de middenbedrijven, met name in de metaalen verfindustrie. Bouwnijverheid De toename van de BTW van het MKB in deze bedrijfs tak bedraagt bijna 13 miljoen gulden in 2008. In tegenstelling tot de industrie vindt de stijging van de BTW in de bouw zowel bij de kleine bedrijven plaats als bij de middenbedrijven (beiden ongeveer 6 miljoen gulden). Dit wordt vooral veroorzaakt door een toename van de brutoproductie van middenen kleinbedrijven (zie ook tabel 3), met daarnaast een lichte kostenbespar ing door de middenbedrijven. De grote bedrijven hebben in 2008 een lagere BTW, waardoor het relatieve aandeel van het MKB met 3,3 procentpunten is toegenomen. Grooten kleinhandel Ondanks dat het MKB in grooten kleinhandel een stijging van het aandeel in de totale BTW laat zien in 2008 (2,8%), is het aandeel in deze bedrijfstak zelf gedaald met bijna 8 procentpunten ten opzichte van 2007. In tabel 2 is te zien dat de nominale waarde van de BTW van het middenen kleinbedrijf met 16,5 miljoen gulden is gestegen, maar dat de totale BTW van de grooten kleinhandel met ruim 83 miljoen gulden is toegenomen. Dit betekent dat de grote bedrijven een sterkere groei hebben gehad in 2008 dan het MKB. De middenbedrijven hebben, in tegenstelling tot de kleine bedrijven, een omzetstijging (118 miljoen gulden), met een relatief even sterke stijging van het intermediair verbruik, waardoor de BTW in 2008 ruim 15 miljoen hoger is dan in 2007. Het zijn vooral de autohandelaren en groothandel in voedingsmiddelen en kleding die hieraan hebben bijgedragen. De kleine bedrijven hebben in 2008 een flinke daling van de omzet (-200 miljoen gulden), maar door een kostenbesparing (zowel kostprijs als overige kosten) stijgt de BTW met bijna 1 miljoen. Horeca De BTW van het MKB in de horeca is in 2008 na uwelijks toegenomen (0,6 miljoen gulden). Het aandeel in de totale BTW van deze bedrijfsta k is gedaald met 7,7 procentpunten. Dit wordt veroorzaakt door een sterke groei van de BTW van de grote bedrijven met 34 miljoen gulden. Het MKB in de horeca heeft na landbouw, veeteelt en visserij de laagste BTW (62,6 miljoen gulden). De middenbedrijven laten een stijging zien va n de BTW, hetgeen veroorzaakt wordt door een toename van de brutoproductie en een minder sterke stijging van de kosten. Tegenover deze toename is echter een daling van de BTW te zien bij de kl eine bedrijven, waardoor het geheel op ongeveer hetzelfde niveau blijft als in 2007. Nummer 1 19

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Transport en communicatie Het middenen kleinbedrijf heeft de laagste vertegenwoordiging in transport en communicatie, de bijdrage in deze bedrijfstak bedraagt slechts 17,7 procent. Het aandeel in de BTW is ten opzichte van 2007 gedaald met bijna 5 procentpunten, terwijl er een nominale afname van de BTW is van 2,3 miljoen gulden. Omdat de meeste overheidsnvs zich in deze bedrijfstak bevinden is het aandeel van het MKB het laagst van alle bedrijfstakken. De afname van de BTW vindt plaats bij de kleine bedrijven, zowel op het gebied van transport als van communicatie. Financile dienstverlening (exclusief primaire banken) De totale BTW van deze bedrijfstak is met ruim 68 2 miljoen gulden gedaald in 2008. Dit wordt vooral veroorzaakt door negatieve buitenlandse beleggingsresultaten van enkele pensioenfondsen. Vanwege deze daling het niet mogelijk het aandeel van het MKB te bepalen, maar er kan wel gesteld worden dat zonder de positieve bijdrage van het MKB de BTW van deze bedrijfstak negatief zou zijn uitgekomen. De BTW van het middenen kleinbed rijf in de financile dienstverlening is met bijna 110 miljoen gulden gestegen in 2008, wat geheel toe te schrijven is aan de kleine bedrijven. Zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs Het aandeel van het MKB is in 2008 met 4,4 procentp unten gedaald in deze bedrijfstak. Dit komt neer op een daling van de BTW met ruim 26 miljoen gulden ten opzichte van 2007. Deze daling komt bijna geheel voor rekening van de zakelijke dienstverlen ing (onroerend goed activiteiten en verhuur). De BTW van de particuliere scholen is ongeveer gelijk gebleven aan 2007. Medischeen sociale dienstverlening De totale BTW is gestegen met ruim 29 miljoen gulden in 2008, waarvan het MKB bijna 19 miljoen voor haar rekening neemt. Het aandeel van het MKB in deze bedrijfstak is gestegen met 5,5 procentpunten vanwege genoemde stijging van de BTW. Zowel kleineals middenbedrijven in de medische dienstverlening zijn vooruit gegaan. De sociale dienstverlening bestaat voor een groot deel uit gesubsidieerde stichtingen en kleine crches, die over het algemeen geen grote verschillen laten zien van jaar op jaar. Overige dienstverlening De BTW van het MKB in de overige dienstverlening is in 2008 met bijna 13 miljoen gulden gedaald, waardoor het aandeel in de totale BTW van deze bedrijfstak met 6,8 procen tpunten is afgenomen. Zowel middenals kleinbedrijven zijn achteruit gega an met de BTW in 2008, vooral de bedrijven die zich bezig houden met radio, televisi e en andere ontspanningsactiviteiten. 20 Jaargang 10

PAGE 26

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 21 Ontwikkeling van het aandeel van h et MKB in de brutoproductie per edrijfstak b Hierna volgt eerst een analyse van het aandeel in de totale brutoproductie (tabel 3), met daarna een beschrijving van de meest opvallende bedrijfstakken. Vanwege de ontwikkeling in de financile dienstverlening kan het aandeel van het middenen kleinbedrijf in deze bedrijfstak niet berekend worden. Het aandeel van het MKB in de totale brutoproductie15 De bijdrage van het middenen kleinbedrijf in de totale brutoproductie bedraagt in 2008 55 procent en is ten opzichte van 2007 met 5,3 procentpunten gestegen (tabel 3). Nominaal gaat het om een stijging van 315 miljoen gulden, wat grotendeels door het MKB in financile dienstverlening wordt geproduceerd. Net als in 2007 heeft het middenen klei nbedrijf in financile dienstverlening in 2008 ook weer het hoogste aandeel in de totale brutoproductie (15%), gevolgd door grooten kleinhandel met 10,6 procent. De middenen kleinbedrijven in de overige bedrijfstakken hebben een aandeel dat onder de 10 procent ligt. Het aandeel van het MKB in de financile dienstverlening in de totale brutoproductie is gestegen met 4,7 procentpunten in 2008. De nominale stijging van de brutoproductie van het MKB in deze bedrijfstak bedraagt 264 miljoen gulden, en is d aarmee de bedrijfstak met de grootste toename. De overige middenen kleinbedrijven vertonen wein ig ontwikkeling ten opzichte van 2007, voor wat betreft het aandeel in de totale brutoproductie. Tabel 3 Relatieve ontwikkeling aandeel MKB in de brutoproductie 2007 2008 Brutoproductie Aandeel MKB Brutoproductie Aandeel MKB Totaal MKB Bedrijfstak Totaal Totaal MKB Bedrijfstak Totaal Bedrijfstak mln Naf mln Naf % % mln Naf mln Naf % % Landbouw, veeteelt, visserij 41,2 41,2 100,0 0,7 48,6 46,6 95,8 0,8 Industrie* 501,3 248,3 49,5 4,5 585,8 280,1 47,8 5,0 Bouwnijverheid 540,2 264,6 49,0 4,7 614,9 301,0 49,0 5,4 Grooten kleinhandel 820,9 582,3 70,9 10,4 915,9 596,5 65,1 10,6 Horeca 384,9 201,1 52,2 3,6 450,7 187,5 41,6 3,3 Transport en communicatie** 810,9 193,6 23,9 3,5 949,0 158,2 16,7 2,8 Financile dienstverlening*** 1298,8 576,6 44,4 10,3 793,3 841,0 15,0 Zakelijke dienstverlening 550,4 384,3 69,8 6,9 569,3 379,2 66,6 6,8 en onderwijs Medische en sociale 315,5 83,5 26,5 1,5 353,7 99,2 28,1 1,8 dienstverlening Overige dienstverlening**** 315,2 196,4 62,3 3,5 328,5 197,8 60,2 3,5 Totaal 5579,2 2771,9 49,7 49,7 5609,8 3087,1 55,0 55,0 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs *** exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen 15 Zie tabel 3

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine 22 Jaargang 10 Het aandeel van het MKB in de brutoproductie per bedrijfstak16 In de meeste bedrijfstakken bedraagt het aandeel van het MKB in de brutoproductie per bedrijfstak meer dan 40 procent. Transport en communicatie en medische en sociale dienstverlening zijn relatief minder vertegenwoordigd in het middenen kleinbedrijf met respectievelijk 16,7 en 28,1 procent. Naast landbouw, veeteelt en visserij met een vertegenwoordiging van bijna 96 procent van het MKB, heeft het middenen kleinbed rijf in zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs het hoogste aandeel in de brutoproductie per bedrijfstak, namelijk bijn a 67 procent. Ten opzichte van 2007 is het aandeel echter gedaald met 3,2 procentpunten, nominaal bedraagt de afname ruim 5 miljoen gulden. Het zijn de kleine bedrijven in deze bedrijfsta k die verantwoordelijk zijn voor de daling van de brutoproductie (met name administratiekantoren en architectenbureaus). De middenbedrijven hebben een hogere brutoproductie, maar door een f linke toename van de operationele kosten bij de bedrijven in onroerend goed hebben deze gezorgd voor de achteruitgang van de BTW. De middenen kleinbedrijven in het particulier onderwijs hebben in 2007 en 2008 een gelijke brutoproductie. Ondanks een toename van de brutoproductie van het MKB in industrie in 2008 (bijna 32 miljoen gulden), is het aandeel in de bedrijfstak zelf met 1,7 procentpunten gedaald. Dit komt omdat de brutoproductie van de grote bedrijven in 2008 met 60 miljoen gulden is toegenomen. De toename van de brutoproductie is, evenals bij de BTW, voornamelijk bij de middenbedrijven te vinden, en wel met name bij de verfen metaalindustrie. Het MKB in de bouwnijverheid heeft in 2008 36,5 miljoen gulden mr geproduceerd dan in 2007, maar omdat de totale brutoproductie ook flink hoger is, is het aandeel van het MKB hierin op hetzelfde niveau gebleven (49%). Zowel middenals kleinbedrijven hebben een hogere brutoproductie, respectievelijk ongeveer 16 en 19 miljoen gulden. Transport en communicatie vertoont een achteruitg ang ten opzichte van 2007, zowel wat betreft het aandeel in de brutoproductie van de bedrijfstak als van de nominale waarde van de brutoproductie zelf. Het aandeel is gedaald met ruim 7 procent en de brutoproductie is gedaald met ruim 35 miljoen gulden. De daling heeft te make n met een verschuiving van middennaar grootbedrijf, want de middenbedrijven die in het MKB blijven laten bijna allemaal een verhoging zien van de brutoproductie. 16 Zie tabel 3

