Citation
Modus Jaargang 13 Nummer 1

Material Information

Title:
Modus Jaargang 13 Nummer 1

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 1

rfr nttb b t bb t rr r btbb n t n

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus In dit nummer Redactioneel ........................................................ iii 1. Collectieve huishoudens in de zorgsector.... 1 2. Tourism in numbers 2013 2014 .................. 11 3. Sociaaleconomische kenmerken van tw e e generaties migrante n in Curaao ................ 19 4. Internationale econ omische ontw i kkelingen in de p e riode 2011 tot en met 2013 ............. 31 5. Prijsontw i kkeling Cu raao 2014 .................. 45 N u mmer 1 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Jaargang 13 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Voor u ligt een editie van een nieuwe jaargang van MODUS, het statistische magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het eerste artikel in deze eerste editie van jaargang 13 beschrijft een categorie collectieve huishoudens, namelijk verpleegen verzorgingshuizen. Er wordt gebruikt gemaakt van de gegevens van Census 2011 om bepaalde kenmerken van de bewoners van verpleegen verzorgingshuizen in Curaao te analyseren. Zowel hun demografischeals hun gezondheidskenmerken worden in deze artikel beschreven. Toerisme is een van de snelst groeiende economische sectoren van Curaao. Aan de hand van data van het Centrale Bank van Curaao en St.Maarten, Curaao Hospitality and Tourism Association (Chata) en het CBS wordt in dit artikel de groei van deze sector nader geanalyseerd. Migranten hebben zich al vanaf de 19de eeuw op ons eiland gevestigd Ze vormen 24% van de totale bevolking van Curaao. In het derde artikel wordt een beschrijving gepresenteerd van de eerste en tweede generatie migranten hier op het eiland. Dit wordt gedaan aan de hand van de gegevens van Census 2011. In deze editie treft u ook een artikel aan dat ingaat op de internationale economische ontwikkeling over de periode 2011 tot en met 2013. Aan de hand van de drie belangrijkste economische indicatoren nl.; het rele Bruto Binnenlands Product (BBP), de inflatie en het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans wordt gekeken hoe de economie zich heef t ontwikkeld tussen 2011 en 2013. Als laatste wordt de ontwikkeling van de prijzen voor het jaar 2014 geanalyseerd. Een conclusie uit de analyse in dit artikel is dat de prijsontwikkeling van Curaao over 2014 resulteerde in een inflatie (1,5 procent) dat als een van de laagste van de afgelopen 10 jaar kan worden beschouwd. Al met al een interessante editie. Wij wensen u veel leesplezier toe bij het lezen van deze editie. De redactie. Colofon Oplage : 250 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 4611031 Fax: (599 9) 4611 696 info@cbs.cw www.cbs.cw Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Arnold Rooi Drukwerk Onemedia Group Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2015 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding. Nummer 1 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine Official statistics provide an indispensable element in the information system of a society, serving the government, the economy and the public with data about the economic, demographic, social and environmental situation. To this end, official statistics that meet the test of practical utility are to be compiled and made available on an impartial basis by official statistical agencies to honor citizens entitlement to public information. (Principle 1, UN Fundamental principles of Official Statistics) iv Jaargang 13

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 1 Collectieve huishoudens in de zorgsector Analyse van de Census 2011 Ellen Maduro-Jeandor Inleiding Net als in de Census van 2001 zijn in de census 2011 particuliere en collectieve huishoudens geteld. Een particulier huishouden is een eenheid binnen een woonverblijf, bestaande uit n persoon die op zichzelf woont (een npersoonshuish ouden) of uit meerdere personen di e bij elkaar wonen; dit betekent in huiselijk verkeer met elkaar omgaan. Criterium voor huiselijk verkeer is dat er gemeenschappelijke regelingen bestaan voor het levensonderhoud (aanschaf van voeding en andere levensbehoeften) en dat gebruik wordt gemaakt van een gemeenschappelijk hoofdwoonvertrek en van een gemeenschappelijke keuken. Collectieve huishoudens zijn inst ituten zoals verpleeghuizen, internaten, bejaardentehuizen, strafgevangenis, etc. Hier is geen sprake van groepsafspraken. Het reilen en zeilen in het instituut wordt bepaald door een managementteam. In een eerdere uitgave van de Modus (Jaargang 12 nummer 2) verscheen een artikel over de gevangenisbevolking ten tijde van de census. In di t artikel worden zorginstellingen onder de loep genomen. Zorginstellingen zijn instellingen w aar zorg wordt aangeboden (zorgaanbieders) aan zorgvragers (personen die zorg behoeven). Er zijn verschillende soorten zorginstellingen. Ziekenhuizen zijn het meest bekende type zorginstelling. Er zullen een aantal kenmerken worden beschreven van de in de census getelde zorgvragers in verpleegen verzorgingshuizen. Het betreft persone n die voor onbepaalde tijd in een zorginstelling verblijven en samen met andere be woners een collectief huishouden vormen. Niet alle zorgvragers maken deel uit van een collectief huishouden. De zorgvragers die bijvoorbeeld onder de thuiszorg vallen of tijdelijk in een ziekenhuis worden verp leegd, zijn lid van een priv-huishouden. Omvang collectieve en priv huishoudens Volgens de Census 2011 wonen er in totaal 15 0.563 personen in Curaao, verdeeld over 55.003 huishoudens (54.936 priv-huishoudens en 67 instituten of te wel collectieve huishoudens). Het aantal personen in priv huishoudens bedr aagt 147.862. In de collectieve huishoudens zijn er 2701 bewoners geteld (zie tabel 1). Na de Census van 1992 is een flinke toename te zien van 42 procent in 2001. In de Census 2011

