Citation
Modus Jaargang 12 Nummer 4

Material Information

Title:
Modus Jaargang 12 Nummer 4

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 1

rf nt br n ff brr nff fn f nf ff brr f n

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redactioneel ........................................................ iii 1. Resultaten conjuntuurenqute 1e halfjaar 2014.............................................. 1 2. Fertility in Curaao: a Census 2011 analy s is ......................................................... 13 3. Enkele kar akteristieken van de persoonlijke inkomens: Resultaten van de Cens us 2011 .................. 25 4. Ontw ikkeling van de deelname aan de hoger onderw ijs en de toename van hoogopgele iden op Cu raao ................ 39 N u mmer 4 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 12 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Voor u ligt de laatste editie van het 12de jaargang van Modus, het statistisch magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao. In deze editie treft u onder andere een artikel aan over de Conjunctuurenqute voor de eerste helft van 2014. Belangrijkste resultaat is dat 38 procent van de bedrijven die zijn genquteerd aangeven dat zij hebben genvesteerd in deze periode. Verder geeft 44 procent van de bedrijven aan dat het vertrouwen in de economie licht is verbeterd. Het tweede artikel onderzoekt de huidige vruchtbaarheidspatronen in Curaao. De combinatie van gegevens uit de volksen woningtelling van 2011 en de geboorte registraties van het bevolkingsregister zorgen voor een analyse van de huidige vruchtbaarheid. Uit deze analyse blijkt dat tussen 2001 en 2011 sprake is van een daling van het totale vruchtbaarheidscijfer van 2,4 naar 2,1 kinderen per vrouw. Vervolgens worden enkele karakteristieken van de persoonlijke inkomens van de bevolking geanalyseerd. Dit wordt gedaan aan de hand van de gegevens van Census 2011. Opvallend is het grote verschil in inkomen tussen man en vrouw. Gemiddeld bedraagt het verschil bijna 50 procent en loopt het op naarm ate de leeftijd vordert. Het laatste artikel beschrijft de ontwikkeling van de hoogopgeleiden op Curaao. Aan de hand van een vergelijking van de gegevens van Census 2001 en 2011 wordt er gekeken of in Curaao dezelfde ontwikkeling gaande is als op internationaal niveau; namelijk meer aandacht voor het hoger onderwijs teneinde een eigen kader op te leiden ten behoeve van de ontwikkeling van het land. Over het algemeen wordt dit op basis van de analyse van de Censusgegevens bevestigd. Het aantal hoogopgeleiden in Curaao is toegenomen van 9.447 in 2001 tot 16.042 in 2011, een toename van 69,8 procent. Al met al verschillende interessante analyses over een gevarieerd aantal onderwerpen. Ik wens u veel leesplezier bij het doornemen van deze editie van Modus. Colofon Oplage : 250 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 461 1031 Fax: (599 9) 4611 696 info@cbs.cw www.cbs.cw Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Arnold Rooi Drukwerk One Media Group Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2015 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding. Nummer 4 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine iv Jaargang 12

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 1 Resultaten conjunctuurenqute 1e halfjaar 2014 Chris M. Jager Inleiding In juni 2014 zijn in het kader van de conjunctuurenqute (C E) de bedrijven benaderd met vragenlijsten op Curaao. Doel van deze enqute is om op reguliere basis, twee maal pe r jaar in juni en december, actuele informatie te kunnen verschaffen over bedrijfsmatige en economische parameters en ontwikkelingen. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. Met de verkregen gegevens van de bedrijven (NV’s, BV’s en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) wordt een beeld gegeven van de volgende onderwerpen: investeringsbelemmeringen en –bevorderingen, concurrentiepositie, vertrouwen in de economie, vertrouwen in de toekomst, mening ten aanzien van het investeringsklimaat, omzetmutaties, verwachting bedrijfsresultaten. Bij vertrouwen in de toekomst, mening ten aanzien van het investeringsklimaat en omzetmutaties wordt ook inzicht gegeven in de situatie per be drijfstak en naar aantallen werknemers. De resultaten van de omzetmutaties en bedrijfsresu ltaten worden vergeleken met die van het voorgaande jaar, van december 2013. Bij concurrentie, vertrouwen, investeringen en investeringsklimaat wordt een vergelijking gemaakt met december 2013. Er wordt ook vergeleken met meerdere jaren. In dit artikel wordt nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute. Kwantitatieve gegevens over de exploitatiekosten worden hier niet besproken en de omzetten slechts in beperkte mate. Allereerst wordt er een korte inleidende beschouwin g gegeven over de methodologie zoals die voor de enqute wordt gebruikt. Methodologie De conjunctuurenqute wordt twee keer per jaar onde r de bedrijven op Curaao gehouden. In juni wordt genquteerd over het eerste halfjaar va n het lopende kalenderjaar, in december over het gehele jaar. Dit wordt gedaan met behulp van enquteurs en via email. Het onderzoek wordt uitgevoerd bij alle bedrijven met tien of meer werknemers, terwijl van de bedrijven vanaf drie tot tien werknemers een steekproef wordt genomen. Door het nemen van een steekproef wordt

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine 2 Jaargang 12 een schatting gemaakt van de karakteristieken van de ge hele populatie (alle bedrijven) en kunnen daar op een verantwoorde wijze uitspraken over worden ged aan. Onder bedrijven wordt hier verstaan NV’s en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening. Bij de steekproeftrekking (voor de bedrijven van dr ie tot tien werknemers) wordt uitgegaan van een betrouwbaarheid van 95 procent (5% foutenmarge, z-waarde van 1,96). De steekproef wordt proportioneel getrokken. Dit betekent dat er rekening wordt gehouden met het aantal bedrijven per bedrijfstak. Hierdoor is de steekproef van de grotere bedrijfstakken wat groter dan van de kleinere bedrijfstakken. Resultaten In de navolgende artikelen wordt per onderwerp nader in gegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute van juni 2014. Investeringsbelemmeringen en –bevorderingen Bijna 38 procent van de benaderde bedr ijven heeft aangegeven te hebben genvesteerd in de eerste helft van 2014 (zie figuur 1). Dat is 5 procentpunten minder da n in december 2013 (43%) en 2 procentpunten meer in vergelijking met juni 2013 (36%). Investeringen in vaste activa44 42 36 43 38 56 58 64 57 620 10 20 30 40 50 60 70 juni 12 dec 12 juni 13 dec 13 juni 14 % bedrijven ja nee Van de bedrijven heeft 34 procent aangegeven dat er van investeringsbelemmeringen sprake is geweest. Dit is vrijwel hetzelfde percentage in vergelijking met voor gaande perioden van juni en december 2013, toen dit rond de 35 procent was. Zoals vaker het geval, is ook nu het tekort aa n financile middelen (financin) de grootste investeringsbelemmering, zie figuur 2. Dit percentage is in een halfjaar tijd toegenomen van bijna 20 naar 23 procent per juni 2014. Het percentage bedrijven dat een slechte marktverwachting als belemmering heeft aangegeven, is eveneens toegenomen en wel van 17 naar ruim 20 procent. Bij het overheidsbeleid als investeringsbelemmering is de afgelopen perioden sprake van een geleidelijke daling. Het afgelopen halfjaar van 2014 is dit met ruim 12 procent heel licht afgenomen (was 13 procent). In juni 2012 bedroeg het nog 16 procent.

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 3 Figuur 2: investeringsbelemmeringen0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 22 24Teko r t f i n ancin Ma r ktver wac ht i ng Re ndement R e nt eni v e au W e rkve r gunning O v erhe i ds b ele i d O v erig% bedrijven juni 12 dec '12 juni 13 dec '13 juni 14 De investeringen zijn naar de mening van de bedr ijven vooral bevorderd door de beschikbaarheid van kapitaal (figuur 3). Het percentage bedrijven dat dit aangeeft is nauwelijks gewijzigd ten opzichte van december 2013; van 15 naar 14 procent. Verder zi jn de investeringen ook bevorderd door vooral de beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel (van 5 naar 8%), verwachtingen ten aanzien van de markt (van bijna 4 naar ruim 6%) en de rendementsverwachting (van 5 naar bijna 6%). Fi g uur 3: bevorderin g investerin g en 0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20G e k w a l p e r s o n e e l B e s c h i k b h k a p i t a a l M a r k t v e r w a c h t i n g R e n d e m e n t s v e r w R e n t e n i v e a u O v e r i g% bedrijven juni 12 dec '12 juni 13 dec '13 juni 14

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine 4 Jaargang 12 Concurrentiepositie Bij de concurrentiepositie op de binn enlandse markt (zie figuur 4) is sprake van een lichte verbetering. In vergelijking met december 2013 hebben in juni 2014 minder bedrijven aangegeven dat er van een verslechtering sprake is. Dit percentage is afgenomen van 32 naar nog geen 25 procent. Een vrijwel zelfde percentage bedrijven heeft aangegeven dat de concurrentiepositie verbeterd is (van nog geen 9 naar bijna 10 %). Wederom hebben de meeste bedrijven aan gegeven dat de concurrentiepositie onveranderd is gebleven. Ten opzichte van december 2013 is dat toegenomen van 50 naar 53 procent. Figuur 4: concurrentiepositie binnenland 0 10 20 30 40 50verbeterdonveranderdverslechterdniet van toep.% bedrijven juni '12 dec '12 juni '13 dec '13 juni '14 Vertrouwen in de economie Het vertrouwen in de economie is naar de mening van de ondernemers het afgelopen halfjaar eveneens licht verbeterd (zie figuur 5). Afgelopen december 2013 heeft een heel laag percentage van de bedrijven aangegeven dat het vertrouwen in de economie het afgelo pen halfjaar is verbeterd (slechts 2%). Dat is nu enigszins verbeterd met een toename naar 6 procent. Bovendien is het percentage bedrijven wat heeft aangegeven dat het vertrouwen in de economie is verminderd afgenomen van 50 naar 44 procent. Het percentage ondernemers dat heeft aangegeven dat het ve rtrouwen gelijk is gebleven, is ten opzichte van afgelopen december iets toegenomen; van 48 naar bijna 50 procent. Figuur 5: vertrouwen in de economie0 10 20 30 40 50 60 70dec '09 junidec '10 junidec '11 junidec '12 junidec '13 juni '14% bedrijven verminderd gelijk verbeterd

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 5 Vertrouwen in de toekomst Het percentage bedrijven dat in juni 2014 heeft aangeg even vertrouwen te hebben in de toekomst is in vergelijking met december 2013 (45%) onveranderd gebleven c.q. niet verder verslechterd (zie figuur 6). Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven gn vertrouw en te hebben in de toekomst heeft zich positief ontwikkeld, met een afname van 31 naar 24 procent. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag is ten opzichte van afgelopen december toegenomen van 24 naar 31 procent per juni jl. Figuur 6: vertrouwen in de toekomst0 10 20 30 40 50 60 70dec '09 junidec '10 junidec '11 junidec '12 junidec '13 juni '14% bedrijven ja nee geen mening Indien gekeken wordt naar de resultaten van het vert rouwen in de toekomst op bedrijfstakniveau met de focus op de grotere bedrijfstakken, dan zijn er vrij duidelijke verschillen. Vooral bij de horeca is het vertrouwen laag: slechts 34 procen t heeft aangegeven vertrouwen te hebben. Ook bij de industrie en de handel ligt het vertrouwen onder het gemiddelde (45%) met respectievelijk 37 en 38 procent (zie figuur 7). Bovendien zijn er zowel bij de horeca als bij de handel veel bedrijven die expliciet hebben aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst: ongeveer 31 procent. Net als voorgaande periode (december 2013) is het in juni 2014 bij de ‘overige diensten’ (61%) en vooral de financile diensten (73%) goed gesteld met het vertrouw en in de toekomst, zowel absoluut als ten opzichte van de andere bedrijfstakken. Het percentage ‘overige diensten’ dat heeft aangegeven gn vertrouwen te hebben is bovendien erg laag: nog geen 4 procent. De bouw en zakelijke diensten nemen met respectiev elijk 47 en 49 procent een middenpositie in voor wat betreft vertrouwen in de toekomst. Opmerkelijk is dat bij de bouw sprake is van een sterke toename van het vertrouwen ten opzichte van december 2013 toen dit slechts 35 procent bedroeg. Bovendien is het percentage bedrijven dat ‘geen vert rouwen’ heeft slechts 8 procent.

