Citation
Modus Jaargang 10 Nummer 3

Material Information

Title:
Modus Jaargang 10 Nummer 3
Publication Date:

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 1

r fntn b rnbbbb rrnfrn rn bn rrr rrr

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redactioneel........................................................ iii 1. Youth on the labor market of Cu raao.......... 1 2. Personal income in Curaao 2007-2009........ 8 3. Een demografische anal yse naar de volledigheid van de bevolkingstelling ........ 11 4. Restorative Justice: een traditionele aanpak me t een nieuw e naam 21 Nummer 3 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 10 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Voor u ligt weer een nieuwe editie van MODUS, het statistisch magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao. Zoals wellicht bij u bekend, tracht het CBS middels deze publicatie wetenschappelijke artikelen te presenteren die meer diepgang bieden ten aanzien van verschillende beleidsterreinen en de hieruit voortvloeiende onderwerpen. In deze publicatie treft u onder andere twee artikelen met statistische informatie en analyse, gebaseerd op resultaten uit de Arbeidskrachtonderzoeken (AKO) van het CBS. Het betreft een artikel over de jeugd op de arbeidsmarkt en een artikel over het persoonlijk inkomen opCuraao. Zo laat het eerste artikel de verhouding tussen jeugdwerkloosheid en de totale werkloosheid zien, dit in vergelijking met de gehanteerde standaard van de International Labour Organization. Het valt daarbij op dat de lokale verhouding geen positieve ontwikkeling toont. Voorts blijkt dat de jongeren die het wel lukt om tot de arbeidsmarkt toe te treden voornamelijk terug te vinden zijn in wat wij noemen de kwetsbare werkgelegenheid. Voor wat betreft het inkomen kan worden geconstateerd dat het gemiddelde inkomen per individu tussen 2007 en 2009 is afgenomen terwijl het mediane inkomen juist toe is genomen. De auteur merkt verder op dat het persoonlijke inkomen over dezelfde periode van observatie nauwelijks is veranderd. In deze editie van MODUS is verder een artikel gewijd aan de demografische volledigheid van de Census. Het artikel verkent de mogelijke meetfouten die tijdens de Census 2011 zijn gemaakt en biedt mogelijke wetenschappelijke verklaringen hiervoor. Dit artikel is een bijdrage geweest aan de wetenschappelijke discussies en correcties die zijn toegepast op het bestand van de Census 2011. Tenslotte kunt u een wetenschappelijke bijdrage vinden die in gaat op het concept Restorative Justice. Restorative Justice is een aanpak van de criminaliteit waarbij alle partijen betrokken worden; het directe slachtoffer, de dader en de gemeenschap. Slachtoffer, gemeenschap en dader worden met elkaar geconfronteerd. Het uiteindelijke doel is om het genezingsproces voor het slachtoffer te vergemakkelijken en de dader de mogelijkheid te bieden om de door hem aangerichte schade te herstellen en zich te integreren in de gemeenschap als een positieve en productieve burger. Al met al, veel interessante bevindingen waaraan u als lezer en gebruiker van statistische gegevens en wetenschappelijke dissertaties zeker veel zult hebben. Ten slot rest mij nog u veel leesplezier te wensen Drs. Sean de Boer Directeur CBS Colofon Oplage : 300 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 info@cbs.cw www.cbs.cw Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Ostrid Girigori Drukwerk Interpress NV Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2012 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Nummer 3 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine iv Jaargang 10

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 1Youth on the labor market of Curaao; ‘decent work’ and ‘vulnerable employment’ Zaida Lake Introduction During the 18th International Conference of Labor Statistici ans, which was held in 2008 in Genve, the ILO endorsed the measurement of the concept of ‘Decent Work’. Since th en, many member states have adopted this concept in labor market policy design. However, with this good intention ma ny countries (including Curaao) face the challenge of developing adequate national indicators and meth ods to implement measure and monitor its progress. The following quote from the website of the ILO describes the concept of Decent Work in a clear manner: “Decent work sums up the aspirations of people in thei r working lives. It involves opportunities for work that is productive and delivers a fair income, security in the workplac e and social protection for families, better prospects for personal development and social integration, freedom for peop le to express their concerns, organize and participate in the decisions that affect their lives and equality of opportunity and treatment for all women and men”1. The concept entails four main aspects: 1. Access to full and productive employment 2. Rights at work 3. Social protection 4. Promotion of social dialogue Full implementation of the concept in society in general and on the labor market in particular, involves the integration of all 4 aspects, which is why implementing and me asuring its progress in society is a “complex” task. Nevertheless, efforts are being made to develop labor market policy concerning ‘Decent Work’. On the 25th and 26th of March of this year, the Department of Labor and Social Issu es of Curaao held a conference on the concept of Decent Work and labor market policy in Curaao. One of the focus groups on the labor market for which concern was voiced during the conference is the youth between the ages 15 and 24 years. The topic of youth employment and unemployment has not on ly gained concern of local policy makers, but is of worldwide concern. According to the ILO, 40 percent of the world’s unemployed are between 15 and 24 years. Young people are 3 times more likely to become unemployed than adults.2 Youth employment has become of such concern that the member st ates of the ILO (Interna tional Labor Office) has placed the topic of ‘Youth employment’ on the agenda of the 101st session of the International Labor Conference, which is to be held in Geneva (Switzerland) from May 30th to June 15th 2012. 1 http://www.ilo.org/g lobal/topics/decent-work /lang--en/index.htm 2 http://www.ilo.org/global/topics/youth-employment/lang--en/index.htm#a2

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 2 The aim of this article is to contribute to the worldwide disc ussion on Decent Work and the youth. It will give a general statistical overview on the topic fo r the labor market of Curaao. As mentioned the measurement of Decent Work is complicated due to the many aspects it entails. Therefore to present the analyses in the second part of this article, only the fir st aspect, which is ‘full and pr oductive employment’ will be looked at, because this aspect is made measurable by means of the ILO of concept ‘vulnerable employment’ (see ‘Definitions’). Vulnerable employment is defined by the ILO as “own-acco unt workers and contributing family workers have a lower likelihood of having formal work arrangements, and are theref ore more likely to lack elements associated with decent employment, such as adequate social security and a voice at work”. The two statuses together, th erefore, are summed to create a classificat ion of “vulnerable em ployment”, now an indicator of the MDG employment target”.3 Therefore the definition in this article is: persons who are empl oyed as ‘employer’ ‘own account worker’, ‘casual worker’ or ‘contributing family worker ’ and not in ‘wage employment’. The category ‘employer’ is added, because employer also entails one or two persons who employ workers for a longer than 14 hours per week, but despite this, may be in a position of ‘vulnerable employment’ according to the definition. This article begins first of all by stating some general st atistical information on the overall position of youth on the labor market Curaao. In the second part of the article, the contents will focus on the topic regarding ‘(in) decent work’ and ‘vulnerable employment’ among the working youth. Methodology The measurement of ‘vulnerable employment’ is done by means of the variable ‘status in employment’. The categories (employer, self-employed (also called ‘own account worker’), employee in permanent service, employee in temporary service, casual worker, unpaid fa mily worker, contract and other) are reduced to the dichotomy ‘wage or salaried workers’ and ‘own em ployer’; including ‘employer’ and ‘unpaid family worker’ (see also the definition of ‘vulnerabl e employment’). The data for the analyses is taken from the Labor Forc e Surveys (LFS). The LFS is a sample of approximately 6 percent of all Households on the island. The sample size is based on a 95 percent reliability of the unemployment rate, which has a margin of error of 1.35 percentage points. There are limitations to the data pr esented because they are based on a sample. Though the sample of the LFS is a relatively large one, it is prone to sampling errors, particularly because the focus group in this article (the youth labor force) is a comparatively small one (approximately 5500 persons in 2009, which is about 30 percent of the youth population. In order to obtain reliable statistical insight into th e development of the position of the youth on the labor market, the relevant data of this article (youth participation and youth in vulnerable employment) is presented in the form of a trend analysis over a period of 17 years; from 1992 up to 2009. 3 KILM 6th edition

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 3Definitions Youth Population: All persons in the age group 15-24 years who are residing outside of institutions. Youth Labor Force The number of persons in the age group 15-24 years who are either employed or unemployed. Youth employed population The number of persons in the age group 15-24 years wh o, during the week prior to the interview had a job or their own enterprise, or who performed work or casual labor for at least 4 hours. Youth unemployed population All persons in the age group 15-24 years who in the w eek prior to the interview were out of work, looking for work, the month prior to the interview have actively looked for work, and who are ready to start to work within 2 weeks. Youth participation rate The youth labor force as a proportion of the youth population. Youth unemployment rate: The number of unemployed youth as a proportion of the youth labor force. Youth economically not active population: All persons in the age group 15-24 who are neither employed nor unemployed. Wage and salaried workers Persons who work for an employer and in return receiv e payment in cash or kind. This definition excludes voluntary work. Youth in the Labor Force; 1992-2009 Between the two points of measurement, which are October 1992 and October 2009, there a few developments have taken place in the Yout h Labor Force and in the Youth Population. Table 1 Population and labor force by age groups 1992-2009 1992 2009 15-24 25-54 55plus 15-24 25-54 55plus 1.Population 21355 61908 22427 17945 58288 32796 2.Labor Force 8655 46055 4494 5468 48076 9083 3.Economically not active 12700 15837 17916 12454 10183 23714 4.Employed population 6117 40623 4259 4118 43911 8553 5.Unemployed population 2538 5432 235 1350 4165 530 6.Unemployment rate (5/2) 29 12 5 25 9 6 7.Participation rate (2/1) 41 74 20 30 71 28 8.Employment to population rate (4/8) 29 66 19 23 75 26

