Citation
Modus Jaargang 11 Nummer 2

Material Information

Title:
Modus Jaargang 11 Nummer 2

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 1

rff nftb

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redactioneel........................................................ iii 1. Resultaten conjunctuurenqute Curaao jaar 2012.......................................... 1 2. Eerste resultaten conjunctuurenqute Curaao 1e halfjaar 2013 ............................... 9 3. Intercensal population estimates and current population estimates 2001-2012 ..... 14 4. Verkeer en verkeersveiligheid op Curaao ..................................................... 19 5. Kindermishandeling we reldw ijd en op Cu raao ...............................................23 Nummer 2 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 11 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Voor u ligt een nieuwe editie van MODUS, het statistisch magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, boordevol met nuttige statistische analyses. In deze editie treft u onder andere twee artikelen aan die ingaan op de resultaten uit de gehouden conjunctuur enqutes afgelopen november 2012 en juni 2013. In het eerste artikel valt op dat de opinievorming van bedrijven tot december 2012 een wat negatiever beeld geeft voor wat betreft de investeringen en het vertrouwen in de economie dan in 2011. Dit was te verwachten gezien het feit dat de economie in 2012 gekrompen is met 0.1 procent. In het tweede artikel zet dit beeld door voor wat betreft de investeringen doch lijkt er een positieve kentering te ontstaan in het vertrouwen in de economie. De bevolking is het afgelopen decennium met bijna 20.000 personen gegroeid. Uit een artikel in deze publicatie blijkt dat deze groei vooral toegeschreven kan worden aan migratie en niet zozeer aan natuurlijke groei. De verwachting is echter dat Curaao een geaccelereerd vergrijzingproces zal ervaren de komende jaren. Met de toename van het bevolkingsaantal is ook te verwachten dat er meer druk zal worden uitgeoefend op onze transport en vervoersystemen. Uit een artikel in deze publicatie blijkt dat tot het jaar 2010 sprake is van een continu uitbreidend wagenpark. Met de groei van het wagenpark valt uit het artikel verder op dat het aantal verkeersongelukken en verkeersovertredingen is toegenomen. Deze publicatie wordt tenslotte afgesloten met een artikel dat ingaat op kindermishandeling wereldwijd en kindermishandeling op Curaao. Het artikel concludeert dat zowel op Curaao als in de wereld gesproken kan worden van onderregistratie, vooral als het gaat om seksuele mishandeling. Daarom wordt een goed opgezet systeem, dat de omvang en aard van kindermishandeling, risicofactoren, beschermingstrategien en het effect en de kosten van de registratie aanbevolen. U wordt vriendelijk uitgenodigd om de voor u liggende publicatie zelf grondig te doorspitten. De inhoud van de artikelen kan u van interessante informatie voorzien. Rest mij dan om u veel leesplezier toe te wensen. Sean de Boer Directeur CBS Colofon Oplage : 300 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 info@cbs.cw www.cbs.cw Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Ostrid Girigori Drukwerk Interpress NV Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2013 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding Nummer 1 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine iv Jaargang 11

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 1Resultaten conjunctuurenqute Curaao jaar 2012 Chris M. Jager Inleiding In december 2012 zijn in het kader van de conjunctuurenqute (CE) de bedrijven op Curaao benaderd met vragenlijsten. Doel van de conjunctuurenqute is om op reguliere basis, twee maal per jaar in juni en december, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en economische parameters en ontwikkelingen. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. In dit artikel wordt nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute. Kwantitatieve gegevens over de exploitatiekosten worden hier niet besproken en de omze tten slechts in beperkte mate. Allereerst wordt er een korte inleidende beschouwing gegeven over de methodologie zoals di e voor de enqute wordt gebruikt. De resultaten worden zo veel mogelijk vergeleken met het voorgaande jaar, de re sultaten van december 2011. B ij vertrouwen, investeringen en investeringsklimaat word t een vergelijking gemaakt met de eerste helft van 2012. Met de verkregen gegevens van de bedrijven (NVs en ee nmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) wordt een beeld gegeven van de volgende onderwerpen: investeringsbelemmeringen en bevorderingen, concurrentiepositie, vertrouwen in de economie, vertrouwen in de toekomst, mening ten aanzien van het investeringsklimaat, omzetmutaties, bedrijfsresultaten. Bij vertrouwen in de toekomst, mening ten aanzien van het investeringsklimaat en omzetmutaties wordt ook inzicht gegeven in de situatie per bedrijfstak en naar grootte van de bedrijven op basis van het aantal werknemers. Methodologie De conjunctuurenqute wordt twee keer per jaar onder de bedrijven op de Curaao gehouden. In juni wordt genquteerd over het eerste halfjaar van het lopende kalenderjaar, in december over het gehele jaar. Dit wordt gedaan met behulp van enquteurs en via email. Het onderzoek wordt uitgevoerd bij al le bedrijven met tien of meer we rknemers, terwijl van de bedrijven vanaf drie tot tien werknemers een steekproef word t genomen. Door het nemen van een steekproef wordt een schatting gemaakt van de karakteristieken van de gehele populatie (alle bedr ijven) en kunnen daar op een verantwoorde wijze uitspraken over worden gedaan. Onder bedrijven wordt hier verstaan NVs en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening. Bij de steekproeftrekking (voor de bedrijven van dr ie tot tien werknemers) wordt uitgegaan van een betrouwbaarheid van 95 procent (5% fo utenmarge, z-waarde van 1,96).

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine Bij een populatie van ruim 2.000 bedrijven (vanaf 3 werknemers tot 10 werknemers) komt dat op het moment van trekking neer op in totaal 323 bedrijven. De steekproef wordt proportioneel getrokken, waarbij rekening wordt gehouden met en uitgegaan van het antal bedrijven per bedrijfstak. a Investeringsbelemmeringen en bevorderingen Bijna 42 procent van de benaderde bedrijven heeft aange geven te hebben genvesteerd in het jaar 2012. Sinds december 2011 heeft zich een daling ingezet bij investeringen in vaste activa. Toen was dat met bijna 50 procent, 8 procentpunten meer (zie figuur 1). In juni 2012 bedraagt het 44 procent, waarna het in december is uitgekomen op genoemde 42 procent. Van de bedrijven heeft 31 procent aangegeven dat er van investeringsbelemmeringen sprake is geweest. En jaar daarvoor, december 2011, was dit vrijwel net zo veel, 30 procent. In juni 2012 is er met 36 procent sprake geweest van het hoogste percentage ooit gemeten. Opvallend is het gr ote verschil met juni 2010, net vr de verzelfstandiging van Curaao per 10 oktober 20101, toen dit percentage slechts 7 procent bedroeg, het laagste percentage ooit gemeten. Figuur 1: investeringen in vaste activa49 46 50 44 420 10 20 30 40 50 60 70dec 2010 juni 11 dec 11 juni 12 dec 12% bedrijven ja nee Zoals gewoonlijk zijn de financile middelen, het kapitaal, de grootste investeringsbelemmering, zie figuur 2. Dit percentage is in een halfjaar tijd afgenomen van 22 naar nog geen 17 procent per december 2012. Ook het percentage bedrijven die een slechte marktverwachting als belemmering hebben aangegeven, is van juni tot december afgenomen, van 17 naar bijna 15 procent. Het overheidsbeleid als investeringsbelemmering is eveneens over dezelfde periode afgenomen. Dit is gedaald van 16 naar 14 procent. Figuur 2: investeringsbelemmeringen in %0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20Tekort f in midd Marktverwach ting R endement Re nteniveau We rk vergunning Overh eidsbe leid Ove rig% bedrijven dec '10 juni 11 dec '11 juni 12 dec '12 De investeringen zijn naar mening van de bedrijven vooral bevorderd door de beschikbaarheid van financile middelen (figuur 3). Het percentage bedrijven dat dit aangeeft is toegenomen ten opzichte van juni 2012 van ruim 14 naar 18 procent. Verder zijn de investeringen ook bevorderd door vooral een goede verwachting van ontwikkelingen in de markt en de beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel. De percentages van beide indicatoren liggen per december 2012 rond de 5 procent. Figuur 3: bevordering investeringen in %0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20B e s c h g e k w p e r s B e s c h i k b h f i n m i d d G o e d e m a r k t v e r w R e n d e m e n t s v e r w R e n t e n i v o O v e r i g% bedrijven dec '10 juni 11 dec '11 juni 12 dec '12 Jaargang 11 2 1 Op 10 oktober 2010 is de staatkundige structuur van de Antillen veranderd en is het Land Curaao opgericht

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Concurrentiepositie De concurrentiepositie op de binnenl andse Curaaose markt (zie figuur 4) is in vergelijking met december 2011 wat verslechterd. Mr bedrijven hebben aangegeven dat dit het geval is, van nog geen 23 naar ruim 30 procent. Een vrijwel zelfde percentage als in juni 2012 heeft aa ngegeven dat de concurrentiepositie verbeterd is (van 10 naar nog geen 9%). De meeste bedrijven hebben aangegeven, zoals altijd het geval, dat de concurrentiepositie onveranderd is gebleven. Ten opzichte van december 2011 is dit met 5 procentpunten afgenomen naar 53 procent. Nummer 2 3 Vertrouwen in de economie Bij het vertrouwen in de economie is naar de mening van de ondernemers nauwelijks een verandering opgetreden (zie figuur 5). Iets meer ondernemers, 56 procent, hebben aangegeven dat het vertrouwen in de economie is verminderd. Dit was 1 procentpunt minder in juni 2011 (55%). Wederom heeft een heel laag percentage van de be drijven aangegeven dat het vertrouwen in de economie het afgelopen halfjaar is verbeterd. Dit is enigszins afgenomen van nog geen 3 procent naar ruim 1 procent. Het aantal ondernemers dat heeft aangegeven dat het vertrouwen gelijk is gebleven, is ten opzichte van afgelopen juni eveneens vrijwel gelijk gebleven; van ruim 42 naar nog geen 43 procent. Figuur 4: concurrentiepositie binnenland dec. 2012 0 10 20 30 40 50 60verbeterdonveranderdverslechterdniet van toep.% bedrijven dec '10 juni '11 dec '11 juni '12 dec '12 Vertrouwen in de toekomst Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven vertrouwen te hebben in de toekomst is in de laatste helft van 2012 verder afge nomen, van 45 naar bijna 41 procent per december 2012 (zie figuur 6). Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst is bovendien toeg enomen en wel van 29 naar 33 procent. Daarmee is het duidelijk geworden dat er ook in de laatste helft van 2012 nog geen einde is gekomen aan de afname van het vertrouwen in de toek omst door bedrijven. Figuur 5: vertrouwen in de economie0 10 20 30 40 50 60 70dec '07 junidec '08 junidec '09 junidec '10 junidec '11 junidec '12% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Het percentage van de bedrijven dat heeft aangegeven g een mening te hebben over de gestelde vraag is in december met 27 procent vrijwel gelijk gebleven (was 26% in juni 2012). Figuur 6: vertrouwen in de toekomst0 10 20 30 40 50 60 70dec '07 junidec '08 junidec '09 junidec '10 junidec '11 junidec '12% bedrijven ja nee geen mening Indien wordt gekeken naar de resultaten van het vertrouwen in de toekomst op bedrijfstakniveau van de grotere bedrijfstakken is te zien dat er van beperkte verschillen sprake is. Het vertrouwen bij transport en communicatie is met 57 procent duidelijk boven het gemiddelde van 41 procent, zie figuur 7.