PAGE 28

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 23 Ontwikkeling van het aandeel van het MKB in de loonkosten per bedrijfstak Er zal nu gekeken worden naar de ontwikkeling van de loonkosten in het middenen kleinbedrijf in vergelijking tot de grote bedrijven. Enkele bedrijfstakken die opvallende ontwikkelingen vertonen zullen nader worden beschreven. Het aandeel van het MKB in de totale loonkosten17 Het aandeel van het middenen kleinbedrijf in de totale loonkosten is in 2008 gedaald ten opzichte van 2007 (-2,2%), zie tabel 4. De loonkosten van het MKB zijn gestegen met 48,5 miljoen gulden, terwijl de totale loonkosten met ruim 190 miljoen gulden zijn toegenomen. Evenals in voorgaande jaren18 heeft het MKB in grooten kleinh andel ook in 2008 weer het hoogste aandeel in de totale loonkosten, 12 procent. Het aandeel van de overige bedrijfstakken bevindt zich onder de 10 procent, waarbij lan dbouw, veeteelt en visserij het laagste aandeel heeft (0,5%). Het aandeel van het MKB in de totale loonkosten is he t meest gestegen in de financile dienstverlening (0,8%), daarna volgt industrie met 0,1 procent. De overige bedrijfstakken hebben eenzelfde aandeel in de loonkosten of hebben nu een lager aandeel. Tabel 4 Relatieve ontwikkeling aandeel MKB in de loonkosten 2007 2008 Loonkosten Aandeel MKB Loonkosten Aandeel MKB Totaal MKB Bedrijfstak Totaal Totaal MKB Bedrijfstak Totaal Bedrijfstak mln Naf mln Naf % % mln Naf mln Naf % % Landbouw, veeteelt, visserij 8.5 8.4 100.0 0.5 10.3 9.1 88.4 0.5 Industrie* 109.6 53.3 48.6 3.1 122.0 60.4 49.5 3.2 Bouwnijverheid 194.4 89.7 46.1 5.3 213.5 96.7 45.3 5.1 Grooten kleinhandel 329.2 220.5 67.0 12.9 340.9 227.8 66.8 12.0 Horeca 94.5 42.1 44.6 2. 5 113.3 41.2 36.4 2.2 Transport en communicatie** 193.0 48.6 25.2 2.9 247.4 45.1 18.2 2.4 Financile dienstverlening*** 284.0 125.6 44.2 7.4 305.7 155.0 50.7 8.2 Zakelijke dienstverlening 228.7 127.1 55.6 7.5 243.5 127.9 52.5 6.8 en onderwijs Medische en sociale 166.7 40.5 24.3 2.4 198.7 45.9 23.1 2.4 dienstverlening Overige dienstverlening**** 94.0 48.1 51.1 2.8 97.6 43.2 44.3 2.3 Totaal 1702.5 803.8 47.2 47.2 1892.9 852.3 45.0 45.0 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs *** exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen 17 Zie tabel 4 18 Modus Jaargang 9 nummer 2+3, april 2010

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine 24 Jaargang 10 Het aandeel van het MKB in de loonkosten per bedrijfstak19 Naast landbouw, veeteelt en visserij met ruim 88 procent, heeft het middenen kleinbedrijf in grooten kleinhandel op bedrijfstakniveau het hoogste aandeel (66,8%). In vergelijking met 2007 is er wel een lichte achteruitgang te zien van het aandeel hoewel de loonkosten met 7,3 miljoen gulden zijn toegenomen. De loonkosten van de middenbedrijven zijn met ruim 4 miljoen gulden gestegen, die van de kleinbedrijven met bijna 3 miljoen. De loonkosten van het MKB in de financile dienstverlening zijn in 2008 ruim 29 miljoen gulden hoger dan in 2007. Omdat de loonkosten van de grot e bedrijven zijn gedaald met 6 miljoen gulden, is het aandeel van het MKB in de loonkosten toegenomen met 6,5 procentpunten. Bijna alle kleine bedrijven zijn meer aan loonkosten gaan uitgeven in 2008, het gaat hierbij vooral om holdings, trustmaatschappijen en verzekeringsmakelaars. Ook de meeste middenbedrijven hebben hogere loonkosten in vergelijking met 2007, maar hi er zijn het vooral de offshore maatschappijen en verzekeringsmaatschappijen die opvallen. Vanwege de eerder genoemde versch uiving van middennaar grootbedrijf in landbouw, veeteelt en visserij is het aandeel van het MKB in de loonkosten van deze bedrijfstak met 11,6 procentpunten gedaald in 2008. De loonkosten zelf zijn wel licht gestegen met 0,6 miljoen gulden. Horeca laat ook een achteruitgang zien van het aan deel van het MKB in de loonkosten van de bedrijfstak (-8,2%), terwijl de loonkosten ook nominaal zijn afgenomen met 0,9 miljoen gulden. Ontwikkeling van het relatieve aandeel van het MKB in de investeringen per bedrijfstak De investeringen van een bedrijf bestaan uit invest eringen in materile vaste activa zoals gebouwen en terreinen, transportmiddelen, computer s en software, inventaris en equipment. Evenals bij de beschrijving van de andere variabelen zal ook hier eerst gekeken worden naar het aandeel van het MKB per bedrijfstak in de totale investeringen en daarna zullen enkele bedrijfstakken worden beschreven die opvallende ontwikkelingen vertonen. Het aandeel van het MKB in de totale investeringen20 Ten opzichte van 2007 is het aande el van het middenen kleinbedrijf in de totale investeringen met 13,4 procentpunten afgenomen in 2008 (tabel 5). De investeringen van het MKB zijn met 7,2 miljoen gulden gedaald, terwijl de grote bedrijven ruim 137 miljoen mr hebben genvesteerd in 2008. 19 Zie tabel 4 20 Zie tabel 5

PAGE 30

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 25 De investeringen van het MKB in zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs zijn afgenomen met een bedrag van ruim 25 miljoen gulden. Het aandeel in de totale investeringen is met bijna 9,3 procentpunten gedaald. Toch heeft het MKB in deze bedrijfstak nog steeds het hoogste aandeel in de totale investeringen (6,3%). Ook vinden in deze bedrijfstak de meeste investeringen van het MKB plaats (ruim 31 miljoen gulden). Het MKB in de financile dienstverlening heeft een aandeel van 5,7 procent in de totale investeringen, een stijging van 1,4 procentpunten in vergelijking met het aandeel van 2007. Het aandeel in de totale investeringen van het MKB in overige dienstverlening bedraagt 5,3 procent en is ten opzichte van 2007 met 2 procentpunten gestegen. Tabel 5 Relatieve ontwikkeling aandeel MKB in de investeringen 2007 2008 Investeringen Aandeel MKB Investeringen Aandeel MKB Totaal MKB Bedrijfstak Totaal Totaal MKB Bedrijfstak Totaal Bedrijfstak mln Naf mln Naf % % mln Naf mln Naf % % Landbouw, veeteelt, visserij 0,6 0,6 100,0 0,2 0,8 0,7 89,7 0,1 Industrie* 28,2 11,5 40,7 3,2 25,4 10,7 40,7 2,1 Bouwnijverheid 17,4 4,6 26,5 1,3 17,2 1,9 10,7 0,4 Grooten kleinhandel 50,3 28,6 56,8 7,9 71,9 23,6 32,8 4,7 Horeca 39,0 17,0 43,6 4, 7 91,0 20,0 22,0 4,0 Transport en communicatie** 105,4 10,3 9,8 2,8 113,0 5,3 4,7 1,1 Financile dienstverlening*** 18,7 15,6 83,6 4,3 84,0 28,4 33,7 5,7 Zakelijke dienstverlening 72,6 56,7 78,2 15,6 39,8 31,4 79,0 6,3 en onderwijs Medische en sociale 10,6 1,2 11,0 0,3 20,9 2,2 10,5 0,4 dienstverlening Overige dienstverlening**** 20,1 12,1 60,0 3,3 36,1 26,7 74,0 5,3 Totaal 362,9 158,2 43,6 43,6 500,2 150,9 30,2 30,2 exclusief raffinaderij ** exclusief taxis en buschauffeurs *** exclusief primaire banken **** exclusief huishoudelijke hulpen Het aandeel van het MKB in de investeringen per bedrijfstak21 Op bedrijfstakniveau hebben de investeringen van het MKB het hoogste aandeel in landbouw, veeteelt en visserij maar het is geen 100 procent meer, zoals in 2007, vanwege de al eerder genoemde verschuiving van midden naar grootbedrijf. Het MKB in zakelijke dienstverlening en particulier onderwijs heeft een aandeel van 79 procent in de investeringen van deze bedrijfstak (ruim 31 miljoen gulden), ongeveer hetzelfde aandeel als in 2007. De investeringen worden vooral door de middenbedrijven gedaan, met name de autoverhuurbedrijven (investeringen in transportmiddelen) en de bedrijven in verhuur en beheer van 21 Zie tabel 5

