Citation
Modus Jaargang 12 Nummer 3

Material Information

Title:
Modus Jaargang 12 Nummer 3

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 1

r f nt b nt bt r t b n nt rrnf b

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redactioneel ........................................................ iii 1. Inkomsten en uitgaven van de landsover heid Curaao in 2012 ............................................. 1 2. Prijsontw i kkeling Cur aao 2013 .................. 5 3. Air transportation in numbers ...................... 30 4. Eerste resultaten Sla c htofferonderzoek en Opiniepe iling Restorative Justice (Herstelrecht) 201 4 ....................................... 35 5. De sociaal-economische situatie in Curaaose w ijken anno 2011 ........................ 47 6. Huishoud ens in Curaao: enkele resulta t en van Census 2011 ........................................... 55 N u mmer 3 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 12 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Voor u ligt de derde editie van het jaar 2014 van MODUS, het statistische magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao Het eerste artikel betreft een beschrijving van de inkomsten en uitgavenontwikkeling van Curaao voor de periode 2011 2012. Uit dit artikel blijkt dat de inkomsten met ruim 5 procent toegenomen zijn en de uitgaven met 0,6 procent afgenomen. Dit neemt niet weg dat er nog steeds een tekort over deze periode is geregistreerd, hoewel dit is afgenomen van 138 miljoen naar 43 miljoen gulden. De inkomsten worden volgens de auteur vooral gegeneerd uit belastingen op productie en belastingen op inkomen en vermogen. Het daaropvolgende artikel verschaft een beeld van de prijsontwikkelingen in 2013 vanuit drie invalshoeken belicht; de ontwikkeling van de prijzen door de tijd heen, per bestedingscategorie en vanuit internationaal perspectief. Uit het artikel blijkt dat het inflatieniveau van 1,3 procent in 2013 als het laagste van de afgelopen 10 jaar kan worden beschouwd. Dit lage niveau is voornamelijk veroorzaakt door het aandeel elektriciteitsverbruik in de inflatie. Niettemin kan worden geconstateerd dat ondanks dit lage niveau, de aangehouden richtlijn voor inflatie door economen van maximaal 2 tot 3 procent voor een gezonde economie, de economie van Curaao als gezond mag worden beschouwd. In deze publicatie is ook een artikel over het luchtvervoer opgenomen. Cijfers van 2013 worden vergeleken met cijfers uit 2012. Dan blijkt dat cijfers met betrekking tot het luchtvervoer van Curaao in 2013 achterblijven op die van 2012. Het passagiersverkeer en het aantal gerealiseerde vluchten hebben kleine tegenvallers ervaren. Alleen het luchtvrachtvervoer kent een toename. Algemeen kan uit het artikel worden geconcludeerd dat 2013 niet het beste jaar is, vergeleken met 2012, maar dat door het aantrekken van andere luchtvaartmaatschappijen meer volume transport kan worden verwacht. In deze publicatie is voorts ook een artikel o pgenomen dat ingaat op het slachtofferschap als gevolg van criminaliteit in Curaao en de opinievorming omtrent het herstelrecht. Analyse op basis van de verzamelde gegevens gedurende dit jaar toont aan dat respondenten in 2014 minder het slachtoffer zijn geworden van criminaliteit dan in 2008. Daarentegen is de aangiftebereidheid aanzienlijk gestegen. Opvallend is de toename van de angsten onrustgevoelens waarbij het vooral vrouwen in de leeftijd tussen 35 en 64 jaar zijn die dit gedrag vertonen. Voor wat betreft het herstelrecht zijn minder dan de helft van de respondenten in voorkomend geval niet bereid om met de dader een gesprek aan te gaan en slechts een zeer kleine groep die over het idee twijfelt. Ook vind u een artikel dat de sociaal-economische situatie onderzoekt in welstandswijken en achterstandswijken. Dit artikel belicht onder andere de vooruitgang op het niveau van opleiding, de toename van het aantal kinderen dat naar school gaat en de afname in werkeloosheid in zowel welstandsbuurten als achterstandsbuurten. Er is echter een significant verschil in de geconstateerde vooruitgang tussen welstandsbuurten en achterstandsbuurten. Zo zijn er veel minder hoogopgeleiden per Colofon Oplage : 300 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 info@cbs.cw www.cbs.cw Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Arnold Rooi Drukwerk Onemedia Group Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2014 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding. Nummer 3 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine iv Jaargang 12 100 laag opgeleiden in achterstandswijken dan in welstandswijken en ligt de werkeloosheid in achterstandswijken significant boven het landelijk gemiddelde in vergelijking met de welstandswijken. Ten slotte is er een artikel waarin een beschrijving gegeven wordt van enkele kenmerken van privhuishoudens uit de census 2011. Het gaat om de omvang en samenstelling van de huishouden, geslacht en leeftijd van het hoofd, het aantal werkenden naar huishoudgrootte en geslacht van het hoofd, huishoudinkomen naar huishoudgrootte en geslacht van het hoofd en de beschikking over voorzieningen. De situatie wordt vergeleken met die van de census in 2001. Al met al dus een zeer interessante publicatie. Rest mij om u veel leesplezier toe te wensen. Sean de Boer Directeur CBS

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 1 Inkomsten en uitgaven van de landsoverheid Curaao in 2012 Joyce Mahabali Inleiding In dit artikel worden de inkomsten en uitgaven van de landsoverheid van Curaao over 2012 beschreven en geanalyseerd. Het gaat hier om een vergelijking met het jaar 2011. Na de beschrijving van de ontwikkelingen volgt een toelicht ing op de posten die gehanteerd zijn in de tabel. Ontwikkelingen bij de Inkomsten In 2012 zijn de inkomsten toegenomen met 5,4 procent van 1.564,5 miljoen naar 1.648,9 miljoen. Van de inkomsten is 88 procent afkomstig van de belastingen. Hiervan is 45 procent belasting op productie en invoer en 43 procent belasting op inkomen en vermogen. De belasting op productie en invoer is toegenomen van 720,7 miljoen naar 740.4 miljoen. Dat is een stijging van 19,7 procent. Tot deze groep belastingen behoren o.a. invoerrechten, accijnzen, zegelbelasting en omzetbelasting. De omzetbelasting heeft met een bedrag van meer dan 300 miljoen het grootste aandeel in de belasting op productie en invoer gevolgd door de invoerrechten met een bedrag van meer dan 160 miljoen. De belasting op inkomen en vermogen is eveneens toeg enomen, namelijk met 11,5 miljoen. De belasting op inkomen en vermogen omvat de loonbelasting, inkoms tenbelasting en winstbelasting met een aandeel van respectievelijk 70, 1 en 29 procent voor 2012. Voor 20 11 waren deze percentages respectievelijk 71, 1 en 28 procent. Inkomen uit vermogen is toegenomen van 18,3 miljoen naar 65,9 miljoen. Hiervoor is een toename van dividenden van overheid N. V.s verantwoordelijk. De overige inkomsten in 2012 heeft te ma ken met de verkoop van kapitaalgoederen. De uitgaven zijn in 2012 afgenomen van 1.702,6 miljoen naar 1.692,0 miljoen. Deze afname wordt voornamelijk toegeschreven aan de daling van de subsidie s met 27,5 procent en de daling van bruto investeringen met13,2 procent. De sociale ui tkeringen zijn afgenomen met 5,2 procent. De inkomensoverdrachten hebben het hoogste aandeel in de totale uitgaven. Deze zijn toegenomen van 683,7 miljoen naar 706,2 miljoen, een stijging van 3,3 procent. Indien de totale inkomsten vergeleken worden met de totale uitgaven, dan is er een tekort van 138,1 miljoen voor 2011 en een tekort van 43,5 miljoen voor 2012. Doordat de inkomsten zijn toegenomen en de uitgaven gedaald, is het tekort in 2012 met meer dan de helft weggewerkt.

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine 2 Jaargang 12 Toelichting op de posten in de tabellen 1. Belastingen op productie en invoer Verplichte betalingen aan de overheid die verband houden met productie en invoer en met het gebruik van productiefactoren. Deze belastingen worden onderscheiden in productgebonden belastingen en niet-productgebonden belastingen. Hieronder vallen onder andere invoerrechten, accijnzen en omzetbelasting. 2. Belastingen op inkomen en vermogen Belastingen op inkomen en vermogen zijn alle verplichte betalingen die regelmatig door de overheid over het inkomen en vermogen van be drijven en huishoudens worden geheven. Nietperiodieke heffingen, zoals de successierechte n behoren tot de categorie vermogensheffingen. Voorbeelden van belastingen op inkomen en vermog en zijn de inkomstenen de winstbelasting. 3. Verkopen van goederen en diensten Opbrengst van producten die tegen een economisch significante prijs worden verkocht. 4. Inkomen uit vermogen Het inkomen dat de eigenaar van een vordering of van materile niet-geproduceerde activa ontvangt in ruil voor het verstrekken van financi le middelen of het ter be schikking stellen van de materile niet-geproduceerde activa aan een andere institutionele eenheid. Inkomen uit vermogen bestaat uit: rente, winstu itkeringen (dividenden en inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen), ingehouden winsten op di recte buitenlandse investeringen, inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders en inkomen uit grond en minerale reserves. 5. Inkomensoverdrachten Alle betalingen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat en die niet drukken op het vermogen van de betaler en niet dienen om lange termijn uitgaven van de ontvanger te financieren. 6. Kapitaaloverdrachten Betaling waarvoor geen tegenprestatie verwacht wo rdt en die drukt op het vermogen van de betaler of dient om investeringen in vaste activa of an dere lange termijn uitgaven van de ontvanger te financieren. Kapitaaloverdrachten worden verdeeld in investeringsbijdragen, vermogensheffingen en overige kapitaaloverdrachten. 7. Overige inkomsten Hieronder vallen alle overige inkomsten die niet ee rder zijn genoemd, zoals de verkoop van vaste activa. 8. Beloning van werknemers De beloning voor geleverde arbeid door werknemers. Hieronder vallen onder andere lonen, vergoedingen voor overwerk, gratificaties, sociale lasten etc.

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 3 9. Aankopen goederen en diensten Alle producten die in de verslagperiode zijn verbru ikt in het productieproces. Dit kunnen al of niet in de verslagperiode aangekochte grondstoffen, halffabricaten en brandstoffen zijn maar ook diensten zoals communicatiediensten, schoonmaakdi ensten en diensten van externe accountants. 10. Subsidies Betalingen van de overheid aan producenten met he t doel de prijzen van producten te verlagen, de werkgelegenheid in stand te houden of de productiefactoren redelijk te belonen. Subsidies worden onderscheiden in productgebonde n subsidies en niet-productgebonden subsidies. 11. Sociale uitkeringen Uitkeringen in geld of in natura, toegekend aan hu ishoudens om de financile lasten te verlichten die voor die huishoudens voortvloeien uit een aantal risico's en behoeften (zoa ls ziekte, invaliditeit, arbeidsongeschiktheid, ouderdom nabestaanden en werkloosheid). Uitkeringen worden verdeeld in sociale uitkeringen in geld en sociale uitkeringen in natura. 12. Bruto investeringen in vaste activa Aankopen van geproduceerde materile of immate rile activa die langer dan een jaar in het productieproces worden gebruikt. Tot de investeringen in vaste activa behoren ook: Uitgaven met betrekkin g tot de verbeterin g en veranderin g van g oederen met een levensduur van 1 jaar of langer, die de verw achte economische levensduur aanmerkelijk doet verlengen of de productiviteit belangrijk doet toenemen. Uitgaven met betrekking tot de winning en verbetering van land. Aankopen van vee voor de fokkerij, trekdieren, melkkoeien e.d. Dealer's marges en andere overdrachtskosten met be trekking tot transacties in land en dergelijke.

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine 4 Jaargang 12 Tabel1. Inkomsten en uitgaven van de Landsoverheid van Curaao 2011* 2012* Mutatie 2011-2012 Waarde Waarde absoluut relatief mln ANG mln ANG mln ANG % Inkomsten Belasting op productie en invoer 720.7 740.4 19.7 2.7 Belasting op inkomen en vermogen 701.3 712.9 11.5 1.6 Verkopen van goederen en diensten 102.3 112.2 9.9 9.7 Inkomen uit vermogen 18.3 65.9 47.5 259.5 Inkomensoverdrachten 17.1 17.2 0.1 0.8 Kapitaaloverdrachten 3.0 0.4 -2.6 -87.5 Overige inkomsten 1.9 0.0 -1.9 -100.0 Totale inkomsten 1,564.5 1,648.9 84.4 5.4 Uitgaven Beloning van werknemers 476.8 476.5 -0.3 -0.1 Aankopen goederen en diensten 207.6 212.6 5.0 2.4 Inkomen uit vermogen 49.4 49.4 0.0 0.0 Subsidies 91.5 66.3 -25.2 -27.5 Sociale uitkeringen 161.2 152.8 -8.4 -5.2 Inkomensoverdrachten 683.7 706.2 22.5 3.3 Bruto investeringen 32.4 28.1 -4.3 -13.2 Kapitaaloverdrachten 0.0 0.0 0.0 Totale uitgaven 1,702.6 1,692.0 -10.6 -0.6 Saldo lopende rekening -138.1 -43.1 *Bron: Concept jaarrekening Curaao 2011 en 2012

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 5 Prijsontwikkeling Curaao 2013 Solange Bomberg Inleiding In dit artikel wordt een beeld geschetst van de consumentenprijsontwikkeling van Curaao in 2013. Waar nodig wordt deze vergeleken met de consumentenprijsontwikkeling in voorgaande jaren. Tevens wordt de consumentenprijsontwikkeling per bestedingscategorie1 nader belicht. Verder word t stilgestaan bij een aantal internationale aspecten die mogelijkerwijs de consumentenpr ijsontwikkeling op ons eiland benvloeden en wordt het inflatie1niveau van Curaao in 2013 vergeleken me t het inflatieniveau in andere landen. Dit artikel is opgebouwd uit de volgende paragrafen: Inleiding; Methodologie en Definities; Prijsontwikkeling Curaao december 2013; Prijsontwikkeling en inflatie Curaao 2013 nade r bezien vanuit tijdsperspectief en per bestedingscategorie; Relatieve bijdrage van de negen bestedingscate gorien aan de inflatie op Curaao in 2013; Inflatie Curaao 2013 nader bezien vanuit internationaal perspectief; Samenvatting, aanbeveling en vooruitblik. Door te kijken naar de prijsontwikkeling van Curaao in 2013 in tijdsperspectief, vanuit de invalshoek van bestedingscategorien en vanuit internationaal perspectief, beoogt dit artikel om enig inzicht te verschaffen in de prijsontwikkeling in ons land gedurende het jaar 2013. Methodologie en definities Algemeen Het Centraal Bureau voor de Statistiek van Cu raao (CBS) houdt zich bij het berekenen van de Consumentenprijsindex (CPI2, Consumer Price Index) en de inflatie2 aan internationale statistische richtlijnen en methodieken. In deze paragraaf zullen een aantal begrippen en me thodologische aspecten die van belang zijn voor het doel van dit artikel nader worden belicht. Dit geschiedt in alfabetische volgorde. 1 Zie paragraaf Methodologie en definities. 2 Zie definitie/methodologie van dit begrip verderop of eerder in deze paragraaf.

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine 6 Jaargang 12 Bestedingscategorien De negen bestedingscategorien die voor de CPI worden gehanteerd zijn achtereenvolgens: Voeding; Dranken en rookwaren; Kleding en schoeisel; Wonen; Woninginrichting en huisraad; Gezondheidszorg; Vervoer en communicatie; Recreatie, educatie en cultuur; Overige goederen en diensten. Aan de hand van het budgetonderzoek2 wordt een representatieve, marktconforme en gebalanceerde consumptiemandje samengesteld en wordt tevens het re latieve aandeel (de zogenaamde gewichten) van alle producten en diensten en alle bestedingscategorien in de totale bestedingen van de consument vastgesteld. Sinds het laatst gehouden budgetonderzoek op Curaao in 2004/2005 kunnen de bestedingscategorien Wonen, Vervoer en communicatie, Voeding en Ove rig als de vier grootste bestedingscategorien in het consumptiemandje2 van Curaao worden aangemerkt, met een aandeel in het consumentenmandje2 van respectievelijk 31, 23, 12 en 12 procent. De bestedin gscategorie Overig bevat di verse soorten producten en diensten die niet vallen onder de overige acht bestedingscategorien, zoals bijvoorbeeld persoonlijke verzorging en verzekeringen. De kleinere bestedingscategorien in het consumptie mandje van Curaao zijn respectievelijk Recreatie, educatie en cultuur, Woninginrichting en huisraad, Kleding en schoeisel, Dranken en rookwaren en Gezondheidszorg, die respectievelijk 8, 7, 5, 2 en 1 procent van de consumentenmand uitmaken. In tabel 1 worden de niet afgeronde percentages weergegeven. TABEL 1 AANDEEL (=GEWICHT) BESTED INGSCATEGORIEN IN CONSUMENTENMANDJE CURAAO Bestedingscategorie Aandeel/Gewicht Wonen 30,8 % Vervoer en communicatie 22,6% Voeding 12,3% Overig 11,9% Recreatie, educatie en cultuur 7,7% Woninginrichting en huisraad 7,0% Kleding en schoeisel 4,8% Dranken en rookwaren 1,6% Gezondheidszorg 1,3% Totaal 100%