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine Ook bij de industrile bedrijven is het met het vertrouw en ten opzichte van de andere bedrijfstakken (50%) relatief goed gesteld. Verder valt op dat bij de handel, dat qua vertrouwen (36%) wat onder het gemiddelde van 41 procent zit, er relati ef veel bedrijven zijn die hebben aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst (meer dan 40 procent). Figuur 7: vertrouwen toekomst naar bedrijfstak0% 20% 40% 60% 80% 100%B o uw H a n del H o reca Z a k el ij ke d ie n s te n Ove r ig e d ie n s te n In d u st ri e T r an s p o rt & c o m m .% bedrijven geen mening nee ja Daar de bedrijven wordt gevraagd naar het aantal werknemers, kan ook inzicht worden gekregen in het vertrouwen in de toekomst naar het aantal werknemers van de bedrijven. Daarvoor wordt een indeling gemaakt in 3 groepen, te weten 3 tot 10 werknemers (kleinbedrijf), 10 tot 50 werknemers (middelgroot bedrijf) en 50 of meer werknemers (groot bedrijf). Ook nu weer is gebleken dat bij de grotere bedrijven met 50 of meer werknemers duidelijk meer bedrijven vertrouwen in de toekomst hebben dan de kleineen middelgrote bedrijven (zie figuur 8). Bij deze grote bedrijven bedraagt dit 48 procent, bij de kleineen middelgrote bedrijven respectievelijk 30 en 42 procent. Figuur 8: vertrouwen toekomst naar werkenden 0 10 20 30 40 50 60< 10 10 50 50 en meer% bedrijven ja nee geen mening Bij de kleineen middelgrote bedrijven hebben respectievelijk 38 en 37 procent aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst. Bij de grote bedrijven vanaf 50 werknemers ligt dat percentage met 17 procent beduidend lager. Mening ten aanzien van het investeringsklimaat Figuur 9: perceptie investeringsklimaat0 10 20 30 40 50 60 70 dec '07 junidec '08 junidec '09 junidec '10 junidec '11 junidec '12% bedrijven goed matig slecht De mening ten aanzien van het investerin gsklimaat (zie figuur 9) is eind 2012 minder positief in vergelijking met juni van dat jaar. Slechts 5 proc ent van de bedrijven heeft aangegeven dat het klimaat goed is, in juni was dit 9 procent. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven dat het slecht is, is toegenomen van 36 naar 40 procent. De meeste bedrijven oordelen het investeringsklimaat als matig. De negatieve trend heeft zich hier niet voortgezet en is gestabiliseerd op 55 procent. Als bij de perceptie van het investeringsklimaat op bedrijfstakniveau gekeken wordt naar de grotere bedrijfstakken, dan kan men enige onderlinge verschillen waarnemen (zie figuur 10). De bouw valt op vanwege het hoge percentage bedrijven, dat het investeringsklimaat slecht vindt (56% van de bedrijven). Verder zijn er binnen de bedrijfstak transpo rt en communicatie veel bedrijven die het investeringsklimaat matig vinden: bi jna 67 procent. Bovendien vindt daar slechts 26 procent van de bedrijven het klimaat slecht. Bij de handel zijn er vrijwel geen bedrijven die het investeringsklimaat goed vinden. Dit percentage bedraagt nog geen 1 procent. Jaargang 11 4

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine De perceptie van het investeringsklimaat als afgeleide van het aantal werknemers van de bedrijven laat eveneens vrij duidelijke verschillen zien. Bij de kleinere bedrijven (tot 10 werknemers) is de mening ten aanzien van het investeringsklimaat wat minder gunstig dan bij de grotere bedrijven van 10 werknemers of meer (figuur 11). Figuur 10: perceptie investeringsklimaat naar bedrijfstak0% 20% 40% 60% 80% 100%Bouw Han d el Horeca Z a kelijke diensten Ove r i ge d i en s te n Ind u st r ie T ran spo rt & c omm.% bedrijven slecht matig goed Bij de kleine bedrijven vindt slechts 3 procent het investeringsklimaat goed en maar liefst 47 procent slecht. Bij de grote bedrijven met 50 en meer werknemers zijn deze percen tages wat gunstiger. Bijna 5 procent van de bedrijven vindt het goed en 36 procent is van mening dat het investeringklimaat slecht is. Figuur 11: perceptie investeringsklimaat naar werkenden 0 10 20 30 40 50 60 < 10 10 50 50 en meer% bedrijven goed matig slecht Omzetmutaties Aan de bedrijven wordt ook gevraagd aan te geven in welke mate de omzet is veranderd in vergelijking met het voorgaande jaar. Tot en met het jaar 2009 is het percentage toename hoge r dan afname van de omzet, zie figuur 12. Sinds december 2010 is daarin echter verandering in gekomen en is er sprake van een omslag. In dat jaar is het percentage omzet toename (42%) wat lager dan de afname, 45 procent. Afgelopen december 2012 is gebleken dat het verschil tussen deze twee kengetallen verder is toegenomen. De toename van de omzetten komt dan uit op slechts 32 procent, de afname daarvan op 50 procent. Figuur 12: omzet mutaties 2008 t/m dec. 201264 49 42 36 32 24 36 45 42 500 10 20 30 40 50 60 70 802008 2009 2010 2011 2012% bedrijven toename afname Indien wordt gekeken naar de omzetmutaties op bedrijfstakniveau van de grotere bedrijfstakken dan zijn er enige verschillen te zien (figuur 13). Bij de bedrijven waar sprake is geweest van een toename van de omzet is dit gemiddeld 32 procent geweest. De bouw (met 25%) en overig e diensten (27%) liggen duidelijk beneden dit gemiddelde. Bij de horeca en transport en communicatie, beiden rond de 40 procent, ligt dat wat boven het gemiddelde. Verder valt op het relatief lage percentage afname van de omzetten bij transport en communicatie. Figuur 13: omzetmutaties bedrijfstakken 2012 in %0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 BouwOverige diensten HandelZakelijke diensten IndustrieHorecaTransport & comm.% bedrijven afname toename Nummer 2 5

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine De mutaties van de omzet naar rato van het aantal werknemers van de bedrijven laat vrij duidelijke verschillen zien, zie figuur 14. Bij de kleinere bedrij ven (3 tot 10 werknemers) is de ontwikkeling van de omzet in 2012 duidelijk minder gunstig dan bij de middelgroteen grote bedrijven. Bij de kleine bedrijven is er bij slechts 23 procent sprake van een toename van de omzetten. Ruim 56 procent heeft te maken gehad met een afname. Bij de grote bedrijven vanaf 50 werknemers liggen deze percentages met 38 en 42 procent duidelijk gunstiger. De middelgrote bedrijven (10-50 werknemers) nemen met 34 procent toename van de omzet en 51 procent afname van de omzet een middenpositie in. Figuur 14: omzetmutaties naar werkenden 0 10 20 30 40 50 60< 10 10 50 50 en meer% bedrijven toename afname Bedrijfsresultaten De bedrijfsresultaten zijn de afgelopen 5 jaren versle chterd. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven dat de resultaten verbeterd zijn, is in 5 jaren afgeno men van 41 naar 18 procent (figuur 15). Het afgelopen jaar heeft de afname ten opzichte van 2011 6 procentpunten bedragen (van 24 naar 18%). Daarentegen hebben de afgelopen 5 jaren meer en meer bedrijven aangegeven dat de resultaten zijn verslechterd. Dit percentage is van 13 (2008) naar 31 (2012) gegaan, het afgelopen jaar heeft de toename ten opzichte van 2011 5 procentpunten bedragen. Gelukkig kan daarbij worden opgemerkt dat het percentage bedrijven wat heeft aangegeven veranderen in verlies zich heeft beperkt tot 10 procent, een toename van 1 procentpunt ten opzichte van het voorgaande jaar 2011. Figuur 15: bedrijfsresultaat t.o.v. voorgaand jaar0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 ongeveer gelijk blijven verbeterenveranderen in winst veranderen in verlies verslechteren 2008 2009 2010 2011 2012 Het percentage bedrijven met een positief bedrijfsresultaat is per december 2012 uitgekomen op bijna 62 procent. Een percentage wat vrijwel overeenkomt met de verwachting zoals gemeten in juni 2012 (ruim 62%, zie figuur 16). Hierdoor is duidelijk geworden dat de daling van 2010 / 2011 zich niet heeft doorgezet. Bijna 39 procent van de genterviewde bedrijven heeft aangegeven een negatief bedrijfsresultaat over 2012 te hebben behaald. Ofschoon dat op zich uiteraard een hoog percentage is, is er van een verslechtering van de situatie in ieder geval geen sprake. Figuur 16: bedrijfsresultaten 2008 20127272 73 61 62 2828 27 40 390 10 20 30 40 50 60 70 802008 09 10 11 2012 % bedrijven pos neg Jaargang 11 6

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Overigens dient opgemerkt te worden dat de ze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen. Figuur 17 laat de bedrijfsresultaten zien als afgeleide van de grootte van het bedrijf, waarbij het verschil tussen de kleinere bedrijven tot 10 werknemers en de grotere vanaf 10 we rknemers opvallend is. Ook hier blijkt dat de grotere bedrijven het beter doen, in termen van het al dan ni et behalen van bruto winst, dan de kleine bedrijven. Van de grote bedrijven behaalt ruim 67 procent winst. Bij de kleine bedrijven is dit slechts 45 procent. De verliespercentages zijn in overeenstemming met het voorgaande. Figuur 17: bedrijfsresultaten naar grootte 20120% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%10 10-50 => 50 % bedrijven neg. pos. Als gekeken wordt naar de bedrijfsresultaten per bedrijfstak (figuur 18), blijkt dat alleen bij transport en communicatie bijna driekw art van de bedrijven een positief resultaat heeft behaald ((74%). Bij zakelijke diensten (67%), handel (65%) en overige diensten (63%) heeft ongeveer 2/3 deel van de bedrijven winst weten te behalen. Bij de bouw en de horeca weten de meeste bedrijven nog winst te behalen (57%), bij de industrie is daarvan helaas geen sprake. Bij deze bedrijfstak heeft 54 procent aangegeven verlies te hebben geleden en slechts 46 procent winst. Figuur 18: resultaten per bedrijfstak 2012 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%Zak. d iensten Bouw Horec a Industrie Hande l Tr a nsport & comm. O veri g% bedrijven neg pos Nummer 2 7

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 8 Concluderende opmerkingen De ontwikkelingen van de bedrijven op Curaao laten per december 2012 zowel in vergelijking met juni 2012 als in vergelijking met het jaar 2011 een wat negati ever beeld zien. Dit is af te leiden uit de diverse hierboven genoemde opinies en bedrijfsresultaten. Minder bedrijven hebben aangegeven te hebben genvesteer d. Daarmee heeft de negatieve trend, waar sinds juni 2011 sprake van is, zich voortgezet. Dit geldt niet voor de investeringsbelemmeringen. Daar is de trend doorbroken en hebben minder be drijven dan de vorige periode, belemmeringen zoals kapitaal, marktverwachting en overheidsbeleid aangegeven. Afgelopen december heeft ruim 30 procent van de be drijven dat aangegeven dat de concurrentiepositie is verslechterd, hetgeen meer is dan ooit tevoren. Dit is een duidelijk en enigszins verontrustend signaal. Het vertrouwen in de economie is in de tweede helft van 2012 niet verder verslechterd. Meer dan de helft van de ondernemers (55%) heeft aangegeven dit is verminderd. Het vertrouwen in de toekomst is wl verder vers lechterd en slechts 41 procent heeft in december aangegeven dit vertrouwen te hebben. Vooral bij de hand el hebben relatief veel bedrijven geen vertrouwen in de toekomst (ruim 40%). De mening ten aanzien van het investeringsklimaat is navenant: ook afgelopen december hebben mr bedrijven aangegeven dit niet goed te vinden. Vooral bij de bouw is daarvan sprake, 56 procent vindt het investeringsklimaat slecht. Bij het vertrouwen in de toekomst en de perceptie van het investeringsklimaat zijn de verschillen tussen de bedrijfstakken beperkt. Wel zijn er vrij duidelijke vers chillen tussen kleine en grote bedrijven. De perceptie van zowel vertrouwen in de toekomst als het investeringsklimaat is bij kleine be drijven minder gunstig dan bij de grotere. Het percentage bedrijven met een positief bedrijfsresult aat is ten opzichte van 2011 vrijwel onveranderd en uitgekomen op 62 procent. De daling van het jaar daarv oor heeft zich niet voortgezet. Nog te veel bedrijven echter, met name de kleinere (55% ), zijn niet in staat winst te behalen waardoor investeringen en levensvatbaarheid op termijn onder druk komen te staan.