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine onroerend goed (investeringen in gebouwen). In vergelijking met 2007 is er aanzienlijk minder genvesteerd, zowel door het MKB als door de grote bedrijven. Na zakelijke dienstverlening en particulier onderw ijs volgt het MKB in de overige dienstverlening met een aandeel van 74 procent in de investeringen op bedrijfstakniveau. Het aandeel is ten opzichte van 2007 gestegen met 14 procentpunten, de invest eringen zelf zijn toegenomen met 14,6 miljoen gulden. Deze investeringen worden vooral door de middenbedrijven gedaan en hebben betrekking op renovatie van gebouwen. De middenen kleinbedrijven in de financile dienstverlening investeren in 2008 voor ruim 28 miljoen gulden en hebben hiermee een aandeel van bijna 34 procent in de investeringen van deze bedrijfstak. De investeringen bedragen bijna 13 miljoen gulden mr in 2008 in vergelijking met 2007. Het aandeel op bedrijfstakniveau is echter met bijna 50 procent achteruit gegaan, omdat de grote bedrijven ook meer hebben genvesteerd in 2008 (bijna 53 miljoen gulden). Zowel kleineals middenbedrijven hebben grotere in vesteringen gepleegd in 2008, en dan vooral in gebouwen (verbouwing) en computers. Bij horeca is hetzelfde beeld te zien als bij de financi le dienstverlening. Het MKB heeft in 2008 mr genvesteerd (ruim 3 miljoen gulden), maar het aandeel in de investeringen van de bedrijfstak zelf is gedaald met 24 procent. Het zijn vooral de middenbedrijven (hotels) die in vesteringen in uitbreiding van de hotelkamers en inventaris, zowel in 2007 als in 2008. In 2008 gaat het om een bedrag van 17 miljoen gulden. Bij de kleine bedrijven zijn het de restaurants die ongeveer 3 miljoen investeren in uitbreiding en inventaris. Conclusie Het aandeel van het MKB in de economie van Curaa o is met 0,2 procentpunten gestegen in 2008 ten opzichte van 2007 tot een nominale waarde van 1,5 miljard gulden. Sinds 2005 is het aandeel van het MKB in een stijgende lijn. Het MKB vertoont een stijging van het aandeel in de totale BTW en de brutoproductie, respectievelijk 14,6 en 5,3 procentpunten. Deze stijging word t hoofdzakelijk veroorzaakt door de middenen kleinbedrijven in de financile dienstverlening. Hierna volgt het MKB in de grooten kleinhandel. Door de stijging van het aandeel in de totale BT W en de brutoproductie neemt het MKB nu meer dan 50 procent voor haar rekening in beide va riabelen, namelijk ruim 63 en 55 procent. Het aandeel van het MKB in de totale loonkosten is in 2008 met ruim 2 procentpunten afgenomen tot 45 procent. In bijna alle bedrijfstakken zijn de loonkosten van het MKB lager geworden of gelijk gebleven. Het MKB in grooten kleinhandel heeft de hoogste loonkosten, gevolgd door de middenen kleinbedrijven in de financile dienstverlening. In 2008 heeft het middenen kleinbedrijf ruim 7 m iljoen gulden minder genvesteerd en is het aandeel in de totale investeringen met 13,4 procentpunten ge daald. De daling is vooral zichtbaar bij het MKB in zakelijke dienstverlening en onderwijs. Toch zijn de investeringen van het middenen kleinbedrijf in deze bedrijfsta k het hoogst, gevolgd door die in de financile dienstverlening. 26 Jaargang 10

PAGE 32

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 27 Gedetineerden in Curaao Ellen Maduro Inleiding In dit artikel wordt ingegaan op de omvang en enkele kenmerken van gedetineerden in het Sentro di Detenshon i Korekshon di Krsou (strafgevangenis te Koraal Specht). Het betreft het totale aantal gedetineerden te Koraal Specht, Curaao. Het gaat hier om een beschrijving van enkele kenmerken van de gedetineerden per 14 april 2010, waaronder geslacht, l eeftijd en geboorteplaats22. Tevens zal worden ingegaan op de gepleegde feiten en de duur van de straf. Het bestand van de gevangenis omvat de volgende categorien: veroordeeld onderverdeeld in mannen, vrouwen en jeugd en onveroordeeld eveneens onderverdeeld in mannen, vrouwen en jeugd. De groep mannen en vrouwen zijn ouder dan 24 jaar en de categorie jeugd is 24 jaar en jonger. In de groep onveroordeeld kunnen personen zitten waarvan het vonnis wel bekend is maar nog niet verwerkt, waarvan men het vonnis nog niet heeft ontvangen, die hoger beroep hebben aangetekend of die in voorlopige hechtenis zijn. De omvang van de v erschillende groepen is niet bekend. Waar gesproken wordt van gepleegd feit kan het best zo zijn dat de gedetineerde een justitieverdachte is, omdat nog niet is bewezen dat de persoon de dader is en middels een rechtszaak een vonnis is uitgesproken. Voor dit artikel zijn de groepen veroordeeld en onveroordeeld bij elkaar gevoegd. Geslacht en leeftijd van de gedetineerden Het aantal gedetineerden uit het gevangenisbestand d.d. 14 april 2010 is 575. Hiervan is 92 procent man en 8 procent vrouw. 29,4 Procent is 24 jaar of jonger en 70,6 procent is 25 jaar of ouder. Deze verdeling wordt bepaald door de leeftijdsverdeling van de mannelijke gedetineerden waarvan 29 procent 24 jaar of jonger is en 71 procent 25 jaar of ouder. De vrouwelijke gedetineerden zijn relatief een stuk ouder dan de mannelijke gedetineerden. 23 Procent is 24 jaar of jonger en 77 procent is ouder dan 24 jaar. Geboorteplaats van de gedetineerden Minder dan drie kwart (72%) van de gedetineerden is in Curaao geboren. De in Bonaire en Sint Maarten geboren gedetineerden vormen zeven procent van de gevangenispopu latie. Van de overige 20 procent hebben de meesten Colombia, Jamaica, Dominicaanse Republiek of Venezuela als geboorteland. 22 Bron: Sentro di Detenshon i Korekshon di Krsou Figuur 1 Leeftijdsverdeling gedetineerden naar geslacht (%)0 20 40 60 80 100 24 en jonger 25 en ouder man vrouw

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine 28 Jaargang 10 Tabel 1 geeft een beeld van de geboorteplaats van de gedetineerden. De verdeling is per geslacht verschillend. Er zijn relatief meer vrouwelijke gedetineerden die geboren zijn in Colombia, de Dominicaanse Republiek, overig Caribische Gebied of overige landen, terwijl het aandeel mannelijke gedetineerden geboren op Curaao dat van de vrouwen overtreft. Tabel 1. Verdeling gedetineerden afkomstig uit Caribisch gebied Totaal Man Vrouw Absoluut % Absoluut % Absoluut % Curaao 407 72 380 73 27 61 Colombia 37 7 32 6 5 11 Bonaire 26 5 24 5 2 5 Jamaica 18 3 18 3 Dominicaanse Republiek 16 3 14 3 2 5 Venezuela 15 3 15 3 Sint Maarten 13 2 13 2 Overig Caribisch gebied 22 4 17 3 5 11 Overig 12 2 9 2 3 7 Totaal 56623 100 522 100 44 100 De feiten Conform de uitleg in de inleiding moet hier worden opgemerkt dat het feiten (delicten) betreft waar gedetineerden voor zijn veroordeeld of van worden verdacht. Van het totale aantal personen uit het bestand heeft 37 procent n feit op zijn of haar naam staan, 36 procent twee feiten, 19 procent drie feiten, 5 procent vier en 3 procent vijf of meer feiten. 23 Niet van alle gedetineerden is de geboorteplaats bekend Figuur 2 Gedetineerden naar geboorteplaats (%)0 10 20 30 40 50 60 70 80Curaao Colombia Bonaire Jamaica Dominicaanse Republiek Venezuela Sint Maarten Overig Caribisch gebied Overig Totaal Man Vrouw

PAGE 34

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 29 Ten behoeve van de beschrijving van de aard van de misdrijven zijn alle delicten bij elkaar opgeteld tot een totaal van 1136. De vermogensdelicten (met name diefstal) komen het meest voor, namelijk 32 procent. Ondanks dat bij de meeste diefstallen geweld is toegepast, is ter wille van het onderscheid er voor gekozen de diefstallen onder de vermogensde licten te plaatsen. De categorie geweldsdelicten (moord/doodslag, mishandeling, bedreiging, vrijheidsberoving, etc.) komt met 24 procent op de tweede plaats en de vuurwapenfeiten op de derde pl aats (16%). Dit zijn tevens de feiten waar voornamelijk mannen bij betrokken zijn (respectievelijk 33, 24 en 17 procent). De opiumdelicten maken 12 procent uit van de getelde veroordeelde misdrijven. Tabel 2. Gepleegd feit naar geslacht Totaal Man Vrouw Absoluut % Absoluut % Absoluut % Geweldsdelicten 268 24 252 24 16 21 Zedendelicten 51 4 50 5 1 1 Vermogensdelicten 362 32 355 33 7 9 Andere WvS delicten24126 11 108 10 18 24 Opiumdelicten 134 12 104 10 30 39 Wapendelicten 13 1 10 1 3 4 Vuurwapendelicten 182 16 181 17 1 1 Totaal 1136 100 1060 100 76 100 De vrouwelijke gedetineerden zitten relatief va ker (39%) vast voor het overtreden van de opiumlandsverordening (drugsdelicten). Andere WvS-delicten en de geweldsdelicten komen bij de vrouwen op de tweede en derde plaats. In tegens telling tot de vrouwen is het aandeel mannelijke gedetineerden dat een opiumdelict heeft gepleegd vrij laag (10%). In hoeverre de andere feiten te maken hebben met drugszaken kan men ve rder niet uit de cijfers afleiden. 24 Andere Wetboek van Strafrechtdelicten zijn o.a heling, oplichting, meineed, vernieling, baldadigheid, belediging, witwassen. Dit is een ap arte categorie en geen restpost. Figuur 3 Gedetineerden naar aantal gepleegde feiten37% 36% 19% 5% 3% 1 feit 2 feiten 3 feiten 4 feiten 5 of meer feiten

