Citation
Modus Jaargang 10 Nummer 4

Material Information

Title:
Modus Jaargang 10 Nummer 4
Publication Date:

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redaction eel........................................................ iii 1. A view in the utility industry its influences and dependa nts...............................................1 2. Developments within the economic status groups in the population between 2001 and 2011..................................................6 3. Resultaten conjuntuurenqute Curaao 1 e halfjaar 2012.............................................. 13 4. Curaao, External Transactions Developments in 2008 .................................. 19 5. “Restoractive Justice”: praktijk en eval uatie..................................... 25 6. Nieuwe classificatiecode voor bedrijfsactiviteiten (ISIC rev. 4)..................... 30 Nummer 4 i

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 10 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Voor u ligt weer een nieuwe editie van MODUS, het statistische magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao. Zoals wellicht bij u bekent, tracht het CBS middels deze publicatie wetenschappelijke artikelen te presenteren die meer diepgang bieden ten aanzien van verschillende beleidsterreinen en de hieruit voortvloeiende onderwerpen. Deze editie begint met een artikel over de resultaten van de Conjunctuurenquete die door het CBS in juni 2012 is gehouden. Doel van deze Conjunctuurenquete is om op reguliere basis actuele informatie te verschaffen over bedrijfsmatige en economische. In de vorige editie van Modus is er een algemene beschouwing gepresenteerd over “Restorative Justice (RJ)”, een probleem oplossend aanpak van de criminaliteit waarbij alle partijen worden betrokken. In dit nummer wordt verder ingegaan op de voorwaarden voor toepassing van Restorative Justice, voorbeelden van de RJ-aanpak en enkele resultaten van evaluatie van RJ-programma’s. Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over ontwikkelingen in de economie is het noodzakelijk om de verschillenden soorten bedrijven en activiteiten te ordenen. Deze moeten op een systematische en logische manier geordend worden met behulp van een zo homogeen en uitgebreid mogelijk systeem. Dit systeem is het zogeheten International Standard Industrial Classification of all Economic Activities (ISIC). Bij het CBS wordt dit ook gehanteerd. In dit nummer wordt het nieuwe ISIC beschreven. Het utiliteitsbedrijf speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van Curaao. In dit nummer wordt daarom ook ingegaan op de productie ontwikkeling, de prijzen en inflatie van het water en elektriciteit bedrijf op Curaao. Er wordt in deze editie ook een korte beschrijving gegeven van de ontwikkeling van de externe transactie van de rest van de wereld (ROW) voor Curaao over het jaar 2008. De ROW rekening verwijst naar een verscheidenheid van transacties die plaatsvinden tussen de totale economie van een land en de rest van de wereld volgens definities en concepten van System of National Accounts (SNA). Als laatste kunt u een analyse lezen over de veranderingen die hebben plaatsgevonden over de drie economische status groepen van de bevolking van 15 jaar en ouder op de arbeidsmarkt. Deze statusgroepen zijn de werkende bevolking, de werkloze bevolking en de economisch niet actieve bevolking. De analyse wordt uitgevoerd over een periode van 11 jaar, van 2001 tot 2011. Drs. Sean de Boer Directeur CBS Colofon Oplage : 300 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 info@cbs.cw www.cbs.cw Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Ostrid Girigori Drukwerk Interpress NV Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2013 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Nummer 3 iii

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine iv Jaargang 10

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 1 A view in the utility industry its influences and dependants Glenda Varlack Introduction The utility industry plays an important role in CuraaoÂ’s development as a country. Water and electricity are vital for human sustenance, health and dignity and in addition to economic opportunity. Affordable and reliable energy is essential for household productivity and the development of most industries, from agriculture to horeca to finance to health care to communications. While the utility industry, in a broad context, can include engineering, infrastructure, natural gas distribution, and even telecommunications, this reports focal point is on water and electricity in Curaao. Within the water and electricity sectors, the report focuses on production development, price and inflation of the past seven years. And in turn observe if it has an influence on the local economy. In this article figures will be given that show that water and electricity plays a central role in our development. In 2011 our population consisted of 145,406 persons who depended on this valuable liquid and energy. The local utility company It is important to note that the utility company in Curaao is a publicly owned company. A utility company is a company that, often from a monopolistic position, operates in a sector which is considered to be of public use due to its importance in providing products or services that are in the general interest. The common shares of the local company are concentrated in a holding and are fully owned by the government of Curaao. Curacao's utility company is responsible for the production and distribution of power and water as well as the delivery of accompanying services. It is depended on world oil for local production. It services approximately 69,000 households and companies through 130,000 electric and water meters. Production The production unit is responsible for the production of drinking water and electric energy. Drinking water is produced by seawater desalination processes of evaporation or reverse osmosis and is produced by plants located at Mundu Nobo. Electric energy is produced by steam and gas turbines at Mundo Nobo, diesel units at Dokweg and ISLA, and also a small portion of energy is produced via wind mills located at Tera Kora and Playa Kanoa. The produced water and electricity is supplied to the Distribution section, which in turn supplies the customers. Distribution The distribution unit is in charge of that all households and companies in Curaao are supplied with water and electricity. The unit is also responsible for the setup and maintenance of an effective Water and Electrical distribution grid with a guaranteed reliability rate, meeting international standards. The Electrical, Water, Engineering, Procurement and Business Improvement Engineering departments each contribute to meet this responsibility1 1 For an extensive description of the production plants please review the Aqualectra Production & Distribution document on their website.

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 2 Utility industry in economic development The utility industryÂ’s core is along with their profit-making business activities and the multiplier effects they create aims to provide safe, affordable water, sanitation and electricity. It is the most valuable product to enable human and economic development. Having water, sanitation and electricity enables an individualÂ’s talent and capabilities in the education process. Lack of these basic necessities contributes to school vacancies, poor health, and underperformance on cognitive tests. These dynamics constrain economic choices and greatly contribute to adult poverty (UNDP 2006, p.6). Economic development benefits for water and energy productivity can come from improved health and education and, more use technological developments. Production developments in the utility industry 2005-2011 Electricity The new world demands high energy capacity due to technological advances. The selection of electricity production modes and their economic viability varies in accordance with demand and region. The production of electricity in 2005 was 848,561 kWh; in 2011 this was about 902,239 kWh. This means a growth of about 6.3 percent over seven years. When observing (table 1 the production of electricity per quarter, there is no trend. The data fluctuates and varies from quarter to quarter and year to year. It all depends on the demand. In 2006 the production of electricity was negative for three consecutive quarters (see table 1). In 2007 and 2009 we see a positive development through out the whole year. In 2011 it is observed that in the first two quarters there is a lag in production of respectively 2.9 and 0.5 percent, while in the last two quarters it has grown to its highest peak ever over the last 6 years (10 % and 11%). Table 1: Quarterly Electricity production changes % Electricity 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 Q 1 -5.4 -3.3 3.4 -1.2 1.0 9.1 -2.9 Q 2 2.1 -3.4 2.0 -7.7 8.8 5.3 -0.5 Q 3 2.6 -2.3 0.4 2.0 3.4 -5.9 10.5 Q 4 -0.3 3.0 5.2 -3.9 6.0 -9.6 10.7 Water Water is a natural resource, but also a commodity, much like oil, minerals, and timber. It costs money to extract, treat, process, and distribute; it has value as an economic input and as a facilitator or accelerant of economic activity. Studies2 have illustrated that dependable water supplies contribute to GDP growth, and that lack of water contributes to economic stagnation and decline. For Curaao water is likewise an important component for economic development. 2 Water as key to economic development. Copyright 2012 World Savvy Monitor. All Rights Reserved.

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine It is used by all industries practically. In 2005, 13005 m3 (cubic meter) of water was produced and in 2011 14398 m3. This is a growth of about 11 percent. If a comparison is done by quarters in a year (see table 2), it is seen that there has been a negative production in 2005, it continued on to the third quarter of 2006. 2010 is also a noticeable year for water production. There has been a negative development for the last 3 quarters of 2010 (-5.5, -9.4, -1.2 %), this may be due to the low consumption of water as a consequence to the immense rainfall in 2010, it was average 963 mm, in 2011 about 628 mm The average rainfall precipitation in 2005 was 842mm. (see CBS statistical orientation). Table 2: Quarterly Water production changes % Water 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 Q 1 -6,8 -4,6 5,1 0,8 2,0 2,2 2,1 Q 2 -4.6 -3.0 7.9 -4.5 7.7 -5.5 3.8 Q 3 -8.6 -2.3 6.0 -2.4 9.1 -9.4 12.1 Q 4 -14.5 12.5 0.6 4.5 3.3 -1.2 0.7 Local utility price developments and world oil prices Price of energy consumption expenses The price of energy consumption expenses in Curaao has been fluctuating for the last years. This is due to the high dependence on oil products in producing electricity, and as is known oil prices have been volatile these past years. (see paragraph on world oil prices) Chart1: Energy expenses 2005 20112005200620072008200920102011-5 0 5 10 15 20 Year% In chart 1 it is viewed that the highest peak in inflation on energy expenses was about 17% in 2005 and the lowest in 2011 where expenses dropped with 3 percent. This category automatically has an influence on other consumer products on the island. Prices of water consumption expenses Chart 2: Water expenses 2005 20112005200620072008200920102011-30-25-20-15-10-5 0 5 10 15 Year% Water is one of the basic necessities of human existence, which can possibly explain the low fluctuations in this category. Chart 2 shows the price developments on water consumption cost which has been quite leveled with the exception of 2009 where the price has dropped sharp with 24.9 percent. In 2011 the price developments has been nil compared to 2010 (0.8%). Nummer 4 3

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Not always an increase in production is parallel to an increase or decrease in prices. Sometimes there is an increase in production but a decrease in prices. For example water and energy production increased in 2009 (table 3: the electricity and water production has shown an increase with respectively 6 index points and 7 index points), but prices decreased in 2009 (chart 1 and 2). Table 3: Utility production indices Water production Electricity production 1000 m 3 kWh 2005 102 153 2006 102 151 2007 108 155 2008 107 151 2009 113 158 2010 109 157 2011 113 163 In 2007 there was an increase in production and decrease in prices. It is also viewed that inflation on water and electricity prices up to 2007 has been parallel to each other. The prices show that they are dependent on the international oil prices. From 2008 local policy was in effect to absorb the cost of high oil prices, this intervention on prices had a delayed effect on the consumption expenses. Prices for electricity show a decrease of 3 percent in 2011 and in 2010 an increase of 11 percent. Graph 1: Utility production0 50 100 150 200 2005200620072008200920102011yearindex waterelectricity Developments in world oil prices Internationally there has been a stea dy growth in oil prices between 2005 and 2011, with the exception of 2009. The loss of production capacity in Iraq and Venezuela combined with increased OPEC production to meet growing international demand led to the erosion of excess oil production capacity. In mid 2002, there were more than six million barrels per day of excess production capacity and by mid-2003 the excess was below two million. (OPEC Chart) The world consumes more than 80 million barrels per day of petroleum products this added a significant risk premium to crude oil price and was largely responsible for excess prices of $40-$50 per barrel. Other major factors contributing to higher prices included a weak dollar and the rapid growth in Asian economies and their petroleum consumption. The 2005 hurricanes and U.S. refinery problems associated with the conversion from MTBE (Methyl Tert-Butyl Ether) to ethanol as a gasoline additive also contributed to higher prices. Jaargang 10 4