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 4 The youth participation rate has decreased from 41 percent in 1992 to 30 percent in 2009. Consequently, this implies that the share that is economically not active is growing (economically not active population divided by the age specific population). Figures of the Labor Force Survey show that the school participation rate went up in this period, mainly due to the rise in the obligatory school age from 15 to 18 years in 2005, which is the main reason for the rise in the share of economically not active youth. Graph 1 Participation rate by age groups0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 19921993199419951996199719982000200120022003200420052006200720082009 15-24 25-54 55plus It should be noted that simultaneously with the ab ove mentioned development, the share of youth that remain in school (based on the rise in the school partic ipation rate from 49 to 70 percent in that period) has also increased. This is indicative of a strong correlati on between youth continuing school and the drop of the share of youth on the labor force. With regard to the youth in the labor force, table 1 shows that the unemployment rate has decreased somewhat from 29 to 25 percent. An expression to qu antify the ‘gravity’ of this indicator is the ‘youth unemployment rate divided by the total unemployment rate’. For Curaao, this rate has gone from 2.1 in 1992 to 2.5 in 2009. According to ILO standards, a rate of 2.0 is acceptable, which indicates that the youth unemployment in Curaao in 2009 is high. The share of youth that is employed, is relatively sm all, compared to the other age groups and is also diminishing. Compared to the age group 25-54 years, the ‘employment to population rate’ of the youth in 1992 (29 percent) is much less than that of the age group mentioned (66 percent). In 2009 the rate of the youth dropped to 23 percent (an increment of 6 percentage points), while that of the age group 25-54 years increased to 75 (an increase of 9 percentage points).

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 5 The employment to population rate in the ages 55 ye ars and older was in 2009 7 percentage points higher than in 1992. Based on the developments one could deduce that the inflow (by natural aging and probably some migration) of young persons into the employed populati on is less than the outflow (also by natural aging and migration) of employed youth out of the youth population. Youth in ‘Vulnerable employment’ As mentioned in the introduction, the first componen t of ‘’Decent Work’’, which is access to full and productive employment, is made measurable by means of the concept ‘’vulnerable employment’’. The following paragraph highlights this phenomenon fo r the youth on the labor market of Curacao. Graph 2 Share of employed youth in vulnerable employment22 16 28 29 23 30 37 23 29 38 35 32 37 39 38 330 5 10 15 20 25 30 35 40 45 1992199319951996199719982000200120022003200420052006200720082009 15-24 25-54 55plus 3 per. Mov. Avg. (15-24) Graph 2 (follow the dotted trend line) shows that in 1992 22 percent of all employed youth are employed in ‘vulnerable employment’. By 2009, the share increased to 33 percent (an 11 points increase). For the other age groups, the shares increased less (for the age group 55 plus there is even a slight decrease). As a comparison: graph 3 gives an oversight of the development of the share of youth in ‘vulnerable employment’ compared to the share in ‘wage empl oyment’ between 1992 and 2009. Contrary to the development in the other age groups, the former share has grown much more than the latter. This indicates that the youth on the labor market are more vulnerable to fall into a position of (In) Decent Work that the other age groups.

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 6 Graph 3 22 78 18 82 30 70 0 20 40 60 80 100 120 15-2425-5455plusEmployed population by status in economy and age groups 1992 Own employer Employee in service 33 67 20 80 26 74 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 15-2425-5455plusEmployed population by status in economy and age groups 2009 Own employer Employee in service

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 7 Conclusion Through the eyes of policy makers, it is a positive development that young persons are staying longer in school. The rise in the school participation rate is an indication of this development. However, the overall situation of youth on the labor market deserves attention from policy makers. The ratio youth unemployment rate divided by the total un employment rate has gone from 2.1 to 2.5 in the period in this analysis, which according to IL O standards is not a positive development. Similarly, the analysis in this article shows that of th ose youth who do enter into the labor market, it appears that a growing share is in ‘vulnerable employment’. The youth appears to be taking up ‘vulnerable employment’ at a faster pace than the other age groups. The reason for this phenomenon is not clear at this point. But figures show that this is more visible am ong the youth than among the other age groups on the labor market. Based on the figures in this article, a possible caus e for this development could be related to an aging workforce. Older persons in wage and salaried work (a ge groups 45 and older) remain in these favorable (see definition of Decent Work) work conditions for a longer period, leaving less space for the influx of youth in the same working conditions. Another possible cause could be a growing level of flexibilisation of work on the local labor market, meaning less ‘wage and salaried’ work and more ‘flexi ble’ work relationships, such as ‘free-lancing’, ‘outsourcing’, etc. The incentive for this growth could be coming from both sides of the labor market, either from the demand side, meaning from the employer’s side (recruitment of cheaper labor) or from the supply of labor, meaning from persons l ooking for (flexible forms of) work.

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 8 Personal Income in Curaao 2007-2009 Martha Victoria Introduction This article presents data on the gross personal income of Curaao residents for the cale ndar years 2007, 2008 and 2009. These data are compiled from in formation collected in the Labor Forc e Surveys (LFS) 2007, 2008 and 2009, conducted by the Central Bureau of Statistics. When interpreting the analysis presented in the article, th e reader should take into account that as with all sample surveys, the LFS survey’s results may be influenced by sampling errors. This article discusses personal income and distribution of personal income, cross-tabulated by gender and age. Income In this article, income refers to income before tax per person, adjusted for inflation. Personal income refers to individual income and consists of income of all types and from all sources, such as labor, remittances, pensions, transfers and property income. It is applied to those who are fifteen years and older and are considered to be members of the labor force. The mean income is the amount obtained by dividing th e total income of all people by the total number of people. The mean is the only central tendency measure that takes into account the total of all the observations. It gives the total income, yet it is not as good a measure as the median, because it can be inflated by a few very large incomes. Median income divides the distribution into two equal parts: one half of the cases falling below the median income and the other half above it. It is perhaps th e best central tendency measure of what persons in Curaao earn. Furthermore, it is resist ant. That is, it changes very little (or not at all) by wild changes in a few observations. For example, if the top few incomes were to increase dramatically, nothing would happen to the median income. Mean Income vs. Median Income The mean income went down drastically between 2007 and 2009, from ANG 5,001 to ANG 2,507 per month, a ninety-nine percent decrease over the entire two-year period (see table 1). The median income, on the other hand, increased during this 2007-2009 period. It rose from ANG 1,400 to ANG 1,600. Compared to 2007, the median income went down in 2008 from ANG 1,400 to ANG 1,375—a decrease of approximately 2 percent (see table 1)—but increased again in 2009. Table 1. Mean and Median Income per Person 2007 2008 2009 Mean 5001 2256 2507 Median 1400 1375 1600

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 9Personal Income Distribution The personal income distribution changed slightly in the different income categories during the period described above. In 2007 and 2008 for instance, the NAF 501-1000 and 1001-2000 income categories continued to be the largest groups, although the 501-1000 income category showed a decrease in 2009, from 26 percent to 23 percent, when compared to 2008. As table 2 shows, the income category of ANG 2,000 and below accounted for less than two-third (60%) of the respondents. The smallest group is made up of those in the ANG 5001-6000 income category (3%). Income Distribution by Gender According to the results of the LFS, men tend to have higher incomes than women. As shown in table 3, 43 percent of women earned less than ANG 1,000 in 2009 In previous years, the percentages were higher, namely 46 percent, in both years. In comparison to women, 23 percent of men in Curaao earned below ANG 1,000 in 2009. In 2007, the percentage was higher, namely 27 percent. In 2008, 26 percent of men earned below ANG 1,000. Based on these data it can be conc luded that both the number of men and women earning less than ANG 1,000 has been in decline. There are more men in the income categories ANG 2,00 0 income category and higher, than woman in the same categories. In 2009, fifty-one percent of men earned more than ANG 2,000. The amount of men in these categories has been on the rise (46 percent in 2007 and 48 percent in 2008). In 2009, only 31 percent of women had a personal income of more than ANG 2,000. Only 7 percent of women earned more than ANG 5,000 in 2009, while 18 percent of men are in that income category. Compared to 2007 and 2008, the number of men earning more than ANG 5,000 rose (15 percent in 2007 and 16 percent in 2008). The share of men in many income brackets is higher than that of females. The difference is the largest in the highest income group, ANG 6,000 and up per month, 13 percent of men versus 4 percent of women respectively in 2009. Table 2. Distribution of Personal Income 2007 2008 2009 Income % % % <-----500 12 12 11 501 1000 26 26 23 1001-2000 25 26 26 2001-3000 13 13 15 3001-4000 8 8 8 4001-5000 5 5 6 5001-6000 3 3 3 6001---> 8 7 8 Total 100 100 100 Table 3. Distribution of Personal Income by Sex 2007 2008 2009 % % % Man WomanMan Woman Man Woman <-----500 8 15 9 14 7 14 501 1000 19 31 17 32 16 29 1001-2000 27 24 26 26 26 26 2001-3000 16 11 16 11 17 13 3001-4000 9 6 9 7 9 7 4001-5000 6 5 7 4 7 4 5001-6000 4 2 5 2 5 3 6001-----> 11 6 11 4 13 4 Total 100 100 100 100 100 100

