Citation
Modus Jaargang 11 Nummer 1

Material Information

Title:
Modus Jaargang 11 Nummer 1

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 1

rff ntrff b t b r r r

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redactioneel........................................................ iii 1. Internationale economi sche ontwi kkeling in de periode 2010 tot en met 2012.................. 1 2. Prijsontwi kkeling Cur aao 2012.................. 7 3. Prijsontwi kkeling Cu raao 2011.................. 13 4. De levensduur van bedrijven op Curaao... 31 5. Relationship between the reservation w age of the unemployed and the last received hourly wa ge................................................... 37 Nummer 1 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 11 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Voor u ligt een nieuwe editie van een nieuwe jaargang MODUS, het statistisch magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao In deze editie treft u onder andere een artikel aan dat ingaat op de internationale economische ontwikkelingen over de periode 2010 2012. Het artikel legt uit hoe de economische ontwikkeling van een land wordt gemeten, namelijk middels de drie belangrijkste indicatoren, te weten het rele Bruto Binnenlands Product, het inflatiecijfer en het saldo op de betalingsbalans van het land. Uit het artikel valt in grote lijnen op te maken dat de economie voor zowel de ontwikkelde landen als de landen in ontwikkeling en de overige economien over deze jaren minder is gegroeid. In beide categorien van landen groeit o.a. het rele BBP in 2011 minder dan in 2010. In 2012 is volgens de eerste resultaten sprake van een inkrimping van het rele BBP in de ontwikkelde landen. Hiervoor is voornamelijk de Europese Unie verantwoordelijk. Wat de inflatie betreft kan worden gezegd dat zowel de ontwikkelde landen als de landen in ontwikkeling en overige economien in 2011 een stijging vertonen, terwijl de betalingsbalans van de ontwikkelde landen daarentegen steeds een negatief beeld geeft vanwege een negatief uitvoeroverschot en een negatief saldo van de inkomensoverdrachten. De betalingsbalans van de opkomende en ontwikkelingslanden vertoont over eenzelfde periode een positief saldo doch neemt dit steeds meer af. Vervolgens treft u twee artikelen aan in deze editie die Curaao als land binnen het bovenstaande perspectief belichten. Beide artikelen die gaan over een van de belangrijke indicatoren van de economie, namelijk de prijsontwikkelingen (inflatie). Het eerste artikel zoomt in op het fiscale jaar 2012 waarbij de inflatie 3,2 procent bedraagt en, bekeken over de afgelopen 20 jaar, hoger uit is gekomen dan het gemiddelde van 2,7 procent. Wereldwijd wordt de inflatie acceptabel bevonden als deze zich tussen de 2 en 3 procent bevindt. Vervolgens wordt de inflatie ontwikkeling over de periode 2001 2011 in een tweede artikel geanalyseerd. De constatering is dat er een geleidelijk stijgende trendlijn wordt waargenomen van iets minder dan twee procent naar bijna vier procent. Het tweede artikel sluit af met een voorzichtige voorspelling dat de gemiddelde inflatie van 3,4 procent over de meest recente vijfjarige periode 2007-2011 zou kunnen dienen als een voorzichtige indicatie, doch dat deze voorspelling vooral zal afhangen van het samenspel tussen diverse lokale en internationale factoren. Deze editie wordt afgesloten een artikel over de gemiddelde levensduur van bedrijven en een artikel over de relatie tussen het Colofon Oplage : 300 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 info@cbs.cw www.cbs.cw Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Ostrid Girigori Drukwerk Interpress NV Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2013 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Nummer 1 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine uurloon en het gereserveerde uurloon op de Curaaose arbeidsmarkt. Uit het eerste artikel van de laatste twee kan worden opgemaakt dat de gemiddelde levensduur van bedrijven op Curaao 11 jaar bedraagt. Bedrijven in de financile dienstverlening hebben de hoogste levensduur (17 jaar), en bedrijven in de overige dienstverlening de laagste (7 jaar). Het tweede analyseert de relatie tussen het voormalig ontvangen uurloon van werklozen en het gewenste uurloon op de arbeidsmarkt. Het ziet er dus naar uit dat werkloze sollicitanten de tendens hebben om het laatst genoten uurloontarief bij sollicitatie te hanteren, ondanks het feit dat ze langdurig werkloos zijn. Al met al veel interessante bevindingen die u, als lezer en gebruiker van statistische gegevens en wetenschappelijke dissertaties, zou kunnen gebruiken. Rest mij dan om u veel leesplezier toe te wensen. Sean de Boer Directeur CBS iv Jaargang 11

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 1Internationale economische ontwikkelingen in de periode 2010 tot en met 2012 Lorette Ford Inleiding De economische ontwikkeling van een land kan door midde l van drie belangrijke economische indicatoren worden gemeten, namelijk het rele Bruto Binnenlands Product (BBP), de inflatie en het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans. Dit artikel beschrijft de drie econ omische indicatoren voor twee grote groepen van landen te weten: 1. De ontwikkelde landen: hieronder vallen de Verenigde Staten (VS), de Europese Unie, Japan, en de overige ontwikkelde landen 1. 2. De opkomende landen en ontwikkelingslanden w aaronder Afrika, Centraal en Oost Europa, Verenigde Onafhankelijke Staten2, Opkomend Azi3, het Midden Oosten, de zoge naamde Western Hemisphere, bestaande uit Latijns Amerika en het Caribische Gebied. De data van 2012 betreffen voorlopige schattingen. Er is bij de beschrijving van dit artikel gebruik gemaakt van cijfers en analy ses uit de World Economic Outlook van oktober 2012 en de Regional Economic Outlook Western Hemisphere van oktober 2012 van het Internationale Monetaire Fonds (IMF). Definities Het bruto binnenlandse product (BBP ) is de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en diensten gedurende een bepaalde periode (meestal een jaar). Het nominale BBP is de productie van goederen en diensten gewaardeerd tegen lopende/huidige prijzen. Het rele BBP is het nominale BBP gecorrigeerd voor inflatie. De groei van het rele BBP wordt verkregen door het indexcijfer van het nominale BBP te delen door het prijsindexcijfer In dit artikel wordt met de groei van het rele BBP de jaarlijkse procentuele verandering aangegeven. Inflatie kan worden omschreven als een stijging van het algemene prijspeil, als gevolg van een gestegen vraag naar goederen en diensten, of doordat hoge re kosten worden doorberekend aan de consument (kosten voor grondstoffen, productie ko sten, of hogere belastingtarieven). 1 Ontwikkelde landen m.u.v. de V.S., Japan en Europese Unie 2 o.a Rusland, Ukrainekazkhstan, Belarus,Turkmenistan 3 deze groep wordt gevormd onder andere China, Zuid-Azie (India, Pakistan, Bangladesh), Asean5 (Indonesie, Thailand, Filipijnen, Malaysia en Vietnam)

PAGE 7

Modus atistisch Magazine St Jaargang 11 2 De lopende rekening van de betalingsbalans is opgebouwd uit een aantal deelrekeningen en geeft een overzicht van alle transacties met het buitenland in een jaar. Een positief saldo geeft aan dat er netto geld is verdiend met de transacties met het buitenland, en een ne gatief saldo dat er netto geld is besteed. Het saldo van de lopende rekening is opgebouwd uit: Het uitvoeroverschot; dit is het bedrag waarmee de uitvoer van goederen en diensten de invoer overtreft. Het saldo van uit het buitenland ontvangen pr imaire inkomens. Dit omvat ontvangen minus betaalde belastingen op productie en invoer, subsidies, beloning van werknemers en inkomen uit vermogen, zoals rente en dividend. Het saldo van uit het buitenland ontvangen inkomensoverdrachten. Dit omvat ontvangen minus betaalde dividendbelasting, uitkeringen social e verzekering en overige inkomensoverdrachten. Ontwikkelingen 2010-2012 Rele BBP Uit tabel 1 valt af te lezen dat de wereld economie in 2011 met 3,6 procent reel is gegroeid; dat is 1,5 procentpunten minder dan in 2010. De reden hiervoor is dat de economie minder hard is gegroeid in zowel de ontwikkelde landen als in de opkomende en ontwikkelingslanden. Het rele BBP van de ontwikkelde landen bedraagt in 2011 1,6 procent; dat is een achteruitgang van 1,4 procentpunten in vergelijking met een vooruitgang van 6,5 procentpunten in 2010 (ten opzichte van 2009). Van deze groep van landen valt de daling van het BBP in Japan het meest op. In 2011 heeft een inkrimping van 0,8 procent plaatsgevonden in de economie van Ja pan. Het jaar daarvoor bedroeg het rele BBP nog 4,5 procent. Zowel in de Verenigde Staten als in de Europese Unie is in 2011 het rele BBP 0,6 procentpunten minder gestegen dan in 2010. Ook de economie van de opkomende en ontwikkelingsl anden is in 2011 vertraagd gegroeid in termen van het rele BBP; deze is met 1,2 procentpunten gedaald te n opzichte van 2010. Over bijna de hele groep van landen in deze groep is de vertraagde groei waar te nemen. Slechts in Centraal en Oost Europa is het rele BBP in 2011 met 0,7 procentpunten vooruitgegaan. (v an 4,6 procent in 2010 naar 5,3 procent in 2011). Het rele BBP in Opkomend Azi, het Midden Oosten en Latijns Amerika en het Caribische Gebied zijn elk met 1,7 procentpunten achteruitgeg aan in vergelijking met 2010. Het rele BBP in Opkomend Azi bedraagt in 2010 9,5 procent en in 2011 7,8 procent In 2011 bedraagt het rele BBP van LatijnsAmerika en het Caribische gebied 4,5 procent en in 2010 wordt een percentage van 6,2 gemeten. Van deze groep zijn het vooral Argentini, Ecuador, en Panama, die in 2011 bijdragen aan de groei van 4,5 procen t. Panama noteert de hoogste econom ische groei (10,6%), gevolgd door Argentini (8,9%), en Ecuador (7,8%) (zie tabel 2). Vermeldenswaard zijn ook de ontwikkelingen in Hati en Venezuela, waar in 2011 een groei van 11 (van -5,4% naar 5,6%) en 5,7 (van -1,5% naar 4,2%) procentpunten respectievelijk wordt gemeten, na een inkrimping in 2010. De toename van de binnenlandse vraag in deze land en kan als grootste oorzaak van de groei worden genoemd.

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Tabel 1 geeft verder aan dat het rele BBP in Op komend Azi in alle jaren het hoogst is. Tabel 1. Rele Bruto Binnenlands Product 2009-2012 in % 2009 2010 2011 2012 1. Ontwikkelde landen, waarvan: Verenigde Staten -3,1 2,4 1,8 2,2 Europese Unie -4,4 2,0 1,4 -0,4 Japan -5,5 4,5 -0,8 2,2 Overige ontwikkelde landen -2,1 4,5 2,5 1,5 Subtotaal -3,5 3,0 1,6 -1,1 2. Opkomende landen en ontwikkelingslanden, waarvan : Afrika 2,8 5,3 5,1 5,0 Centraal en Oost Europa -3,6 4,6 5,3 2,0 Verenigd Onafhankelijke Staten -6,4 4,8 4,9 4,0 Opkomend Azi 7,0 9,5 7,8 6,7 Midden Oosten 2,6 5,0 3,3 5,3 Latijns Amerika en Caribische Gebied -1,5 6,2 4,5 4,0 Subtotaal 2,7 7,4 6,2 5,3 Totaal -0,6 5,1 3,6 3,3 Tabel 2. rele BBP, LatijnsAmerika en het Caribische Gebied, geselecteerde landen in % 2010 2011 2012 Argentini 9,2 8,9 2,6 Ecuador 3,6 7,8 4,0 Hati -5,4 5,6 4,5 Panama 7,6 10,6 8,5 Peru 8,8 6,9 6,0 Venezuela -1,5 4,2 5,7 De eerste resultaten voor 2012 wijzen uit dat de ve rtraging van de wereldeconomie zich in 2012 heeft voortgezet; het rele BBP gaat van 3,6 procent in 2011 na ar 3,3 procent in 2012. De ze vertraagde groei wordt in beide groepen van landen waargenomen; in de ontw ikkelde landen is zelfs sprake van een inkrimping van 1,1 procent. (zie tabel 1). De inkrimping van 0,4 procent van de Europese Unie is de voornaamste reden hiervoor. In zowel Japan als de Verenigde Staten wijzen de eerste resultaten op een verbetering van het rele BBP. Zoals eerder gezegd wordt de vertraagde groei ook in de opkomende -en ontwikkelingslanden waargenomen. Volgens de eerste schattingen van 2012 bedraagt de groei 5,3% procent; dat is 0,9 procentpunten minder dan 2011. In 2011 werd een gr oei van 6,2 procent gemeten. Het zijn voornamelijk Centraal en Oost Europa die verantw oordelijk zijn voor de daling in 2012; deze gaan met 3,3 procentpunten achteruit. Van deze categorie landen vindt alleen in het Midd en Oosten een versnelde groei plaats, en wel met 2 procentpunten in vergelijking met 2011. Nummer 1 3