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine 30 Jaargang 10 Soort feit naar leeftijd van de gedetineerden Onder de jongere gedetineerden is het percentage dat vastzit voor vermogens-, zeden-, en (vuur)wapendelicten hoger dan onde r gedetineerden boven de 24 jaar. Opiumdelicten, andere WvSen geweldsdelicten komen vaker voor bij de gedetineerden van 25 jaar en ouder. Duur van de straf Het aantal veroordeelde gedetineerden in het best and is 343, waarvan 4 ter beschikking van de regering zijn gesteld (T.B.R.). Het betreft hier ge detineerden van 24 jaar en jonger. De vrouwen zijn ten opzichte van de mannen veroordeeld tot straffen van kortere duur. 52 Procent zit een straf uit van 2 jaar of minder. Bij de mannen is dat 21 procent. Het zijn alleen mannelijke gedetineerden die een gevangenisstraf hebben van meer dan vijftien jaar. Vijf mannen zitten een levenslange gevangenisstraf uit. Tabel 3. Veroordeelden naar duur straf en geslacht Totaal Man Vrouw absoluut % absoluut % absoluut % < 6 maanden 5 1 5 2 0 > 6 maanden < 1 jaar 16 5 15 5 1 5 > 1 < 2 jaar 55 16 45 14 10 47 > 2 < 5 jaar 118 34 111 34 7 33 > 5 < 10 jaar 85 25 84 26 2 10 > 10 < 15 jaar 40 12 39 12 1 5 > 15 < 20 jaar 9 3 9 3 0 > 20 < 30 jaar25 5 1 5 2 0 levenslang 5 1 5 2 0 T.B.R. 4 1 4 1 0 Totaal 343 100 322 100 21 100 *< betekent kleiner dan of gelijk aan > betekent groter dan 25 Een persoon kan maximaal 30 jaar celstraf krijgen (was vroeger 20 jaar). In het ergste geval wordt een levenlange gevangenisstraf opgelegd. Figuur 4 Soort delict naar leeftijd (%)0 10 20 30 40 50Geweldsdelicten Zedendelicten Vermogensdelicten Andere WvS delicten Opiumdelicten Wapendelicten Vuurwapendelicten 24 en jonger 25 en ouder

PAGE 36

Modus Statistisch Magazin e Conclusie De gevangenispopulatie bestaat voor het grootste d eel uit mannen. De manneli jke gedetineerden zijn relatief jonger dan de vrouwelijke gedetineerde n. Hoewel de meeste gedetineerden in Curaao geboren zijn, zijn relatief meer vrouwelijke dan mannelijke ge detineerden in Colombia, de Dominicaanse Republiek, overig Caribische Gebied of overige landen geboren. Ruim een kwart van de gedetineerden heeft 3 of me er feiten gepleegd of wordt hiervan verdacht. De mannen zijn voornamelijk betrokken bij vermogensdelicten, geweldsdelicten en vuurwapenfeiten. De vrouwelijke gedetineerden zi tten relatief vaker vast voor het overtreden van de opiumlandsverordening (drugs delicten), andere WvS-delicten en geweldsdelicten. Het aandeel jongere gedetineerden dat vastzit voor vermogens-, zeden-, en (vuur)wapendelicten, is groter dan dat van de gedetineerden van 25 jaar en ouder, terwijl de gedetineerden boven de 24 jaar zich vaker dan de jongere gedetineerden schuld en maken aan opiumdelicten, andere WvSen geweldsdelicten. De vrouwen zijn ten opzichte van de mannen veroordeeld tot kortere straffen.7 Procent van de mannelijke gedetineerden zijn ver oordeeld tot een straf van tussen de 15 jaar en levenslang. Bij de vrouwelijke gedetineerden is dat nul procent. Nummer 1 31

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine Resultaten conjunctuurenqute Bonaire en Curaao jaar 2010. Chris Jager Inleiding Afgelopen december 2010 zijn in het kader van de tweejaarlijkse conjunctuurenqute de bedrijven weer benaderd met vragenlijsten op Bonaire en Curaao. In verband me t de gewijzigde staatkundige indeling sinds 10 oktober 2010 is Bonaire voor de laatste keer meegenomen in dit CBS onderzoek. Het is uitgevoerd onder alle bedrijven met tien of meer werknemers, terwijl van de bedrijven vanaf drie tot tien werk nemers een steekpro ef is genomen. Doel van de conjunctuurenqute is om op reguliere basi s, twee maal per jaar, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en economische parameters en ontwikkelingen. Daarna ast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. In dit artikel wordt nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute. Kwantitatieve gegevens over bijvoorbeeld omzet en exploi tatiekosten worden hier niet besproken. Een beeld wordt gegeven van de verkregen gegevens van bedrijven (NVs en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) op de eilanden Bonaire en Curaao ten aanzien van de volgende onderwerpen: 1. investeringsbelemmeringen en bevorderingen, 2. concurrentiepositie, 3. verandering van het ondernemersvertrouwen, 4. vertrouwen in de toekomst, 5. mening (perceptie) ten aanzien van het investeringsklimaat, 6. bedrijfsresultaten. 32 Jaargang 10

PAGE 38

Modus Statistisch Magazin e Bonaire Investeringsbelemmeringen en bevorderingen Ruim 27 procent van de bedrijven heeft afgelopen december aangegeven n of meerdere investeringsbelemmeringen te hebben ondervon den. Ruim 41 procent geeft aan te hebben genvesteerd in 2010. In dezelfde periode van 2009 was dit bijna 52 procent. Figuur 1: investeringsbelemmeringen december 2010 0 2 4 6 8 10 12 14 16 18T e k o r t f i n m i d d M a r k t v e r w a c h t i n g R e n d e m e n t R e n t e n i v e a u K r i j g e n w e r k v e r g u n n i n g O v e r h e i d s b e l e i d O v e r i g% bedrijven juni '09 dec '09 juni '10 dec '10 De belangrijkste investeringsbelemmeringen zijn het tekort aan financile middelen (18%) en het overheidsbeleid (13%), zie figuur 1. Het verkrijgen van werkvergunningen blijkt geen grote belemmering meer te zijn. Dit percentage is afgenomen van 6 naar 1 procent. Voor wat betreft de investeringsbevorderingen kan worden vermeld dat ook hier de factor kapitaal van groot belang is. De meeste respondenten geven aan dat de investeringen vooral positief worden benvloed door de beschikbaarheid van financile middelen. Met bijna 19 procent ligt dit percentage 2 procentpunten hoger dan in december 2009. Daarnaast zijn goede verwachtingen ten aanzien van de markt een andere belangrijke factor. Ruim 7 procent van de bedrijven heeft aangegeven dit te beschouwen als een bevorderende factor bij het plegen van investeringen. Figuur 2: concurrentie binnenlandse markt Bonaire.0 10 20 30 40 50 60verbe t erd on v eran d er d v erslech t e r d n .v.t.% bedrijven juni '09 dec '09 juni '10 dec '10 Concurrentiepositie De concurrentiepositie van bedrijven op de binnenlandse markt is enigszins verslechterd in vergelijking met vorige perioden (zie figuur 2). Minder bedrijven, 43 procent, hebben aangegeven dat deze onveranderd is (was 60% in december 2009). De categorie verslechterd is duidelijk in omvang toegenomen, van 24 naar 33 procent in een half jaar. Een beduidend kleiner percentage bedrijven heeft aangegeven dat deze verbeterd is: van 20 naar 7 procent. Nummer 1 33

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine 34 Jaargang 10 Verandering van het ondernemersvertrouwen in de economie Het aantal ondernemers dat heeft aa ngegeven dat het vertrouwen gelijk is gebleven is toegenomen van 58 naar 60 procent. Meer ondernemers, 30 procent (was 28%) he bben aangegeven dat het vertrouwen in de economie is verminderd. Minder respondenten hebben aangegeven dat dit verbeterd is; met 10 procent is dit zeer laag (was 14%). Vertrouwen in de toekomst Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven vertrouwen te hebben in de toekomst is duidelijk afgenomen; van 56 naar 45 procent. Gn vertrouwen in de toekomst heeft bovendien een toename ondergaan van 18 naar 30 procent. Een vrijwel gelijk percentage als voorgaande periode, bijna 26 ten opzichte van 27 procent, heeft aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag. Gezien deze cijfers is het duidelijk dat er sprake is in 2010 van een afname van het vertrouwen in de toekomst. Mening ten aanzien van het investeringsklimaat Ook afgelopen december hebben minder bedrijven aangegeven dat naar hun mening het investeringsklimaat goed is: 16 procent (was 17%). Het laagste percentage van de afgelopen 5 jaar. Veruit de meeste bedrijven oordelen zoals gebruikelijk het investeringsklimaat als matig. Dit percentage is eveneens weinig veranderd, van 62 naar 59 procent. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven dat het investeringsklimaat slecht is, is toegenomen van 22 naar 25 procent. Bedrijfsresultaten Uit het onderzoek is verder gebleken dat 60 procent van de bedrijven over 2010 een positief bedrijfsresultaat heeft behaald (winst voor afdracht van belastingen). Dit is een behoorlijk lager percentage dan afgelopen december 2009 toen dit uitkwam op 69 procent. Bijna 40 procent van de bedrijven heeft aangegeven een negatief bedrijfsresultaat over 2010 te hebben behaald, zie ook figuur 6. Opgemerkt moet worden dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen. Figuur 4: vertrouwen toekomst Bonaire0 10 20 30 40 50 60 70dec '05 junidec '06 junidec '07 junidec '08 junidec '09 junidec '10% bedrijven ja nee geen mening Figuur 3: verandering vertrouwen economie Bonaire0 10 20 30 40 50 60 dec '05 junidec '06 junidec '07 junidec '08 junidec '09 junidec '10% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Figuur 5: investeringsklimaat Bonaire0 10 20 30 40 50 60 70dec '05 junidec '06 junidec '07 junidec '08 junidec '09 junidec '10% bedrijven goed matig slecht Figuur 6: bedrijfsresultaten Bonaire 2004 201058 61 54 68 65 69 600 10 20 30 40 50 60 70 2004 05 06 07 08 09 2010% bedrijven pos neg