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine 2 Jaargang 13 Tabel 1. Bevolkingsomvang en gemiddelde huishoudgrootte, Curaao 2011 1992 2001 2011 Bevolkingsomvang (incl. collectieve huishoudens) 144.097 130.627 150.563 Aantal huishoudens (incl. collectieve huishoudens) 41.272 43.161 55.003 Bevolkingsomvang (excl. collectieve huishoudens) 142.258 128.015 147.862 Aantal huishoudens (excl. collectieve huishoudens) 41.242 43.109 54.936 Bevolkingsomvang collectieve huishoudens 1.839 2.612 2.701 Zorginstellingen Type zorginstelling De Stichting Federatie Zorginstellingen gebruikt het criterium doelgroep om de zorg te classificeren. Hierbij maakt de stichting on derscheid in de volgende categorien of doelgroepen: 1. Chronisch zieken (sector Verpleging en Verzorging) 2. Lichamelijk en verstandelijk geha ndicapten (sector Gehandicapten) 3. Personen met een geestelijke problematiek (sector Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ), (Organisatie van de care op Curaao, Visiedocument Stichting Federatie Zorginstellingen Nederlandse Antillen, Curaao oktober 2008). Volgens de Federatie geldt voor een vrij grote groep zorgvragers dat sprake is van een meervoudige zorgvraag (bijvoorbeeld een lichamelijk gehandicapte persoon die chronisch ziek is). In een dergelijk geval is de dominante zorgvraag bepalend voor de indeling van de zorgvrager in een bepaalde categorie. Verder wordt in het visiedocument melding gemaakt van de Thuiszorg, die personen onder haar hoede heeft die door de zorgaanbieders in een thuissituatie worden verzorgd en of verpleegd. Deze zorgen verpleegfunctie gesc hiedt vanuit een primair medisch perspectief en daardoor is een andere expertise vereist da n in de ambulante sector Gehandicaptenzorg en GGZ. De thuiszorg vertoont meer gemeenschappe lijkheid met het intramurale onderdeel van de sector Verpleging en Verzorging. In de toekomst zal in overleg met betrokken stakeholders bepaald worden of de Thuiszorg als een vierde categorie (sector) beschouwd gaat worden. Een andere categorie zorgvragers waaraan speciale aandacht geschonken wordt, is de categorie personen met een psychogeriatrische aandoening.1 Indien men de intramurale zorgverlening aan deze doelgroep als een spec iale vorm van ouderenzorg zou kenmerken, 1 Ziekte, aandoening of stoornis in of van de hersenen (mede) als gevolg van ouderdom. Deze aandoening gaat vaak gepaard met aantasting van het denkvermogen, ge voelsleven, intellect en het geheugen. Soms is er ook sprake van een afname van motorische functies en een vermindering van de sociale re dzaamheid (http://www.mon itorlangdurigezorg.nl/overmlz/begrippen/psychogeriatrische-aandoening).

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 3 dan kunnen de instellingen die onder dit zorgs oort vallen ingedeeld worden bij de sector Verpleging en Verzorging of GGZ. De categorisering van dit zorgtype moet nader worden bepaald. Demografische kenmerken Leeftijd en geslacht Er zijn 1651 personen in de betreffende collec tieve huishoudens. Dit is 1,1 procent van de totale bevolking die in de Census is geteld. Ten opzichte van het totale aantal bewoners van collectieve huishoudens (instituten) is dat 61 procent. Van de 1651 personen die geteld zijn in verp leegen verzorgingshuizen zijn 226 (53%) man en 203 (47%) vrouw. Ruim 2 procent (2,4%) van het totaal betref t jongeren beneden de 20 jaar. Drie procent behoort tot de groep 20-29-jarigen. Naarmate de leeftijd stijgt, stijgt het aandeel bewoners van verpleegen verzorgingshuizen. Na de leeftijd sklasse 70-79 is sprake van een abrupte daling (Figuur 1). Figuur 1 Bewoners van verpleegen verzorgingshuizen naar leeftijd0 5 10 15 20 250 910-1920 2930 3940 4950 5960 6970 7980 8990 +% Volgens Tabel 2 zijn mannen voornamelijk in de leeftijdsgroepen 50-59, 60-69 en70-79 jaar (18 en 17 %). Er zijn relatief meer vrouwen dan ma nnen in de leeftijdsgroep 70-79 en 80-89 jaar (respectievelijk 21 en 28 %). Er zijn meer oudere vrouwen dan mannen in de betreffende collectieve huishoudens. Hoogst waarschijnlijk betreft het hier de categorie in de bejaardenhuizen. Vrouwen hebben een ho gere levensverwachting dan mannen.

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine 4 Jaargang 13 Tabel 2 Bewoners van verpleegen verzorgingshuizen naar leeftijd en geslacht, Curaao 2011 Man Vrouw Totaal absoluut relatief absoluut relatief absoluut relatief 0 19 32 3,6 8 1,0 40 2,4 20 29 32 3,6 17 2,2 49 3,0 30 39 69 7,8 31 4,0 100 6,1 40 49 128 14,6 52 6,7 180 10,9 50 59 156 17,7 69 8,9 225 13,6 60 69 146 16,6 108 14,0 254 15,4 70 79 158 18,0 160 20,7 318 19,3 80 89 131 14,9 219 28,4 350 21,2 90 + 27 3,1 108 14,0 135 8,2 Totaal 879 100,0 772 100,0 1651 100,0 In Figuur 2 wordt de leeftijdsverdeling van de bewoners van verpleeghuizen vergeleken met die van de totale bevolking. Het is vooral het aandeel oudere personen, boven de 60 jaar, in verpleegen verzorgingshuizen, dat veel groter is dan in de gehele bevolking. Voor de jongere leeftijdsklassen, tot 29 jaar, is juist het omgekeerde het geval. Het valt op dat in de tussenliggende leeftijdsklassen (30-39, 40-49 en 50-59) het aandeel bewoners in de betreffende collectieve huishoudens niet veel verschil t met het aandeel van de overeenkomstige leeftijdscategorien van de totale bevolking. Figuur 2 Leeftijdsopbouw bevolking in verpleegen verzorgingshuizen en totale bevolking, Curaao 20110 5 10 15 20 0-910-1920-2930-3940-4950-5960-6970-7980-8990 +% totale bevolking bevolking in verpleegen verzorgingshuizen Burgerlijke staat Verreweg de grootste groep verpleegen verzorgingshuisbewoners (circa 60 %) heeft de burgerlijke staat ongehuwd. In deze categorie vallen ook de kinderen en jongeren (2,4 % beneden de 20 jaar in Tabel 2). De allerkleinste groep, nog geen 10 procent, is gescheiden (Figuur 3).