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 4 Inflatie Zoals eerder gezegd zijn behalve het rele BBP ook de ontwikkelingen van de inflatie en het saldo op de lopende rekening van belang om de economie van een land te meten. Het inflatie cijfer van beide categorien landen is gestegen. In de ontwikkelde landen is het percentage gestegen van 1,5 in 2010 naar 2,7 in 2011. (zie tabel 3). De stijging is in alle groepen van landen (met uitzondering va n Japan) in deze categorie waar te nemen. In de Verenigde Staten is de inflatie naar 3,1 procent ge stegen, dat is een stijging van 1,5 procentpunten ten opzichte van 2010. In 2010 werd namelijk een cijfer va n 1,6 procent gemeten. De hoogste inflatie heeft zich echter in de Overige ontwikkelde landen voorged aan, waar een percentage van 3,4 is gemeten. In Japan is in alle jaren sprake van dalende prijzen. In de opkomende en ontwikkelingslanden is in 2011 een inflatie van 7,2 procent gemeten. Voor dit cijfer zijn nagenoeg alle groepen landen in deze categorie verantwoordelijk, in het bijzonder de Verenigde Onafhankelijke Staten, Afrika en het Midden Oosten waar een percentage respectiev elijk van 10,1; 9,7 en 9,7 zijn gemeten. In Latijns Amerika en het Caribische gebied is de inflatie in alle jaren nagenoeg constant gebleven. Tabel 3. Inflatie (CPI), jaarlijkse procentuele verandering, 2009-2012 2009 2010 2011 2012 1. Ontwikkelde landen, waarvan: Verenigde Staten -0.3 1,6 3,1 2,0 Europese Unie 0,3 1,6 2,7 2,3 Japan -1,3 -0,7 -0,3 0,0 Overige ontwikkelde landen 1,4 2,4 3,4 2,3 Subtotaal 0,1 1,5 2,7 1,9 2. Opkomende en ontwikkelingslanden, waarvan: Afrika 9,4 7,5 9,7 9,1 Centraal en Oost Europa 4,7 5,3 5,3 5,6 Verenigd Onafhankelijke Staten 11,2 7,2 10,1 6,8 Opkomend Azi 3,0 5,7 6,5 5,0 Midden Oosten 6,6 6,9 9,7 10,4 Latijns Amerika en Caribische Gebied 6,0 6,0 6,6 6,0 Subtotaal 5,1 6,1 7,2 6,1 Volgens de eerste resultaten is het inflatiecijfer in 2012 in zowel de ontwikkelde landen als in de ontwikkelingslanden minder hard gegroeid dan in 20 11 (respectievelijk met 0,8 procentpunten en 0,6 procentpunten). Het land dat in de eerste categorie van landen opvalt is Japan waar in 2012 een percentage van 0,0 wordt gemeten in vergelijking met -0,3 procent in 2011. In de tweede categorie van landen valt het Midden Oosten in 2012 het meest op. Hier is het inflatiecijfer het hoogst (10,4%).

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 5Saldo lopende rekening De lopende rekening van de betalingsbalans in de ontw ikkelde landen vertoont in 2 011 een negatief saldo in vergelijking met het positieve saldo dat in de opkome nde en ontwikkelingslanden is waargenomen (tabel 4). In de ontwikkelde landen bedraagt het saldo in 2011 namelijk -0,2 procent van het BBP, terwijl het saldo in de opkomende en ontwikkelingslanden 1,3 procent van het BBP bedraagt. De belangrijkste redenen voor het negatieve saldo van de lopende rekening van de ontwikkelde landen (zie tabel 5) zijn: Het negatieve saldo van de uitvoer; de uitvoer van goederen is veel lager dan de import van goederen. Het negatieve saldo van de inkomensoverdracht en uit het buitenland, dus er zijn minder inkomensoverdrachten uit het buitenla nd ontvangen dan er zijn besteed. Tabel 4. Saldo lopende rekening (in % van BBP), 2009-2012 2009 2010 2011 2012 1. Ontwikkelde landen, waarvan: Verenigde Staten -2,7 -3,0 -3,1 -3,1 Europese Unie 0,1 0,4 0,4 1,1 Japan 2,9 3,7 2,0 1,6 Overige ontwikkelde landen 1,8 1,8 1,9 0,9 Subtotaal -0,2 0,0 -0,2 -0,4 2. Opkomende en ontwikkelingslanden, waarvan: Afrika -3,1 -1,2 -1,7 -3,2 Centraal en Oost Europa -3,1 -4,7 -6,1 -5,0 Verenigd Onafhankelijke Staten 2,5 3,6 4,6 4,2 Opkomend Azi 3,7 2,4 1,6 0,9 Midden Oosten 2,6 7,7 14,2 12,2 Latijns Amerika en Caribische Gebied -0,5 -1,2 -1,3 -1,7 Subtotaal 1,6 1,5 1,3 1,1 Hoewel de lopende rekening van de betalingsbalans in de opkomende en ontwikkelingslanden in 2011 een positief saldo vertoont, is het ten opzichte van 2010 verder achteruit gegaan en wel met 0,2 procentpunten van het BBP. De reden voor het positi eve saldo is dat het positieve saldo van goederen en diensten en het positieve saldo van de inkomensoverdrachten veel gr oter zijn dan het negatieve saldo op het ontvangen inkomen uit het buitenland (zie tabel 5). Het zijn voornamelijk landen in het Midden Oosten die ervoor zorgen dat het saldo boven de nul procent van het BB P blijft. Het Midden Oosten noteert zowel in 2010 als in 2011 het hoogste percentage. De meeste landen uit het Midden Oosten zijn olie-exporteurs en door hoge olieprijzen zijn de exportopbrengsten dan ook hoog. Zoals eerder is aangegeven is ondanks het positieve saldo toch een verslechtering van de betalingsbalans opgetreden; landen die hiervoor verantwoordelijk zijn liggen voornamelijk in Ce ntraal en Oost Europa, Afrika en Latijns Amerika en Caribische gebied met re spectievelijk -6,1, -1,7 en -1,3 procent. De oorzaak hiervan is dat het uitvoersaldo is gedaald doordat de waarde van de importen relatief meer zijn gestegen dan de exporten.

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 6 In 2012 is de lopende rekening van de betalingsbalans in de ontwikkelde landen verder verslechterd (van 0,2 %in 2011 naar 0,4 % in 2012). De reden hiervan is dat in Japan een verslechtering plaatsvindt terwijl dat van de VS constant blijft (zie tabel 4). Hoewel de opkomende en ontwikkelingslanden een positief saldo vertonen in 2012 is het ten opzichte van 2011 met 0,2 procentpunten achteruitgegaan. Alle groepen van landen in deze categorie zijn achteruitgegaan, het laagste saldo wo rdt in Centraal en Oost Europa (-1,7%) gemeten en het hoogste in het Midden oosten (12,2%) Tabel 5. Componenten Lopende rekeni ng 2010-2012, (in miljarden US$) 2010 2011 2012 1. Ontwikkelde landen Saldo goederen en diensten 2,9 -103,8 -141,5 Saldo inkomen 343,4 393,7 336,5 Saldo inkomensoverdrachten -366,8 -383,2 -360,1 2. Opkomende en ontwikkelingslanden Saldo goederen en diensten 454,0 657,9 500,2 Saldo inkomen -389,6 -451,6 -425,9 Saldo inkomensoverdrachten 271,8 274,9 287,5 Zowel in de VS, de Europese Unie als in de Overig e ontwikkelde landen is het saldo nagenoeg constant gebleven in beschreven periode (2 010-2012). Vermeldenswaard is ook dat Japan in beschreven periode het oogste saldo percentage heeft in vergelijking me t andere landen in deze categorie van landen h Samenvatting In beide categorien van landen groeit het rele BBP in 2011, maar minder dan in 2010. Bij de ontwikkelde landen is het vooral Japan die hi ervoor verantwoordelijk is (-0, 8%), en bij de opkomendeen ontwikkelingslanden laten alleen Centra al en Oost Europa en de Verenigd Onafhankelijke Staten een hogere groei zien in 2011. In 2012 is volgens de eerste resultaten sprake van een inkrimping van het rele BBP in de ontwikkelde landen (-1.1%). Hiervoor is voornamelijk de Europese Unie verantwoordelijk. Voor wat de inflatie betreft kan worden gezegd da t beide categorien van landen in 2011 een stijging vertonen, respectievelijk 1,2 en 1,1 procentpunten. Het hoogste inflatiecijfer wordt in 2011 in de Verenigde Onafhankelijke Staten gemeten (10,1%). In de ontwikkelde landen groeit het inflatiecijfer in 2012 in alle landen (met uitzondering van Japan) minder hard dan in 2011. In de opkomendeen ontwikkelingslanden varieert de gr oei. Het hoogste inflatiecijfer in 2012 wordt in het Midden Oosten gemeten (10,4%). De betalingsbalans van de ontwikkeld e landen bedraagt steeds een negati ef percentage van het BBP, vaak vanwege een negatief uitvoeroverschot en een negatief saldo van de inkomensoverdrachten. Hoewel de betalingsbalans van de opkomende en ontwikkelingslanden in beschreven periode een positief saldo vertoont, neemt dit steeds meer af. Zowel in de VS, de Europese Unie als in de Overig e ontwikkelde landen is het saldo nagenoeg constant gebleven in beschreven periode (2 010-2012). Vermeldenswaard is ook dat Japan in beschreven periode het hoogste saldo percentage heeft in vergelijking met andere landen in dezelfde categorie.

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 7 Prijsontwikkeling Curaao 2012 Solange Bomberg Inleiding In dit artikel wordt een beeld geschetst van de consumentenprijsontwikkeling van Curaao in 2012. Waar nodig wordt dit vergeleken met de consumentenprijsprijsontwikkeling in voorgaande jaren. Dit artikel is verdeeld in de volgende paragrafen: Prijsontwikkeling Curaao tussen november en december 2012; Prijsontwikkeling Curaao tussen december 2011 en december 2012; Inflatie Curaao 2012: lange termijn prijsontwikkeling; Relatieve bijdrage van de negen bestedingscategorien aan de inflatie op Curaao over het gehele jaar 2012; Samenvatting; Conclusie en Aanbeveling Prijsontwikkeling Curaao tusse n november en december 2012 Het consumentenprijsindexcijfer (CPI) van Curaao is in de maand december 2012 met 0,7 procent gedaald ten opzichte van november 201 2, van 122,4 naar 121,6. De prijsontwikkeling in de maand december wordt vooral benvloed door de prijsdaling van elektriciteit en benzine met respectievelijk 7 en 6 procent. Noemenswaa rdig zijn verder de prijsdaling van waterverbruik met 3 procent en de prijsstijging va n nieuwe autos met 2 procent. De bestedingscategorien die de belangrijkste prijswijzi ging vertonen zijn: Kleding en schoeisel (+1,4%), Wonen (-1,6%) en Vervoer en communicatie (-0,8%). De prijsontwikkeling van Kleding en schoeisel wordt veroorzaakt doordat kleding 1,6 procent duurder is geworden. De prijsontwikkeling van Wonen wordt vooral bepaald door de prijsdaling van energiever bruik (met name elektriciteit) en waterverbruik met respectievelijk 6,1 en 3,5 procent. De prijsontwikke ling van Vervoer en communicatie balanceert tussen enerzijds de prijsstijging van nieuwe autos met 2 procent en anderzijds de prijsdaling van kosten van autorijden en communicatie met respectievelijk 3 en 2 procent. De producten dienstengroep kosten van autorijden wordt vooral benvloed door de prijsdaling van benzine met 6 procent. Prijsontwikkeling Curaao tussen december 2011 en december 2012 Als de maand december 2012 wordt vergeleken met de maand december 2011, blijkt dat het consumentenprijsindexcijfer tussen december 2011 en de cember 2012 is toegenomen van 118,6 naar 121,6. Dit is een stijging van 2,5 procen t. Dit cijfer geeft weer hoeveel duurder de maand december van het afgelopen jaar is ten opzichte van de maand december van het jaar daarvr.

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 8 Inflatie Curaao 2012: lange termijn prijsontwikkeling Algemeen In dit kader wordt met lange termijn of langdurig een periode van tenminste 12 maanden bedoeld. Inflatie kan worden gedefinieerd als een langdurig economisch proces va n algemene prijsstijging, met als gevolg geldontwaarding (dus koopkrachtdaling van het geld) en stijging van de kosten van levensonderhoud. Het kan worden veroorzaakt door duurdere import, hogere loonkosten, hogere overige bedrijfslasten c.q. productiekoste n, het marktspel van vraag en aanbo d (schaarste van producten/diensten), hogere winstmarges van bedrijven en stijging van de geldhoeveelheid in omloop. De algemene gedachte onder economen is dat de inflat ie in een gezond groeiende economie ongeveer twee drie procent4 bedraagt. Een te hoge inflatie kan nadelig zi jn voor de koopkracht van consumenten, de waarde van spaartegoeden, de concurrentiepositie te n opzichte van het buitenland en kan leiden tot verhoging van het renteniveau waardoor investeringen uitblijven. De inflatie van Curaao wordt, conform internationale statistische normen en richtlijnen, maandelijks door het Centraal Bureau van de Stat istiek (CBS) berekend op grond van de twaalfmaandsgemiddelde consumentenprijsindex (CPI). De CPI is gebaseerd op de maandelijkse prijsontwikkeling van een representatieve verzameling consumptiegoederen en diensten op ons eiland. Deze verzameling consumptiegoederen en diensten, ook wel consumentenmand of consumptiemand genoemd, is onderverdeeld in negen bestedingscategorien: Voe ding, Dranken en rookwaren, Kleding en schoeisel, Wonen, Woninginric hting en huisraad, Ge zondheidszorg, Vervo er en communicatie, Recreatie, educatie en ontwikkeling en Overig. De CPI is het gewogen gemiddelde van de prijsontwikkeling van deze bestedingscategorien. De gewichten geven aan hoe gr oot het relatieve aandeel van elke bestedingscategorie in de consumptiemand, du s in het totale pakket van consumentenbestedingen, is. De consumentenmand en de gewich ten worden bij het budgetonderzoek5 vastgesteld, die 1 keer in de vijf a 10 jaar plaatsvindt; de consumentenmand wo rdt doorgaand geactualiseerd door het vervangen van producten die niet meer verkocht wo rden en van zaken die sluiten. De gewichten van de bestedingscategorien zijn, afgerond, als volgt: Voeding: 12% Dranken en rookwaren: 2% Kleding en schoeisel: 5% Wonen: 31% Woninginrichting en huisraad: 7% Gezondheidszorg: 1% Vervoer en communicatie: 23% Recreatie, educatie en ontwikkeling: 8% Overig: 12% 4 Governments often strive for an inflation rate of around 2 to 3 percent per year. Such low inflation is beneficial for the e conomy. Low inflation encourages consumers to buy goods and services. Delaying will mean that they would have to pay more for the same product. Low inflation also makes it more appealing to borrow money, since interest rates are usually also low during periods of low inflation. Maintaining low inflation is therefore an important goal for governments and central banks because of the economic benefits. http://www.global-rates.com/economic-indicators/inflation/inflation-information.aspx 5 Een nationaal, door het CBS uitgevoerd, onderzoek naar de bestedingen van de consument.