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Budgetonderzoek Een budgetonderzoek (Household Budget Survey) is een nationaal, door het Statistiek Bureau van desbetreffend land -op Curaao dus het CBS, Centraal Bureau voor de Statistiekuitgevoerd, periodiek onderzoek naar de bestedingen van de consument, gebaseerd op een representatieve steekproef. De consumentenmand2 en de gewichten worden bij het budget onderzoek vastgesteld, die doorgaans n keer in de vijf tien jaar plaatsvindt. Het consumptiemandje2 wordt doorgaand zoveel mogelijk geactualiseerd door het vervangen van producten die niet meer verkocht worden en van zaken die sluiten. Pas bij een nieuw budgetonderzoek kan echter volledige actualisatie van de consumentenmand zowel qua gewichten, producten, diensten en zaken plaatsvinden, aangezien dan het actuele bestedingspatroon van de gemiddelde consument wordt gemeten. Het International Labour Organisation (ILO) advis eert om tenminste n keer in de tien jaar een budgetonderzoek uit te voeren. Dit is van belang v oor zowel het waarborgen van de kwaliteit van de Consumenten Prijsindex (CPI) als voor het actualiseren van soci aal-economisch beleid. Whichever design is used, the complexity of HIES [Household Income and Expenditure Survey] is such that they tend to be costly and onerous and so less frequent than HIS [Household Income Survey]. The existing ICLS [International Conference of Labour St atisticians] resolution (paragraph 4) recommends that HIES should be carried out at least every ten y ears with a higher frequency where economic, social and political conditions are changing more quickly. Most developed statistical systems, in fact, conduct t hese surveys more frequently, with a periodicity of between one and five years, and some have continuous survey operations. Higher frequency than every ten years is especially important for the compilation of CPI for which it is now acknowledged that the basket of items and weights need frequent updating to minimize the risk of bias in the index. It is, however, also important for the measurement of living standards in order to monitor policy and programmes for the reduction of pover ty, inequality and social exclusion. Bron: www.ilo.org Report II, Household Inco me and Expenditure Statistics Seventeenth International Conference of Labour Statisticians, Geneva, 24 November-3 December 2003 Consumentenbesteding Een belangrijke basis voor het berekenen van de CPI en de inflatie wordt gevormd door de consumentenbestedingen. Onder consumentenbestedingen wordt in het kader van de CPI en de inflatie verstaan: bestedingen in het land Curaao door co nsumenten die op Curaao wonen. Bestedingen van (buitenlandse) toeristen op ons eiland of van inwone rs van ons eiland in het buitenland (via internet bijvoorbeeld) vallen hier per defini tie niet onder. In het kader van dit artikel wordt dan ook gesproken van de lokale markt of de lokale economie. Consumptiemand(je) of Consumentenmand(je) De (/Het) consumptiemand(je) of consumentenmand(j e) is een verzameling productenen diensten die het bestedingspatroon van de gemiddelde consument weergeeft. Deze consumptiemand dient in principe n keer in de vijf tien jaar volledig te worden herzien aan de hand van de gegevens over consumptieve bestedingen die verkregen worden uit het budgetonderzoek2, ook wel household budget survey of HBS Nummer 3 7

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine 8 Jaargang 12 genoemd. Tussentijds worden, indien n odig, aanpassingen gedaan in deze representatieve, gebalanceerde consumentenmand, bijvoorbeeld als een winkel failliet gaat of een product niet meer verkocht wordt. Het representatieve, marktconform en gebalanc eerde consumentenmandje is opgebouwd uit negen bestedingscategorien3 die weer onderverdeeld zijn in productgroepen. Elke productgroep is op haar beurt weer opgebouwd uit een aantal specifieke producten. Zo is bijvoorbeeld de bestedingscategorie Wonen3 opgebouwd uit de productgroepen woonkosten, ene rgieverbruik, woningonderhouden reparatie, tuinonderhoud en waterverbruik. Vervolgens ka n bijvoorbeeld de productg roep energieverbruik onderverdeeld worden in de specifieke producten k ookgas, elektriciteit en overig energieverbruik (kerosine etc.). CPI Het CBS berekent maandelijks een Consumentenprijs index (CPI, Consumer Price Index) en een 12 maandsgemiddelde CPI. De CPI is een maatstaf voor de gemiddelde prijs die consumenten aan goederen en diensten uitgeven voor een representatief, marktconform, gebalanceerd c onsumptiemand(je), ook wel consumentenmand(je) genoemd.4 De CPI wordt door het CBS maandelijks bere kend op grond van de circa 7000 prijzen van producten en diensten in het consumptiemandje di e elke maand verzameld worden. Deze prijzen worden vervolgens gewogen met het aandeel dat ze hebben in de gemiddelde bestedingen van de consument. Wanneer het niveau van de prijs va n een product over een bepaald jaar wordt vergeleken met het niveau van de prijs van hetzelfde product over een ander jaar, is dit gebaseerd op het berekende twaalfmaandsgemiddelde CPI voor di t product. Hetzelfde geldt voor het gemiddelde prijsniveau van de consumptiemand als geheel. Inflatie Inflatie kan worden gedefinieerd als een langdurig5 economisch proces van algemene prijsstijging, met als gevolg geldontwaarding (oftewel koopkrachtdaling van het geld) en stijging van de kosten van levensonderhoud. De inflatie van Curaao wordt, conform internationale statistische methodologie, normen en richtlijnen, maandelijks door het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) berekend op grond van de twaalfmaandsgemiddelde consumentenprijsindex (CPI2). Het inflatiepercentage wordt berekend door de twaalfmaandsgemiddelde CPI van de consumptiemand over een bepaald jaar (t) te vergelijken met het tw aalfmaandsgemiddelde van de consumptiemand over het jaar daarvoor (t-1). Het verschil tussen de twaalfmaandsgemiddelde CPI van een bepaalde maand van een bepaald jaar en de twaalfmaandsgemiddelde CPI van diezelfde maand een ja ar eerder is het inflatiecijfer van eerstgenoemde maand. Inflatie is dus per definitie een weergave van de gemiddelde consumentenprijsontwikkeling over 3 Zie ook onder deze paragraaf, sub-paragraaf Bestedingscategorien van dit artikel. 4 Zie voor nadere uitleg onder deze paragraaf, sub-paragraaf consumptiemand(je) of consumentenmand(je) van dit artikel. 5 Met langdurig wordt in dit kader bedoeld een periode van tenminste 12 maanden.

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 9 een periode van 12 maanden. Doorgaans wordt gesproke n van de inflatie over een bepaald kalenderjaar, maar het inflatiecijfer kan in principe over elk willekeurige periode van 12 maanden worden berekend. Als de inflatie van een aantal kalenderjaren naast elkaar wordt gelegd, kan tevens de gemiddelde inflatie per jaar over een bepaalde periode worden berekend. Het inflatiecijfer, zoals hiervoor omschreven, geeft een goed beeld van de lange termijn prijsontwikkeling en wordt daarom aangeraden als indexeringsinstrument voor onder andere lonen, salarissen, uitkeringen en pensioenen. Prijsontwikkeling Met prijsontwikkeling wordt in het kader van dit artikel consumentenprijsontwikkeling bedoeld. De methodiek6 voor het berekenen van de CPI2 en de inflatie2 brengt met zich mee dat in het kader van dit artikel een prijsontwikkeling als vo lgt moet worden genterpreteerd. De prijsontwikkeling van 2013 ten opzichte van 2012 impliceert dat, als er gesproken wordt van prijsdaling of prijsstijging in 2013 ten opzichte van 2012, dit betekent dat het gemiddelde prijsniveau voor de consument in 2013 respectievelijk lager of hoger is geweest vergeleken met 2012 Het hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat de prijsdaling of prijsstijging in 2013 zelf heeft plaatsgevonden. Ter nadere toelichting van het besprokene in voor gaande alinea, volgt een concreet voorbeeld. Elektriciteitsverbruik kan bijvoorbeeld in een bepaald jaar (jaar t) duurder zijn dan in het jaar daarvoor (jaar t-1), zonder dat in jaar t zelf een tariefsverhoging van elektriciteit heeft plaatsg evonden, maar uitsluitend doordat in jaar t-1 (bijvoorbeeld in het vierde kwartaal) het elektriciteitstarief is gestegen. De hogere CPI die hieruit resulteert telt slechts een aantal maanden mee in jaar t-1 (bijvoorbeeld alleen oktober, november en december als de tariefsverhoging per 1 okto ber plaatshad), terwijl het in jaar t wel het hele jaar meetelt. Dit veronderstellend dat er geen andere tariefswijzigingen van elektriciteit in jaren t en t-1 hebben plaatsgevonden. Aan het eind van jaar t zal de 12-maandsgemiddelde CPI voor elektriciteit derhalve hoger zijn dan aan het eind van jaar t-1.De wetenschappe lijk onderbouwde conclusie is dan dat elektriciteit duurder is geworden in jaar t vergeleken met jaar t-1. Aan het eind van jaar t zal de 12-m aandsgemiddelde CPI voor elektriciteit derhalve hoger zijn dan aan het eind van jaar t-1.De wetenschappeli jk onderbouwde conclusie is dan dat elektriciteit duurder is geworden in jaar t vergeleken met jaar t-1. Prijsontwikkeling Curaao december 2013 Prijsontwikkeling Curaao tussen november 2013 en december 2013 Het consumentenprijsindexcijfer (CPI) van Curaao is in de maand december 2013 met 0,2 procent gedaald ten opzichte van november 201 3, van 122,7 naar 122,5. Van de negen bestedingscategorien zijn twee (vrijw el) stabiel in prijs gebleven: Wonen (0,0%) en Voeding (+0,1%). Vervolgens vertonen twee bestedin gscategorien een prijswijzi ging van minder dan een half procent: Woninginrichting en huisraad (+ 0,3%) en Overig (-0,3%). Bij de overige vijf bestedingscategorien is er sprake van een prijswij ziging van meer dan een half procent: Vervoer en 6 Zie onder deze paragraaf, sub-paragraaf CPI van dit artikel.

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine 10 Jaargang 12 com municatie (-0,6%), Recreatie, educatie en ontwikkeling (-0,8%), Gezondheidszorg (-0,9%), Dranken en rookwaren (+0,9%) en Kleding en schoeisel (+0,9%). De meest opvallende prijswijzigingen gedurende dece mber 2013 hebben zich in vier bestedingscategorien voorgedaan, namelijk Wonen, Vervoer en commu nicatie, Woninginrichting en huisraad en Voeding. Het betreft de volgende specifieke prijswijzigingen: Wonen: de daling van het watertarief met 4 procent; Vervoer en communicatie: de daling va n de prijs van benzine met 5 procent; Woninginrichting en huisraad: de stijging van de prijs van de productgroep meubilair en verlichting met 4,7 procent; Voeding: de stijging van de prijs van de voedingsgr oep aardappelen, groenten en fruit met 2 procent. De opvallende stabiliteit van de bestedingscategorie Wonen wordt veroorzaakt doordat de daling van het watertarief (-4,0%) enerzijds en de stijging van huur / hypotheek (+0,2%) en elektriciteitstarieven (+0,7%) anderzijds elkaar in evenwicht hebben gehouden. Balans tussen prijsstijging en prijsdaling ligt ook ten grondslag aan de vrijwel stabiele prijsontwikkeling van de bestedingscategorie Voeding gedurende de m aand december 2013. Prijsstijging van vooral de voedingsgroepen aardappelen, groenten en fruit (+ 2,0%) en vlees en vis(+0,3%) wordt in evenwicht gehouden door prijsdaling van vooral de voedingsgroepen verteringen buitenshuis(-0,4%), graanproducten (-0,7%) en melkproducten (-0,7%). Prijsontwikkeling Curaao tussen december 2012 en december 2013 Als de maand december 2013 wordt vergeleken met de maand december 2012, blijkt dat het consumentenprijsindexcijfer tussen december 2012 en de cember 2013 is toegenomen van 121,6 naar 122,5. Dit is een stijging van 0,7 procent. Dit cijfer geeft weer hoeveel duurder de maand december van het jaar 2013 is ten opzichte van de maand december van het jaar 2012. Prijsontwikkeling en inflatie Curaao 2013 nader bezien vanuit tijdsperspectief en per bestedingscategorie Inflatie: oorzaken, gevolgen en beleid7 Inflatie van een land kan worden veroorzaakt door duurdere import, hogere loonkosten, hogere overige bedrijfslasten c.q. productiekosten, het marktspel van vraag en aanbod (schaarste van producten/diensten), hogere winstmarges van bedrijven en stijging van de geldhoeveelheid in omloop. De algemene gedachte onder economen is dat de infl atie in een gezond groeiende economie ongeveer twee procent bedraagt. Een te hoge inflatie kan nadelig zijn voor de koopkracht en het vertrouwen van 7 Bronnen van referentie: http://nl.global-rates.com/economischestatistieken/inflatie/inflatie-informatie.aspx en http://financieel.infonu.nl/beleggen/4333-economische-groei-inflatie-en-wisselkoers.html

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 11 consumenten, de waarde van spaartegoeden, de concurre ntiepositie ten opzichte van het buitenland en kan leiden tot verhoging van het renteniveau waardoor investeringen uitblijven. Veelal trachten overheden om de inflatie niet hoger te doen zijn dan 2 3 procent per jaar. Een inflatie van rond 2 procent wordt algemeen beschouwd als zijnde guns tig voor de economie. Een lage inflatie stimuleert consumenten immers om goederen en diensten te kopen. Uitstel van bestedingen betekent namelijk dat men meer zou moeten betalen voor hetzelfde product. Daar naast maakt een lage inflatie het voor de consument en de investeerder ook interessanter om geld te lenen omdat de rente veelal ook laag is tijdens perioden van een lage inflatie. Het handhaven van een lage inflat ie is vanwege de gunstige economische gevolgen derhalve wereldwijd een belangrijk doel in het econom isch en monetair beleid van regeringen en centrale banken. Nut en noodzaak, dus het gebruik, van het inflatiecijfer Het inflatiecijfer heeft vooral vier gebruiksdoelen. Het berekende inflatiepercentage, kortweg het inflatiecijfer, wordt ten eerste door bedrijven, (semi-)overheidsinstanties en nonprofit organisaties gebruikt om lonen, salarissen, uitkeringen, pensioenen en andere inkomens te indexeren. Door indexering van het inkomen voor het komende kalenderjaar met een percentage dat gebaseerd is op het inflatiecijfer van de afgelopen 12 maanden, wordt getracht om het koopkrachtverlies dat door de inflatie is veroorzaakt deels of geheel op te vangen. Het inflatiecijfer wordt verder ook gebruikt als in put om de rele economisch e groei van een land te berekenen. Ten derde wordt het inflatiecijfer gebruikt voor het creren, monitoren en bijsturen van sociaaleconomisch beleid. Tenslotte wordt het inflatiecijfer ook gebruikt v oor sociaal-economische analyses en onderzoeken, zowel nationaal als internationaal. Inflatie Curaao 2013, totaal en per bestedingscategorie Het twaalfmaandsgemiddelde van de consumentenprijzen op Curaao blijkt in december 2013 1,3 procent hoger te zijn dan in december 2012. Deze stijging g eeft een goed beeld van de lange-termijn inflatie, en wordt daarom aangeraden als indexeringsinstrument v oor lonen, salarissen, pensioenen, uitkeringen en dergelijke. Het inflatiecijfer van december 2013 (1,3%) is tevens het inflatiecijfer over het gehele jaar 2013. De inflatie op Curaao over het hele jaar 2013 is derhalve 1,3 procent. Dit is de stijging van het twaalfmaandsgemiddelde consumentenprijsindexcijfer van 120,7 in dece mber 2012 naar 122,3 in december 2013. Voornoemde inflatiecijfer van 1,3% over 2013 is het gewogen gemiddelde van de prijsontwikkeling van de negen bestedingscategorien waaruit het CPI-consumentenmandje is opgebouwd. In tabel 2 worden deze negen bestedingscategorien met bijbehorende prij sontwikkeling gedurende het jaar 2013 opgesomd.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine 12 Jaargang 12 Tabel 2 Prijsontwikkeling Curaao 2013, per bestedingscategorie Bestedingscategorie Prijsontwikkeling Voeding +1,6% Dranken en rookwaren +7,1% Kleding en schoeisel +1,1% Wonen +2,5% Woninginrichting en huisraad +2,4% Gezondheidszorg -1,5% Vervoer en communicatie -0,8% Recreatie, educatie en ontwikkeling +0,6% Overig +1,4% Gemiddeld 1,3% Inflatie Curaao 2013, in tijdsperspectief Achtereenvolgens wordt de inflatie op ons eiland over het afgelopen jaar vanuit vier tijdsperspectieven nader belicht: 1. Over het jaar 2013, van maand tot maand; 2. Over de afgelopen twee kalenderjaren, van maand tot maand; 3. Over de afgelopen 20 jaar, op jaarbasis; 4. Over de afgelopen zeven jaar, per bestedingscategorie. Ad 1. Inflatie Curaao over het jaar 2013, van maand tot m aand Tabel 3 Inflatie Curaao 2013, van maand tot maand bezien Januari 3,0% Februari 3,0% Maart 2,9% April 2,8% Mei 2,6% Juni 2,3% Juli 2,1% Augustus 2,0% September 1,9% Oktober 1,7% November 1,5% December (is tevens Inflatiecijfer voor geheel 2013) 1,3%

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Zoals uit tabel 3 blijkt, is de inflatie gedurende 2013, behoudens een stabilisatie in februari, geleidelijk gedaald van 3,0 procent in januari naar 1,3 procen t in december. Dit impliceert dat de kosten van levensonderhoud blijkbaar in een steeds lager tempo toenemen. Aangezien het inflatiecijfer per definitie de stijging van de 12 maands gemiddelde CPI meet, is de inflatie in december 2013 tevens de inflatie over het hele jaar 2013. De inflatie op Curaao is gedaald van 3,2 procent in 2012 naar 1,3 procent in 2013.8 Dit betekent dat gemiddeld genomen de kosten van leve nsonderhoud op ons eiland nog steeds stijgen, maar minder fors. Zie grafiek 1. GRAFIEK 1 Ontwikkeling Inflatie% Curaao 2013, van maand tot maand0.0 0.5 1.0 1.5 2.0 2.5 3.0 3.5 janfebmrtaprmeijunjulaugsepoktnovdecMAANDINFLATIE% Ad 2. Inflatie Curaao over de afgelope n twee k alenderjaren, van maand tot maand Van maand tot maand bezien vertoont de inflatie gedurende de afgelopen twee kalenderjaren eerst een stijgende trend van 2,3 naar 3,3 procent, om vervolge ns geleidelijk aan te dale n tot het niveau van 1,3 procent in december 2013. Noemenswaardig hierbij is dat: tussen maart 2012 en mei 2013 onafgebroken een inflatie van boven de 2,5 procent is gemeten. Dit wordt gellustreerd in grafiek 2; er sprake is van stabilisatie van de inflatie: van juni t/m augustus 2012 op 3,3 procent, van september t/m december 2012 op 3,2 procent en van januari t/m februari 2013 op 3,0 procent. Nummer 3 13 8 Bron: CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, www.cbs.cw: persberichten Consumentenprijzen Curaao december 2012, d.d. 29 januari 2013 en Consumentenprijzen Curaao december 2013, d.d. 14 maart 2014.