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 5 Figuur 3 Bewoners van verpleegen verzorgingshuizen naar burgerlijke staat, Curaao 20110 10 20 30 40 50 60 70 OngehuwdGehuwdWeduw(e)naarGescheiden % Opvallend is het hogere percentage weduwen (20%) ten opzichte van het percentage gehuwden (12%), meer dan anderhalf keer zoveel (Figuur 3). Uit Figuur 4 blijkt dat het aandeel weduwes in de betreffende collectieve huishoudens ruim drie maal zo groot is als het aandeel weduwnaren. Hetzelfde geldt ook voor de categorie gehuwden, namelijk een groter aandeel weduwes vergeleken met weduwnaars. Figuur 4 Bewoners van verpleegen verzorgingshuizen naar burgerlijke staat en geslacht, Curaao 30110 10 20 30 40 50 60 70 OngehuwdGehuwdWeduw(e)naarGescheiden % man vrouw Geboorteplaats De meeste inwoners van verpleeghuizen zijn afkomstig uit het Caribi sch gebied; ruim 95 procent is daar geboren, waarvan uiteraard de meesten in Curaao (81,4%). Ruim 2 procent is in een Zuid-Amerikaans land geboren en 2 procent heeft een Europees land als geboorteplaats (Figuur 5).

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine 6 Jaargang 13 Figuur 5 Bewoners van verpleegen verzorgingshuizen naar geboorteplaats, Curaao 20110 15 30 45 60 75 90CuraaoAurba BESeilanden Sint Maarten Overig Caribisch gebied Zuid Amerika EuropaOverig% Gezondheidskenmerken van bewoners in verpleeghuizen Rookgedrag De meeste bewoners in verpleeghuizen roken ni et of zijn gestopt met roken. Dit levert bij elkaar opgeteld een aandeel van ruim 83 procent. Dit percentage ligt iets lager dan bij de totale bevolking (86,1%). Er wordt in iets meerdere mate gerookt in de betreffende collectieve huishoudens, dan bij de totale bevolking (Figuur 6). Vergeleken met de totale bevolking rookt een relatief grotere groep bewoners in de ve rpleegen verzorgingshuizen vrijwel dagelijks (12,7 versus 8,5%). Figuur 6 Rookgedrag van bewoners in verpleegen verzorgingshuizen, Curaao 20110 20 40 60 80 nooit gerookt is gestopt met roken rookt bij gelegenheid rookt minstens 1 X per week rookt dagelijks% totale bevolking bevolking in verpleegen verzorgingshuizen Gezondheidsperceptie Meer dan de helft van de verpleeghuisbewoners vindt hun gezondheid goed (44%) of heel goed (11%); zie Figuur 7. De rest, minder da n de helft beoordeelt hun gezondheid als redelijk tot heel slecht.

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 7 Figuur 7 Bewoners van verpleegen verzorgingshuizen naar gezondheidsperceptie, Curaao 201101 02 03 04 05 0 heel goed goed redelijk slecht heel slecht % Naar geslacht bekeken laten de resultaten weinig verschil zien tussen de perceptie van de verpleegen verzorgingshuizen van hun gezond heid. Indien men de variabelen heel goed en goed samenneemt komt men voor zowel de mannen/jongens als vrouwen/meisjes op 55 procent uit (Figuur 8). Figuur 8 Gezondheidsperceptie van bewoners van verpleegen verzorgingshuizen naar naar geslacht, Curaao 20110 5 10 15 20 25 30 35 40 45 50 heel goedgoedredelijkslecht heel slecht % man vrouw Aandoeningen Van het aantal personen in verpleegen verzor gingshuizen heeft een h oog percentage (54,0%) een geestelijke/verstandelijke aandoening (Tabel 3). Meer dan een derde deel (35,4%) is slechtziend. Bijna een derde deel (33,0%) kan n of beide benen niet goed gebruiken en een wat lager percentage (29,0%) kan n of beide armen niet goed gebruiken. Dertien procent heeft een andere lich amelijke aandoening. Degenen zonder aandoening vormen circa 57 procent van het totaal. Betrokkenen kunnen ook meer dan n aandoening hebben.