PAGE 40

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 35 Curaao Investeringsbelemmeringen en bevorderingen ijna 50 procent van de benaderde bedrijven geeft aan te hebben genvesteerd in 2010. In dezelfde nvesteringsbelemmeringen te al het geval is, als belangrijkste eringen zijn naar mening van 14 procent van de bedrijven bevorderd door de eschikbaarheid van financile middelen. Dit is een daling van 6 procent ten op zichte van een halfjaar oor wat betreft de concurrentiepositi e op de binnenlandse Curaaose markt (zie figuur 8) is de situatie in oden slechts licht ve randerd. Iets meer bedrijven hebben aangegeven dat de B periode van 2009 was dat 46 procent. Het aantal be drijven dat aangeeft i hebben ondervonden is toegenomen van 16 procen t in december 2009 naar 19 procent afgelopen december. Het tekort aan financile middelen wordt, zoals meest investeringsbelemmering aangemerkt, zie ook figuur 7. Bijna 9 procent van de bedrijven geeft dit punt als belemmering aan, in voorgaande periode (juni 2010) is di t 4 procent. Opvallend is dat het renteniveau als belemmering is toegenomen; van 1 naar 5 procent. Overige belemmeringen, zoals de werking van de markt en het overheidsbeleid hebben een kleinere invloed; de percentages van deze bele m procent). De invest meringen zijn 4 procent (december 2009 beiden 3 b daarvoor. Daarnaast heeft 8 procent van de bedrijven aangegeven dat dit door een goede verwachting van de markt gebeurt (was 13%). Verder zijn de investeringen in mindere mate bevorderd vanwege de rendements-verwachting (evenals voorgaande periode 6%). Concurrentiepositie V vergelijking met voorgaande peri concurrentiepositie verbeterd is, dit percentage is de afgelopen periode van 10 naar 13 procent gegaan. Daarentegen hebben iets minder bedrijven aangegeven dat deze verslechterd is, van 19 naar 17 procent. Ook in december 2010 hebben, net als in voorgaande periodes, de meeste bedrijven aangegeven dat de concurrentiepositie ongewijzigd is gebleven. Dit percentage is met 59 procent onveranderd gebleven. Figuur 7: investeringsbelemmeringen Curaao in %0 2 4 6 8 10Tek or t f in mi d d Marktverwachting R end ement Renteniveau Kri j g e n w e rkverg u nnin g Ov er h e idsb e l e i d O v erig% bedrijven juni 09 dec '09 juni 10 dec '10 Figuur 8: concurrentiepositie binnenlandse markt 0 10 20 30 40 50 60verbet er d onveranderd verslechterd n.v.t.% bedrijven juni '09 dec '09 juni '10 dec '10

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine Verandering van het ondernemersvertrouwen in de economie Het vertrouwen in de economie is naar de mening van de ondernemers vrijwel onveranderd gebleven. Een zelfde percentage, 9 procent, heeft aa ngegeven dat het vertrouwen in de economie is toegenomen. Het aantal ondernemers dat heeft aangege ven dat het vertrouwen gelijk is gebleven is evenmin gewijzigd en is blijven staan op 74 pr ocent. Ruim 17 procent van de bedrijven heeft aangegeven dat het vertrouwen in de economie is verminderd (was bijna 18%). Vertrouwen in de toekomst figuur 9: verandering vertrouwen economie0 10 20 30 40 50 60 70junidec 06 junidec 07 juni'dec 08 juni'dec 09 junidec '10% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Het hoge percentage bedrijven dat vertrouwen heeft in de toekomst is de laatste helft van 2010 gelijk gebleven; 67 procent (zie figuur 10). Het percentage bedrijven dat gn vertrouwen heeft in de toekomst is afgenomen: van 10 naar nog geen 8 procent. Meer bedrijven hebben aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag, dit is toegenomen van 23 naar 25 procent. figuur 10: vertrouwen toekomst Curaao0 10 20 30 40 50 60 70junidec 06 junidec 07 juni'dec 08 juni'dec 09 junidec '10% bedrijven ja nee geen mening Mening ten aanzien van het investeringsklimaat De mening ten aanzien van het investeringsklimaat is wat verslechterd. Ruim 21 procent van de bedrijven heeft aangegeven dat het klimaat goed is. In juni 2010 was dit 26 procent. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven dat het slecht is, is toegenomen van 11 naar 14 procent, zie figuur 11. De meeste bedrijven oordelen zoals gebruikelijk het investeringsklimaat als matig: dit is met 65 procent vrijwel gelijk gebleven (was 64% in juni 2010). figuur 11: perceptie investeringsklimaat Curaao 0 10 20 30 40 50 60 70junidec 06 junidec 07 juni'dec 08 juni'dec 09 junidec '10% bedrijven goed matig slecht Bedrijfsresultaten Het percentage bedrijven met een positief bedrijfsresultaat blijkt stabiel te zijn (figuur 12). Gebleken is dat bijna 73 procent van de bedrijven over 2010 een positief resultaat heeft behaald (winst voor afdracht van belastingen). Dit is een hoog percentage, ook in vergelijking met Bonaire, en vrijwel gelijk aan de situatie van december 2009 (ruim 72%). Ruim 27 procent heeft dienovereenkomstig aangegeven een negatief bedrijfsresultaat over 2010 te hebben behaald (was 28%). Overigens is het zo dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuel e faillissementen. Figuur 12: bedrijfsresultaten Curaao 2004 t/m 2010.59 61 68 71 7272 730 10 20 30 40 50 60 70 802004 05 06 07 08 09 2010 pos neg 36 Jaargang 10

PAGE 42

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 37 Concluderende opmerkingen ver Bonaire kan worden opgemerkt dat bij de in vesteringsbelemmeringen de financile middelen sitie op de binnenlandse markt is wat verslechterd in vergelijking met vorige u op 45 procent en 30 procent heeft aangegeven uraao laat over het jaar 2010 een ander beeld zien dan Bonaire: bijna 50 procent geeft aan te hebben derd; veruit de en hoog; 67 procent van de O wederom de belangrijkste belemmering zijn. Dit na een (tijdelijke) terugval in de afgelopen periode, een half jaar geleden. Het overheidsbeleid is de tweede belangrijkste belemmering. Het verkrijgen van werkvergunningen vormt blijkbaar geen grot e belemmering meer voor ondernemers en is geminimaliseerd. De concurrentiepo perioden. Slechts 7 procent van de bedrijven hebben in de enqute aangegeven dat deze verbeterd is, 33 procent dat de concurrentiepositie is verslechterd. Het vertrouwen in de toekomst is afgenomen en ligt n dit vertrouwen niet te hebben. Ook de mening ov er het investeringsklimaat is minder positief geworden. Net als in vorige periode zijn er meer bedrijven die het slecht vinden (25%) dan goed (16%). Het lijkt er op dat deze minder optimistisch e meningen een negatief effect hebben gehad op de bedrijfsresultaten. Slechts 60 procent van de bedrijve n verwacht winst over 2010 te behalen, duidelijk minder dan over 2009 (69%). C genvesteerd en het renteniveau wordt nu als tweede belangrijkste investeringsbelemmering gezien. De financile middelen zijn, net als een jaar geleden, de belangrijkste belemmering. De concurrentiepositie op de bi nnenlandse markt is niet noemen swaardig veran meeste bedrijven geven aan dat de conc urrentiepositie niet veranderd is. Het vertrouwen in de toekomst op Curaao blijft eind 2010 onveranderd ondernemers geeft aan vertrouwen te hebben in de toekomst. De mening over het investeringsklimaat is wat verslechterd. Goed is in omvang afgenomen, slecht in omvang toegenomen. Ook de bedrijfsresultaten vertonen een stabiel beeld en zi jn uitgekomen op een procentpunt meer dan over 2009. Bijna 73 procent van de bedrijven h eeft aangegeven winst te hebben behaald.

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine Prijsontwikkeling Curaao 2010 Solange Bomberg Inleiding In dit artikel zal de prijsontwikkeling voor de consumen t op Curaao in het jaar 2010 onder de loep worden genomen. Achtereenvolgens komen aan bod: de methodol ogie, de prijsontwikkeling op Curaao in 2010 ten opzichte van 2009, de lange termijninflatie over het jaar 2010 in Curaao en de mogelijke invloed van een aantal internationale economisch e factoren op de inflatie van Curaao in 2010. Methodologie Algemeen Het Centraal Bureau voor de Statistiek van Cu raao (CBS) houdt zich bij het berekenen van de Consumentenprijsindex (CPI, Consume r Price Index) en de inflatie aan internationale statistische richtlijnen en methodieken. CPI Het CBS berekent maandelijks een Consumentenprijs index (CPI, Consumer Price Index). Hierdoor kan ook maandelijks een 12 maandsgemiddelde CPI worden berekend. Het verschil tussen de twaalmaandsgemiddelde CPI van een bepaalde maand van een bepaald jaar en de twaalfmaandsgemiddelde CPI van diezelfde maand een jaar eerder is de inflatie. Inflatie is dus per definitie gebaseerd op een period e van ten minste 12 maanden. De 12-maandsgemiddelde CPI c.q. inflatie ge eft een goed beeld van de lange termijn prijsontwikkeling en wordt daarom aangeraden als indexeringsinstrument voor onder andere lonen, salarissen, uitkeringen en pensioenen. De CPI is een maatstaf voor de gemiddelde prijs di e consumenten aan goederen en diensten uitgeven aan een marktconform gebalanceerd consumptiem andje, ook wel consumentenmandje genoemd. De CPI wordt door het CBS Curaa o maandelijks berekend op grond van de circa 5000 prijzen van producten en diensten in het consumptiemandje die elke maand verzameld worden. Deze prijzen worden vervolgens gewogen op ba sis van het aandeel da t ze hebben in de gemiddelde bestedingen van de consument. Consumptiemandje Het consumptiemandje vertegenwoordigt de gemiddelde consument en wordt op Curaao in principe 1 keer in de vijf a zeven jaar volledig herzien aan de hand van de gegevens over consumptieve bestedingen die verkregen worden uit het budgetonderzoek, ook wel household budget survey genoemd. 38 Jaargang 10