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Eerste resultaten conjunctuurenqute Curaao 1e halfjaar 2013. Chris M. Jager Inleiding In juni 2013 zijn in het kader van de conjunctuurenqute (CE) de bedrijven benaderd met vragenlijsten op Curaao. Doel van de conjunctuurenqute is om op reguliere basis, twee maal per jaar in juni en december, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en economische parameters en ontwikkelingen. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. In dit artikel wordt nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute. Kwantitatieve gegevens over de exploitatiekosten worden hier niet besproken en de omzetten slechts in beperkte mate. De verkregen gegevens worden zo veel mogelijk vergeleken met december 2012. Met de verkregen gegevens van de bedrijven (NVs en ee nmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) wordt een beeld gegeven van de volgende onderwerpen: investeringsbelemmeringen en bevorderingen, concurrentiepositie, vertrouwen in de economie, vertrouwen in de toekomst, mening (perceptie) t.a.v. het investeringsklimaat, omzetmutaties, verwachtingen bedrijfsresultaten, Opinievragen Investeringsbelemmeringen en bevorderingen Bijna 37 procent van de benaderde bedrijven heeft aan gegeven te hebben genvesteerd in de eerste helft van 2013. Afgelopen december 2012 was dat met bijna 42 procent 5 procentpunten hoger. Bijna 36 procent van de bedrijven he eft investeringsbelemmeringen aangegeven. Dit is een hoog percentage, goed vergelijkbaar met juni 2012 toen het ruim 36 pr ocent was en 5 procent hoger dan afgelopen december. Het gebrek aan financile middelen was tot nu toe altijd de grootste investeringsbelemmering. Sinds afgelopen juni 2013 is daar echter verandering in gekomen. Dit percentage is in een halfjaar tijd toegenomen van 17 naar ruim 19 procent, zie figuur 1. Doordat er nu echter duidelijk meer bedrijven geweest zijn die een slechte marktverwachting als belemmering hebben aangegeven, een toename van 15 (december 2012) naar 19 procent, is het daarmee op een zelfde nivo gekomen als de financile middelen. Figuur 1: investeringsbelemmeringen in %0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20Tekort fin mid d Mark t v e r w ac h ti n g Re n demen t R e nteni v eau We r k v e rgu n nin g Overheidsbe l ei d Overig% bedrijven juni 11 dec '11 juni 12 dec '12 juni 13 Het overheidsbeleid blijft met bijna 15 procent een derde investeringsbelemmering. In december 2012 was dit 14 procent. Nummer 2 9

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Concurrentiepositie Voor wat betreft de concurrentiepositi e op de binnenlandse Curaaose markt (zie figuur 2) is de situatie in vergelijking met voorgaande period e (december 2012) licht verbeterd. Minder bedrijven hebben aangegeven dat de concurrentiepositie verslechterd is. Dit is van 30 naar 26 procent gegaan. Een vrijwel zelfde percentage bedrijven heeft aangegeven dat deze verbeterd is (van nog geen 9 naar 8 procent). Figuur 2: concurrentiepositie binnenland dec. 2013 0 10 20 30 40 50 60verbeterdonveranderdverslechterdniet van toep.% bedrijven juni '11 dec '11 juni '12 dec '12 juni '13 De meeste bedrijven hebben aangegeven, zoals altijd het geval, dat de concurre ntiepositie onveranderd is gebleven. Ten opzichte van afgelopen december is dit percentage nauwelijks veranderd: van 53 naar ruim 52 procent. Vertrouwen in de economie Het vertrouwen in de economie is naar de mening van de ondernemers toegenomen, zie figuur 3. Na een dieptepunt te hebben bereikt van ruim 1 procent (afgelopen december), is het percentage ondernemers wat heeft aangegeven dat het vertrouwen in de economie he t afgelopen halfjaar is verbeterd, licht toegenomen naar bijna 4 procent. Ook het aantal ondernemers dat heeft aangegeven dat het vertrouwen gelijk is gebleven, is ten opzichte van afgelopen december toegenomen, en wel met dan 4 procentpunten naar ruim 47 procent (was bijna 43%). Figuur 3: vertrouwen in de economie0 10 20 30 40 50 60 70junidec '08 junidec '09 junidec '10 junidec '11 junidec '12 juni '13% bedrijven verminderd gelijk verbeterd Wellicht nog belangrijker is dat minder ondernemers, nu 49 procent, hebben aangegeven dat het vertrouwen in de economie is verslechterd. Afgelopen december was dit nog 56 procent (een vermindering van 6% punten). Vertrouwen in de toekomst Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven vertrouwen te hebben in de toekomst is de eerste helft van 2013 duidelijk toegenomen. Daarmee is een einde ge komen aan de negatieve trend waar sinds juni 2011 sprake van is. Bijna 51 procent heeft afgelopen juni aangegeven vertrouwen te hebben in de toekomst. Dit was in december 2012 nog geen 41 procent, een toename aldus van 10 procentpunten (zie ook figuur 4). Ook de trend van het percentage bedrijven dat aangeeft gn vertrouwen te hebben in de toekomst is in gunstige zin omgebogen. Dit is afgenomen van 33 naar nog geen 24 procent. Figuur 4: vertrouwen in de toekomst0 10 20 30 40 50 60 70junidec '08 junidec '09 junidec '10 junidec '11 junidec '12 juni '13% bedrijven ja nee geen mening Het percentage van de bedrijven dat heeft aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag is met 26 procent vrijwel gelijk gebleven (was nog geen 27% in december 2012). Jaargang 11 10

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Daar de bedrijven wordt gevraagd he t aantal werknemers aan te geven, wordt ook inzicht gekregen in het vertrouwen in de toekomst naar aant al werknemers van de bedrijven. De indeling bestaat uit 3 groepen, te weten minder dan 10 werknemers (klein), 10 tot 50 (middelgroot) en 50 of meer werknemers (groot). In december 2012 hebben de grote bedrijven duidelijk meer vertrouwen in de toekomst dan de kleineen middelgrote bedrijven. Per juni jl. is deze situatie wezenlijk veranderd en zijn de verschillen geminimaliseerd (zie figuur 5). Vooral bij de kleine bedrijven tot 10 werknemers is he t vertrouwen sterk verbeterd. Dit is ten opzichte van december met maar liefst 21 procentpunten toegen omen en is nu uitgekomen op 51 procent (gn vertrouwen: 20%). Figuur 5: vertrouwen toekomst naar werkenden 0 10 20 30 40 50< 10 10 50 50 en meer% bedrijven ja nee geen mening Bij de grote bedrijven is het met 3 procentpunten relatief bescheiden toegenomen naar eveneens 51 procent, bij de middelgrote (10-50 werknemers) is het vertrouwen in de toekomst toegenomen van 42 naar 50 procent. Bij de grote bedrijven heeft bijna 19 procent aangegeven geen vertrouwen te hebben in de toekomst, bij de middelgrote bedrijven bedraagt dit percentage 27 procent. Figuur 6: perceptie investeringsklimaat0 10 20 30 40 50 60 70 junidec '08 junidec '09 junidec '10 junidec '11 junidec '12 juni '13% bedrijven goed matig slecht Investeringsklimaat De mening ten aanzien van het investeringsklimaat (zie figuur 6) is afgelopen juni iets verbeterd ten opzichte van december 2012. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven dat he t slecht is, is afgenomen van 40 naar 38 procent. Ofschoon dit een kleine afname is, is daarmee wl de negatieve trend waar sprake van was doorbroken. Verder is het percentage bedrijven dat het investeringsklimaat als matig beoordelen met 3 procentpunten toegenomen; van 55 naar ruim 58 procent. Bijna 4 procent van de bedrijven heeft aangegeven dat het klimaat goed is, in december lag dit met bijna 5 procent op een zelfde laag nivo. Nummer 2 11 De perceptie van het investeringsklimaat als afgeleide van het aantal werknemers van de bedrijven laat, in tegenstelling tot het vertrouwen in de toekomst, wl duidelijke verschillen zien. Bij de kleine en midd elgrote bedrijven is de mening ten aanzien van het investeringsklimaat minder gunstig dan bij de grotere bedrijven met 50 werknemers of meer (zie figuur 7). Figuur 7: perceptie investeringsklimaat naar werkenden0 10 20 30 40 50 60 < 10 10 50 50 en meer% bedrijven goed matig slecht Bij de kleine bedrijven vindt 54 procent het investeringsklimaat matig en 42 procent slecht (was afgelopen december 47%). Bij de grote bedrijven zijn deze perc entages gunstiger. Bijna 66 procent van de bedrijven vindt het matig en slechts 33 procent vind het investeringklimaat slecht. De middelgrote bedrijven nemen hier met respectievelijk 57 (matig) en 38 procent (slecht) een middenpositie in.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine Bedrijfsresultaten Omzetmutaties De verandering van de omzetten van bedrijven van het afge lopen halfjaar laat een lichte verslechtering zien. Minder bedrijven hebben te maken gehad met een toen ame van de omzetten. Sinds december 2012 is dit afgenomen van 32 naar 29 procent van de bedrijven. Figuur 8: omzet mutaties 2009 t/m juni 201349 42 36 32 29 36 45 42 50 530 10 20 30 40 50 60 70 802009 2010 2011 2012 1e h 2013% bedrijven toename afname Bovendien hebben mr bedrijven aangegeven dat ze te maken hebben gehad met een afname van de omzet: 53 procent in vergelijk met 50 procent per afgelopen december 2012. Eind dit jaar wordt bekend in welke mate de omzetten daadwerkelijk over het gehele jaar zijn gestegen en afgenomen. Verwachtingen bedrijfsresultaat De conjunctuurenqute gaat in juni van het jaar na wa t de verwachting is van het bedrijfsresultaat over het nog niet afgesloten gehele jaar. Doorgaans is de verw achting in juni iets gunsti ger dan de daadwerkelijke uitkomst welke aan het eind van het jaar wordt gekregen. Het percentage bedrijven welke voor het jaar 2013 een positief bedrijfsresultaat verwacht, bedraagt 59 procent. Dit is 3 procentpunten lager dan afgelopen december toen dat bijna 62 procent was (zie figuur 9). Figuur 9: bedrijfsresultaten 2009 201372 73 61 62 59 28 27 40 39 410 10 20 30 40 50 60 70 802009 2010 2011 2012 verw. '13 % bedrijven pos neg Ruim 41 procent van de genterviewde bedrijven heeft aangegeven een negati ef bedrijfsresultaat over 2013 te verwachten. Dit is een kleine verhoging in vergelijking met 2012 toen dit uitkwam op 39 procent. Opgemerkt dient te worden dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen. Figuur 10: bedrijfsresultaten naar grootte 20130% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%10 10-50 => 50 % bedrijven neg. pos. Figuur 10 laat de verwachting van de bedrijfsresultaten zien als afgeleide van de grootte van bedrijven. Wat opvalt zijn vrij duidelijke verschillen tussen de kleinere bedrijven tot 10 werknemers en de grotere vanaf 50 werknemers. De grote bedrijven doen het beter, in termen van winstverwachting, dan de kleine bedrijven. Ruim 70 procent verwacht winst te zullen behalen in 2013 (2% punten meer dan eind 2012) Jaargang 11 12

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 13 Bij de kleine bedrijven is dit slechts 47 procent (evene ens 2% punten meer dan afgelopen december). Bijna 53 procent van deze bedrijven verwacht verlies te zullen behalen. De middelgrote bedrijven nemen een middenpositie in. Daar ligt het percentage bedrijven met een winstverwachting op 60 procent (7% punten minder dan december 2012). Concluderende opmerkingen De hierboven genoemde opinies en bedrijfsresultaten van de conjunctuurenqute van juni 2013 laten een wat tweeslachtig beeld zien van de ontwikkelingen van de bedrijven op Curaao. Enerzijds zijn de resultaten in termen van investerin gen, omzetten en resultaten weinig rooskleurig. Wat minder bedrijven hebben aangegeven te hebben genvest eerd, iets meer bedrijven hebben te maken gehad met een afname van de omzet en eveneens iets meer bedrij ven verwachten eind dit jaar in de rode cijfers te zullen belanden. Anderzijds zijn de meningen over vertrouwen economie en toekomst en het investeringsklimaat duidelijk in gunstige zin verbeterd. De negatieve trends zijn omgebogen naar een meer positieve. Verrassend is deze ambivalentie in beginsel niet: resultaten zijn de resultante (in de tijd gezien) van verwachtingen. Of andersom: verwachtingen gaan nu een maal vooraf aan daadwerkelijke resultaten. Vooral de verwachting van ondernemers aangaande vertrouwen in de toekomst is duidelijk positiever dan in voorgaande perioden (met name bij de kleinere bedrijven) en dat stemt tot optimisme. Hierdoor is perspectief ontstaan op meer bedrijvigheid, meer in vesteringen en hogere omzetten. Dit zou op termijn kunnen leiden tot meer rentabiliteit, werk en in komen en dus meer welvaart voor de Curaaose gemeenschap.

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 14 Intercensal population estimates and current population estimates 2001-2012 Menno ter bals Introduction Annual population estimates, i.e. estimations of the size and composition of a population, are essential elements for a countrys economic and social planning and policy making. For example, changes in the size of the school-going population will cause changes in the needs of the educ ational system which may require adjustments in education policy. Developments in the age structure of the populati on may call for adjustments in pension plans, which is another good example of the importance of accurate population estimates. Moreover, many statistical indicators are based on population estimates. For example, unemployment rates, per capita income or age-specific fertility rates require rather precise population estimates. Population statistics for Curaao are recorded in various wa ys. The two most essential sources for population data in Curaao are the decennial population censuses, and the po pulation register where statistics on birth, death and migration are collected. Because the population register record s of births, deaths and, to a lesser degree, migrations are fairly accurate, the best method for making current populati on estimates is to add the recorded natural increase and net migration to the population at the last census date, according to the United Nations2. Unfortunately the records from the population register are no t perfect. Especially the countrys inand out-migrations are not completely recorded. Out-migrants who fail to deregi ster cause an inaccurate amount of recorded out-migrants. On the other hand there is an influx of in-migrants that do not register upon arrival in the country or overstay their temporary residence permits, causing a biased measure of in-migration. Since population growth in Curaao is greatly dependent on migration the inaccuracy in migration recordings have a distorting effect on annual population estimates. Therefore after each population census it is important to reassess the intercensal population estimates and make adjustments in migration estimates base d on the latest census population count. For the period between the census of 2001 and the census of 2011 it seems that more in-migrants than out-migrants were missing from the migration estimates that are based on the population register data. Assuming both censuscounts are comprehensive it is likely that there has been an underregistration of in-migrant s in this period because the number of in-migrants had to be adjusted upwards for the reassessment of the intercensal population estimates. 2 United Nations (1952). Manual I: Methods for esti mating total population for current dates (United Nations Publications, Sales No. 52.XIII.5).