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 10 Income Distribution by Age Groups The largest group in the income cate gory below ANG 1,000 is the 60+ age group (54%). This high share is mainly explained by the height of the old age allowa nces and the number of elderly who are dependent on it as their main source of income (see table 4). The second largest is the 15-39 age group. Twenty-six percent of individuals between 15 and 39 years of age had incomes below ANG 1,000 in 2009. In 2007 and 2008 32 and 34 percent respectively earned less than ANG 1,000. Seventy percent of the age category 60+ earned belo w ANG 2,000 in 2009, followed by the 15-39 age group, with 62 percent of respondents earning below ANG 2,00 0 in 2009. Of the 40-59 age group, 50 percent of respondents had an income below ANG 2,000. Only 7 percent in the 60+ age group earned more than ANG 5,000, while 17 percent of those between 40-59 years have incomes exceeding ANG 5,000. Eight percent of those between 15-39 years earned above ANG 5,000. Table 4. Distribution of Personal Income by Age age 2007 2008 2009 % % % income 1539 4059 60+ 1539 4059 60+ 1539 4059 60+ <-----500 19 15 2 21 15 2 16 14 3 501 1000 13 10 56 13 11 55 10 9 51 1001-2000 36 24 18 34 28 16 36 27 16 2001-3000 13 16 10 14 14 11 17 15 13 3001-4000 7 10 5 8 9 6 9 9 6 4001-5000 4 8 3 4 7 4 4 9 4 5001-6000 1 5 2 2 6 2 2 5 2 6001-----> 7 12 4 4 10 4 6 12 5 total 100 100 100100 100 100100 100 100 Conclusion In summary, it is observed that the mean income has decreased during the period 2007-2009, while median income has increased. Personal income distribution changed little during the three years under consideration. The income class of ANG 1,000 or less is the one with the highest frequency. The income distribution differs between the sexes and between ages. The percentage of women in the income category of ANG 1.000 or below is higher than that of the men. Of the elderly, more than half (54%) have an income of ANG 1,000 or less. This share is much lower for the youngest age group (26%) and lowest for middle-aged persons (23%). Middle-aged persons (40-59) are more likely (17 percent) to have a high income (more than ANG 5,000) than younger (8%) and older (7%) persons.

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 11Census 2011: een demografische analyse naar de volledigheid van de bevolkingstelling. Menno ter Bals Inleiding In de periode van 26 maart tot 3 april 2011 heeft in Cura ao de vijfde volksen woningtelling plaatsgevonden, beter bekend als de Census 2011. Het demografische doel van de Ce nsus is, om door middel van het tellen en interviewen van de gehele op Curaao woonachtige bevolking, de volledige bevolkingsomvang en –samenste lling te bepalen, alsmede een sociaal-economische dwarsdoorsnede van deze bevolking te maken. Ruim 2.100 interviewers hebben gedurende de Censusweek alle woningen in Curaao bezocht om dit doel te bereiken. Uiteraard brengt het interviewen van edere persoon die tot de doelgroep behoort moeilijkheden met zich mee. Personen kunnen om verscheidene redenen niet thuis worden aangetroffen, bijvoorbeeld we gens hun dagelijkse werkzaamheden of een vakantie. Indien interviewers gedurende de gehele Censusweek en de aansluitende na -telling bepaalde personen niet hebben kunnen bereiken voor een interview danwel een proxy-interview, waarbij een ande r lid van het huishouden de vragen beantwoordt voor de afwezige persoon, dan zullen de betreffende personen ontbreken in de uiteindelijke volkstelling. In de praktijk blijken bepaalde bevolkingsgroepen vaker gemist te worden in een Census dan andere bevolkingsgroepen. In zulke gevallen is er sprake van een ondertelling van deze bevolkingsgroepen. Bijvoorbeeld, bij npersoons huishoudens is de kans mogelijk groter dat er niemand thuis is in vergelijking met huishoudens van v ijf of meer personen, maar ook werkende personen in de leeftijdsgroepen tot 60 jaar zullen mogelijk minder vaak thui s zijn dan niet werken de leeftijdsgenoten. Dit zijn wereldwijd veelvoorkomend e situaties bij volkstellingen. Om een beeld te vormen van de volledigheid van de bevolk ingstelling zijn er verschillende demografische methoden die toegepast kunnen worden op het Census databestand resulteren d uit de telling en na-telling. In dit artikel zijn enkele methoden beschreven en toegepast die bruikbaar zijn voor de situatie in Curaao, te weten visuele inspectie van de data, het vergelijken van leeftijdsen geslachtsratio’s en anal yse van zogenaamde ‘cohort su rvival rates en ratio’s’. Methodologie Curaao heeft te maken met grote migratiestromen di e van invloed zijn op de bevolkingsontwikkeling. Daarnaast heeft Curaao administrati eve bronnen, namelijk het bevolkings register en de Census 2001, die gebruikt kunnen worden voor demografische analyses. Deze situatie inachtnemend is de keuze gemaakt voor de drie voornoemde methoden ter evaluatie van de volledigheid van de telling. Deze keuzes zullen duidelijk worden gemaakt bij behandeling in de betreffende paragrafen. De demografische analyse beperkt zich uitsluitend tot leeftijd en geslacht. Daarom kunnen aan de hand van deze analyse slechts conclusies worden getrokken over de volledigheid van de bevolkingstelling naar leeftijd en geslacht. In de analyse is gebruik gemaak t van de ruwe Censusdata uit 2011, resulterend uit de telling en de na-telling, tenzij anders aangegeven.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 12 Gehanteerde definities Cohort Een groep personen die eenzelfde demografische gebeurtenis (bijvoorbeeld geboorte, huwelijk of immigratie) in dezelfde periode hebben meegemaakt wo rden een cohort genoemd. Bijvoorbeeld alle nog in leven zijnde mannen die tussen 1971 en 1976 zijn gebore n vormen in 2011 het cohort ‘mannen 35-39 jaar’. Cohort survival rate De verhouding van de omvang van een bepaal d cohort op twee opeenvolgende meetmomenten (bijvoorbeeld volkstellingen). De cohort survival rate (nSx) wordt berekend met de volgende formule: i = lengte van de periode tussen de twee meetmomenten nSx = cohort survival rate voor het cohort met leeftijd x tot x+n op het eerste meetmoment nP1 x+i = bevolking met leeftijd x+i tot x+i+n op het tweede meetmoment nP0 x = bevolking met leeftijd x tot x+n op het eerste meetmoment Life table survival rate Drukt overleven van een jongere leeftijd naar een oudere leeftijd uit op basis van een overlevingstafel door middel van de verhouding van het aa ntal persoonsjaren geleefd door personen van een bepaald cohort op twee verschillende meetmomenten. De life table survival rate (nsx) wordt berekend met de volgende formule: i = lengte van de periode tussen de twee meetmomenten nLx+i = aantal persoonsjaren geleefd in het leeftijdsinterval x+i tot x+i+n nLx = aantal persoonsjaren geleefd in het leeftijdsinterval x tot x+n Overlevingstafel Tabel waarin voor een bepaalde periode de levens verwachting en de sterftekansen van verschillende cohorten wordt berekend. Geslachtsratio De verhouding tussen mannen en vrouwen in een bepa ald leeftijdscohort uitgedrukt als aantal mannen per 100 vrouwen in dit cohort. Leeftijdsratio De verhouding tussen de omvang van een leeftijdscohort en de omvang van de direct aangrenzende leeftijdscohorten. Netto immigratie Positief migratiesaldo. Met andere woorden, er vestigen zich meer personen in Curaao dan dat er personen vertrekken uit Curaao in een bepaalde periode. Netto emigratie Negatief migratiesaldo. Met andere woorden, er vert rekken meer personen uit Curaao dan dat er mensen zich vestigen op Curaao in een bepaalde periode.

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 13 Methode 1: visuele inspectie van de data (met gebruikmaking van gegevens van het bevolkingsregister) Deze methode komt feitelijk neer op het vergelijken van de Census 2011 gegevens met de bevolkingscijfers zoals die door het CBS jaarlijks geschat en gepubliceerd worden in het Statistical Yearbook (SY). Daarbij wordt gebruik gemaakt van visuele inspectie aan de hand van bevolkingspiramides. CBS heeft voor de jaren na de Census 2001 de bevolkingsomvang en samenstelling naar leeftijd en geslacht jaarlijks geschat door de geregistreerde geboortes, ster ftes en migraties uit het bevolkingsregister te muteren op de Census 2001 gegevens. Hiervoor wordt de zo genaamde ‘population balancing equation’ toegepast: De bevolking op elk gewenst tijdstip (P2) is de optelsom van de bevolking op een eerder tijdstip (P1) plus het saldo van geboortes (B) minus sterftes (D) en het saldo van immigratie (I) minus emigratie (E) over de periode tussen beide tijdstippen. De geboorteen sterftedata uit het bevolkingsregister kan als betrouwbaar en volledig worden geacht, maar de migratiedata vertoont hiaten. In de praktijk blij kt dat emigratie niet volledig geregistreerd wordt. Daarom wordt voor de onderregistrati e van emigratie een correctie toegep ast op basis van gegevens van de Vreemdelingendienst. Bij aanname van betrouwbaarheid van geboorte-, sterfteen migratiegegevens inclusief correcties kan een verschil tussen de Statistical Yearbook schatting (SY schatting) en de Census 2011 cijfers duiden op meetfouten in n van beide Censussen. De leeftijdsopbouw van de bevolkin g van Census 2011 is vergeleken met de leeftijdsopbouw van de SY schatting van de bevolking per 1 januari 2011. Er is een discrepantie van 3 maanden tussen de censusdatum en de SY schatting, maar deze periode zal weinig invloed hebben op de vergeleken bevolkingssamenstelling. In figuur 1 worden de bevolkingspiramides vergeleken. Enkele opvallende punten zijn: Er zijn minder 0-9 jarigen in de Census 2011 te n opzichte van de SY schatting, zowel jongens als meisjes. Er zijn minder 25-54 jarigen in de Census 2011 Het betreft hier vooral minder mannen in de categorien van 30 tot 44 jaar. Mannen 55+ zijn oververtegenwoordigd in de Ce nsus 2011 ten opzichte van de SY schatting. Vrouwen 65-69 zijn oververtegenwoordigd in de Census 2011 ten opzichte van de SY schatting. Mannen en vrouwen 85+ zijn iets oververtegenwoordi gd in de Census 2011 ten opzichte van de SY schatting.