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 9 Wanneer het niveau van de prijs van een product over een bepaald jaar wordt vergeleken met het niveau van de prijs van hetzelfde product over een ander jaar, is dit gebaseerd op het berekende twaalfmaandsgemiddelde CPI voor dit product. Het berekende inflatiepercentage wordt vooral door bedrijven en overheidsinstanties gebruikt om lonen, salarissen, uitkeringen, pensioenen en andere inkomens te indexeren. Door indexering van het inkomen met een percentage die minstens even hoog is als de inflatie wordt het koopkrachtverlies dat door de inflatie wordt veroorzaakt geneutraliseerd. Inflatie Curaao 2012 in tijdsperspectief Het twaalfmaandsgemiddelde van de consumentenprijzen op Curaao blijkt in december 2012 3,2 procent hoger te zijn dan in december 2011. Deze stijging ge eft volgens het CBS een goed beeld van de lange-termijn inflatie, en wordt daarom aangeraden als indexeringsinstrument voor lonen, salarissen, pensioenen, uitkeringen etc. Het inflatiecijfer van december 2012 (3,2%) is tevens het inflatiecijfer over het gehele jaar 2012. De inflatie op Curaao over het hele jaar 2012 is derhalve 3,2 procent. Dit is de stijging van het twaalfmaandsgemiddelde consumentenprijsindexcijfer van 117,0 in dece mber 2011 naar 120,7 in december 2012. Vervolgens wordt de inflatie op ons eiland over het afgelopen jaar vanuit drie tijdsperspectieven nader belicht: Over het jaar 2012, van maand tot maand; Over de afgelopen twee jaar, van maand tot maand; Over de afgelopen 20 jaar, op jaarbasis. Over het jaar 2012, van maand tot maand Tabel 1 Inflatie Curaao 2012, van maand tot maand bezien Januari 2,4% Februari 2,5% Maart 2,6% April 2,9% Mei 3,1% Juni 3,3% Juli 3,3% Augustus 3,3% September 3,2% Oktober 3,2% November 3,2% December (is tevens Inflatiecijfer voor gehele jaar 2012) 3,2% Bron: CBS Zoals uit tabel 1 blijkt, is de inflatie gedurende 2012 geleidelijk gestegen van 2,4 procent in januari naar 3,3 procent in juni om vervolgens na drie maanden stabili satie licht te dalen naar 3,2 procent in september. Sinds september is de inflatie stabiel ge bleven op het niveau van 3,2 procent.

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Over de afgelopen twee jaar, van maand tot maand Grafiek 1 Inflatie op Curaao in de afgelopen 2 jaar0 1 2 3 4 5 6 7D e c 1 0 J a n 11 F eb 1 1 Mr t 11 A pr 11 Me i 1 1 J un 1 1 J ul 1 1 A ug 11 Se p 1 1 O kt 1 1 N ov 11 D e c 1 1 J a n 12 F eb 1 2 Mr t 12 A pr 12 Me i 1 2 J un 1 2 J ul 1 2 A ug 12 Se p 1 2 O kt 1 2 N ov 12 D e c 1 2Inflatie (% stijging van de 12-maandsgemiddelde CPI) Van maand tot maand bezien vertoont de inflatie ge durende de afgelopen twee jaar een licht golvende beweging tussen 2,0 en 3,3 procent, zoals blijkt uit grafiek 1. Over de afgelopen 20 jaar, op jaarbasis 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 0.0 1.0 2.0 3.0 4.0 5.0 6.0 7.0Inflatie%JaarGrafiek 2 Inflatie Curaao afgelopen 20 jaar: 1993-2012 INFLATIE% 2.11.82.83.63.31.10.45.81.80.41.61.44.13.13.06.91.82.82.33.2 19931994199519961997199819992000200120022003200420052006200720082009201020112012 Jaargang 11 10

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 11 Zoals blijkt uit grafiek 2, kan over de afgelope n 20 jaar een sterk schommelende inflatie worden waargenomen. Er zijn twee duidelijke pieken van 5,8 en 6,9 procent in 2000 en 2008 respectievelijk. Over genoemde periode zijn er ook drie dalen zichtbaar, namelijk 0,4 procent in 1999 en 2002 en 1,8 procent in 2009. De gemiddelde inflatie op Curaao over de afgelopen 20 jaar is 2,7 procent; de inflatie over het jaar 2012 (3,2 %) is dus hoger dan gemiddeld. Relatieve bijdrage van de negen b estedingscategorien aan de inflatie op Curaao over het gehele jaar 2012 De bijdrage van een bestedingscategorie aan de infl atie wordt bepaald door twee eigenschappen van de bestedingscategorie: de hoogte van de prijswij ziging en het gewicht in de consumentenmand. De drie bestedingscategorien die het meest hebben bijg edragen aan de inflatie van het afgelopen jaar zijn: Vervoer en communicatie, Voeding en Wonen, die voor respectievelijk 29, 25 en 24 procent van de inflatie verantwoordelijk zijn. Dit blijkt uit grafiek 3. De prijsontwikkeling van deze drie bestedingscategorien samen heeft dus voor ruim driekwart aan de inflatie over het gehele jaar 2012 bijgedragen. Dit komt door hun relatief groot aandeel c.q. gewicht6 in de consumentenmand en door hun relatieve grote prijsstijging. Alle van de drie voornoemde bestedingscategorien waren in 2012 significant duurder dan in 2011: Vervoer en communicatie (+3,9%), Voeding (+6,1%) en Wonen (+2,4%). De oorzaak van de grote impact van deze drie bestedings categorien op de inflatie van het afgelopen jaar is gelegen in de prijsontwikkeling van een aantal specifieke producten/diensten of producten dienstengroepen. In de bestedingscategorie Vervoer en communica tie heeft de prijsontwikkeling van de kosten van autorijden (met name benzine) en nieuwe autos de grootste impact. Deze productgroepen zijn in 2012 respectievelijk 6,2 en 6,0 procent duurder dan in 2011. In de bestedingscategorie Voeding heeft de pr ijsontwikkeling van graan producten, vlees en vis, verteringen buitenshuis en aardappelen, groenten en fr uit de grootste impact. Deze producten zijn in 2012 respectievelijk 7.9, 6.4, 5.7, en 4.7 procent duurder dan in 2011. In de bestedingscategorie Wonen heeft de prij sontwikkeling van energieverbruik (met name elektriciteit) en huuren hypotheek de gr ootste impact. Deze producten zijn in 2012 respectievelijk 5,1 en 2,2 procent duurder dan in 2011. 6 Zie voorgaande paragraaf van dit artikel.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine Grafiek 3 Relatieve bijdrage bestedingscategorien aan inflatie Curaao 2012 Overig, 8% Recreatie, ontwikkeling en educatie, 4%Vervoer en communicatie, 29%Gezondheidszorg, 0% Woninginrichting en huisraad, 6%Wone n 24%Kleding en schoeisel, 2% Dranken en rookwaren, 3%Voe d i n g 2 5 % Samenvatting Kort samengevat, wordt de prijsontwikkeling van Curaao in 2012 vooral door een viertal feiten gekenmerkt. Het consumentenprijsindexcijfer (CPI) van Curaao is in de maand december 2012 met 0,7 procent gedaald ten opzichte van november 2012. Gemeten over de periode van twaalf maanden tot en met december 2012, nemen de prijzen met 3,2 procent toe ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder. De belangrijkste prijswijzigingen per bestedingscategorie in december 2012 hebben zich voorgedaan in de bestedingscategorien Wonen en Vervoer en communicatie. De bestedingscategorien Vervoer en communica tie, Voeding, en Wonen hebben het meest bijgedragen aan de inflatie van Curaao over het jaar 2012. Conclusie en Aanbeveling Inflatie is per definitie een weerga ve van de consumentenprijsontwikke ling over de periode van twaalf maanden. De inflatie over 2012 is dus een weergave van de gemiddelde consumentenprijsontwikkeling over het gehele jaar 2012. De prijsontwikkeling van Curaao over het afgelopen jaar heeft met een inflatie van 3,2 procent geresulteerd in een inflatieniveau dat iets hoger ligt dan de gemiddelde inflatie over de afgelopen 20 jaar van 2,7 procent. Gelet op het sociaal-economisch be lang behoeft de prijsontwikkeling van Curaao continue de nodige aandacht, van beleidsmakers en de so ciaal-economische partners in de ge meenschap. Steeds dient hierbij het door economen voor een gezonde economie aangehouden ri chtlijn van 2 3 procent inflatie in het vizier te worden gehouden. Jaargang 11 12

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 13 Prijsontwikkeling Curaao 2011 Solange Bomberg Inleiding Dit artikel bestaat uit de volgende paragrafen: Inleiding; Methodologie; Prijsontwikkeling Curaao 2011 nader belicht vanui t het perspectief van de bestedingscategorien; Lange termijn prijsontwikkeling: inflatie 2011 Curaao in breder tijdsperspectief; Mogelijke invloed van internationale economische factoren op de inflati e van Curaao in 2011; Samenvatting en conclusie. In dit artikel zal de prijsontwikkeling voor de consument op Curaao in het jaar 2011 onder de loep worden genomen. Het doel is om meer inzicht te verkrijgen in de prijsontwikkeling van ons eiland over het jaar 2011. In het kader van dit artikel wordt met de prijsontwikkeling in Curaao bedoeld: de gemiddelde prijsstijging of prijsdaling van goederen en diensten op het eiland voor de consument die hier woont. Gemeten over een heel jaar geeft de prijsontwikkeling de inflatie weer, oftewel de gemiddelde stijging van de kosten van levensonderhoud. Met inflatie wordt in dit artikel de lange termijn prijsontwikkeling bedoeld. Met lange termijn prijsontwikkeling wordt in eerste instantie de prijsontwikkeling over een periode van een (kalender)jaar c.q. 12 maanden bedoeld. In tweede instantie kan ook naar de prijsontwikkeling over een aantal jaren worden gekeken door de inflatiecijfers van elk kalenderjaar met elkaar te vergelijken en over desbetreffende periode een gemiddelde inflatie per j aar te berekenen. De relatie tussen de begrippen inflatie en prijsontwi kkeling is derhalve in een notendop dat de inflatie de gemiddelde ontwikkeling van de consumentenprijzen over een periode van twaalf maanden, doorgaans over een kalenderjaar, weergeeft. Inzicht in de prijsontwikkeling van Curaao is derhalve belangrijk omdat dit inzicht verschaft in de inflatie van het land. Inflatie op haar beurt is een belangrijk aspect b ij de sociaal-economische ontwikkeling van het land. Immers, enerzijds is de inflatie het resultaat van economische processen, beslissingen, activiteiten en ontwikkelingen in binnenen buitenland; anderzijds houden zowel consumenten, investeerders als beleidmakers c.q. overheid bij het nemen van beslissingen rekening met de inflatie. Globaal zullen achtereenvolgens de volgende onderwerpen in dit artikel worden besproken. Na bespreking van een aantal methodologische aspecten met name de wijze van totstandkoming van het inflatiecijfer, uitleggen van begrippen als CPI, consumentenmandje en bestedingscategorie, de betekenis van inflatiezal gekeken worden naar de prijsontwikkeling in 2011, met specifieke highlights per bestedingscate gorie. Vervolgens zal de inflatie over 2011 in breder tijdsperspectief worden geplaatst om zo inzicht te verkrijgen in hoe uitzonderlijk of juist gewoon de inflatie van 2011 is. Daarna zal stilgestaan worden bij een drietal internationale factoren waarvan beredeneerd kan worden dat ze mogelijkerwijs invloed op de inflatie van ons e iland hebben: olieprijzen, voedselprijzen en de euro-dollar wisselkoers. Tot slot wordt dit ar tikel afgesloten met een korte samenvatting en conclusie.