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine 6 Jaargang 12 Figuur 7: vertrouwen toekomst naar bedrijfstak, juni '140% 20% 40% 60% 80% 100%H o r e c a In d ust r ie H a n d e l B o u w Z akelijke d ienste n Transport & c omm. O ver i ge d i enst e n F in. die n s t en% bedrijven geen mening nee ja Daar de bedrijven wordt gevraagd naar het aantal werknemers, kan ook inzicht worden gekregen in het vertrouwen in de toekomst naar het aantal werknemers van de bedrijven. Daarvoor wordt een indeling gemaakt in 3 groepen, te weten 3 tot 10 werknemers (klein), 10 tot 50 werknemers (middelgroot) en 50 of meer werknemers (groot). Wederom is gebleken dat bij de gr otere bedrijven, vanaf 10 werknemers, duidelijk een hoger percentage bedrijven vertrouwen in de toekomst hebben dan bij de kleine bedrijven (zie figuur 8). Bij deze grotere bedrijven bedraagt dit per juni 2014 50 procent, bij de kleine bedrijven 33 procent. Bij de kleineen middelgrote bedrijven hebben resp ectievelijk 27 en 25 procent aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst. December jl. lagen deze percentages op respectievelijk 34 en 31 procent. Bij de grote bedrijven vanaf 50 werknemers lig t dit percentage met 18 pr ocent (juni 2014) duidelijk lager. Figuur 8: vertrouwen toekomst naar werkenden, juni 2014 0 10 20 30 40 50 < 10 10 50 50 en meer% bedrijven ja nee geen mening

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 7 Mening ten aanzien van het investeringsklimaat De mening ten aanzien van het investeringsklimaat (zie fig uur 9) is in juni 2014 iets verbeterd in vergelijking met december 2013. Relatief meer bedrijven hebben aangegeven dat het klimaat goed is. Ofschoon dit slechts 7 procent is betekent het wel een kleine stij ging ten opzichte van december 2013 toen het met 5 procent nog lager was. Bovendien is het percentage bedrijven dat heeft aangegeven dat het investeringsklimaat slecht is, afgenomen van 39 naar 36 procent. De meeste bedrijven beoordelen het investeringsklimaat als ‘matig’. Dit aandeel bedrijven is met 57 procent onveranderd gebleven. Figuur 9: perceptie investeringsklimaat0 10 20 30 40 50 60 70dec '09 junidec '10 junidec '11 junidec '12 junidec '13 juni '14% bedrijven goed matig slecht Bij de perceptie van het investeringsklimaat op bedrijfs takniveau zijn de horeca, de handel en de industrie wederom de bedrijfstakken met de minst positieve percep tie. Relatief veel bedrijven in deze bedrijfstakken vinden het investeringsklimaat slecht, zie figuur 10. De horeca spant hier met 52 procent de kroon, gevolgd door de handel met 43 procent. Bij ‘transport & co mmunicatie’ (met een percentage van 75% voor ‘matig’) en met name bij de overigeen financile diensten is de perceptie duidelijk (relatief gezien) positiever. Bij deze twee bedrijfstakken hebben respectievelijk 18 en 15 procent van de bedrijven aangegeven het investeringsklimaat slecht te vinden. Bij de ‘overige diensten’ vindt 21 procent dat het investeringsklimaat goed is en 61 procent matig. Opvallend is dat er ook hier bij de bouw (net al s bij vertrouwen in de toekomst) van een positieve ontwikkeling sprake is. Was het aandeel voor ‘matig’ in december 2014 nog 49 procent, afgelopen juni 2014 is dit gestegen naar 66 procent van de bouwbedrijve n. Bovendien is ‘slecht’ over de dezelfde periode afgenomen van 46 naar 31 procent.

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine 8 Jaargang 12 Figuur 10: perceptie investeringsklimaat naar bedrijfstak juni 20140% 20% 40% 60% 80% 100%H or ec a Handel Industrie Zake l i j k e dienst e n B o uw Transport & comm. O v erige d iensten Fi n. diens t en% bedrijven slecht matig goed De perceptie van het investeringsklimaat als afgeleide van het aantal werknemers van de bedrijven laat net als bij vertrouwen in de toekomst duidelijke verschillen zien. Bij de kleine bedrijven is de mening ten aanzien van het investeringsklimaat minder gunstig dan bij de grotere bedrijven van 10 werknemers of meer (figuur 11). Bij de kleine bedrijven vindt 47 procent het invester ingsklimaat matig en 50 procent slecht. Bij de grote bedrijven zijn deze percentages gunstiger; 66 procent vindt het matig en slechts 27 procent vindt het slecht. De middelgrote bedrijven zitten daar tussenin met percentages van respec tievelijk 59 (matig) en 32 procent (slecht). Bij alle bedrijven zijn de percentages van een goede perceptie van het investeringsklimaat laag. Van klein naar groot bedragen deze respectievelijk 3, 9 en 7 procent. Figuur 11: perceptie investeringsklimaat naar werkenden juni 20140 10 20 30 40 50 60 70 < 10 10 50 50 en meer% bedrijven goed matig slecht

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 9 Omzetmutaties De omzetmutaties geven inzicht in de mate waarin de omzet is veranderd in vergelijking met het voorgaande jaar, op basis van de vraag of de omzet is afgenomen of toegenomen (niet alle bedrijven hebben de vraag beantwoord waardoor afname + toename # 100). Sinds december 2010 is er sprake van een verslechtering en het lijkt er nu op dat dit zich niet verder doorzet en er van een stabilisering sprake is, op basis van de schatting van juni 2014 (pas in december 2014 is het ‘definitieve’ cijfer bekend). Het percentage bedrijven waar de omzet is afgenomen is vrijwel gelij k gebleven (van 57 naar 58 procent). Het aandeel bedrijven met een toegenomen omzet is met 28 procent gelijk gebleven, zie figuur 12. Figuur 12: omzet mutaties 2010 t/m juni 201442 36 32 2828 45 42 50 57 580 10 20 30 40 50 60 70 802010 2011 2012 2013 juni 2014% bedrijven toename afname Bij de omzetmutaties op bedrijfstakniveau met de focus op de grotere bedrijfstakken (figuur 13) valt op dat bij de bouw en de industrie relatief weinig bedr ijven (20%) een toename van de omzet hebben. Bij de industrie hebben bovendien veel bedrijven (70%) aangegeven dat ze te maken hebben gehad met een afname van de omzet (in vergelijking met 1 jaar geleden). Alleen bij de bedrijfstakken zakelijke diensten, overig e diensten en ‘transport & communicatie’ heeft meer dan 30 procent van de bedrijven een toename van de omze t gehad. Bovendien is bij de zakelijke diensten het aandeel van de bedrijven met een afname va n de omzetten relatief laag: 50 procent.

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine 10 Jaargang 12 Figuur 13: omzetmutaties bedrijfstakken juni 20140 10 20 30 40 50 60 70 80 90Bo uw In du stri e F in. diensten Handel Hor e ca Zakelijk e diensten Overi ge diensten Transport & co m m.% bedrijven afname toename Verwachting bedr ijfsresultaten De conjunctuurenqute gaat in juni van het jaar na wat de verwachting is van het bedrijfsresultaat over het nog niet afgesloten gehele jaar. Doorgaans is de verwachting in juni wat gunstiger dan de daadwerkelijke uitkomst welke aan het eind van het jaar wordt verkregen. Het aandeel bedrijven welke per juni voor het gehele jaar 2014 een positief bedrijfsresultaat verwacht, bedraagt 56 procent. Dit is 3 procentpunten lager dan het verwachtingspercentage van juni 2013, doch 4 procentpunten hoger in vergelijking me t december 2013 (zie figuur 14). Ruim 44 procent van de genterviewde bedrijven heeft in juni 2014 aangegeven een negatief bedrijfsresultaat over 2014 te verwachten, eveneens een verbetering va n 4 procentpunten ten opzichte van december 2013. Hiermee lijkt er een einde te zijn gekomen (als de verwachting uitkom t) aan de negatieve trend van een toename van het percentage bedrijven met verlies. Na afloop van 2014 zal duidelijk worden of hier inderdaad sprake van is. Opgemerkt dient te worden dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuel e faillissementen. Figuur 14: bedrijfsresultaten 2010 201473 61 62 52 56 27 40 39 48 440 10 20 30 40 50 60 70 802010 2011 2012 2013 verw. 2014 % bedrijven pos neg