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine In 2008, after the beginning of the longest U.S. recession since the Great Depression the oil price continued to soar. In the face of recession and falling petroleum demand the price fell throughout the remainder of the year to the below $40 in December.. Following an OPEC cut of 4.2 million barrels per day in January 2009 prices rose steadily in the supported by rising demand in Asia. 0,00 20,00 40,00 60,00 80,00 100,00 120,00 Yea r World Oil Prices 2005-2011 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 All these world developments in oil have probably had an influence on our local economy. Curaao has an open economy that is dependent on international economic developments. The local production of water and electricity is dependent on oil products to operate the machineries of the industry. And due to the high cost of production it is reflected in the prices. Summary This article presents different situations regarding utility and economy. The utility production mostly envelops the demand for water and energy. This production has a cost and it is being paid by the consumers. The price development in this industry is related to world oil prices and it certainly influences our local prices. Without water and energy there is no viable economic development because most economic activities depend on it. Utility is an interdependent product that relies on local and international factors. Optimum course of action regarding utility should be taken into account when making decisions. Nummer 4 5

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 6 Developments within the economic status groups in the population between 2001 and 2011 Zaida Lake Introduction The Labor Force Survey is a survey from which different types of data can be analyzed. Because it has a regular continuity in its frequency, it is fit for analyses over a longer period of time. This article aims to submit information of an analysis done on changes that have taken place over the three economic status groups in the population of 15 years and older. These status groups are the employed population, the unemployed population and the economically not active population. The analysis is done over a period of 11 years, from 2001 to 2011. This article is twofold. First it will describe, if and how th ere have been shifts between th e three economic status groups between 2001 and 2011. This analysis can help to contribute to a better understanding of the direction of the development of the population 15plus with regards to its economic status. It gives answers to questions such as, are young persons becoming more economically dependent as opposed to entering the labor force? Is the population of 55 years and older becoming more employed as opposed to economically not active? The second aim of this article is to describe the division of the different age groups over the three economic status groups. Special attention will be given to the issue if and in what direction shifts have taken place within the three status groups by age. A question that can be posed in this regard is for example, are young persons entering more into the labor force as opposed to staying in school? Methodology As mentioned, the data are taken from the Labor Force Surveys of 2001up to 2011. The population (excluding institutions) is measured per October of each year. The year 2010 is not included in these analyses because in 2010 no Labor Force Survey has been conducted. For the first part of the article, the three different status groups have been split into 5 age categories, so as to be able to describe developments between and within the three status groups per age category. The data of the Labor Force Survey are net results between October 2001 and October 2011. This means that they are the result of persons flowing in and out of each status group during the year. Definitions: Employed population : all persons of 15 years and older who in the week prior to the survey were in a job or were self-employed, or performed work for at least 4 hours Unemployed : all persons of 15 years and older, who at the moment of the survey were out of work, have actively looked for work in the past 4 weeks, and are able to start work within 2 weeks. Economically not active : all persons of 15 years and older who at the moment of the survey were neither employed nor unemployed.

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine The population 15 plus by economic status groups The population of 15 years and older in the Labor Force Surveys has grown with approximately 22 percent between 2001 and 2011. As graphs 1 and 2 illustrate, each status group has developed differently. Graph 1. 21 11 68 72 13 15 71 12 17 65 9 26 20 3 77 49 9 42 0% 20%40%60%80%100% 15-2425-3435-4445-5455plusTotalPopulation 15 plus by economic status and age groups 2001 Employed population Unemployed population Economically not active population Graph 2. 23 8 69 73 11 16 79 8 13 78 6 16 28 2 70 52 6 42 0% 20%40%60%80%100% 15-2425-3435-4445-5455plusTotaalPopulation 15 plus by economic status and age groups 2011 Employed 2011 Unemployed 2011 Economically not active 2011 Nummer 4 7

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine The last column in the graph represents the total population. Comparing the columns in graph 1, which represents the shares of the status groups in the population per age category, with those in graph 2, it is noticeable that the share of the economically not active in the population has not changed between 2001 and 2011 (42 percent). On the other hand, the share of the unemployed population has declined from 9 to 6 percent, a decline of 3 percentage points. Since the share of the employed population has grown with 3 percentage points, there is reason to believe that over the past 11 years, unemployed persons have become employed. The above conclusion is particularly salient in the age groups 15-24 and 25-34. In the older age groups, there appears to be a different dynamic taking place. In these age groups, there is an indication that economically not active persons have become employed, considering the drop in the share of the economically not active and the growth of the share of employed. Division by age groups within the status groups The second part of this article aims to describe the changes that have taken place within the status groups. Employed population by age group Graph 3 illustrates the structure of the employed population over 5 age categories. From this graph, it becomes clear that the age group 15-24 has the smallest share of the employed population and the age group 35-44 has the largest share in 2001 (33 percent). The age group 55 years and older makes up 11 percent in 2001. There is no significant change between the share of employed persons in the age group 15-24 between 2001 and 2011. Graph 3. 7 24 33 25 11 7 22 33 26 12 8 22 33 25 12 7 21 31 27 14 6 22 32 28 13 6 22 31 28 14 7 19 31 28 15 7 20 29 29 15 7 19 29 29 16 7 18 26 31 18 0% 20%40%60%80%100% 2001200220032004200520062007200820092011Employed population by age groups 15-24 25-34 35-44 45-54 55plus Jaargang 10 8

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine The age group with the largest share (35-44) has declined from 33 percent in 2001 to 26 percent in 2011. It is not excluded that the developments in the population are debit to this decline. Population statistics show that the number of persons in this age group has declined. Another remarkable development is the augmentation of the share of persons in the older age group of 55 years and older. In 2001, this category has an 11 percent share of the total employed population. In 2011 the share has increased to 18 percent. Taking into account that this group is a relatively small group, an increase of 7 percentage points can be considered significant. It is plausible that the aging population is an important reason for this change, because their share has increased in all three status groups (see also Graphs 4 and 5). Unemployed population by age group In graph 4, the columns illustrate how the unemployed population is divided over the different age groups. The ages 55 plus make up 27 percent of the population. But their share of the unemployed is ‘only’ 10 percent. This does not apply to the other age groups. Their shares in the unemployed population are larger than their shares in the population, but almost just as large as their shares in the employed population. Over the years the division has remained almost the same, with exception of the age groups 35-44 and 55plus. There is a decrease in the share of the age group 35-44 who is unemployed and an increase in the share of 55plus between 2001 and 2011. However, both developments are consistent with the developments in the population, as mentioned earlier, whereby there is an increase in persons in the ages 55 years and older and a decrease in the age group 35-44 years. Graph 4. 19 24 29 20 8 20 25 31 17 7 22 24 27 20 7 20 26 29 18 7 20 25 27 20 8 21 22 29 19 8 17 27 28 22 7 22 24 30 18 6 22 21 24 23 9 21 25 23 21 10 0% 20%40%60%80%100% 2001200220032004200520062007200820092011Unemployed population by age groups 15-24 25-34 35-44 45-54 55plus Nummer 4 9

PAGE 16

Modus atistisch Magazine St Economically not active population by age group The age group that makes up the most of the economically not active population is the age group 55 years and older. This is expected, since it is the age group which consists largely of pensioners and persons who have retired from the labor force. The share has gone up from 48 percent in 2001 to 56 percent in 2011 (graph 5). The second largest age group is the age group 15-24 years, which consists largely of persons attending school. Its share of the economically not active population is 26 percent in 2001. Graph 5. 26 6 9 11 48 24 6 7 11 52 24 5 7 11 53 26 5 8 11 50 28 5 7 10 51 29 5 7 10 50 28 6 6 10 50 28 6 6 9 51 26 5 6 10 53 26 5 5 8 56 0% 20%40%60%80%100% 2001200220032004200520062007200820092011Economically not active population by age groups 15-24 25-34 35-44 45-54 55plus Observing the developments over time, it appears that the share of the population 55 years and older in the economically not active population has increased substantially with 8 percentage points between 2001 and 2011. It is highly probable that the aging population is the cause of this development, whereby, understandably, most remain out of the labor force. The share of the economically not active in the age group15-24 has remained the same in 2011 as in 2001 (26 percent). This last development is surprising, since CBS figures show that the school participation rate has increased, especially since the new Obligatory School Attendance Ordinance of 2005. One would expect the share of economically not active to actually increase because of this ordinance. However this is not the case for all years, according to the data in graph 5. After 2008 there is actually a decrease in the share. It seems plausible therefore that between 2008 and 2011 a share of young persons have also entered into the labor force as opposed to attending school, because the population development remained relatively stable. Jaargang 10 10

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 11 Division of the population by age groups and economic status The division of the age groups over the different status groups, does not follow the division in the population of 15 years and older. Based on the division of the age groups over the different status groups, one can deduce what the chances are for a person in a given age group for being employed, unemployed or economically not active. Tabel. 1 Population 15 plus by age groups October 2001 October 2011 15-24 16 16 25-34 16 13 35-44 22 17 45-54 19 20 55plus 27 33 Total 100 100 From the analyses in the former paragraphs, it is clear that the chance for a person in the ages 55 years for being employed (18%) or unemployed (10%), is much smaller than the chance of being economically not active (56 percent). (See graph 3 and 5). Remarkable that the analyses show that the chance for a person in the age group 25-34 years of being unemployed has increased over the years, while that of being employed has decreased. Since the share in the population has gone down from16 percent in 2001 to 13 percent in 2011, it is plausible that the decrease in the population involved employed and economically not active persons. The chance for a person in the age group 35-44 years of being employed has decreased over the years. However, the chance of being unemployed or economical ly not active has also decreased. This development has everything to do with the decrease in share of the population from 22 to 17 percent between 2001 and 2011 (see table 1). Therefore, the decrease in the population has manifested itself over all status groups in this age group. Looking at the age group15-24 in graphs 4 and 5, it shows that the chance of a young person being unemployed, is almost just as big as the chance of being economically not active (21 versus 26 percent). But both are much larger than the chance of a young person being employed (7 percent). However, over the years, the chance of a young person being unemployed has increased (from 19 to 21 percent).