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine 8 Jaargang 13 Tabel 3. Bewoners van verpleeghuizen naar aandoeningen, Curaao 2011 Totaal Type aandoening absoluut % Blind 664,0 Slecht ziend 58535,4 Doof 321,9 Slecht horend 1609,7 Stom/spraakproblemen 865,2 Kan n of beide benen niet goed gebruiken 54533,0 Kan n of beide armen niet goed gebruiken 47829,0 Andere lichamelijke aandoening 21713,1 Geestelijke/verstandelijke aandoening 81954,0 Geen aandoening 93856,8 In Figuur 9 worden de verpleegen verzorgingshuisbewoners en de totale bevolking vergeleken voor wat betreft aandoeningen. De aandoeningen die het vaakst voorkomen bij de bewoners van verpleeghuizen zijn: geestelijke/verstandelijke aandoenin g, niet goed kunnen gebruiken van ledematen, en slechtziendheid. Bij de totale bevolking doet slechtziendheid zich het vaakst voor. 13,6 Procent van de bewoners in de collectieve huishoudens onder beschouwing hebben geen van de in de Census gemeten aandoeningen, tegenover ruim 80 procent van de totale bevolking. Figuur 9 Aandoeningen bevolking in verpleegen verzorgingshuizen en totale bevolking, Curaao 2011 020406080100Blind Slecht ziend Doof Slecht horend Stom/spraakproblemen Kan n of beide benen niet goed gebruiken Kan n of beide armen niet goed gebruiken Andere lichamelijke aandoening Geestelijke/verstandelijke aandoening Geen aandoening% totale bevolking bevolking verpleeghuizen Ziekten Hoge bloeddruk (22,1%) en dementie/alzheimer (22,0%) zijn de meest voor komende ziekten bij de bewoners van verpleegen verzorging shuizen. Verder komen diabetes (17,2%), hartproblemen (9,4%) en gevolgen van een hersen bloeding (8,5%) relatief vaak. 32,7 Procent lijdt aan geen van de in de tabel 4 voorkomende ziektes.

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 9 Tabel 4. Inwoners van verpleeghuizen naar ziekten, Curaao 2011 Totaal Ziekten absoluut % Hoge bloeddruk 36522,1 Diabetes 28417,2 Glaucoom 121 7,3 Astma/chronische bronchitis 47 2,8 Kanker 29 1,8 Sikkelcel 3 0,2 Hartproblemen 155 9,4 Gevolgen v/e hartinfarct 42 2,5 Gevolgen v/e hersenbloeding 141 8,5 Ernstige nierziekte 35 2,1 Dementie/Alzheimer 36422,0 Anders 36522,1 Geen van deze ziekten 54032,7 Het aandeel personen met hoge bloeddruk is bij de totale bevolking het grootst, gevolgd door de groep diabetici. Het aandeel dat aan geen van de betreffende ziekten lijdt is 71,6 procent. Figuur 10 ziekten bevolking in verpleegen verzorgingshuizen en totale bevolking, Curaao 2011 0 10 20 30 40 50 60 70 80hoge bloeddruk diabetes glaucoom asthma/chronische bronchitis kanker sikkelcel hartproblemen gevolgen v/e.hartinfarct gevolgen v/e hersenbloeding ernstige nierziekte dementie/alzheimer anders geen ziekte% totale bevolking bevolking verpleeghuizen Het zijn vooral oudere personen tussen de 60 en 89 jaar, die in verpleegen verzorgingshuizen zijn opgenomen. Er zijn er iets meer mannen dan vrouwen. De vrouwen zijn doorgaans ouder dan de mannen.

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine 10 Jaargang 13 De meeste bewoners in de betreffende huishoudens zijn ongehuwd. Verreweg de meesten hebben een Cari bisch land als geboorteplaats. Vergeleken met de totale bevolking wordt door de bewoners in de betreffende collectieve huishoudens vaker dagelijks gerookt. Minder dan de helft van de bewo ners van verpleeghuizen ervaart zijn of haar gezondheid als redelijk tot heel slecht. De meest voorkomende aandoeningen bij de ve rpleeghuisbewoners zijn geestelijke of verstandelijke aandoeningen. Andere aandoe ningen die ook vaak voorkomen hebben te maken met het niet goed kunnen gebruiken van de ledematen en slecht ziendheid. De meest voorkomende ziekten zijn ho ge bloeddruk en dementie/alzheimer.

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 11 Tourism in numbers 2013-2014 Glenda Varlack Introduction Tourism is a social, cultural and economic experience which involves the movement of people to countries or places outside their usual environment fo r personal, business or professional purposes. The tourism industry generates substantial economic be nefits to the local economy. It provides foreign exchange without exporting tangible goods out of the country. It increases export earnings from services and the rate of growth of the economy. It generates employment. It brings about investment in infrastructure and most certainly contributes to government revenues. In this article a general view will be given in numbers on the tourism industry in Curaao and how its position is compared to other countries in the Caribbean region. The data presented in this article is primarily based on data that the Curaao Tourist Bureau (CTB) has gathered together with data that Curaao Hospitality and Tourism Association (Chata) and the Central Bureau of Statistics (CBS) has compiled. A range starting fr om 2010 to 2014 will be given with an emphasis on the last year, depending on th e availability of the data. The methodology that is used among the sources of data is also different. The data will be divided in: Volume characteristics data which entail the nu mber of visitors (arrivals) and overnight stays. Trip characteristics which involve length of stay, period of stay and place of stay. Accommodation data (hotels and lodgings). Definitions2 The definitions used in this article have b een adopted from Eurostat Tourism Satellite Account. Visitor: any person travelling to a place other than that of his/her usual environment for less than 12 months and whose main purpose of trip is other than the exercise of an activity remunerated from within the place visited. Inbound visitors: the tourism of non-resident visitors within the economic territory of the country of reference. Stay over visitors : visitors, who stay one or more nights in the place visited. Same day visitors : visitors, who visit a place for less than one night. 2 Eurostat, OECD, WTO, UNSD Tourism Satellite Account: Recommended Methodological Framework, (Luxembourg, Madrid, New York, Paris, 2001) 13, 16, 29.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine 12 Jaargang 13 Occupancy rate (Occ): Rooms sold divided by rooms availa ble multiplied by 100. Occupancy is always expressed as a percentage of rooms occupied. Volume characteristics In this segment the data entails the number of visitors (arrivals) and overnight stays. An overview will be given of the general deve lopment in these aforementioned areas. Stay over visitors The number of stay over visitors between 2010 and 2014 has been steadily growing; although improvement has been attained, there is a deceleration in growth. For Curaao there has been an increase of 3 percent in visitors in 2014 in comparison to 2013. Generally mid-December through March are the most popular vacation months for the North Americans this due to primarily winter season, while Europeans tend to travel more during mid-June through August period. The prices drop significantly from end-April through endJune and July till mid-December (low season). The highest peaks of visitors visiting the island in the last five years have been in August October through December 2014 (Table 1). The decrease in stay over visitors during the months February to May 2014 is a result of the airlift challenge on different routes compared to 2013. This situation has affected the visitor arrivals from North America, South America and the Caribbean region. For the months of August/September from 2013-2014 the amount of stay over visitors has catapulted to a higher position, this is mainly due to the tourists who visit the North Sea jazz festival that is held in this period. Table 1: Total Stay Over Visitor stats overview Month 2010 2011 2012 2013 2014 Change % 2013-2014 January 28067 30083 34293 36083 37659 4 February 26912 31338 35122 36977 35547 -4 March 29772 33029 35752 40444 35690 -12 April 25986 34249 34921 36714 35592 -3 May 26558 28047 30616 33316 32420 -3 June 23072 28912 31317 32997 33080 0 July 29845 33137 35815 35196 36844 5 August 30767 36406 39075 38918 40507 4 September 26784 31144 33105 34324 37409 9 October 32116 32459 34355 37033 41482 12 November 29435 33386 35468 38579 42234 9 December 32337 37921 39824 40170 43578 8 Total 341651 390111 419663 440751 452042 3 Source: CTB