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 11 Figuur 15 laat de verwachting van de bedrijfsresultaten zien als afgeleide van de grootte van bedrijven. Wat opvalt is het duidelijke verschil tussen de kleinere be drijven met 3 tot 10 werknemers en de grotere vanaf 10 werknemers. Dit verschil is ten opzi chte van 2013 groter geworden. Bedraagt het percentage verwachte wi nst bij de kleine bedrijven nu slechts 28 procent (juni 2014), afgelopen december was dit bijna 33 procent en een jaar geleden ( juni 2013) nog 47 procent. Er lijkt hier van een slechte en alarmerende ontwikkeling sprake te zijn. Slechts 28 procent van de kleine bedrijven verwacht winst te zullen behalen in 2014. Of omgekeerd: bijna driekwart van de kleinere bedrijven verwacht dit jaar verlies te zullen lijden. Zeer waarschijnlijk za l dat op termijn leiden tot het sluiten van bedrijven en de afname van de werkgelegenheid. De grotere bedrijven doen het duidelijk beter. Bij de middelgrote bedrijven verwacht ruim 64 procent winst te zullen behalen in 2014, een toename van 9 procentpunten in vergelijking met eind 2013. Bij de grote bedrijven vanaf 50 werknemers is dit 68 procent, 2 procentpunten meer dan eind 2013. Figuur 15: verwachte bedrijfsresultaten juni 2014 naar grootte0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%10 10-50 => 50 % bedrijven neg. pos. Samenvatting De opinies en bedrijfsresultaten van de conjunctuure nqute van juni 2014 laten een wat divers beeld zien met zowel enigszins positieve, als minder positieve ontwikkelingen van de bedrijvigheid op Curaao. Ten opzichte van voorgaande perioden en december 2013 lijkt er sprake te zijn van een aantal relatieve verbeteringen en licht herstel. Dit bij een in vele gevallen op zich (nog) vrij slechte situatie. Wat minder bedrijven hebben aangegeven te hebben genvesteerd in de eerste helft van 2014 en het percentage investeringsbelemmeringen is vrijwel onveranderd gebleven. Bij de concurrentiepositie op de bi nnenlandse markt en het vertrouwen in de economie is sprake van een lichte verbetering. Het aandeel bedrijven dat in juni 2014 heeft aangegev en vertrouwen te hebben in de toekomst is in vergelijking met december 2013 onveranderd gebleven. Wel hebben minder bedrijven aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst. Vooral bij de horeca, de industrie en de handel is het niet goed gesteld met het vertrouwen en ligt dit onder het gemiddelde. Bij de ‘overige dienst en’ en vooral de financile diensten is het vertrouwen in de toekomst

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine 12 Jaargang 12 relatief goed. Opmerkelijk is dat bij de bouw sprake is van een sterke toename van het vertrouwen ten opzichte van afgelopen december. De mening ten aanzien van het investeringsklimaat is li cht verbeterd in vergelijking met december 2013. De horeca, handel en de industrie zijn ook hier de bedr ijfstakken met de minst positieve perceptie. Bij het investeringsklimaat is er bij de bouw van een positieve ontwikkeling sprake. Sinds december 2010 is er sprake van een verslechtering van de omzetmutaties bij bedrijven en het lijkt er op dat hier nu een einde aan is gekomen en er van een stabilisering sprake is. Het aandeel bedrijven welke voor 2014 een positief bedrijfsresultaat verwacht is wat hoger in vergelijking met december 2013. Bij de middelgroteen grote be drijven verwacht ongeveer tweederde deel winst te zullen maken in 2014. Bij de kleine bedrijven is dat nog geen 30 procent hetgeen zeer laag is.

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 13 Fertility in Curaao: a Census 2011 analysis Menno ter Bals Introduction Only sixty years ago women in Curaao gave birth to five children on average. The rate of natural increase (births minus deaths per 1000 population) of the population was at its peak at an increase of 30 persons per 1000 population per year. By 1960 the population size reached 125,000 but the rate of growth stalled. The spread of birth control and the increased participation of women on the labour market, amongs t others, caused fertility rates to drop sharply. In just twenty years time fertility rates nearly halved. Since the 1980s the fertility rate has slowly decreased further to its current level of 2.13 children per woman. This article explores current fertility patterns in Curaao. The combination of data from the census of 2011 and the births registrations of the population reg ister allow for an analysis of current fertility. The data provides for some more insight in historical fertility levels as well. The goal of this article is to gain more insight in the contemporary state of fertility of the female population of Curaao. The article is an excerpt of the chapter on fertility of the Census 2011 publication on the demography of Curaao by the Centra l Bureau of Statistics (to be published end of 2014). First some general measures of fertility, e.g. the crude bi rth rate and the total fertility rate, will be discussed. The following paragraphs give an insight on the breakdown of the total fertility rate by age, the mean age at childbearing and fertility by marital and cohabitational status. The final two paragraphs deal with co hort fertility and fertility by migrational background respectively. Some general measures of fertility During the six months prior to, and the six months after the 2011 census 1,985 live births were registered in Curaao. A general measure of fertility is the Crude Bi rth Rate (CBR), i.e. the number of births per 1,000 population. For Curaao the CBR in 2011 stood at 13.2 births per 1,000 population which means a decrease from 20.3 in 1992 and 16.1 in 2001. However, as only women in their reproductive years (generally 15-49 years) are able to bear children it seems more appropriate to express the level of fertility as the number of live births in a certain period per 1,000 women aged 15-49 instead. This measure is called the General Fertility Rate (GFR). In Curaao the GFR has decreased from 60.2 live births per 1,000 women aged 15-49 in 2001 to 52.5 in 2011. Both the CBR and the GFR indicate a decline in fertility between 2001 and 2011, but lack more insight in age-specific behaviour in fertility. The Total Fertility Rate (TFR) is the most universal measure of fertility that meets this requirement (see Table A1 in the Appendix for fertility tables and indicators). The TFR indicates the average number of children a wo man would bear if she survived through the end of the reproductive age span and experienced at each age a particular set of age-specific fertility rates. The period fertility rates (pertaining to the one year period with the census population as the mid-year population) for the census 2011 female population add up to a tota l fertility rate of 2.13 children per woman. Compared to 2001 the TFR has decreased by 0.28 children per women.

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine A dec ade earlier the decline in TFR was more than ten times as small, the TFR then dropped from 2.44 to 2.41 between 1992 and 2001 (Figure 1). Figure 1. Total Fertility Rate Curaao, 1992-2011 Even though more women aged 15-49 years were living in Curaao in 2011 (37,788 women) compared to 2001 (34,942 women), less children were being born in 2011 (1,985 children in 2011 against 2,102 children in 2001), causing the drop in TFR. Figure 2. Total Fertility Rate for selected countr ies, most recent period available By definition of the UN Composition of macro geographical regions (United Nations, 2013) Sources: (United Nations, Department of Economic and Social Affairs, Population Division, 2013); Oficina Nacional de Estadstic a (Dominican Republic); Instituto Nacional de Estadstic a (Venezuela); Central Bure au of Statistics (Aruba) 14 Jaargang 12

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 15 The declining TFR is however no exception when looking at other countries in the region or worldwide. Depending on a countrys level of development populati ons of contemporary states transit through different stages of demographic development. Part of this transition is a decline in fertility levels, from levels as high as 5 or more children per woman to levels as low as 1.5 children or less. A TFR of 2.1 is considered replacement level fertility. At this level of fertility the female population reproduces itself, meaning that the female population exactly replaces itself (under condition of continuation of current fertility and mortality rates) providing for sustenance of current population levels. Figure 2 shows the TFR for a selection of countries (most recent data available), ranging from 5.09 in Cameroon (2010) to 1.35 in Japan (2010). Curaaos replacement level TFR is ranked beneath th e average for the Caribbean region as a whole (2.37 children, over the period 2005-2010), but is placed well above the very low TFR recorded in Austria and Japan. Age-specific fertility When the TFR is broken down into age-specific fertilit y rates for broad age groups (for the TFR is the sum of the age-specific fertility rates) information on the timing of childbearing beco mes visible. Figure 3 shows the age-specific fertility rates for 5-year age groups for the census-years 1992, 2001 and 2011 (see also Table A2 in the Appendix). From 1992 to 2011 fertility rates have decreased especially for the lowest three age groups, 15-19, 20-24 and 25-29 years of age. In the higher age groups fertility rates have decreased slightly or remained more or less stable. Most significantly betw een 2001 and 2011, the drop in fertility among women aged 20-24 years accounts for about forty percent of the drop in total fertility between both censuses. In 1992 and in 2001 the fertility rate for this age group was identical, around an average of 0.13 children per woman, but in 2011 it has dropped to an average of 0.11 children. Figure 3. Age-specific fertility by broad age groups, Census 1992, 2001, 2011 Mean age at childbearing The mean age at childbearing can be deduced from the age-specific fertility rates. In the ten years between the last two censuses the mean age at childbearing for all births in the pre-census year has increased from 27.8 to 28.2 years old (Figure 4). Interesting to note, ho wever, is the decrease in mean age at first birth in

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine 2011. F rom the combined population register data and census data a decline of 0.7 years between 2001 (26.5 years) and 2011 (25.8 years) has been recorded. Women we re having their first child at an earlier age in 2011 than in 2001. At the same time the mean age at the second birth has increased, resulting in a considerably increased average amount of time between first and second birth in 2011 (3.5 years) compared to 2001 (2.3 years). For third births the mean age has decreased by 0.4 years to 30.8 years in 2011. Figure 4. Mean age at childbearing by parity*, Census 2001 and 2011 the cumulative number of a womans live births Fertility by marital status and cohabitational status Legitimacy of childbirth, i.e. whether children are born within marital union between the parents or out-ofwedlock, gives an idea of the proportion of children being (legally) recognized by both their parents. Cohabitational status is another good indicator that ca n be assessed for this purpose. Because the birth data from the population register does not include both indicators the census-enumerated women who gave birth in the year preceding the census have been examined for this analysis. Census data has its limitations however, because it measures the mari tal and cohabitational status of women at the time of the census and not at the time of childbirth. For this analysis it is therefore assumed that the mothers marital and cohabitational status at the time of childbirth (in the ye ar preceding the census) is eq ual to that at the time of the census. Compared to the census of 2001 th e proportion of out-of-wedlock birt hs has increased in 2011. Almost 66 percent of the in 2011 reported childbirths were given by never married women, an increase of about 8 percentage points from 2001 (see Figure 5). The share of childbirths that took place within marital union obviously has dropped by about the same level, from 39 percent in 2001 to 32 percent in 2011. Childbirths that took place among divorced or widowed women have b een left out of Figure 5 (less than three percent of all births). However, marital status alone is not a good indica tor for (legal) acknowledgement of children by their father as nowadays many couples are living together without being married, i.e. in consensual union1 (either 1 Two people usually living in the same dwelling, but not in a regi stered marriage to each other, who: share mutual concern for each other; have a degree of economic, social and emotional interdependence; and consider their relationship to be akin to marriage. 16 Jaargang 12

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 17 legal or extralegal). Therefore the cohabitational status of the mother serves as an important addition to marital status. Figure 5. Proportion of live births in the year preceding the census by marital status (excluding widowed and divorced) and cohabitational status of the mother, Census 2001 and 2011 Figure 5 shows that in 2011 almost a quarter of the live births in the year preceding the census have been to women who are living together but not married to their partner at the time of the census. Added up to the 30 percent of births to women who are married and living together with their partner and 1 percent of births to divorced or widowed women living together with a part ner (not depicted in Figure 5, see table A3 in the Appendix) the proportion of births that took place to couples living together is 56 percent. Compared to 2001 this means a decrease of 4 percentage points (60% in 2001). The share of births to women who are not living together or who dont have a partner, regardless their marital status, has increased from 40 percent in 2001 to 44 percent in 2011. The younger the women who gave birth the year prec eding the census, the less likely they are living together with a partner (Figure 6). Of the women aged 15-19 almost 80 percent are either not living together with a partner (39%) or did not have a partner (40%). On the opposite, of the children born to women in the age-group 35-39 most childrens mothers are living togeth er with their partner, either married (47%) or not married (27%).