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 12 Conclusion This article sets out to describe how, over a period of 11 years, the different economic status groups in the population of 15 years and older has developed over time and also to describe the changes that have taken place within the different age groups. The results of the analyses show that between 2001 and 2011, the shares of the three status groups, meaning the employed population, the unemployed population and the economically not active population, have remained almost the same, except for shift of unemployed becoming employed. The analyses by age group show that this development is related to the developments that have taken place within the different age groups. The age groups 15-24 years and 55 years and older, have the largest shares in the economically not active population, of which the age group 15-24 is the largest. But it is worth highlighting that their share has remained the same between 2001 and 2011, despite a rise in school participation in this period. One would expect the proportion of economically not active youth to augment because of a higher school participation rate. However, as mentioned, this is not the case. Consequently, the fact that the share of economically not active youth did not rise is an indication that young persons are also entering the labor force. Two age groups show remarkable developments. These are the age group 35-44 years and 55 years and older. The age group 35-44 years shows a significant decline in all three status groups in the period under investigation. This has everything to do with the decline in the population in this age group. On the other hand the age group 55 years and older shows a relatively large increase in its share of the economically not active population. Population statistics of the CBS shows that the population is slowly aging. It is therefore not surprising that the share of economically not active has increased. But it is worth pointing out that the share in the total labor force (employed and unemployed) has also increased in this period.

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 13 Resultaten conjunctuurenqute Curaao 1 e halfjaar 2012. Chris M. Jager Inleiding In juni 2012 zijn in het kader van de conjunctuurenqute (CE) de bedrijven benaderd met vragenlijsten op Curaao. In verband met de gewijzigde staatkundige structuur van oktober 2010 wordt dit CBS onderzoek nu alleen op Curaao uitgevoerd. Doel van de conjunctuurenqute is om op reguliere basis, twee maal per jaar in juni en december, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en economische parameters en ontwikkelingen. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. In dit artikel wordt nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute. Kwantitatieve gegevens over de exploitatiekosten worden hier niet besproken en de omzetten slechts in beperkte mate. Allereerst wordt er een korte inleidende beschouwing gegeven over de methodologie zoals die voor de enqute wordt gebruikt. De verkregen gegevens worden, daar waar nodig in sommige gevallen, vergeleken met de situatie van 1 jaar geleden (juni 2011), dit om seizoensinvloeden te vermijden. Ook wordt een vergelijking gemaakt met juni 2010, dit om een vergelijking te kunnen maken met de situatie van vr 10-10-10 toen Curaao nog deel uitmaakte van het Antilliaans eilandenverband. Met de verkregen gegevens van de bedrijven (NV’s en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) wordt een beeld gegeven van de volgende onderwerpen: 1. investeringsbelemmeringen en –bevorderingen, 2. concurrentiepositie, 3. verandering van het ondernemersvertrouwen, 4. vertrouwen in de toekomst, 5. mening (perceptie) t.a.v. het investeringsklimaat, 6. omzetmutaties, 7. bedrijfsresultaten, Methodologie De conjunctuurenqute wordt twee keer per jaar onder de bedrijven op de Curaao gehouden. Het onderzoek wordt uitgevoerd bij alle bedrijven met tien of meer werknemers, terwijl van de bedrijven vanaf drie tot tien werknemers een steekproef wordt genomen. De CE is aldus voor een deel een steekproefonderzoek. Onder bedrijven wordt hier verstaan NV’s en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening met minimaal 3 werknemers. In juni wordt genquteerd over het eerste halfjaar van het lopende kalenderjaar. Dit wordt gedaan met behulp van enquteurs. Bedrijven die dit wensen worden benaderd per email. In deze periode wordt de opinie gevraagd van ondernemers ten aanzien van ondere andere omzet en exploitatiekosten, investeringsbelemmeringen en –bevorderingen, concurrentiepositie, verandering van het ondernemersvertrouwen, vertrouwen in de toekomst en de mening (perceptie) t.a.v. het investeringsklimaat.

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Met deze informatie van de CE kunnen zowel overheid als ondernemers beter, sneller en meer gefundeerde beslissingen nemen. Bij de steekproeftrekking (voor de bedrijven van 3 tot 10 werknemers) wordt uitgegaan van een betrouwbaarheid van 95 procent (5% foutmarge, z-waarde van 1,96). Bij een populatie van ruim 2.000 bedrijven (vanaf 3 werknemers tot 10 werknemers) kwam dat op het moment van trekking neer op in totaal 323 bedrijven. Het veldwerk van de CE start ongeveer in mei en in november, de voorbereiding daarvoor uiteraard eerder. De bedoeling is dat binnen 2 weken alle bedrijven worden bezocht om de vragenlijsten af te geven, direct in te laten vullen of afspraken te maken over het invullen, ophalen, of opsturen daarvan. Na deze periode van het uitreiken van de formulieren wordt begonnen met het ophalen van de formulieren die klaar zijn, dan wel worden deze gezamenlijk met de enquteur ingevuld. Voor de periode van het ophalen van de formulieren staat een periode gepland van 4 weken. Daarbij wordt rekening gehouden met een mogelijke uitloop van ongeveer 2 weken. De Statistiek Landsverordening verplicht bedrijven en personen om mee te werken aan CBS onderzoeken. Daar staat tegenover dat het CBS uit hoofde van geheimhouding verplicht is alleen maar statistieken te publiceren waaruit gn gegevens van individuele bedrijven zijn af te leiden. Werknemers van het CBS gebruiken de geaggregeerde gegevens voor het maken van statistieken. Opinievragen Investeringsbelemmeringen en –bevorderingen Ruim 44 procent van de benaderde bedrijven heeft aangegeven te hebben genvesteerd in de eerste helft van 2012. In juni 2011 was dat met 49 procent 5 procentpunten hoger. Ruim 36 procent van de bedrijven heeft investeringsbelemmeringen aangegeven. Het hoogste percentage ooit gemeten en 6 procent hoger dan december 2011 toen dit bijna 30 procent was. In juni 2010, dus voor de verzelfstandiging van Curaao per 10-10-10, bedroeg dit percentage slechts 7 procent. Zoals altijd zijn de financile middelen, het kapitaal, de grootste investeringsbelemmering, zie ook onderstaand figuur 1. Dit percentage is in een halfjaar tijd toegenomen van 16 naar bijna 22 procent per juni 2012. Verder zijn er duidelijk meer bedrijven geweest die een slechte marktverwachting als belemmering hebben aangegeven. Bijna 17 procent van de bedrijven heeft dit aangegeven. Afgelopen december bedroeg dit 12 procent, in juni 2010 (voor de verzelfstandiging) nog geen 2 procent. Ook het overheidsbeleid als investeringsbelemmering is over dezelfde periode duidelijk toegenomen; van 12 naar 16 procent. In juni 2010 was dit anderhalf procent. Figuur 1: investeringsbelemmeringen in %0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 S hort. fin. resourcespoor market fore castexpect. profit abilityi n te rest levelObtain w orkp ermi ts government policyother obstacles% bedrijven juni 10 dec '10 juni 11 dec '11 juni 12 Jaargang 10 14

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine De investeringen zijn naar mening van de bedrijven vooral bevorderd door de beschikbaarheid van financile middelen. Wel is het percentage bedrijven dat dit aangeeft lager geworden en ten opzichte van december 2011 van 19 naar nog geen 15 procent gegaan (juni 2012). Verder zijn de investeringen in mindere mate bevorderd door de rendementsverwachting, een goede verwachting van de markt en de beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel. De percentages hiervan liggen nu rond de 6 procent. Concurrentiepositie Voor wat betreft de concurrentiepositie op de binnenlandse Curaaose markt (zie figuur 2) is de situatie in vergelijking met voorgaande periode (december 2011) licht veranderd. Een vrijwel gelijk percentage bedrijven heeft aangegeven dat de concurrentiepositie verbeterd is (van 10 naar 9%). Wel hebben iets meer bedrijven aangegeven dat deze verslechterd is. Dit percentage is toegenomen van 23 naar 27 procent van de bedrijven. Figuur 2: concurrentiepositie markt juni 2012 0 10 20 30 40 50 60 verbeterdonveranderdverslechterdniet van toep.% bedrijven juni '10 dec '10 juni '11 dec '11 juni '12 De meeste bedrijven hebben aangegeven, zoals altijd het geval, dat de concurrentiepositie onveranderd is gebleven. Ten opzichte van december 2011 is dit met 8 procentpunten afgenomen naar 50 p rocent. Vertrouwen in de economie Het vertrouwen in de economie is naar de mening van de ondernemers verminderd. Meer ondernemers, 55 procent, hebben aangegeven dat het vertrouwen in de economie is verslechterd. Dit was 47 procent in december 2011 (8% minder). Wederom heeft een heel laag percentage, nog geen 3 procent van de bedrijven aangegeven dat het vertrouwen in de economie het afgelopen halfjaar is verbeterd. Het aantal ondernemers dat heeft aangegeven dat het vertrouwen gelijk is gebleven, is ten opzichte van afgelopen december afgenomen met 8 procentpunten naar 42 procent (was 50%). Figuur 3: vertrouwen in de economie0 10 20 30 40 50 60 70 de c 0 7 juni'dec 08 ju ni 'dec 09junide c 10 junidec '11ju n i 20 12 % bedrijven verminderd gelijk verbeterd Vertrouwen in de toekomst Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven vertrouwen te hebben in de toekomst is de eerste helft van 2012 verder afgenomen en wel van 49 naar 45 procent (zie figuur 4). Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst is bovendien toegenomen en wel van 24 naar 29 procent. Het percentage van de bedrijven dat heeft aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag is met 27 procent vrijwel gelijk gebleven (was 28% in december 2011). Figuur 4: vertrouwen in de toekomst0 10 20 30 40 50 60 70 d e c 07j uni' d e c 08j uni' d e c 0 9 j u n i d e c 1 0 j u n i d e c 1 1 juni 20 1 2 % bedrijven ja nee geenmening Nummer 4 15