PAGE 44

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 39 Tussentijds wordt indien nodig aanpassingen gedaan in deze gebalanceerde consumentenmand, bijvoorbeeld als een winkel failliet gaat of een product niet meer verkocht wordt. Het marktconforme gebalanceerde consumentenmandje is opgebouwd uit negen bestedingscategorien, die weer onderverdeeld zijn in productgroepen. Elk productgroep is op haar beurt weer opgebouwd uit een aantal specifieke producten. Zo is bijvoorbeel d de bestedingscategorie Wonen opgebouwd uit de productgroepen woonkosten, energieverb ruik, woningonderhouden reparatie, tuinonderhoud en waterverbruik Vervolgens kan bijvoorbeeld de productgroep energieverbruik onderverdeeld worden in de specifieke producten k ookgas, elektriciteit en overig energieverbruik (kerosine etc.). Bestedingscategorien De negen bestedingscategorien die voor de CPI van Curaao worden gehanteerd zijn achtereenvolgens Voeding, Dranken en rookwaren, Kleding en schoeisel, Wonen, Woninginrichting en huisraad, Gezondheidszorg, Vervoer en comm unicatie, Recreatie, ed ucatie en cultuur en Overige goederen en diensten. Aan de hand van het budgetonde rzoek wordt het marktconforme gebalanceerde consumptiemandje samengesteld en wordt tevens het relatieve aand eel van elk bestedingscategorie in de totale bestedingen van de consument, de zoge naamde gewichten, vastgesteld. Sinds het laatst gehouden budgetonderzoek van 2004/2005 kunnen de bestedingscategorien Wonen, Vervoer en communicatie, Voeding en Overige goederen en diensten als de vier grootste bestedingscategorien worden aangemerkt, me t een aandeel in het consumentenmandje van respectievelijk 31, 23, 12 en 12 procent.26 De bestedingscategorie Overige goederen en diensten bevat diverse soorten producten en diensten die niet va llen onder de overige 8 bestedingscategorien, zoals persoonlijke verzorging en verzekeringen. De kleinere bestedingscategorien zijn respecti evelijk Recreatie, educatie en cultuur (8%), Woninginrichting en huisraad (7%), Kleding en sc hoeisel (5%), Dranken en rookwaren (2%) en Gezondheidszorg (1%).26 Prijsontwikkeling De methodiek van het berekenen van de CPI en de in flatie brengt met zich mee dat in het kader van dit artikel een prijsontwikkeling als volgt moet worden genterpreteerd. De prijsontwikkeling van 2010 ten opzichte van 2009 impliceert dat, als er gesproken wordt van prijsdaling of prijsstijging in 2010 ten opzichte van 2009, dit betekent dat het ge middelde prijsniveau respectievelijk lager of hoger was in 2010 vergeleken met 2009. Dus het hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat de prijsdaling of prijsstijging in 2010 zelf heeft plaatsgevonden. 26 Onafgerond gaat het om 30,8 (Wonen), 22,6 (Vervoer en communicatie), 12,3 (Voeding), 11,9 (Overig), 7,7 (Recreatie, educatie en cultuur), 7,0 (Woninginrichting en huisrad), 4,8 (Kleding en schoeisel), 1,6 (Dranken en rookwaren), en 1,3 (Gezondheidszorg) procent respectieve lijk. Bij afronding komt het totaal uit op 101% en geen 100%, zuiver ten gevolge van afrondingsverschillen.

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine 40 Jaargang 10 Consumentenbesteding Een belangrijke basis voor het berekenen van de CPI en de inflatie wordt dus gevormd door de consumentenbestedingen. Onder consumentenbestedi ngen wordt in het kader van de CPI en de inflatie van Curaao verstaan: bestedingen op Cu raao door consumenten di e op Curaao wonen.Dus bestedingen van buitenlandse toeristen op Curaao of van inwoners van Curaao in het buitenland (via internet bijvoorbeeld) vallen dus hier niet onder. In het ve rvolg van dit artikel wordt dan ook gesproken van de lokale markt of de lokale economie. De betekenis van inflatie27 Inflatie kan worden gedefinieerd als een langdurig economisch proces van algemene prijsstijging, met als gevolg geldontwaarding (dus koopkrachtdaling van het geld) en stijging van de kosten van levensonderhoud. Het kan worden veroorzaakt door duurdere import, hogere loonkosten, hogere overige bedrijfslasten c.q. productiekosten, het marktspel van vraag en aanbod (schaarste van producten/diensten), hogere winstmarges van bedrijven en stijging van de geldhoeveelheid in omloop. De algemene gedachte is dat de inflatie in een gezond groeiende economie ongeveer twee procent bedraagt. Een te hoge inflatie kan nadelig zijn voor de koopkracht van consumenten, de waarde van spaartegoeden, de concurrentieposi tie ten opzichte van het buitenland en kan leiden tot verhoging van het renteniveau waardoor investeringen uitblijven. Veelal trachten overheden om de infl atie niet hoger te doen zijn dan 2 3 procent per jaar. Een inflatie van rond 2 procent wordt algemeen beschouwd als zijn de gunstig voor de economie. Een lage inflatie stimuleert consumenten immers om goederen en dien sten te kopen. Uitstel van bestedingen betekent namelijk dat men meer zou moeten betalen voor hetz elfde product. Daarnaast maakt een lage inflatie het voor de consument en de investeerder ook intere ssanter om geld te lenen omdat de rente veelal ook laag is tijdens perioden van een lage inflatie. Het handhaven van een lage inflatie is vanwege de gunstige economische gevolgen derhalve wereldwi jd een belangrijk doel in het economisch en monetair beleid van regeri ngen en centrale banken. Een beperkte inflatie rond de 2 procent, doch in ieder geval niet hoger dan 3 procentis dus gunstig voor de economie. Een hoge inflatie hoger dan 3 pr ocentis echter minder gunstig voor de economie van een (ei)land. Een hoge inflatie kan namelijk het vertrouwen van de bevolking in hun eigen munteenheid en economie doen dalen en kan het vo or buitenlandse investeerders minder interessant maken om in desbetreffend (ei)land te investeren. Een hoge inflatie gaat dan ook vaak ten koste van economische groei. Dus de inflatie heeft invloed op de economie en omgekeerd heeft ook de economie invloed op de inflatie, met name via het marktspel van vraag en aanbod. Daarbij geldt de simpele constatering dat een aantrekkende economie tot hogere prijzen en daarmee tot stijgende rente zal leiden. Omgekeerd zal een afvlakking van de conjunctuur tot dale nde inflatie en dalende rente leiden.28 27 Bron van referentie: http://nl.global-rates.com/economische-statis tieken/inflatie/inflatie-informatie.aspx en http://financieel.infonu.nl/beleggen/4333-eco nomische-groei-inflatie-en-wisselkoers.html 28 Bron citaat: http://financieel.infonu.nl/gel d/48742-renteontwikkeling-waardoor-bepaald.html#1

PAGE 46

Modus Statistisch Magazin e Prijsontwikkeling in 2010 ten opzichte van 2009 Prijsontwikkeling van maand tot maand De maandelijkse prijsontwikkeling op Curaao is in 2010 stabieler verlopen dan het jaar daarvoor. Gemiddeld hebben de consumentenprijzen in 2010 m aandelijks tussen 0 en +0,4 procent gefluctueerd, terwijl in 2009 de gemiddelde consumentenprijzen zich tussen -1,8 en +1,3 procent hebben bewogen. Inflatie Curaao 2010 ten opzichte van eerdere jaren (zie tabel 1) Curaao wordt in 2010 gekenmerkt door een redelijk gemiddelde inflatie (2,8%), opgebouwd uit zeven bestedingscategorien met een prijsstijging en twee bestedingscategorien met een prijsdaling. Terugkijkend is het inflatieniveau van 2010 (2,8%) vergelijkbaar met die van 2007 (3,0%), bijna de helft van die in 2008 (6,9%) en ruim de helft hoger dan in 2009 (1,8%). Het twaalfmaandsgemiddelde van de consumentenpri jzen op Curaao ligt in december 2010 2,8 procent hoger dan in december 2009. Deze stijgi ng geeft volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao (CBS) een goed beeld van de lange-termijn inflatie. De inflatie in Curaao is gedurende 2010 geleidelijk gestegen ten opzichte van december 2009, toen een inflatie van 1,8 procent is gemeten. Het inflatiecijfer van december 2010 is tevens het inflatiecijfer van het gehele jaar 2010. De inflatie over geheel 2010 (2,8%) is bijna 60 procent hoger dan die over 2009, toen een gematigde inflatie van minder dan 2 procent (1,8%) is geregistreerd. De hogere inflatie in 2010 ten opzichte van 2009 is in belangrijke mate te verklaren door de prijsontwikkeling van de twee grootste bestedingscategorien, te weten Wonen en Vervoer en communicatie. Deze vertegenwoordigen respec tievelijk circa 31 en 23 procent van de consumentenbestedingen op het eiland, zoals is toegelicht in de paragraaf Methodologie van dit artikel. Zo is de bestedingscategorie Wonen 4 procent duurder in 2010 vergeleken met het jaar daarvoor, terwijl het in 2009 1,1 procent goedkoper is dan het jaar daarvoor. Voor de bestedingscategorie Vervoer en communicatie geldt dat het in 2010 2,5 procent duurder is dan het jaar daarvoor, terwijl het in 2009 1,9 procent goedkoper is dan het jaar daarvoor. Inflatie Curaao 2010 in breder perspectief Tabel 1 geeft een vergelijkend beeld van de ontwikkeling van de inflatie op Curaao over de afgelopen vier jaar, gespecificeerd per bestedingscategorie. Zo wordt de inflatie over 2010 op ons eiland in een breder perspectief geplaatst. Nummer 1 41