PAGE 23

Modus gazine Statistisch Ma Figure 6. Proportion of live births in the year preced ing the census by cohabitational status and age of the mother, Census 2011 Cohort fertility Cohort fertility is another way of looking at fertilit y. In the census the ques tion How many live-born children have you given birth to?, referring to lifetime births, was asked. This question enables the estimation of completed fertility for women who have reached the end of their reproductive lifespan, i.e. women aged 50 years or older. Since these women have reached the end of their fecundity they will bear no additional children. Hence the number of live births they had is their completed fertility. The average number of live born children women in a specific coho rt have given birth to, equa ls their cohort TFR. For women aged 15-49 years the cohort fertility is not completed fertility, these women may have more children in the future. The cohort fertility rates of 5-year birth cohorts of women in Curaao (the dark grey bars indicating completed fertility and the light grey bars incomplete fertility) are presented in Figure 7. The sharp decline in fertility in Curaao that started after 1960 (ter Ba ls, Census 2011: Ageing in Curaao, 2013) is clearly visible when looking at the cohorts of women of 65 ye ars and older. Women in the 85+ cohort, born in 1926 or earlier, have reached their peak fertile period in the 1950s resulting in an average of around 4.8 children per woman. In the following four birth cohorts, women aged 65 up to 84 years, fertility has declined to less than three children per woman (2.6 children for the cohort 65-69). In other words, fertility has dropped from 4.8 to 2.6 in about 20 years time. In the following cohorts, women born between 1946 and 1966, or women aged 45 to 64 years, fertility has continued to decline, but at a much slower pace. The cohort TFR has dropped from 2.6 to about 2.1 children per woman. The last cohort in this series, i.e. the co hort of women who reached the age of 45-49 in 2011, has reached near-completed fertility. The youngest cohorts, aged 15-44 years, have not completed fecundity, but the average number of children these cohorts have re produced so far are indicated in the figure. 18 Jaargang 12

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 19 Figure 7. Cohort TFR1, Census 2011 1 162 out of 67,451 women aged 15 years or over did not report their number of lifetime births. These women are excluded from th e cohort fertility calculations (N=67,289). For those interested, a more in depth fertility analys is on the proportions of women who reach a certain parity and the proportion that then precedes to have more children, i.e. so-called parity progression rates, can be found in the Census 2011 publication on the demography of Curaao. Fertility by country of birth In a society with increasing numbers of migrants it is evident that certain demographic indicators are becoming more dependent on the mi grant population. The percentage of foreign-born persons within the female population aged 15 years or older is much higher than the percentage of foreign-born persons within the total population. Forty percent of the female population of 15 years or older is foreign-born compared to a share of 24 percent of the total population that is bo rn abroad. Cohort fertility indicators therefore are for 40 percent determined by the foreignborn female population. Period fertility indicators are less determined by the foreign-born population because the female po pulation aged 15-49 years consists of 30 percent foreign-born women. Figure 8 gives an overview of the average number of children per woman by a selection of countries of birth of the mother. This selection consists of the 18 most occurring countries of birth (including Curaao) among females aged 15 years or older. The first two bars in dicate the average number for all foreign-born women (15+) and for all Curaao-born women (15+) respectively. Not much difference can be noted between the foreign-born population and the Curaao-born population which stand at respectively 2.03 and 1.95 children per woman. However, when the foreign-born group is broken down to individual countries of birth more dispersion in average number of children is observed. From the selection of countries women born in the Netherlands on average have the least number of childre n, i.e. 1.28 children. Women born in one of the BESislands have the highest average number of children, i.e. 3.04.

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Figure 8. Av erage number of children per woman by country of birth mother1, Census 2011 1 413 out of 67,451 women aged 15 years or over did not report their number of lifetime births and/or their country of birth. Th ese women are excluded from the fertility calculations (N=67,038). While the average number of children per woman by the mothers country of birth is indicative of the total fertility of these groups it does not control for age diff erences in fertility within each population group. It remains unknown whether an average number of children for women born in a specific country is prone to increase much further in the future or to remain more or less stable given the current age-composition within this particular group. In Figure 9 cohort fertility rates for four different co untries of birth are compared. One low fertility country of birth (see Figure 8), i.e. the Nether lands, one higher fertility country of birth, i.e. the Dominican Republic, one country of birth that falls in between, i.e. Co lombia, and finally Curaao. The 10-year age cohorts demonstrate clearly that cohort fert ility differs greatly between the different birth country groups. In all depicted age cohorts the Dominican-born women are the most fertile ones and the Netherlands-born women have the smallest average amount of children in each age cohort. Curaao-born women and Colombian-born women have pretty similar cohort fertil ity rates for all age cohorts up to females aged 5564, but the cohort fertility of the 65+ cohort is higher for Curaao-born women (3.56 children per Curaaoborn woman versus 2.83 children per Colombia-born woman). Again, as in Figure 7, from age 45 upwards the cohort fertility is (near) completed fertility. 20 Jaargang 12

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 21 Figure 9. Cohort TFR by country of birth mother2, Census 2011 2 132 out of the 58,343 women aged 15 years or over from the selec ted countries of birth did not report their number of lifetime births. These women are excluded from the fertility calculations (N=58,211). For the interested reader an analysis on period fertility, i.e. fertility in the year 2011, by country of birth is included in the Census 2011 publication on the demography of Curaao. Summary From 2001 to 2011 the total fertility rate in Curaao has dropped from 2.4 to the replacement level of 2.1 children per woman. Fertility rates have mainly dropped for women aged 15-29 years. Especially women aged 20-24 showed a rather large decline in fertility between 2001 and 2011. Even though the mean age at childbearing for all births has increased from 27.8 to 28.2 years old from 2001 to 2011, the mean age at first birth has decreased from 26.5 to 25.8 years. More women have given birth outside of marriage in 2 011 compared to 2001. However, the proportion of births that took place to couples in consensual union and to couples that dont live together has increased. Of the women aged 50 years or over, older women have had more children on average than younger women. Cohort fertility also varies by country of birth.

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine 22 Jaargang 12 Bibliography ter Bals, M. (2013). Census 2011: Ageing in Curaao. Modus, 11 (3/4), pp. 39-44. United Nations. (2013, November 11). Standard Country and Area Codes Classification (M49) Retrieved March 11, 2014, from United Nations Statistics Division: http://unstats.un.org/unsd/methods/m49/m49regin.htm United Nations, Department of Economic and Social Affairs, Population Division. (2013). World Fertility Data 2012. Retrieved from http://www.un.org/en/development/desa/populati on/publications/dataset/fertility/wfd2012/ Data/UNPD_WFD_2012_ASFR.xls Appendix Table A1. Fertility tables and fertility indicators, Census 2001, 2011 Census 2001 Census 2011 Age Number of women Births Total fertility Age Number of women Births Total fertility 15-19 5032 235 0.0467 15-19 5651 197 0.0349 20-24 3030 403 0.1330 20-24 4182 463 0.1108 25-29 3983 526 0.1321 25-29 4248 498 0.1172 30-34 4965 519 0.1045 30-34 4628 458 0.0990 35-39 6218 335 0.0538 35-39 5625 288 0.0513 40-44 6142 74 0.0120 40-44 6275 76 0.0121 45-49 5572 4 0.0007 45-49 7179 1 0.0001 Total 34942 2102 Total 37788 1985 CBR 16.1 TFR 2.41 CBR 13.2 TFR 2.13 GFR 60.2 Mean age 27.8 GFR 52.5 Mean age 28.2 Table A2. Age-specific fertility and total fertility rate by broad age groups, Census 1992, 2001, 2011 Age-specific fertility rate Age 1992 2001 2011 15-19 0.26 0.23 0.17 20-24 0.66 0.67 0.55 25-29 0.70 0.66 0.59 30-34 0.53 0.52 0.50 35-39 0.24 0.27 0.26 40-44 0.05 0.06 0.06 45-49 0.00 0.00 0.00 TFR 2.44 2.41 2.13

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 23 Table A3. Proportion (%) of live births in the year preceding the census by marital status and cohabitational status of the mother, Census 2001 and 2011* Never married Married Widowed Divorced Total Cohabitational status 2001 2011 2001 2011 2001 2011 2001 2011 2001 2011 Living together with partner 21 24 38 30 0 0 1 1 60 56 Not living together with partner 19 24 1 1 0 0 1 0 22 25 Has no partner 17 18 0 0 0 0 1 1 18 19 Total 58 66 39 32 0 0 3 2 100 100 Individual numbers may not add up to totals because of rounding.

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine 24 Jaargang 12

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 25 Enkele karakteristieken van de persoonlijke inkomens Resultaten van de Census 2011 Francis Vierbergen Inleiding De centrale doelstellingen in onze economie zijn econ omische groei, werkgelegenhei d, inkomensvorming en de verdeling van het inkomen. Het inkomensbeleid van de ov erheid zal zich richten op de verwezenlijking van een rechtvaardige inkomensverdeling. Een inkomensbeleid kan alleen effectief worden geformuleerd wanneer de daarvoor benodigde data omtrent de actuele situatie omtrent inkomens beschikbaar zijn. De Census van 2011 biedt gedetailleerde informatie over inkomens van personen en van huishoudens, vanuit vele facetten en onderlinge verbanden, waarmee het beleid omtrent inkomensvorming en inkomensverdeling kan worden gevoed. Dit artikel beschrijft specifiek de persoonlijke inkomens verb ijzonderd naar een aantal persoonskenmerken. Er wordt gekeken naar de variabelen geslacht, leeftijd, opleiding, economische status, positie binnen het huishouden, geboorteplaats, bron(nen) van inkomen. Definities Persoonlijk inkomen: De som van de netto of bruto inkomens van een persoon uit belangrijkste en tweede bron. In de analyse van persoonlijke inkomens is alleen naar het bruto inkomen gekeken. Bruto en netto inkomen: Het bruto inkomen is het inkomen uit arbeid, vermogen, uitkering of andere bron waar geen inhoudingen op zijn gepleegd. Het netto inkomen is gelijk aan het bruto inkomen na aftrek van loonof inkomstenbelasting en sociale premies. Gemiddeld inkomen: Is het gemiddelde van alle inkomens van de groep personen in de betreffende analyse. Voor de berekening van alle gemiddelde inkomens zijn alle non-respons en alle 0-inkomens niet meegenomen.