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine GRAFIEK 2 Ontwikkeling Inflatie% Curaao december 2011 t/m december 2013, van maand tot maand0 0.5 1 1.5 2 2.5 3 3.5dec 11 feb'12 apr'12 jun' 1 2 a u g'12 ok t 12 dec '1 2 f eb '13 a pr '1 3 jun' 13 a ug' 13 ok t 13 d ec '13MAANDINFLATIE% Ad. 3 Inflatie Curaao over de af gelopen twintig jaar, op jaarbasis Over de afgelopen twintig jaar (1994-2013) vertoont de inflatie op Curaao een sterk schommelend beeld, zoals blijkt uit grafiek 3. Uit grafiek 3 kan verder een aantal hoogtepunten worden gedestilleerd, zoals uit de volgende opsomming blijkt. De gemiddelde inflatie over de periode 1994-2013 is 2,6 procent. De inflatie van 1,3 procent in 2013 is de laagste over de periode 2003-2013. Sinds 2004, toen een inflatie van 1,4 procent werd gemeten, is 2013 voor het eerst dat de inflatie zich weer onder het niveau van 1,5 procent bevindt. Er moet tot 2002 worden teruggegaan, toen een in flatie van 0,4 procent werd genoteerd, om een inflatie lager dan het niveau van 2013 tegen te komen. Slechts gedurende 5 van de afgelope n 20 jaren (1998, 1999, 2002, 2004 en 2013) is er een inflatie lager dan 1,5 procent gerealiseerd. Slechts gedurende 5 van de afgelope n 20 jaren (1996, 1997, 2000, 2006 en 2008) is er een inflatie hoger dan 3 procent genoteerd, waarvan twee uitzon derlijke pieken van 5,8 procent in 2000 en 6,9 procent in 2008. Gedurende 10 van de afgelopen 20 jaren heeft de inflatie zich tussen het interval ,5% t/m 3% bewogen. 14 Jaargang 12

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 0.0 1.0 2.0 3.0 4.0 5.0 6.0 7.0Inflatie%JaarGRAFIEK 3 Inflatie Curaao afgelopen 20 jaar: 1994-2013 INFLATIE% 1.82.83.63.31.10.45.81.80.41.61.44.13.13.06.91.82.82.33.21.3 19941995199619971998199920002001200220032004200520062007200820092010201120122013 Ad.4 Inflatie Curaao over de afgelopen zeven jaar, per b estedingscategorie Zoals uit tabel 4 blijkt, vertoont de consumentenprijsontwikkeling over 2013 bij de meeste bestedingscategorien een gematigder verloop vergelek en met het grootste deel van de zes jaren daarvr. Alleen bij de bestedingscategorie Dranken en rookwaren is er duidelijk sprake van een forsere prijsstijging vergeleken met alle zes jaren daarvr. Beredeneerd kan worden dat dit in belangrijke mate te wijten is aan de verhoging van de omzetbelasting (OB) op dran k en rookwaren van 6 naar 9 procent per 1 mei 20139. 9 Bronnen van referentie: 1. PWC, Wijziging omzetbelasting en formeel recht, 2013. Nummer 3 15 2. Publicatie Regering Curaao: Tarieven omzetbelasting per 1 mei 2013 (specificatie van de producten, onderverdeeld in 4 tariefsgroepen), o.b.v. wijziging stelsel omzetbelasting die is goedgekeurd door het parlement op Curaao d.d. 19 april 2013.

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Zoals uit tabel 4 tevens blijkt, is Voeding vanaf 2007 tot en met 2012 de bestedingscategorie met onafgebroken de meest forse prijsstijgingen. In 2013 ec hter is de prijsstijging van de bestedingscategorie Voeding relatief laag te noemen, zowel in tijdsperspectief bezien als wanneer de bestedingscategorien met elkaar worden vergeleken. Een mogelijke verklarend e factor voor deze trendb reuk is dat verlaging van de omzetbelasting op aardappelen, groenten en fruit van 6 naar 0 procent enerzijds en verhoging van de omzetbelasting op verteringen buitenshuis van 6 naar 9 procent anderzijds, elkaar hebben geneutraliseerd. Deze OB-wijzigingen zijn beiden per 1 mei 2013 gef fectueerd en terwijl verteringen buitenshuis ruim twee keer zoveel gewicht in de consumptiemand heeft, vergeleken met aardappelen groenten en fruit, is de verhoging van de omzetbelasting voor eerstgen oemde voedingsgroep procentueel de helft van de verlaging van de omzetbelasting voor laatstgenoemde voedingsgroep. Relatieve bijdrage van de negen b estedingscategorien aan de inflatie op Curaao in 2013 De bijdrage van een bestedingscategorie aan de infl atie wordt bepaald door twee eigenschappen van de bestedingscategorie: de hoogte van de prijswijziging en het gewicht in de consumentenmand. De bestedingscategorie die het meest heeft bijgedragen aa n toename van de inflatie van het afgelopen jaar is Wonen, die voor 59 procent van de inflatie over 2013 verantwoordelijk is. Daarentegen heeft de bestedingscategorie Vervoer en Communicatie het mees t bijgedragen aan afname van de inflatie in 2013, namelijk door een aandeel van -14% in de totale inflatie van Curaao in 2013. Zie grafiek 4. Laatstgenoemde tegengestelde ontwikkelingen zullen hierna nader worden belicht. 16 Jaargang 12

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine GRAFIEK 4 Relatieve bi j dra g e bestedin g scate g orien aan de inflatie van Curaao in 2013 Voeding, 15% Dranken en rookwaren, 8% Kleding en schoeisel, 4%Wonen, 59%Woninginrichting en huisraad, 13% Gezondheidszorg, -1%Vervoer en communicatie, -14%Recreatie, ontwikkeling en educatie, 3% Overig, 13% In 2013 is de bestedingscategorie Wonen 2,5 procen t duurder geworden. Vooral de prijsontwikkeling van elektriciteit (onderdeel van energiekosten) en woninghuur/huurwaarde hebben hieraan bijgedragen. 10 De prijsontwikkeling van de bestedingscategorie Wonen is opgebouwd uit het gewogen gemiddelde van de prijsontwikkeling van vijf onder liggende producten dienstengroepen. Deze groepen, met bijbehorende prijsontwikkeling in 2013, zijn achtereenvolgens:10 Woninghuur c.q. huurwaarde: +2,1%; Energiekosten (hoofdzakelijk elek triciteitsverbruik): +4,8%; Woningonderhoud: +2,8%; Tuinonderhoud: +2,7%; Verbruik leidingwater: -2,3%. Daarentegen is de bestedingscategorie Vervoer en Communicatie 0,8 procen t goedkoper geworden in 2013. Met name de prijsontwikkeling van benzine (onderdeel van koste n van autorijden) heeft hieraan bijgedragen. 10 De prijsontwikkeling van de bestedingscategorie V ervoer en Communicatie is opgebouwd uit het gewogen gemiddelde van de prijsontwikkeling van vier onderliggende producten dienstengroepen. Deze groepen, met bijbehorende prijsontwikk eling in 2013, zijn achtereenvolgens: 10 Nummer 3 17 10 Bron: CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, www.cbs.cw.: Tabel Change of the annual CPI by expenditure category, 2001-2013, Curaao, d.d. 12 maart 2014.

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine 18 Jaargang 12 Aanschaf autos: +1,9%; Kosten van autorijden (hoofd zakelijk benzine): -2,9%; Openbaar vervoer: 0%; Communicatie: -1,7%. Inflatie Curaao 2013, nader bezien vanuit internationaal perspectief In deze paragraaf zal getracht worden antwoord te verkrijgen op twee vragen. 1. Is de inflatie van Curaao in 2013 hoog of laag vergeleken met andere landen?: 2. Kan er een verband worden geschetst tussen de inflatie van Curaao in 2013 en een drietal internationale factoren, te weten: a. internationale voedselprijzen, b. internationale olieprijzen, c. wisselkoers EURO US dollar? Ad 1. Is de inflatie van Curaao in 2013 hoog of laag vergeleken met andere landen? In tabel 511 wordt de inflatie van Curaao in 2013 (1,3%) vergeleken met de inflatie van datzelfde jaar in 64 andere landen, o.a. gelegen in de Caribische/Zuid-Amerikaanse regio. Deze vergelijking is zuiver gebaseerd op het niveau van het inflatiecijfer en laat sociaal-economische verschillen tussen de 65 landen in deze lijst buiten beschouwing. Immers, dit laatst e valt buiten de reikwijdte van dit artikel. Om een zo breed mogelijk spectrum te verkrijgen zijn deze landen wereldwijd verspreid. Voor het doel van dit overzicht, namelijk een vergelijki ng tussen landen van het inflatiecijfer over het gehele jaar 2013, worden de drie eilanden van Caribisch Nederland (Bonaire, St. Eustatius en Saba) elk afzonderlijk als een land beschouwd. 11 Bronnen: Zie Bijlage 1.

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 19 TABEL 5 INFLATIE IN 2013 VAN 65 LA NDEN, INCLUSIEF CURAAO (IN ALFABETISCHE VOLGORDE) Land Inflatie % 2013 Land Inflatie % 2013 1. Aruba -2,4% 34. Iran 29,6% 2. Australi 2,5% 35. Isral 1,9% 3. Argentini 10,6% 36. Jamaica 9,4% 4. Barbados 1,8% 37. Japan 1,6% 5. Bahamas 0,9% 38. Marokko 1,0% 6. Belize 1,4% 39. Mexico 4,0% 7. Belgi 1,0% 40. Nederland 1,7% 8. Benin -2,8% 41. Nepal 10,3% 9. Bonaire12 1,7% 42. Nieuw Zeeland 1,1% 10. Brazil 5,8% 43. Nigeria 8,0% 11. Canada 0,9% 44. Noorwegen 2,0% 12. Chili 3,0% 45. Portugal 0,2% 13. China 2,5% 46. Puerto Rico 0,9% 14. Colombia 1,8% 47. Saba12 1,2% 15. Costa Rica 3,4% 48. Singapore 2,4% 16. Curaao 1,3% 49. Soviet Unie (Rusland) 6,5% 17. Denemarken 0,8% 50. Spanje 0,3% 18. Dominica -0,4% 51. St. Eustatius12 2,3% 19. Dominicaanse Republiek 4,1% 52. St. Kitts & Nevis 3,0% 20. Duitsland 1,4% 53. St. Lucia 1,5% 21. Ecuador 2,3% 54. St. Maarten 2,5% 22. Egypte 11,7% 55. St. Vincent & the Grenadines 1,7% 23. Filippijnen 3,3% 56. Suriname 1,9% 24. Finland 1,6% 57. Tanzania 6,2% 25. Frankrijk 0,7% 58. Trinidad & Tobago 4,4% 26. Griekenland -2,9% 59. Turkije 7,4% 27. Groot-Brittanni 2,0% 60. Venezuela 58,1% 28. Ghana 13,2% 61. Verenigde Staten (USA) 1,5% 29. Hati 3,4% 62. IJsland 4,2% 30. Ierland 0,5% 63. Zuid-Afrika 5,3% 31. India 9,9% 64. Zweden 0,1% 32. Indonesi 8,4% 65. Zwitserland 0,1% 33. Itali 0,7% 12 Bonaire, Saba en Sint Eustatius, de BES-eilanden, zijn sinds 10 oktober 2010 bijzondere gemeentes van Nederland en vormen samen Caribisch Nederland.

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine 20 Jaargang 12 Uit de inflatiecijfers, zoals weergegeven in tabel 5, blijkt dat de inflatie van Curaao over 2013 vergelijkbaar is met 38 van de 64 andere landen in de lijst, namelijk tussen minimaal 0 en maximaal 3 procent. Dit is een meerderheid van bijna 60 procent. Bij 16 landen ligt de inflatie in 2013 tussen 3 en 10 procent en bij 6 landen boven de 10 procent, met twee uitschieters van bijna 30 en bijna 60 procent. Deze 22 landen tezamen vertegenwoordigen bijna 35 procent van de totale lijst van 64 landen. Vervolgens kan bij 4 van de 64 landen uitgezonderd Curaaouit deze lijst een deflatie, of negatieve inflatie, worden waargenomen. Terwijl inflatie een ge middelde stijging van de consumentenprijzen over desbetreffend jaar impliceert, betekent deflatie dat gemiddeld genomen de consumentenprijzen over desbetreffend jaar zijn gedaald. Hieruit kan de voorzichtige conclusie worden getrokken dat in 2013 de inflatie op Curaao vergelijkbaar is met de inflatie in circa 60 procent van de landen wereldwijd en beduidend lager is dan de inflatie in circa 35 procent van de landen wereldwijd. Het inflatieniveau van Curaao in 2013 is dus niet uitzonderlijk vergeleken met een ruime meerderheid (60 procent) van andere landen. Ad 2. Kan er een verband worden geschetst tussen de inflatie van Curaao in 2013 en een drietal internationale factoren, te weten: a. internationale voedselprijzen, b. internationale olieprijzen, c. wisselkoers EURO US dollar? Curaao is een importland voor wat betreft consumpt iegoederen en heeft als n van de belangrijkste exportproducten diensten in de toer isme-sector. Internationale economis che factoren spelen derhalve een belangrijke rol in de prijsontwikkeling van het eiland, zowel voor de lokale markt als voor de toerismesector. Deze paragraaf en dit artikel beperken zich tot de lokale markt, gelet op de definitie van consumentenbestedingen in het kader van CPI eerder in dit artikel. Bij het interpreteren van de invloed van internationale factoren op de economie en de prijsontwikkeling van ons eiland is het raadzaam om te allen tijde met een drietal aspecten rekening te houden. Ten eerste dat lokale factoren ook een rol van betekenis spelen bij de prijsontwikkeling. Deze lokale factoren zijn onder andere: spaaren consumptiege drag van consumenten, inkoop-, distributieen verkoopbeleid van ondernemers, aanwezige voorraden, teelt van groenten en fruit voor eigen gebruik (en eventueel ook voor de lokale markt), onderlinge afspraken tussen ondernemers, seizoensinvloeden, overheidsbeleid, investeringe n van ondernemers, overheid en particulieren, arbeidsproductiviteit, het monetair beleid van de centrale bank. Ten tweede dat de lokale economie mogelijker wijs vertraagd reageert op internationale ontwikkelingen. Ten derde dat het Nederlandse Koninkrijk lees Nederlandook bijdraagt aan de economische ontwikkeling van het eiland door middel van ontwikkelingshulp, schuldsanering etc. De lokale economie en dus de prijsontwikkeling op het eiland wordt dus niet alleen benvloed door lokale en internationale factoren maar ook door beleid, afspraken, projecten en activiteiten in het kader van het Nederlandse Koninkrijk, die ook als Koninkrijksfactoren kunnen worden aangeduid.

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Ad. 2a Internationale voedselprijzen De Food and Agriculture Organization of the United Nations (FAO) berekent maandelijks en jaarlijks een voedselprijsindex (FAO Food Price Index) op gron d van de internationale voedselprijzen. Aangezien Curaao een groot deel van haar voedsel importeert, kan deze index gehanteerd worden als een indicator om een verband tussen de prijsontwikkeling van Curaa o, met name wat voedingsmiddelen betreft, en de internationale voedselprijsontwikkeling te schetsen. In 2013 is er sprake van een daling van de FAO Food Price Index, zowel in nominale als in rele termen. Zie grafiek 5 en tabel 6. Aangezien Curaao voor haar voeding een overwegend im portland is, zou de logische verwachting zijn dat de gemiddelde voedselprijs op het eiland in 2013 da n ook daalt. De gemiddelde voedselprijs op Curaao stijgt echter in 2013. Mogelijkerwijs is er sprake van een vertraagde doorwerking van de internationale voedselprijzen, mede veroorzaakt door locale factoren zoals het marktspel van vraag en aanbod en het voorraad-, inkoopen verkoopbeleid van de voedselondernemingen op het eiland. Anderzijds is de gemiddelde stijging van voedselprijzen in 2013 veel minder fors dan in voorgaande jaren. Dit kan mogelijkerwijs verklaard worden door de lagere internationale voedselprijzen en door locale beleidsen marktfactoren, zoals bijvoorbeeld het verlagen van de omzetbelasting op verse groenten, fruit en aardappelen van 6 naar 0 procent per 1 mei 2013. Er kan beredeneerd worden dat dit laatste het effect van de verhoging van de omzetbelasting op verteringen buitenshuis (van 6 naar 9 procent) geneutraliseerd heeft, zoals eerder uiteengezet in dit artikel (toelichti ng bij tabel 4, subparagraaf Inflatie Curaao over de afgelopen 7 jaar, per be stedingscategorie). GRAFIEK 5 FAO Voedselprijsindex Bron: http://www.fao.org/worldf oodsituation/foodpricesindex/en/ Nummer 3 21

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine TABEL 6 FAO Voedselprijsindex Bron: http://www.fao.org/worldfoodsitu ation/foodpricesindex/en/ 22 Jaargang 12

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Ad. 2b Internationale olieprijzen Een internationale factor die zeer waarschijnlijk een belangrijke invloed heeft op de prijsontwikkeling in Curaao is de internationale prijs van ruwe olie. Immers, de hoogte van de internationale prijs van ruwe olie kan o.a. invloed hebben op: de hoogte van de locale benzineprijs; de locale productiekosten (van bijvoorbeeld wa ter en elektriciteit) en vervolgens ook de consumentenprijzen van deze producten (bijvoorbeeld elektriciteitsen watertarieven); transportkosten (overzee en te land); kosten van energieverbruik voor koeling (overzee en te land) en belichting; locale kosten van waterverbruik voor bijvoorbeeld landbouw. Er kan beredeneerd worden dat verlaging of verhoging van voornoemde kosten te zijner tijd door de producent/verkoper aan de consument doorberekend za l worden, in de vorm van verhoging of verlaging van de consumentenprijs. In 2013 is de internationale prijs van ruwe olie lager dan in 2012 en 2011, maar hoger dan in alle voorgaande jaren tot en met 2010. Zie tabel 7 en grafiek 6. De lineaire trendlijn in grafiek 6 laat tevens zien dat de ontwikkeling van de internationale olieprijzen in de loop der tijd een stijl stijgende trend vertoont. Prijs per vat ruwe olie (US $) Jaa r 13 12 11 10 09 08 07 06 05 04 03 02 01 120. 00 100.00 80.00 60.00 40.00 20.00 0.00 GRAFIEK 6 Internationale olieprijzen 2001-2013De inflatie op Curaao in 2013 is, zoals eerder toegelicht in dit artikel, de laagst e van de afgelopen 10 jaar. Met name twee prijsontwikkelingen hebben hieraan bijgedragen: Nummer 3 23