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 14 Figuur 2 geeft de verhouding tussen de SY schatting en de Census cijfers per leeftijdsgroep en geslacht weer. Een cijfer boven de 1 betekent dat er in de SY schatti ng meer personen geteld zijn dan in de Census 2011 cijfers voor de betreffende leeftijdsgroep. Een cijfer onder de 1 betekent het tegenovergestelde. Dezelfde opvallende punten als uit de bevolkingspiramides worden in deze figuur benadrukt. Vooral het ‘tekort’ aan jongens en meisjes van 0 tot 10 jaar in de Census en het ‘tekort’ aan pers onen tussen 25 en 45 jaar in de Census, met name mannen in de leeftijd 30 -44 jaar, komen ook hier tot uitdrukking.

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 15 Figur 3 geeft de bevolkingspiramide van Census 2011 weer per 1-jarige leeftijdscategorie. Bij bestudering van dit figuur zijn een aantal merkwaardige piekjes te zien: mannen van 39 jaar, vrouwen van 16 jaar en in mindere mate vrou wen van 50 jaar. Dit kan op ‘age heaping’ of ‘digit preference’ duiden. Dat is de voorkeur om bepaalde leeftijden op te geve n, vooral leeftijden met getallen eindigend op 0 of 5, maar ook andere voorkeurslee ftijden. In dit geval kan bijvoorbeeld de leeftijd 16 jaar de voorkeur hebben omdat deze leeftijd als een belang rijke mijlpaal naar volwassenheid kan worden gezien. Iemand die nog geen 16 jaar is geeft misschien als leeftijd 16 jaar op omdat dit wellicht volwassener overkomt in zijn of haar optiek. Methode 2: leeftijdsen geslachtsratio’s Leeftijdsratio’s geven een indicatie van ‘smoothness’ va n de leeftijdsdistributie. De omvang van een bepaald cohort moet ongeveer gelijk zijn aan het gemiddelde van het cohort zelf plus de direct aangrenzende cohorten, mits er in het verleden geen significante plotselinge veranderingen in vruchtbaarheid, sterfte of migratie hebben plaatsgevonden. De leeftijdsratio4 is gelijk aan deze verhouding maal 100. Bij een normale leeftijdsdistributie zal de leeftijdsratio voor ieder co hort ongeveer 100 zijn en is de leeftijdsdistributie 4 Formule ‘Age ratio’ voor 5-jarige leeftijdscategorien:

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 16 ‘smooth’ te noemen. Afwijkingen daarvan kunnen duiden op censusfo uten of andere factoren zoals plotselinge fluctuaties in vruchtb aarheid, sterfte of migratie. Voor Curaao geldt dat er significante veranderingen in de omvang en samenstelling va n de bevolking hebben plaatsgevonden door grote schommelingen in migratie in relatief korte periodes tussen 1920 en nu5, maar bijvoorbeeld ook door een sterke afname van het geboortecijfer van circa 35 geboortes per 1000 inwoners in 1960 naar circa 25 geboortes per 1000 inwoners in 1966. Tabel 1 geeft een overzicht van de leeftijdsratio’s. De volgende punten vallen hierin op met betrekking tot leeftijdsratio’s: Leeftijdsratio 15-19 is hoog: hoogstwaarschijnlij k veroorzaakt door hoge netto emigratie in het cohort 20-24, maar kan ook veroorzaakt zijn door ondertelling in n van of in beide aangrenzende cohorten. Leeftijdsratio 30-34 is laag, met ook een sterk versch il tussen mannen en vrouwen. In dit cohort en onderliggend cohort 25-29 is sprake van groter e netto immigratie van vrouwen dan van mannen, wat dit sexeverschil verklaart. De lage ratio kan veroorzaakt zijn door een ondertelling in de leeftijdscategorie 30-34, vooral van mannen. Hoge leeftijdsratio’s 45-49 reflecteren de piek-v ruchtbaarheidsniveaus van eind jaren ’50 en de daarop volgende afname van de vruchtbaarheid (het grootste cohort is in Census 2011 evenals in de SY schatting het cohort 45-49 jaar), maar doen ook ondertelling vermoede n in de 40-44 groep. 5 Zie o.a. ‘Demografie Curaao: bevolkingsontwikkeling en vergrijzing’ in Modus jrg.9, nr.1; CBS 2009 en ‘Migratie Curaao 2002-2008’ in Modus jrg.9, nr. 4; CBS 2010. Tabel 1: Census 2011 Leeftijdsen geslachtratio’s naar leeftijd en geslacht Populatie Leeftijdsratio’s naar gesl acht Geslachtsratio’s naar leeftijd man vrouw man vrouw Census SY Totaal 63520 75305 84.4 84.5 0-4 4176 4050 103.1 106.9 5-9 4627 4340 99.8 99.4 106.6 106.1 10-14 5101 4711 101.7 99.1 108.3 103.0 15-19 5326 5208 113.9 113.3 102.3 102.6 20-24 3606 3868 89.1 89.4 93.2 91.8 25-29 3207 3909 96.9 97.5 82.0 81.5 30-34 3120 4249 90.8 95.7 73.4 81.1 35-39 3981 5163 103.4 101.9 77.1 81.4 40-44 4452 5786 98.3 99.0 76.9 80.1 45-49 5152 6579 107.4 106.1 78.3 78.6 50-54 4792 6234 101.6 102.7 76.9 77.6 55-59 4207 5396 98.7 99.8 78.0 73.9 60-64 3783 4595 104.6 100.8 82.3 79.1 65-69 2858 3691 97.9 99.9 77.4 74.5 70-74 2121 2801 97.9 98.4 75.7 69.6 75-79 1519 2048 100.2 99.0 74.2 68.1 80-84 907 1359 66.7 57.8 85+ 585 1318 44.4 40.9

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 17 Naast de leeftijdsratio kan ook de geslachtsratio een indicatie geven van mogelijke afwijkingen in de volledigheid van de volkstelling. De geslachtsratio wordt uitgedrukt in het aantal mannen per 100 vrouwen en kan per cohort bepaald worden. In vrijwel alle popula ties ligt de geslachtsratio bij geboorte boven de 100 ter compensatie van een hoger sterftecijfer voor ma nnen ten opzichte van vrou wen. Wereldwijd ligt de gemiddelde geslachtsratio bij geboorte rond de 107. Deze geslachtsratio neemt geleidelijk af met toenemende leeftijd, omdat vrouwen over het algemeen langer leven (lagere sterftecijfers voor alle leeftijdscategorien). Afwijkingen van dit patroon kunnen veroorzaakt wo rden door fouten in de Census telling, maar ook door de aanwezigheid van andere storende factoren zoals geslachts-selectieve migratie. Uit de gegevens van de Census 2011 van Curaao valt het volgende (tabel 1): Het verwachte patroon van een geleidelijk aflopend e geslachtsratio met toenemende leeftijd gaat niet helemaal op voor Curaao. De oplopende geslachtsratio voor 0-4, 5-9 en 10-14 jaar doet een ondertelling van jongens 0-4 en een ondertelling van meisjes 10-14 vermoeden. Ter vergelijking staan in tabel 1 ook de geslachtsratio’s op basis van de SY schatting. Deze geslachtsratio’s lopen wel vrijwel continu af, met uitzondering van de 55-59 en 60-64 cohorten. Dit zal te maken hebben met het ontstaan van grote werkeloosheid na 1952 en de daaropvolgende emigratiegolf: tu ssen 1955 en 1960 bleef het aantal mannen op Curaao gelijk, maar nam het aanta l vrouwen met tien procent toe. De scherpe daling van de geslachtsr atio van 15-19 naar 20-24 en 25-29 is met name te verklaren door de scheve geslachtsverhouding bij migratie (tu ssen 2001 en 2011) in de twee laatstgenoemde leeftijdscategorien. Deze scheve geslachtsverho uding bij migratie heeft als gevolg dat in de leeftijdscategorien 20-24 en 25-29 het aandeel vrou wen steeds groter wordt wa t duidelijk is terug te zien in de geslachtsratio. De SY schatting laat een gelijk beeld zien waardoor er geen vermoeden uitgesproken kan worden over ondertelling van ma nnen of vrouwen in deze leeftijdscategorien. De lagere geslachtsratio in de leeftijdsgroepen 30-34 tot en met 40-44 in de Census ten opzichte van de SY geslachtsratio kan duiden op een ondertel ling van mannen in deze leeftijdscategorien. Opvallend zijn de hogere geslachtsratio’s in de Ce nsus ten opzichte van de SY geslachtsratio’s in alle leeftijdscategorien boven de 55 jaar. Een verg elijking tussen Census en SY van het totaal aantal personen in deze leeftijdsgroepen toont aan dat het aantal vrouwen geteld in de Census overeenkomt met het aantal geschat voor het SY (met uitzondering van vrouwen 65-69) maar dat het aantal mannen in deze groepen geschat voor het SY te laag is. Daar waar Census aantallen hoger zijn dan SY aantallen kan ervan uit gegaan worden dat de SY schattingen te laag zijn. Methode 3: cohort survival rates en ratio’s Een beproefde methode om onvolledigheid van de vo lkstelling te kunnen meten is een analyse van zogenaamde ‘ cohort survival rates ’. In een hypothetische bevolking die gesloten is voor migratie zullen veranderingen in het aantal personen van een bepaal d cohort tussen twee census sen alleen plaatsvinden door sterfte. Bij afwezigheid van meetfouten in de ce nsus zal de ratio tussen het aantal personen in een bepaald cohort in de tweede census en het aantal pers onen in datzelfde cohort in de eerste census de zogenaamde ‘ cohort survival rate ’ moeten benaderen. Deze survival rate wordt bepaald door de in de populatie heersende sterftecondities. Met andere woorden, van een bepaald cohort zi jn na 10 jaar tijd nog een bepaald aantal personen in leven. Dit aantal wo rdt gedeeld door het aantal personen dat tijdens de eerste census in dat cohort geteld was. De uitkomst van deze deling is de cohort survival rate