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 13 Stay over visitors by origin The majority of visitors to Curaao are origin ating from the Netherlands, Venezuela and USA (Table 2). The number of Dutch vi sitors has encountered a fall in 2011 and 2014; it has slightly recovered in 2014 with more than 6 percent. In 2010 Venezuela has been confronted with a de valuation of their local currency which led to tightened restrictions on access to foreig n currency. These foreign developments had a negative impact on the local tourism sector. As a result, the number of Venezuelan tourists in Curaao dropped significantly that year. By 2011 the number of Venezuelan visitors has been progressively on the rise, reaching a peak in 2014 of 6 percent growth, which is the second highest visitor group. Tourism number from the USA has been fluctuating, it increased after 2009 (35953 US visitors) in 2010 and 2013, in 2012 and 2014 there has been a dip in overnight visitors. The increase in Canadian and other European stay over visitors in 2014 is attributed to the new flight service that started end of 2014 together with the additional joint marketing efforts. Table 2: Stay over visitors by Origin Visitors by Origin Year Total visitor USA Canada Venezuela Other America Aruba Other Caribbean Netherlands Other Europe Rest of the World 2010 341651 49487 7619 44353 30923 18827 19585 140189 23662 7006 2011 390111 63334 8791 61564 35297 20452 20678 141546 27622 10827 2012 419663 61408 9687 82520 39738 21557 17851 136976 36027 13899 2013 440751 61709 9608 92357 43658 20048 18922 132176 43673 18600 2014 452042 53185 12468 98331 43388 17985 15509 140702 45536 24938 Source: CTB Graph1: Total Stay over Visitor percentage change 2013-2014-15 -10 -5 0 5 10 15 1 2 3456789 101112month %

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine 14 Jaargang 13 Overnight stays The total number of nights spent in a country is influenced by the number of visitors and their average length of stay. It is the most important indicator that measures the nights a tourist stays in a country. By staying overnight it generates income for the industry and subsequently for the country. January, July and October are the highest grossed stay over months in 2014 (see table 3). There is a growth trend in the stay over nights throughout the years 2010-2014. Table 3: Total Stay over Nights Month 2010 2011 2012 2013 2014 Change % 2013-2014 January 248520 288543 350973 338480 372242 10 February 227024 270253 318505 320646 322392 1 March 229445 270919 307946 334069 313083 (6) April 217886 274530 302086 296259 311935 5 May 208293 219335 260763 267635 275704 3 June 200729 235227 261048 276194 291404 6 July 293126 308350 332324 311589 344703 11 August 266233 289435 324008 313077 342115 9 September 222950 234187 284608 292087 316224 8 October 256451 254438 290609 306359 339084 11 November 234287 244839 275677 323135 351077 9 December 283499 295334 359550 3747 81 404249 8 Total (YTD)* 2888443 3185390 3668097 3754311 3984212 6 Source: CTB *YTD = yield to date Graph 2: Total Stay Over Nights-8 -6 -4 -2 0 2 4 6 8 10 12 1 2 3 456789 101112month%

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Nummer 1 15 Cruise tourism The cruise tourist can be considered as a same-day visitor (excursionist). The cruise tourist generally stays only one day on the island. The amount of passengers that has come to the port of Curaao in 2014 was 629145 (table 4). This is about 8 percent more cruise passengers than the year before. In 2010 there was a decrease in cruise passengers of about 8 percent compared to 2009 (417324 cruise passengers). Cruise calls refer to the amount of cruise ships that have docked in the harbor. The amount of calls in 2014 (300) is at an all time high compared to the years before (see table 4). The increase in the amount of cruise passengers is not only du e to more cruise calls but also due to the fact that cruise ships, that are visiting have more passenger capacity (see 2013). Table 4: Cruise statistics Year Cruise passengers Cruise calls Change % Cruise passengers 2010 382697 220 -8 2011 400596 246 5 2012 436068 226 8 2013 583994 291 35 2014 629145 300 8 Source: CTB Trip characteristics The trip refers to the travel by a person from the time of departure from his/her usual residence until he/she returns: it thus refers to a round trip. A trip is made up of visits to different places. In this section a view will be given the main characteristics of the trip, the length of stay, period of stay, place of stay. Length of stay The average (avg.) length of stay (table 5) for a number of holiday trips is calculated by dividing the total number of nights spent by th e total number of visitors. The length of stay and the number of visitors reflects the number of overnight stays, which is considered a key indicator for accommodation statistics. The length of stay in Curaao has progressively been increasing every year. For the period of 2012-2014, the average length of stay was at a steady growth of approximate 9 nights.