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine 24 Jaargang 12 De kosten van autorijden daalde in 2013 met bijna 3 procent, na drie achtereenvolgende jaren van stijging.10 Dit is vooral veroorzaakt doordat benzine in 2013 goedkoper is gebleken dan het jaar daarvr. Een veel mildere stijging van de voedselprijzen in 2013 verg eleken met voorgaande jaren. De daling van de kosten van autorijden, de relatief milde prijsstijging van voedingsmiddelen en de relatief lage inflatie in 2013 op Curaao vinden, zoals in he t voorgaande betoogd, plaats tegen een achtergrond van daling van de internationale olieprijs. Wellicht heeft het beleid van de Curaaose overheid om maandelijks de benzineprijzen voor de consument marktconform aan te passen, bijgedragen aan een betere correlatie tussen de lokale benzineprijzen en de internationale olieprijzen. Er kan verder beredeneerd worden dat de relatief lage internationale olieprijzen en lokale benzineprijzen in 2013 op hun beurt hebben bijgedragen tot een beheersing van transporten koelingskosten voor voedingsmiddelen. Mogelijkerwijs hebben de in de voorgaande alinea omschreven ontwikkelingen, in combinatie met andere factoren bijvoorbeeld daling van de voedselprijzen wereldwijd (zie voorgaande subparagraaf Internationale voedselprijzen in dit artikel) bijgedragen aan het feit dat gemiddeld genomen voedingsmiddelen voor de consument woonachtig op Cu raao slechts licht duurder zijn geworden in 2013. TABEL 7 Internationale olieprijzen Jaar Prijs per vat (US $) 2001 23,12 2002 24,36 2003 28,10 2004 36,05 2005 50,64 2006 61,08 2007 69,08 2008 94,45 2009 61,06 2010 77,45 2011 107,46 2012 109,45 2013 105,87 Bron: www.opec.org

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Ad. 2c Wisselkoers EURO US dollar Het wettig betaalmiddel van Curaao, de Antilliaanse gulden, is gekoppeld aan de US dollar. Hoe duurder de Euro wordt, dus hoe zwakker de dollar, hoe duurde r de import voor Curaao uit de Euro-zone: voor 1 Euro dienen meer Antilliaanse guldens neergeteld te worden. Omgekeerd wordt de export naar de Eurozone goedkoper, dus een dure Euro bevordert het toerisme uit de Eurozone: voor 1 Euro krijgt de toerist meer Antilliaanse guldens c.q. US dollars. GRAFIEK 7 Wisselkoers Euro-US$ 1999-20130.00 0.20 0.40 0.60 0.80 1.00 1.20 1.40 1.60Jaarwaarde 1 Euro in US $ wisselkoers 1.070.920.900.951.131.241.241.261.371.471.391.331.391.281.33 '99'00'01'02'03'04'05'06'07'08'09'10'11'12'13 Nummer 3 25

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine 26 Jaargang 12 De eurodollarkoers in 2013 is vergel ijkbaar met het niveau van 2010, lager dan in de jaren 2007 t/m 2011 en hoger dan in 2012. Zie tabel 8 en grafieken 7 en 8. TABEL 8 Wisselkoers Euro-US$ 1999 1,0658 2000 0,9236 2001 0,8956 2002 0,9456 2003 1,1312 2004 1,2439 2005 1,2441 2006 1,2556 2007 1,3705 2008 1,4708 2009 1,3948 2010 1,3257 2011 1,3920 2012 1,2848 2013 1,3281 Bron: De Nederlandsche Bank http://www.statistics.dnb.nl De hogere eurodollarkoers van 1,33 in 2013 vergeleken met die van 2012 (1,28) betekent dat import voor Curaao uit de eurozone, vooral Nederland, in 2013 duurder was dan in 2012. Tegelijkertijd betekent het dat export, voornamelijk van diensten in de toerismese ctor, naar de eurozone goedkoper was. Voor de Nederlandse (en overige Eurozone-) toerist was Curaa o in 2013 dus wat wisselkoe rs betreft aantrekkelijker dan het jaar daarvr.

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine GRAFIEK 8 Wisselkoers EURO-US dollar 1999-20131.07 0.92 0.90 0.95 1.13 1.241.24 1.26 1.37 1.47 1.39 1.33 1.39 1.28 1.33 0.00 0.20 0.40 0.60 0.80 1.00 1.20 1.40 1.60Jaar1 euro in US dollar '99 '00 '01 '02 '03 '04 '05 '06 '07 '08 '09 '10 '11 '12 '13 De drie internationale factoren samen bezien In 2013 zijn de internationale voedselprijzen en inte rnationale olieprijzen gedaald, terwijl import uit de Eurozone duurder is geworden. Dit laatste effect zou mogelijkerwijs opgevangen kunnen worden door import uit landen in de regio, o.a. de Verenigde Staten. Er kan worden beredeneerd dat voornoemde internationale ontwikkelingen in samenspel met lokale factoren o.a. een negatieve economische groei van -0,8%13, het marktspel van vraag en aanbod, overheidsbeleid ten aanzien van benzin een nutstarieven in belangrijke mate hebben bijgedragen aan een gematigde inflatie op Cura ao over het jaar 2013. In een recessie geen economische groei of zelfs negati eve economische groeizijn er minder banen en meer werkloosheid en is er sprake van verminderde koop kracht en weinig consumentenvertrouwen. Hierdoor dalen de bestedingen, met als gevolg dat het aanbod van goederen en diensten groter is dan de vraag. Dit drukt de consumentenprijzen en leidt vervolgens tot stabilisatie of verlaging van de consumentenprijzen, met als eindresultaat een lage inflatie of zelfs deflat ie. Deze redenering kan een verklaring zijn voor de combinatie van een negatieve economis che groei en een lage inflatie op Curaao gedurende het jaar 2013. Nummer 3 27 13 Bron: CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, www.cbs.cw: persbericht Eerste resultaten van het BBP Curaao 2013 Economie Curaao krimpt in 2013 met 0,8%, 3 juli 2014.

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine 28 Jaargang 12 Samenvatting, aanbeveling en vooruitblik In dit artikel is getracht om inzicht te verschaffen in de prijsontwikkeling van Curaao in 2013, door het vanuit drie invalshoeken nader te belichten: de prijsontwikkeling door de tijd heen, de prijsontwikkeling per bestedingscategorie en de prijsontwikkeling vanuit internationaal perspectief. De prijsontwikkeling van Curaao over 2013 heeft geresulteerd in een inflatieniveau (1,3 procent) dat als het laagste van de afgelopen 10 jaar kan worden beschouw d. In 2013 heeft de bestedingscategorie Wonen het meest bijgedragen aan de inflatie in ons land. Wonen, in het bijzonder elektriciteitsverbruik, was namelijk verantwoordelijk voor bijna 60 procent van de inflatie in 2013. Het niveau van de inflatie van Curaao is niet uitzonderlijk vergeleken met andere landen. De prijsontwikkeling en de inflatie op Curaao worden door zowel lokale als internationale factoren benvloed. Het inflatieniveau van een land is zowel een indica tor hoe het gaat met de economische ontwikkeling van een land als een instrument om de (sociaal-)economische ontwikkeling van een land te sturen. Over het algemeen wordt door economen aangenomen dat een in flatiepercentage van maximaal 2 3 procent een weergave is van een gezonde economie. Het inflatiecijfer wordt o.a. door bedrijven, de (semi-)overheid, non-profit organisaties, studenten en onderzoekers gebruikt. Gebruiksdoelen zijn o.a. het indexeren van lonen, salarissen, pensioenen, uitkeringen etc., sociaal-economisch beleid, onderzoek en het berekenen van de rele economische groei van het land. Aanbeveling Gelet op het sociaal-economisch belang behoeft de prijsontwikkeling van Curaao continu de nodige aandacht van onderzoekers, beleidsmakers en de so ciaal-economische partners (bedrijven, vakbonden, overheid, consumenten) in de gemeenschap. Het is aanbevelenswaardig om hierbij steeds de door economen voor een gezonde economie aangehouden rich tlijn van maximaal 2 3 procent inflatie in het vizier te blijven houden. Vooruitblik Mede gelet op de ontwikkeling van de inflatie op Curaa o over de afgelopen 20 jaar en voornamelijk over de periode 2003 tot en met 2013, kan onder voorbehoud een voorzichtige inschatting worden gemaakt dat de inflatie op Curaao zich dit en volgend jaar (2014 en 2015) tussen de bandbreedte van 0 en 3 procent zal bewegen.

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 29 Bijlage 1: Geraadpleegde bronnen bij Tabel 5 Inflatie 2013 van 65 landen, inclusief Curaao 1. Central Bureau of Statistics Aruba, www.cbs.aw ; 2. www.rateinflation.com ; 3. www.tradingeconomics.com; 4. Barbados Statistical Service,www.barstats.gov.bb; 5. Be.STAT, Statistics Belgium,http://economie.fgov.be; 6. CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Nederland, http://statline.cbs.nl ; 7. http://www.beurs.nl/nieuws/cbs/3344155/inflatie op bonaire en saba gedaaldop sint eustatius gestegen 8. Statistics Canada, www.statcan.gc.ca ; 9. Inflation.EU Worldwide Inflation Data, http://www.inflation.eu ; 10. Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, www.cbs.cw ; 11. Statistics Denmark, http://www.statbank.dk12. http://knoema.com/atlas/Dominica/CPI inflation gebaseerd op IMF World Economic Outlook, April 2014 ; 13. Statistical Institute of Jamaica, http://statinja.gov.jm ; 14. www.gdpinflation.com ; 15. Department of Statistics Singapore, Press Release Singapore CPI for households in different income groups, [2013], http://www.singstat.gov.sg/news/press_releases/cpi jul dec2013.pdf 16. www.economywatch.com ; 17. The Central Statistics Office of St. Lucia, stats.gov.lc; 18. Department of Statistics Sint Maarten, http://stat.gov.sx ; Algemeen Bureau voor de Statistiek in Suriname, http://www.statistics suriname.org

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine 30 Jaargang 12 Air transportation in numbers Glenda Varlack Introduction Air transportation is the fastest means of connecting peop le and businesses; it is an important instrument that advances economic development. The benefits from air transport can only be noticed if there is enough investment in infrastructure capacity (like airports, ro ads, etc.). These Investments will facilitate the airlin e industry to provide the necessary connections to worldwide markets that businesses on the island need and can prosper from. In 2013 the air traffic control of Curaao has handled a total movement of 45,481 flights, which is a drop of about 3 percent in comparison to 2012 (47,096 flights). Besides economic benefits, air transport also provides sign ificant social benefits by fac ilitating communica tion between different parts of the world and by providing greater access to remote areas. Various studies14 have concluded that air transport contributes significantly to a co untry's economic development and it will continue to do so for the foreseeable future. The Central Bureau of Statistics also collects data rega rding air transportation, of which in this article a general view will be given in numbers on the industry in Curaao for the years 20122013. Indicators in air transportation To measure these activities some general indicators are used worldwide and also in Curaao. Air Transport Activities indicators that are available in most countries are Passengers Domestic air passengers International air passengers Cargo Domestic (inbound) air cargo (tons) International (outbound) air cargo (tons) Domestic (inbound) mail (tons) International (outbound) mail (tons) Movements (flights) Number of international flights Number of domestic flights Number of other flights Total number of flights 14 IATA Economics Briefing No.3: Airline Network Benefits Mark Smyth and Brian Pearce; IATA Economics, January 2006

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine This d ata is reported by international airports regarding arrivals and departures. For this short analysis the indicators that will be taken into consideration are not detailed but aggregated for passenger, cargo and movements. Air passenger transport The total passenger traffic includes domestic, internatio nal, transfers and direct transit passengers. Over 3 billion passengers have been transported globally in 2013 according to IATA (International Air Transport Association). Locally the total passenger traffic for 2013 is 1,721,501, which is 2 percent lower than in 2012. A reason for he reduced demand for air travel is due to the economic stagnation around the world. The tourism sector contributes about US$2 trillion to global GDP15. It centers on air transportation of which 51% of international tourists travel by air. The stay over tourist for Curaao is generally dependent on air transportation for their stay. In 2013 there have been a total of 440,063 international visitors. Chart 1: Total passenger traffic (Curaao)0 20000 40000 60000 80000 100000 120000 140000 160000 180000 JanFebMarAprMayJunJulAugSepOctNovDecPax 2012 2013 Aircraft Movements: Civil landings Aircraft movements indicate the takeoffs and the landings of an aircraft. A non-military or civil landing refers to all aircrafts that are not military associated such as scheduled passenger flights, non-scheduled passenger flights/seasonal passenger flights, cargo, ge neral aviation, ambulance an d other (ferries, diverts, test/ training, returned, local). Landing in airport jargon is actually the last part of a flight, where an aircraft returns to the ground. To measure economic impact, the landing is used as an indicator. The aircraft landing dataset contains data about aircraft landings with monthly landing counts. For 2013 there has been a drop of about 8% compared Nummer 3 31 15 Economic Impact 2012, World Olivia Ruggles-Brise and Eva Amiable; World Tourism & Travel council, 2012, page 7

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine to 2012. In the first 5 months a correlation is seen between the two years, but after that the landings have declined over the rest of the year 2013 (Chart 2). Chart 2:Total civil landings (Curaao) 0 500 1000 1500 2000 2500 JanFebMarAprMayJunJulAugSepOctNovDecLandings 2012 2013 Takeoffs A takeoff is the phase of flight in which an aircraft goes from the ground to flying in the air. This usually involves starting with a transition from moving along the ground (taxiing) on a runway. In 2013 there have been a total of 21,674 takeoff flights, which is about 8 percent less than 2012. In comparing chart 3 for 2012 and 2013 it shows that aircraft takeoffs have de creased in the last 7 months of the latter year. Chart 3: Total aircrafttakeoffs (Curaao)0 500 1000 1500 2000 2500 JanFebMarAprMayJunJulAugSepOctNovDecTakeoffs 2012 2013 32 Jaargang 12

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Cargo transportation The cargo transportation refers to the inbound and outb ound cargo, cargo that is in transit and mail cargo. The cargo demand has remained stagna nt around the world, with airlines having transported 51.6 million tons in 2013. The industry sees the reasons in on-shoring of production, which is decreasing cargo business. This seems to be driven by the rise in prot ectionist measures by govern ments aiming to stimulate domestic economies, and the rise of labor co sts in previously low labor-cost locations16. The cargo movements for Curaao in contrast to world developments have shown an increase of about 27 percent compared to 2012. Curaao is greatly dependent on imports; th is may be the reason for the high cargo movement. Chart 4: Total cargo traffic (Curaao)0 20000 40000 60000 80000 100000 120000 Jan Feb Mar A p r May Jun Jul A ug Sep Oct Nov Dec kg 2013 2012 Global air transport The global air transport industry has recuperated from the losses in previous years and had an estimated US$12.9 billion profit for 2013. The key drivers, acco rding to IATA, were improvements to the industrys structure and lower jet-fuel prices. However, the indu strys 1.8 percent net profit margin in 2013, and 2.6 percent expected for 2014, remains below the weighted co st of capital (WCC). (WCC is the rate of return a company expects to compensate all it s different investors. The weights are the fraction of each financing source in the company's target capital structure.) As such, investments in airlines still remain risky for investors. Furthermore, profits depend to a large extent on the cost of jet fuel, a factor which cannot be controlled by airline management. The Latin American and Caribbean Air Transport Association (ALTA) have announced that its member airlines carried 132.4 million passengers in 2013, up 6.4 percent versus the same period of the previous year (table 1). A revenue passenger kilometer (RPK) is a measure of the volume of passengers carrie d by an airline. Traffic (RPK) has increased in 2013 with 7.3 percent; capacity (ASK) improved with 5.8 percent. Available Seat Kilometers (ASK) is a measure of an airline flight's passenger carrying capacity. It is equal to the number of Nummer 3 33 16 Airline Financial Outlook Strengthens $12.9B Global Net Profit Expected in 2013, Press Release IATA No.: 69, 12 December 2013

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine 34 Jaargang 12 seats available multiplied by the number of kilometers flown. An available seat kilometer is the fundamental unit of production for a passenger-carrying airline. Regarding the cargo, the freight ton kilometers (F TK) has increased in 2013 with 4.1 percent. Table 1. Latin America & Caribbean Airport data* 2012 2013 Change (%) Passengers 124,437,052 132,412,121 6.40% RPK (millions) 188,167 201,897 7.30% ASK (millions) 246,462.30 260,820.30 5.80% FTK (thousands) 3,975,286 4,138,210 4.10% *Note: Reporting airlines are Aero lneas Argentinas (includes Austral), Aeromar, Aeromexico, Avianca, Copa Airlines, GOL, Insel Air, LAN Group, TACA Group, TAM, TAM Mercosur, and Volaris. Emerging and developing countries have experienced strong growth in 2013. While air traffic in terms of available seat kilometers (ASK) grew modestly in the US and Europe, growth of over 12 percent was maintained in the Middle East and China, as well as 7.4 percent in Latin America, while traffic in Africa and the Asia-Pacific Region grew at 5.2 percent. Closing remarks Continued growth is forecasted in emerging countries, which requires investments in airport and air traffic control infrastructure. However, the industry remains vu lnerable, especially to rising fuel cost and sudden economic downturns. Airline fleet renewal, internat ional alliances, and effective yield management are necessary to weather future recessions. Airport tran sportation numbers are important for these decision makings. Airport transportation numbers have been lagging in 2013 compared to 2012. The total passenger traffic and aircraft movements have experienced minor setbacks Only in the cargo transportation Curaao have experienced an increase. Regarding Curaaos general airport transport, it is not falling behind it has the same focus these coming years to improve the quality of the air transport expe rience. 2013 has not been the best year compared to 2012, but by attracting more and other airlines it certainly can raise the volume of transport on all levels.