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 14 Methodologie Algemeen Het Centraal Bureau voor de Statistiek van Cu raao (CBS) houdt zich bij het berekenen van de Consumentenprijsindex (CPI, Consume r Price Index) en de inflatie aan internationale statistische richtlijnen en methodieken. CPI Het CBS berekent maandelijks een Consumentenprijsin dex (CPI, Consumer Price Index). Hierdoor kan ook maandelijks een 12 maandsgemiddelde CPI worden berekend. Het verschil tussen de twaalfmaandsgemiddelde CPI van een bepaalde maand van een bepaald jaar en de twaalfmaandsgemiddelde CPI van diezelfde maand een jaar eerder is de inflatie op dat moment. Inflatie is dus per definitie een weergave van de gemiddelde cons umentenprijsontwikkeling over een periode van 12 maanden. Doorgaans wordt gesproken van de inflatie over een bepaald kalenderjaar. Als de inflatie van een aantal kalenderjaren naast elkaar wordt gelegd, kan de gemiddelde inflatie per jaar over een bepaalde periode worden berekend. Het inflatiecijfer, zoals boven omschreven, geeft een go ed beeld van de lange termijn prijsontwikkeling en wordt daarom aangeraden als indexeringsinstrument voor onder andere lonen, salarissen, uitkeringen en pensioenen. De CPI is een maatstaf voor de gemiddelde prijs die consumenten aan goederen en diensten uitgeven voor een marktconform, gebalanceerd consumptieman dje, ook wel consumentenmandje genoemd.7 De CPI wordt door het CBS maandelijks berekend op grond van de circa 5000 prijzen van producten en diensten in het consumptiemandje die elke maand verzameld worden. Deze prijzen worden vervolgens gewogen met het aandeel dat ze hebben in de gemi ddelde bestedingen van de consument. Consumptiemand(je) of Consumentenmand(je) Het consumptiemandje vertegenwoordigt de gemiddelde consument en wordt in principe n keer in de vijf zeven jaar volledig herzien aan de hand va n de gegevens over consumptieve bestedingen die verkregen worden uit het budgetonderzoek, ook wel household budget survey of HBO genoemd. Tussentijds worden indien nodig aanpassingen ge daan in deze representatieve, gebalanceerde consumentenmand, bijvoorbeeld als een winkel failliet gaat of een product niet meer verkocht wordt. Het marktconforme gebalanceerde consumentenmandj e is opgebouwd uit negen bestedingscategorien8, die weer onderverdeeld zijn in productgroepen. Elke productgroep is op haar beurt weer opgebouwd uit een aantal specifieke produc ten. Zo is bijvoorbeeld de bestedingscategorie Wonen8 opgebouwd uit de productgroepen woonkosten, energieverbruik, w oningonderhouden reparatie, tuinonderhoud en waterverbruik. Vervolgens kan bijvoorbeeld de pr oductgroep energieverbruik onderverdeeld worden in de specifieke producten kookgas, elektricite it en overig energieverbruik (kerosine etc.). 7 Zie voor nadere uitleg onder deze paragraaf, sub-paragraaf consumptiemand(je) of consumentenmand(je) van dit artikel. 8 Zie ook onder deze paragraaf, sub-paragr aaf Bestedingscategorien van dit artikel.

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 15 Bestedingscategorien De negen bestedingscategorien die voor de CPI wo rden gehanteerd zijn achtereenvolgens Voeding, Dranken en rookwaren, Kleding en schoeisel, Wonen, Woninginrichting en huisraad, Gezondheidszorg, Vervoer en comm unicatie, Recreatie, educatie en cultuur en Overige goederen en diensten. Aan de hand van het budgetonderzoek wordt het marktconforme gebalanceerde consumptiemandje samengesteld en wordt tevens het relatieve aandeel va n elke bestedingscategorie in de totale bestedingen van de consument, de zogenaamde gewichten, vastgesteld. Sinds het laatst gehouden budget onderzoek van 2004/2005 kunnen de bestedingscategorien Wonen, Vervoer en communicatie, Voeding en Overige goederen en diensten als de vier grootste bestedingscategorien worden aangemerkt, met een aan deel in het consumentenmandje van respectievelijk 31, 23, 12 en 12 procent.9 De bestedingscategorie Overige goederen en diensten bevat diverse soorten producten en diensten die niet vallen onder de ov erige acht bestedingscategorien, zoals bijvoorbeeld persoonlijke verzorging en verzekeringen. De kleinere bestedingscategorien zijn respectievelijk Recreatie, educatie en cult uur, Woninginrichting en huisraad, Kleding en schoei sel, Dranken en rookwaren en Gezon dheidszorg, die respectievelijk 8, 7, 5, 2 en 1 procent van de consumentenmand uitmaken.9 Prijsontwikkeling De methodiek10 van het berekenen van de CPI en de inflatie brengt met zich mee dat in het kader van dit artikel een prijsontwikkeling als volgt moet worden genterpreteerd. De prijso ntwikkeling van 2011 ten opzichte van 2010 impliceert dat, als er gesproken wordt van prijsdaling of prijsstijging in 2011 ten opzichte van 2010, dit betekent dat het gemiddelde prijsniveau voor de consument in 2011 respectievelijk lager of hoger is geweest vergeleken met 2010. Het hoeft niet n oodzakelijkerwijs te beteke nen dat de prijsdaling of prijsstijging in 2011 zelf heeft plaatsgevonden. Consumentenbesteding Een belangrijke basis voor het berekenen van de CPI en de inflatie wordt gevormd door de consumentenbestedingen. Onder consumentenbestedingen wordt in het kader van de CPI en de inflatie verstaan: bestedingen in het land Curaao door co nsumenten die op Curaao wonen. Bestedingen van (buitenlandse) toeristen op ons eila nd of van inwoners van ons eiland in het buitenland (via internet bijvoorbeeld) vallen hier per defini tie niet onder. In het kader van dit artikel wordt dan ook gesproken van de lokale markt of de lokale economie. 9 Onafgerond gaat het om 30,8 (W onen), 22,6 (Vervoer en communicatie) 12,3 (Voeding), 11,9 (Overig), 7,7 (Recreatie, educatie en cultuur), 7,0 (Woninginrichting en huisrad), 4,8 (Kleding en schoeisel), 1,6 (Dranken en rookwaren), en 1,3 (Gezondheidszorg) pr ocent respectievelijk. Bij afronding komt het totaal uit op 101% en geen 100%, zuiver ten gevolge van afrondingsverschillen. 10 Zie onder deze paragraaf, sub-paragraaf CPI van dit artikel.

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 16 De betekenis van inflatie11 Inflatie kan worden gede finieerd als een langdurig12 economisch proces van algemene prijsstijging, met als gevolg geldontwaarding (oftewel koopkrachtdaling van het geld) en stijging van de kosten van levensonderhoud. Het kan worden veroorzaakt door duurdere import, hogere loonkosten, hogere overige bedrijfslasten c.q. productiekoste n, het marktspel van vraag en aanbo d (schaarste van producten/diensten), hogere winstmarges van bedrijven en stijging van de geldhoeveelheid in omloop. De algemene gedachte onder economen is dat de inflat ie in een gezond groeiende economie ongeveer twee procent bedraagt. Een te hoge inflatie kan nadelig zijn voor de koopkracht en het vertrouwen van consumenten, de waarde van spaartegoeden, de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland en kan leiden tot verhoging van het renteniveau waardoor investeringen uitblijven. Veelal trachten overheden om de infl atie niet hoger te doen zijn dan 2 3 procent per jaar. Een inflatie van rond 2 procent wordt algemeen beschouwd als zijnde guns tig voor de economie. Een lage inflatie stimuleert consumenten immers om goederen en diensten te kope n. Uitstel van bestedingen betekent namelijk dat men meer zou moeten betalen voor hetzelfde product. Daar naast maakt een lage inflatie het voor de consument en de investeerder ook interessanter om geld te lenen omdat de rente veelal ook la ag is tijdens perioden van een lage inflatie. Het handhaven van een lage inflatie is vanwege de gunstige economische gevolgen derhalve wereldwijd een belangrijk doel in het economisch en monetair beleid van regeringen en centrale banken. Prijsontwikkeling in 2011 op Curaao: nader belicht vanuit het perspectief van de bestedingscategorien Prijsontwikkeling van maand tot maand Gemiddeld genomen, voor de gehele consumentenmand, is de maandelijkse prijsontwikkeling in 2011 meestal +0,2 of +0,3 procent, met een uitschieter naar boven van + 1,5 procent (juli) en een uitschieter naar beneden van -0,3 procent (april). De gemiddelde ma andelijkse prijsstijging in 2011 is 0,3 procent. De piek c.q. uitschieter van +1,5 procent in juli is vooral veroorzaakt door de bestedingscategorien Vervoer en communicatie (+ 4,6%) en Wonen (+ 1,0%). Bij Wonen is deze uitschieter veroorzaakt door de stijging van het tarief van ener gieverbruik (+3,5%), terwijl bij Vervoer en communicatie de forse stijging van de prijs van kosten van autorijden met 9,1 procent ten grondslag ligt aan genoemde uitschieter. De bestedingscategorie die gedurende 2011 maandelijks de belangrijkste prijswijzigingen vertoont, is Voeding. (Zie grafiek 1) De bestedingscategorie Voeding als geheel vertoont elke maand een prijsstijging, vari rend van +0,2% in februari tot +1,5% in augustus. Gedurende 3 maanden zi jn de voedselprijzen gemiddeld met minder dan 0,5 procent gestegen, gedurende 6 maanden tussen 0,5 en 1 procent en gedurende 3 maanden tussen 1 en 1,5 procent. De gemiddelde maandelijkse prijsstijging van Voeding in 2011 is 0,7%. 11 Bronnen van referentie: http://nl.global-rates.com/economische-statistieken/inflati e/inflatie-informatie.aspx en http://financieel.infonu.nl/belegg en/4333-economische-groei-inf latie-en-wisselkoers.html 12 Met langdurig wordt in dit kader bedoeld een periode van tenminste 12 maanden.

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Jan Feb Mar Apr May Jun Jul Aug Sep Oct Nov Dec 0.0% 0.2% 0.4% 0.6% 0.8% 1.0% 1.2% 1.4% 1.6%Grafiek 1 Maandelijkse prijsstijging "V oeding" Curaao 2011 Inflatie 2011 in tijdsperspectief en per bestedingscategorie Tabel 1 geeft een vergelijkend beeld van de ontwikkeling van de inflatie over de vijfjarige periode 2007-2011, gespecificeerd per bestedingscategorie. Zo wordt de inflatie over 2011 op ons eiland in een breder tijdsperspectief geplaatst. De totale inflatie per ja ar is gespecificeerd per bestedingscategorie en is het gewogen gemiddelde van de prijswijziging c.q. inflatie van de bestedingscategorien over het gehele jaar. Tabel 1 Inflatie Curaao in de jaren 2007 t/m 2011, totaal en specifiek per bestedingscategorie. 2007 2008 2009 2010 2011 Bestedingscategorie Inflatie% Voeding 8,9 18,4 9,9 4,7 7,7 Dranken en rookwaren 3,3 6,2 5,5 3,5 2,5 Kleding en schoeisel 0,9 2,0 2,0 -1,1 0,6 Wonen 2,5 5,3 -1,1 4,0 0,8 Woninginrichting en huisraad 2,4 6,3 5,2 0,9 1,4 Gezondheidszorg 0,8 2,5 1,9 2,2 0,9 Vervoer en communicatie 2,0 7,8 -1,9 2,5 2,7 Recreatie, ontwikkeling en educatie 0,9 2,5 1,8 -0,1 -0,1 Overig 1,7 2,6 3,7 2,2 1,3 Totaal 3,0 6,9 1,8 2,8 2,3 Nummer 1 17

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine Met een score van 2,3 procent kan de inflatie in 2011 worden aangemerkt als de op n na laagste over de periode 2007-2011. De gemiddelde inflatie over deze periode bedraagt 3,4 procent per jaar. De inflatie over 2011 is derhalve lager dan dit gemiddelde. Van de negen bestedingscategorien valt in 2011 de prijsontwikkeling van Voeding en Wonen het meest op. Deze twee bestedingscategorien behoren toevalligerwijs ook tot de vier grootste bestedingscategorien13. Tabel 1 laat zien dat de inflatie veroorzaakt door de bestedingscategorie Voeding in 2011 hoger is dan het jaar daarvoor. Daarentegen is de inflatie veroorzaakt door de bestedingscategorie Wonen veel lager in 2011 vergeleken met het jaar daarvoor. In 2011 is de inflatie van de bestedingscategorie Voeding het hoogst, vergeleken met de overige acht bestedingscategorien. Dit verschijnsel doet zich ononderbroken elk jaar voor sinds 2004. In 2005 t/m 2007, 2009 en 2011 is de inflatie van Voeding tussen 7 en 10 procent, in 2004 en 2010 bijna 5 procent en in 2008 wordt het record van bijna 20 procent (18,4 %) bereikt. Dit wordt weergegeven in grafiek 2. Grafiek 2 Bestedingscategorie "Voeding": prijsontwikkeling Curaao 2001-2011 j aa r 11 10 09 08 07 06 05 04 03 02 01 inflatie% 20 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0 Relatieve bijdrage bestedingscategorien aan de inflatie van 201114 De relatieve bijdrage van een bested ingscategorie aan de inflatie wordt bepaald door twee eigenschappen van de bestedingscategorie: de hoogte van de prij swijziging en het gewicht in de consumentenmand. De bestedingscategorie Voeding heeft voor bijna de helft (44,5%) bijgedragen aan de inflatie in Curaao over het jaar 2011. Op de tweede plaats komt de bestedingscategorie Vervoer en Communicatie met een bijdrage van bijna n derde (28,7%), gevolgd door de bestedingscategorie Wonen met een bijdrage van ruim tien Jaargang 11 18 13 Zie onder paragraaf Methodologie, sub-paragr aaf Bestedingscategorien, van dit artikel. 14 Zie ook Modus, jaargang 10/nr. 1/ 2011, Prijsontwikkeling Curaao 2010, pag. 43-45.