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine De resultaten van de conjunctuurenqute worden ook op bedrijfstakniveau geanalyseerd. Kijken we bij het vertrouwen in de toekomst naar de grotere bedrijfstakken dan zien we dat de onderlinge verschillen klein zijn. Onderstaand figuur 5 laat zien dat er slechts sprake is van beperkte verschillen. De handel zit wat onder het gemiddelde van 45 procent: 36 procent van de bedrijven heeft te kennen gegeven vertrouwen te hebben en eveneens 36 procent heeft dat vertrouwen niet. Daarentegen is het vertrouwen in de toekomst bij transport & communicatie en ook industrie wat hoger dan het gemiddelde, dit met respectievelijk 54 en 51 procent wl en 30 en 21 geen vertrouwen. Daar de bedrijven wordt gevraagd naar het aantal werknemers, kan ook inzicht worden gekregen in het vertrouwen in de toekomst naar het aantal werknemers van de bedrijven. Daarvoor is een indeling gemaakt in 3 groepen, te weten minder dan 10 werknemers (klein), 10 tot 50 werknemers (middelgroot) en 50 of meer werknemers (groot). Figuur 5: vertrouwen toekomst naar bedrijfstak0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% BouwHandelHotels & r est. In d u s trieZakelijke di enste n Ov e rige dien s t en Transport & comm.% bedrijven geen mening nee ja Gebleken is dat bij de grotere bedrijven met 50 of meer werknemers duidelijk meer bedrijven winst verwachten dan de kleineen middelgrote bedrijven (zie figuur 6). Bij deze grote bedrijven is dat 58 procent, bij de kleineen middelgrote bedrijven respectievelijk 40 en 42 procent. Figuur 6: vertrouwen toekomst naar werkenden 0 10 20 30 40 50 60 < 10 10 50 50 en meer% bedrijven ja nee geenmening Mening t.a.v. het investeringsklimaat De mening ten aanzien van het investeringsklimaat (zie figuur no. 7) is afgelopen juni iets veranderd ten opzichte van december 2011. Bijna 9 procent van de bedrijven heeft aangegeven dat het klimaat goed is, in december was dit 7 procent. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven dat het slecht is, is eveneens met 2 procent toegenomen en wel van 34 naar 36 procent. De meeste bedrijven oordelen het investeringsklimaat zoals altijd als ‘matig’. Dit is in een halfjaar tijd afgenomen van 59 naar 55 procent. Figuur 7: perceptie investeringsklimaat0 10 20 30 40 50 60 70 d e c 07j u ni 'd e c 0 8 j un i 'd e c 0 9 j uni dec '10 j un i de c '11juni 20 12 % bedrijven goed matig slecht Kijken we bij naar de perceptie van het investeringsklimaat op bedrijfstakniveau naar de rotere bedrijfstakken, dan zien we dat de onderlinge erschillen beperkt zijn. Figuur 8 laat dit duidelijk zien. nige uitschieter, voor zover daar al sprake van is, is de edrijfstak transport en communicatie. Maar liefst 44 rocent daarvan heeft aangegeven het nvesteringsklimaat slecht te vinden en slechts 6 procent oed. Bij de horeca (hotels & restaurants) en de overige iensten zijn de percentages ‘slecht’ met 30 procent uidelijk beter. Jaargang 10 16 g v E b p i g d d Figuur 8: perceptie investeringsklimaat naar bedrijfstak0% 10%20%30%40%50%60%70%80%90%100%BouwHandelH o t el s & rest I ndu st r i e Zakel i j k e di e nsten O v erige diens tenTransport & com m. % bedrijven slecht matig goed

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine De perceptie van het investeringsklimaat als afgeleide van het aantal werknemers van de bedrijven laat opmerkelijke verschillen zien. Bij de kleine (minder dan 10 werknemers) en middelgrote bedrijven (10 tot 50 werknemers) is de mening ten aanzien van het investeringsklimaat kennelijk minder gunstig dan bij de bedrijven met 50 werknemers of meer Figuur 9: perceptie investeringsklimaat naar werkenden0 10 20 30 40 50 60 70 < 10 10 50 50 en meer% bedrijven goed matig slecht (zie figuur 9). Bij de kleine bedrijven vind 6 procent het investeringsklimaat goed en maar liefst 44 procent slecht. Bij de grote bedrijven zijn deze percentages duidelijk gunstiger. Bijna 10 procent van de bedrijven vindt het goed, 25 procent is van mening dat het investeringklimaat slecht is. Bedrijfsresultaten Omzetmutaties Middels de conjunctuurenqute wordt aan de bedrijven gevraagd aan te geven in welke mate de omzet is veranderd in vergelijking met het voorgaande jaar. Tot en met het jaar 2009 is het percentage positief (een toename van de omzet) hoger dan negatief (afname omzet), zie figuur 10. Sinds december 2010 is daarin verandering in gekomen en is er sprake van een omslag. In dat jaar is het percentage positief (42%) wat lager dan negatief, 45 procent. In december 2011 is bovendien gebleken dat het verschil tussen deze twee kengetallen is toegenomen. De toename van de omzetten (positief) komt dan uit op slechts 35 procent, de afname daarvan op 43 procent. Afgelopen juni (dus een half jaar na december 2011, een soort van tussenstand) is gebleken dat het percentage omzetdaling toeneemt van 42 naar 48 procent. De toename van omzetten blijft vrijwel gelijk (van 36 naar 37%). Eind dit jaar wordt bekend in welke mate de omzetten daadwerkelijk zijn gestegen en afgenomen. Figuur 10: omzet mutaties 2008 t/m juni 2012.64 49 42 36 37 0 10 20 30 40 50 60 70 80 2008 09 10 11 juni 2012 pos neg Verwachtingen bedrijfsresultaat De conjunctuurenqute gaat in juni na hoe het zit met de verwachting van het bedrijfsresultaat over het nog niet afgesloten jaar. Doorgaans is de verwachting iets gunstiger dan het daadwerkelijke percentage welke aan het eind van het jaar wordt gekregen. Het percentage bedrijven welke een positief bedrijfsresultaat verwacht, 62 procent, komt vrijwel overeen met die van december 2011 (61%, zie ook figuur 11) doch is lager dan de verwachting van juni 2011 toen dat bijna 66 procent was. Als de verwachting van afgelopen juni inderdaad aanstaande december wordt bevestigd, zet de daling ten opzichte van 2010/2011 zich niet verder door. Figuur 11: bedrijfsresultaten 2008 verw. 2012727273 61 62 0 10 20 30 40 50 60 70 80 2008 09 10 11 verw. 2012 % bedrijven pos neg Nummer 4 17

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Precies 38 procent van de genterviewde bedrijven heeft aangegeven een negatief bedrijfsresultaat over 2012 te verwachten. Ofschoon dat op zich natuurlijk een hoog (c.q. te hoog) percentage is, is het een kleine verbetering in vergelijking met 2011 toen dit uitkwam op 40 procent. Overigens dient opgemerkt te worden dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen. Figuur 12 laat ons de bedrijfsresultaten zien als afgeleide van de grootte. Wat opvalt zijn duidelijke verschillen tussen de kleinere bedrijven tot 10 werknemers en de grotere vanaf 50 werknemers. Ook hier blijkt dat de grotere bedrijven het beter doen, in termen van het al dan niet verwachten van bruto winst, dan de kleine bedrij ven. Van de grote bedrijven verwacht 76 procent winst te behalen in 2012. Bij de kleine bedrijven is dit slechts 45 procent. De middelgrootte bedrijven nemen hier een middenpositie in. Daar ligt het percentage bedrijven met een winstverwachting op 63 procent. Figuur 12: bedrijfsresultaten naar grootte0% 10%20% 30% 40% 50%60% 70%80% 90% 100%10 10-50 => 50 % bedrijven neg. pos. Concluderende opmerkingen De ontwikkelingen van de bedrijven op Curaao laat over de eerste helft van het jaar 2012 een wat negatiever beeld zien dan over 2011. Dit is af te leiden uit de diverse hierboven genoemde opinies en bedrijfsresultaten. Minder bedrijven hebben aangegeven te hebben genvesteerd en meer bedrijven hebben n of meerdere investeringsbelemmeringen aangegeven. De belemmeringen kapitaal, marktverwachting en overheidsbeleid zijn vrij sterk toegenomen ten opzichte van voorgaande perioden. De concurrentiepositie is bij meer dan een kwart van de bedrijven verslechterd. Verder is het vertrouwen in de economie bij meer dan de helft van de ondernemers afgenomen en ook het vertrouwen in de toekomst is verder afgenomen. Te veel bedrijven, met name de kleinere, zijn niet in staat winst te behalen waardoor investeringen en levensvatbaarheid op termijn onder druk staan. Ook zijn er ontwikkelingen die niet of nauwelijks negatief zijn en ook hoopgevend. Zo is de perceptie van het investeringsklimaat weliswaar zeker niet goed, doch is dit niet of niet noemenswaardig verslechterd. Bovendien lijkt aan de daling van omzetmutaties en de afname van positieve bedrijfsresultaten een einde te zijn gekomen. Zo laten althans de verwachtingen ons dit zien. Of dit ook daadwerkelijk zo is, wordt duidelijk na het analyseren van de resultaten van de enqute van december 2012. Jaargang 10 18

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 19 Curaao, External Transactions Developments in 2008 Roeland Dreischor Introduction In this article a brief analytical description will be given of the external transactions developments of the Rest of the World (ROW) account for the island of Curaao in the year 2008. The ROW account refers to a full range of transactions that take place between the total economy of a country and the rest of the world according to the definitions and concepts of the System of National Accounts3 (SNA). All figures of the ROW account are from the National Accounts Netherlands Antilles 2002-2008 publication. The analysis of the ROW account figures are based on the year 2008 compared to the previous year unless stated differently in the text. The ROW account has an accounting structure similar to that of an institutional unit, in which the relevant accounts capture both transactions taking place between the resident institutional sectors of the total economy and transactions with non-resident units that make up the rest of the world. The view point of the ROW account is established from the rest of the world. This means a “resource” for the rest of the world is a “use” for the nation and vice versa. The ROW account consists of three accounts3 which are: 1) The external account of goods and services. In the first account of the ROW the import and export of goods and services are recorded. This account shows the import of goods and services as resources and the export of goods and services as uses. 2) The external account of primary incomes and current transfers. This account provides transactions on both resource and use sides of the following items: compensation of employees; property income; current taxes on income and wealth; and other current transfers. 3) The external accumulation account (capital account). The third account within the ROW account is the accumulation account which shows flows out of the financial transactions. Definitions The main definitions used in the Rest of the World account are described according to the SNA, and are as follows: Resource The SNA utilizes the term resource to indicate transactions which add to the amount of economic value of a unit or a sector, in this case the ROW. Use The term use relates to transactions that reduce the amount of economic value of a unit or sector. Goods Goods are physical objects for which a demand exists over which ownership rights can be established and whose ownership can be transferred fr om one institutional unit to another by engaging in transactions on markets. 3 System of National Accounts 1993 (SNA), Publication prepared under the auspices of the United Nations, International Monetary Fund, Commission of the European Communities, Organization for Economic Co-operation and Development, and World Bank, 1993