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 35 Eerste resultaten Slachtofferonderzoek en Opiniepeiling Restorative Justice (Herstelrecht) 2014 Ellen Maduro Inleiding Begin april tot en met medio mei 2014 is op Curaao een Slachtofferenqute gehouden. In 1981 en 1992 werd de enqute in het kader van technische bijstand door het Wetenschappelijk On derzoeken Documentatiecentrum in Nederland uitgevoerd op Bonaire, Curaao en Sint Maarten (in 1981 ook op Aruba), met gebruikmaking van de veldwerkinfrastructuur van het Centraal Bureau voor de Statistiek. In 1995 werd het onderzoek door het CBS herhaald op Bonaire en Curaao. Voor Sint Maar ten moest de enqute worden afgelast vanwege de toentertijd ondergane effecten van ork aan Louis. In 2008 is op Bonai re, Curaao en Sint Maarten wederom een Slachtofferenqute verricht. Wegens wijzigingen in de staatkundige structuur van de Nederlandse Antillen na 10 oktober 2010 waarbij Curaao en Sint Maarten als autonoom land en de BES-eilanden als openbare lichamen ressorterende onder het Koninkrijk werden opgesplitst, is de verantwoordelijkheid voor onderzoek bij de autonome landen komen te liggen. In 2014 is voor het eerst door Land Curaao een slachtofferenqute uitgevoerd. Onderdeel van de Slachtofferenqute was een zogeheten Opiniepe iling Restorative Justice. Herstelrecht is een alternatieve benadering van de criminaliteitsproblematiek. In het kader van Herstelrecht, worden slachtoffer en dader (met instemming van beiden) via een bemiddelaar bij elkaar gebracht en zorgt de bemiddelaar voor de begeleiding van het bijeenkomstproces van de deelnemers. De bemiddelaar geeft van te voren uitleg wat men kan verwachten van de bijeenkomst. Ook familieleden en buurtbewoners kunnen deelnemen aan de bijeenkomstgesprekken, indien dat gewenst is. Zon samenkomst biedt de mogelijkheid voor slachtoffer en dader om met elkaar in gesprek te gaan. De de elnemers krijgen de gelegenheid om hun gevoelens te uiten met betrekking tot het conflict of het delict dat heeft plaatsgevonden en met voorstellen te komen om de zaak op te lossen. En voorwaarde voor een herstelbijeenkomst is wel dat de dader berouw toont en het goed wilt maken. Een andere voorwaarde is dat het gesprek zond er fysiek of verbaal geweld verloopt. In verschillende landen is Herstelrecht een alternatief om conflicten, overtredingen en rechtszaken waar een dader en slachtoffer bij betrokken zijn, op te lossen. Doel van het onderzoek Het doel van het onderzoek is tweeledi g: (1) het meten van de "veel voorko mende criminaliteit" op Curaao en (2) het peilen van de mening van respondenten over Herstelrecht. Wat betreft de veel voorkomende criminaliteit, gaat het om misdrijven (delicten) die vaker voorkomen en waar individuele personen en huishoudens mee geconfronteer d kunnen worden. De omvang van de criminaliteit wordt gemeten aan de hand van het slachtofferschap van personen en huishoudens. De slachtofferenqute was geen exac te herhaling van de laatst gehouden enqute. Sociale fenomenen in een samenleving zijn onderhevig aan verand eringen, zo ook de criminaliteit. Be paalde misdrijven geschieden met

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine 36 Jaargang 12 meer regelmaat, zoals huiselijk geweld, seksueel geweld en consumentenfraude en ook heeft de samenleving te maken met misdrijven als fenomeen van de modernisering die zich overal ter wereld voordoet, zoals identiteitsfraude (skimming, fishing, pharming). Het meet instrument is uiteindelijk een combinatie geworden van de laatst gebruikte vragenlijst en een zestal nieuw opgenomen misdrijven. Even als bij de voorgaande enqutes is bij de afbakeni ng van de criminaliteit (poging tot) doodslag en moord weggelaten, vanwege de emoties die hiermee opgewekt kunnen worden tijdens een interview. Bovendien komen dit soort zaken altijd ter kennis van de officile instanties. Vraagstelling De vraagstelling is als volgt: 1. Wat is de omvang van de "veel vo orkomende criminaliteit" op Curaao? 2. In hoeveel gevallen melden slachtoffers een misdrijf bij de politie, welke motieven worden aangedragen om geen aangifte te doen en ho e tevreden tonen de slachtoffers die wel aangifte doen, zich met de inspanningen van de politie? 3. In welke mate bestaan er bij de bevolking angsten onrustgevoelens met betrekking tot de criminaliteit? 4. Wat is de mening van de respondent over Herstelrecht? Ad 1. De veel voorkomende criminaliteit (of veel voorkomende misdaad) omva tte in 2008 de volgende misdrijven: autodiefstal, diefstal uit en vanaf de auto, auto vandalisme, inbraak, poging tot inbraak, diefstal uit tuin, porch en van het erf, beroving (met geweld), diefstal van persoonlijke eigendommen, vandalisme, aanval/bedreiging, doorrijden na ongeval en ander misdrijf. De vo lgende misdrijven zijn in de Slachtofferenqute 2014 toegevoegd: consumentenfraude, oplichting en fraude, identiteitsfraude, huiselijk geweld, seksueel geweld, corruptie. Ad 2. Het aangiftegedrag van de respondenten wordt hier gemeten. Dit is de mate waarin respondenten een delict bij de politie melden. Er wordt gekeken naar de motieven om geen aangifte te doen, evenals de mate van tevredenheid met de afhandeling van de zaak door de politie. Ad 3. Een ander aspect dat in de enqute wordt gemeten zijn de angsten onrustgevoelens van de respondenten ten aanzien van criminaliteit in de gemeenschap. Ad 4. Bij de opiniepeiling over He rstelrecht gaat het om de mening van de respondent over zijn/haar bereidheid om in voorkomend geval de dader te ontmoeten en over de situ atie die zich voor heeft gedaan te praten, de omstandigheden waaronder men wel of niet bereid is en de mate waarin de respondent de herstelbenadering een waarde volle aanpak vindt of niet. Definitie van de nieuw toegevoegde misdrijven Consumentenfraude: de situatie waar in iemand een ander misleid, bedr iegt, oplicht bij het verkopen van een product of bij het leveren van een dienst, voor wat betreft de kwaliteit, kwantiteit of prijs van het product of de dienst. Hierbij wordt gebruik gemaakt van misleidende reclame, agressieve verkoop/klantenwerving, extreem hoge rente op een kl eine lening, het verzwijgen van bijkomende kosten, aanbieden van producten die niet beschikbaar zijn.

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 37 Oplichting en fraude: de situatie waarin iemand met slimme trucs of via leugens of door zich voor te doen als iemand anders, probeert geld of producten van een ander af te troggelen /te verdienen. Identiteitsfraude: wanneer iemand zonder toestemming gebruik gemaakt van de persoonlijke gegevens van een ander om bijvoorbeeld geld op te nemen of over te maken, een lening af te sluiten of officile documenten op te vragen. (Daders kunnen op verschillende manieren aan de pe rsoonlijke gegevens zijn gekomen, bijvoorbeeld door het onderscheppen van de post, het kopiren van bankpasgegevens bij een pinautomaat of via het internet). Huiselijk geweld: als in huiselijke kring een huishoudlid bijvoorbeeld letsel wordt toegebracht, gentimideerd, bedreigd, streng wordt beperkt in de bewegingsvrijheid Seksueel geweld: als iemand een andere persoon vastgrijpt, aanraakt of aanvalt, met seksuele bedoelingen. In het ergste geval kan die persoon de andere ertoe brengen tegen zijn of haar wil in seksuele handelingen met de persoon te verrichten. Dit kan of thuis gebeuren of elders, bijvoorbeeld in een caf, een dancing, op straat, op school, publiek transport, in ee n theater, aan het strand, op het werk. Corruptie: een medewerker bij de overheid, private sector of non profit organisaties vraagt of verwacht een som geld van een persoon, als steekpenning voor de door deze medewerker verleende dienst. Opzet Uit het adressenbestand van het bevolkingsregister van Curaao, is een steekproef getrokken met een aselect begin. Van elk huishouden dat op een adres werd aangetroffen is de persoon geselecteerd van 16 jaar en ouder die gerekend vanaf de start van het onderzoek het ee rste jarig was. Hiermee voorkomt men bovendien een oververtegenwoordiging van mensen waarvan de kans gr oter is dat ze vaak thui s zijn, zoals huisvrouwen, gepensioneerden, werkzoekenden en scholieren. In totaal zijn 854 personen genterviewd. Om de vertekening die door de geslachtsen leef tijdsverhouding in de steek proef wordt veroorzaakt te corrigeren is uitgaande van de bevolking per 1 januar i 2014 een wegingsfactor bereke nd en toegepast. Voor deze gecorrigeerde cijfers zijn tabellen uitgedraaid. Belangrijkste resultaten Slachtofferschap Criminaliteit in 1 ja ar tijd en crimina liteit ooit; algemeen De slachtofferenqute meet de omvang van de criminalit eit op basis van het slachtofferschap die de respondent ooit heeft ervaren (het kan dus 50 jaar terug zijn geweest) en de meest rece nte ervaring van de respondent als slachtoffer (12 maanden voorafgaand aan de enqute). Di t laatste geeft dus betere informatie van wat zich momenteel in de samenleving afspeelt. In het jaar voorafgaand aan het onde rzoek is meer dan een kwart (27,5%) van de respondenten het slachtoffer geworden van een misdrijf. Vergeleken met 2008 (26%) is sprake van een iets hoger percentage van het slachtofferschap in 1 jaar tijd (zie Figuur 1).

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine In 2014 is 65, 8 procent van de respondenten ooit het sl achtoffer geworden van een delict. In 2008 was dat 80 procent. Dit betekent dat een lager percentage personen en huishoudens aangeeft slacht offer te zijn geweest. Figuur 1 Slachtofferschap ooit en in 1 jaar tijd0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 ooit in 1 jaar tijdooit in 1 jaar tijd 2008 2014 percentages Indien de uitkomsten bekeken worden voor de oude definitie van crimin aliteit zoals in 2008 gehanteerd, dan komt men op de volgende resultaten in 2014: 21,7 procent heeft in de 12 ma anden voorafgaand aan het onderzoek slachtofferschap ervaren en 63,1 procent van de respondenten ze gt ooit het slachtoffer te zijn geworden. Op basis van de oude definitie valt de criminaliteit van recente aard in 2014 lager uit dan in 2008. Criminaliteit in 1 ja ar tijd en crimina liteit ooit per delict In tabel 1 zijn de percentages weerge geven van slachtofferschap in het jaar voorafgaand aan het onderzoek. In 2014 komen de percentages voor de misd rijven waar over in 2008 genquteerd is over het algemeen lager uit, met uitzondering van diefstal uit en aan de auto en doorrijden na een ongeval. De hoogste percentages van slachtoffers chap in n jaar tijd gelden voor de volgende misdrijven: diefstal uit/aan auto (7,9%), consumentenfraude (7,3%), diefst al uit tuin/erf/porch/ (5,5 %) en inbraak (5,2%). Tabel 1. Slachtoffers van een delict in 1 jaar tijd, Curaao (in %) 80/81 91/92 1995 07/08 13/14 autodiefstal 1,2 1,4 1,2 1,5 0,9 diefstal uit/aan auto 9,1 8,0 9,0 7,1 7,9 autovandalisme 3,9 3,7 3,8 inbraak 7,3 9,0 8,9 5.7 5.2 poging tot inbraak 5,4 4,0 2,8 diefstal vanaf tuin, erf, porch 8,8 10,0 6,7 5,5 beroving/diefstal van persoonlijke eigendommen 4,4 2,6 4,4 3,4 2,1 vandalisme 3,1 3,4 2,6 2,4 1,8 aanval/bedreiging 3,3 1,9 1,8 doorrijden na ongeval 0,8 1,0 1,9 1,6 1,9 consumentenfraude 7,3 oplichting en fraude 2,2 identiteitsfraude 1,5 huiselijk geweld 0.6 seksueel geweld 0,1 corruptie 0,2 ander misdrijf 2,1 0,6 0.4 0,9 0,6 38 Jaargang 12

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 39 Wat het slachtofferschap ooit per delict betreft, is in 2014 ten opzichte van 2008 een toename van het percentage te zien voor inbraak en doorrijden na een ongeval. Met betrekking tot de overige misdrijven liggen de percentages lager, waarbij diefstal uit/aan auto 5 procentpunten lager uitkomt (zie tabel 2). Tabel 2. Slachtoffers van een delict ooit 1981-2014 (in%) 1981 1992 1995 2008 2014 autodiefstal 3,6 3,4 7,9 11,8 11,2 diefstal uit/aan auto 18,4 19,5 27,2 30,5 25,5 autovandalisme 11,3 14,1 13,0 inbraak 18,3 29,0 33,5 27,3 28,2 poging tot inbraak 14,7 13,5 12,1 diefstal vanaf tuin, erf, porch 20,8 26,2 21,6 21,1 beroving/diefstal van persoonlijke eigendommen 10,2 8,7 15,5 13,5 13,7 vandalisme 8,4 7,5 7,8 8,8 7,9 aanval/bedreiging 7,1 6,5 6,0 doorrijden na ongeval 3,4 4,6 5,8 5,3 6,3 consumentenfraude 11,6 oplichting en fraude 5,6 identiteitsfraude 3,0 huiselijk geweld 3,4 seksueel geweld 1,7 corruptie 1,0 ander misdrijf 2,1 1,5 2,5 1,3 Het feit dat de percentages lager liggen betekent niet per definitie dat sprake is van een afname in de betreffende soorten criminaliteit. In 6 jaar tijd is de bevolking gegroeid en zijn er meer huishoudens, autos, tuinen, erven, garages, porches, etc. bijgekomen. Absoluut kunnen he t aantal zaken zijn toegenomen. Wat de nieuw toegevoegde misdrijven betreft, moet rekening worden gehouden met onderrapportage. Met name huiselijk geweld en seksueel geweld zijn door gaans misdrijven waarover een taboe bestaat en waar het slachtoffer niet vaak melding van doet. Het zijn gevoelige onderwerpen, waar men niet graag over praat. In de literatuur komen dit soort misdri jven voor als ondergerapporteerde zaken. Opvallend is het percentage respondenten dat ooit he t slachtoffer is geworden van consumentenfraude en fraude /oplichting, respectievelijk 11,6 en 5,6 3,4 Procent van de respondenten geef t aan ooit huiselijk geweld te hebben ervaren en 1, 7 procent zegt ooit het slachtoffer te zijn geworden va n seksueel geweld. Slachtofferschap met betrekking tot identiteitsfraude wordt gemeld door 3 procent van de resp ondenten en corruptie door 1 procent. Het aangiftegedrag Aangiftebereidheid algemeen Wat het aangiftegedrag betreft blijkt dat in 2014 68,3 procent van de slachtoffers zich bij de politie aanmeldt om een misdrijf te rapporteren. In 2008 was dat 46 procent. Hiermee is het meldingspe rcentage hoger komen te liggen dan 6 jaar terug (Figuur 2).

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine Figuur 2 Aangiftebereid van de respondentenmeldersniet-meldersmeldersniet-melders 2008 2014 percentage Aangiftebereidheid per delict De incidenten die het meest worden ge meld bij de politie zijn; autodiefstal (90,0%), inbraak (77,5%), huiselijk geweld (63,3%), doorrijden na een ongeval (60,4%), di efstal uit/aan auto (58,0%) en beroving/diefstal van persoonlijke eigendommen (57,3%). Zie tabel 3. Van consumentenfraude (5,9%) en corruptie (8,3%) wordt het minst aangifte gedaan. Tabel 3. Aangiftebereidheid van slachtoffers per delict Curaao (in%) 1995 2008 2014 autodiefstal 94,9 94,8 90,0 diefstal uit/aan auto 38,8 49,0 58,0 autovandalisme 29,9 47,3 50,0 inbraak 72,1 79,0 77,5 poging tot inbraak 31,1 34,5 37,6 diefstal vanaf tuin, erf, porch 13,6 18,8 28,8 beroving/diefstal van persoonlijke eigendommen 29,1 65,0 57,3 vandalisme 38,1 37,2 40,9 aanval/bedreiging 48,8 63,8 26,7 doorrijden na ongeval 64,0 63,8 60,4 consumentenfraude 5,9 oplichting en fraude 19,1 identiteitsfraude 22,2 huiselijk geweld 63,3 seksueel geweld 42,9 corruptie 8,3 ander misdrijf 52,0 71,4 45,5 40 Jaargang 12