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine Tabel 1 Inflatie in de jaren 2007 t/m 2010, gemiddeld en per bestedingscategorie. 2007 2008 2009 2010 Bestedingscategorie Inflatie% Voeding 8,9 18,4 9,9 4,7 Dranken en rookwaren 3,3 6,2 5,5 3,5 Kleding en schoeisel 0,9 2,0 2,0 -1,1 Wonen 2,5 5,3 -1,1 4,0 Woninginrichting en huisraad 2,4 6,3 5,2 0,9 Gezondheidszorg 0,8 2,5 1,9 2,2 Vervoer en communicatie 2,0 7,8 -1,9 2,5 Recreatie, ontwikkeling en educatie 0,9 2,5 1,8 -0,1 Overig 1,7 2,6 3,7 2,2 Gemiddeld 3,0 6,9 1,8 2,8 Op basis van tabel 1 kunnen een aantal constate ringen worden gedaan, waarvan onderstaand de belangrijkste de revue zullen passeren. De cumulatieve inflatie vanaf 2007 t/m 2010 bedraagt 14,5%. Het jaar 2008 heeft hieraan bijna de helft bijgedragen. De gemiddelde inflatie over de periode 2007 t/m 2010 is 3,6%. Gedurende elk van de afgelopen vier jaren is de prijsstijging van Voeding het hoogst geweest in vergelijking met de overige bestedingscategorien, met als uitschieter de inflatie van Voeding in het jaar 2008 (ruim 18%!). De inflatie van Voeding in 2010 is relatief mild te noemen in vergelijking met de drie daaraan voorafgaande jaren. Sec kijkend naar 2010 echter is de inflatie van Voeding in relatie tot de andere bestedingscategorien de hoogste. Ook de bestedingscategorien Dranken en rookwaren (vooral 2008 en 2009), Wonen (vooral 2008 en 2010) en Vervoer en communicatie (vooral 2008) vertonen significante prijsstijgingen de afgelopen vier jaar. Het jaar 2010 vertoont over de hele linie lage re inflatiepercentages dan het voor Curaaose begrippen zeer hoge inflatiejaar 2008. In 2008 word na Voeding op de eerste plaats de tweede plaats ingenomen door Vervoer en communicatie met een inflatie van bijna 8 procent. In 2010 is na Voeding op de 1e plaats, de 2e plaats voorbehouden aan Wonen met een inflatie van 4 procent. Weinig bestedingscategorien zijn gemiddeld goedkoper geworden gedurende de afgelopen vier jaar. Alleen Kleding en schoeisel (-1,1%) is goedkoper geworden in 2010, terwijl in 2009 alleen Wonen (-1,1%) in prijs is gedaald. In 2008 en 2007 is geen enkele bestedingscategorie goedkoper geworden. 42 Jaargang 10

PAGE 48

Modus Statistisch Magazin e Aan de hand van tabel 1 en grafieken 1 en 2 wordt in deze paragraaf vervolgens stilgestaan bij de vier bestedingscategorien die qua prijsontwikkeling op het eiland in 2010 het meest zijn opgevallen: Voeding, Wonen, Vervoer en communicatie en Kleding en schoeisel. De drie eerstgenoemde bestedingscategorien hebben door de combinatie van prijsstijging en aandeel in het consumptiemandje het meest bijgedragen aan de inflatie van 2010. Terwijl de laatstgenoemde bestedingscategorie in 2010 vooral wordt gekenmer kt door diverse forse prijsdalingen van producten in deze bestedingscategorie. Bestedingscategorie Voeding Als onderdeel van de consumentenmand, is Voe ding de derde bestedingscategorie wat betreft grootte: het vertegenwoordigt circa 12 procent van de consumptieve uitgaven op ons eiland. De eerste en tweede plaats worden, zoals eerder toegelicht ingenomen door de bestedingscategorien Wonen en Vervoer en communicatie, die respec tievelijk 31 en 23 procent van de consumptieve uitgaven in Curaao vertegenwoordigen. In het afgelopen jaar zijn de prijzen van de bested ingscategorie Voeding met 4,7 procent het sterkst gestegen, vergeleken met de overige acht bestedin gscategorien. Net als voorgaande jaren heeft in 2010 vooral de forse prijsstijging van de voedingsgroep aardappelen, groenten en fruit (AGF) (+15,2%) bijgedragen aan het duurder worden va n de bestedingscategorie Voeding. Over de periode 2001-2010 is de voedingsgroep AGF gemi ddeld 12,3 procent per jaar duurder geworden. De cumulatieve prijsstijging over deze periode van de voedingsgroep AGF is 123%, dus de gemiddelde prijzen van de voedingsgroep aardappelen groenten en fruit op Curaao zijn over het afgelopen decennium meer dan verdubbeld. Grafiek 1 geeft een beeld van de prijsontwikkeling van de voedingsgroep AGF op Curaao over de period e 2001 t/m 2010; de trendlijn is steil stijgend. Grafiek 1 Prijsontwikkeling van de voeding sgroep aardappelen, groenten en fruit gedurende de periode 2001 t/m 2010, op Curaao. Prijsontwikkeling "Aardappelen, groenten en fruit" (AGF) op Curaao 2001-20100.0% 2.0% 4.0% 6.0% 8.0% 10.0% 12.0% 14.0% 16.0% 18.0%JaarProcentuele prijsstijging Jaarlijkse Prijsstijging AGF 9.1%9.2%5%9.4%15.7%15.3%11.8%16.6%15.5%15.2% 01020304050607080910 Nummer 1 43

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine 44 Jaargang 10 De prijsstijging van de bestedingscategorie Voeding (+4,7%) in 2010 is desalniettemin de laagste sinds 2004, toen een prijsstijging van deze bestedin gscategorie van 4,8 procent is genoteerd. Dit komt door de gematigder prijsontwikkeling over de hele linie, behalve bij aardappelen, groenten en fruit. Een drietal voedingsgroepen is zelfs goedkoper geworden in het afgelopen jaar: kookvetten en olin (-3,5%), zuivelproducten (-2,1%) en graanproducten (-0,4%). In 2009 heeft de bestedingscategorie Voeding 76 procent bijgedragen aan de inflatie van Curaao. De relatieve bijdrage van de bestedingscategorie V oeding aan de inflatie op Curaao in 2010 is 21 procent, dus minder dan n derde van de in 2009 gerealiseerde 76 procent. Dit is ten eerste te verklaren door de lagere inflatie van de bestedin gscategorie Voeding in 2010 (4,7%) vergeleken met 2009 (9,9%). Ten tweede is dit te verklaren door de hogere inflatie in 2010 vergeleken met 2009 van de twee andere grote bestedingscategorien in het co nsumentenmandje, namelijk Wonen en Vervoer en communicatie. Bestedingscategorie Wonen Op de tweede plaats wat de hoogte van de inflatie betreft volgt de bestedingscategorie Wonen, die in 2010 4 procent duurder is geworden ten opzichte van het prijspeil in 2009. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het duurder worden va n energieverbruik met 11,4 procent. Alhoewel de prijs van energieverbruik in 2010 vrijwel stabiel is gebleven, is energie in 2010 gemiddeld duurder dan in 2009. Dit komt door de prijsdalingen van energie in het eerste kwartaal van 2009 (-6,9%, -8% en -1,6% in januari, februari en maart respectievelijk), gevolgd door een forse prijsstijging van 17,3% in september 200929. Deze hogere prijs blijft meetellen voor 2010, zolang geen prijsverlaging heeft plaatsgevonden. Het duurder worden van het energieverbruik in 2010 met 11,4 procent betekent dus niet dat de energietarieven /prijzen gedurende 2010 gestegen zijn, maar dat energieverbruik in 2010 gemiddeld genomen duurder is dan in 2009. De prijsstijging heeft dus plaatsgevonden in 2009 (september) maar telt zwaarder mee in 2010 (12 maanden) vergeleken met 2009 (4 maanden). In 2010 is Wonen de bestedingscategorie die het meest heeft bijgedrage n aan de inflatie van Curaao, namelijk 45 procent. Dit is een opmerkelijk verschil vergeleken met 2009, in welk jaar de bestedingscategorie Voeding met 76 procent de groot ste bijdrage heeft geleverd aan de inflatie in Curaao. 29 In januari 2009 werd kerosine 68 procent goedkoper en kookgas daalde met 25 procent in prijs. In februari 2009 werd wateren elektriciteitsverbruik respectievelijk 29 en 9 procent goedkoper, terwijl de prijs van kookgas met 5 procent daalde en kerosine met 20 procent in prijs steeg. In maart 2009 werd gas 6 procent goedkoper, terwijl de prijs van kerosine daalde met 38 procent. In september 2009 steeg de elektriciteitsen watertarief voor de consument met 19 en 6 procent respectie velijk. Kerosine werd 13 procent duurder, terwijl de prijs van kookgas met 7 procent daalde.

PAGE 50

Modus Statistisch Magazin e Bestedingscategorie Vervoer en communicatie Interessant is verder dat de bestedingscategorie Vervoer en communicatie in 2010 2,5 procent duurder is geworden, voornamelijk door de prij sstijging van de kosten van autorijden met 6,3 procent. Met name de prijsstijging van autoreparatie en een grote servicebeurt met respectievelijk 8 en 7 procent in april 2010 en van benzine met 6 procent in mei 2010 hebben hieraan bijgedragen. De relatieve bijdrage van de bestedin gscategorie Vervoer en communicatie aan de totale inflatie op Curaao is 21 procent in 2010. Relatieve bijdrage aan de inflatie De bestedingscategorien Wonen, Voeding en Vervoer en communica tie zijn dus samen verantwoordelijk voor 87 procent van de inflatie op Curaao in 2010. Dit blijkt ook uit grafiek 2. Bestedingscategorie Kleding en schoeisel Tenslotte is vermeldenswaardig de prijsdaling van de bestedingscategorie Kleding en schoeisel met 1,1 procent, voornamelijk doordat sc hoeisel 12,7 procent goedkoper is in 2010 dan in 2009. Vooral de prijsdaling van schoeisel in februari 2010 van 17,2 procent, vanwege de vele aanbiedingen, heeft hieraan een grote bijdrage geleverd. Grafiek 2 Relatieve bi jdrage van de bestedingscategorien aan de inflatie van Curaao in het jaar 2010. Bijdrage aan inflatie Curaao 2010 Dranken en rookwaren, 2% Overig, 10% Recreatie, ontwikkeling en educatie, -0.3% Vervoer en communicatie, 21% Gezondheidszorg, 1% Woninginrichting en huisraad, 2%Wonen, 45%Voeding, 21% Kleding en schoeisel, -2% Nummer 1 45