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine 16 Ja argang 13 Table 5: Length of stay Year Nights Visitors Length of stay (avg.) 2010 2888443 341651 8.5 2011 3185390 390111 8.2 2012 3668097 419663 8.7 2013 3754311 440751 8.5 2014 3984212 452042 8.8 Source: CTB Period of stay The Curaao travel season is divided into a hi gh season, which runs from mid-December to mid-April, and a low season, which encompasses th e rest of the year. In general, the winter season is busier than the summer. Carnival season, from January through February, brings in considerable crowds. In most cases the occupancy rates (table 7) for the year show a higher occupancy in the first half of the year than the second. However in 2014 it is noted that the first half and the second half show occupancy rates above 70 percent with the exception of May, June and July. Place of stay (Accommodation data) Between the years 2010-2014 the hotel industry experienced a variation of occupancy rate of visitors. The average hotel occupancy rate has maintained a level above 70 percent for the years 2010 to 2012 (table 7). The highest occupanc y rate in this period is seen in 2011 where the peak was 76 percent and the lowest in 2013 with about 67 percent. Occupancy rates are predictors of cash flow, and they provide a method by which the performance of various hotels can be compared. Evidently, investors li ke to see high occupancy rates. Low occupancy rates can indicate that the hotel cash flow has a problem. Graph 3: Length of stay7.8 8 8.2 8.4 8.6 8.8 9 2010 2011 2012 20132014year days

PAGE 22

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 17 Table 7: Hotel Occupancy Rate (%) 2010 2011 2012 2013 2014 January 72 80 73 69 73 February 75 86 79 79 76 March 75 82 79 76 70 April 69 75 74 73 73 May 69 69 72 60 65 June 66 73 72 62 59 July 68 74 74 63 61 August 75 77 72 68 73 September 71 71 65 65 70 October 76 72 64 64 70 November 77 80 65 68 73 December 69 76 56 63 71 Average Occ. rate 72 76 70 67 69 Source: Chata Curaao has different types of lodgings from the large to high-end hotels, to smaller hotels/guesthouses and apartments. They vary in size and cost. In 2011 the total amount of rooms available for lodging has been 5708 rooms Table 8: Total Hotel Rooms Rooms 2011 Large hotels 4978 Smaller hotels/guesthouses 130 Apartments 600 Total rooms 5708 Source: CTB ( http://www.curacao.com/Corporate/Hotel -Development ) World outlook Within the World, the generally positive outlook varies from one country to the next (table 9). The Caribbean region have done moderately well in 2014, with a 4.7 percent increase in tourist arrivals, while the Americas (North and South) did even better, with a 6.2 percent accelerated increase over 2013. Africa and Asia and the Pacific showed a respective growth 4.3 and 7.2 percent. The Middle East has been plagued with negative tr avel warnings causing a decrease in tourist arrivals. For CTO (Caribbean Tourism Organization) member countries was the fact that visitor spending also was steadily trending up a good sign. Nearly 27 and-a-half billion dollars was spent by visitors to the Caribbean in 2012, which is 3.6 percent more than the previous year and the third consecutive year of increase.

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine 18 Ja argang 13 Table 9: Outlook for International Tourist Arrivals 2010 2011 2012 2013* 2014** Real Full Year Change (%) World 6.5 4.9 4.1 5.0 5.3 Europe 3.1 6.4 3.6 5.4 5.2 Asia and the Pacific 13.2 6.6 6.9 6.2 7.2 Americas 6.6 3.6 4.3 3.2 6.2 Caribbean 1.6 2.7 4.9 1.8 4.7 Africa 9.3 -0.6 6.6 5.4 4.3 Middle east 11.5 -6.1 -5.4 -0.2 -3.1 Notes: Revised, ** Preliminary estimates for JanFeb only. Sources: UNWTO, CTO Conclusion The tourism industry has experienced growth and has become one of the fastest growing economic sectors in Curaao since 2010. In 2014 th e total of stay over visitors and stay over nights has increased respectively with 3 and 6 percent Tourists have been staying longer bringing the average length of stay to 9 nights Overall occupancy has risen with 2 percentage points in 2014. Cruise tourism has experienced a decelerated increase of 8 percent in 2014. Tourism growth goes hand in hand with the Worl ds state of affairs; different countries have experienced economic recessions before 2011 an d some beyond 2011. During this time tourist were traveling less, it is observed that more pe ople are traveling to the different parts of the world with the exception of the Middle East which is afflicted with unsafe circumstances. The dynamics in tourism have turned it into a key driver for socioeconomic progress, but this does not take away that tourism is a vulnerable sector. The economic share of tourism is taking its position in the diversified economy wh ere the refinery and the financial sector play an important role. Aside from all these positive accolades towards the Curaao tourism numbers, it is important that tourism continuously is moving to a higher level.