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 20 Services Services are heterogeneous outputs produced to order and typically consist of changes in the conditions of the consuming units realized by the activities of the producers at the demand of the consumers. Compensation of employees This is defined as the total payment, in cash or in kind, payable by an enterprise to an employee in return for work done by the latter during the accounting period. Primary income Primary incomes are incomes that accrue to institutional units as a consequence of their involvement in processes of production or ownership of assets that may be needed for the purposes of production. The primary income consists of the following: compensation of employees, property income, current taxes on income, and other current transfers. Property income Property incomes can be defined as the income receivable by the owner of a financial asset or tangible non-produced asset in return for providing funds to or putting the tangible non-produced asset at the disposal of, another institutional unit. Property income can be classified in the System of National Accounts (SNA) as follows: Interest; Distributed income of corporations; and Reinvested earnings on direct foreign investment. Interest Interest is the amount that the debtor becomes liable to pay to the creditor over a given period of time without reducing the amount of principal outstanding. Interest is a form of property income that is receivable by the owners of certain financial assets, such as: Deposits; Securities other than shares; Loans; and other accounts receivable. Distributed income of corporations (Dividends ) Dividends are distributed profits and the residual value of the assets of the corporation in the event of its liquidation which the shareholder is entitled to as a result of placing funds at the disposal of corporations. Other current transfers These transfers refer to non-life insurance premiums and claims, the receipt of development aid for social projects, pensions, and students & family grants. Transaction Developments in 2008 Export of Goods and Services The total export of goods has increased from 998 million guilders in 2007 to 1695 million guilders in 2008. This increase is about 697 million guilders (70%) compared to 2007. The highest percentage increase in export of goods is noted in 2008 (Table 1). The export of general merchandise from Curaao has augmented with more than 229 million guilders in 2008. The increase of 43 percent in export of merchandise is due to the higher re-exports by free-zone companies in the year 2008.

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 21 The repairs on goods have decreased with about 2 million guilders compared to 2007, meaning less ship repair activities in the docking facilities. The decline in ship repair is about 2 percent in 2008. The bunkering service (goods procured in ports) has augmented with 457 million guilders in 2008. This increment is caused primarily by higher average oil prices on the international market and higher volume sold. The decline in export of services is 24 million which leads to a total value of 1853 million guilders in 2008. The total export of services in Curaao has decreased with 1 percent. The received foreign payments for transportation services from abroad have increased to a value of roughly 119 million guilders in 2008. This augmentation is 23 percent compared to the previous year of 2007. In 2008 the tourism sector performed well on the island. The received foreign exchange earnings from the tourism sector (Travel) augments with 91 million to a value of 677 million guilders, which is an increase of about 16 percent. The earnings from the international financial services (offshore) have decreased from about 302 million in 2007 to a value of almost 252 million guilders in 2008. This is a drop of approximately 17 percent in earnings from the offshore. This sector has been in decline since the year 2002. Table 1. Goods and Services Account Use: 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 P.61 Export of goods 750.1 648.5 742.4 887.3 1069.5 997.7 1694.5 General merchandise 566.6 451.3 524.5 606.6 693.8 530.9 759.9 Oil products 0.0 0.9 0.0 0.0 2.7 0.2 1.4 Goods for processing 28.1 22.5 18.3 18.7 16.8 14.3 25.8 Repairs on goods 67.2 63.0 86.8 78.0 98.5 113.0 110.9 Goods procured in ports 88.2 110.8 112.8 184 257.7 339.3 796.5 P.62 Export of services 1651.8 1641.9 1583.5 1610,0 1719.1 1877.5 1853.4 Transportation services 174.7 145.6 117.4 107.1 106.2 96 118.9 Travel 388.7 400.2 400.2 436.8 496.2 585.7 677 International Financial services 457.3 379.0 375.4 351.4 332.7 301.5 251.6 Other services 631.1 717.1 690.5 714.4 784.0 894.3 805.9 Resource: P.71 Import of goods 2006.1 1904.8 2083.4 2373.0 2719.3 3000.6 3866.8 General merchandise 1707.0 1629.4 1774.8 1963.0 2197.3 2306.9 2652.2 Oil products 243.2 227.3 267.9 391.4 511.7 677.3 1191.6 Goods for processing 40.1 33.3 29.2 17.0 6.7 22.1 15.0 Repairs on goods 2.5 0.3 0.8 0.0 1.9 0.2 0.8 Goods procured in ports 13.3 14.5 10.7 1.2 1.7 4.0 7.2 P. 72 Import of services 861.9 845.8 808.3 833.5 851.2 968.7 1059.6 Transportation services 108.5 65.2 86.3 95.5 85.4 115.5 162.4 Travel 238.5 313 348.9 293.9 341.3 365.9 364.2 International Financial services 116.6 132.1 115.0 104.6 122.1 113.3 101.4 Other services 398.3 335.5 258.1 339.5 302.4 374.0 431.6 All values in Mln. Ang. Source: National Accounts Netherlands Antilles 2002-2008, CBS

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 22 Import of Goods and Services The total import of goods increases with 29 percent in 2008. As shown in table 1 the total imports are increasing every year in the last five years. In 2008 the augmentation of total import is 866 million guilders compared to 2007. The import of general merchandise increases with 345 million guilders in 2008. This is an increase of 15 percent compared to the previous year. The increment in imports are due to the higher commodity prices (including food prices) on the international market, increased imports by the free-zone companies, higher investments, and positive developments in the tourism sector. The oil import for local consumption has increased with about 514 million guilders (80%) in 2008. The oil imports rose substantially due to higher average oil prices on the international market. The payments for goods for processing have dropped from 22 million in 2007 to 15 million guilders in 2008. The goods procured in ports (bunker service) have shown a substantial increase of 3 million guilders. This is due to the higher bunker service fees. The total import of services has augmented from almost 969 million in 2007 to nearly 1060 million guilders in 2008. This represents an increase of 9 percent. The total import has been increasing since 2005. The foreign exchange outflow from Curaao for payments of transportation services for either air or sea has decreased with 47 million to a value of 162 million guilders. The payments of local residents for travel related services (Tourism sector) have slightly decreased with about 1 percent in 2008. The international financial sector fluctuates a lot between 2002 and 2008. In 2008 the foreign exchange outflow for international financial services has been 101 million guilders, which is a decrease of almost 12 million guilders (11%) compared to the previous year. The compilation item of “other services” increases with 15 percent in 2008 (Table 1). Primary incomes and current transfers Compensation of employees refers to the earnings of border, seasonal and other workers paid by an employer resident in one economy to employees resident in other economies, such as military personnel abroad, and embassy employees. The compensation of employee transfers to Curacao from abroad has increased with more than 8 million guilders in 2008 (Table 2). The transfer of labor income from Curaao to abroad has augmented from 5 million to more than 8 million guilders in 2008. This represents an increase of more than 60 percent in wage transfers of local institutions to workers abroad. The received amount from abroad for property income has decreased with roughly 64 million guilders in 2008, a drop of 25 percent compared to 2007. In 2008 the interest paid by foreign companies is about 160 million guilders, which is a drop of about 23 percent. The interest income earning by local companies on their foreign deposits has diminished due to the international financial crisis in 2008. The received distributed income of corporations (dividend) from abroad has dropped with 35 percent in 2008.

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 23 Table 2. ROW: Primary Incomes and Current Transfers Account Use: 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 D.1 Compensation of employees 8.3 9.6 6.3 12.1 23.6 26.1 34.5 D.4 Property Income 151.5 149.5 150 170.5 209.4 255.9 192.0 D.41 Interest 116.5 112.4 122.5 138.9 177.4 206.3 159.7 D.42 Distributed income of corporations 35.0 37.1 27.5 31.6 32.0 49.6 32.3 D.43 Reinvested earnings on direct foreign investment 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 D. 52 Current taxes on income, wealth, etc 82.2 121.5 99.0 289.0 126.0 63.5 107.4 D. 7 Other current transfers 480.4 470.7 346.1 322.8 322.0 349.3 435.1 Resource: D.1 Compensation of employees 10.4 6.2 2.5 5.7 2.9 5.0 8.2 D.4 Property Income 93.8 109.6 117.2 107.2 146.8 191.5 217.7 D.41 Interest 40.7 49.3 58.6 57.3 78.4 100.2 98.7 D.42 Distributed income of corporations 49.1 56.1 53.3 46.2 61.0 81.3 107.5 D.43 Reinvested earnings on direct foreign investment 3.9 4.2 5.4 3.7 7.4 10.1 11.6 D.7 Other current transfers 317.6 336.8 303.8 344.3 328.9 370.8 476.0 All values in Mln. Ang. Source: National Accounts Netherlands Antilles 2002-2008, CBS The property income paid to abroad augments from 192 million to 218 million guilders in 2008. The interest paid to abroad has decreased with about 2 percent in 2008. This is a decline of 2 million guilders in interest payment to abroad. In that same year the transfer of dividend to abroad has augmented with more than 26 million guilders (Table 2). The current taxes on income refer to profit taxes paid by offshore companies. The paid taxes from abroad have increased with nearly 44 million in 2008. The current taxes on income show an increase after a drop in 2007. Due to the tax arrangement within the Kingdom of the Netherlands (BRK) more tax transfers are done in 2008. The other current transfers received from abroad have been 25 percent more in 2008. This is an increase of 86 million guilders in current transfers from abroad. The other current transfers to abroad have risen with about 105 million to a value of 476 million guilders (Table 2). Capital Account The Investment grants received from abroad usually are development aid for investment projects from the Netherlands. In 2008 the received investment grants from abroad have increased with about 12 million guilders. This means an increase of about 6 percent in grants (Table 3). Table 3. ROW: Capital Account Use: 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 D.92 Investment grants 52.1 54.3 137.2 165.6 174.4 210.7 222.8 D.99 Other capital transfers 2.9 1.8 1.5 0.9 4.1 8.2 1.2 Resource: D.99 Other capital transfers 0.4 3.6 0.0 0.0 0.1 2.5 8.0 All values in Mln. Ang. Source: National Accounts Netherlands Antilles 2002-2008, CBS

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 24 Most of the other capital transfers are attributed to migrantsÂ’ transfers to and from countries abroad. In 2008 the other capital transfers to abroad from Curaao have decreased from 8 million to about 1 million guilders. The value of the other capital transfer has accumulated to 8 million guilders in 2008, an increase of about 6 million guilders. This means more capital transfers from abroad have occurred in 2008 compared to the previous years (Table 3). Summary The export of goods has increased drastically with about 70 percent, due to the activities in the free-zone and bunker services. On the other hand the export of services has declined with about 1 percent in 2008. The import of goods continues to increase in 2008. The rise in oil prices has influenced the increase of the imported merchandise. The import of se rvices shows a 9 percent augmentation. The property income from abroad has decreased with 25 percent. The international financial crisis is the cause of the drop of the figures in 2008. The transfer of property income to abroad has increased with 14 percent. The dividend payments to companies abroad have influenced the increase of the property income. In 2008 more revenue is collected in taxes from abroad. This increase is about 70 percent. To conclude, the high increase in commodity and food prices, the international financial crisis, and its spill-over effects on global real economy has affected the external transactions of Curacao in 2008.