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine Het belangrijkste motief om een misdri jf niet bij de politie te melden is dat de respondent het voorval niet ernstig vindt (27,1%). Daarnaast word en ook de volgende motieven vaak genoemd: de politie zal niets doen (17,6%), zaak zelf opgelost/kent de dade r (14,3%), niet geschikt voor de politie/politie niet nodig (13,3%). Tevredenheid met de afhandeling van de aangifte door de politie Van het aantal aangiften die gedaan zijn waren de respondenten in 40 procent van de gevallen tevredenheid met de inspanning van de politie, een vrij wel gelijke percentage als in 2008 (41%). Figuur 3 Mate van tevreden met afhandeling van de aangifte door de politie38 39 40 41 42 43 44 45 TevredenOntevredenTevredenOntevreden 2008 2014 percentages Angsten onrustgevoelens Gesproken over criminaliteit Aan de respondent is gevraagd of hij/zij gedurende de dagen voorafgaande aan de enqute over misdaad heeft gesproken. In 2014 heeft 68,2 procent van de respondenten over misdaad gesproken (Tabel 4). In 2008 was het percentage veel lager, 39 procent. De gesprekken ging en voornamelijk over beroving met geweld/gewapende roofoverval (65%) en doodslag/moord (17,2%). Op de vraag wat de eerste aanleiding was om over misdaad te praten, antwoordt 21 procent van de respondenten kranten/tijdschriften/moderne sociale media en een even groot percentage (21%), radio uitzendingen. Kans op en mogelijkheid van slachtofferschap De vraag, hoe groot de respondent de kans schat dat hij/zij het slachtoffer wordt van een misdrijf is in 2014 als volgt beantwoord: 42,5 procent van het totale aantal respondenten schat de kans groot tot zeer groot dat hij/zij het slachtoffer wordt van een misdrijf In 2008 was dat 29 procent (Tabel 4). Ten opzichte van 2008 denken respondenten in 2014 in meerdere mate da t de kans om slachtoffer te worden van een misdrijf is gestegen. Op de vraag of de kans om slachtoffer te worden van een misdrijf groter of kleiner is geworden, antwoordt circ a 87 procent van de respondenten dat de kans groter is geworden. In 2008 was dat 65 procent. Ook is de vraag gesteld hoe vaak de respondent aan de mogelijkheid dat hij/zij het slachtoffer zou kunnen worden van een misdrijf. Vergeleken met de result aten van 2008 denkt men in 2014 in iets mindere mate regelmatig tot vaak over de mogelijkheid om slachtoffer te worden van een misdrijf; 28 procent denkt regelmatig tot vaak aan de mogelij kheid van slachtofferschap (in verg elijking met 30 procent in 2008). Men denkt dan met name aan beroving/gewapende overval (71%), inbraak (12,4%) en diefstal van persoonlijke eigendommen (inclusief zakkenrollerij) (8,6%). Nummer 3 41

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine 42 Jaargang 12 Tabel 4. Angsten onrustgevoelens (1995-2014), 1995 2008 2014 Gesproken over misdaad 72 39 68 Kans op slachtofferschap groot tot zeer groot 51 29 43 Kans op slachtofferschap groter geworden 89 65 87 Regelmatig tot vaak denken aan de mogelijkheid 49 30 28 Weleens bang om alleen thuis te zijn 25 17 17 Vooral s'avonds bang 69 76 65 Altijd bang 25 13 28 Buurt een beetje onveilig tot zeer onveilig 45 50 38 Bepaalde plekjes gemeden 23 23 26 Uit veiligheidsoverweging iemand meegenomen 28 17 14 Kans op inbraak groot tot zeer groot 61 29 31 Algemene angsten onrustgevoelens 78 47 53 Veiligheid in de buurt Een deel van de vragen ging over het beeld dat de resp ondenten hebben over de mate van veiligheid in hun buurt. Van het totale aantal respondenten geeft 17 proc ent aan weleens bang te zijn om alleen thuis te zijn. Hiervan is 65 procent vooral 's av onds bang en 28 procent altijd bang In 2008 was een gelijk percentage, 17 procent weleens bang om alleen thuis te zijn, een hoger percentage (76%) vooral s avonds bang en een lager percentage (13%) altijd bang (Tabel 4). Van de ondervraagden vindt 38 procent de buurt s avonds een beetje onveilig tot zeer onveilig, heeft 26 procent van de respondenten de laatste keer dat ze 's avonds in de buurt uitging bepaalde straten of plekjes gemeden en 14 procent de laatste keer dat ze 's avonds in de buurt uitging uit vei ligheidsoverweging ie mand meegenomen. In 2008 waren de percentage s respectievelijk 50 procen t, 23 en 17 procent. Op de vraag hoe groot men de kans inschat dat men over de twaalf komende maanden het slachtoffer wordt van inbraak, antwoordt 31 procent dat de kans gr oot tot zeer groot is. In 2008 was dat 29 procent. Angsten onrustgevoel algemeen Van de antwoorden op een negental vragen waarvan elk als indicator ka n worden beschouwd voor de mate van angst en onrust is per respondent een totaal score gemaakt. Tevens is een schaal geconstrueerd waarop deze scores zijn afgezet. Op basis hiervan is het mogelijk tot een algemene uitspraak te komen over de gevoelens van de bevolking. Ruim de helft van de onderzochte bevolking (53,2%) geeft blijk van st erke tot zeer sterke angsten onrustgevoelens, hetgeen een toename betekent ten opzichte van 2008. Toen was het aandeel respondenten met sterke angsten onrustgevoelens 47 procent. Er is in meerdere mate sprake van tamelijk tot zeer ster ke angst en onrustgevoelens bij de vrouwelijke dan bij de mannelijke respondenten (Figuur 4) en bij respondenten in de leeftijdscategorie 3564 jaar. Respondenten van 65 jaar en ouder vertonen in mindere mate sterke angsten onrustgevoelens (Figuur 5).

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine Fi g uur 4 An g sten onrust g evoelens naar geslacht0.0 10.0 20.0 30.0 40.0 50.0 60.0 70.0 manvrouwpercentages geen-gering/matig tamelijk sterkzeer sterk Figuur 5 Angsten onrustgevoelens naar leeftijd0 10 20 30 40 50 60 16-34 35-64 65+percentages geen-gering/matig tamelijk sterkzeer sterk Restorative Justic e (Herstelrecht) Aan de respondenten is de vraag gesteld of indien hij/ zij het slachtoffer wordt van een misdrijf, hij/zij met de dader samen zou willen zitten om over de zaak te prat en. Van de ondervraagde re spondenten heeft 42 procent te kennen gegeven in voorko mend geval van slachtoffersch ap met de dader(s) te willen praten. Circa de helft (47%) heeft ontkennend gereageerd en 11 procent heeft twijfels over het samenzit ten met de dader(s). Zie Figuur 6. Nummer 3 43

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine Figuur 6 Bereidheid om met de dader samen te zitten Ja, is bereid met dader samen te zitten 42% Nee, is niet bereid met dader samen te zitten 47% Respondent weet het niet 11% Van de respondenten die gezegd hebben geen ontmoeting te willen hebben met de dader geeft 44 procent als reden aan dat justitie zelf de zaak moet regelen, wil 26 pr ocent voorlopig niks met de dader(s) te maken hebben, vindt 17 procent het moeilijk of zelfs onmogelijk om met de betreffende persoon samen te zitten en zegt 6 procent de persoon niet te zullen vergeven. De overige 7 procent heeft andere argumenten (Figuur 7). Figuur 7 Motieven waarom respondent niet met de dader zou willen samenzitten Respondent wil voorlopig niks met dader te maken hebben 26% Justitie moet het zelf regelen 44% Anders 7% Respondent zal dader (voorlopig) niet vergeven 6% Moeilijk, zelfs onmogelijk om met de dader samen te zitten 17% Van de respondenten die twijfelen (cat egorie weet niet; 10,5%), zegt bijna de helft (48%) dat een bijeenkomst met de dader afhankelijk is van het soort misdrijf, meen t 30 procent niet veel kennis te hebben van de herstelbenadering, heeft 13 procent twijfels over het eventuele resultaat van het in gesprek gaan met de dader. De overige 9 procent heeft uiteenlopende motieven om te twijfelen (Figuur 8). 44 Jaargang 12

PAGE 50

Modus Statistisch Magazine Figuur 8 Reden waarom respondent twijfels heeft over het samenzitten met de dader Anders 9% Het hangt af van het soort misdrijf 48% Respondent heeft niet veel kennis over de herstelbenadering 30% Het hangt af van het te bereiken resultaat 13% Aan de respondenten die in voorkomend geval bereid zijn met de dader in gesprek te treden, en ook aan de twijfelaars, is de vraag gesteld of zij openstaan voor de herstelbenadering indien ook andere personen zoals familieleden, of een maatschappelijk werker/ster aanwezig zijn. 77 procent geeft als antwoord ja, 11 procent nee en 12 procent weet het niet (Figuur 9). Figuur 9 Bereidheid om met de dader samen te zitten indien er ook anderen (familie, maatschappelijk werkster, etc.) bij zijn Nee, slachtoffer is niet bereid samen met dader te zitten 11% Respondent weet het niet 12% Ja, respondent is bereid samen met dader te zitten 77% Op de vraag wat de respondenten van de herste lbenadering vinden blijkt 64 (50+14) procent de herstelbenadering als waardevol tot h eel erg waardevol te beschouwen, terw ijl 16 (11+5) procent de aanpak niet zo waardevol of helemaal niet w aardevol vindt. 20 Procent staat er neutraal tegenover (Figuur 10). Nummer 3 45

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine Figuur 10 Opinie van de respondent over Restorative Justice Respondent vindt herstelbenadering heel erg waardevol 14% Respondent vindt herstelbenadering helemaal niet waardevol 5% Respondent vindt herstelbenadering niet zo waardevol 11% Respondent vindt herstelbenadering waardevol/niet waardevol 20% Respondent vindt herstelbenadering waardevol 50% Concluderend In 2014, zes jaar na de laatst gehouden slachtofferenqute in 2008, is het percentage van het slachtofferschap in de 12 maanden voorafgaande aan de enqute meer dan een kwart van de respondenten. Uitgaande van de vorige definitie van de criminaliteit zoals in 2008 gehantee rd, is het percentage van he t recente slachtofferschap in 2014 lager dan in 2008. Een lager percentage respondenten geeft aan ooit het slachtoffer te zijn geworden van de criminaliteit. De aangiftebereidheid is in 2014 aanzienlij k gestegen. De mate van tevredenheid is vrijwel gelijk gebleven als in 2008. De vier motieven die in het algemeen het vaakst geno emd worden om een misdrijf niet te melden zijn: de respondent vindt het voorval niet ernstig, politie zal er toch niks aan, de zaak zelf opgelost/kent de dader, niet geschikt voor de politie/politie niet nodig. In 2014 is de algemene angst en onrust ten aanzien van criminaliteit duidelijk toeg enomen vergeleken met 2008. Vrouwelijke respondenten en respondenten in de leeftijdsgroep 35-64 geven meer blijk van tamelijk tot zeer sterke angsten onrustgevoelens. Minder dan de helft van de respondenten is in voorkomend geval niet bereid een gesprek aan te gaan met de dader. De rest is wel bereid en een kleine categori e twijfelt aan het idee. Van deze groep (ja-zeggers en twijfelaars) vindt 64 procent de herstelben adering waardevol tot heel erg waardevol. 46 Jaargang 12

PAGE 52

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 47 De sociaal-economische situatie in Curaaose wijken anno 2011 Sean de Boer Inleiding In 2003 verscheen een artikel in MODUS17 dat inging op de sociaal-economische situatie in de Curaaose buurten anno 2001, waarbij vooral de situatie va n achterstandsbuurten werd beschreven. Het huidige artikel tracht op basis van meer recente ge gevens uit de Census 2011 wijken te identificeren die achtergesteld zijn in hun sociaal-economische ontwikke ling en derhalve bijzondere beleidsaandacht behoeven. Het onderscheid achterstandswijken enerzijds en welzijnswijken anderzijds komt tot stand op basis van een zestal indicatoren. Het proces hoe dit onderscheid tot stand komt valt buiten de reikwijdte van dit artikel. Tevens valt de beschrijving van de situatie in specifieke wijken, gebaseerd op deze zes indicatoren, buiten de rijkwijdte van dit artikel. De voornoemde zes indicatoren, die onder de paragraaf D efinities nader worden omschreven, worden dus in dit artikel impliciet gehanteerd. Wel zal een algemeen vergelijkend beeld worden geschetst tussen de cijfers van 2001 en 2011 voor wat betreft een drietal van deze indicatoren samen met een aantal demografische indicatoren, zodat enigszins een cijfermatig beeld in tijdsperspectief ontstaat van het verschil tu ssen achterstandswijken en welzijnswijken. Dit artikel is ingedeeld in de volgende paragrafen: Inleiding; Definitie van een buurt of wijk; Methodologie; Definities van de implicie t gehanteerde indicatoren; Achterstandswijken en welstandswijken; Achterstandswijken en geografische spreiding van armoede; Specifieke achterstandswijken die met voorrang be leidsaandacht behoeven; Conclusie. Het betoog in dit artikel wordt, waar nodig en mogelijk, op ca rtografische wijze gevisualiseerd. 17 Bron: Modus jrg 5, nr.2; p. 39-44

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine 48 Jaargang 12 Definitie van een buurt of wijk Het CBS hanteert tegenwoordig de be naming wijk omdat de Dienst Ruim telijke Ontwikkeling en Planning (ROP) deze benaming hanteert. Een eenduidige definiring van buurten of wijken bestaat niet. Wereldwijd bestaat er hierin een hoge mate van subjectiviteit (WRR 2005, p. 20)18. De ene keer gaat het om een bestuurlijke en/of administratieve eenheid en de andere keer om de sociale cohesie die parten speelt. De ROP in Curaao hanteerde vr 19 97 verschillende uitgangspunten om een wijk te bepalen; de ene keer konden plantagegrenzen worden toegepast en de ande re keer rooilijnen of simpelweg de subjectieve beleving van wijkbewoners. In 1997 is de ROP gestart met het identificeren van wijken in de verschillende zones door deze te begrenzen. Dit is gedaan met het oog op de census van 2001 waarin men de informatie op wijkniveau wilde aanleveren. Uitg angspunt hierbij was da t de wijzigingen ten opzichte van de census van 1992 niet zodanig groot mochte n zijn dat een groot aantal huizen van de ene zone naar de andere zouden verhuizen, aangezien dit verg elijking van data over een langere periode zou bemoeilijken. Andere uitgangspunten bij deze uitwerking waren: Er wordt uitgegaan van bekende wijkgrenzen. Om als wijk te worden erkend, moet het gebied een aanngesloten geheel vormen, dat ruimtelijk gezien duidelijk te onderscheiden is. Het gebied dat als wijk wordt onderkend, moet een minimale hoeveelheid huizen bevatten; het uitgangspunt was dat in een straal van 500 meter er minimaal 25 huizen aanwezig moeten zijn. Om als wijk te worden aangemerkt, moet het gebi ed, naast een minimaal aa ntal huizen, beschikken over gemeenschapsvoorzieningen zoals een kerk, een school, een wijkcentrum, een commercieel gebied en/of een recreatiegebied. Methodologie Voor deze analyse wordt uitgegaan van wijken die ui t 350 of meer inwoners bestaan. Rekeninghoudend met dit criterium worden 123 wijken en 3 grote gebieden met verspreide bebouwing ge selecteerd uit de circa 270 wijken die de Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling en Planning (ROP) heeft gedentificeerd. In dit artikel gaat het CBS uit van een aantal indica toren om de sociaal-economische achtergesteldheid van wijken te bepalen: het werkloosheidspercentage, het aantal alleenstaanden dat onder de armoedegrens voor alleenstaanden leeft, de economische afhankelijkheid va n niet-werkenden en niet-actieven, het aantal losse jobbers in de wijk, het opleidingsniveau, en het medi aan huishoudinkomen. De ke uze van deze indicatoren is gebaseerd op wat er beschikbaar en mogelijk wa s ten tijde van het schrijven van dit artikel. De per wijk gemeten waarden van voornoemde indicato ren worden per wijk per indicator afgezet tegen het gemiddelde voor Curaao. Afhankelijk van het type indi cator wordt er dan bepaald of dit een positief dan 18 Bron; Vertrouwen in de buurt / Wetenschappeijk raad voor het regeringsbeleid, 2005

PAGE 54

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 49 wel een negatief gestelde indicator is, en dus geke ken dient te worden naar een waarde hoger dan het gemiddelde of juist lager dan het gemiddelde. Verondersteld wordt dat wijken waar de percentages v oor deze indicatoren hoger of lager uitkomen dan het gemiddelde van Curaao, dit een indicatie kan zijn dat bijvoorbeeld ook andere aspecten zoals de jeugdwerkloosheid, het percentage drop-outs op een niet acceptabel niveau uit zullen komen. Bij het schrijven van dit artikel waren onder anderen de cijfers over de jeugdwerkloosheid en het aantal school drop-outs per wijk niet beschikbaar. Definities van de impliciet gehanteerde indicatoren Werkloosheidspercentage Het aandeel werkzoekenden in de beroepsbevolking van 15 jaar en ouder. De term werkzoekenden wordt in dit verband gedefinieerd als alle personen va n 15 jaar en ouder die tijdens het onderzoek zonder werk zijn en op zoek zijn naar werk of een eigen bedrijf willen beginnen, de maand voorafgaand aan het onderzoek actief naar werk hebben gezocht en binnen 2 weken kunnen beginnen te werken of een eigen bedrijf willen starten. Het aandeel alleenstaanden onder de armoedegrens Het CBS gaat uit van een(monetaire) armoedegrens, gedefinieerd als het inko mensniveau waarbij een huishouden nog net voldoende midd elen kan aanschaffen om een gezo nd leven te kunnen leiden. Deze absolute grens ligt lager dan een sociale armoedegrens waar naast de fysieke levensbehoeften ook rekening gehouden wordt met de noodzaak om een sociaal leve n te leiden, aansluitend aan het begrip sociale insluiting. Er wordt uitgegaan van een normatieve vaststelling va n de primaire levensbenodigdheden, waarna door middel van een ophoging voor noodzakelijke over ige uitgaven een totaalbedrag wordt bepaald. Gebruikelijk is om alleen de zogenaamde voedingsco mponent te normeren en vervolgens met behulp van een zogenaamde Engel cofficint methode de overige uitgaven bij te schatten. Gezien de bijzondere omstandigheden die Curaao ondervindt op het gebied van kosten van huisvesting en energiekosten is besloten om niet alleen de voeding maar ook de uitgav en aan huisvesting (huur) en water en elektriciteit te normeren. Tevens is besloten om de berekening van de armoedegrens uit te voeren voor een standaard huishouden, in plaats van een variteit aan armoedeg renzen voor bepaalde ty pen van huishoudens. Dit heeft vooral praktische redenen: i mmers niet voor alle huishoudtypen kunnen grenzen berekend worden en het hanteren van meerdere grenzen zou to t verwarring aanleidi ng kunnen geven. Om rekening te houden met verschillen in huishoud ens wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde OECD equivalentiemethode, waarbij door middel van schaal factoren de algemene armoedegrens kan worden herleid. Uitgaande van de armoedegrens voor alleenst aanden is er in dit artikel gekeken naar het aandeel huishoudens onder deze grens. De economische afhankelijkheid Het betreft hier de verhouding tussen het aantal niet werkenden (werkzoekenden en niet actieven) en het aantal werkenden.