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 15Intercensal and current population estimates Table 1 shows the corrected intercensal population estimates as well as the annual flow data, including the adjusted in-migration figures. The table also contains current population estimates for 2011 and 2012 based on the Census 2011 and unadjusted flow data fr om the population register for both years. Tabel 1. Corrected intercensal population est imates and current population estimates 2001-2012 Live-births Deaths Out-migration* Adjusted inmigration* Revised End of year Population Revised midyear population Census 2001, 29 Januari 130627 31/12/2001 1915 956 8793 4224 127017 129286 31/12/2002 1842 1029 6304 9091 130617 128297 31/12/2003 1929 1152 7807 8306 131893 130402 31/12/2004 1709 1175 3952 6374 134849 133319 31/12/2005 1857 1088 3909 6884 138593 136577 31/12/2006 1867 1105 4112 6617 141860 140037 31/12/2007 1868 1107 4587 6167 144201 143022 31/12/2008 2001 1209 5032 5613 145574 144971 31/12/2009 1898 1114 5012 5001 146347 145890 31/12/2010 2032 1246 5023 8038 150147 149311 Census 2011, 26 March 419 297 973 1267 150563 31/12/2011 1555 979 3928 4125 151336 150612 31/12/2012 2039 1246 4251 4883 152760 152056 Includes administrative corrections Source: Population and Housing Census 2001 & 2011 of the Central Bureau of Sta tistics, and the Population Registry Office (Individual figures in this table do not necessa rily add up to totals, because of rounding) From the census of 2001 to the census of 2011 the population of Curaao has in creased by almost 20.000 persons. The accumulated natural growth (total births minus total deaths in this period) was 7.737 persons while the accumulated net migration accounted for 11.783 persons.

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Natural growth Figure 2 shows that the crude birth rate (CBR), i.e. the number of births per 1.000 inhabitants in a given year, has decreased from 15,9 in 2001 to 12,8 in 2004. Fr om 2004 onwards to 2012 the CBR keeps hovering between 13 and 14 births per 1.000. The crude death rate (CDR) balances around 8 deaths per 1.000 inhabitants for the entire period 2001-2012. This means that the crude rate of natural increase (CBR minus CDR) decreases from almost 8 persons per 1.000 inhabitants in 2001 to an annual average of 5,2 persons per 1.000 inhabitants between 2004 and 2012. Migration The year 2001 marked the ending of a period of ma ss out-migration. Figure 3 shows the number of inmigrants and out-migrants for the years 2001-2012. Clearly 2001 is the only year that shows negative net migration, from 2002 onwards the net migration is positive albeit declining every year. It should be noted that the peak in in-migration in 2010 is caused by a large amount of administrative corrections (2.553 persons added to in-migration). The same goes for th e peaks in out-migration in 2001 and 2003 which added respectiveley 1.095 and 3.003 administrative corrections to the number of out-migrants. Jaargang 11 16

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Population growth Both the natural increase of the population and the positive net-migration between both censuses and up to 2012 translate in the population growth rate graph as displayed in figure 4. From a negative population growth ra te of -29,5 persons per 1.000 inhabitants in 2001 the growth rate has increased to positive numbers and has remained positive all through the census 2011. Yearly fluctuations in natural growth rates and especially migration rates cause an irregular lin e. During the years 2011 and 2012 the population growth has increased slightly from 7,9 to 9,4 persons per 1.000 inhabitants. The population in 2011 and 2012 In table 2 the age structure of the current population is presented, i.e. population by age and sex as counted in the census 2011 and for the end of the years 2011 and 2012. A look at the data in this table shows that between the census and the end of 2012 the population has decreased in five age categories of which three are under-20 categories. The biggest decline is recorded for the 35-39 age category which has shrunk from 9.942 to 9.158 persons, which is almost eight percent. The age categories that have increased the most are th e categories above 65 years. Most notable is the 65-69 category which grew by 824 persons, or almost 12 pe rcent, between the census 2011 and the end of 2012. The higher female life expectancy shows by comparin g the population growth in the age categories 75-79 and 80-84 between male and female: the female cohorts have grown almost twice as fast as the male cohorts because the probability of dying for the male populati on in these age categories is significantly higher. Equally noteworthy is the fact that the population ag ed 5-14 has decreased by nearly twice as many boys than girls between census 2011 and 31 December 2012. Considering the decline in younger population and the increase in older population, which is known as ageing of the population, and the relative large size of th e population cohorts between 40 and 65 years of age, which will flow into the 65+ cohorts in the next 25 years, a more rapid pace in the ageing proces of the population can be expect ed in the near future. Nummer 2 17

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 18 Table 2. Population by age and sex 2011 and 2012 Census 2011 End of year 2011 End of year 2012 Male Female Total Male Female Total Male Female Total 0-4 4518 4386 8904 4603 4488 9091 4854 4547 9401 5-9 5036 4752 9788 4934 4742 9676 4849 4648 9497 10-14 5577 5126 10703 5480 5014 10494 5375 5019 10394 15-19 5752 5651 11403 5757 5582 11339 5585 5489 11075 20-24 3897 4182 8079 3893 4165 8058 4007 4283 8291 25-29 3464 4248 7712 3466 4358 7824 3605 4323 7928 30-34 3353 4628 7981 3399 4675 8074 3457 4747 8204 35-39 4317 5625 9942 4058 5427 9484 3962 5196 9158 40-44 4845 6275 11120 5069 6342 11411 5075 6396 11470 45-49 5602 7179 12781 5489 7083 12572 5386 6905 12291 50-54 5186 6740 11926 5302 6975 12277 5451 7098 12549 55-59 4529 5849 10378 4594 5822 10416 4705 6050 10755 60-64 4125 4993 9118 4162 5087 9249 4229 5145 9373 65-69 3098 3995 7093 3215 4219 7433 3459 4458 7917 70-74 2308 3020 5328 2341 3076 5417 2399 3135 5535 75-79 1643 2198 3841 1740 2322 4062 1727 2443 4170 80-84 977 1456 2433 984 1460 2444 1042 1608 2650 85+ 621 1412 2033 614 1402 2016 673 1432 2104 Total 68848 81715 150563 69099 82237 151336 69840 82920 152760 Source: Population and Housing Census 2001 & 2011 of the Central Bureau of St atistics and the Population Registry Office (Individual figures in this table do not necessa rily add up to totals, because of rounding) In summary, the population of Curaa o has grown by almost 20.000 persons between the census of 2001 and the census of 2011. This growth can be assigned to the decrease in natural growth and the positive net migration in this period. Furthermore the population of Curaao can expect to face an accelerating proces of ageing of the population in the years to come.

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 19Verkeer en verkeersveiligheid op Curaao Ellen Maduro Inleiding In het Modus Statistisch Magazine jaargang 9, nummer 2 is een artikel gewijd aan het verkeer op Curaao gedurende de periode 2002-2008. De onderwerpen die in het betreffende artikel ter sprake zijn gekomen zijn: de geschiedenis van het verkeer op Curaao, ontwikkeling van het wagenpark, v erkeersongevallen, slachtoffers in het verkeer, ontwikkeling van verkeersmisdrijven en overtredingen en het aantal gevallen van doorrijden na een verkeersongeval. Het huidige artikel is voor een deel een update, waar moge lijk tot en met 2012. Behalve de verkeersstatistieken van de Vereniging Veilig Verkeer Curaao (VVV) en de wage nparkgegevens van het Ontv angerskantoor, zijn ook jaarverslagen van het Openbaar Ministerie van de Nederland se Antillen geraadpleegd. Het do el van dit artikel is om inzicht te verschaffen in de verschillend e aspecten van het verkeer op Curaao.. Ontwikkeling geregistreerde motorrijtuigen 2005 tot 20103 Vanaf 2005 tot en met 2010 is het aantal personenautos, motor lorries en pick-ups en motorfietsen (inclusief mopeds) continu gestegen (Tabel 1). Wat de motorbussen, taxis en overige motorrijtuigen betreft is voor de periode onder beschouwing sprake van een schommeling. Ondanks de schommeling is een toename waarneembaar in het aantal taxis (3,8%) en overige motorrijtuigen (6,7%).Voor de motorbussen is over de gehele periode van vijf jaar een daling (10,7%) te zien, vergeleken met 2005. Tabel 1 Aantal geregistreerde motorrijtuigen 2005-2010* per december 31 2005 2006 2007 2008 2009 2010 Mutatie2005-2010 in % Curaao Personenautos 64931 67328 70515 76520 77925 80824 +25,7 Motor lorries en pick-ups 13578 14565 15066 15405 15614 15878 +16,9 Motorbussen 486 493 435 439 431 434 -10,7 Taxis 186 194 192 190 197 193 +3,8 Overige motorrijtuigen 299 285 299 308 319 +6,7 Motorfietsen, incl. mopeds 1166 1365 1531 1754 1852 1944 +66,7 Aantal personenautos per 1000 inwoners 475 481 493 527 534 541 Bron: Ontvangerskantoor *) Exclusief motorvoertuigen in het bezit van de overheid 3 Voor dit onderwerp loopt de periode onder beschouwing tot en met 2010. De definitieve cijfers voor 2011 en 2012 zijn nog niet beschikbaar.

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Aantal verkeersongelukken4 per jaar Het aantal verkeersongevallen is tot en met 2011 bijn a continu gestegen (Grafiek 1). Gedurende de periode in beschouwing (2005-2012) is sprake van een toename van 33,6 procent. In 2012 zijn het er 345 minder (van 11708 naar 11363). Gemiddeld zijn er 7809 aanrijding en per jaar, hetgeen neerkomt op een daggemiddelde van 21 ongevallen (Grafiek 1). Slachtoffers in het verkeer Het aantal slachtoffers dat in 2012 met de ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd is ten opzichte van het aantal in 2005 met 40,6 procent gedaald. Het aandeel da t hierna in het ziekenhuis is opgenomen is gestegen van 17,8 procent in 2005 naar 27 procent in 2007/2008 Na een daling in 2009 stijgt het aandeel in het ziekenhuis opgenomen slachtoffers in 2012 tot 42,9 pr ocent (Tabel 2). Dit zou kunnen betekenen dat in de afgelopen jaren steeds vaker sprake is van ernstigere ongelukken. Het aantal doden in het verkeer per jaar laat een sc hommeling zien, met een hoogtepunt in 2006 en 2009. Het laagste aantal ziet men in 2012. Tabel 2 Aantal verkeersongelukken en slachtoffers 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 Aantal verkeersongelukken 8523 8481 9225 10370 10978 11505 11708 11363 Met ambulance vervoerd 899 1037 985 958 865 605 522 534 In het ziekenhuis opgenomen 160 243 268 259 203 147 176 229 In procenten 17.8 23.4 27.2 27.0 23.5 24.2 33.7 42.9 Totaal aantal doden 16 25 23 18 25 15 21 13 Man 14 20 18 10 21 12 17 12 Vrouw 2 5 5 8 4 3 4 1 Bron: Vereniging Veilig Verkeer Curaao Curaao Road Services Jaargang 11 20 4 Bron: Vereniging Veilig Verkeer Curaao