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine procent (11,6%). Samen zijn deze drie bestedingscate gorien verantwoordelijk voor circa 85 procent van de inflatie in Curaao over het jaar 2011. (Zie grafiek 3) Ter vergelijking: in 2010 wordt bijna de helft (45%) van de inflatie veroorzaakt door de bestedingscategorie Wonen terwijl de bestedingscategorien Voeding en Vervoer en Communicatie beiden 21% van de inflatie voor hun rekening nemen. Vervolgens wordt de prijsontwikkeling in 2011 voor de bestedingscategorien Voeding, Vervoer en Communicatie en Wonen nader belicht. Grafiek 3 Relatieve bijdrage bestedingscategorien aan de inflatie van Curaao in 2011 Overig, 7.3% Recreatie, ontwikkeling en educatie, -0.4% Kleding en schoeisel, 1.3% Dranken e n rookwaren, 1.8%Voeding, 44.5%Vervoer en communicatie, 28.7% Gezondheidszorg, 0.5% Woninginrichting e n huisraad, 4.6% Wonen, 11.6% De bestedingscategorie Voeding heeft met 45 procent verreweg de grootste bijdrage geleverd aan de inflatie over het jaar 2011. Gemiddeld werd Voeding 7,7 procent duurder in 2011, voornamelijk door de prijsstijging van de voedingsgroepen aardappelen, groent en en fruit (+14,6%) en vlees en vis (+10,1%)15. De bestedingscategorie Voeding vormt bijna een achtste deel (12%) van de consumptiemand. De tweede grootste bijdrage aan de inflatie in 2011 werd geleverd door de bestedingscategorie Vervoer en communicatie, namelijk 29 procent. Gemiddeld werd Vervo er en communicatie 2,7 procent duurder in 2011, voornamelijk door de prijsstijging van de productgroepen de kosten van autorijden (+5,6%) en autos in eigendom (+2,3%)15. De prijsstijging van de kosten van autorijden is vooral veroorzaakt door het duurder worden van benzine met 19 procent in juli, terwijl de prijsstijging van autos in eigendom het gevolg is van het duurder worden van nieuwe autos in juli en december met respectievelijk 4 en 3 procent. De bestedingscategorie Vervoer en communicatie vormt bijna een kwart (23%) van de consumptiemand. Nummer 1 19 15 Zie CBS-website www.cbs.cw keuzemodule Prices, tabel Change of the annual consumer price index by expenditure category since 2001.

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine De derde grootste bijdrage aan de inflatie in 2011 werd geleverd door de bestedingscategorie Wonen, die 12 procent van de inflatie voor zijn rekening neemt. Wonen werd weliswaar slechts 0,8 procent duurder in 2011, maar vormt bijna een derde (31%) van de consumptiemand, vandaar toch een derde plaats. De slechts lichte prijsstijging van deze bestedingscategorie in 2011 is het gevolg van het feit dat de prijsstijgingen en prijsdalingen elkaar vrijwel in evenwicht hebben geho uden. Enerzijds zijn de productgroepen huur en hypotheek (+2,2%), woningonderhoud (+1,6%) en tuinonderhoud (+1,9%) du urder geworden, terwijl anderzijds de productgroep energieverbruik (-3,1%) goedkoper is geworden 15. Dit laatste is vooral veroorzaakt door de tariefsdaling van elektriciteit in april met 7 procent. Meest opvallende prijsontwikkeling van productgroepen Interessant is het om de prijsontwikkeling van een aantal specifieke productgroepen nader te belichten. Het gaat om de productgroepen die over meerdere jaren of ze lfs structureel in de loop der jaren een hoge inflatie vertonen: vlees en vis, aardappelen, groenten en fruit, energieverbruik, kosten van autorijden en rookwaren. Hierbij wordt gekeken naar de prijsontwikkeling gedurende de periode 2001 2011. (Zie grafiek 4) Grafiek 4 Vijf productgroepen met opvallende prijsontwikkeling: Curaao, jaren 2001-2011-15 -10 -5 0 5 10 15 20 25Prijsontwikkelings % vlees en vis aardappelen, groenten, fruit energieverbruik kosten autorijden rookwaren vlees en vis 4.30.70.16.978.110.919.411.74.810.1 aardappelen, groenten, fruit 9.19.259.415.715.311.816.615.515.214.6 energieverbruik 3.12.314.30.416.83.92.715.7-0.211.4-3.1 kosten autorijden 1.901.62.28.34.32.620.6-10.26.35.6 rookwaren 3.91.311.50.10.91.99.68.26.76.8 0102030405060708091011 Vergeleken met het jaar 2010 zijn in 2011 de productgroepen vlees en vis en aardappelen, groenten en fruit respectievelijk 10,1 en 14,6 procent duurder. Over de elfjarige periode 2001-2011 zijn deze twee productgroepen gemiddeld 7,6 en 12,5 procent per ja ar duurder geworden. Dit impliceert een meer dan gemiddelde stijging van het prijsniveau in 2011 voor beide productgroepen. Jaargang 11 20

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Vergeleken met het jaar 2010 is in 2011 de productgroep rookwaren 6,8 procent duurder, terwijl de prijsstijging van deze productgroep gedurende de elfj arige periode 2001-2011 gemiddeld 3,8 procent per jaar is geweest. In 2011 is er derhalve sprake van een prijsstijging die bijna het dubbele is van het gemiddelde over voornoemde periode. Vergeleken met het jaar 2010 is in 2011 de product/ dienstengroep kosten van autorijden 5,6 procent duurder. Deze prijsstijging is groter dan de gemiddelde prijsstijging van 3,9 procent voor deze product/ dienstengroep over de elfjarige periode 2001-2011. Vergeleken met het jaar 2010 is in 2011 de product-/dienstengroep energieverbruik 3,1 procent goedkoper, terwijl deze product-/dienstengroep over de elfjarige periode 2001-2011 gemiddeld 6,1 procent per jaar in prijs is gestegen. Dit impliceert dat er in 2011 voor deze product-/dienstengroep sprake is van een prijsontwikkeling die tegengesteld is aan de gemiddel de prijsontwikkeling over de elfjarige periode 20012011. Lange termijn prijsontwikkeling: Inflati e 2011 op Curaao in een breder tijdsperspectief In deze paragraaf komt de inflatie in ons land over de respectievelijke periodes december 2009 december 2011, 2001-2011 en 1992-2011 nader in beeld. Door sepa raat te focussen op een periode van respectievelijk twee, elf en twintig jaar wordt getracht om meer inzi cht te verkrijgen in de dynamiek, ontwikkeling en betekenis van de inflatie van het eiland in het al gemeen en over het jaar 2011 in het bijzonder. Inflatie vanaf december 2009 t/m december 2011 Gedurende de periode december 2009 tot en met december 2011 heeft de inflatie zich ontwikkeld in een licht golvende beweging: van circa 2 procent in december 20 09, naar circa 3 procent in december 2010 en naar circa 2,5 procent in december 2011. (Zie grafiek 5) Grafiek 5 Inflatie Curaao, maandelijks, periode dec2009-dec2011. 0 1 2 3 4 5 6 7Dec 09 Jan 10 F eb 10 Mrt 10 Ap r 10 Mei 1 0 Ju n 10 Ju l 10 A ug 10 S ep 1 0 Ok t 1 0 No v 10 Dec 10 Jan 11 Fe b 11 M rt 11 Apr 11 M ei 1 1 Jun 11 Ju l 11 A u g 11 Sep 11 Okt 1 1 Nov 11 Dec 1 1Inflatie (% stijging van de 12maandsgemiddelde CPI) Nummer 1 21

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine Trendlijn inflatie over de periode 2001-2011 Over de elfjarige periode 2001-2011 wordt de prijso ntwikkeling gekenmerkt door een sterk schommelende inflatie, varirend van 0,4 procent (in 2002) tot 6,9 pr ocent (in 2008) en resulterend in een gemiddelde van 2,7 procent. Het niveau van de inflatie van 2011 (2,3%) is onder dit gemiddelde. (Zie grafiek 6) Een inflatie rond twee procent kan bevorderlijk zijn voor een gezonde economie, zoals blijkt uit onderstaand citaat.16 Bron: http://onzeeconomie.nu/4/macro/data/13/inflatie Maar inflatie is meer. Het is de smeerolie van een economie. Je hebt er een beetje van nodig om alles te laten draaien, maar teveel is niet goed. Een inflatie tot 2 procent wordt door monetair economen als gezond betiteld. Hoger is niet ok. Het tegenovergestelde van inflatie -deflatieis veel schadelijker. Als deflatie optreedt dan dalen de prijzen en blijven dat ook in de toekomst doen. Consumenten stellen hun aankopen dan zolang mogelijk uit. Het gevolg daarvan is dat bedrijven niet durven te investeren. De economie komt dan krakend en piepend tot stilstand. Iedereen wacht op elkaar en het netto-effect is dat niemand wat doet. Inflatie is het schijnbaar onvermijdelijke gegeven dat geld minder waard wordt. De oorzaak is dat de hoeveelheid geld sneller groeit dan de onderliggende productie van goederen. Er is te veel geld en de wetten van vraag en aanbod dicteren dan dat de waarde van geld afneemt. Inflatie goed of slecht? Gebaseerd op de prijsontwikkeling over de 11 jari ge periode 2001-2011, kan een stijgende trendlijn getrokken worden van circa 2 procent naar circa 4 procen t. De inflatie van 2011 (2,3%) ligt duidelijk onder deze trendlijn, evenals de inflatiecijfers van 2002, 2003, 2004, 2009 en 2010. De twee pieken in 2005 (4,1%) en 2008 (6,9%) bevinden zich daarentegen duidelijk boven deze trendlijn. 0 1 2 3 4 5 6 7 8 20012002200320042005200620072008200920102011 JaarInflatie% Grafiek 6 Inflatie Curaao 2001-2011, met trendlijn Jaargang 11 22

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Pieken en dalen van de inflatie in de periode 1992-2011 De inflatie over de twintigjarige periode 1992-2011 la at duidelijk een tweetal pieken zien, namelijk in 2000 (inflatie 5,8%) en 2008 (inflatie 6,9%). Duidelijk zichtbaar zijn er ook een tweetal dalen: zowel in 1999 als in 2002 wordt een inflatie van 0,4% geregistreerd. (Zie grafiek 7) Grafiek 7 Inflatie Curaao afgelopen 20 jaar; jaarlijks, pieken en dalen.0 1 2 3 4 5 6 71992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011Inflatie (% stijging van de jaargemiddelde CPI) De gemiddelde inflatie over de 20 jarige periode 1992-2 011 is 2,6 procent per jaar en over de zevenjarige periode 2005 t/m 2011 is dit cijfer 3,4 procent. Dit be tekent dat de inflatie van 2011, namelijk 2,3 procent, lager is dan het gemiddelde voor het eiland over genoemde periodes. Het inflatiecijfer over het jaar 2011 ligt net iets boven de twee procent, een grens waarbove n inflatie mogelijkerwijs een gezonde economische ontwikkeling zou kunnen belemmeren, zoals in voorgaande paragrafen17 reeds is toegelicht en wordt geaccentueerd in bovenstaande twee citaten. Nummer 1 23 Bron: http://www.trivano.com/wiki/Inflatie Een klein beetje inflatie 2 procent is goed voor de economie. Voormalig hoogleraar economie Anton Dreesmann noemde inflatie zelfs de smeerolie van de economie. Bron: www.volkskrant.nl 19 juli 2012, Lage rente probleem voor pensioenen, maar feest voor consument. Over het algemeen wordt aangenomen dat een beperkte inflatie (van ongeveer twee procent) positief is voor de economie. Een te hoge inflatie heeft vaak het gevolg dat investeerders niet meer in het land willen investeren. Inflatie heeft zowel nadelen als voordelen. Enkele nadelen zijn een rele daling van de koopkracht, de aantasting van de rentabiliteit van de ondernemingen, de aantasting van de opbrengst uit beleggingen (bijvoorbeeld obligaties). Een voordeel van inflatie is dat lenen interessanter wordt en dat de inkomsten voor de overheid stijgen. 16 Zie ook onder paragraaf Methodologie, sub-paragraaf De betekenis van inflatie, van dit artikel. 17 Zie ook in dit artikel: onder deze paragraaf, voorgaan de sub-paragraaf, citaat Inflatie, goed of slecht? en onder paragraaf Methodologie, sub-paragraaf De betekenis van inflatie.