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine 50 Jaargang 12 Het aandeel losse jobbers Het aandeel van personen die op onregelmatige basi s betaalde werkzaamheden verrichten voor anderen. Het opleidingsniveau Het betreft hier de verhouding tussen het aantal person en met een hogere opleiding en het aantal personen met een lagere opleiding, vermenigvuldigd met 100. Als hoge opleiding geldt. HAVO, VWO, MBO, HBO en Universiteit (Voltooi d of niet voltooid). Het mediaan huishoudinkomen Het gaat hier om de 50% waarnemingen met een bepa ald huishoudinkomen. Deze waarde is een betere maat voor de centrale tendentie dan het gemidd elde huishouden omdat het gevrijwaard wordt van mogelijke uitschieters onder de waarnemingen. Achterstandswijken en Welstandswijken Voor de vergelijking tussen achterstandswijken en welstandswijken zijn op basis van de eerder omschreven zes criteria c.q. indicatoren 55 achterstandswijken en 34 welstandswijken uit de 123 voorgeselecteerde wijken gedentificeerd. Uitgangspunt is steeds het ge middelde voor Curaao geweest om te bepalen of de situatie erger of beter is dan het gemiddelde. De ov erige 34 wijken uit de oorspronkelijk geselecteerde 123 wijken laten vooral een minimale tot geen variatie ten opzichte van het gemiddelde zien. Tabel 1 gaat vervolgens uit van een aantal soci aal demografische kenmerken en drie van voornoemde indicatoren om een vergelijking tussen achterstandswijken en welstandswijken te schetsen over de censusjaren 2001 en 2011. De cijfers in tabel 1 zijn gemiddelden voor respectievelijk de acht erstandswijken en de welstandswijken. Tabel 1. Vergelijking enkele kenmerken van wijken 2001 2011 Achterstandswijken Welstandswijken Curacao 2001 2011 verschil 2001 2011 verschil 2001 2011 verschil % vrouw hoofd van huishoudens 46 48.9 +2.9 30.3 34.3 +4 39.6 43.8 +4.2 Huishoudgrootte 3.1 2.7 -0.4 2.9 2.6 -0.3 3 2.7 -0.3 Gem. leeftijd 34.6 37.9 +3.3 37.1 38.3 +1.2 35.2 38.5 +3.3 Hoog/100 Laag Opgeleid 21 34 +13 80 207 +127 38 57.4 +19.4 % werkloos 22.8 12.8 -10 10.5 4.8 -5.7 15.8 9.9 -5.9 % losse jobs 11 11.8 +0.8 5.6 3.6 -2 7.4 8.7 +1.3 % Schoolgaand 15 19 jr 74 82.3 +8.3 87 90.8 +3.8 81.5 84.7 +3.2 Uit tabel 1 blijkt dat het aantal vrouwelijke hoofden va n huishoudens in welstandsw ijken harder is gegroeid dan in achterstandswijken (4 procentpunten in te genstelling tot 3 procentpunten). De toename van vrouwelijke hoofden van huishoudens op Curaao is vooral te wijten aan de toename van vrouwelijke hoofden in welstandswijken. De gemiddelde huishoudgrootte voor beide type wijken wijkt tussen de censusjaren niet significant af van het totaal voor Curaao; het is lichtelijk afgenome n. Daarentegen zorgt de gemiddelde leeftijd voor significant verschil. De achterstandswijken lijken harder te vergrijzen dan de welstandswijken en lijken zelfs het niveau van ouderdom in de welstandswijken te benaderen.

PAGE 56

Modus Statistisch Magazine Zowel in achterstandswijken als in welstandswijken is tussen de censusjaren het opleidingsniveau gestegen, gaan er meer kinderen dan voorheen naar school en is de werkloosheid aanzienlijk afgenomen. Dat neemt echter niet weg dat het opleidingsniveau in achter standswijken nog steeds aanzienlijk onder het landelijk niveau ligt, het aantal schoolgaande kinderen onder het landelijk gemiddelde blijft en het aantal werklozen en losse jobbers significant boven het landelijk gemiddelde ligt, dit in tegenstelling tot de welstandswijken. Vooral wanneer het opleidingsniveau in achterstandswijken wordt afgezet tegen het opleidingsniveau in welstandswijken kan worden opgemerkt dat het niveau aanzienlijk uiteen is gelopen. Het relatieve aantal hoogopgeleide mensen in welstandswijken in vergelijking met achterstandswijken is gegroeid van vier keer meer in 2001 naar zes keer meer in 2011. Achterstandswijken en geografische spreiding van armoede De achtergesteldheid van wijken wordt het sterkst be nadrukt met het identificeren van armoede in wijken. Om een indruk te kunnen geven van de mate van armoed e op wijkniveau is in dit artikel geopteerd om het percentage alleenstaanden die onder de armoedegrens leven te berekenen en de spreiding hiervan over Curaao te tonen. Kaart 1 geeft de totale spreiding weer, waarbij de wijken met de hoogste percentages onder de armoedegrens een donker getinte kleur hebben gekregen en daar waar de percentages het laagst zijn de kleur licht wordt getoond. Nummer 3 51

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine Kaart 2 zoomt nader in op de spreiding en laat vooral de grootstedelijke spreiding zien. Uit de kaart valt af te lezen dat wijken zoals Souax-West, Seru Papaya, Se ru Fortuna, St. Jacob, Kanga/Dein, Juan Baeza, Welatina, Bivak, Wishi, Seri Domi Seru Otrobanda, Cher asile, Koraal Specht, Kiringdongo Abou, Sabana Cras, Seru Grandi en Seru Machu een hoog percentage alleenstaanden kent dat onder de armoedegrens leeft (51 79%). Kaart 1 laat echter buiten beschouwing -van wege de concentratie van wijkenhet westelijk deel van het eiland, waar vooral wijken zoals Soto, omge ving Lelinberg en Barber ook hoge percentages alleenstaanden onder de armoedegrens kennen. Opgemerkt dient te worden dat genoemde wijken in voorgaande publicaties van het CBS voorkomen als zijnde de wijken die vaak als acht erstandwijken worden aangemerkt. Specifieke achterstandswijken die met voorrang beleidsaandacht behoeven De analyse die voor dit artikel is uitgevoerd, is ge baseerd op wijken die 350 inwoners of meer hebben. Daarom moet niet worden uitgesloten dat wi jken met minder inwoners eveneens dezelfde achtergesteldheid in hun sociaaleconomische ontwikke ling vertonen. Om een prioriteitenscore voor elke onderzochte wijk samen te stellen zijn er een aantal indicatoren gebruikt; het gaat om de economische afhankelijkheid in de wijk, het percentage werk lozen, het aandeel losse jobbers, het percentage alleenstaanden dat onder de armoedegrens voor alleenst aanden leeft, het aantal hoog opgeleiden per 100 laag opgeleiden, het percentage schoolgaande kinderen tussen 15 en 19 jaar, het percentage 52 Jaargang 12

PAGE 58

Modus Statistisch Magazine basisvoorzien ingen en luxe voorzieningen ter beschikk ing van huishoudens. Een totale score van 8 punten betekent dat deze wijk, sociaal economisch bekeken, acuut aandacht verdient en een score van onder de 5 punten dat dergelijke wijk naar alle waarschijnlijkheid van latere zorg is. Kaart 3 toont een algemeen beeld van de ruimtelijke spreiding, waaruit blijkt dat het vooral de gebieden ten westen en ten noorden van het Schottegat, de be kende achterstandsgebieden op Banda Riba, de stadsdeelgebieden Steenrijk en Koraalspecht en de meest westelijke (rurale) dorpen de voorkeur verdienen voor wat betreft een beleidsmatige actieplan. De detailkaart 4 toont beter aan om welke wijken het gaat binnen het groot stedelijk gebied; de meeste urgentie verdienen de wijk en St. Jacob, Brievengat, Kiringdongo Ab ou, Noord Zapateer, Buena Vista, Seru Papaya, Seru Fortuna, Welatina, Juandomingo bij Mahuma, Bivak, Wishi, Marchena, Veeris, Seru Otrobanda, Cher Asile, Rooi Sant u, Seru Grandi, Fuik, Seru Machu en Soto. In een tweede actieronde verdienen ook wijken zoals Sabana Cras, Koraal Spec ht, Mariepampoen, Steenrijk, Kustbatterij, Parerawijk, Ser i Domi, Charo, Luis Paula, Monchi, Jandoret, Steen Koraal, Ser i Kandela, Gatu Lelinberg en Barber de aandacht. Nummer 3 53

PAGE 59

Modus Statistisch Magazine Conclusie Uit de in dit artikel behandelde analyse is gebleken dat er een toename van huishoudens met een vrouw aan het hoofd in de welstandswijken in Curaao pl aats heeft gevonden. Daarentegen lijken de achterstandswijken het hardst te vergrijzen waardoor het niveau van de welstandswijken bijna is bereikt. Zowel in achterstandswijken als in welstandswij ken is tussen de censusjaren 2001 en 2011 het opleidingsniveau gestegen, gaan er meer kinderen dan voorheen naar school en is de werkloosheid aanzienlijk afgenomen. Dat neemt echter het feit niet weg dat het opleidingsniveau in achterstandswijken nog steeds aanzienlijk onder het landelijke niveau ligt, het aantal schoolgaande kinderen onder het landelijke gemiddelde blijft en het aantal werklozen en losse jobbers significant boven het landelijke gemiddelde ligt, dit in tegenste lling tot de welstandswijken Uit het betoog van dit artikel blijkt dat het uit soci aal-economisch oogpunt zeer aanbevelingswaardig is om een significant aantal wijken met voorrang gerichte beleidsaandacht te geven. 54 Jaargang 12

PAGE 60

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 55 Huishoudens in Curaao Enkele resultaten van Census 2011 Ellen Maduro Inleiding De Census maakt onderscheid tussen priv-huishoudens en collectieve huishoudens (instituten). Collectieve huishoudens of instituten herbergen personen die geen deel vormen van een huisho uden in een woonverblijf, bijvoorbeeld personen in een gevangenis, klooster, bejaar denen verpleegtehuizen, internaten, etc. Een privhuishouden is een eenheid binnen een woonverblijf, b estaande uit n persoon di e op zichzelf woont (een npersoonshuishouden) of uit meerdere personen die bij elkaar wonen; de zogeheten meerpersoonshuishoudens. Voor alle priv-huishoudens is er een referentiepersoon. Deze referentiepersoon vormt de ingang om de situatie van de huishoudens te beschrijven en wordt verder aangeduid als hoofd van het huishouden. In de Census worden de bewoners in zowel priv huishoudens als in instituten geteld. In de vorige editie van het Modus Magazine (Jaargang 12 nr. 1 / 2) is een artikel verschenen over de bewoners van een collectief huishouden, namelijk de gevangenis. In dit artikel wordt een beschrijving gegeven van enkele kenmerken van priv-huishoudens uit de Census 2011. Het gaat om de om vang en samenstelling van de huishoudens, geslacht en leeftijd van het hoofd, het aantal werkenden naar huishoudgrootte en geslacht van het hoofd, huishoudinkomen naar huishoudgrootte en geslacht van het hoofd en de beschikking over voorzieningen Definities Huishouden Een huishouden is een eenheid binnen een woonverblij f, bestaande uit n persoon die op zichzelf woont (een npersoonshuishouden) of uit meerdere personen die bij elkaar wonen; de zogeheten meerpersoonshuishoudens. Men noemt dat in huise lijk verkeer met elkaar omgaan. Criterium voor huiselijk verkeer is dat er gemeenschappelijke regeli ngen bestaan voor het levensonderhoud (aanschaf van voeding en andere levensbehoeften) en dat gebruik wordt gemaakt van een gemeenschappelijk hoofdwoonvertrek en van een gemeenschappelijke keuken. De meerpersoonshuishoudens bestaan uit nkerngezi nshuishoudens, meerkerngezins-huishoudens en geen-kerngezinshuishoudens19. Hoofd van het huishouden Het hoofd van een huishouden is de persoon die binn en het huishouden als zodanig wordt aangemerkt. In een npersoonshuishouden is die ene persoon zelf hoofd. Het hoofd van huishouden is een referentie persoon die wordt gebruikt om het huishouden te be schrijven. Een huishouden kan een man of een vrouw aan het hoofd hebben. 19 Zie uitleg bij subparagraaf Ker ngezin versus geen-kerngezin.

PAGE 61

Modus Statistisch Magazine 56 Jaargang 12 Huishouden versus gezin Huishouden en gezin zijn twee verschillende concepte n. Een huishouden kan al uit n persoon bestaan (alleenstaande), terwijl een gezin door twee of meer personen wordt gevormd. De gezinsleden zijn allen aan elkaar verwant (bloedof aanverwantschap: famili ebanden), in tegenstelling tot de leden van het huishouden die niet pers verwanten van elkaar hoeven te zijn. Verder is het zo dat een huishouden meer dan n ge zin kan bevatten. Een gezin daarentegen behoort niet tot twee of meer huishoudens.20 Kerngezin versus geen-kerngezin De census onderscheidt het kerngezin en geen-kerngezin. Een kerngezin bestaat uit twee of meer personen die bloedof aanverwanten zijn van elkaar of via adoptie of pleegouderschap een soortgelijk verwantschap hebben. De volgende typen worden onderscheiden: (1) een gehuwd of samenwonend stel zonder kinderen, (2) een gehuwd of samenwonend stel met n of m eer ongehuwde kinderen, (3) vader met n of meer ongehuwde kinderen, (4) moeder met n of meer ongehuwde kinderen. Niet alle typen verwantschap zijn hier inbegrepen; het gaat specifiek om ouder-kindrela tie. Meerkerngezinshuishoudens bestaan uit twee of meer kerngezinnen. Twee of meer samenwonende broers, zusters, nichten, een oom en neefje vormen geen kerngezin, maar een zogeheten geen-kerngezin Ook niet verwanten zoals twee vriendinnen, twee studenten, etc. behoren tot het geen-kerngezin Huishoudtypologie In onze samenlevingen zijn er ook verschille nde soorten huishoudsame nstellingen. Bij de huishoudclassificatie dient men rekening te houden met het aantal personen of kerngezinnen binnen het huishouden, de relatie (bloed-, aa nverwantschap en adoptie) tussen in wonende persoon of personen, dit voor zover in lijn met bestaande tradities van betreffende samenleving. De priv-huishoudens worden onderverdeeld in: 1. npersoonshuishouden 2. meerpersoonshuishouden Categorie 2, het meerpersoonshuishouden wordt weer onderverdeeld in: 2a. nkerngezinshuishouden 2b. nkerngezinshuishouden met inwonende personen al dan niet verwant 2c. meerkerngezinshuishouden 2d. meerkerngezinshuishouden met inwonende personen al dan niet verwant 2e. geen-kerngezinshuishouden 20 United Nation, Principles and Recommendations for Popula tion and Housing Census, 2008. (Revision 2), pag. 100, 128-129.

PAGE 62

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 57 Deze indeling komt globaal overeen met de classificatie van de United Nations. Wat de categorien 2b, 2c en 2d betreft wordt in de Principles and Recommendations for Population and Housing Census specifieke richtlijnen gegeven hoe deze meerpersoonshuishoudens verder te classificeren en onder te brengen in twee hoofdcategorien, namelijk uitgebreide en samengest elde huishoudens. De vraagstelling in de census 2011 biedt niet de mogelijkheid om op basis van bepaalde detailinformatie over verwantschap van kerngezinsleden onderling en kernge zinnen en inwonende personen, deze classificatie te realiseren. De uitgebreide en samengestelde huishoudens kunnen derhalve als een grote categorie van de meerpersoonshuishoudens worden beschreven. Aantal huishoudens en gemiddelde huishoudgrootte Volgens de Census 2011 wonen er in totaal 150563 pe rsonen in Curaao, verdeeld over 55003 huishoudens (priv-huishoudens en instituten oftewel collecti eve huishoudens). Het aantal personen in priv huishoudens bedraagt 147862. Het aantal priv huishoud ens per maart 2011 is 54936. Dit komt neer op een gemiddelde van 2,7 personen per (priv) huishouden. De huishoudgrootte is na de Census in 1981 (4,3) continu afgenomen. Ten opzichte van de Census 2001 is er sprake van een daling met 0.3 procentpunt. Negentien jaar eerder (Census 1992) was de gemiddeld e huishoudgrootte van Curaao 3,5 personen (zie Tabel 1). Tabel 1. Bevolkingsomvang en gemiddelde huishoudgrootte 1992 2001 2011 Bevolkingsomvang (incl. collectieve huishoudens) 144097 130627 150563 Aantal huishoudens (incl. collectieve huishoudens) 41272 43161 55003 Bevolkingsomvang (excl. collectieve huishoudens) 142258 128015 147862 Aantal huishoudens (excl. collectieve huishoudens) 41242 43109 54936 Gemiddelde huishoudgrootte (excl. collectieve huishoudens) 3,5 3,0 2,7 Samenstelling van de huishoudens en huishoudgrootte Samenstelling Wat het percentage geen-kerngezinnen betreft is sprake van een daling met 0,5 procentpunt, (van 3,4 in 1992 naar 2,7 procent in 2011. Het aantal huishoudens van alleenstaanden laat een continue groei zien. Tabel 2. Relatieve verdeling van huishoude ns naar huishoudgrootte en samenstelling Curaao 1992 2001 2011 Type huishoudens absoluut percentage absoluut percentage absoluut percentage alleenstaanden 6479 15,7 8914 20,7 13930 25,4 1 kerngezin 29435 71,4 29348 68,0 35007 63,7 2 of meer kerngezinnen 3947 9,6 3450 8,0 4369 7,9 geen-kerngezin 1381 3,4 1401 3,2 1484 2,7 Onbekend 48 0,1 146 0,3 Totaal 41242 100,0 43109 100,0 54936 100,0