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 21 ij de verkeersongelukken met dodelijke afloop is het in de meeste gevallen de chauffeur die zijn of haar r sterven relatief meer mannen dan vrouwen als gevolg van een verkeerso ngeluk. Het jaar 2008 blijft een B leven verliest. Op de tweede plaats zijn het medepassag iers die er niet levend van afkomen en op de derde en vierde plaats betreft het respectievelijk een motorf ietser en een voetganger. Het is niet bekend hoeveel motorfietsen, quads en fietsers betrok ken zijn bij verkeersongevallen. Hierdoor is het niet mogelijk inzicht te verschaffen in eventuele ontwikkelingen wat be treft bovengenoemde voertuigen in het verkeer. E uitzonderlijk jaar wat betreft vrouwelijke slachtoffe rs in verkeersongelukken met een dodelijke afloop. Tabel 3 Ov erzicht categorie slachtoffers bij verkeersongeluk met dodelijke afloop 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 C hauffeur 9 14 14 10 10 6 10 6 Medepassagier 1 7 4 3 4 5 1 Quad 1 1 1 Motorf ietser 3 3 2 1 2 5 4 2 Voetganger 2 1 2 4 1 2 6 2 Fietser 1 1 1 Geen deelnemer aan het verkeer 1 Onbekend 3 Totaal 16 25 23 18 25 15 21 13 Bron: Vereniging Veilig Verkeer Curaao Verkeersmisdrijven en overtredingen publiceert in haar jaarverslag cijfers omtrent Het Openbaar ministerie van de Nederlandse Antillen verkeersmisdrijven en -overtredingen. De cijfers vloeien gedeeltelijk voort uit het geautomatiseerd bedrijfsprocessensysteem (Priem) en gedeeltelijk uit handmatig verzamelde gegevens. Hoewel het automatiseringsproces nog niet hele maal is afgerond, geven de cijfer s een indicatie van ontwikkelingen inzake verkeerscriminaliteit. Tabel 4. Aangebrachte verkeersmisdrijven5 en -overtredingen6 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 Curaao Verkeersm isdrijven (1) 88 64 37 73 78 74 Totaal aantal misdrijven ( 2) 889101086 02 39 02 27 63 6* Verkeersmisdrijven in % (1)/(2) 11,0 7,6 4,1 7,1 7,3 Verkeersovertredingen 11385 8402 18121 21083 19998 19485 Bron: Openbaar Ministerie Ne *voorlopig cijfer; niet alle zak derlandse Antillen g eal ering stelling e en uit 2011 he bben reeds een afdoening 2011 gestegen besli ssing ekregen n het aant in verzek n (I.V.S.) is in et aantal aangebrachte misdrijven is vanaf 2006 tot en met 2010 blijven stijgen. Daarentegen is sprake van H een schommeling van het aantal aangebrachte verkeersmisdrijven (tabel 4). 5 Onder verkeersmisdrijven vallen onder andere doorrijden na een ongeluk, iemand aanrijden als gevolg van door rood licht gaan. 6 Onder verkeersovertredingen vallen onder andere verkeerd parkeren, onder invloed van alcohol rijden, door rood licht rijden, telefoneren tijdens het rijden.

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 22 et aantal verkeersovertredingen is na een daling in 2007 aanzienlijk toegenomen. De opsporingsintensiteit Conclusie t jaar 2010 is sprake van een zi ch continu uitbreidend wagenpark. Het aantal r worden minder slachtoffers met de ambulance vervoerd, doch relatief meer in het ziekenhuis r sterven relatief meer mannen dan vrouwen als gevolg van een verkeersongeluk. In het jaar 2008 is het it de cijfers blijkt dat in de meeste fatale verkeersongevallen de chauffeur het slachtoffer wordt. ntroles uitvoeren kan hier mee te maken H heeft mogelijkerwijs hier mee te maken. Er zijn geen verdere details over soort misdrijf en overtreding beschikbaar. Tot en met he verkeersongelukken is tot en met 2011 telkens toegenomen, om daarna in 2012 licht te gaan dalen. De gelijke tred tussen aantal voertuigen en verkeersongevallen is tot en met 2010 gehandhaafd gebleven. E opgenomen. Dit zou kunnen betekenen dat de mate va n ernst van het ongeluk is toegenomen. Het aandeel personen dat in het ziekenhuis is opgenomen (ten opzichte van het aantal dat met de ambulance is vervoerd) is over de periode 2005-2012 met 25 procentpunten gestegen. E aandeel vrouwen in verkeersongelukken met een dodelijke afloop bijzonder groot. U Het aantal verkeersovertredingen is na 2007 flink toegenomen. De intensiteit waarmee de opsporingsambtenaren ve rkeersco hebben.

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 23Kindermishandeling wereldwijd en op Curaao Ellen Maduro Inleiding Kindermishandeling is een ernstig maatsc happelijk probleem dat steeds meer aan dacht vraagt van hu lpverleners in de zorgsector. Het betreft een wereldwijd en in de meeste landen ondergerapporteerd probleem. De vraag is of de maatschappij zich de ernst van deze problematiek realis eert. Voor een gezonde ontwikkeling zijn kinderen sterk afhankelijk van een goede interactie met hun ouders, zek er in de eerste levensjaren. Hierdoor ontstaat vertrouwen tussen ouder en kind, voelt het kind zich veilig, en is het in staat emotioneel en intellectu eel te groeien. De indirecte omgeving wordt later ook bela ngrijker. Bij kindermishandeling ontbreekt een dergelijke band/relatie tussen ouder en kind. Kindermishandeling verstoort een gezonde ontwikkeling en kan leiden tot blijvende schade bij het kind. Erger nog, bepaalde vormen van kindermishandeling worden besc houwd als strafbare feiten. Er is dus voldoende reden om deze problematiek wat nader te beschouwen en er meer bekendheid aan te geven. In dit artikel zal het concept kindermishandeling, vormen en risicofactoren van kindermishandeling worden uiteengezet. Er wordt ingegaan op het proces van opvoeden, de internationale en lokale situatie inzake kindermishandeling en de gevolgen ervan. Het artikel wordt afgesloten met een aantal aanbevelingen. Wat is kindermishandeling Kindermishandeling is elke vorm van voor een minder jarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel (NL Wet op de Jeugdzorg, artikel 1, lid m). Deze definitie wordt ook door Stichting Kinderbescherming Curaao gehanteerd. De doelgr oep clinten is van 0 tot en met 21 jaar. Volgens dezelfde Wet op de Jeugdzorg wordt onder 'ouders' verstaan de biologische ouders, stiefouders, adoptiefouders en pleegouders. De 'andere personen slaat op andere volwassenen van wie het kind of de jongere afhankelijk is voor aandacht, bescherming en verzorging (oppas, l eerkracht, trainer van de sportclub, oom, tante, buren, etcetera). In geval va n mishandeling wordt door de betreffende volwassenen misbruik gemaakt van machtsoverwicht. Van mishan deling is sprake wanneer een kind of jongere regelmatig wordt geslagen, uitgescholden, vernederd, gepest, geen of heel weinig eten krijgt, geen of onvoldoende aandacht krijgt, gedwongen wordt to t seksuele handelingen en/of activiteiten. In 1978 formuleert C.H. Kempe de volgende definiti e van kinderrechten: "the rights of a child to be protected from parents unable to cope at a level assumed to be reasonable by the society in which they reside" (p.263). Wat als redelijk wordt beschouwd verschilt per type samenleving. Bijvoorbeeld een ondervoed kind in een land waar hongersnood heerst, kan niet beschouwd worden als een geval van kindermishandeling of verwaarlozing door de ouder. D aar waar een minderjarig kind dat uit noodzaak gaat

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 24 werken om bij te dragen in de voorziening van de ondershoudskosten van he t gezin, wordt dit niet beschouwd als kinderarbeid. In het onderzoeksrapport van de UNICEF over de situat ie van de kinderrechten op Curaao, Sint Maarten, Bonaire, Saba, Sint Eustatius en Arub a dat recentelijk is gepubliceerd, word t kinderarbeid niet gezien als een punt van grote zorg. Zaken die volgens de onderzoeke rs zeker als problematisch worden beschouwd zijn het welzijn van kinderen op Curaao, huiselijk geweld, geweld op school, de ongelijkheid tussen lokale en immigrantenkinderen en -jongeren, het risico van seksuele uitbuiting va n kinderen, alcoholen druggebruik en tieners die in conflict zijn met de wet (UNICEFThe situation of children and adolenscents in Curaao, 2013). In het themanummer 73 van de Liga voor de Rechte n van de Mens wordt vermel d dat in sommige landen van Afrika 250 van de 1000 kinderen onder de vijf jaar sterven, terwijl het in westerse landen gaat om 4 5 op de 1000. De vraag is welk deel van deze kindersterfte te wijten is aan kindermishandeling. Voorts wordt ingegaan op een enqute van 2004 van de Radio Ne derland Wereldomroep over kindermishandeling, onder radio omroepen wereldwijd. Van de partnerstations uit niet-westerse landen gaf 85 procent armoede aan als belangrijkste oorzaak van kindermishandeling, terwijl van de westerse collega's 50 procent verslaving aan alcohol en drugs als oorzaak noemden. De meeste internationale studies geven geen cijfers over het mondiale verschijnsel kindermishandeling, maar geven wel een verhandeling over feiten en ontwikkelingen omtrent kindermishandeling. Bij internationale vergelijking van de problematiek van ki ndermishandeling blijkt hoe zeer de interpretatie van kindermishandeling cultureel en situationeel bepaald wordt. Overigens dient vermeld te worden dat ook kinderen en jongeren zich schuldig maken aan mishandeling van andere kinderen en jongeren. Vormen van kindermishandeling Het Nederlands Jeugdinstituut onderscheidt versch illende vormen van kindermishandeling: fysieke, psychische (emotionele) en seksuele mishandeling. Soms is sprake van een combinatie van meerdere vormen. Bovendien kan een kind ook getuige zijn van geweld (bijvoorbeeld huiselijk geweld). Verwaarlozing wordt ook beschouwd als een vorm van mishandeling. Vertrouwenscentrum Kindermishandeling vermeldt een additionele vorm, na melijk institutionele en structurele mishandeling Fysieke mishandeling is het verschijnsel waarbij regelmatig geweld wordt gebruikt tegen een kind, te weten slaan, duwen, schoppen, knijpe n, bijten, schudden, brandof snijwonden toebrengen, etc. Fysieke mishandeling onderscheidt zich van een ongeval. Psychische/emotionele mishandeling heeft te maken met afwijzing, vern edering, uitschelden, bedreiging, uitsluiting, pesten, etc. Wanneer kinderen en jongeren niet kunnen voldoen aan te hoge verwachtingen van de ouder of iemand anders en daarom gestraft worden, geldt dat ook als emotionele mishandeling. Het kind wordt dan bang, onzeker en krijgt het gevoel ongewenst te zijn.

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 25 Van seksuele mishandeling is sprake wanneer kinderen gedwongen worden te participeren in activiteiten die bedoeld zijn om seksuele behoeften van volwassenen en jongeren te bevredigen. Hieronder vallen onder andere gemeenschap hebben, geslachtsdelen tonen, betasten, pornovideos bekijken of kinderpornovideos produceren, seksueel taalgebruik, kinderen laten prostitueren. Bij seksuele mishandeling komt machtsmisbruik en intimidatie te pas. Het slachtoffer raakt verstrikt in een speciale relatie met de dader, welke relatie emotionele verwarring veroorzaakt bij het slachtoffer. Het komt voor dat kinderen getuige zijn van geweld binnen het huishouden Die ervaringen kunnen ook schade bij het kind veroorzaken. Het effect is nog er ger bij kinderen die zowel getuige zijn van geweld als zelf mishandeld worden. Voorts kan een kind zowel lichamelijke als psychische verwaarlozing ondergaan. Lichamelijke verwaarlozing is een passieve vorm van kindermishandeling, omdat een kind daardoor niet de zorg en verzorging krijgt die het nodig heeft. Bij psychische of emotionele verwaarlozing komt het kind voortdurend positieve aandacht tekort. Het gaat om gebr ek aan liefde, warmte, geborgenheid en steun in de vorm van aanmoedigingen en een schouderklopje. (Dossier Kindermishandeling Vormen Nederlands Jeugdinstituut.mht). Van Institutionele en structurele mishandeling is sprake wanneer een kind geen gepaste hulp kan krijgen of slechter gaat functioneren vanwege een gebrekkig zo rgsysteem. Soms is het functioneren en de werking van de wetten van een overheid, instelling of orga nisatie tegen het belang van het kind (Vormen kindermishVertrouwenscentrum Kindermish.mht). Opvoeding: een proces Een definitie van opvoeden is alle manieren waarop in de omgang tussen kinderen en andere mensen een benvloeding beoogd wordt of onbedoeld ontstaat op het functioneren en de ontwikkeling van kinderen (Hermanns, J.M.A. in: Bouwstenen voor betrokken jeug dbeleid, 2007) Opvoeding is een dynamisch proces dat in een brede context plaatsvindt, waar zich voortdurend aanpassingen voordoen in de interacties tussen de opvoeders (volwassenen) en het kind. In dit proces is sprake van een sturingsmechanisme vanuit beide richtingen (van de opvoeder naar het kind en omgekeerd). Beiden hebbe n hun rol in het socialisatieproces7 van het kind, waarbij het de ouders/opvoeders zijn die de gedragsregels introduceren waar zij waarde aan hechten. Belangrijk hierbij is de wijze waarop zij de regels handhaven of niet ha ndhaven. De mate waarin opvoeders op een constructieve manier omgaan met het bijbrengen van gedrag sregels bepaalt de mate waarin het kind zich later aan de re gels gaat houden (Laible & Thompson 2002). Wat in ieder geval vaststaat is, dat de opvoeders verantwoordelijk zijn voor het welzijn van het kind. Het leerproces van de eerste levensjaren is van invloed op de daarop volgende jaren. Dit betekent dat als het kind een problematische start heeft, dit in een later st adium niet altijd gemakkelijk opgelost kan worden. De effecten van ernstige verwaarlozing en mishandeling leiden tot permanente veranderingen in de hersenfysiologie waardoor het gedrag va n het kind/slachtoffer wordt aangetast. 7 Socialisatieproces is het geheel van (leer )processen, waardoor een individu zich de cu ltuur van een samenleving eigen maakt, sp ecifieker ook de invloed op kinderen en jongeren van onder meer ouders, vrienden, docenten, groeps leiding en sportverenigingen waardoor ze leren hoe ze zich moeten of kunnen gedragen ( http://www.thesauruszorgenw elzijn.nl/socialisatie.htm ).