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine 26 Jaargang 12 Non-respons (van het inkomen): Indien een respondent aangeeft wel een inkomen te he bben maar de hoogte niet wil opgeven dan wordt de inkomensvraag als non-respons beschouwd. Dit geldt voor beide inkomensvragen. Als gevolg hiervan is ook het persoonlijk inkomen van de persoon non-resp ons, zelfs als een van de twee inkomens wel is opgegeven. Inkomens naar geslacht van de persoon In tabel 1 is het gemiddelde inkomen voor 2011 uitgesplitst naar leeftijd en geslacht. Opvallend is het grote verschil in inkomen tussen man en vrouw. Gemiddeld bedraagt het versch il bijna 50 procent. Wat verder opvalt is dat het verschil tussen beide seksen opl oopt naarmate de leeftijd vordert. In de laagste leeftijdsklasse (15 24 jaar) bedraagt het verschil 21 procent. Het percentage loopt geleidelijk op met de leeftijd, om te eindigen met 72 procent in de leeftijdsklasse 65 jaar en ouder. Figuur 1 geeft per leeftijdsklasse de procentuele vers chillen tussen het inkomen van de vrouw ten opzichte van de man aan. Het verschil in gemiddelde inkomens tussen mannen en vrouwen is wel minder geworden. Tussen 2001 en 2011 nam het rele gemiddelde inkomen van mannen toe met 5 procent, terwijl de groei voor vrouwen 16 procent bedroeg. Het verschil tussen mannen en vrouwen na m in deze periode van tien jaar af van ruim 64 naar bijna 50 procent. Ook in de voorafgaande periode was er sprake van ee n afname van het verschil in inkomen tussen man en vrouw. In 1992 was het verschil gemeten in rele termen 80 procen t. Tussen 1992 en 2001 steeg het gemiddelde inkomen van mannen met 10 procen t, en dat van vrouwen met 21 procent. Ook internationaal gezien zijn de inkomens van mann en over het algemeen hoger dan die van vrouwen. Tabel 1. Gemiddeld persoonlijk bruto maandinkomen naar leeftijd en geslacht, Curaao, Census 2011 leeftijdsklasse Man Vrouw Totaal guldens 15 24 1.791 1.479 1.633 25 34 3.217 2.573 2.858 35 44 4.087 3.053 3.516 45 54 4.438 2.977 3.641 55 64 4.221 2.480 3.277 65+ 2.950 1.712 2.229 Totaal 3.690 2.483 3.023

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 27 De hoogste inkomens worden in het algemeen genoten door personen in de leeftijdsklasse 45 54 jaar. Voor vrouwen is de piek minder duidelijk zichtbaar, er is weinig verschil te zien tussen de leeftijdsklassen 35 44 en 45 54 jaar. Jongeren hebben gemiddeld het laagste inkomen, gevolgd door personen van 65 jaar en ouder. Jongeren staan aan het begin van hun carrire en beginnen meestal ook onderaan de ladder. Wat ook een rol speelt is de omstandigheid dat de arbeidsparticipatie in de laag ste leeftijdsklasse laag is, omdat veel jongeren nog studeren. De jongere die werkt heeft over het algemeen een lagere opleiding genoten, en de jongere die studeert heeft ofwel geen inkomen of moet rond zien te komen met een studietoelage of een bijbaantje. De 65-plussers hebben in meerderheid hun carrire beindigd en genieten van AOV en eventueel een aanvullend pensioen. De verschillen in inkomen tussen man en vrouw ligt niet aan de AOV, die gelijk is voor iedereen, maar heeft te maken met de aanvu llende pensioenuitkering en andere bronnen van inkomsten. Tabel 2. Bevolking 15 jaar en ouder naar geslacht en bruto maandinkomen, relatieve verdeling, Curaao, Census 2011 Geslacht In l komen Man Vrouw Totaa % Geen 16 8 19 1 1 8 1000 21 34 2 10 9 01 2000 20 18 1 20 0 01 3000 12 9 1 30 6 01 4000 7 6 40 6 01 5000 6 5 50 6 01 7500 8 5 M 4 eer dan 7500 6 3 Ni 3 et opgegeven 4 3 T 0 otaal 100 100 10

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine In t abel 2 wordt de verdeling van het bruto maandinkomen van de bevolking uitgesplitst naar geslacht. Bij vrouwen is sprake van een duidelijke piek in de kl asse 1 1000 gulden. Ruim een derde van de vrouwen met een inkomen valt in deze klasse1. Bij de mannen is de spreiding groter en is het verschil tussen de genoemde inkomensklasse en de daaropvolgende klein. Ook hebben mannen re latief vaker een hoger inkomen. Bij de mannen heeft 7 op de tien een inkomen van 3.000 gulden of minder. Bij de vrouwen is dat 8 op de tien. Inkomens naar opleidingsniveau In figuur 2 worden de gemiddelde inkomens uitgesplit st naar opleidingsniveau van de personen met een inkomen. De relatie tussen inkomen en opleidingsniveau is duidelijk. Personen met een lage opleiding, basisonderwijs of minder, ontvangen gemiddeld 1.677 gulden bruto per maand. Dat is maar net iets meer dan de helft van het algemeen gemiddelde inkomen (3.023). Personen met de hoogste opleidingen, het tweede niveau van het tertiair onderwijs: universitair en post-doctoraal ontvangen bijna drie maal zoveel dan het gemiddelde bruto inkomen. Ook het verschil tussen de hoogste klasse en de daarop volgende klasse, het eerste niveau van het tertiair onderwijs: HBO en vergelijkbaar, is groot te noemen. Deze laatste klasse heeft gemiddeld een inkomen dat bijna twee maal zo hoog is dan het algemeen gemiddelde. In tabel 3 wordt de inkomensverdeling weergegeven naar opleidingsniveau van de bevolking. Meer dan de helft van degenen die een basisopleiding of minder hebben gevolgd hebben een bruto inkomen van 1.000 gulden of minder. Bij alle andere opleidings niveaus is de spreiding over de inkomensklassen veel platter 2 Ook schuift de verdeling meer op naar de hogere inkom ensklassen naarmate de opleiding hoger is. In de hoogste opleidingsklasse, het tweede niveau van he t tertiair onderwijs universitair e n postdoctoraal 1 Opgemerkt dient te worden dat in de staten waarin de rela tieve inkomensverdelingen worden weergegeven ook de personen zonder inkomen en degenen die geen opgave van hun inkomen hebben gedaan zijn opgenomen. Dit heeft invloed op de percentages 28 Jaargang 12

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 29 nderwijsheeft ruim een derde een bruto inko men van meer dan 7.500 gulden per maand. o Tabel 3. Bevolking 15 jaar en ouder naar h en inkomen, oogst gevolgd opleidingsniveau Curaao, Census 2011 Hgd oplveau oogst gevol eidingsni Inkomen l minder eerste nive tweede nive eerste niveau tw en hoger Onbekend Basisopeiding of Secundair onderwijs, au Secundair onderwijs, au Tertiair onderwijs, Tertiair onderwijs, eede niveau Geen 11 14 12 8 6 22 1 1000 51 27 12 5 4 26 1001 2000 2 1 2 28 22 8 4 0 2001 3000 8 13 17 10 5 4 3001 4000 3 61 11 2 7 3 4001 5000 2 4 9 15 10 2 5001 7500 2 4 10 24 25 2 meer dan 7500 2 3 5 1 3 6 7 2 Niet opge geven 1 1 1 1 1 30 totaal 100 100 100 100 100 100 In figuur 3 wordt de ontwikkeling van de inkomensverdeling naar opleidingsniveau verduidelijkt. In deze figuur zijn personen zonder inkomen of waarvan het opleidingsniveau niet bekend is niet meegenomen. Heel goed is te zien dat de hoogste inkomensklasse voor meer dan 80 procent wordt bezet door personen die het tertiair onderwijs (HBO en (post)universitair) van de opleidingsklassen hebben gevolgd. Bijna 80 procent van degenen die 1.000 gulden of minder br uto per maand aan inkomen hebben zijn personen met een basisopleiding of minder en een opleiding op het eerste niveau van het secundair onderwijs (HAVO, SBO). V

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine 30 Jaargang 12 n weer in het gemidde lde en mediane inkomen na ar economische status, oral bi j de mannen; het inkomen voor werk ende vrouwen ligt maar iets boven en gemiddeld zijn de verschillen in inkomens tussen mannen en vrouwen in alle groepen van een ergelijkbare orde. Inkomens naar economische status Figuur 4 geeft de verschille uitgesplitst naar geslacht. Het gemiddelde inkomen is voor werkenden overduidelijk hoger dan personen met een andere economische status, maar vo het algemene gemiddelde. Werkenden hebben over het algemeen een inkomen dat circa 19 procent boven het algemeen gemiddeld inkomen ligt. Het gemiddelde voor een werkzoekende is minder dan de helft van het algeme inkomen. Het inkomen van economisch niet-actieven ligt 65 procent onder het gemiddelde. Het gemiddelde maandinkomen is dus het laagste bij de werkzoekenden. Uitgesplitst naar geslacht heeft een werkzoekende man evenwel een iets hoger inkome n dan een economisch niet -actieve vrouw. Een werkzoekende man verdient daarbi j nog altijd bijna de helft meer dan een werkzoekende vrouw. Procentueel gezien v

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 31 Het hebben van werk heeft een positiev e relatie met een hoger inkomen. Het tegenovergestelde kan gezegd worden van werkzoekenden, voor hen is de relatie met een lager inkomen duidelijk. Daarbij geldt tevens dat de helf t van de werkloze mannen gemiddeld 650 gulden of minder ontvangen, en de helft van de we rkloze vrouwen 350 gulden of minder. Het mediane inkomen van werkzoekenden is daarmee f link lager dan dat van werk enden en niet-actieven. Figuur 4 illustreert dat. Er is duidelijk sprake van een scheve inkomensverdeling, waarbij een groot deel van de werkzoekenden lage tot zeer lage inkomens ontvangen. In tabel 4 wordt de inkomensverdeling naar economische status weergegeven. Voor werkenden is de modale klasse 1001 2000 gulden. Voor de economis ch niet-actieven is dat de voorgaande, laagste, inkomensklasse. Werkzoekenden hebben in de meeste gevallen geen inkomen of een inkomen dat in de laagste klasse valt. Minder dan tien procent van de werkzoekenden h eeft een inkomen boven de 1.000 gulden. Van de economisch niet-actieven heeft ruim een kwart een in komen boven de 1.000 gulden. Ter vergelijking: meer dan 80 procent van de werkende n heeft een bruto inkomen boven de 1.000 gulden per maand. Tabel 4. Bevolking 15 jaar en ouder, naar economische status en bruto maandinkomen, relatieve verdeling, Curaao, Census 2011 Economische Status Inkomen Werkend Werkzoekend Economisch niet actief Niet opgegeven % Geen 2 63 33 49 1 1000 13 28 40 19 1001 2000 30 4 9 2 2001 3000 16 1 6 0 3001 4000 10 1 3 2 4001 5000 9 1 2 2 5001 7500 11 0 2 0 meer dan 7500 8 1 2 0 Niet opgegeven 2 1 3 27 totaal 100 100 100 100 Inkomen naar positie binnen huishouden In figuur 5 worden het gemiddelde bruto maandinkom ens uitgesplitst naar de positie van de persoon binnen het huishouden. Het hoofd van het huishouden heeft gemiddeld het hoogst e inkomen, bijna 3.500 gulden. Op de tweede plaats komt het inkomen van de partner van het hoofd met een gemiddelde van bijna 2.800 gulden. Het gemiddelde inkomen van andere huishoudleden me t een inkomen ligt duidelijk beneden dat van het hoofd en zijn of haar partner. Opvallend daarbij is dat de verschillen tussen deze andere inwonenden onderling gering zijn, rond de 2.000 gulden, met uitz ondering van inwonende huishoudsters en de ouders van het hoofd, partner of hun kinderen. Geringe verschillen in inkomen zijn er te zien bij in wonende kinderen, broers en zussen of andere familie van het hoofd en zijn of haar partne r, maar ook bij inwonenden die geen familierelatie hebben met de rest van het huishouden. Hun maandinkomen blijft wel ruim een derde onder het algemeen gemiddeld maandinkomen.