PAGE 24

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 19 Sociaaleconomische kenmerken van twee generaties migranten in Curaao Sabrina Dinmohamed Inleiding Migratie is karakteristiek voor Caribische landen en kan gezien kan worden als een traditie en inherent aan Caribische culturen (Thomas-Hope, 1992; Pizarro & Villa, 2005). Ook in Curaao zijn emigratie en immigratie geen nieuw fenomeen; migratie heeft al tijd een rol gespeeld in de geschiedenis van het eiland. Curaao is een multicul turele samenleving waarvan de et nisch-culturele samenstelling is gevormd door de multiculturele voorouderlijke sporen. De Indianen, La tinos, Nederlanders, Sefardische Joden, Afrikanen en mulatten waren de eerste groepen die de diverse Curaaose samenleving hebben gevorm d (Van der Dijs, 2011). Na afschaffing van de slavernij in 1863 werkten veel Curaaonaars, als onderdeel van het arbeidsaanbod voor de post-plantage economien in de regio, als seizoensgebonden agrarische werknemers op andere eilanden (A llen, 2006). Met de vestiging va n de Shell raffinaderij in 1918 veranderden de sociaaleconomische omstandigheden van de Curaaose lagere klasse. Curaao veranderde van een op handel gerichte en agrarisc he samenleving naar een meer complexe, moderne, industrile samenleving (Allen, 2003). Het eiland werd een grote internationale hub en de lagere klasse werd omgevormd van een groep zelfstandige ambachtslieden naar een arbeidersklasse. Vanwege onvoldoende arbeidskrachten trok Curaao migran ten aan uit verschillende delen van de wereld. Duizenden personen uit het Caribische gebied, Euro pa, het Midden-Oosten en Azi kwamen richting het eiland om te werken op de raffinaderij. Een tweede golf van immigranten kwam in de jaren 1990, toen de toeristische sector op Curaao groeide en als gevolg van gebrek aan lokale beroepsbevolking, het eiland veel immigranten uit het Caribische gebied en Zuid-Amerika trok. Vanweg e emigratie van Curaaonaars naar Nederland waren er gaten in de arbeidsmarkt ontstaan, die werden opgevuld door genoemde immigranten uit het buitenland. In tegenstelling tot de migranten van eerdere perioden, zijn de migranten die in deze periode kwamen overwegend regionale immigranten en worden nu aangeduid als "nieuwe migranten". Deze groep bestaat voornamelijk uit immigranten uit de Dominicaanse Republiek, Colombia, Venezuela, Hati, Jamaica en Suriname. Over deze immigranten, die vr het begin van deze eeuw kwamen, en hun vestiging is niet veel wetens chappelijk onderzoek uitgevoerd. De Curaaose antropoloog Rose Mary Allen (2006) wijst op het bela ng van een diepgaand onderzoek naar de effecten van de aanwezigheid van migranten in de samenleving (onderwijs, medische, sociale diensten) en de overlevingsstrategien van de migranten wordt uitgevoerd. Mevrouw Allen benadrukt dat de analyse moet worden geplaatst in de context van onderzoek n aar transnationale bewegingen in het Caribische

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine 20 Ja argang 13 gebied, waar mensen uit voornamelijk de lagere soci ale klassen steeds meer mi greren om een einde te maken aan hun armoede. In de census van 2011 zijn 35647 migranten in Curaao geteld. Dat betekent dat ruim 23 procent van de totale bevolking ergens anders is geboren. In dit artikel worden de sociaaleconomische kenmerken van migranten behandeld, waarbij er aandacht wordt besteed aan verschillen tusse n de eerste en tweede generatie. Doordat er in de census van 2011 specifiek gevraagd is naar het geboorteland van de vader en de moeder is de mogelijkheid ontstaan om de tw eede generatie migranten in kaart te brengen en te beschrijven. Data over de tweede generatie geven inzicht in hoe migrantengroepen zich ontwikkelen. In internationaal onderzoek naar migratie is de tweede generatie uitgebreid onderzocht en is er geschreven over onder andere hun integratie, identiteit, transnatio nale banden en sociaal kapitaal (zie onder andere Gans, 1992; Waters, 1994; Zhou, 1997; Portes & Rumbaut, 2001; Le vitt & Waters, 2002; Thomson & Crul, 2007, Algan et al., 2010; Bean et al., 2012). In het navolgende volgt een bespreking van de kenmerken van eerste en tweede generatie migranten in Curaao op de gebieden onderwijs (participatiegraad en opleidingsniveau), arbeid (participatiegraad, werkloosheidspercentage en werkenden) en inkomen. Per gebied zal er aandach t worden besteed aan een vergelijking tussen de eerste en tweede generatie, vervolgens worden de percentages besproken per herkomstregio en ten slotte worden specifieke migrantengroepen besproken. Eers t zullen de methodologie en definities behandeld worden. Dit artikel wordt afgesloten met een ve rgelijking tussen de twee generaties migranten. Methodologie en definities Methodologie In de meest recente census is niet alleen ge vraagd naar het geboorteland/-eiland van de persoon, maar ook naar de geboorteplaats van zijn/haar moeder en vader. Aan de hand van vraag 4 in welk land of eiland ben je gebore n kan worden bepaald wie behoort tot de eerste generatie migranten. De vragen waar is jouw vader geboren(vraag 5) en waar is jouw moeder geboren (vraag 6) geven de mogelijkheid om te bepalen wie tot de tweede generatie behoort. De kenmerken ten aanzien van onderwijs zijn onderzocht door middel van zes vragen over onder andere huidige deelname aan dagonderwijs vervoer naar school en hoogst afgeronde opleiding Om inzicht te krijgen in de arbeidsmarktkenmerken van de bevolking zijn er in de sectie Arbeid van het vragenformulier achttien vragen (32 tot en met 50) gesteld over onder andere economische positie, huidige werkz aamheden en type werkzaamheden. Ten aanzien van het inkomen van de bevolking (en migranten) werd in vraag 52 gevraagd naar het inkomen van de maand voor de afname van het interview. Definities Migranten : personen die in Curaao woonachtig zijn maar niet in Curaao geboren zijn. Het gaat hier dus ook om personen die in ande re Caribische delen van het Koninkrijk der Nederland geboren zijn, zoals BES en Sint Maarten, maar hiernaast ook in bijvoorbeeld