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 26 Indien het kind zich in een situatie bevindt waar de mensen om hem/haar heen op de juiste wijze op zijn/haar handelingen reageren, dan zal het kind he t gevoel hebben deel uit te maken van zijn/haar omgeving en gewaardeerd te worden. Het zal zich ga an hechten aan zijn omgeving en verder zijn weg banen daarin, in interactie met de andere personen. Het leert omgaan met zijn/haar emoties, leiding te accepteren, etc. Zo wordt langzaam aan de basis gevormd voor belangrijke waarden zoals zelfvertrouwen, eigenwaarde, respect. De band met de ouders/verzorg ers bepaalt hoe het kind tegen de wereld aankijkt, hoe het reageert op nieuwe ervaringen zich aanpast aan situaties en in hoeverre het zich bewust laat benvloeden. De opvoeding binnen het huishouden dr aagt in belangrijke mate bij aan hoe het kind gaat functioneren in de samenleving. Daarnaast is er ook de externe omgevi ng die zorgt voor een stukje opvoeding van het kind. Hierin ondergaat het kind een opvoed ingsproces dat eveneens bijdraagt aa n zijn/haar functioneren later in de samenleving. Het krijgt te maken met andere person en en nieuwe ervaringen en participeert aan andere processen. Deze processen hebben hun weerslag op het functioneren van de interne omgeving (het huishouden). De wederzijdse benvloeding geldt ook voor de latere levensfasen. Het succes in de ene fase bepaalt het succes in de volgende fase. Dit alles be paalt het functioneren/ged rag van het kind in de toekomst. Gezinskenmerken (gezagsproblematiek, disfunctionele relatie van de ouders, gezinsinkomen, etc.) hebben invloed op ervaringen later in het leven: schoolsucces, succes in het vinden en het houden van werk, het functioneren in (intieme) relaties het wel of niet vertonen van delinquent gedrag, het optreden van psychische stoornissen, enzovoorts (Hermanns, J.M.A. in: Bouwstenen voor betrokken jeugdbeleid, 2007). Risicofactoren van kindermishandeling In een literatuurscan van het Wetenschappelijk Onde rzoek en Documentatie Centrum (WODC) van het Ministerie van Justitie in Den Haag, wordt het ecolo gische ordeningsmodel van Belsky (1980) genoemd als n van de meest aangehaalde theorien die de oorzak en van fysieke kindermishandeling analyseert. Dit model biedt een verklaring voor de ontwikkeling van het kind vanuit vier niveaus die op elkaar inspelen en de achtergrond vormen voor het handel en van ouders. De vier niveaus zijn: Niveau 1 is het ontogenetische niveau welke te maken heeft met de ontwikkelingsgeschiedenis van de ouders en de individuele kenmerken die zij inbrengen in het microsysteem. Het microsysteem (niveau 2) bestaat uit de be trekkingen binnen het gezinssysteem, evenals individuele kenmerken van het kind en factoren in het leven van de ouders die nu van invloed zijn op hun functioneren. Het derde niveau, het exosysteem, omvat de omgeving van het gezin, onder meer de buurt, clubs, het sociaal netwerk, werk. Het vierde niveau betreft het macrosysteem. Dit is de overkoepelende maatschappij, de cultuur, welke invloed heeft op de drie andere niveaus of systemen. Bron: WODC. (zie ook Baartman, 1996; Scannapieco & Connell Carrick, 2005).

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 27 De ouder vormt het middelpunt van de elkaar ov erlappende niveaus of systemen en zijn/haar ontwikkelingsgeschiedenis en individuele kenmerke n, bepalen de functional iteit van het gezin (of huishouden) en de wijze waarop de ouder het kind opvoedt. Uit studies is gebleken dat ouders die zelf kindermishandeling hebben ondergaan en psychische en psychiatrische probleme n hebben een risicofactor vormen voor mishandeling van hun kinderen. Voorts la at onderzoek zien dat kinderen met een fysieke of verstandelijke beperking een verh oogde kans hebben om slachtoffer te worden van mishandeling. Met betrekking tot seksueel misbruik blijken een voorgeschiedenis van seksueel misbruik, hechtingsproblemen, seksuele opvattingen en gebrek aan kennis van de ouders over opvoeding tot de risicofactoren te behoren, alsmede een lichameli jke en/of verstandelijke beperking van het kind. ( www.wodc.nl/.../2279-same nvatting_tcm44-4541) Als het gaat om seksueel misbruik buiten het gezin worden met name vooral statische, onveranderbare kenmerken van het kind zoals geslacht en le eftijd tot de risicofactoren gerekend. Ook hier wordt een lichamelijke en/of verstandelijke beperking bij kinderen als risico verhogend beschouwd. Op basis van kwalitatief onderzoek wordt veronderstel d dat plegers binnen de schoolof sportcontext populaire figuren zijn, die zich vermoedelijk richten op kwetsbare kinderen ( onzeker, vervreemd van hun ouders en riskant gedrag. ( www.wodc.nl/.../2279-s amenvatting_tcm44-4541 ). Empirisch onderzoek moet uitwijzen of de veronderstellingen juist zijn. In huishoudens waar vaak sprake is van huiselijk geweld heerst de juiste sfeer voor het plegen van kindermishandeling. Huiselijk geweld is een complex pr obleem. Er bestaat niet n verklarende theorie over de oorzaken van huiselijk geweld. Wel zijn er specifieke aspecten te onderscheiden: Overdracht van generatie op generatie Mensen die in hun jeugd slacht offer zijn geweest van huiselijk geweld lopen een groter risico in hun latere leven weer slachtoffer of zelf dader van huiselijk geweld te worden. Daarbij is de kans groot dat meisjes later slachtoffer worden en jongens dader. Onzichtbaarheid Het geweld is veelal niet zichtbaar voor buitenstaanders en speelt zich af in een intieme relatie van partners of ou ders en kinderen. Hierdoor beleven slachtoffers het vaak als een individueel probleem. Loyaliteit en afhankelijkheid kunnen slachtoffers verhinderen om met de problemen naar buiten te komen en hulp te zoeken. Machtsverschillen Bij huiselijk geweld spelen ma chtsverschillen tussen pleger en slachtoffer een rol. Er is veelal sprake van een verstoorde machtsverhouding tussen de bedreigde en de bedreigende partij. Bovendien zijn deze machtsverschillen vaak geslachtsgebonden ( mannelijke dominantie ). Andere problemen Daarnaast kan huiselijk geweld gepaard gaan met andere problemen, zoals spanningen tussen (ex)partners, werklooshe id, psychische problemen of verslaving. (Dossier Kindermishandeling Vormen, Nederlands Jeugdinstituut.mht:).

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 28 De Nederlandse Stichting Stop Ki nderporno & Abuse geeft de volgende opsomming van risicofactoren: Risicofactoren: Leefomstandigheden Gezinsklimaat. Zo blijkt dat bij de helft van de gezinnen waarin kindermi shandeling plaatsvindt, conflict en geweld in de partnerrelatie aanwezig zijn. Sociaaleconomische omstandigheden, zoals armoede en sociale isolatie. Gezinssamenstellingen. Kindermishandeling komt meer voor bij alleenstaande ouders, grote gezinnen en laag opgeleide ouders. Sociaal-culturele cont ext. Sommige culturen tolereren geweld meer dan anderen. Problemen en persoonlijkheid van de ouder Persoonlijke problemen zoal s depressie, labiliteit, gebrek aan zelfwaar dering, verslaving, werkeloosheid, of een chronische ziekte. Nare jeugdervaringen. Ze zijn vaak zelf slachtoffer van mishandeling geweest. Gebrek aan pedagogisch besef zoals een verkeerde interpretatie van kinderlijk gedrag en onrealistisch hoge verwachtingen. Kenmerken die het kind extra kwetsbaar maken Aangeboren en fysieke kenmerke n zoals vroeggeborenen, kinderen met een handicap en huilbaby's. Leeftijd. Hoe jonger, hoe kwetsbaarder. Gedragsen ontwikkelingsproblemen. Kindermishandeling wereldwijd Zoals boven al aangegeven vormt de definiring va n het concept kindermishandeling een probleem bij internationale vergelijking van het probleem. Bovendien speelt het verschil in steekproefgrootte en onderzoeksmethodologie ook een rol. Doordat in de meeste landen niet of nauwelijks on derzoek naar de problematiek van kindermish andeling wordt verricht, is de informat ie hierover schaars. De beschikbare informatie is vaak niet actueel. Bij het gebruiken va n niet recente cijfers moet men daarom in gedachten houden dat de huidige situatie waarschijnlijk ernstiger is. Een ander aspect waar men rekening mee moet houden is dat, in gevallen waar wel sprake is van feitenregistratie, het aantal gemelde zaken maar een deel van de werkelijkheid weergeeft. Uit angst, schaamte, gebrek aan informatie over de wijze waarop men een zaak moet melden, worden niet alle gevallen van kindermishandeling gemeld. Binnen so mmige gezinnen wordt fysiek e en verbale berisping gezien als een normaal proces van socialis atie en het bijbrengen van discipline. In een studie die in 2002 door Paolo Sergio Pinheiro in opdracht van de Verenigde Naties (VN) is verricht zegt de auteur dat internationale afspraken omtrent mensenrech ten geen garantie biedt voor bescherming van kinderen, die juist het meest kwetsbaar zijn in de samenleving. Hij vindt dat de VN onmiddellijk actie moet ondernemen om de regeringen op hun verantwoor delijkheid te wijzen om kinderen als volwaardige burgers te behandelen. In zijn verslag presenteert hij enkele informatie over kindermishandeling over de hele wereld in het jaar 2002. Meer dan 1 miljoen kinderen wereld wijd zitten in een gevangenis, waarvan 90 procent voor een simpel delict. Geweld tegen kinderen in gevangenissen, zi ekenhuizen en internaten is normaal en wordt soms gebruikt onder het mom van medische behandeling, zonder een of andere vorm van narcose. Per jaar worden n miljoen kinderen gedwongen in po rnografie en prostitutie te gaan werken. Ze worden ontvoerd, verkocht, verhandeld of anderszins gedwongen.