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 24 Mogelijke invloed van drie intern ationale economische factoren op de inflatie van Curaao in 2011 Algemeen: context en reikwijdte Behalve lokale factoren, zoals overheidsbeleid, on dernemersbeslissingen en consumentengedrag, kunnen ook internationale factoren van invloed zijn op de hoogte van de inflatie. Curaao is een importland voor wat betreft consumptiegoederen en heeft als n van de belangrijkste exportproducten diensten in de toerisme-sector. Internationale economis che factoren spelen derhalve een belangrijke rol in de prijsontwikkeling van het eiland, zowel voor de lokale markt als voor de toerismesector. Deze paragraaf en dit artikel beperken zich tot de lokale markt, gelet op de definitie van consumentenbestedingen in het kader van de CPI / Prijsontwikkeling / Inflat ie aan het begin van dit artikel.18 Achtereenvolgens wordt in deze paragraaf stilgestaan bij de internationale factoren de internationale prijs van ruwe olie, de internationale voedselprijzen en de euro-wisselkoers ten opzichte van de US dollar. Voor alle duidelijkheid: deze paragraaf is niet gebaseerd op enigerlei wetenschappelijk onderzoek. Eventuele uitspraken en mogelijke relaties worden da n ook met de nodige voorzichtigheid geplaatst. Om steviger uitspraken te kunnen doen en nduidiger relaties te kunnen leggen is grondig wetenschappelijk onderzoek vereist. Desgewenst zal CBS in de toekomst deze uitdaging kunnen aangaan, uiteraard mits de noodzakelijke financile en human resource middelen beschikbaar zijn. Desalniettemin is het een interessant terrein om te verkennen, gelet op het feit dat Curaao: 1. een importland is, zeker wat betreft ruwe olie en voedsel, 2. een munteenheid als betalingsmiddel gebruikt die gekoppeld is aan de US dollar, 3. sterk afhankelijk is van het toerisme, dat voor een belangrijk deel uit de euro-zone afkomstig is. 4. het merendeel van haar produc ten importeert uit de euro-zone of de US dollar-zone. Deze paragraaf dient dan ook slechts als een eerste, doch desalniettemin belangrijke, eerste aanzet tot nader, wetenschappelijk, onderzoek te worden gezien. De internationale prijs van ruwe olie Een belangrijke internationale factor die van invloed kan zijn op de lokale prijsontwikkeling is de internationale prijs van ruwe olie. Immers, de hoogte van de prijzen van ruwe olie benvloedt de hoogte van de productiekosten, transp ortkosten en kosten van energieverbruik voor koeling en belichting. Aangezien de hoogte van de consumentenprijzen mede afhankelij k zijn van deze kosten, kan worden beredeneerd dat significante wijzigingen in de internationale prijzen va n ruwe olie op den duur leiden tot wijzigingen in de consumentenprijzen. In 2011 is de rele prijs van een vat ruwe olie gemidde ld $ 87, de op n na hoogste over de twaalfjarige periode 2000-2011. Alleen in 2008 was de prijs hoger. De consumentenprijzen zijn in 2011 lokaal gemiddeld met 2,3 procent gestegen. Hoofdzakelijk de bestedingscategorien Voeding (+7,7%) en Vervoer en Communicatie (2,7%) hebben hieraan bijgedragen. Het cijfer van 2,3 procent is de op n na laagste inflatiepercentage over de vijf jarige periode 2007-2011. (Zie grafiek 8) 18 Zie onder paragraaf Methodologie, sub-paragr aaf Consumentenbesteding, van dit artikel.

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Hieruit kan worden geconcludeerd dat de relatief hoge prijs voor ruwe olie in 2011 zich niet heeft doorvertaald in een relatief hoge inflatie in 2011. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de internationale olieprijzen vertraagd doorwerken in de lokale brandstofprijzen, mede benvloed door lokale factoren zoals inkoopbeleid, voorraadvorming en overheidsbeleid. Grafiek 8 Internationale prijzen per vat ruwe olie, gemiddeld per jaar; periode 2000 t/m 2011$0.00 $20.00 $40.00 $60.00 $80.00 $100.00 $120.00 Gem. US $ prijs per vat ruwe olie 00 01 02 03 04 05 06 07 08 09 10 11 Internationale voedselprijzen Een tweede belangrijke factor wordt gevormd door de in ternationale voedselprijzen, uitgedrukt in de FAO Food Price Index. De FAO Food Price Index in 2011 bedraagt 228, een substantile stijging vergeleken met het niveau van 185 in 2010. 19 De internationale FAO Food Price Index is in de jare n 2007 t/m 2011 respectievelijk gestegen met 25 en 26 procent, gedaald met 22 procent en gestegen met 18 en 23 procent. (Zie grafiek 9 en tabel 2) De lokale prijsontwikkeling van de bestedingscategorie Voeding in ons land over de vijfjarige periode 20072011 verloopt volgens een structureel stijgende lijn, van gemiddeld + 10 procent per jaar. Zoals uit tabel 1 blijkt, bedraagt de jaarlijkse stijging van de voedse lprijzen in ons land over de periode 2007 t/m 2011 afgerond respectievelijk 9,18, 10, 5 en 8 procent. Gelet op het feit dat Curaao de overgrote meerderheid van haar voedsel importeert, kan beredeneerd worden dat de internationale voedselprijzen in bela ngrijke mate van invloed zouden kunnen zijn op de ontwikkeling van de lokale voedselprijzen. Deze mogelijke invloed is echter niet nduidig. Het lokale prijsverloop van voedselproducten is namelijk blijkbaar gematigder dan internationaal: gemiddeld genomen zijn de prijsstijgingen minder fors en zijn de prijsdalingen niet of nauwelijks merkbaar. 19 Bron: www.fao.org FAO = Food and Agricultural Organizati on of the United Nations. The FAO Food Price Index is a measure of the monthly change in in ternational prices of a basket of food commodities. It consists of the average of five commodity group pric e indices (representing 55 quotations), weighted with the average export shares of each of the group s for 2002-2004. De consumentenmand waarop de FAO Food Price Index is gebaseerd, wordt onderverdeeld in vijf voedingsgroepen: vlees; zuivel, graan, spijsolie en vetten, suiker. Nummer 1 25

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Bron: http://www.fao.org/worldfoodsitu ation/wfs-home/foodpricesindex/en/ Grafiek 9 FAO Voedsel Prijs Index Jaargang 11 26

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Tabel 2 FAO Voedsel Prijs Index Bron: http://www.fao.org/worldfoodsitu ation/wfs-home/foodpricesindex/en/ Nummer 1 27

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine De wisselkoers tussen de US dollar en de Euro Een derde internationale factor van belang voor de lokale prijsontwikkeling is de wisselkoers tussen de US dollar en de Euro. Het wettig betaalmiddel van Curaao, de Antilliaanse gulden, is gekoppeld aan de US dollar. Hoe duurder de Euro wordt, oftewel hoe zwakker de dollar, hoe duurder de import uit de Euro-zone voor land Curaao: voor 1 Euro dient meer Antilliaanse guldens neergeteld te worden. Omgekeerd wordt dan de export naar de Euro-zone goedkoper, anders gezegd een dure Euro is bevorderlijk voor het toerisme uit de Euro-zone naar ons eiland: immers, voor 1 Euro krijgt de toerist meer Antilliaanse guldens c.q. US dollars. Grafiek 10 Gemiddelde wisselkoers Euro-Us do llar over de jaren 1999 t/m 2011 Wisselkoers Euro-US$ 1999-20110.00 0.20 0.40 0.60 0.80 1.00 1.20 1.40 1.60Jaarwaarde 1 Euro in US $ Wisselkoers Euro-US$ 1.070.920.900.951.131.241.241.261.371.471.391.331.39 99000102030405060708091011 De gemiddelde EURO-koers in de jaren 2007 t/m 2011 wa s respectievelijk 1.37, 1.47, 1.39, 1.33 en 1.39 US dollars.20 Producten uit Nederland en de rest van de Eurozone waren voor Curaao duurder in 2011 vergeleken met 2010. (Zie grafieken 10 en 11) Beredeneerd kan worden dat dit mogelijkerwijs vooral een verhogend effect heeft gehad op de voedselinflatie, die in 2011 circa 8 procent bedroeg tege nover circa 5 procent in 2010. Voor het toerisme uit Nederland en de rest van Europa is de hogere waar de van de euro in 2011 daarentegen juist gunstig. Jaargang 11 28 20 Bron: www.federalreserve.gov en www.dnb.nl

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Grafiek 11 Euro-wisselkoers ten opzichte van de US dollar en de Japanse yen vanaf januari 2007 t/m april 2012 Wisselkoers van de euro t.o.v. de Amerikaanse dollar en de Ja p anse y en Aantal per 1 EUR; maandgemiddelden0.80 0.90 1.00 1.10 1.20 1.30 1.40 1.50 1.60 1.70 jan 2007 aprjuloktjan 2008 aprjuloktjan 2009 aprjuloktjan 2010 aprjuloktjan 2011 aprjuloktjan 2012 apr 80 90 100 110 120 130 140 150 160 170 Amerikaanse dollar Japanse yen, schaal rechts Samenvatting en Conclusie Algemeen Gelet op het niveau van de inflatie over de zeven ja rige periode 2005-2011 en de twintigjarige periode 19922011 in land Curaao, is de inflatie van 2,3 procent over 2011 minder dan gemiddeld. Dit niveau ligt binnen de veilige zone voor een gezonde economie van maximaal 2 3 procent inflatie op jaarbasis. De grootste bijdrage aan de inflatie over het jaar 2011 is geleverd door de bestedingscategorie Voeding met een score van bijna 45 procent. Op de tweede en derde plaats volgen de bestedingscategorien Vervoer en communicatie en Wonen, met een score van bijna 30 procent en ruim 10 procent respectievelijk. Als naar de ontwikkeling van de infl atie over de periode 2001 tot 2011 wordt gekeken, kan een geleidelijk stijgende trendlijn worden waargenomen van iets mind er dan twee procent naar bijna vier procent. De inflatie van 2011 ligt onder deze trendlijn, de pieken in 2005 en 2008 van ruim vier en bijna zeven procent liggen duidelijk boven deze trendlijn. De vijf productgroepen met de meest opvallende pr ijsontwikkeling over de periode 2001-2011 zijn: aardappelen, groenten en fruit, vlees en vis, rookwaren, kosten van autorijden, energieverbruik. Behalve lokale factoren, zoals overheidsbeleid, on dernemersbeslissingen en consumentengedrag, kunnen ook internationale factoren van invloed zijn op de prijsontwikkeling. Van belang zijn vooral de internationale factoren de euro-dollar wisselkoers, de internationale prijs van ruwe olie en de internationale voedselprijzen. Nummer 1 29

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 30 Internationale factoren In 2011 zijn zowel de internationale ruwe olieprijs als de internationale gemiddelde voedselprijzen als de waarde van de euro ten opzichte van de dollar gestegen. Beredeneerd kan worden dat deze factoren mogelijkerwijs mede hebben bijgedragen aan de inflatie van Curaao over het jaar 2011. Echter, deze mogelijke invloed is op grond van de analyse voor di t artikel niet meetbaar; zoals eerder toegelicht is verder, grondiger onderzoek vereist om tot wetenschappelijke conclusies te kunnen komen. Desalniettemin kunnen in het kader van dit artikel ge baseerd op vergelijking van de cijfers over de periode 2007 tot en met 2011 in ieder geval een drietal summiere conclusies worden getrokken. 1. Ten aanzien van invloed van de internationale voedselprijzen: Gelet op het feit dat Curaao de overgrote meerde rheid van haar voedsel importeert, kan beredeneerd worden dat de internationale voedselprijzen in bela ngrijke mate van invloed zouden kunnen zijn op de ontwikkeling van de lokale voedselprijzen. Deze mogelijke invloed is echter niet nduidig. Het lokale prijsverloop van voedselproducten is namelijk blijkbaar gematigder dan internationaal: gemiddeld genomen zijn de prijsstijgingen minder fors en zijn de prijsdalingen niet of nauwelijks merkbaar. 2. Ten aanzien van de EuroUS dollar wisselkoers: Door de duurdere euro is het voor Curaao in 2011, vergeleken met 2010 waarschijnlijk duurder geweest om producten uit Nederland en de rest van de Eurozone te importeren. Beredeneerd kan worden dat dit mogelijkerwijs vooral een verhogend effe ct heeft gehad op de voed selinflatie, die in 2011 circa 8 procent bedroeg tegeno ver circa 5 procent in 2010. 3. Ten aanzien van de intern ationale olieprijzen: Uit nadere bestudering van de periode 2007-2011 blijkt dat de internationale prijs van een vat ruwe olie in 2011 de op n na hoogste is. Terwijl over dezelfde periode de inflatie van Curaao in 2011 als de op n na laagste kan worden aangemerkt. Hieruit zou geconcludeerd kunnen worden dat de relatief hoge internationale prijs voor ruwe olie in 2011 zich niet heeft doorvertaald in een relatief hoge inflatie op ons eiland gedurende het jaar 2011. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat de internationale olieprijzen vertraagd doorwerken in de lokale brandstofprijzen, mede benvloed door lokale factoren zoals inkoopbeleid, voorraadvorming en overheidsbeleid. De toekomst Voor 2012 valt moeilijk te voorspellen hoe de inflatie zich zal ontwikkelen21. Dit hangt namelijk af van het samenspel van diverse lokale en internationale factoren. De gemiddelde inflatie over de meest recente vijfjarige periode 2007-2011, namelijk 3,4 pr ocent, kan dienen als een voorzichtige indicatie, maar dan ook niet meer dan dat. 21 Ten tijde van het 1e concept van dit artikel, namelijk medio 2012.