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 18 Voorgaande redenatie wil zeggen dat de cohort survival rates vergelijkbaar moeten zijn met de life table cohort survival rates De sterftekansen per cohort die middels een over levingstafel (‘life table’) over de periode 20012011 zijn berekend (met gebruikmaking van sterftec ijfers van het bevolkingsregister) moeten ongeveer overeenkomen met het sterftepatroon dat tussen Cens us 2001 en Census 2011 is gemeten door middel van de cohort survival rates Dit geldt echter alleen als de netto migr atie tussen beide censussen te verwaarlozen is. Dat is voor Curaao niet het geval. Daarom zijn eerst aanpassingen gemaakt aan de omvang van de verschillende cohorten op basis van de netto migratie tussen 2001 en 2011. Voor de cohorten die over deze periode netto immigratie ervaarden is het aantal netto immigranten opgeteld bij de omvang van het cohort in Census 2001. Voor de cohorten die netto emigrati e ervaarden is vice versa het aantal netto emigranten afgetrokken van het aantal personen in het cohort in 2001. Na deze aanpassingen voor migratie kunnen de cohort survival rates berekend worden en vervolgens kunnen deze vergeleken worden met de life table survival rates Figuren 4a en 4b geven de cohort survival rates weer afgezet tegen de life table survival rates voor zowel mannen als vrouwen naar leeftijdscategorie. De cohort en hebben betrekking op Census 2001, bijvoorbeeld het cohort 0-4 jarigen betreft de 0-4 jarigen in de Cens us van 2001. In 2011 zijn zij dus de 10-14 jarigen. De lichtgrijze lijn (vierkant symbool) geeft de verwachte survival rates (life table) bij afwezigheid van migratie weer. De grijze lijn (driehoek symbool) geeft de in de census waargenomen survival rates weer zonder aanpassing voor migratie en de donkergrijze lijn (parallelogram symbool) geeft de waargenomen survival rates weer mt aanpassing voor migratie.

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 19 Duidelijk is te zien dat de effecten van migratie groot zijn voor de cohorten 10-19 jaar en 20-39 jaar voor zowel mannen als vrouwen. Daar waar de grijze lijn onder de lichtgrijze lijn ligt zijn de waargenomen survival rates lager dan de verwachte survival rate s. Met andere woorden, minder personen in de betreffende cohorten hebben de 10-jarige periode tusse n 2001 en 2011 ‘overleefd’ dan verwacht. Deze lage survival rates zijn grotendeels te danken aan netto em igratie in deze cohorten. Daarnaast zal een deel van dit verschil ook verklaard kunnen worden door eventuele ondertelling danwel oververtegenwoordiging van deze cohorten in n van beide censussen. Andersom zal de grijze lijn die boven de lichtgrijze lijn ligt duiden op netto immigratie binnen be treffende cohorten eventueel in combinatie met een meetfout in n van beide censussen. De donkergrijze lijn geeft de cohort survival rate s weer nadat het verstorende effect van migratie geminimaliseerd is zoals eerder beschreven. De aan passing voor migratie zorgt voor een kleinere discrepantie tussen waargenomen en ve rwachte survival rates voor de cohorten. De donkergrijze lijn ‘past’ beter bij de lichtgrijze lijn. Toch blijft er discrepant ie bestaan, wat op meetfouten in de census kan duiden. Voor mannen ligt de donkergrijze lijn voor 10-14, 20-24, 25-29 en 30-34 jarigen op een afstand van meer dan 0,1 onder de lichtgrijze lijn wat wellicht te verklaren is door een een ondertelling van 20-24 jarigen en 30 tot 45 jarigen in de Census van 2011. Hetzelfde geldt voor de cohorten 60+: ook hier is het verschil tussen cohort survival rate en life table survival rate dusdanig groot dat er een vermoeden bestaat van ondertelling in de Census 2011 van mannen va n 70 jaar en ouder. Voor vrouwen zijn de verschillen tussen de donkergrijze lijn en de lichtgrijze lijn kleiner en lijken de waargenomen survival rates redelijk aan te sluiten bij de verwachte survival rates. Voor dezelfde cohorten als voor mannen geldt dat er discrepantie bestaat tu ssen de waargenomen en ve rwachte waarden. Met name het cohort 25-29 valt op omdat het een afstand van 0,1 tussen waargenomen en verwachte waarde heeft. Ook bij de cohorten 60+ (wat wil zeggen respectievelijk vrouwen 35-39 en 70+) is de afstand aanzienlijk.

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 20 Omdat voor zowel mannen als vrouwen van 70 jaar en ouder (cohorten 60+) de met leeftijd toenemende discrepantie tussen waargenomen en verwachte waar den bijzonder opvalt moet zorgvuldig worden nagegaan of ondertelling in de Census 2011 daar de oorzaak van kan zijn. Naast de mogelijkheid van ondertelling is ook de mate van be trouwbaarheid van de overlevingstaf els een factor die onzekerheid met zich mee kan brengen. Overlevingstafels voor kleine populaties, zoals de Curaaose bevolking, brengen altijd een mate van onzekerheid in de nauwkeurighe id van sterftekansen en levensverwachting met zich mee. Om vast te stellen in hoeverre dit ee n rol speelt is gedetaillerd onderzoek nodig. Concluderend Uit de verschillende methodes ter evaluatie van de voll edigheid van de volkstelling in 2011 zijn enkele opvallende observaties naar voren gekomen. Er mo et echter wel rekening worden gehouden met de beperkingen van de gehanteerde demografische meth odes. Met name de fluctuerende internationale migratiestromen hebben een grote invloed op de bevolk ingsgroei en –samenstelling en maken daarom de analyses soms lastig. Ook de kwaliteit van de gebrui kte databronnen is variabel en draagt bij aan de onzekerheid van de analyses. Desalniettemin hebben de drie verschillende methodes gecombineerd enkele opvallende resultaten opgeleverd di e sterke, maar ook minder sterke, aanwijzingen van meetfouten in de Census 2011 naar voren hebben gebracht: 1. Er heeft waarschijnlijk een ondert elling van 0-9 jarigen, met name jongens 0-4 jaar, plaatsgevonden. Dit is te zien bij vergelijking van de bevolkingspyramides, maar ook door analyse van de geslachtsratio’s. 2. Naar waarschijnlijkheid heeft er een lichte ondert elling van meisjes 10-14 plaatsgevonden. Dit is in figuur 2 te zien, maar blijkt vooral uit de geslachtsratio. 3. De leeftijdsgroep 15-19 lijkt goed bereikt te zijn in de Census op basis van de drie gebruikte methoden in dit onderzoek. 4. Op basis van de cohort survival rates lijkt de groep 20-24 (vooral mannen) ondervertegenwoordigd te zijn in de Census. Ook middels de andere methoden is dit waar te nemen, maar de hoge netto emigratie van deze groep verstoort het beeld. 5. Uit vrijwel alle methoden lijkt een ondertelling voor de leeftijdsgroepen 25-44 jaar te hebben plaatsgevonden. Met name mannen tussen de 30 en 45 jaar lijke n ondervertegenwoordigd te zijn in de Census (zie de lage geslachtsratio’s). 6. Voor zowel mannen als vrouwen in de leeftijd 45-54 jaar lijkt bij visuele inspectie van de bevolkingspyramides een kleine ondertelling te hebben plaatsgevonden welke ook uit de cohort survival methode blijkt. 7. Boven de 55 jaar komt het aantal in de Census getelde vrouwen goed overeen met de SY schatting met uitzondering van vrouwen 65-69 jaar. Echter, de cohort survival rates in verhouding tot de life table survival rates doen anders vermoeden voor de 70 plussers. Mogelijk heeft een ondertelling van deze groep plaatsgevonden, maar dat blijkt niet uit methode 1 of methode 2. Anderzijds kan ook de mate van (on)betrouwbaa rheid van de overlevingstafel, welke te maken heeft met de geringe bevolkingsomvang van Curaao, een rol spelen. 8. Mannen boven de 55 jaar zijn oververtegenwoordi gd in de Census in vergelijking met de SY schatting. Toch doen ook in dit geval de cohort surviv al rates in verhouding tot de life table survival rates een ondertelling vermoeden bij mannen van 70 jaar en ouder. Dezelfde verklaring als bij het voorgaande punt kan hier aangenomen worden. Duidelijk is dat de resultaten uit dit onderzoek indicatief van aard zijn en niet met zekerheid bepaalde meetfouten aantonen. Toch zijn er aanmerkelijke aanwijzingen richting meetfouten in de Census 2011. De conclusies uit dit onderzoek zijn meegenomen in het proces om tot het uiteindelijke Censusresultaat te komen. Mogelijke ondertelling van bepaalde leeftijdsgroep en naar geslacht is zo goed mogelijk gecorrigeerd op basis van de analyse in dit onderzoek.