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 29 Volgens The World Health Organisation hebben 150 miljoen meisjes en 73 miljoen jongens onder 18 jaar, gedwongen seksuele gemeenschap gehad of andere vormen van seksueel geweld met fysiek contact ondergaan in 2002. 53.000 Kinderen zijn in 2002 het slachtoffer geworden van moord. Het kindermoordpercentage was twee maal hoger in de ontwikkelingslanden dan in de ontwikkelde landen. In 21 landen, waarvan de meesten gendustrialiseerd, heeft 36 procent vrouwen en 29 procent mannen gezegd dat zij het slachtoffer zijn geworden van se ksueel misbruik in hun kinderperiode. Volgens het verslag hebben de meeste gevallen in familiesfeer plaatsgevonden. Tussen 80 and 93 procent van de kinderen wordt thuis fysiek gestraft; een derde deel met een voorwerp. 218 Miljoen kinderen doen wereldwijd kinderarbeid, waarvan 126 miljoen onder barslechte omstandigheden. 1.8 Miljoen kinderen zitten in prostitutie of pornografie and 1.2 miljoen kinderen zijn verhandeld. 275 miljoen kinderen zijn in 2002 jaarlijks getuige van huiselijk geweld. Wereldwijd zijn 250.000 kinderen soldaat. Volgens Amne sty International is 40 procent van de soldaten in Congo kinderen. ( http://www.independent.co.uk/news/world/p olitics/un-report-uncovers-global-childabuse-419700.html) Recente schattingen van het aantal kinderen in Nederlan d dat jaarlijks slachtoffer wordt van enige vorm van kindermishandeling binnen of buiten het gezin vari ren van 118.000 tot ruim 180.000 (WODC: Tweede Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van kinderen en jeugdigen, 2011). In de uitgave nummer 9, juli 2009 van het tijdschrift Challenges (een productie van de Economic Commission for Latin America and the Caribbean (ECLAC )/United Nations Childrens Fund (UNICEF)), is in het kader van de Millenium Development Goals, aandacht besteed aan kindermishandeling in Zuiden Midden Amerika. In de verschillende landen is onderzoek hiernaar gedaan. De onderzoeksmethodieken en -aspecten verschillen weliswaar, maar desondanks krijgt men een beeld van bepaalde aspecten van de problematiek. Hieronder volgt een greep uit de onderzoeksresultaten. Tabel 1. Kindermishandeling in enkele Latijnsamerikaanse en Carabische landen Land Jaar van Onderzoek Steekproef Resultaat Argentina 2000-2001 450 universiteitsstudenten 55% van de respondenten zijn als kind fysiek gestraft Chile 2006 1525 kinderen tussen 1217 jaar 75,3% van de genterviewde kinderen tussen 12-17 jaar hebben een of andere vorm van geweld van hun ouders ervaren (fysiek of emotioneel) Colombia 2005 37 huishoudens (aselect) 42% van de vrouwen zegt dat hun man/partner de kinderen straft door hen te slaan Ecuador 2005 onbekend 51% van de kinderen is het slachtoffer geworden van mishandeling Uruguay 2008 1100 82% van de genterviewde volwassenen rapporteert fysiek of emotioneel geweld tegen een kind in het huishoduden Costa Rica 2003 600 personen van 18 jaar en ouder 74,2% pleegt verbale mishandeling tegen hun kinderen en 65,3% gebruikt fysiek geweld Mexico 2000 4.000.000 kinderen en jongeren tussen 6-17 jaar n derde deel van de kinderen tussen 6-9 jaar zegt met geweld te worden behandeld, zowel thuis als op school Guyana 2004 3855 kinderen 33% van de kinderen is door familieleden fysiek mishandeld Haiti 2005-2006 onbekend 49% van de vrouwen hebben als kind binnen hun familie seksueel geweld ervaren Bron: Challenges nr. 9, juli 2009 (ECLAC/UNICEF)

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 30 De problematiek van kindermishandeling op Curaao Op Curaao houdt de Stichting Kinderbeschermin g Curaao (SKB-C) zich al jaren bezig met de kindermishandelingsproblematiek. Bij het Adviesen Meldpunt Kindermishandeling dat onderdeel vormt van de Stichting Kinderbescherming Cura ao komen vanaf 2004 meldingen binnen van kindermishandeling. De geregistreerde meldingen worden na een nader onderzoek en begeleiding, indien sprake is van een casus, doorverwezen naar ondermeer de Voogdijraad, Skuchami, Yuda bo Yu. Naast de Stichting Kinderbescherming Curaao zijn er meerdere instanties die hulpverlening bieden in geval van kindermishandeling, waaronder het Centraal Meldpunt Kindermishandeling (CMK) dat onder de Voogdijraad valt. De indruk bestaat dat ten aanzien van kindermishandeling de zorg op enigszins fragmentarische wijze geschiedt. In een conferentie Kumbre Plan Nashonal die eind mei 2012 door de organisatie Aliansa is geor ganiseerd, waarbij stakeholders in de zorgsector bij elkaar kwamen om te discussiren over een nationaal plan voor betreffend e sector, is het probleem van fragmentatie in de hulpverlening ook ter sprake gekomen. De kennis en het inzicht omtrent de problematiek va n kindermishandeling is v oornamelijk gebaseerd op praktijkervaring met hulpverlening aan slachtoffers en melders. Er is weinig onderzoek gedaan naar de omvang, aard en achtergron d van kindermishandeling. In 2010 is door de mevrouw Klein, studente van he t Universitair Medisch Centrum in Groningen, in samenwerking met de Stichting Kind erbescherming Curaao een onderzoek gedaan naar de prevalentie van kindermishandeling onder middelbare school scholieren op Curaao, alsmede de visie van huisartsen op de signalering. De leeftijd van de scholieren varieert va n 11 tot en met 17 jaar. Van de 545 respondenten is 37 procent ooit fysiek mishandeld (bij de keel gegrepen adem afgeknepen, in elkaar geslagen, verwond met een scherp of gloeiend voorwerp en/of verwond met een wapen). Van de fysiek mishandelde scholieren is 43,8 procent man en 56,2 vrouw. Vsbo-ers hebbe n vaker fysieke mishandeling ondergaan en zo ook kinderen uit een noudergezin. Een verband tussen fy sieke mishandeling en inkomensniveau en het type ouders (biologisch, pleegouders, stiefen adoptie ouders) is niet gebleken. Wat psychische/emotionele mishandeli ng betreft, is het resultaat dat 3,1 procent van de studenten deze vorm van mishandeling in het afgelopen jaar heeft erva ren. Er zijn geen significante verschillen wanneer men psychische/emotionele mishandeling relateert aan geslacht, geboorteland opleidingsniveau, het inkomen van de ouders, eenoudergezin versus tweeo udergezin, eiegn ouders versus stief/-pleeg/adoptieouders. Seksueel misbruik is bij 15,6 procent van de responde nten voorgekomen, met name de meisjes (67,1%). Vijf procent van de seksueel misbruikte respondenten is tot seksuele gemeenschap gedwongen. Een combinatie van vormen van kindermishandeling is door 11,7 pr ocent van de respondenten ervaren (Klein K. 2010, pagina 17-20).

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 31 Adviesen Meldpunt Kindermishandeling Curaao In april 1999 is door de Werkgroep tegen Kindermishandeling, -misbruik en verwaarlozing op Curaao het initiatief genomen om een Adviesen Meldpunt Kindermishandeling (AMK) op te richten. Door omstandigheden is het AMK pas in 2008 van start gegaan. Het Adviesen Meldpunt Kindermishan deling is een cent raal punt waar: situaties van kindermishandeling, -misbruik en verwaarlozing worden gesignaleerd, aangemeld, onderzocht, beoordeeld, geadviseerd, geconsulteerd en doorverwezen feedback gegeven wordt aan de melders cordinatie van het op gang brengen van de hulpverlening geschiedt registratie van alle meldingen, de casustiek en casusverloop plaatsvindt Het AMK heeft het volgende ten doel: het kind, de jeugdige en de jongere besche rmen tegen kindermishandeling, -misbruik en verwaarlozing een adviesen consultatiefunctie vervulle n ten aanzien van vermoedens en aanpak van kindermishandeling, -misbruik en verwaarlozing de toestand van kindermishandeling opheffen door onderzoek en hulpverlening op gang te brengen het monitoren van de hulpverlen ing ten aanzien van het mishandelde en verwaarloosde kind het registreren en analyseren van gegevens voor het waarborgen van professionaliteit in de hulpverlening en voor het verkrijgen van epidemiologische gegevens (Stichting Kinderbescherming Cura ao; Jaarverslag AMK 2007-2010). Tot de doelgroep van het AMK behoren alle mishande lde, misbruikte en verwaarloosde kinderen en jongeren van 0 tot en met 21 jaar op Curaao, alsmede hulpverleners en opvoeders. De plegers van kindermishandeling behoren niet tot de doelgroep. Inzicht in het profiel van de plegers moet via een ander soort onderzoek verkregen worden. Om organisatorische redenen is het AMK ondergebrach t bij de Stichting Kinderbescherming Curaao. De Stichting Kinderbescherming Curaao heeft gedurende jaren veel kennis en ervaring opgedaan met de aanpak en begeleiding van kindermishandeling. In het jaar 1998 heeft de toenmalige Nederlandse Antillen het Verdrag van de Rechten van het Kind geratificeerd. Artikel 19 van dit Verdrag verplicht de overheid elke vorm van kindermishandeling tegen te gaan. Concreet betekent dit dat de overheid moet ga randeren dat burgers geen schendingen plegen tegen kinderrechten. En van de instrumenten die de overhe id heeft om dit te bewerkstelligen is het omvormen van het AMK tot een integraal en structureel onderdeel van het hulpverleningscircuit op Curaao. Dit kan mogelijk leiden tot bevordering van en meer effectiv iteit in de signalering van kindermishandeling op Curaao. Tabel 2 geeft een overzicht van het aantal en soort melders per jaar van 2007 tot en met 2011. Uit de tabel blijkt dat het aantal ouders die een zaak hebben gemeld in vijf jaar tijd continu is toegenomen. Vergeleken met 2007 is het aantal in 2011 meer dan verdubbeld. Hetzelfde geldt voor de categorie onderwijsinstanties. Het aantal melders in deze categorie is in 2011 circa drie keer zo groot als in 2007.

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 32 Dit zou een indicatie kunnen zijn van een bewustword ingsproces bij de ouders, onderwijsinstanties en ndere instanties, welke een plichtsbesef met zich meebrengt dat mishandeling moet worden aangekaart. a Tabel 2 Overzicht aantal meldingen uitgesplitst naar soort melder Aanmelders 2007 2008 2009 2010 2011 2012 Clint zelf 25 15 16 40 17 29 Moeder/Vader 60 85 125 130 133 173 Oma/Opa 35 36 42 29 33 49 Overige familie 15 19 30 34 23 43 Derden 30 21 23 25 27 39 Onderwijsinstanties 20 38 52 55 57 45 Instanties Curaao/ Nederland 35 52 63 52 60 40 Anoniem 89 55 69 59 77 43 Totaal 309 321 420 424 427 461 Bron: Stichting Kinderbescherming Curaao In tabel 3 wordt de aard van mishandeling en verwaarlozing in beeld gebracht. Emotionele mishandeling/verwaarlozing komt relatief het vaakst voor onder de melders, 44 procent van het totale aantal. Tabel 3 Overzicht aantal meldingen uitgesplitst naar aard van de melding Aard meldingen 2007 2008 2009 2010 2011 2012 Fysieke mishandeling/verwaarlozing 50 58 112 113 55 51 Emotionele mishandeling/verwaarlozing 99 119 164 188 189 194 Affectieve en cognitieve verwaarlozing 34 49 45 45 52 58 Pedagogische verwaarlozing825 40 34 32 80 95 Seksuele mishandeling 23 25 29 21 24 25 Combinatie hulpvraag9 19 30 28 25 26 38 Totaal 250 321 412 424 426 461 Bron: Stichting Kinderbescherming Curaao Het aantal minderjarige clinten is van 311 in 2004 toegenomen tot 889 in 2011 (Tabel 4). Uit de cijfers kan niet worden geconcludeerd dat er meer jongens dan me isjes betrokken zijn of omgekeerd. Er is eerder sprake van een schommeling. Tabel 4. Minderjarige clinten naar geslacht Geslacht 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 Jongens 160 95 128 302 321 299 311 398 398 % 51 54 44 58 59 50 49 45 45 Meisjes 151 80 162 220 220 297 324 491 491 % 49 46 56 42 41 50 51 55 55 Totaal 311 175 290 522 541 596 635 889 889 Bron: Stichting Kinderbescherming Curaao 8 Van pedagogische verwaarlozing is sprake als de invloed van n of meer inst rumentele opvoedingsvariabelen op kinderen, het vol brengen van diens ontwikkelingstaken bedreigt of feitelijk belemmert (als basis aspecten van verz orging ontbreken (de zorg voor hygine, go ede voeding, nachtrust, etcetera), maar ook verwennerij, overprotectie, dominatie autoritair optre den, onderof oversch atting); Rink. J.E. 2004, Praktische Pedagogiek, pag 65/66. 9 Een combinatie van twee of meer van bovengenoemde meldingen.