PAGE 63

Modus Statistisch Magazine Figuur 1 Huishoudtype0 20 40 60 80 alleenstaanden1 kerngezin2 of meer kerngezinnen geen-kerngezin percentages 1992 2001 2011 Het nkerngezinshuishouden (een gehuwd stel al dan niet met kinderen, een samenwonend stel al dan niet met kinderen, vrouw met kinderen, man met kinderen) zonder andere inwonende personen komt het meest voor op Curaao. Deze categorie vo rmt circa 58 procent van de huishoudens; in 2011 (57,9 %) en 60,3 procent in 2001 (zie Tabel 3). Tabel 3. Specificatie van type huishoudens 2 001 2011 Percentageverschil abs oluut percentage absoluut percentage 2001-2011 Eenkerngezinshuishoudens: 10346 24,0 10372 18,9 -5 ,1 Gehuwd met kind 4676 10,8 5930 10,8 0, 0 Gehuwd zonder kind 2632 6,3 3474 6,3 0, 0 Samenwonend met kind 1367 3,2 2330 4,2 1, 0 Samenwonend zonder kind 6059 14,2 8783 16,0 1, 8 Vrouw met kind 797 1,8 934 1,7 -0 ,1 Man met kind 25877 60,3 31832 57,9 -0 ,4 Subtotaal 1 7232 39,7 22958 41,8 1,9 Overige huishoudtypen Onbekend 1460,3 Totaal 43109 100,0 54936 100,0 Figuur 2 laat zien dat de subcategorien gehuwd met kind en vrouw met kind de grootste subgroepen vormen binnen de categorie nkerngezins-huishoude ns: respectievelijk 18,9 en 16,0 procent. Het percentageverschil tussen deze subcategorien is in 10 jaar tijd flink afgenomen, van 10 naar 3 procentpunten. In 2001 was 24 procent van de huis houdens het type echtpaar met kinderen en bestond 14,2 procent uit vrouw met kind. Hieruit blijkt hoezeer het subtype een gehuwd stel met kinderen is afgenomen. 58 Jaargang 12

PAGE 64

Modus Statistisch Magazine Figuur 2 Eenkerngezinshuishoudens051015202530 Gehuwd met kind Gehuwd zonder kind Samenwonend met kind Samenwonend zonder kind Vrouw met kind Man met kind percentages 2011 2001 Relatief gezien is het type kerngezin bestaande uit ma n met kind de subcategorie die het minste voorkomt, namelijk 1,7 procent in 2011 (was 1,8 procent in 2001). Wat alleenstaand ouderschap betreft is absoluut gezien sprake van een toename van zowel het vrouw me t kind als man met kind type. Van het type vrouw met kind zijn er ruim 2700 gezinnen bijgekomen, wat ve rgeleken met de vorige Census een stijging betekent van 45 procent. De man met kind type is ten opzich te van Census 2001 met 17 procent gestegen. Deze toename is beduidend minder vergeleken met de categorie vrouw met kind. Wat de overige categorien betreft, verschilt het aandeel in 2011 niet of niet subs tantieel met dat van Census 2001. Huishoudgrootte Huishoudens worden continu kleiner. In 2001 was het aandeel nen tweepersoonshuishoudens beduidend hoger dan in 1992. Tien jaar later is wede rom sprake van een toename van het aandeel kleinere huishoudens. In 2011 zijn er relatief meer alleenst aanden en tweepersoonshuishoudens, terwijl het aandeel grotere huishoudens (4, 5, en 6 of meer personen) juist minder is geworden dan in de voorgaande Censusjaren. Figuur 3 Huishoudgrootte0 10 20 30 401 2 3 4 5 6 of meerpercentages 1992 2001 2011 Nummer 3 59

PAGE 65

Modus Statistisch Magazine Fi guur 3 laat zien dat op Curaao in 2011 ruim een kwart (25,5%) van de huishoudens uit alleenstaanden (huishoudgrootte = 1) bestaat en circ a 28 procent uit twee personen. Wat de alleenstaanden betreft is dit een absolute stijging van 56,3 procent ten opzichte van 2001 (zie Tabel 2). Geslacht en leeftijd van het hoofd van huishouden Van de 54936 hoofden van huishouden is 56 procent ma n en 44 procent vrouw (Figuur 4). Het percentage vrouwen aan het hoofd van het huishoud en is telkens toegenomen. In een pe riode van 19 jaar (1992-2011) is een groei te zien van 8,4 procentpunten. Ook absol uut zijn meer vrouwelijke dan mannelijke hoofden van huishoudens bijgekomen. De verhouding gaat steeds meer in de richting van een gelijke verdeling. Figuur 4 Hoofd van huishouden naar geslacht0 10 20 30 40 50 60 70percentages man 64.460.456.0 vrouw 35.639.644.0 199220012011 Van de mannelijke hoofden van huishoudens in het Ce nsusbestand is de leeftijdsgroep 45-54 jaar het grootst. De daarop volgende grootste groepen bij de ma nnen zijn die in de leefti jdcategorie 65+ en 55-64 jaar. Voor de vrouwelijke hoofden van huishoudens is de leeftijdscategorie 65+ de grootste groep, gevolgd door de leeftijdscategorien 45-5 4 en 55-64 jaar (zie Tabel 4). 60 Jaargang 12

PAGE 66

Modus Statistisch Magazine Tabel 4. Hoofd van het huishouden naar leeftijd en geslacht 1992 2001 2011 Nummer 3 61 absoluut % m/v absoluut % m/v absoluut % m/v 15-24 man 365 0,9 253 0,6 286 0,5 vrouw 216 0,5 1,7 176 0,4 1,4 240 0,4 1,2 25-34 man 4581 11,1 3081 7,1 2527 4,6 vrouw 2038 4,9 2,2 1537 3,6 2,0 1733 3,2 1,5 35-44 man 7071 17,1 6374 14,8 5983 10,9 vrouw 3397 8,2 2,1 3682 8,5 1,7 3954 7,2 1,5 45-54 man 5937 14,4 6468 15 7800 14,2 vrouw 3057 7,4 1,9 4138 9,6 1,6 5979 10,9 1,3 55-64 man 4578 11,1 4913 11,4 6964 12,7 vrouw 2408 5,8 1,9 3047 7,1 1,6 5305 9,7 1,3 65+ man 4043 9,8 4970 11,5 7292 13,3 vrouw 3551 8,6 1,1 4470 10,4 1,1 6873 12,5 1,1 man 26575 64,4 26059 60,4 30852 56,2 Totaal vrouw 14667 35,6 1,8 17050 39,6 1,5 24084 43,8 1,3 41242 100,0 43109 100,0 54936 100,0 Aantal werkenden naar huishoudgrootte en geslacht van het hoofd Figuur 5 brengt de verdeling van het aantal werken den binnen de huishoudens in beeld, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen huishoudens me t een man en huishoudens met een vrouw aan het hoofd. Het is opmerkelijk dat het aandeel werkenden bi nnen de huishoudens met een mannelijk hoofd van huishouden, voor alle huishoudgrootte s (behalve 10+), consistent groter is dan het aandeel werkenden in geval van een vrouwelijk hoofd van huishouden. Wie er allemaal werkzaam zijn binnen de huishoudens is hier verder niet geanalyseerd. Er zullen zich gevallen voordoen waarbij het hoofd van huishouden ze lf niet werkt, maar ande re huishoudleden wel. Zo kan het dus ook voorkomen dat een man aan het hoofd van een huishouden zelf niet werkzaam is, terwijl het vrouwen of grotendeels vrouwen bi nnen het huishouden zijn die werken. Figuur 5 Huishoudgrootte en percentage werkenden binnen het huishouden naar geslacht van het hoofd0 10 20 30 40 50 60 701 pe r soon 2 p e r s onen 3 pe r s o nen 4 pe r sonen 5 p e r s onen 6 pe r s onen 7 pe r s on en 8 personen 9 personen 1 0+ Tota alhuishoudgroottepercentage hoofd = man hoofd = vrouw

PAGE 67

Modus Statistisch Magazine 62 Jaargang 12 Huishoudinkomen naar huishoudgr ootte en geslacht van het hoofd Uit Tabel 5 en Tabel 6 blijkt dat kleinere huishoudens een lager inko men hebben dan grotere huishoudens. Uiteraard betekent dit niet dat de kl einere huishoudens er slechter aan toe zijn dan de grotere huishoudens. In grote huishoudens moeten immers meerdere monden gevoed worden. Tabel 5 geeft het gemiddelde inkomen weer en in Tabel 6 is het mediaan inkomen vastgelegd. Gemiddeld huishoudinkomen De huishoudens met een man aan het hoofd hebben on afhankelijk van de huishoudgrootte een beduidend hoger gemiddeld huishoudinkomen dan die met een vrouw aan het hoofd. Huishoudens met een man aan het hoofd hebben totaal een gemiddeld huishoudinko men van 6389 gulden per maand. Voor huishoudens met een vrouw aan het hoofd bedraagt het totaal ge middelde huishoudinkomen 3981 gulden per maand: dat is iets minder dan tweederde (62,3%) deel van het gemiddelde huishoudinkomen wanneer er een man aan het hoofd staat (zie Tabel 5). Tabel 5. Gemiddeld huishoudinkomen naar huishoudgrootte en geslacht van het hoofd, 2011 (NAF guldens) Totaal Man Vrouw huishoudgrootte aant. hh. % gem. ink. aant. hh. % gem. ink. aant. hh. % gem. ink. verhouding hh. inkomen vrouw/man 1 13293 25,9 3040 5807 20,1 3483 7486 33,2 2696 77,4 2 14707 28,6 5349 8322 28,8 6352 6385 28,3 4042 63,6 3 9962 19,4 6157 5833 20,2 7173 4129 18,3 4721 65,8 4 7598 14,8 6930 5311 18,4 7699 2287 10,1 5144 66,8 5 3512 6,8 6964 2290 7,9 7852 1222 5,4 5300 67,5 6 1296 2,5 6975 760 2,6 7895 536 2,4 5669 71,8 7 542 1,1 6813 300 1,0 8717 242 1,1 5569 63,9 8 269 0,5 7272 119 0,4 9718 150 0,7 5332 54,9 9 110 0,2 6639 50 0,2 8040 60 0,3 5472 68,1 10+ 119 0,2 9681 55 0,2 10670 64 0,3 8832 82,8 Totaal 51408 100,0 5332 28847 100,0 6389 22561 100,0 3981 62,3 Bruto huishoudinkomen per maand, exclusief huishoudens met onbekend huishoudinkomen en nulinkomen Aantal huishoudens Gemiddeld inkomen Mediaan huishoudinkomen Wat het mediaan huishoudinkomen betreft, komt het er op neer dat per huishoudgrootte telkens 50 procent van het aantal huishouden een inkomen heeft onder het mediaan en de andere 50 procent boven het mediaan zit. Het totale mediaan huishoudinkomen van de huishoud ens met een vrouwelijk hoofd is 2621 guldens per maand. Dit is circa 60 procent van het totale me diaan huishoudinkomen van de mannelijke hoofden van huishoudens dat 4375 guldens per maand bedraagt (zie Tabel 6).

PAGE 68

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 63 Indien men voor zowel het gemiddelde als mediaan huishoudinkomen de verhou ding huishoudinkomen vrouw/huishoudinkomenman bekijkt (laatste kolo m Tabel 5 en 6), dan blijkt dat het mediaan huishoudinkomen een schevere verdeling laat zien dan het gemiddelde huishoudinkomen (behalve bij huishoudgrootte 7, 8 en 10). Tabel 6. Mediaan huishoudinkomen naar hui shoudgrootte en geslacht van het hoofd, 2011 (NAF guldens) Totaal Man Vrouw huishoudgrootte aant. hh. % med. ink. aant. hh. % med. ink. aant. hh. % med. ink. verhouding hh. inkomen vrouw/man 1 13293 25,9 1836 5807 20,1 2062 7486 33,2 1524 73,9 2 14707 28,6 3500 8322 28,8 4250 6385 28,3 2650 62,4 3 9962 19,4 4350 5833 20,2 5371 4129 18,3 3274 61,0 4 7598 14,8 5002 5311 18,4 5922 2287 10,1 3500 59,1 5 3512 6,8 4833 2290 7,9 5645 1222 5,4 3450 61,1 6 1296 2,5 5000 760 2,6 5842 536 2,4 3625 62,0 7 542 1,1 4803 300 1,0 5782 242 1,1 4025 69,6 8 269 0,5 4775 119 0,4 6625 150 0,7 3926 59,3 9 110 0,2 5050 50 0,2 7146 60 0,3 4184 58,5 10+ 119 0,2 5727 55 0,2 6767 64 0,3 5686 84,0 Totaal 51408 100,0 3500 28847 100,0 4375 22561 100,0 2621 59,9 Bruto huishoudinkomen per maand, exclusief huishoudens met onbekend huishoudinkomen en nulinkomen Aantal huishoudens Mediaan inkomen Beschikking over voorzieningen Het voorzieningenniveau21 binnen huishoudens is na 1992 blijven stijgen (Tabel 7). Het meest in het oog springend is de plaats die de volgende voorzieningen binnen het huishouden innemen: kabeltelevisie, satellietschotel, mobiele telef oon, de personal computer, internetaansluiting en koelsysteem (airconditioning). De mobiele telefoon (94,0 %) en in ternetaansluiting (53,1 %) spannen wat toename betreft de kroon. Voor genoemde voorzieningen is vergeleken met de vorige Census in 2001 een groei te constateren van respectievelijk 32,6 en 32,3 procentp unten. Verder heeft 62,7 procent van de huishoudens een computer, wat een stijging betekent van 29,3 procentpunten ten opzichte van Census 2001. 21 Een puntteken in de tabel betekent dat de beschi kking over die bepaalde voorziening niet is gemeten

PAGE 69

Modus Statistisch Magazine Tabel 7. Aantal huishoudens met voorzieningen 1992 2001 2 011 Voorzieningen absoluut % absoluut % absoluut % Televisie 38871 94,3 41440 96,1 50948 92,7 6873 16,7 11272 26 ,1 24575 44,7 Kabel TV/blackbox Satellietschotel 2150 5,0 12564 22,9 Huistelefoon 33530 81,3 32912 76,3 39179 71,3 26454 61 ,4 51629 94,0 Mobiele telefoon Computer 3880 9,4 14399 33,4 34456 62,7 Internetaansluiting 8987 20,8 29145 53,1 15184 27,6 Internetaansluiting via mobiele telefoon 10496 19,1 Mobiel internet via PC/laptop Koelkast 39185 95,0 41582 96,5 53566 97,5 Diepvriezer 7806 18,9 8885 20,6 13615 24,8 Wasmachine 33005 80,1 37461 86,9 50118 91,2 .. 3127 5,7 Vaatwasmachine (dishwasher) Airconditioning 11974 29,2 16449 38,4 29712 54,1 Ruim een kwart van de huishoudens had in 2001 de be schikking over kabeltelevisie. Tien jaar later heeft 44,7 procent een aansluiting. Indien men Census 1992 in beschouwing neemt, toen 16,7 procent van de huishoudens kabel TV had, kan geconstateerd worden dat sprake is van een continue toename. Vermeldenswaardig is ook de satellietschotel die in 2011 (22,9 %) aanzienlijk meer in trek blijkt te zijn dan tien jaar daarvoor (5 % in 2001). Tevens blijkt uit Tabel 7 dat ruim de helft van de huishoudens een airco heeft, terwijl in 2001 nog geen twee vijfde deel over een airco beschikte. Ten opzich te van 1992 is dit een voortdurende stijging. Figuur 6 Beschikking over voorzieningen in de huishoudens0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100Kab el TV/ b l ackb ox S at e l i et s cho tel M o bi ele t elef o on Comp u t er Internetaansl. woning Aircopercentages 2001 2011 64 Jaargang 12

PAGE 70

Modus Statistisch Magazine Nummer 3 65 Voor alle voorzieningen is sprake van een absolute stijging van het aantal huishoudens, dat over de voorziening beschikt. In het geval van televisie en huistelefoon hebben in 10 jaar tijd 9500 meer huishoudens een televisie en ruim 6200 meer huis houdens een huistelefoon, terwijl relatief een daling is te zien van het aandeel huishoudens dat over deze voorzieningen beschikt. Voor de televisie, mobiele telefoon, koelkast en wasmachine is het aandeel huishoudens dat over de voorziening beschikt, boven de negentig procent. Bijna alle huishoudens (97,5 %) beschikken over een koelkast. Ten opzichte van 1992 zijn deze verhoudingscijfers weinig toegenomen. In 2011 hebben iets meer dan 3000 huishoudens (5,7%) een dishwasher. In 2001 is de beschikking over deze voorziening niet gemeten. In 2011 zijn enkele modernere voorzieningen opgenomen in de Censusvragenlijst, te weten internetaansluiting via mobiele telefoon en mobiel inte rnet via PC/laptop. In ruim een kwart (27,6 %) van de huishoudens heeft men de beschikking over intern etaansluiting via een mobiele telefoon. In bijna een vijfde deel van de huishoudens he eft men aangegeven te beschikken over mobiel internet via laptop. Samenvatting De nkerngezinshuishoudens vormen nog steeds de grootste categorie huishouden s. Binnen deze categorie komt het vader-moeder-en-kind-type het meest v oor. Het aandeel uitgebreide en samengestelde gezinshuishoudens is relatief afgeno men. De subgroep geenkerngezins-huishouden is de kleinste categorie. De gemiddelde huishoudgrootte op Curaao is als gevo lg van de steeds veranderende samenstelling van de huishoudens, voortdurend blijven dalen. De kleinere huishoudens bestaande uit n of twee personen zijn sinds de Census van 1992 in aantal blijven toenemen. In de Census 2011 blijken weer m eer mannen dan vrouwen aan het hoofd van een huishouden te staan, 56 versus 44 procent. Vergeleken met Cens us 2001 is dit echter een stijging van het aandeel vrouwen aan het hoofd van een huishouden met 4 procentpunten. Ten op zichte van Census 2001 is de verhouding mannelijk en vrouwelijk hoofd per leeftijdsgroep minder scheef. Het aandeel werkenden binnen de huishoudens met een mannelijk hoofd van huishouden, is voor alle huishoudgroottes (behalve 10+), consistent groter da n het aandeel werkenden in geval van een vrouwelijk hoofd van huishouden. Huishoudens met een man aan het hoofd hebben ongeacht de huishoudgrootte, een hoger gemiddeld en mediaan huishoudinkomen dan die met een vrouw aan het hoofd. Ten opzichte van de vorige Censu ssen kan geconstateerd worden dat over het algemeen meer huishoudens in 2011 beschikken over de in de Census waargenomen huishoudelijke voorzieningen.