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 25 “Restorative Justice”: praktijk en evaluatie Ellen Maduro Inleiding In de vorige editie van de Modus (jaargang 10 nr. 3) is een algemene beschouwing gepresenteerd over “Restorative Justice” (RJ), een probleemoplossende aanpak van de criminaliteit waarbij alle partijen worden betrokken; het directe slachtoffer, de dader en de gemeenschap. Het langdurige en ingewikkelde proces binnen het formele justitile systeem zorgt voor ontmoediging bij de betrokkenen die zich inspannen voor gerechtigdheid. Alternatieve rechtsplegingsprocessen kunnen een mogelijke oplossing bieden in een dergelijke situatie. Het is niet de bedoeling om het gevestigde systeem te vervangen. Het gaat erom dat beide mechanismen parallel worden gebruikt. Gezien de inefficintie van bestaande rechtssystemen zijn in verschillende landen projecten opgezet om de toegang tot de justitile faciliteiten te vergemakkelijken. In dit artikel wordt ingegaan op de voorwaarden voor toepassing van RJ, voorbeelden van de RJ-aanpak en enkele resultaten van evaluatie van RJ-programma’s. Structurele voorwaarden voor de toepassing van RJ Het welslagen van de RJ-programma’s is verbonden aan een aantal voorwaarden. De uitvoer van RJ-programma’s vereist de nodige planning en de RJ-bijeenkomsten moeten nauwkeurig worden voorbereid. De bemiddelaars moeten speciaal voor dit soort zittingen getraind zijn, opdat zij een veilige en comfortabele omgeving kunnen garanderen. Verder moet er sprake zijn van goed gegronde regels ten behoeve van een vruchtbare uitwisseling voor beide partijen. Ook vrijwilligers kunnen de bemiddelingsrol uitoefenen, mits zij het trainingsprogramma gevolgd hebben (Marshall 1999). In Engeland wordt in bemiddelingssessies gebruik gemaakt van speciaal hiervoor ontworpen programma’s die los staan van dat wat gebruikelijk is in het crimineel justitile systeem, hoewel de bemiddeling vaak door betreffende instellingen (reclassering, instellingen binnen de hulpverleningssector, etc.) wordt begeleid. Bij programma’s die gemeenschapgericht zijn wordt de bemiddeling aangeboden als speciale hulpverlening via gemeenschapsbemiddelings-programma’s die plaatsvinden in geval van buurtgeschillen. Er is bijna altijd sprake van een stuurgroep bestaande uit vertegenwoordigers van groepen uit de gemeenschap, slachtofferhulp en justitile instanties. Neutraliteit van de bemiddelaars is een essentile voorwaarde voor het kweken van respect en vertrouwen bij het slachtoffer en de dader. De bemiddeling kan direct of indirect zijn. Bij directe bemiddeling is er direct contact tussen slachtoffer en dader. Indirecte bemiddeling vindt plaats wanneer het slachtoffer niet via direct contact betrokkenheid wenst te hebben met de dader. Bij indirecte bemiddeling is er minder ruimte voor het slachtoffer om zijn of haar emoties te uiten, om stereotypen weg te werken (van de hand te doen) en begrip op te brengen en om de dader te rehabiliteren. In de handleiding van de United Nations Office on Drugs and Crime (2006), wordt aangeraden de omstandigheden in beschouwing te nemen om te kijken hoe de herstelprogramma’s kunnen worden ingepast rekening houdende met de cultuur, het bestaande wettelijke kader, beperkte steun van justitie medewerkers, beperkte middelen en de mate van ondersteuning door de gemeenschap.

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 26 Typen RJ-programmaÂ’s Er bestaan talloze typen RJ-programmaÂ’s die varirend van formele tot informele aard zijn. De variteit is te wijten aan de vele interpretaties van conflict en de verschillende perspectieven om een conflict aan te pakken en op te lossen, de mate waarin sprake is van een verband met het crimineel justitile systeem, het soort betrokkenheid van de verschillende deelnemers in het proces en het doel wat men wilt bereiken (United Nations Office on Drugs and Crime, 2006). De hoofdcategorien die men onderscheidt zijn: bemiddeling (mediation), beraadslaging (conference) en cirkel (circle), (McCold 2004). De volgende voorbeelden worden in dit artikel uiteengezet: (1) slachtoffer-dader bemiddeling, (2) gemeenschapen familiegroepberaadslaging, (3) cirkelrechtspraak, (4) vredesluitingscirkels en genezingscirkels, (5) herstelprogrammaÂ’s voor jeugdige delinquenten, (7) groepssessies. RJ kan in principe op elk moment tijdens een rechtsproces worden toegepast; in het politile proces, tijdens het gerechtelijk onderzoek (voor verhoor), in het zittingsproces, na het vonnis (als alternatief op gevangenisstraf, gedurende de opsluiting of bij vrijlating). Doorgaans geschiedt bij meer ernstige delicten de herstelinterventie in latere fase van het rechtsproces. Er is altijd sprake van een bemiddelaar of begeleider die voor de contacten zorgt en hulp biedt bij het proces van herstel. Slachtoffer-dader bemiddeling Deze programmaÂ’s zijn er speciaal voor om in te gaan op de behoeften van de slachtoffers en om erop toe te zien dat de daders aansprakelijk worden gesteld voor hun daden. Ze worden gebruikt bij minder ernstige misdrijven, zoals eenvoudige diefstal. Zowel de overheidsinstanties als de niet gouvernementele instanties maken gebruik van de bemiddelingsprogrammaÂ’s. In de praktijk komt het voor dat zowel de politie, de rechtsvervolgers, de rechtbank als de reclasseringsambtenaren naar de bemiddelingsprogrammaÂ’s kunnen verwijzen. Het bemiddelingsprogramma kan tijdens de verschillende fasen worden gebruikt; vr de tenlastelegging, na tenlastelegging/verhoor en de fasen die hierna volgen. Indien men bemiddeling aanwendt in de fase vr het uitspreken van een vonnis, dan kan dit leiden tot aanbevelingen ten aanzien van het vonnis. Deelname aan bemiddeling door zowel de dader als het slachtoffer geschiedt uit eigen vrije wil. Succesvolle bemiddeling tijdens de opsluitingsfase kan onderdeel worden van de rehabilitatie van de dader. Bemiddeling kan geschieden in het geval van diefstal door middel van braak. In de fase voor het uitspreken van het vonnis zal worden nagegaan wat de oorzaken zijn van het plegen van het misdrijf en hoe hieraan gewerkt kan worden om herhaling te vermijden (bijvoorbeeld via een rehabilitatieprogramma, scholing, gezinsbegeleiding, etc.). Van de dader kan een vergoeding worden vereist voor de aangerichte schade en eventueel gestolen goederen. Gemeenschapsen familiegroepsberaadslaging Deze vorm van RJ vindt zijn oorsprong in Nieuw Zeeland en is gebaseerd op traditionele praktijken voor de oplossing van conflicten bij de Maori, waarbij de familie en de gemeenschap een belangrijke rol spelen bij het oplossen van misdaden. De aanpak is in 1989 aangewend in het proces van rechtspleging bij jeugddelinquentie, behalve bij zeer ernstige delicten zoals moord en doodslag.

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 27 Tegenwoordig wordt deze interventie toegepast in de Verenigde Staten, Afrikaanse landen, Australi (United Nations Office on Drugs and Crime, 2006). De betrokken partijen zijn het slachtoffer, de dader, familie en vrienden en belangrijke ondersteunende personen. Een getrainde bemiddelaar legt de contacten, geeft de nodige uitleg en brengt alle partijen bijeen. Iedereen neemt vrijwillig deel aan de beraadslaging en de dader moet van tevoren schuld hebben bekend. De bemiddelaar begeleidt de gesprekken, waarbij de deelnemers discussiren over de aangerichte schade en hoe deze te herstellen. De dader geeft een weergave van wat gebeurd is en alle partijen geven een beschrijving van het effect van de misdaad op hun leven. Het slachtoffer kan zijn of haar gevoelens tonen, vragen stellen aan de dader en naar voren brengen wat voor oplossi ng hij of zij verwacht van de beraadslaging en aangeven hoe de dader de schade kan herstellen. Aan het eind van de bijeenkomst wordt een overeenkomst getekend (U.S. Department of Justice, 2000). Het beraadslagingsproces moet de garantie bieden dat de dader zich aan de herstelafspraken houdt. De monitoring geschiedt door alle deelnemers aan de beraadslaging. Dit RJ-programma wordt toegepast in geval van bijvoorbeeld vandalisme van gemeenschapsgoed, zoals een school of een buurthuis of een misdrijf gericht tegen de concirge van een buurthuis. Cirkelrechtspraak De cirkelbenadering is gebaseerd op tradities van de Aboriginals, waarbij het geloof dat de gemeenschap en niet zozeer de direct getroffen personen en familie, de verantwoordelijkheid heeft om criminaliteitsproblemen op te lossen, centraal staat. In een cirkelrechtspraak geschiedt de discussie tussen de deelnemers die in een cirkelvorm bij elkaar gaan zitten. De cirkelrechtspraak vindt plaats binnen het formele rechtssysteem, onder begeleiding van rechtsexperten die ook deel uitmaken van de cirkel. Het slachtoffer, de familie en gemeenschap hebben de mogelijkheid zich te uiten, de dader te confronteren en mee te denken over de veroordeling en rehabilitatie van de dader. Deze aanpak is ook bedoeld om een oplossing te zoeken die bevredigend is voor het slachtoffer en de gemeenschap bescherming biedt. Huiselijk geweld is een voorbeeld van een misdrijf dat middels cirkelrechtspraak wordt opgelost. Vredesluitingscirkels en Genezingscirkels Bij deze cirkelprogramma’s is naast het oplossen van de misdaad, het herstel van en door de gemeenschap even belangrijk. Teneinde dit te bereiken wordt niet alleen gekeken naar het incident op zich, maar vooral naar de onderliggende problemen zoals details inzake de lokale criminaliteit en preventie. Het betreft ceremonies die erop gericht zijn een conflict op te lossen, de deelnemers ruimte te bieden om zich te uiten en te komen tot het persoonlijke herstel van slachtoffer en dader. Deelnemers in een conflict of misdrijf worden bij elkaar gebracht om te discussiren over het gebeuren en een genezingsproces op gang te brengen. De deelnemers zitten in een cirkel bij elkaar. In vroegere tijden geschiedde de discussie middels een praatstok of praatveer, die van spreker tot spreker ging. Vandaag de dag wordt nog steeds gebruik gemaakt van een praatobject. Een “cirkelbeheerder” begeleidt de cirkeldiscussie. Deze aanpak wordt toegepast in gevallen waar sprake is van traumatische ervaring, zoals mishandeling, marteling, foltering, etc. (misdrijven waar mentaal geweld bij te pas komt).