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 33 Het hulpaanbod betreft voornamelijk het geven van informatie en op de tw eede plaats advisering (Tabel 5). Informatievoorziening bevordert het bewustwordingsproces van de betrokkenen en verhoogt de zelfredzaamheid van de clinten. Tabel 5 Soort hulpaanbod door Stichting Kinderbescherming Curaao Hulpaanbod door SKB-C 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 Informatie 202 212 229 212 260 286 210 Advies 125 130 139 175 111 129 153 Bemiddeling 48 60 79 60 80 90 35 Begeleiding 44 48 58 48 79 86 20 Doorverwijzing 88 148 160 148 169 188 43 Bron: Stichting Kinderbescherming Curaao Volgens Stichting Kinderbescherming Curaao behoren veel kinderen en jongeren die bij de Stichting kinderbescherming Curaao zijn aangemeld tot een risicogroep, waar de hi erna volgende risicofactoren zich voordoen: gezinssituatie (noude rgezinnen, echtscheiding, tienermoederschap, pleegen stiefouders) opvoedingssituatie binnen en buiten het gezin (gezagsen/of gedragsproblemen) huisvestingssituatie (weinig woonruimte, slecht onderhouden woning, meer gezinnen in n huis) huishoudinkomen (onder het bestaansminimum) infrastructuur in de wijken (weinig of niet go ed georganiseerde voorzieningen op het gebied van verkeer/vervoer, hulpverlening, sociaal-culturele activiteiten) verslavingsproblematiek (drugs, alcohol, gokken) enorme schooluitval (dropout-rate 43%) In october 2006 is met het instellen van een emergency 3 digit nummer de kinderen jeugdtelefoon bij de Stichting Kinderbescherming Curaao officieel van start gegaan. Hierdoor is het voor kinderen en jeugdigen mogelijk geworden gratis te bellen met het nummer 91 8. Jongeren kunnen elke dag gedurende vastgestelde uren bellen en worden door vrijwilligers telefonisch ondersteund. Tabel 6 geeft een overzicht van het profiel van de bellers, de hulpvraag en het soort gesprek. Opvallend is het aantal bellers van 23 jaar en hoger. Voorts blijkt dat aanzienlijk meer meisjes/vrouwen bellen dan jongens/mannen. Ruim 55 procent heeft in 2011 gebeld voor algemene informatie en informatie ov er de kinderen jeugdtelefoon. Ruim een vijfde deel heeft regelmatig behoefte aan een luiterend oor of ondersteuning en verreweg de meeste bellers(92%) willen een serieus gesprek. Tabel 6 Overzicht bellers Telefn pa Mucha i Hben 2012 Leeftijd Geslacht Consult Soort gesprek 1 < 7 jaar 35 Vrouw 1426 Sexualiteit 83 1e Keer bellers 945 8-10 jaar 74 Man 646 Relatie 68 Vervolggesprek 140 11-12 jaar 80 Groepje 25 Thuissituatie 143 Al eerder gebeld 604 13-14 jaar 135 Totaal 2097 Gezondheid 41 Regelmatige beller 408 15-16 jaar 107 School 146 Totaal 2097 17-18 jaar 167 Geweld 39 19-20 101 Emotionele pr. 48 Soort gesprek 2 21-22 103 Informatie 918 1002 Serieus gesprek 1981 > 23 jaar 1295 Algemene inf. 527 Twijfelachtig gesprek 116 Totaal 2097 Totaal 2097 Totaal 2097 Bron: Stichting Kinderbescherming Curaao: Kinderen jeugdtelefoon

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 34 Gevolgen van kindermishandeling Het effect van mishandeling is niet bij elk kind gelijk. Factoren zoals de ernst van het geweld, de leeftijd waarop de mishandeling begint, de duur van de mishan deling, de steun die het kind krijgt van anderen, de persoonlijkheid van het kind en de ma te van emotionele druk op het kind spelen een rol (Adrie Wolzak en Ingrid ten Berge Juli 2008; Nederlands Jeugdinstituut: Bron: http://www.nji.nl/nji/dossierDownlo ads/Gevolgen_Kinderm ishandeling.pdf). Bij kindermishandeling ontbreekt de liefdevolle zorg en aandacht van de ouder, waardoor het kind zich emotioneel niet kan ontplooien. Het ki nd voelt zich niet veilig en verliest het vertrouwen in zichzelf en de ander, waardoor zijn ontwikkeling in de knel komt. De omgang met zijn directe en indirecte omgeving wordt verstoord. Het gaat de schuld bij zichzelf zoeken, waardoor het een vertekend beeld krijgt van zichzelf en zijn zelfvertrouwen verder wordt aangetast. Bij zware fysieke mishandeling kan het kind letsel oplopen, waardoor de ontwikkeling wordt geremd en stoornissen worden veroorzaakt (door verstoring van de normale vorming van het netwerk van zenuwen in een deel van de hersenen). De beschadigingen kunnen van blijvende aard zijn, met als gevolg ondermeer blindheid, doofheid, ademhalingsmoeilijkh eden, leerproblemen, spraakproblemen, ontwikkelingsachterstand, mentale achterstand. In het ui terste geval kan het kind zelfs komen te overlijden (Bron: 10-factsheet-kindermishandeling). Uit onderzoek is gebleken dat kindermishandeling een belangrijke oorzaak is van schooluitval, criminaliteit, verslaving, geweld, zwerfgedrag, psychi sch lijden, ernstige lichamelijke ziektes. De effecten werken door in de volgende generaties. Op latere leeftijd, wanneer het slachtoffer volw assen is, kunnen posttraumatische stoornissen en lichamelijke klachten die in feite een psychische oorsprong hebben, zich voordoen. Soms wordt een oplossing gezocht in verslaving, zelfverwonding en zelfmoord (Nederlands Jeugd Instituut. Dossier kindermishandeling: 10_factsh eet_kindermishandeling.pdf.). Kindermishandeling kan tot gedrag leiden dat door de maatschappij als overlast en als bedreiging van de veiligheid wordt ervaren. Voor de maatschappij bren gen de gevolgen van mishandeling enorme kosten met zich mee. Te denken valt aan de zorg en hulpverlening, maar ook de aanpak van de criminaliteit en de kosten van gezondheidszorg. Volgens Meerding zijn de kosten van de gevolgen van kindermishandeling in de Nederlandse samenleving geschat op 1 miljard euro per jaar (Meerding 2006). Conclusie en aanbevelingen Conclusies Kindermishandeling is en blijft wereldwijd een erns tig maatschappelijk probleem, dat ingrijpende gevolgen heeft voor de gezonde ontwikkeling van kinderen, jeugdigen en jongeren, ook op Curaao. In de meeste gevallen geschiedt de mishandeling in de directe omgevi ng van het kind en zijn de plegers voor het kind bekend (vaak familieleden). Kindermishandeling is n van de meest grove vormen van schending van mensenrechten. Desondanks is nog altijd sprake van onderregistratie, met name wanneer het gaat om seksuele mishandeling. Kindermishandeling is de manife statie van een disfunctionele relatie tussen het kind en de ouders/verzorgers en andere volwassenen, die eigenlij k op een liefdevolle wijze voor het kind horen te

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 35 zorgen. In bepaalde culturen beschouwt men lichamelijk geweld als onderdeel van het socialisatieproces van kinderen, terwijl het misschien gaat om machtsmisbruik door volwassenen. Tot de risicofactoren horen onder andere, ervaring va n de ouder als slachtoffer van kindermishandeling, een disfunctioneel huishouden, gebrek aa n kennis van de ouders over opvoed ing, kenmerken zoals leeftijd en geslacht van het kind of de jongere, een slechte ec onomische situatie van het huishouden, verslavingen. De effecten van kindermishandeling zijn of direct of op termijn merkbaar en variren van psychisch en lichamelijk letsel tot de dood van het slachtoffer. Ps ychische stoornissen die leiden tot schooluitval en verslavingen, zijn op latere termijn te zien. Sommige slachtoffers belanden in de criminaliteit. Het spreekt voor zich dat de zorg voor en de hulpverlening aan de slachtoffers van kindermishandeling en de bestrijding van de criminaliteit voor de maatschappij enorme kosten met zich meebrengt. In voorkomende gevallen gaat kindermishandeling van generatie op generatie over. Bij internationale vergelijking van het voorkomen va n kindermishandeling blij kt hoezeer dit fenomeen cultureel bepaald wordt. Hierdoor is het niet makk elijk om een gestandaardiseerd meetinstrument te ontwikkelen. Aanbevelingen Een effectieve aanpak van de problematiek van ki ndermishandeling noodzaakt derhalve tot een goed opgezet systeem van registratie van de omvang en aard, risicofactoren, beschermingsstrategien, het effect van geweld tegen kinderen en jongeren in het huishouden, de kosten die kindermishandeling en -verwaarlozing met zich meebrengen voor de maatschappij. Zodoende kan men vanuit een centraal cordi natiestructuur de ontwikkelingen omtrent kindermishandeling blijven monitoren. Dit biedt de hulpverleners de mogelijkheid om vanuit het centrale cordinatiepunt eventuele interventie-strategien bij te sturen. Centrale cordinatie van de registratie betekent da t de inspanningen van alle betrokken hulpverleners gebundeld en op elkaar afgestemd worden. Dit betekent ook dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de specifieke deskundigheid en invalshoek van elke hulp verlener. Dit biedt een voordeel in het proces van standaardisering van de registratie. Er wordt vanuit uniformiteit aan de problematiek gewerkt. Hierdoor voorkomt men fragmentatie en inefficintie in zowel de registratie als het beleid, zorg en hulpverlening ten aanzien van kinderen op Curaao. Ook in het rapport van UNICEF wordt aa ngegeven dat er veel te verbeteren valt in de samenwerking tussen de overheid en maatschappelijke organisaties die vera ntwoordelijk zijn voor jeugdbeleid. De betrokkenheid van de kinderen zelf en hun ouders in deze samenwerking is van zeer groot belang. Rekening houdend met wat in de literatuur wordt ve rmeld over de voorgeschiedenis die sommige plegers hebben als slachtoffer van kindermishandeling, is het zaak om aandacht te besteden aan de plegers van misbruik. Onderzoek moet informatie leveren over de achtergrond en kenmerken van de plegers, zodat achteraf alsnog behandeling en herstel kan plaatsgevonden. Ter waarborging van een gezonde ontwikkeling van het kind en onze Curaaose maatschappij dienen de inspanningen van de verschillende instanties en pers onen die betrokken zijn bi j registratie, onderzoek, vaststelling van de casus, ondersteuning, hulpverlening en zorg ten aanzien van het kind en zijn familie op elkaar te worden afgestemd.

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine Jaargang 11 36 Literatuur Eisenberg, N., Hofer, C., Spinrad, T.L. and others (2009): Understa nding mother-adolescent conflict disussions: Concurrent and acro ss-time prediction from youths disposition and Parenting Hermanns, J.M.A. (2007): Opvoeden en opgroeien: een visie achter het beleid, in: Bouwstenen voor betrokken jeugdbeleid. Kempe, C. H. (1978): Recent developments in the field of child abuse. Child Abuse and Neglect, 2(4): 261-267 Klein, K. (2010): De prevalentie van kindermishandeling onder middelbare scholieren op Curaao en de visie van huisartsen op de signalering aldaar Universitair Medisch Centrum Groningen. Laible, D. J., & Thompson, R. A. (2002). Mother-child conflict in the toddler years: Lessons in emotion, morality, and relationships. Child Development, 73, 1187-1203. Lemmers, L. (2002). Een veilige wereld begint thuis! Aa nzetten voor preventiebeleid gericht op kinderen en huiselijk geweld. (Studie in opdracht va n de Raad voor de Kinderbescherming). NSPCC inform, may 2012: Comparing child abuse statistics over time and between countries Themanummer 73 van de Liga voor de Rechten van de Mens: Kindermishandeling wereldwijd. Jaarverslagen en voorlichtingsmateriaal va n de Stichting Kinderbescherming Curaao. Jaarverslag Telefn pa Mucha i Hben 2011 va n de Stichting Kinderbescherming Curaao. Hermans, J.M.A Jaarverslag 2007-2010 Advi es en Meldpunt Kindermishandeling Nederland Jeugd Instituut. Dossier kindermishandeling: 10_factsheet_kindermishandeling.pdf. Nederland Jeugd Instituut. Dossier kindermishandeling: Kennis over jeugd en opvoeding. UNICEF 2013. The Situation of Children and Adolescents in Curaao: Key findings and recommendations. http://www.AMK-Nederland Wat is kindermishandeling.mht http://books.google.com/books?id=XCXJkKjvmMIC& pg=PA16&lpg=PA16&dq=(Laible+%26+Thompson+ 2002)&source=bl&ots=mF9ptJAfHw&sig=3Uy4G_eQXUpE88fxYTPtKN2jMM&hl=en&sa=X&ei=j59uUaa9FIGQ9QTUlIHwCA&ved=0CE0Q6AEwBw#v=onep age&q=(Laible%20%26%20Thompson%202002)&f=false http://www.cepal.org/dds/no ticias/desafios/0/37890/Ch allenges9-cepal-unicef.pdf http://www. Dossier Kindermishandeling Vormen, Nederlands Jeugdinstituut.mht http://www.stopkinderpornoabuse.com/index.php?o ption=com_content&view=article&id=34576&Itemid =123&lang=nl http://www.Vormen kindermishVert rouwenscentrum Kindermish.mht http://.Literatuurscan WODC kindermishandeling.pdf

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Nummer 2 37

PAGE 43

rfntrbrftntt t rtff