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine Het gemiddelde inkomen van inwonende ouders bedraagt ruim 1.500 gulden. Uit nadere analyse blijkt dat verreweg de meeste van deze ouders (85%) 60 jaar of ouder zijn en een inkomen hebben uit AOV en pensioen, en een klein deel (10%) nog een inkomen uit werk genereert. Deze verhoudingen wijken niet veel af van die welke voor alle ouderen gelden. Dat het gemiddelde inkomen van inwonende ouders beduidend lager is dat het gemiddelde inkomen van alle ouderen heeft voor een belangrijk deel te maken met het feit dat meer dan 80 procent van de inwonende ouders vrouw zijn, van wie bijna iedereen niet gehuwd (verweduwd, maar ook nooit gehuwd geweest en gescheiden). Uit tabel 1 bleek al dat oudere vrou wen een belangrijk minder hoog inkomen hebben dan oudere mannen. Hoewel in de Census hier geen directe vragen over gesteld zijn mag met deze gegevens gesteld worden dat inwonende ouders in een huishouden over het algemeen financieel kwetsbaar zijn. Uit een verdere analyse van detailgegevens blijkt dat deze inwonende ouders fysiek vaker kwetsbaarder zijn dan hun leeftijdgenoten, maar die verschille n zijn niet echt groot. Ze zijn met name vaker bewegingsbeperkt en visueel beperkt. Voor inwonende huishoudsters is het gemiddelde maandinkomen rond het voor 2011 vastgestelde minimumloon1 In tabel 5 zijn de gemiddelde inkomens van person en binnen een huishouden verder uitgesplitst naar geslacht van het hoofd. Er vallen uit tabel 5 een aantal conclusies te trekken. 1 Voor een 45-urige werkweek 1.467,22 maar voor andere aantallen werkuren gelden andere tarieven. Het gemiddeld aantal werkure n voor deze groep is echter precies 45 uur. Huishoudelijk personeel valt uitdrukkelijk ook onder de minimumloon wetgeving. 32 Jaargang 12

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 33 Niet alleen is het gemiddelde inkomen van een mann elijk hoofd van het huishouden (veel) hoger dan dat van een vrouwelijk hoofd, ook de partner van het vr ouwelijke hoofd heeft gemiddeld een hoger inkomen dan zijzelf. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat in slechts elf procent van de huishoudens met een vrouwelijk hoofd de partner ook een inkomen heef t. In huishoudens met een mannelijk hoofd is dat percentage veel hoger: 59 procent1. Tabel 5. Gemiddeld bruto maandinkomen naar positie in het huishouden en geslacht van het hoofd, Curaao, Census 2011 geslacht van het hoofd van het huishouden positie binnen het huishouden manvrouw totaal hoofd van het huishouden 4.228 2.560 3.497 gehuwd/ samenwonend met hoofd 2.730 3.182 2.790 inwonende kinderen van hoofd / partner 2.268 2.125 2.186 ouders van hoofd /partner /kind 1.604 1.445 1.517 broer / zus van hoofd of partner 1.918 1.939 1.932 andere familieleden 2.098 1.976 2.020 andere inwonenden, geen familie 2.221 2.037 2.138 live-in huishoudster 1.428 1.433 1.429 Op te merken valt dat het gemiddelde inkomen van de partner van een vrouwelijk hoofd hoger is dan van het hoofd zelf, en ook hoger dan het inkomen van de partner van een mannelijk hoofd. De gemiddelde inkomen van andere leden van het huishouden tonen weinig verschil tussen een huishouden met een man of met een vrouw als hoofd. Tabel 6 geeft nadere details van de inkomensverdeling van gezinsleden. Vooral inwonende kinderen en andere familie (de niet-gespecificeerde familieleden) hebben geen inkomen. Inwonende ouders hebben meestal wel een inkomen, waarvan me er dan 60 procent een inkomen van 1.000 gulden of minder. Hoofden van huishoudens en hun partners hebben vaker een hoger inkomen, bove n de 3.000 gulden, dan de andere huishoudleden. 1 Ter vergelijking: vrouwelijke hoofden van huishoudens hebben ook heel vaak geen partner, slechts in 12 procent van de gevalle n is deze aanwezig. Daarbij heeft 90 procent van hen een eigen inkome n. Mannelijke hoofden hebben in 73 procent van de gevallen een partner. Daarvan heeft driekwart een eigen inkomen.

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine 34 Jaargang 12 Tabel 6. Bevolking 15 jaar en ouder naar relatie tot het hoofd van het huishouden en bruto maandinkomen, relatieve cijfers, Curaao, Census 2011 Inkomen Relatie tot hoofd van het huishouden Geen 1 1000 1001 2000 2001 3000 3001 4000 4001 5000 5001 7500 Meer dan 7500 Niet opgegeven Totaal % Hoofd 4 25 21 14 8 8 10 8 1 100 Gehuwd/ samenwonend met hoofd 2026 18 107674 1100 Kind van hoofd of partner 41 18 18 7 4 2 2 2 5 100 Ouder van hoofd of partner 8 61 14 8 3 2 2 1 1 100 Broer, zus van partner 12 44 22 9 4 3 2 2 1 100 Andere familie 38 21 19 8 3 2 1 1 6 100 Inwonende huishoudster 2 42 51 1 1 0 0 1 1 100 Geen familie 11 51 20 7 3 2 1 2 2 100 Onbekend 41 25 8 3 1 1 2 1 19 100 Inkomens naar geboorteplaats In figuur 6 is het gemiddelde inkomen uitgesplitst naar de geboorteplaats van de persoon. Hierbij zijn alleen landen opgenomen waar voldoende waarnemingen (circa 300 en meer) konden worden meegenomen. Dit is gedaan om de invloed van extreme waarden te verminderen. Landen zoals de Verenigde Staten en veel Caribische landen zijn daardoor niet in de figuur opgenomen. Personen geboren in Nederland blijken gemiddeld de hoogste inkomens te ontvangen. Het verschil met personen uit andere geboorteplaatsen is groot. Voor personen geboren in Curaao, bedraagt het ge middeld bruto maandinkomen iets minder dan 3.000 gulden, iets beneden het algemene gemiddelde. Dit laatste is uiteraard niet verwonderlijk omdat meer dan driekwart van de personen met een inkomen in Curaao geboren zijn. Personen uit Suriname, Aruba en Venezuela hebben ge middeld een hoger maandinkomen dan de personen uit Curaao. Personen uit andere Caribische landen en Portugal (Madeira), in clusief Bonaire en Sint Maarten, hebben gemiddeld een lager inkomen. Bij de beoordeling van de inkomensverschillen naar geboorteplaats van de pe rsonen moet rekening gehouden worden met het soort werk en het type inko men dat men heeft. Personen die niet in Curaao of op een van de andere eilanden van de voormali ge Nederlandse Antillen zijn geboren hebben een werkvergunning nodig en worden voor een bepaalde functie binnengehaald.

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 35 De hoogte van het inkomen is afhank elijk van het beroep dat men uitoefen t. Zo blijken personen geboren in Nederland in meerderheid een beroep te hebben w aar een hogere opleiding voor vereist is, zoals professionals en technici. Ook hebbe n personen uit Nederland vaak een management functie. Gezamenlijk heeft circa 70 procent van de personen die geboren zi jn in Nederland een beroep in de hogere regionen1. Het percentage hogere beroepen neemt geleidelijk af naarmate het inkomen naar geboorteland zoals in de figuur getoond afneemt. Er is klaarblijkelijk spra ke van een soort internationale arbeidsverdeling. Circa 59 procent van de personen ui t Suriname hebben een hoger beroep. Zij zijn vaak professionals. Voor personen uit Aruba geldt dat ongeveer 49 procent va n hen een hoger beroep hebben, vaak managers en professionals. Bijna 37 procent van de personen die in Venezuela geboren zijn heeft een hoger beroep, vaak zijn het technici. Mensen die in Curaao geboren zijn, zijn in alle beroepsgroepen te vinden. Ongeveer 31 procent oefent een functie in een hogere beroepsgroep uit. Personen uit Sint Maarten en Bonaire hebben vaker een beroep in de middengroepen, vooral in de handel. Circa 29 procent van hen heeft een beroep in de hogere klassen. Personen in Portugal geboren zijn vaak terug te vind en in de handel en de dienstverlening. Ongeveer 21 procent heeft een hoger beroep. Meer dan de helft van de Jamaicanen oefent ongesch oolde beroepen uit, slechts een klein percentage van deze groep heeft een hoger beroep. Datzelfde geldt ook voor personen uit de overige geboorteplaatsen. Jamaicanen, Colombianen en Dominicanen hebben naast on geschoolde beroepen ook vaak een baan in de handel en de dienstverlening. 1 Met beroepen in de hogere regionen wordt hier bedoeld de zo juist genoemde beroepsgroepen: managers, professionals en technici

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine 36 Jaargang 12 Personen geboren in Hati hebben bijna nooit een hoger beroep. Zij oefenen vooral beroepen uit waar geen opleiding voor vereist is, maar ook beroepen in de handel en in "ambacht". In tabel 7 wordt de inkomensverdeling naar geboorteland gepresenteerd. Van de personen geboren in Portugal, Sint Maarten en Caribisch Nederland en in mindere mate Curaao heef t de grootste groep een inkomen van 1.000 gulden of minder. De grootste groep personen uit Colombia, Hati en Jamaica en in mindere mate de Dominicaanse republiek heeft een inkomen tussen de 1001 en 2000 gulden. Tabel 7. Bevolking 15 jaar en ouder naar geboortepl aats en bruto maandinkomen, relatieve verdeling, Curaao, Census 2011 Inkomen Geboorteplaats Geen 1 1000 1001 2000 2001 3000 3001 4000 4001 5000 5001 7500 Meer dan 7500 Niet opgegeven Totaal % Colombia 22 19 34 11 4 3 3 2 2 100 Dom. Republiek 23 30 32 6 2 1 1 2 2 100 Hati 16 25 40 10 3 2 1 2 1 100 Jamaica 18 26 39 8 2 1 1 3 2 100 Nederland 21 8 9 9 8 8 14 19 4 100 Curaao 18 26 19 11 7 6 7 4 2 100 Aruba 11 22 16 12 8 9 13 8 2 100 Sint Maarten 19 36 12 11 5 5 3 3 4 100 Car. Nederland 10 37 18 12 7 5 6 4 1 100 Portugal 12 42 20 10 4 4 5 3 1 100 Suriname 14 13 14 13 10 11 14 8 2 100 Venezuela 27 18 17 12 7 6 6 5 2 100 Overig / onbekend 19 19 17 10 6 6 6 7 10 100 Een derde van de personen geboren in Nederland heef t een inkomen boven de 5.000 gulden. Voor mensen uit Aruba en Suriname is dat aandeel een vijfde. De ve rdeling over de inkomensklassen is voor personen uit Suriname het meest ge lijk. Voor personen geboren in Curaao is een gelijkmatig aflopend percentage per inkomensklasse te zien: van 26 procent in de laagste inkomensklasse tot 4 procent in de hoogste klasse. Inkomens naar bron van inkomen In figuur 9 worden de gemiddelde maandinkomens ui tgesplitst naar voornaamste bron van inkomen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt naar het inkomen uit de belangrijkste bron en het totale inkomen. Het verschil wordt gemaakt doordat een deel van de inkomenstrekkers ook een aanvullend inkomen uit andere bronnen ontvangt. Zoals uit de figuur duidelijk naar voren komt, is het totale gemiddelde bruto maandinkomen het hoogst voor personen die hun inkomen voornamelijk uit verm ogen genereren. Het inko men uit de belangrijkste bron is iets lager. Het verschil tussen de twee is geri ng omdat het merendeel geen tweede inkomen heeft, en degenen die dat wel hebben voornamelijk een inkomen uit AOV krijgen. Het totale gemiddelde inkomen komt voor de groep uit op bijna 7.700 gulden.