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 28 Herstelprogramma’s voor jeugdige delinquenten Deze programma’s worden gebruikt in geval van conflicten en wanneer er sprake is van minder ernstige delicten (vechtpartijen, pesterijen, kleine diefstallen, vandalisme, en dergelijke) en zijn minder formeel en meer opvoedend van aard. De programma’s vinden buiten het formele systeem plaats (bijvoorbeeld op school), waardoor stigmatisering kan worden vermeden. Groepsessies Een andere vorm van bemiddeling die in Engeland voorkomt is de groepsessie. Daders die vergelijkbare misdrijven hebben begaan komen samen met slachtoffers die dezelfde soort misdrijf hebben ervaren, in een groepsprogramma bijeen. Dit gebeurt in gevallen waar de betreffende daders niet zijn opgespoord of niet in staat zijn de slachtoffers te ontmoeten. Deze sessie biedt de slachtoffers de mogelijkheid hun gevoelens te uiten en de soortgelijke daders vragen te stellen. De daders krijgen tegelijkertijd een beeld van datgene wat ze bij hun slachtoffer(s) hebben aangericht. Evaluatie van en onderzo ek naar “Restorative Justice” Evaluatie van RJ-programma’s is belangrijk om de effectiviteit van de gedurende de jaren ontwikkelde programma’s te meten. De RJ-aanpak is ook aan verandering onderhevig. Onderzoeksresultaten kunnen bijdragen aan beleidsaanpassing en programma ontwikkeling in de toekom st, op basis van discussies over knelen pluspunten. Het evalueren van RJ-programma’s is geen makkelijke zaak; er moet een controle groep worden gevormd, de doelstelling varieert, de aard en omvang van de programma’s variren, de succesindicatoren variren, de operationalisatie van concepten verschilt, en zo zijn er talrijke factoren. McCold (2004) heeft onderzoek gedaan naar het verloop van zowel herstelprogramma’s als formele rechtszaken en concludeert het volgende: (1) confrontatie van het slachtoffer en de dader leidt tot een hogere mate van succes (2) herstelprogramma’s resulteren in een hogere mate van tevredenheid dan de formele rechtszaken, (3) de deelnemers ervaren het RJ-proces als rechtvaardiger dan het proces in formele rechtszaken, (4) recidivisme na RJ-programma’s is lager dan in het geval van formele rechtspleging. Uit een onderzoek van Marshall en Merry in 1990 (London) is gebleken dat tussen 80 en 100 procent van de slachtoffers die de mogelijkheid hadden om in contact te komen met hun dader het resultaat hiervan de moeite waard hebben gevonden. Slachtoffers zeggen minder boos te zijn, minder angst te hebben, een gevoel van genezing te merken en voldoening te hebben met het feit dat de dader het er niet makkelijk vanaf heeft gebracht. Bemiddeling die op direct contact uitkomt tussen slachtoffer en dader levert een hogere voldoening op dan gevallen van indirecte contacten. Latere studies spreken ook van hoge tevredenheidspercentages (Umbreit e.a. 1997, 75 procent of meer; Sherman, Lawrence W. en Strang, Heather 2007, 70 procent tevredenheid bij RJ versus 42 procent bij rechtbank). Het percentage herstelafspraken dat tot stand komt en wordt nagekomen via bemiddeling is veel hoger dan wanneer geen bemiddeling te pas is gekomen; tussen 70 en 100 procent versus 40 en 60 procent. Volgens Marshall speelt het soort delict en de leeftijd van de delinquent geen rol in het al dan niet slagen van de bemiddeling. Uit onderzoeken die in Engeland zijn gedaan blijkt dat de confrontatie van de dader met het slachtoffer in veel gevallen een aanzienlijk effect op de dader heeft.

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 29 Of hierdoor de kans op recidivisme minder wordt is een andere zaak. Onderzoek onder een groep daders heeft uitgewezen dat recidivisme in twee jaar tijd met 14 procent is afgenomen. De bemiddelings-programma’s blijken meer succes te hebben wanneer het gaat om personen die voor de eerste keer in aanraking zijn gekomen met justitie. Resultaten van Amerikaanse studies wijzen op een afname van recidivisme met 33 procent. In Australi heeft men indicaties gebaseerd op bevindingen van familiegroepsberaadslagingen dat de mate van voldoening bij slachtoffers vrij hoog is; 72 procent. Slachtoffers waarvan hun zaak via de rechtbank is afgehandeld hebben in het betreffende onderzoek een tevredenheidsgraad van 53 procent (Marshall 1999). Samenvattend “Restorative Justice” is geen standaard aanpak. Het is geen kwestie van n maat voor iedereen. De programma’s moeten met de nodige zorg worden opgezet en de bijeenkomsten nauwkeurig worden voorbereid. De bemiddelaars en alle betrokken experten horen een degelijke training te hebben ondergaan. “Restorative Justice” is geen vervanging voor de formele processen van criminaliteitsbestrijding en rechtspleging. Het is meer een aanvullende aanpak. Ook worden beide sporen tegelijk gevolgd. Er zijn verschillende soorten RJ-programma’s die varirend van aard zijn. De hoofdcategorien zijn: bemiddeling (mediation), beraadslaging (conference) en cirkel (circel). Evaluatie van RJ-programma’s is heel belangrijk voor beleid en programma ontwikkeling. Juist vanwege de variatie is er ook geen standaardmethodiek om de RJ-programma’s te evalueren. Op basis van bestaande evaluatie-onderzoeken blijkt dat RJ-programma’s meer voldoening bieden dan de formele rechtsprocessen. De mate van satisfactie is hoger dan bij de formele rechtszaken. Bovendien is er de indicatie dat de RJ-aanpak een remmend effect heeft op recidivisme. Desalnietemin is het zaak om evaluatiemechanismen te tandaardiseren en op meer regelmatige wijze de RJ-programma’s te monitoren. s Geraadpleegde literatuur Braithwaith, J. (2002). Restorative Justice and responsive regulation. The Canadian Resource Centre for Victims of Crime (march, 2011). Restorative Justice in Canada: what victims should know. McCold, Paul (2004). A summary of “A Survey of Assessment Research on Mediation and Restorative Justice”: Restorative Practices E FORUM, June 29, 2004. Presser, L./Van Voorhis, P.: Values and Evaluation: Assessing Processes and Outcomes of “Restorative Justice” Programs Crime & Delinquency January 2002 48: 162-188 Schechtman, L. (2005). Application of Peacemaking Circles in meeting the mental health needs of torture survivors. Sherman, Lawrence W. and Strang, Heather. Restorative Justice: the evidence. The Smith Institute, 2007. Spiteri, M.:Sentencing Circles for Aboriginal Offenders in Canada: Furthering the idea of Restorative Justice in Canada: what victims should know. Canadian Resource Centre for Victims of Crime – March 2011 United Nations Office on Drugs and Crime Handbook on Restorative justice programmes. 2006. http://www.sfu.ca/crj/popular.html.: Aboriginal Roots/ Aboriginal Justice (http://www.sfu.ca/crj/popular.html: Introduction to “Restorative Justice”) U.S. Department of Justice: Family Group Conferencing: Implications for Crime, 2000.

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 30 Nieuwe classificatiecode voor bedrijfsactiviteiten (ISIC rev.4) Ria Duyndam Inleiding Om statistieken van economische processen te kunnen produceren is het noodzakelijk om alle elementen die bijdragen aan de economie van een land, op een logische manier te classificeren. Een belangrijk element van een economie wordt gevormd door productie van bedrijven, zowel van goederen als van diensten. Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over ontwikkelingen in de economie is het noodzakelijk om de verschillenden soorten bedrijven en activiteiten te ordenen. Deze moeten op een systematische en logische manier geordend worden met behulp van een zo homogeen en uitgebreid mogelijk systeem. Classificatie van bedrijfsactiviteiten op Curaao vindt plaats op basis van de International Standard Industrial Classification of all Economic Activities (ISIC). De ISIC is ontwikkeld door de United Nations Statistics Division (UNSD)4 Deze afdeling is ook verantwoordelijk voor het onderhoud van dit classificatiesysteem. De originele versie hiervan stamt uit 1948. De ISIC codering is voornamelijk opgezet met het doel om statistieken te kunnen produceren over de verschillende bedrijfsactiviteiten. De meeste landen maken gebruik van ISIC of hebben een eigen classificatiesysteem ontwikkeld welke hiervan is afgeleid. Dit classificatiesysteem maakt internationale vergelijking mogelijk van economische activiteiten, bijvoorbeeld op het gebied van Nationale Rekeningen of van de werkgelegenheid. N aast ISIC zijn ook de volgende classificatiesystemen voor bedrijfsactiviteiten in gebruik: x Standard Industrial Classification (SIC), in 1937 ontwikkeld in de Verenigde Staten, maar nu alleen nog gebruikt door sommige departementen van de overheid x North American Industry Classification System (NAICS), welke wordt gebruikt in Mexico, Canada en de Verenigde Staten. Het NAICS heeft de SIC vervangen in 1997 x Standaard Bedrijfs Indeling (SBI), on twikkeld door het CBS in Nederland, maar wel gebaseerd op de ISIC indeling Er is enkele jaren gewerkt aan de vierde revisie van de ISIC codering (Rev. 4) door classificatie-experts en gebruikers van over de hele wereld. De 4e revisie heeft Revision 3.1 vervangen, en is ten opzichte hiervan veel uitgebreider geworden. Deze uitbreiding was noodzakelijk gezien de vele nieuwe bedrijfsactiviteiten die zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld, vooral op het gebied van de dienstverlening. Ook op het hogere niveau van bedrijfstakken hebben veranderingen plaatsgevonden. In tegenstelling tot Rev. 3.1 met 17 bedrijfstakken zijn er in Rev. 4 nu 21 gedefinieerd. Als voorbeelden van nieuw bijgekomen bedrijfstakken kunnen worden genoemd “cultuur, sport en recreatie” en “informatie en communicatie”. 4 De UNSD is een afdeling van de United Nations Department of Economic and Social Affairs welke zorgt voor het verzamelen en verspreiden van mondiale statistieken. Tevens stelt deze afdelin g standaarden en normen vast voor statistische activiteiten en steunt landen in het versterken van de nationale statistische systemen. Informatie over publicaties vindt men op de website: unstats.un.org