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 21 “Restorative Justice”: een traditionele aanpak met een nieuwe naam Ellen Maduro Inleiding Het verschijnsel criminaliteit b lijft de samenleving zorgen baren. Niet alleen op Curaao, maar ook elders in de wereld. Zoals andere maatschappelijk e verschijnselen is hier ook ontwi kkeling in te zien. De criminele praktijken en strategien veranderen met de tijd. Overheden, maatschappelijke in stanties en de samenlevin g debatteren over mogelijke instrumenten om de criminaliteit te bestrijden. Criminaliteit wordt door Ed Leuw (1 994) omschreven als "het conflict tussen de normstellende samenleving en het normovertredende individu". Dit conflict resulteert uiteinde lijk in een botsing tussen het normovertredende individu dat verklaringen en rechtvaardiging zoekt voor zijn ge drag en het justitile apparaat dat als taak heeft de rechtvaardigheid van de norm te bevestigen en de sanctieopl egging te verantwoorden. De afloop van dit botsingsproces wordt bepaald door de mate waarin de schuld wordt toegeschreven aan het normovertredende individu. Voor wat de schuldtoeschrijv ing betreft is er een verschil in verant woordelijkheid en benadering tussen het strafrechterlijke systeem en de criminologie. De criminologie kan het zich permitteren om de kwestie "schuld toeschrijven aan" vanui t verschillende theoretische uitgangspunten te bekijken. Binnen het strafrechterlijke syst eem is hier veel minder ruimte voor. Het strafrechterlijke systeem neigt praktisch gezien in de richting van schu ldtoeschrijving aan de delinquenten en niet zo zeer aan de sociaaleconomische omstandigheden, etc. zoals in de criminologie wel het geval is. Binnen de criminologie zijn er drie theoretische stromi ngen betreffende schuldtoeschrijving en oplossing van de problematiek: de rechtsmoralistische visie, de links-radical e visie en het pluralistische sociaalliberale compromis. De rechtsmoralistische visie gaat er van uit dat de delinquen t de boosdoener is. Hij is slecht en veroorzaakt door zijn slechtheid problemen. De oplossing voor het probleem is dan ook de uitbouw van repressie. Volgens de linksradicalen zijn de delinquenten het slachtoff er van de ongelijke machtsverhoudingen in de maatschappij. Er is sprake van klassenjustitie. De oplossing is oppositionele actie. Het pluralistisch sociaalliberale compromis tracht de radica liteit van bovengenoemde stromi ngen te relativeren. Dat de sociaaleconomische ongelijkheid ingredinten bevat die kunnen le iden naar criminaliteit, sluit niet uit dat de delinquent ook verantwoordelijk is voor zijn of haar daden. De complexiteit van de crim inaliteitsproblematiek maakt dat geen keuze kan worden gemaakt voor een bepaalde determinant. Hier wordt gedacht aan hervorming als antwoord op de problematiek. Zo’n tientallen jaren geleden is men zich met name in ge ndustrialiseerde landen gaan realiseren dat een alternatieve aanpak noodzakelijk is. De zogeheten “Restorative Justice” (Herstelrecht) deed haar intrede. In dit artikel wordt ingegaan op de oorsprong en betekenis van “Restorative Justice”. Tevens wordt kort ingegaan op de achtergrond van de toepassing van “Restorative Justice” werel dwijd. De bedoeling van dit artikel is om bekendheid te geven aan deze alternatieve vorm van criminaliteitsbestrijding en rechtspleging.

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 22 Wat is “Restorative Justice”? In de loop der jaren is men “Restorative Justice” op verschillende manieren gaan definiren. Analisten en theoretici hebben telkens hun eigen betekenis gegeven aan dit concept. Op basis va n opgedane ervaring zijn de voorstanders van “Restorative Justice” deze aanpak meer en meer gaan begrijpen en zijn ze beter in staat om de filosofie erachter te definiren. “Restorative Ju stice” is namelijk geen speciaal programma, het is een manier van denken gebaseerd op be paalde normen en waarden welke de richtlijnen vormen voor een gemeenschap en het rechtssysteem op basis waarva n men vorm zal moeten geven aan de aanpak van criminaliteit (Gilman, E. 2004). “Restorative Justice” is een probleemoplossende aanpak van de criminaliteit waarbij alle partijen betrokken worden; het directe slachtoffer, de dader en de gemeenschap. Het traditionele rechtssysteem houdt zich bezig met de volgende punten: welke wet is overtreden, wie heeft de wet overtreden en wat voor straf verdient de overtr eder. “Restorative Justice” richt zich op het volgende: wat is de aangerichte schade en aan wie, wat moet gebeuren om de schade te herstellen, wie is verantwoordelijk voor het herstel (Professor Jones, A. PhD, 2007). Uitgangspunten van “Restorative Justice”: Criminaliteit brengt schade voor individuele pe rsonen en de gemeenschap. Bij een deugdelijke aanpak van de criminaliteit moet de aandacht gericht zijn op deze partijen. Degene die onder criminaliteit hebben geleden moeten een prominente en actieve rol hebben bij de bepaling van behoeften (van slachtoffers en ge meenschap) die vervuld moeten worden, evenals inspraak in hoe de zaak op te lossen. Hoewel de gemeenschap zich over de zaak buigt, staan de noden van het slachtoffer centraal. Bestraffing van de dader is n zaak, maar belang rijker is het wanneer de dader verantwoordelijk wordt gesteld voor zijn daden. Tegemoetkoming aan slachtoffer en de gemeenschap is een verplichting. Actieve betrokkenheid van de samenleving is zeer belangrijk teneinde een veilige en creatieve samenleving te bewerkstelligen. “Restorative Justice” is toekomstgericht. Wat wil de gemeenschap aan resultaat bereiken wanneer binnen de gemeenschap schade wordt aangericht? Welke stappen leiden naar de gewenste resultaten? Wanneer men weet wat men wil, dan kan men het proces ook makkelijk evalueren. Voor de betrokken partijen moeten de resultaten gericht zijn op het volgende: Het slachtoffer: het slachtoffer moet genformeerd en gehoord worden. het slachtoffer moet een bijdrage kunnen bieden in de oplossing van het delict. de schade aangericht aan het slachtoffer moet op een degelijke manier worden aangepakt. betekenisvolle ondersteuning ten behoeve van het helingsproces en goede afronding van de zaak.

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 23 De gemeenschap creren van een veilige en gezonde samenleving een goede afstemming van de gemeenschap met het rechtssysteem wat moet leiden tot integratie van slachtoffer en dader als positief bijdragende leden in de gemeenschap. De dader de dader moet verantwoordelijk worden gesteld. een actieve rol van de dader in het genezingstraject integratie van de dader in de gemeenschap als positieve en productieve burger. Zo’n brede aanpak is een rele uitdaging voor het crim ineel justitieel systeem. Om succes te bereiken is een herziening van de werkwijze en reallocatie van middelen vereist. Eric Gilman (2004) zegt het heel simpel; “At his heart “Restorative Justice” is about encounter If we are working restorativel y in our communities, individuals are encountered and humanized”. De samenkomst kan resulteren in de volgende acties: het aanbieden van verontschuldigin gen (schriftelijk of mondeling) restitutie: betaling door de dader aan het slachtoffer ter compensati e van geldverlies als gevolg van het misdrijf. Verandering in gedrag; bijvoorbeeld een begele idingscursus volgen (uiteindelijk moet de gedragsverandering ertoe leiden dat de dader geen delict meer pleegt). Gulheid: de dader doet werkzaamheden die niets me t het delict of het slachtoffer te maken hebben, als teken van een oprechte vero ntschuldiging (bijvoorbeeld door het slachtoffer aangegeven werkzaamheden ten behoeve van de gemeenschap). Werkzaamheden verrichten voor het slachtoffer. (Marshall 1999 en Centre for Justice & Reconciliation 2008). De oorsprong van “Restorative Justice” Hertstelrechtpraktijken komen in vele culturen voor en worden al vele millennia toegepast om conflicten op te lossen. “Restorative Justice” gaat terug naar de rechtstradities van de oude Arabische, Griekse en Romeinse beschavingen die zelfs in geval van moord deze aanpak van herstel toepasten. De herstelaanpak is ook bekend bij vroegere Germaanse, Indiase, Budh istische, Taostische en Confuciaanse tradities (Braithwaith, J. 2002). In de genezingstradities van de Aboriginals worden “Res torative Justice” praktijken gemplementeerd. In de geloofstradities van sommige gemeenschappen wordt al s reactie op geweld niet-wraakzuchtige methoden toegepast welke gelijkenissen vertonen met “Restorative Justice”.6 Volgens deze tradities is conflict een mogelijkheid voor een gemeenschap om te leren en te gr oeien. Het uitgangspunt hi erbij is dat conflict, ook crimineel conflict, schade brengt en dat individuen hun verantwoordelijkheid hier voor moeten nemen en de schade moeten herstellen. Gemeenschappen worden in staat gesteld hun eigen aanpak te kiezen voor het oplossen van een conflict. Slachtoffers, daders en de gemeenschap participeren actief in het zoeken naar oplossingen die voor alle partijen geschikt zijn en het daadwerkelijk uitvoeren van deze oplossingen. 6 Bron: http://www.sfu.ca/crj/popular.html : Introduction to “Restorative Justice”.