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 37 De volgende hoge inkomens komen uit de inkomens uit werk en uit pensioen. Werkenden ontvangen iets meer dan 3.600 gulden en pensioentrekkers iets minder dan dat. Pensioenontvangers bereiken dit inkomensniveau wel vaker door een aanvullend inkomen. Dit komt vaak door een AOV uitkering en iets minder vaak door inkomen uit werk. Merkwaardig genoeg geeft een grote groep, meer dan een derde, aan geen tweede inkomen te ontvangen, terwijl zij, als zij 60 jaar en ouder zijn wel recht op AOV zouden hebben. Maar ook indien geco rrigeerd wordt voor leeftijd (60 jaar en ouder) en geboorteplaats (Curaao), geeft ruim 30 procent aan geen tweede inkomen te hebben. Dat geldt zelfs voor degenen die nog nooit in het buitenland gewoond hebben. Verreweg de meeste personen die hun inkomen voor al uit werken ontvangen (88%) geven aan geen aanvullend inkomen te ontvangen. Zij die dat wel kr ijgen, ontvangen dat uit AOV, pensioen of een bijbaantje. Personen die hun inkomen voorname lijk in de vorm van AOV ontvangen hebben soms nog een klein aanvullend pensioen of inkomen uit een bijbaantje of uit een andere, niet gespecificeerde bron. Driekwart heeft echter alleen AOV, zodat het verschil tussen inkomen uit eerste bron en totaalinkomen beperkt blijft. Het totaalinkomen blijft daardoor onder de 1.300 gulden per maand. Uit AOV alleen bedraagt het gemiddelde inkomen iets meer dan 1.100 gulden1. 1 Dat dit gemiddelde boven het officile AOV bedrag van NAf. 818, uitkomt kan te maken hebben met personen die een vergelijkba re uitkering uit Nederland of andere landen van herkomst hebben. Uit een uitsplitsing van de inkomens uit AOV naar geboorteplaats blijkt dat degenen die niet in Curaao geboren zijn een hogere uitkering opgeven. Maar het gemiddelde van degenen die wel in Curaao geboren zijn is dan nog steeds te hoog. Het blijkt dat sommige respondenten geen onderscheid (kunnen) maken tussen pensioen en AOV.

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine 38 Jaargang 12 Personen die voornamelijk moeten rondkomen met een inkomen uit alimen tatie en/of kindertoelage hebben gemiddeld een totaalinkomen van net geen 1.500 gulden tot hun beschikking. In een beperkt aantal gevallen heeft de persoon ook een tweede inkomen. Personen met een studiefinanciering hebben soms ook een extra inkomen uit een bijbaantje of een ander tweede inkomen. Hun inkomen komt daardoor gemiddeld uit op ruim 1.300 gulden. De laagste inkomens worden ontvangen door mensen die een uitkering (onderstand) ontvangen. Omdat alleen degenen die geen enkel andere inkomen hebben een uitkering kunnen ontvangen zou er geen verschil tussen het totale inkomen en dat uit de voornaamste bron mogen zijn. Toch geeft een aantal uitkeringsgerechtigden aan een extra inkomen te ontvange n. Dit moeten echter zeer kleine bedragen zijn uit kleine jobs en andere bron omdat het verschil erg klein is. Conclusies In 2011 bedroeg het gemiddelde inkomen per persoon 3.023 gulden. Het mediane inkomen kwam uit op 1.836 gulden. De mediaan ligt dus behoorlijk onder he t gemiddelde inkomen. Dat duidt op een scheve inkomensverdeling. In veertig jaar tijd (1971-2011) is het rele (gecorrigeerd voor prijsontwikkelingen) bruto inkomen van personen met 29 procent gegroeid. Tussen 1992 en 2001 groeide het persoonlijke inkomen het meest, gemiddeld met 1,4 procent per jaar. Opvallend is het grote verschil in inkomen tussen man en vrouw. Gemiddeld bedraagt het verschil in 2011 bijna 50 procent. Wat opvalt, is dat het verschil tussen beide seksen oploopt naarmate de leeftijd vordert: van 21 procent voor de laagste leeftijdsklasse tot 72 pr ocent in de leeftijdsklasse 65 jaar en ouder. Het verschil in gemiddelde inkomens tuss en mannen en vrouwen is in de l oop der (census) jaren wel minder geworden. De inkomens van vrouwen zijn veel sneller gestegen dat die van mannen. De relatie tussen inkomen en opleidingsniveau is duidelijk. Personen met een lage opleiding, basisonderwijs of minder, ontvangen gemiddeld 1.700 gulden bruto pe r maand. Het inkomen loopt op tot circa 8.500 voor de hoogst opgeleiden. Ook de relatie van het bruto inkomen met de economis che status is evident. Een werkzoekende ontvangt net geen 1.400 gulden per maand, terwijl een werken de bijna 3.600 gulden verdient. Economisch nietactieven zitten met een gemiddeld bruto inkome n van bijna 2.000 per maand daar tussen in. Het hoofd van een huishouden ontvangt gemiddeld 3.500 gulden bruto per maand. Het maakt veel uit of dat hoofd een man (4.200) of een vrouw (2.600) is. Personen geboren in Nederland blijken gemiddeld de hoogste inkomens te ontvangen. Het verschil met personen uit andere geboorteplaatsen is groot. Voor personen geboren in Curaa o bedraagt het gemiddeld bruto maandinkomen iets minder dan 3.000 gulden, iets beneden het algemeen gemiddelde. Personen uit Suriname, Aruba en Venezu ela hebben gemiddeld een hoger maandinkomen dan de personen uit Curaao. Personen uit andere Caribische landen en Portugal (M adeira), inclusief Bonaire en Sint Maarten, hebben gemiddeld een lager inkomen. De verschillen worden grotendeels verklaard door het type werk dat men verricht en het beroep. Het totale gemiddelde bruto maandinkomen is het hoog st voor personen die hun inkomen voornamelijk uit vermogen genereren. Ook het inkomen uit werk of pensioen als belangrijkste bron levert gemiddeld een hoger inkomen op. Lagere persoonlijke inkomen kome n voor bij personen die een hoofdinkomen uit AOV, alimentatie / kindertoelage, studiefinanciering en uitkering hebben.

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 39 Ontwikkeling van de deelname aan hoger onderwijs en de toename van hoogopgeleiden op Curaao Carlien de Witt Hamer Inleiding De gevolgen van de snelle en ingrijpende veranderingen in de mondiale kenniseconomie hebben internationaal geleid tot herdefiniring van de prioriteitstelling in het onderwijs in landen in ontwikkeling. Werd aanvankelijk het accent gelegd op het primair onderwijs, in steeds meer landen wo rdt nu meer de aandacht gericht op het hoger onderwijs teneinde eigen kader op te leiden (capacity buildin g) ten behoeve van de ontwikkeling van het land. Uit de resultaten van de census 2011 blijkt duidelijk dat ook op Curaao een dergelijke ontwikkeling gaande is. Dit artikel is een vervolg op de serie van drie artikelen die in 2005 en 2006 in Modus zijn verschenen over hoog opgeleide personen op de Nederlandse Ant illen. In deze serie werd een vergelijkin g gemaakt tussen de gegevens uit de Census 1992 en uit de Census 2001 voor alle eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen.1 Nu de data van de Census 2011 beschikbaar zijn wordt een analy se gemaakt van de resultaten van de Census 2011, vergeleken met de gegevens van de Census 2001. Relevante ontwikkelingen die tussen 2001 en 2011 hebben plaatsgevonden Tussen 2001 en 2011 hebben de volgende ontwikkeli ngen plaatsgevonden die va n invloed zijn op deze analyse. In de eerste plaats is de staatkundige structuur gewijz igd en is er sinds 10 oktober 2010 geen sprake meer van het Land de Nederlandse Antillen maar van het La nd Curaao. De Census 2011 heeft zich beperkt tot Curaao en ook dit artikel heeft sl echts betrekking op Curaao. In de tweede plaats is de structuur van het onderwij s gewijzigd als gevolg van de vernieuwingen die vanaf 2002 zijn ingevoerd. Met deze vernieuwingen zijn de mogelijkheden om door te stromen naar hogere vormen van onderwijs verruimd. In dit artikel zal reke ning gehouden worden met de resultaten van deze vernieuwingen. In de derde plaats door de regering van 2010 in 2 011 een beleid opgesteld dat erop gericht is om het fenomeen van brain drain in te dammen en zo veel mo gelijk toekomstig kader in eigen land en in de regio op te leiden. 1 Hoog opgeleide personen in de Nederlandse Antillen, Mike Jac obs, Modus ; jaargang 6, no. 2 Hoog opgeleide personen in de Nederlandse An tillen (2), Mike Jacobs, Modus; jaargang 6, no. 3 Hoogopgeleide personen in de Ne derlandse Antillen (3), Sabrina Dinm ohamed, Modus; jaargang 6, no. 4