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 31 stus 2008. Deze 4 e revisie is goedgekeurd door de United Nations Statistical Commission5 in maart 2006 en is officieel vrijgegeven op 11 augu Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft in 2011 de nieuwste revisie van de ISIC gemplementeerd. Alle bedrijven in het bedrijvenregister van het CBS hebben de nieuwe code gekregen, maar vanwege de vergelijkbaarheid met eerdere jaren en om trendbreuk te voorkomen, zal deze code de komende jaren nog naast de oude code worden gebruikt. Het CBS heeft ISIC Rev. 4 voor het eerst toegepast bij de codering van de Census in 2011. De analyse van de Conjunctuurenqute over de eerste helft van 2012 zal ook gebruik maken van de nieuwe codes. Hierna zal ook het analyseren van de werkgelegenheid in 2011 en van de cijfers uit de Nationale Rekeningen enqute over 2010 met het nieuwe classificatiesy steem plaatsvinden. Het bepalen van de hoofdactiviteit van een bedrijf Een activiteit van een bedrijf moet gezien worden als een proces, de combinatie van acties, welke resulteert in een zekere set van producten. Met acties wordt bedoeld het inzetten van hulpmiddelen zoals arbeidskracht, machines, fabricagetechnieken of producten wat leidt tot specifieke goederen of diensten. Een homogene set van producten is karakteristiek voor de classificatie van een bedrijfstak. De hoofdactiviteit van een bedrijf is de activiteit die het meeste bijdraagt aan de toegevoegde waarde van het bedrijf. Omdat deze soms moeilijk is te bepalen, wordt gekeken naar de waarde van de brutoproductie van de goederen of diensten uit de activiteit van een bedrijf. Indien dit ook niet mogelijk is, kan de inzet van werknemers in de activiteit bepalend zijn voor het vaststellen van de hoofdactiviteit. Als de hoofdactiviteit eenmaal is vastgesteld kan hieraan een code worden gegeven. Ter illustratie: de meeste bedrijven hebben slechts n activiteit, bijvoorbeeld het produceren van blokken of het verhuren van auto’s. Sommige bedrijven hebben echter meerdere activiteiten, zoals een chinese toko met daarbij ook een restaurant. De eigenaar zal in zo’n geval moeten aangeven wat de hoofdactiviteit is van dit edrijf, dus de activiteit waar de meeste inkomsten mee worden verkregen. b S tructuur van de ISIC codering De gecodeerde bedrijfsactiviteiten worden gegroepeerd in bedrijfstakken het hoogste niveau van ISIC (zie tabel 1). In een bedrijfstak (in het Engels ‘industry’ genoemd) bevinden zich bedr ijven met een gelijksoortige activiteit (b.v. industrie, handel of transport). Een bedrijfstak wordt aangeduid met een hoofdletter, van A t en met U. to Een bedrijfstak kan nader verdeeld worden in hoofdgroepen (in het Engels divisions genoemd), en deze worden door 2 cijfers (digits) gekenmerkt. Een hoofdgroep in industrie is bijvoorbeeld productie van papier, of productie van meubels. 5 De United Nations Statistical Commission is een Functional Commission van de UN Economic and Social Council, en houdt toezicht op de UNSD. Het is het hoogste orgaan voor het nemen van beslissingen op het gebied van internationale statistieken, vooral op het gebied van statistische standaarden, het ontwikkelen van concepten en methodes en de implementatie hiervan op nationaal en internationaal niveau

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 32 Tabel 1 Structuur van ISIC rev 4 Bedrijfstak Hoofdgroepen Omschrijving van de bedrijfstak A 01-03 Landbouw, bosbouw en visserij B 05-09 Mijnbouw en delfstoffen C 10-33 Industrie D 35 Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht E 36-39 Winning en distributie van water, rioolsysteem, afvalverwerking en sanering (herstel) F 41-43 Bouwnijverheid G 45-47 Grooten Kleinhandel; reparatie van motorvoertuigen en motorfietsen H 49-53 Vervoer en opslag I 55-56 Horeca J 58-63 Informatie en communicatie K 64-66 Financileen verzekeringsactiviteiten L 68 Onroerend goed activiteiten M 69-75 Beroeps-, wetenschappelijke en technische activiteiten N 77-82 Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening O 84 Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen P 85 Onderwijs Q 86-88 Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening R 90-93 Cultuur, sport en recreatie S 94-96 Overige dienstverlening T 97-98 Activiteiten van huishoudens als werkgever; huishoudelijke goederen en dienstverlenende activiteiten voor eigen gebruik, n.e.g. U 99 Extraterritoriale organisaties en lichamen De hoofdgroepen bestaan uit verschillende subgroepen aangeduid met 3 cijfers (zie tabel 2). “Gespecialiseerde bouwactiviteiten” is een hoofdgroep van de bedrijfstak bouwnijverheid (F). Hierin zijn verschillende subgroepen te onderscheiden, onder andere “431 slopen van bouwwerken en bouwrijp maken van terreinen” en “432 elektrische bouwinstallatiebedrijven”. In de tabel is duidelijk te zien dat de eerste 2 cijfers van de hoofdgroep (43) worden uitgebreid met een extra cijfer, zodat de koppeling met de hoofdgroep altijd terug te vinden is. Het laagste niveau van ISIC bestaat uit 4 cijfers en is een verdere verdeling van een subgroep. De eerder genoemde subgroep “slopen van bouwwerken en bouwrijp maken van terreinen” wordt gesplitst in “4311 slopen van bouwwerken” en “4312 bouwrijp maken van terreinen”. Ook bij deze verdere verdeling is de koppeling met de suben hoofdgroep behouden.

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 33 Tabel 2 Nadere verdeling in een bedrijfstak 43 Gespecialiseerde bouwactiviteiten 431 Slopen van bouwwerken en bouwrijp maken van terreinen 4311 43110 Slopen van bouwwerken 4312 43120 Bouwrijp maken van terreinen 432 Elektrische bouwinstallatiebedrijven, loodgietersbedrijven en overige installatiewerkzaamheden in de bouw 4321 Elektrische installatie 43211* Elektrische installatiebedrijven 43212* Installatie van alarmsystemen 43219* Overige elektrische installatiebedrijven in de bouw: satellietontvangers, huisen straatverlichting, kabels voor computernetwerk 4322 Loodgietersbedrijven, hete en koude luchtinstallatie 43221* Loodgietersbedrijven 43222* Airconditioning installatie 43229* Overige installatie, o.a. sprinklersystemen, zonnepanelen 4329 43290 Overige bouwinstallatie, o.a. installatie van lift, elektrische deuren 433 4330 Bouwafwerking 43301* Klusjesman 43302* Timmerman in de bouw 43303* Schildersbedrijven 43309* Overig bouwafwerking, o.a. beglazing, betegeling (binnen) en andere vloerbedekkingswerkzaamheden, schoonmaakwerkzaamheden na de bouw, plaatsen van keukens (ook inrichten van winkels, boten, enz.) 439 4390 Overige gespecialiseerde activiteiten in de bouw 43901* Verhuren van machines voor de bouw met bedienend personeel 43902* Aanleg van zwembaden 43909* Overige gespecialiseerde bouwafwerkingswerkzaamheden, o.a. funderingen, hogedrukreiniging, metselwerk, pleisterwerkzaamheden, buigen van staal, dakbedekking Het CBS heeft het 4-cijferige niveau verder aangepast met een extra cijfer om nadere analyses mogelijk te maken op een lager niveau, en om acti viteiten te kunnen coderen die alleen op Curaao voorkomen. Er is op Curaao sprake van activiteiten die in andere landen niet voorkomen, zoals bijvoorbeeld de garage onder de boom of de truk’i pan. Deze activiteiten dragen bij aan de werkgelegenheid en aan de economie van Curaao, dus is het wel belangrijk dat ze gedentificeerd en gemeten kunnen worden. Hiernaast is het ook noodzakelijk gebleken om een bedrijfstak verder te specificeren aan de hand van bepaalde verzoeken om informatie. De 5-cijferige code geeft hier meer ruimte voor dan de officile ISIC code. De structuur van de officile ISIC blijft echter wel behouden. De eigen codes worden aangeduid met een asterisk, bijvoorbeeld “43301 klusjesman”. Als er geen verdere specificatie nodig is komt er een ‘0’ achter de 4-cijferige codes.

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Jaargang 10 34 Enkele belangrijke veranderingen in ISIC Rev.4 In de inleiding is reeds vermeld dat de 4e revisie uitgebreider is geworden en dat er ook meerdere bedrijfstakken zijn onderscheiden. De uitbreiding van bedrijfstakken betreffen de volgende: x “Openbaar nut” is gesplitst in “Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht” en “Winning en distributie van water, rioolsysteem, afvalverwerking en sanering (herstel)” x De bedrijfstak “Transport en communicatie” is nu gesplitst in “Vervoer en opslag” en “Informatie en communicatie” x “Overige dienstverlening” is gesplitst in “Cultuur, sport en recreatie” en “Overige dienstverlening” x De bedrijfstak “Zakelijke dienstverlening” is gesplitst in 3 delen: Onroerend goed activiteiten Beroeps-, wetenschappelijke en technische activiteiten Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening Als gevolg van deze opsplitsingen zijn er nu 21 bedrijfstakken te onderscheiden. Om de vergelijkbaarheid met voorgaande jaren te behouden zullen de nieuwe bedrijfstakken voorlopig nog worden samengevoegd tot de originele bedrijfstak van revisie 3.1. Enkele bedrijfsactiviteiten zijn van bedrijfstak veranderd in de nieuwe revisie, dit zal misschien tot enige verschuivingen gaan leiden. Een grote verandering betreft bijvoorbeeld het bedrijf Selikor die van “Overige dienstverlening” naar “Winning en distributie van water, rioolsysteem, afvalverwerking en sanering (herstel)” is gegaan. Een andere verandering is de landscaping en tuinonderhoud die van “Landbouw, bosbouw en veeteelt” naar “Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening” is gegaan. Bij analyseren zal met bovengenoemde veranderingen rekening moeten worden gehouden. S amenvatting Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gebruikt de International Standard Industrial Classification of all Economic Activities (ISIC) om de bedrijfsactiviteiten te coderen van bedrijven die zich in het bedrijvenregister van het CBS bevinden Deze codering is noodzakelijk om statistische analyses te kunnen uitvoeren op bedrijfstakniveau. In 2011 is de nieuwste revisie (revision 4) gemplementeerd, en zal bij komende analyses meer en meer worden toegepast.6 6 De complete ISIC codelijst is op verzoek verkrijgbaar bij het CBS.