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 24 Conflicten worden zodanig aangepakt dat de harm onie onder de leden van een gemeenschap wordt hersteld, zodat mensen met elkaar kunnen blijven samenleven in een veiligere en gezondere omgeving. Sociale, theologische en filosofische theorien hebb en een hedendaagse ““Restorative Justice”" beweging doen ontstaan. In zijn nieuwe vorm wordt “Restorati ve Justice” al meer dan dertig jaar bedreven in moderne samenlevingen (Centre for Justice & Reconciliation, 2008). Hoewel moderne herstellingspraktijken de waarden en principes van de rech tsplegingprocessen van de Aboriginals probeert te herbergen, is “Restorative Just ice” geen synoniem voor Aboriginal rechtspleging. Naast zekere overlappingen en gelijkenissen, zijn er verschillen. Naast allesomvattende vrede en rechtspleging is het fundamentele recht op zelfbesc hikking een belangrijk el ement binnen processen die plaatsvinden bij de Aboriginals. Het laatst genoemde element geeft de leden van de gemeenschap het recht om te bepalen hoe hun collectieve rechtspraktijken uiteindelijk ingevuld moeten worden. De structur ele uitstippeling van verant woordelijkheden vormt een groot verschil met de moderne restoratieve aanpak.7 In Canada biedt het rechtsysteem de mogelijkheid om tradities en praktijken van de Aboriginals toe te passen. Dit gebeurt echter binnen de perken van het crimineel justitieel systeem. De veroordeling van de dader geschiedt binnen het kader van de Canadese “Criminal Code”. Rechters behouden de macht over de uit te spreken vonnissen, maar accepteren vaak aanbevelingen van de leden van de gemeenschap. Suggesties van de gemeensc hap zijn vaak te herkenne n in de inhoud van de voorwaardelijke straffen (herstel en counseling, ve rzoening, restitutie, vergoe ding). Hoewel binnen het Westerse rechtsysteem invloeden te zien zijn van justitile praktijken van de Aboriginals (zoals sentencing circles8), laat het systeem ontwikkeling zien in het aspe ct van conceptualisering van ideen die voorvloeien uit Aboriginal justice. (Spiteri, 2001). Criminaliteit en het proces van berechting zijn afgezi en van variatie in de toepassing van zware straffen (doodstraf en levenslang) vrij standaard. Dat men zowel in westerse als niet-westerse landen is gaan denken aan een alternatieve vorm van rechtspleging heeft te maken met het feit dat he t proces van bestraffing subjectief van aard is. De interpretaties en verwerking worden bepaald door verschillende factoren, inclusief de persoonlijke beschouwing van de rechter die welisw aar de wetten volgt en interpreteert. De publieke opinie over de geschiktheid van de straf wordt verder niet meegenomen in het proces. Bovendien heeft men te maken met veranderende waarden ten aanzien van de effectiviteit van toegediend e straffen (bijvoorbeeld: lost men de jeugdcriminaliteit op indien men over grote, moderne gevangenissen beschikt of de leider van een drugbende oppakt?). Wereldwijd is de ervaring dat conventionele methoden van rechtspleging niet even effectief zijn als traditionele methoden. In zijn verhandeling over het Caribische gebied zegt I nniss, A. (2009) dat berechtingen en bestaande vormen van handhaving van recht en orde te kort schieten, terwijl tegelijkertijd de problemen in de samenleving toenemen met als gevolg daarvan toename van de crim inaliteit. Er is sprake van een vicieuze cirkel. “Restorative Justice” biedt perspectief in het terugd raaien van deze factoren en het corrigeren van de basisoorzaken. 7 Bron: http://www.sfu.ca/crj/popular.html.: Aboriginal Roots/ Aboriginal Justice 8 Slachtoffer, dader en gemeenschap komen bijeen, samen met rechters, advocaten, politie en dergelijke die de rechter adviseren in het type vonnis dat de dader zou moeten krijgen. Het slachtoffer en de gemeenschap participeren ook in het proces om te komen tot een vonnis.

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 25 Voordelen en beperkingen Verschillende auteurs hebben de voordelen en beperkingen van “Restorative Justice” uiteengezet (Arlne Gaudreault (2005), Marshall (1999), The Canadian Re source Centre for Victims of Crime (maart 2011). Voordelen Er is veel aandacht voor de behoeften van het slac htoffer. De bemiddeling en confrontatie geven het slachtoffer een bevredigend gevoel. Vo lgens Gaudreault (2005) vinden slac htoffer en dader dat ze de kans krijgen om beter met hun problemen om te gaan en to t meer constructieve oplossingen te komen. Bovendien leert de samenleving slachtoffers en daders anders te zien dan stereotypen. Daders worden genspireerd om te resocialiseren en krijgen het gevoel weer geacceptee rd te worden door de samenleving, Marshall (1999). Beperkingen Marshall (1999) gaat in op een aantal beperkingen van deze aanpak. Het realiseren van deze aanpak vereist de medewerking van alle partijen. Deze medewerkin g kan niet worden afgedwongen. Als n van de partijen niet bereid is mee te werken dan vormt dit al een beperking. Als geen van de partijen interesse vertoont, dan is er geen ruimte voor “Restorative Ju stice”. Het is dus geen kwestie van vervanging van de formele rechtspleging door “Restorative Justice”. Form ele rechtspleging is er voor de situaties die de toepassing van “Restorative Justice” niet toelaten, in het geval partijen niet willen meewerken of men middels “Restorative Justice” ni et tot een gelijk kan komen. “Restorative Justice” is afhankelijk van de beschikbaarheid van middelen en vaardigheden. Participatie van de samenleving in het proces van “Restorative Justice” vereist meer scholing en training. Een andere beperking heeft te make n met sociaal onrecht en ongelijkheid in en tussen samenlevingen. In samenlevingen waarin dit zich afspeelt bekommert men zich minder om elkaar en is er weinig ondersteuning. Om de gemeenschap bij het “Restorative Justice” te kunnen betrekken, moet wel sprake zijn van gemeenschapszin. Het welslagen van “Restorative Justice” vereist een beleid gericht op onderwijs, huisvesting, sociale ontwikkeling, het hebben van een b aan of de mogelijkheid om een baan te krijgen, gezondheidszorg, etc. Studies in Europa en Noord Amerika hebben uitgewezen dat daar waar “Restorative Justice” niet goed ontwikkeld is de bemiddeling slechts in enkele zaken geschiedt en dan gaat het met name om vermogensdelicten gepleegd door jonge niet recidive daders.9 Het idee heerst dat deze programma’s worden toegepast in gebieden die niet onder de jurisdictie van de rechtbanken vallen en waar formele rechtszaken meestal niet goed uitkomen voor alle benadeelde groepen. De bemiddelingsprogramma’s worden vaak gebruikt om formele rechtprocessen te vermijden, om overbelasting van het justitieel systeem tegen te gaan Bovendien is het een manier om doodlopende zaken op te lossen. “Restorative Justice” is niet geschikt voor alle soor ten delicten. Slachtoffers van met name geweldmisdrijven zien schuldbekenning en vergiffenis niet als geschi kte oplossing of een mogelij kheid voor schadeherstel. (The Canadian Resource Centre for Victims of Crime, maart 2011). 9 Gaudreault (2005) baseert zich op de volgende studies: Walgrave, 1993; Dignan and Cadavino, 1996; Fattah, 1998; Weitekamp, 1999; Miers, 2001.