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine 40 Jaargang 12 De structuur van het onderwijs Er zijn met betrekking tot het onderwijs in de loop der jaren verschillende tenden sen die allen in dezelfde richting wijzen: hoger onderwijs behoeft meer aandacht van de overheid teneinde te garanderen dat eigen kader beschikbaar is ter ondersteuning van een duurzame ontwikkeling van Curaao. Met de invoering van de onderwijsvernieuwingen is het percentage leerlingen dat algemeen vormend onderwijs op het niveau van HAVO en VWO volgt su bstantieel toegenomen en dit heeft weer tot een verhoging van de doorstroom naar het hoger onderwijs geleid. Tevens is de structuur van het beroepsonderwijs ve randerd. Leerlingen die het Voorbereidend Secundair Beroepsonderwijs (VSBO het onderwijstype dat in de plaats is gekomen van MAVO, LTS en BVO) hebben afgerond, kunnen doorstromen naar het Secundair Beroepsonderwijs (SBO). Het SBO wordt aangeboden op 4 niveaus1. Het diploma van een opleiding op niveau 4 geeft toegang tot het hoger onderwijs. Doordat studenten in het SBO opleidingen kunnen stapelen door kunnen stromen naar een opleiding op een hoger SBO niveau bereiken meer st udenten niveau 4 en is de doorstroom naar het hoger onderwijs ook vanuit het beroepsonderwijs verhoogd. Brain drain De urgentie van de aandacht voor eigen kaderontwikke ling wordt nog versterkt door de brain drain waar Curaao mee te kampen heeft. Het fenomeen van brain dr ain heeft twee dimensies: Aan de ene kant gaat het om de 300 `a 400 leer lingen van het HAVO en VWO die jaarlijks naar Nederland vertrekken om te gaan studeren. Vele n van hen keren na het behalen van hun diploma niet terug naar Curaao. Voor een deel omdat zij verder willen studeren of eerst wat werkervaring op willen doen, voor een deel omdat zij zich al in de persoonlijke sfeer verbonden hebben met de Nederlandse samenleving. Maar er is ook een deel dat graag terug zou willen komen en dat door onder andere de hoge studieschuld in euros niet kan. Aan de andere kant gaat het om het wegtrekken van opgeleid kader, voornamelijk ten tijde van recessie en sociaaleconomische instabiliteit Daarbij is het kenmerkend voor de hele Caribische regio dat migratie een alternatief blijkt te zijn wanneer in eigen land weinig perspectief wordt gezien om in eigen onderhoud of verdere (intellectuele) ontwikkeling te voorzien. Deze trend wordt nog versterkt door de vraag naar hoger opgeleiden in rijke landen. Om dit fenomeen tegen te gaan is het aanbod en de diversiteit aan mogelijkheden om op Curaao en in de regio te studeren vergroot. De grootste aanbieder van hoger onderwijs is de University of Curaao dr. Moises da Costa Gomez (UoC). De UoC is de enige openbare instelling voor hoge r onderwijs en kent momenteel vijf faculteiten met opleidingen op bachelor en master niveau. 1 Niveau 1 de assistent opleiding; Niveau 2 de basisberoepsopleiding; Niveau 3 de vakopleiding; Niveau 4 de middenkaderopleiding.

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 41 Het betreft: o De Algemene faculteit; o De faculteit der Rechtsgeleerdheid; o De faculteit der Technische wetenschappen; o De faculteit der Sociaal-eco nomische wetenschappen; o De faculteit der Maatschappijen gedragswetenschappen. Daarnaast worden opleidingen op het gebied van hoge r onderwijs aangeboden door bijzondere instellingen, private instellingen en buitenlandse inst ellingen met dependances op Curaao. Deelname aan hoger onderwijs Onder hoger onderwijs wordt begrepen het hoger beroepsonderwijs (HBO) en wetenschappelijk onderwijs (WO). De deelname aan vormen van hoger onderwijs is heel duidelijk gestegen in de afgelopen 10 jaar. Het totale aantal studenten dat een hoge dagopleiding (HBO/WO) volgt is gegroe id van 562 personen in 2001 naar 1988 personen in 2011. Daarnaast volgen in 2011 687 studenten deeltijd of avondopleidingen op HBO/WO niveau. Hoog opgeleiden op Curaao Hoog opgeleiden zijn personen die een HBO of WO opleiding met goed gevolg hebben afgerond. Het opleidingsniveau van de bevolking is duidelijk gestegen in de afgelopen 10 jaar. Opvallend is de enorme groei van hoogopgeleiden. Het aantal is to egenomen van 9.447 in 2001 tot 16.042 in 2011, een toename van 69,8 procent. Van de totale niet meer schoolgaande bevolking heeft 14,9 procent een hoge opleiding gevolgd, in 2001 was dit 10,5 procent. Een absolute stijging van 6.595 personen. Het percentage vrouwen met een hoge opleiding is 14,2 procent, het percentage mannen met een hoge opleiding is 15,9 procent. Absoluut gezien zijn er echter meer hoogopgeleide vrouwen (8.512 personen) dan hoogopgeleide mannen (7.530 personen). 1. Land van studie Tabel A-1 geeft informatie over de vraag in welk land personen met een hoge opleiding hun opleiding gevolgd hebben. Nederland is zowel in 2001 (49,4%) als in 2011 (48,2 %) het belangrijkste land van studie. Daarnaast is er een substantile toename te zien voor wat betreft studeren op Curaao zelf, tussen 2001 (27,3%) en 2011 (32,2%). Steeds meer studenten kiezen ervoor om hun studie geheel of gedeeltelijk op Curaao te volgen. Ook studeren in de regio, een van de speerpunten van he t beleid op het gebied van hoger onderwijs, is in absolute termen toegenomen.

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine Tabel A-1 Personen met een hoge opleiding naar land van studie, 2001 en 2011 aantallen mutaties 2001-2011 (%) Land van studie 2001 2011 absoluutt relatief (%) 2001 2011 mutaties 2001-2011 in procentpunten (a) (b) (c=b-a) d=c:a) (e ) (f) (g=f-e) Curaao 2575 5171 2596 100,8 27,3 32,2 5,0 Sint Maarten 2 6 4 200,0 0,0 0,0 Aruba 32 30 -2 -6,3 0,3 0,2 -0,2 Bonaire 4 -4 -100,0 0,0 0,0 Sint Eustatius 0 0 Saba 0 0 BES 9 9 100,0 0,1 0,1 Nederland 4667 7734 3067 65,7 49,4 48,2 -1,2 Suriname 198 249 51 25,8 2,1 1,6 -0,5 Verenigde Staten 637 944 307 48,2 6,7 5,9 -0,9 Overige landen 1332 1826 494 37,1 14,1 11,4 -2,7 Onbekend 73 73 100,0 0,5 0,5 Totaal 9447 16042 6595 69,8 100,0 100,0 BES 2. Land van geboorte Tabel A-2 geeft het geboorteland aa n van de hoog opgeleiden. In 2001 was 56,5 procent van de hoog opgeleiden geboren op Curaao, in 2011 is dat toegen omen tot 60,8 procent. Ma ar ook het aantal hoog opgeleiden dat niet op Curaao is geboren is over de hele linie toegenomen. De groep hoog opgeleiden met Nederland als land van geboorte bijvoorbeeld is in absolute termen toegenomen, hoewel deze groep relatief gedaald is van 18,2 procent tot 17 procent. Verder is de toename van hoger opgeleiden in de categorie overige landen (het betreft hier met name personen die geboren zijn in Colombia en Venezuela) noemenswaardig. Tabel A-2 Personen met een hoge opleiding naar geboorteland, 2001 en 2011 aantallen mutaties 2001-2011 (%) Land van geboorte 2001 2011 absoluutt relatief (%) 2001 2011 mutaties 2001-2011 in procentpunten (a) (b) (c=b-a) d=c:a) (e ) (f) (g=f-e) Curaao 5337 9752 4415 82,7 56,5 60,8 5,2 Sint Maarten 29 37 8 27,6 0,3 0,2 -0,1 Aruba 295 387 92 31,2 3,1 2,4 -0,7 Bonaire 130 -130 1,4 -1,4 Sint Eustatius 17 -17 0,2 -0,2 Saba 6 -6 0,1 -0,1 BES 202 202 1,3 1,3 Nederland 1723 2723 1000 58,0 18,2 17,0 -2,6 Suriname 470 626 156 33,2 5,0 3,9 -1,0 Verenigde Staten 82 133 51 62,2 0,9 0,8 Overige landen 1358 2167 809 59,6 14,4 13,5 -0,6 Onbekend 15 15 0,1 0,1 Totaal 9447 16042 6442 67,1 100,0 100,0 BES 42 Jaargang 12

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine Nummer 4 43 3. Hoog opgeleide Curaaonaars In tabel A-3 wordt uitsluitend gekeken naar de groep hoop opgeleiden die op Curaao geboren is. In 2001 heeft 41,6 procent (2.222 / 5.337) zijn/haar studie op Curaao gevolgd en 45,9 procent (2.449/ 5.337) heeft zijn/haar studie in Nederland gevolgd. In 2011 is een duidelijke verschuiving zichtbaar en is het percentage dat zijn/haar studie op Curaao heeft gevolgd noemenswaardig hoger. In 2011 heeft 45,6 procent (4.444/9.751 zijn/haar studie op Curaao gevolgd en 45,2 procent (4.409 / 9.751) heeft zijn/ haar studie in Nederland gevolgd. Het percentage studenten dat ervoor kiest om hoger onderwijs op Curaao te volgen is daarmee voor het eerst hoger dan het percentage dat er voor kiest om hoger onderwijs in Nederland te volgen, ook al is het verschil zeer gering. Tabel A-3 Personen met een hoge opleiding en geboren in Curaao naar land van studie, 2001 en 2011 aantallen mutaties 2001-2011 (%) Land van studie 2001 2011 absoluut relatief (%) 2001 2011 mutaties 2001-2011 in procentpunten (a) (b) (c=b-a) d=c:a) (e ) (f) (g=f-e) Curaao 2222 4444 2222 100 41,6 45,6 3,9 Sint Maarten 2 3 1 50 0,0 0,0 0,0 Aruba 7 7 0 0 0,1 0,1 -0,1 Bonaire 2 -2 0,0 Sint Eustatius 0 0 Saba 0 0 BES 6 6 0,1 Nederland 2449 4409 1960 80,0 45,9 45,2 -0,7 Suriname 23 20 -3 -13,0 0,4 0,2 -0,2 Verenigde Staten 384 599 215 56,0 7,2 6,1 -1,1 Overige landen 248 232 -16 -6,5 4,6 2,4 -2,3 Onbekend 31 31 0,3 0,3 Totaal 5337 9751 4414 82,7 100,0 100,0 BES Conclusie Het aantal hoog opgeleide personen op Curaao is tussen 2001 en 2011 flink toegenomen. Er heeft een stijging plaatsgevonden van 69,8 procent. In 2001 wa s 56,5 % van de hoog opgeleiden ook op het eiland geboren, in 2011 is dit 60,8 procent. Daarnaast is het percentage van degenen di e hun studie lokaal heeft gevolgd toegenomen van 27,3 procent in 2001 tot 32,2 procent in 2011. Een tendens in deze richting was al zichtbaar in de ce nsus van 2001 ten opzichte van 1992, maar heeft zich in 2011 zeer duidelijk gemanifesteerd. In het algemeen kan geconcludeerd worden dat met de cijfers van de Census 2011 wordt bevestigd dat het opleiden van eigen kader in eigen land en in de regio is toegenomen. De volgende Census zal uitwijzen of dez e ontwikkeling zich heeft voortgezet.

PAGE 49

rfntrbrftntt t rtff