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine Lange-termijn inflatie 2010 in Curaao In deze paragraaf komt de inflatie over respectiev elijk de afgelopen twee, elf en twintig jaar op ons eiland nader in beeld. Inflatie op Curaao vanaf december 2008 t/m december 2010 Gedurende de afgelopen twee jaar heeft de inflatie op Curaao zich ontwikkeld van een snel dalende trend naar een korte periode van stabilisatie, gevolgd door een geleidelijk stijgende trend. (grafiek 3) Grafiek 3 Inflatie december 2008 december 2010. Inflatie op Curaao in de afgelopen 2 jaar0 1 2 3 4 5 6 7Dec 0 8 Feb 09 A pr 0 9 Jun 09 A ug 0 9 Okt 09 Dec 09 Feb 10 Apr 10 Ju n 10 Aug 10 Ok t 10 Dec 1 0Inflatie (% stijging van de 12-maandsgemiddelde CPI ) Trendlijn inflatie over de periode 2000-2010 De afgelopen elf jaar is Curaao, wat prijso ntwikkeling betreft, gekenmerkt door een sterk schommelende inflatie, varirend van 0,4 procent (in 2002) tot 6,9 procent (in 2008) en resulterend in een gemiddelde van 3,0 procent. Het niveau van de inflatie van 2010 (2,8%) wijst op een stijgende beweging richting het gemiddelde inflatieniveau van dr ie procent over de afgelopen elf jaar. (grafiek 4) 46 Jaargang 10

PAGE 52

Modus Statistisch Magazin e Grafiek 4 Trendlijn inflatie 2000-2010 Inflatie Curaao 2000-20100 1 2 3 4 5 6 7 8 20002001200220032004200520062007200820092010 JaarInflatie% Pieken en dalen van de inflatie in de periode 1991-2010 De inflatie op Curaao over de afgelopen twintig ja ar laat duidelijk een aantal pieken zien, namelijk in 1991 (inflatie 4%), 2000 (inflatie 5,8%) en 2008 (inflatie 6,9%). Duidelijk zichtbaar zijn er ook een tweetal dalen: zowel in 1999 als in 2002 werd een inflatie van 0,4% geregistreerd. (Grafiek 5) Grafiek 5 Pieken en dalen inflatie 1991 2010. Inflatie op Curaao in de afgelopen 20 jaar0 1 2 3 4 5 6 71991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 Inflatie (% stijging van de jaargemiddelde CPI ) Nummer 1 47

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine 48 Jaargang 10 Invloed van internationale economi sche factoren op de inflatie van C uraao in 2010 Curaao is een importland voor wat betreft consumpt iegoederen en heeft als n van de belangrijkste exportproducten diensten in de toerisme-sector. Internationale economische factoren spelen derhalve een belangrijke rol in de prijsontwikkeling van het eiland, zowel voor de lokale markt als voor de toerismesector. Deze paragraaf en dit artikel beperken zich tot de lokale markt, gelet op de definitie van consumentenbestedi ngen in het kader van CPI aa n het begin van dit artikel. Achtereenvolgens wordt in deze paragraaf stilgestaan bij de internationale factoren de internationale prijs van ruwe olie, de internationale voedselprijzen en de euro-wisselkoers ten opzichten van de US dollar. De internationale prijs van ruwe olie Een belangrijke internationale factor die van invloed is op de prijsontwikkeling in Curaao is de internationale prijs van ruwe olie. Immers, de hoogte van de prijzen van ruwe olie benvloedt de hoogte van de productiekosten, transportkosten en kosten van energieverbruik voor koeling en belichting. Met name als het om een kostenverhoging gaat, zullen deze te zijner tijdError! Bookmark not defined. worden doorberekend aan de consument d oor de consumentenprijzen te verhogen. In 2010 is de rele prijs van een vat ruwe olie gemi ddeld $ 73, een significante stijging vergeleken met 2009, in welk jaar een gemiddelde rele prijs voor een vat ruwe olie is genoteerd van $ 5630. De hogere gemiddelde prijs op de internationale ruwe oliemarkt is mogelijkerwijs een verklarende factor voor de hogere inflatie in 20 10 vergeleken met 2009 op Curaao. Grafiek 6 geeft een beeld van de prijsontwikkeling van ruwe olie op de internationale markt gedurende het afgelopen decennium. 30 Bron: Inflation.data.com. De nominale olieprijzen per vat waren $53 en $91 in 2009 en 2008 respectievelijk.

PAGE 54

Modus Statistisch Magazin e Nummer 1 49 Grafiek 6 Internationale Ru we Oliemarktprijzen 2000-2010 Bron cijfers: www.inflationdata.com/Inflation/Inflati on_Rate/Historical_Oil_Prices_Table.asp Internationale voedselprijzen (zie grafiek 7 en tabel 2) Een tweede belangrijke factor wordt gevormd door de internationale voedselprijzen, uitgedrukt in de FAO Food Price Index. De FAO Food Price Index in 2010 bedroeg 185, een substantile stijging vergeleken met het niveau van 157 in 2009. 31 De hogere gemiddelde prijs op de internationale voedselmarkt zou een verklaring kunnen zijn voor de hogere inflatie in 2010 (2,8%) vergeleken met 2009 (1,8%) op Curaao. De inflatie van voedsel in 2010 (4,7%) is ongeveer de helft van die in 2009 (9,9%); de hogere food price index in 2010 ten opzichte van 2009 ging dus weliswaar gepaard met prijsstijging van voedsel op het eiland, maar minder fors dan het jaar daarvoor. Beredeneerd kan worden dat inkoopbeleid, voorraden en consumptieve beslissingen op het eiland moge lijkerwijs hierbij een rol van betekenis hebben gespeeld. 31 Bron: www.fao.org FAO = Food and Agricultural Organization of the United Nations. The FAO Food Price Index is a measure of the monthly change in inte rnational prices of a basket of food commodities. It consists of the average of five comm odity group price indices (representing 55 quotations), weighted with the average export shares of each of the groups for 20022004. De consumentenmand waarop de FAO Food Price Index is gebaseerd, wordt onderverdeeld in vijf voedingsg roepen: vlees; zuivel, graan, spijsolie en vetten, suiker. Gemiddelde Ruwe Olie Prijzen op Jaarbasis: 2000 t/m 2010$0.00 $20.00 $40.00 $60.00 $80.00 $100.00 $120.00JaarPrijs per vat in US dollar Internationale markt Ruwe Olie $35.76 $29.23 $28.50 $33.86 $44.81 $57.57 $65.03 $69.51 $95.25 $55.96 $73.44 0001020304050607080910

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine Dat de stijging van de FAO voedselprijsindex in 2010 (nog) niet of niet volledig zichtbaar is in de prijsontwikkeling van voedsel op Curaao in 2010 kan te maken hebben met het feit dat er nog genoeg buffer is. Immers, destijds toen de FAO F ood Price Index daalde, werd dit niet of niet geheel doorvertaald in de prijsontwikkeling van he t eiland. Ook kan een vertragend effect meespelen, dus dat de economie en de prijzen van ons eila nd vertraagd reageren op de internationale ontwikkelingen. Vooruitblik: De FAO Food Price Index is sinds de tweede helft van 2010 continu aan het stijgen en heeft inmiddels (sinds oktober 2010) het niveau van 200 overstegen. Grafiek 7 FAO Voedsel Prijs Index (Bron: www.fao.org ) 50 Jaargang 10

PAGE 56

Modus Statistisch Magazin e Tabel 2 FAO Voedsel Prijs Index Bron: www.fao.org Nummer 1 51

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine 52 Jaargang 10 De wisselkoers tussen de US dollar en de Euro (zie grafiek 8) Een derde internationale factor van belang voor de prijsontwikkeling van Cu raao is de wisselkoers tussen de US dollar en de Euro. Het wettig betaal middel van Curaao, de Antilliaanse gulden, is gekoppeld aan de dollar. Hoe duurder de Euro wordt, dus hoe zwakker de do llar, hoe duurder de import voor Curaao uit de Euro-zone: voor 1 Euro dient meer Antilliaanse guldens neergeteld te worden. Omgekeerd wordt de export naar de Euro-zone goed koper, dus een dure Euro bevordert het toerisme uit de Eurozone: voor 1 Euro krijgt de toerist meer Antilliaanse guldens c.q. US dollars. De gemiddelde EURO-koers in de jaren 2007 t/m 2010 was respectievelijk 1.37, 1.47, 1.39 en 1.33 US dollars.32 Producten uit Nederland en de rest van de Eurozone waren dus voor Curaao goedkoper in 2010 vergeleken met 2009. Beredeneerd kan worden dat di t mogelijkerwijs vooral een dempend effect heeft gehad op de voedselinflatie, di e in 2010 circa de helft bedraagt van het niveau in 2009. Grafiek 8: euro-wisselkoers ten opzichte van de US dollar en de japanse yen vanaf januari 2006 t/m juli 2011 Bron: www.statistics.dnb.nl (statistieken financile markten wisselkoersen) 32 Bron: www.federalreserve.gov Wisselkoers van de euro t.o.v. de Amerikaanse dollar en de Japanse yen Aantal per 1 EUR; maandgemiddelden 0.80 0.90 1.00 1.10 1.20 1.30 1.40 1.50 1.60 1.70 jan 2006 aprjuloktjan 2007 aprjuloktjan 2008 aprjuloktjan 2009 aprjuloktjan 2010 aprjuloktjan 2011 aprjul 80 90 100 110 120 130 140 150 160 170 Amerikaanse dollar Japanse yen, schaal rechts

PAGE 58

Modus Statistisch Magazin e Conclusie Na een vrij rustig inflatiejaar 2009, waarin Curaao een inflatie van 1,8 procent registreerde, is sprake van een significante stijging van de inflatie naar 2,8 procent in 2010. Deze stijgende lijn is het resultaat van zowel lokale, internationale als Koninkrijksfactoren. Tot de internationale factoren kunnen onder meer gerekend worden: de hogere prijzen op de internationale markt voor ruwe olie en op de inte rnationale voedselmarkt en de lagere dollarkoers van de euro in 2010 vergeleken met 2009. De prijs van voedsel is weliswaar gestegen in 2010, maar minder fors dan het jaar daarvoor. De hogere inflatie in 2010 is vooral te wijten aan het feit dat energieverbruik en de kosten van autorijden in 2010 duurder zijn dan gedurende 2009. De beweging van de inflatie tussen 1,8 en 2,8 procent bevindt zich in de inflatiezone die gerelateerd kan worden aan een gezonde economie. Nummer 1 53