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 26 “Restorative Justice” overal ter wereld10 Afrika In Afrika wordt “Restorative Justice” toegepast in on der andere Gambia, Ghana, Malawi, Namibi, Nigeria, Rwanda, Zuid Afrika, Uganda, Zimbabwe. Inheemse trad ities betreffende rechtspleging zijn gericht op het herstel van de schade toegebracht aan de gemeenscha p. In Afrikaanse landen tracht men de inheemse rechtspraktijken nieuw leven in te blazen, als aanvulli ng op en in sommige gevallen ter vervanging van het westerse rechtssysteem. “Restorative Justice” is bove ndien een strategie om middels gemeenschapsdiensten de overbevolking in gevangenissen aan te pakken en nationale verzoening te bereiken na massamoord, burgeroorlogen en door de staat toegestaan geweld (bijvoorbeeld bij internationale interventies). Azi In Azi heeft men vooral aandacht voor de jongeren, het reguleren van de traditionele rechtspleging en het terugbrengen van vrede en verzoening in verdeelde gemeenschappen. Delicten gepleegd door jongeren worden via het instrument van confer enties afgehandeld, in plaats va n via conventionele rechtzaken. De oude rechtspleginginstrumenten hebben veel gelijkenis met “Restorative Justice”, vandaar dat men probeert te komen tot een integratie van beide systemen. De toepassing hiervan heeft genezing ten doel binnen gemeenschappen waar geen vrede heerst. De landen waar men herstel rechtspleging aanwendt zijn o.a. Hong Kong, Indonesi, Japan, Maleisi, Filippijnen, Singapore, Taiwan, Thailand. Europa In Europa is de toepassing van “Restorative Justic e” voor een belangrijk deel gepromoveerd door de Europese gemeenschap. De methode wordt gebruikt in alle aspecten van het crimineel justitieel systeem. Zowel de overheid als burgerorganisaties participeren in het proces. In de Europese landen is er ook veel aandacht voor jongere criminelen en hervorming van het jeugdrechtssysteem. In scholen wordt steeds vaker gebruik gemaakt van herstellingsinstrumenten in disciplinaire processen. In het kader van de hervorming van het rechtssysteem worden in de Oost-Europese land en elementen van “Restorative Justice” gentegreerd binnen het rechtssysteem. Terwille van de integritei t en kwaliteit ontwikkelen overheden en sociale organisaties richtlijnen ten behoev e van het gebruik van “R estorative Justice”. Europese landen waar “Restorative Justice” wordt toegepast zijn o.a. Armeni, Oostenrijk, Belgi, Bulgarije, Tsjechische Republiek, Denemarken, Groot Brittanni, Finland, Duitsland, Hongarije, IJsland, Ierland, Rusland, Itali, Luxemburg, Spanje, Zweden. Latijns AmerikaIn Latijns-amerikaanse landen heeft Restorative Justice zijn intrede gedaan bij de hervorming van het rechtssysteem. “R estorative Justice” wordt gezien als een middel om het vertrouwen van de burger te bevorderen, nationale verzoening teweeg te brengen en een cultuur van vrede te ontwikkelen. “Restorative Justice” biedt tevens ee n oplossing voor de overbevolkte rechtbanken en gevangenissen. Het toenemende geweld en de corruptie binnen het justitile systeem hebben burgerorganisaties ertoe gebracht herstellingsprogramma ’s te introduceren. Er bestaat literatuur over het gebruik van “Restorative Justice” in Argentini, Brazi li, Chili, Colombia, Guatemala, Mexico, Nicaragua, Panama en Peru. 10 Bron: Jones, A. PhD, 2007 en http://www.restorativejustice.org/ university-classroom/02world/

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 27 Midden Oosten In het Midden Oosten zijn de pogingen erop gerich t de traditionele wijzen van conflicthantering te herstellen en te hanteren, alsmede het welzijn van het kind en het jeugdrechtssyst eem te hervormen. Landen in het Midden Oosten waar men herstellingsprakti jken toepast zijn o.a. Israel en Libanon. Noord Amerika en het Caribische gebied Inheemse rechtspleging vormt de basis voor “R estorative Justice” in deze regio. Een bepalende factor is de ontevredenheid met het moderne rech tssysteem en de noodzaak om de slachtoffers tegemoet te komen in hun behoeften. Verschille nde overheden hebben wetten ontworpen die de toepassing van “Restorative Justice” praktijken mogelijk maken. “Restorative Justice” wordt toegepast in gevangenissen, scho len en in jeugdwelzijnsaangele genheden. De herstellingsaanpak wordt gebruikt om de zelfredzaamheid van gezinnen en families te bevorderen en hun sociale netwerken te versterken ten behoeve van de veili gheid van en de zorg voor hun kinderen. Ook biedt deze aanpak een alternatief voor de formele justit ile processen die een stigmatiserend effect hebben op jonge criminelen. Inheemse groepen hebben tradit ionele instrumenten nieuw leve n ingeblazen en aangepast voor gebruik in rechtszaken, teneinde aangerichte schade te herstelle n en vrede te bewerkstelligen. Sociale organisaties hebben een belangrijke rol ge had in de ontwikkeling van “Restorative Justice” praktijken in verschillende delen van de regio. Herstellingsprogramma’s in gevangenissen dienen ertoe de gedetineerden begrip bij te brengen va n het effect van criminaliteit op slachtoffers en gemeenschap en bieden de slachtoffers de mogelij kheid om in contact te komen met de dader en zodoende aan hun eigen herstel te kunnen werken. De programma’s worden tevens gebruikt om de gedetineerden te resocialiseren en hun herinteg ratie in hun familie en de maatschappij te versoepelen. “Restorative Justice” komt voor in Canada, Jamaica, Trinidad en Tobago, Verenigde Staten, Guyana. Stille Zuidzee In de Stille Zuidzee, wordt “Restorative Justice” gemplementeerd als een vorm van criminaliteitsbestrijding, het bevorderen van discipline op de scholen en andere conflicten op te lossen. De bezorgdheid van groepen zoals de Maori over het opslui ten van jonge criminelen, heeft hiertoe bijgedragen. Het hierbij gebruikte instrument van confereren gaat terug naar de Maori tradities. Op scholen wordt “Restorative Justice” aangewend als alternaties op be staande sanctiemaatregelen. De landen die Restoratiev Justice toepassen zijn o.a.: Australi, Fiji, Guam, Nieuw Zeeland, Palau, Papua Nieuw Guinea, Tonga.11 11 Bron: Jones (2007) en http://www.restorativejustice.org/ university-classroom/02world/

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 28 Samenvattend “Restorative Justice” is een aanpak van de criminalitei t waarbij alle partijen betrokken worden; het directe slachtoffer, de dader en de gemeenschap. Slacht offer, gemeenschap en dader worden met elkaar geconfronteerd, met het doel het slachtoffer de kans te geven de dader te benaderen. Het uiteindelijk doel is om het genezingsproces voor de slachtoffer te vergema kkelijken en de dader de mogelijkheid te bieden om de door hem aangerichte schade te herstellen en zich te integreren in de gemeenschap als een positieve en productieve burger. “Restorative Justice” is geen vervanging voor de conventionele vormen van cr iminaliteitsbestrijding en rechtspleging. Het is meer een aanvullende aanpak. Bovendien blijkt deze aanpak niet altijd geschikt, vooral niet in geval van geweldsmisdrijven. In verschillende delen van de wereld worden “Restora tive Justice” strategien toegepast. Het in het oog springend voordeel is dat het slachtoffer in grote ma te tegemoet wordt gekomen. Naast voordelen zijn er ook nadelen. Als er geen cohesie is binnen de gemeenscha p of als partijen niet bereid zijn om te participeren, dan is de ruimte voor “Restorative Justice” vrijwel nihil. Het gebruik van deze methodiek vereist een zeker niveau van welzijn (onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid, etc.) en welvaart (financile middelen). Het is in ieder geval de moeite waard om deze aa npak verder te bestuderen. Wellicht kunnen bepaalde onderdelen ervan als alternatief aangewend worden om in bepaalde gevallen tot een constructieve oplossing te komen en na een conflict op een vreedzame wijze herstel teweeg te brengen.

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 29Geraadpleegde literatuur Braithwaith, J. (2002). Gaudreault, A. (2005). The limit of “Restorative Justice”, Paris: dition Dalloz. Gilman, E. (2004). What is “Restorative Just ice”: http://www.sfu.ca/crj/fulltext/gilman.pdf. Harriot (2002). Crime Trends in the Caribbean and Responses. Forum on Crime and Society Vol 1&32 Dec 2003 and Layton McKenzie, D (2003). ‘Sentencing and corrections in the 21st century. Inniss, A. LLb,LLM (2009). A farfetched idea for th e Caribbean? In: Caribbean NetNews/ Tuesday, October 27, 2009. Jones, A. PhD, Professor (2007). “Restorative Justice” in Caribbean Contexts. Leuw, Ed (1994). Schuldtoeschrijving, criminologie en strafrechterlijk beleid. In: Onderzoek en beleid 132 (WODC). Spiteri, M.:Sentencing Circles for Aboriginal Offenders in Canada: Furthering the idea of Aboriginal Justice within a Western justice framew ork, 2001 Ontario, Canada. Van Ness, D. (1986), pp. 64-68. In John Braithwaith (2002), “Restorative Justice” and re sponsive regulation p. 3. Centre for Justice & Reconciliation (2008). In “Restorative Justice” Briefing Paper – 3. The Canadian Resource Centre for Victims of Crime (march, 2011) http://www.sfu.ca/crj/popular.html.: Ab original Roots/ Aboriginal Justice (http://www.sfu.ca/crj/popular.html: Intr oduction to “Restorative Justice”) Values and Evaluation: Assessing Processes and Outc omes of “Restorative Ju stice” Programs Crime & Delinquency January 2002 48: 162-188: http://cad.sagepub.com/content/48/1/162.abstract http://www.restorativejustice.org /university-clas sroom/02world/