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 31 De levensduur van bedrijven op Curaao Ria Duyndam Analyse van ruim 1.000 gesloten bedrijven Inleiding In 1901 is de Kamer van Koophandel en Nijverheid Curaao opgericht, en vanaf di e tijd is het mogelijk voor bedrijven om zich te registreren. De afdeling Bedrijven van het Centraal Bureau voor de Stat istiek (CBS) beschikt over een bedrijvenregister waarin de bedrijven van Curaao zijn opgenomen. Dit register wordt onder andere gebruikt als steekproefkader voor de Nationale Rekeningen enqute en telt op het moment van het schrijven van dit artikel 11.750 bedrijven. Het bedrijvenregister wordt op continue basis up to date gehouden met informatie van de Kamer van Koophandel (KvK) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor wat be treft nieuw ingeschreven bedrijven. Er wordt hiernaast ook informatie verkregen uit de jaarlijkse Nationale Rekeningen enqute van het CBS zoals bijv oorbeeld gesloten bedrijven of veranderingen van adres. Reeds een aantal jaren wordt in het register van het CBS bijgeh ouden in welk jaar een bedrijf wordt gesloten. Er is op dit moment informatie beschikbaar van ruim 1.000 gesloten bedrijven. In dit artikel wordt een analyse gemaakt over de levensduur van deze bedrijven, uitgesplit st naar bedrijfstak, grootte van een bedrijf en levensduur. Het doel van dit artikel is om meer inzicht te verschaffen over hoe lang een bedrijf bestaat in een bepaal de bedrijfstak en ook om de verschillen in levensduur duidelijk te m aken tussen grote en kleine bedrijven. In de bijlage is een tabel opgenomen met het aantal gesloten bedrijven naar jaar van sluiting (tabel 5). Hier is verder geen analyse voor gedaan. De reden van sluiting van een bedrijf is in de meeste gevalle n niet bekend bij het CBS. Er kan dus niets gezegd worden over bijvoorbeeld het aantal faillissementen in een jaar. In het bedrijvenregister komen 5 bedrijven voor die in 1901 zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en die nog steeds bestaan. Het oudste bedrijf van de ruim 1.000 gesloten bedrijven waarover dit artikel gaat heeft 103 jaar bestaan vanaf 1904. Methodologie Het CBS werkt samen met de SVB en de KvK en krijgt jaarlijks een bestand van deze instanties waarin nieuw ingeschreven bedrij ven zijn opgenomen. Deze bestanden worden vergeleken met het bedrijvenr egister van het CBS. De nieuwe bedrijven worden toegevoegd en voorzien van codes voor hoofdactiviteit, zone en dergelijke. Bijna elk jaar kan zodoende over een redelijk up to date bedrijvenregister worden beschikt22 22 Omdat niet elk jaar een complete bedrijventelling kan worden gehouden is het niet mogelijk een reeks te maken over de ontwikkeling van de bedrijvigheid op Curaao

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 32 Als bekend is dat een bedrijf is gesloten, wordt dit verwijderd uit het meest re cente bedrijvenregister en wordt in het voorgaande register de opmerking geplaatst dat het bedrijf is gesloten en wordt ook het jaar van sluiting vermeld. Om de gemiddelde levensduur van de gesloten bedrij ven te berekenen is het verschil bepaald tussen het jaar van oprichting en het jaar van sluiting. Dit verschil wordt gedeeld door het aantal bedrijven. De gemiddelde levensduur is berekend tot en met sl uitingsjaar 2011. Er is alln geanalyseerd voor de bedrijven waarvan informatie beschikbaar is over jaar van oprichting en jaar van sluiting. Van ongeveer 300 bedrijven is wel bekend dat ze gesloten zijn, maar omdat ze nog steeds ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel is hiervan geen jaar van sluiting bekend. Definities Oprichtingsjaar : Het jaar van inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Inschrijving hoeft nog niet te betekenen dat een bedrijf ook daadwerkelijk actief is per datum van inschrijving Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat men van plan is een bedrijf te starten en zich alvast gaat inschrijven om de naam in ieder geval vast te laten leggen. Hierna kan het nog enige tijd duren om de zaken zoals de financin en vergunningen rond te krijgen. Jaar van sluiting : Het jaar van uitschrijving bij de Kamer van Koophandel. Dit hoeft ni et noodzakelijkerwijs overeen te stemmen met het daadwe rkelijke tijdstip van sluiting. Gemiddelde levensduur : De som van het verschil tussen jaar van op richting en jaar va n sluiting, gedeeld door het aantal bedrijven. Bedrijfstak : de hoofdactiviteit van een bedrijf. Kleinbedrijf : dit zijn bedrijven met minder dan 10 personen in loondienst n een omzet van minder dan 0,5 miljoen NAf. Het microbedrijf vormt een onderdeel van het kleinbedrijf (minder dan 5 personen in loondienst n een omzet van minder dan 0,5 miljoen NAf.) Middenbedrijf : dit zijn bedrijven met tussen de 10 en 50 personen in loondienst f een omzet van tussen 0,5 en 5 miljoen gulden. Grote bedrijven : dit zijn bedrijven met meer dan 50 personen in loondienst n een omzet vanaf 5 miljoen gulden. Nationale Rekeningen enqute : een verplichte jaarlijkse enqute waar bij financile gegevens van bedrijven worden gevraagd. De informatie hieruit wordt o.a. gebr uikt om de Nationale Rekeningen mee op te stellen. Nationale Rekeningen : deze geven de economische transacties tussen de sectoren weer, die in een bepaald jaar in de nationale economie hebben plaatsgev onden. De Nationale Rekeningen worden in boekhoudkundige vorm gepresenteerd.

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine De gemiddelde levensduur van bedrijven De gemiddelde levensduur per bedrijfstak De bedrijven in de financile dienstverlening hebben de hoogste gemiddelde levensduur, 17 jaar (zie tabel 1), varirend van 2 tot 103 jaar. Handelsbedrijven bestaan gemiddeld 14 jaar (vanaf 0 tot 87 jaar), en industrile bedrijven 13 jaar (vanaf 1 tot 66 jaar). Bedrijven in overige dienstverlening hebben de kortste gemiddelde levens duur (7 jaar), met een variatie tussen 0 (minder dan 12 maanden) en 41 jaar. De gemiddelde levensduur van de overige bedrijfstakken varieert tussen genoemde uitersten van 17 en 7 jaar. Tabel 1 Gemiddelde levensduur van bedrijven op Curaao Aantal % van de Gemiddelde bedrijven gesloten levensduur bedrijven in jaren Landbouw en visserij 44 4,2 10 Industrie 92 8,7 13 Bouw 165 15,6 11 Handel 208 19,7 14 Horeca 93 8,8 9 Transport en communicatie 75 7,1 8 Financile dienstverlening 46 4,4 17 Zakelijke dienstverlening 189 17,9 9 Particulier onderwijs 9 0,9 9 Medische dienstverlening 41 3,9 10 Overige dienstverlening 93 8,8 7 1055 100 11 De gemiddelde levensduur van alle gesloten bedrijven samen komt uit op 11 jaar. Het grootste aantal gesloten bedrijven bevindt zich in de handel (19,7%). Hierna volgt het aantal gesloten bedrijven in zakelijke dienstverlening (17,9%) en in bouw (15,6%). Particulier onderwijs heeft het laagste percentage gesloten bedrijven, iets minder dan 1 procent. Nummer 1 33 Vergelijking van gesloten en actieve bedrijven Om een beeld te krijgen van de verhouding van het aan tal gesloten bedrijven op het aantal actieve bedrijven is in tabel 2 een overzicht gegeven van het aandeel ge sloten bedrijven per bedrij fstak. Het aandeel wordt berekend over het oorspronkelijke aantal ingeschreven bedrijven, dus inclusief het aantal gesloten bedrijven. Het aantal gesloten bedrijven waarvan informatie beschikbaar is maakt iets meer dan 8 procent uit van het totale aantal actieve bedrijven in het bedrijvenregister (zie tabel 2). Dit percentage zal in werkelijkheid wat hoger liggen omdat er sprake is van bedrijven die nog niet zijn uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel, maar waarvan bekend is bij het CBS dat deze gesloten zijn. Het is echter niet duidelijk in welk jaar deze bedrijven gesloten zijn, zodat hiervan de levensduur niet berekend kan worden. Het gaat om ongeveer 300 bedrijven. Tabel 2 Vergelijking actieve en gesloten bedrijven Gesloten Nog actief Originele % in register aantal gesloten Landbouw en visserij 44 143 187 23,5 Industrie 92 447 539 17,1 Bouw 165 1233 1398 11,8 Handel 208 2516 2724 7,6 Horeca 92 915 1007 9,1 Transport en communicatie 75 525 600 12,5 Financile dienstverlening 46 1223 1269 3,6 Zakelijke dienstverlening 190 2788 2978 6,4 Particulier onderwijs 9 140 149 6,0 Medische dienstverlening 40 755 795 5,0 Overige dienstverlening 94 1065 1159 8,1 Totaal 1055 11750 12805 8,2

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine De bedrijven in de financile dienstverlening hebben het laagste aandeel gesloten bedrijven (3,6%). Al eerder is besproken dat deze gesloten bedrijven de hoogste gemiddelde levensduur hebben, namelijk 17 jaar. Hierna volgt de medische dienstverlening met 5 procent gesloten bedrijven, en particulier onderwijs met 6 procent. Het hoogste aandeel gesloten bedrijven komt voor in de landbouw en veeteelt (23,5%). Het merendeel van deze bedrijven is vanaf het jaar 2000 gesloten en ook in 2012 zet deze tendens zich voort. De gesloten industrile bedrijven maken 8,7 procent uit van het totaal aantal gesloten bedrijven (tabel 1), maar in de bedrijfstak zelf gaat het om iets meer dan 17 procent van het originele aantal. In de voorgaande paragraaf is vermeld dat de handel het grootste percentage gesloten bedrijven heeft op het totaal aantal gesloten bedrijven, maar afgezet tegen het aantal actieve handelsbedrijven betreft het nog geen 8 procent. Hetzelfde beeld is te zien bij de zakelijke dienstverlening (17,9% van de totale gesloten bedrijven, maar 6,4% van het oorspronkelijke aantal bedrijven in deze bedrijfstak) en de bouw (15,6% van de gesloten bedrijven, maar 11,8% van het oorspro nkelijke aantal bouwbedrijven). Gesloten bedrijven naar levensduur Meer dan de helft van de bedrijven (591) heeft korter dan 10 jaar bestaan (56%), zie tabel 3 en grafiek 1. Uit het basismateriaal blijkt dat bijna 43 procent van deze bedrijven vr het jaar 2000 is opgericht (253 bedrijven), en weer 30 procent hiervan is alleen in de vorige eeuw actief geweest (76 bedrijven). Tabel 3 Gesloten bedrijven naar levensduur Levensduur Aantal bedrijven % van totaal gesloten bedrijven Cumulatief % 0 4 275 26,1 26,1 5 9 316 30,0 56,0 10 14 228 21,6 77,6 15 19 105 10,0 87,6 20 24 52 4,9 92,5 25 29 31 2,9 95,5 30 39 21 2,0 97,4 40 49 15 1,4 98,9 50 103 12 1,1 100,0 Totaal 1055 100 Het zijn vooral bedrijven in de zakelijke dienstverlening (107, 18%), grooten kleinhandel (95, 16%) en bouw (90, 15%) die een levensduur van minder dan 10 jaar hebben. Bijna 22 procent van de gesloten bedrijven heeft een levensduur van tussen 10 en 20 jaar (333 bedrijven). Ruim 16 procent hiervan heeft 11 jaar bestaan, en dit is ook de gemiddelde levensduur van alle gesloten bedrijven, zoals te zien is in tabel 1. In het basismateriaal is te zien dat zich in deze categorie ook weer relatief veel bedrijven in de zakelijke dienstverlening bevinden (70, 21%), in de grooten kleinhandel (64, 19%) en in de bouw (58, 17%). Grafiek 1 Gesloten bedrijven naar levensduur 0 50 100 150 200 250 300 3500 4 5 9 1 0 1 4 1 5 1 9 2 0 2 4 2 5 2 9 3 0 3 9 4 0 4 9 5 0 1 0 3Aantal jarenAantal bedrijven Er zijn 9 bedrijven (kleine eenmanszaken) die zijn gesloten in hetzelfde jaar dat ze zijn opgericht. Het is niet mo gelijk om iets te zeggen over de redenen van dit korte bestaan. Het is wel bekend dat men zich soms moet inschrijven in de Kamer van Koophandel om bijvoorbeeld een werk voor een bepaalde tijd (job) te krijgen in de bouw. Hierna schrijft men zich over het algemeen weer uit. Jaargang 11 34

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 35 Gesloten bedrijven naar grootte van bedrijf Het grootste gedeelte van de gesloten bedrijven valt onder de microbedrijven met een gemiddelde levensduur van 9 jaar (zie tabel 4). Naar gelang de grootte van de bedrijven wordt de totale gemiddelde levensduur hoger. Op bedrijfstakniveau zijn hierop echter wel enkele uitzonderingen te zien, zoals bijvoorbeeld bij de horeca De middenbedrijven hebben in deze bedrijfstak een hogere levensduur (12 jaar) dan bij de andere categorien (8 jaar). Hierbij moet wel opgemerkt worden dat het in sommige gevallen niet echt om een sluiting van een bedr ijf gaat, maar om een overname. De hoogste gemiddelde levensduur, als gekeken wordt naar grootte van bedrijf, is te vinden in de handel namelijk 35 jaar bij de grote hand elsbedrijven. De middenbedrijven in deze bedrijfstak bestaan gemiddeld 24 jaar. Opvallend is dat deze middenen grote bedrijven allemaal in deze eeuw zijn gesloten, of een nieuwe eigenaar hebben gekregen. Dit zal waarschijnlijk te maken hebben met de economische crisis die al een aantal jaren duurt. De kleine transporten communicatiebedrijven bestaan gemiddeld 16 jaar, tegenover de grote bedrijven in deze bedrijfstak die het slechts 5 jaar volhouden. De 3 grote transportbedrijven betreffen de in 1997 opnieuw opgerichte maatschappijen van de ALM (Antilliaanse Luchtvaartmaatschappij). De oorspronkelijke ALM heeft bijna 40 jaar bestaan, maar is in dit overzicht niet opgenomen, vanwege het ontbreken van informatie in het bedrijvenregister. De middenbedrijven in de financile dienstverlening bestaan het kortst (11 jaar) van de bedrijven in deze bedrijfstak, waarbij het voornamelijk om de internationale financile dienstverlening gaat. De kleine bedrijven in deze bedrijfstak houden het twee keer zo lang vol (22 jaar). Tabel 4 Gemiddelde levensduur naar grootte van bedrijf Micro Klein Midden Groot Aantal Aantal Aantal Aantal Aantal Aant al Aantal Aantal bedrijven jaren bedrijven jaren bedrijven jaren bedrijven jaren Landbouw en visserij 37 9 4 14 3 12 Industrie 66 11 5 19 20 18 1 26 Bouw 122 9 8 14 27 15 8 15 Handel 144 11 25 18 35 24 4 35 Horeca 62 8 11 8 18 12 2 8 Transport en communicatie 61 7 7 16 4 11 3 5 Financile dienstverlening 27 16 6 22 10 11 3 28 Zakelijke dienstverlening 142 9 17 9 25 11 5 19 Particulier onderwijs 7 8 1 18 1 7 Medische dienstverlening 40 10 1 14 Overige dienstverlening 81 7 4 19 7 12 1 1 Totaal 789 9 89 15 150 16 27 18

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 36 Samenvatting De gemiddelde levensduur van bedrijven bedraagt 11 jaar. Bedrijven in de financile dienstverlening hebben de hoogste levensduur (17 jaar), en bedrijven in de overige dienstverlen ing de laagste (7 jaar). Het aantal gesloten bedrijven waarva n informatie beschikbaar is bedraagt iets meer dan 8 procent van het oorspronkelijke aantal bedrijven. Het hoogste aandeel gesloten bedrijven bevindt zich in de landbouw (23,5%), het laagste aandeel in de financile dienstverlening (3,6%). Meer dan de helft van de gesloten bedrijven heeft korter dan 10 jaar bestaan (56%). Deze bedrijven bevinden zich vooral in de zakelijke dienstverlening (18% ), grooten kleinhande l (16%) en bouw (15%). Het grootste gedeelte van de gesloten bedrijven zijn microbedrijven met een gemiddelde levensduur van 9 jaar. Grote handelsbedrijven hebben de hoogste levensduur (35 jaar). Bijlage Tabel 5 Gesloten bedrijven per bedrijfstak naar jaar van sluiting Jaar van sluiting < '00 '00 '01 '02 '03 '04 '05 '06 '07 '08 '09 '10 '11 Landbouw en visserij 3 1 1 1 1 3 4 4 7 15 4 Industrie 7 7 5 6 5 4 5 8 4 12 9 10 10 Bouw 18 8 6 4 5 6 14 15 20 21 17 18 13 Handel 30 16 18 10 11 8 5 20 7 13 19 38 13 Horeca 9 8 10 5 6 4 4 9 4 3 8 14 9 Transport en communicatie 2 5 2 3 4 4 3 8 2 6 10 20 6 Financile dienstverlening 2 1 7 3 4 1 1 6 3 5 4 6 3 Zakelijke dienstverlening 12 8 6 14 5 1 6 23 25 21 16 32 20 Particulier onderwijs 1 1 1 1 2 3 Medische dienstverlening 8 1 3 1 1 2 3 3 8 5 4 2 Overige dienstverlening 13 3 2 4 2 1 2 5 4 5 10 36 6 Totaal 104 58 60 50 44 31 44 100 77 98 107 196 86

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 37 Relationship between the reservation wage of the unemployed and the last received hourly wage. Zaida Lake Introduction The topic of the reservation wage of the unemployed ha s a long history of global discussion and analyses23. The reservation wage is the lowest wage rate at which a worker (in this article this is the unemployed person) would be willing to accept a partic ular type of job. A casus: a teacher who worked for 5 ye ars earning a wage rate of approximat ely 15 gross Antillean guilders per hour becomes unemployed. After a period of time he is offered another teaching job for 10 guilders per hour. The teacher most probably will not accept the job, because it would mean a great reduction in the hourly wage that he earned before. This last choice is based on his reservation wage. In 2006, the Central Bank performed a research on the topic of the reservation wage for the labor market of Curaao, in which the authors24 had as hypothesis that the reservation wage of unemployed person in Curaao determines whether he will accept or reject work. The authors came to the conclu sion that the reservation wage, particularly of the group of unemployed who receive social benefits, apparently is not the main factor preventing them from accepting work, but rather the benefits accompanying being unemployed su ch as, subsidy for house rent, school uniforms etc. International research has shown that there exists a caus al relationship between the reservation wage of the unemployed and their last received hourly wage A lot of research has been done on particularly the relationship between the reservation wage of the unemployed and the last received hourly wage. A leading research on this topic is that of the German Re search group in 2006. Their hypothesis focused on answering the question whether a progressive minimum wage policy has effect on the reservation wage of the unemployed and if this relationship is the cause of a high unemployment rate. They came to the conclusion that a rise in the minimum wage will have an effect on the level of the reservation wage of the unemployed, because it triggers rising expectations. If the level of the minimum wage should be diminished, the unemployed person will maintain a r eservation wage equal to the first received (higher) minimum wage25. This article aims to contribute to the discussion regar ding the relationship between the reservation wage of the unemployed of Curaao and their last received hourly wage whether it is minimum wage or higher than minimum wage. 23 Hogan,V.; The determinants of the reservation wage. 1999 IMF Working paper; What determines the rese rvation wages of unemployed workers? New evidence from German Micro data. 2003 More additional readings. 24 Miriela Carolina and Lenny Pau; The Reservation Wage of the Unemployed job seekers in Curaao. 2008 25 Armin Falk, Ernst Fehr and Christian Zender ( The Quarterly Journal of economics (2006) 121 (4): 13471381. doi:10.1093/qje/121.4.1347)

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 38 Methodology Limitations of the data For the purpose of this analysis, the tw o questions in the Labor Force Surveys26 (LFS) of 2007 to 2011 that are under investigation are What is your last receiv ed hourly wage? and What is the lowest wage for which you would accept employment? This last questi on describes the reservation wage. The hypothesis in this article is that persons, who have worked for a ce rtain salary in the past (be it equal to that of the minimum wage27 or higher), tend to have a reservation wage equal to the last received hourly wage. The analysis in this article gives an indication of any existing relationship on the labor market of Curacao. The analysis is not an explanatory one. It does not ex plain the underlying factors for found relationships. However, it gives an indication where more and extensive research is necessary, in order to determine what is the cause and effect of any possible relationship between a minimum wage policy of Curacao and the reservation wage of the unemployed and co nsequently on the unemployment rate. The analysis is performed on two subgroups of respon dents, which are 1. the unemployed who (at the time of the survey) were employed for up to one year an d 2. those who were unemployed for more than one year. By categorizing the respondents in these two gr oups, a possible effect of the variable long term unemployed can be visible. Subsequently, within these two subgroups, a relationship is established between those who received minimum wage in the past and their present reservation wage and between those who received higher than minimum wage and their reservation wage. It should be noted that due to the relatively small sample of the unemployed population in the sample (approximately 400 persons in the sample), the last received hourly wages and the reservation wages are presented as wage brackets instead of exact amount. The exact minimum hourly wage lies therefore within the corresponding wage bracket (which are 0-9 gr oss Antillean guilders per hour) (see Annex). The graphs in the article are the prime sources from which the conclusions will be drawn, by looking at the distance between the two lines presented in the graphs. Reservation wage versus last received hourly wage Unemployed for one year or less The majority of the unemployed population that ha s been unemployed for up to one year received a minimum hourly wage. It is noticeable that each year (except for 2008) this percentage is less, and the share of unemployed that formerly worked for a wage hi gher than the minimum wage has increased. This indicates that more and more persons with relati vely high hourly wages are becoming unemployed. 26 The Labor Force Survey is a survey that the Central Bureau of Statis tics conducts on a regular basis to measure the latest developm ents on the labor market. 27 In Curaao all employees are entitled to a minimum wage. This is established in an Ordinance by law. Each year the wages are indexed based on the last cons umer price index. The last hourly minimum wage is that of January 2013; 7.93 guilders per hour (see Annex).

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Table 1 Hourly wage and reservation wage of persons unemployed for one year or less, (Gross Antillean guilders) Last received hourly wage (Gross Antillean guilders) ANG 2007 2008 2009 2011 0-9 2693 (76%) 2907 (83%) 2477 (71%) 2703 (68%) 10 plus 856 (24%) 583 (17%) 1034 (29%) 1282 (32%) Total 3548 (100%) 3490 (100%) 3511 (100%) 3984 (100%) Reservation wage (Gro ss Antillean guilders) ANG 2007 2008 2009 2011 0-9 3047 (86%) 2016 (58%) 1901 (54%) 2121 (53%) 10 plus 501 (14%) 1473 (42%) 1610 (46%) 1863 (47%) Total 3548 (100%) 3488 (100%) 3511 (100%) 3984 (100%) Chi test=0,000 at the 0.99 level and 1 degree of freedom renders a p>0.01 Meaning the chance that the reservation wage being a logical consequence of the last hourly wage is due to coincidence is 0.01. So, people tend to chose their reservation wage based on their last hourly wage. The share of the unemployed that chooses a reservatio n wage similar to the minimum wage appears to be decreasing. (see table 1 and graphs 1 and 2). The share th at formerly received an hourly wage higher than the minimum wage also more and more tend to choose a reservation wage higher than their former wage. It appears therefore that more and more unemployed tend to choose a reservation wage higher than the last received hourly wage, including those who received minimum wage (see table 1 and graphs 1 and 2). Graph 1 Unemployed for one year or less and last received wage was minimum wage76 64 71 68 86 59 54 53 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 2007 2008 2009 2011 % Percentage of unemployed whose last received hourly wage was bordering minimum wage Percentage of unemployed who chose a reservation wage equally bordering minimum wage Nummer 1 39

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine Graph 2 Unemployed for one year or less and last received wage was higher than minimum wage24 36 29 32 14 41 46 47 0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 50 2007 2008 2009 2011 % Percentage of unemployed who's last received wage was higher than minimum wage Percentage of unemployed who chose a reservation wage higher than minimum wage Summary and conclusion of graph 1 and 2 : for the unemployed that have be en out of work for one year or less, the distance between the last received hourly wa ge and the reservation wage, appears to be widening. This is especially true for the category whose former hourly wage was higher than minimum wage (graph 2). Thus, more and extensive research needs to be done on the reasons why persons who have been unemployed for a relatively short time tend to choose a relatively high reservation wage, even higher than the formerly received minimum wage. Unemployed for more than one year The same analysis as for the subgroup unemployed for one year or less, has been performed on the subgroup unemployed for more than one year. The result s show that, similar to situation in the first group, the majority of persons in the sample received a salary in their former job, equal to or bordering minimum wage (see table 2). Jaargang 11 40

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine Table 2 Unemployed for more than one year, (Gross Antillean guilders) Last received hourly wage (Gross Antillean guilders) ANG 2007 2008 2009 2011 0-9 3359 (81%) 1988 (79%) 1917 (80%) 1762 (75%) 10 plus 792 (19%) 522 (21%) 479 (20%) 595 (25%) Total 4151 (100%) 2510 (100%) 2395 (100%) 2357 (100%) Reservation wage (Gross Antillean guilders) ANG 2007 2008 2009 2011 0-9 3823 (92%) 1529 (61%) 1603 (67%) 1375 (58%) 10 plus 328 (18%) 982 (39%) 792 (33%) 982 (42%) Total 4151(100%) 2510 (100%) 2395(100%) 2357 (100%) Chi test=0.00 which renders a p>0.01. Thus the chance of the reservation wage being a logical consequence of the last hourly wage is due to coincidence is less than 0.01. So, people tend to chose their reservation wage based on their last hourly wage Except in 2007, each year a lower share of unemployed had a reservation wage that was equal to or bordering minimum wage. The share that had a higher reservation wage was relatively high. Ironically this is especially visible at the group th at earned a former hourly wage that was equal to or bordering minimum wage. (see graphs 3 and 4) Graph 3 Unemployed for more than one year and last hourly wage was minimum wage 81 79 80 75 92 61 67 58 50 55 60 65 70 75 80 85 90 95 100 2007 2008 2009 2011 % Percentage of unemployed whose last received hourly wage was between 0-9 gross Antillean guilders per hour Percentage of unemployed who chose a reservation wage between 0-9 gross Antillean guilders per hour The distance between the two lines in graph 3 is much wider that the distance between the lines in graph 4. This is an indication that in spite of being unemployed for more than one year in general a larger share still tend to have a reservation wage higher than the mi nimum wage (which was the formerly received wage). Nummer 1 41

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine Graph 4 Unemployed for more than one year and last hourly wage was higher than minimun wage19 21 20 25 8 39 33 42 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 2007 2008 2009 2011% Percentage unemployed who's last received wage was higher than minimum hourly wage Percentage of unemployed who chose a reservation wage higher than minimun wage Summary and conclusion of graphs 3 and 4 : of the group of unemployed who were without work for more than one year, a relatively high share tends to choose a reservation wage higher than the minimum wage. Also here further research is justified to determine why persons, who are unemployed for a relatively long time, still tend to maintain a reservation wage equal to or higher than the minimum wage. Conclusion This article has the aim to, in the light of international research and also research performed locally on the topic of the reservation wage, to encourage more and d eeper research on this topic for the labor market of Curacao. Applying the minimum wage/reserva tion wage link developed by the German research group in 2006, this article set out to draw conclusions regarding a po ssible relationship between formerly received hourly wage of the unemployed and their reservatio n wage for the labor market of Curaao. In accordance with the results of the model of the Ge rman research group, there appears to be a strong relationship between formerly received hourly wage of the unemployed and the reservation wage on the labor market of Curaao, based on th e results of the LFS. Persons tend to maintain their formerly received wage as their reservation wage, which in the majority of cases was the minimum hourly wage, even though they have been unemployed for a long period of time. Jaargang 11 42

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 43 ANNEX Development of the hourly minimum wages Curaao Hourly minimum wage January 2004 5.77 January 2006 5.98 January 2007 6.14 January 2008 6.35 September 2008 7.30 January 2009 7.30 January 2010 7.30 January 2011 7.53 January 2012 7.68 January 2013 7.93