PAGE 26

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 21 Colombia, Libanon, Portugal en dergelijke. Deze groep worden ook wel eerste generatie migranten genoemd (Ter Bals, 2014). Tweede generatie migranten : personen die in Curaao geboren zijn, maar waarvan de moeder ergens anders is geboren (tenzij dit Cu raao is, dan is het geb oorteland van de vader bepalend) (Ter Bals, 2014). Schoolparticipatiegraad: de verhouding tussen het aantal deelnemers aan dagonderwijs en de totale populatie (www.cbs.cw). Werkenden : alle personen van 15 jaar en ouder met een baan of een eigen bedrijf of alle personen die in de week voorafgaand aan het onderzoek 4 uur of meer hebben gewerkt tegen betaling. Werkzoekenden : alle personen van 15 jaar en ouder die tijdens het onderzoek zonder werk zijn, op zoek zijn naar werk f een eigen bedrijf willen beginnen, de maand voorafgaand Resultaten Arbeidskrachtenonderzoek Curaao 2013 aan het onderzoek actief naar werk hebben gezocht en binnen 2 weken kunnen beginnen te werken f een eigen bedrijf starten. Economisch niet actieven : alle personen van 15 jaar en ouder die noch werken, noch op zoek zijn naar werk. Beroepsbevolking : de werkenden en de werkzoekenden samen, ook wel de economisch actieve bevolking genoemd. Werkloosheidspercentage : het aantal werkzoekenden als aa ndeel van de beroepsbevolking. Participatiegraad : de verhouding van de beroepsbevolking tot de totale bevolking en is een graadmeter voor de participatie aan het economische verkeer. Afkortingen In het navolgende worden voor een betere pr esentatie van de data in de tabellen enkele landen afgekort. Colombia: Col Dominicaanse Republiek: D.R. Jamaica: Jam Nederland: Nl Portugal: Port Sint Maarten: St.M. Suriname: Sur Onderwijs Schoolparticipatiegraad Voor de totale bevolking van Curaao is de gemiddelde participatiegraad 26,2 procent (E-7 tabellen Census 2011, www.cbs.cw). Uit tabel 1 blijkt dat de gemiddelde schoolpart icipatiegraad van eerste generatie migranten 19,4 procent is en voor de tweede generati e migranten 33,0 procent. Het percentage deelnemers aan dagonderwijs is voor beide gr oepen 25,3 procent. Da t is lager dan het

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine 22 Ja argang 13 landelijk gemiddelde van 26,2 procent. De schoolparticipatie in de leeftijdsgroep 6-15 jaar is voor beide groepen hoog: eerste generatie 99,0 procent versus tweede ge neratie 99,6 procent. Verschillen in de schoolparticipatie tussen de eerste generatie en tweede generatie migranten zijn vooral te zien in de leeftijdsgroepen 0-5 jaar en 16-24 jaar. De schoolparticipatie van eerste generatie migranten in de leeftijdsgroep 16-2 4 jaar (57,5 %) is lager dan die van tweede generatie jongeren (64,2 %). Tabel 1. Schoolparticipatiegraad migranten, eerste en tweede generatie, absoluut en relatief, Curaao, 2011 Leeftijd Totaal Eerste generatie Tweede generatie a. Bevolking 0-5 4548 993 3555 6 15 8825 3897 4928 16-24 5893 3540 2353 25+ 43482 27217 16265 Totaal 62748 35647 27101 b. Schoolgaanden 0-5 3145 783 2362 6 15 8767 3858 4909 16-24 3544 2034 1510 25+ 398 227 171 Totaal 15854 6902 8952 c. Participatiegraad (b/a) % 0-5 69.2 78.9 66.4 6 15 99.3 99.0 99.6 16-24 60.1 57.5 64.2 25+ 0.9 0.8 1.1 Totaal 25.3 19.4 33.0 De migrantengroep in Curaao bestaat uit personen afkomstig uit verschillende landen. Tabel 2 geeft informatie over de schoolparticipatie van eerste generatie migranten gespecificeerd naar geboorteland. Uit de tabellen kan afgeleid worden dat er tussen de diverse landen van herkomst grote verschillen in de schoolparticipatiegraad van migrantenjongeren zijn.

PAGE 28

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 23 Tabel 2. Schoolparticipatiegraad specifieke migrantengroepen, eerste generatie, relatief, Curaao, 2011 percentage Col D.R. Haiti Jam Ven BES St.M. Aua Nl Sur Port China India Overige Leeftijd 0-5 75.9 69.2 50.0 9.1 65.2 76.5 66.7 85.7 83.9 73.3 0.0 66.7 90.0 66.7 6 15 98.5 98.1 98.8 97.8 97.2 97.6 97.9 100.0 99.5 98.5 100.0 100.0 100.0 98.5 16-24 58.5 50.3 58.5 44.2 61.4 61.5 57.0 73.8 65.9 56.6 100.0 33.3 27.3 47.0 25+ 0.8 0.8 1.0 0.3 1.1 0.7 1.1 0.6 1.0 1.7 0.7 1.1 0.7 0.5 Voor de leeftijdsgroep 6-15 jaar geldt voor eerste generatie jongeren uit Aruba, Portugal, China en India een schoolparticipatie van 100 procent; Venezuela scoort voor deze leeftijdsgroep het laagst met een participatiegr aad van 97,2 procent. De verschillen worden in het bijzonder duidelijk bij de leeftijdsgroep 16 -24 jaar. Eerste generatie migrantenjongeren uit Portugal (100%), Aruba (73,8%) en Nederland (65,9 %) hebben zeer hoge participatiecijfers vergeleken met India (27,3%), China (33,3%) en Jamaica (44,2%). Opleidingsniveau Een belangrijke indicator op onderwijsgebied is de hoogst gevolgde opleiding van personen die momenteel niet schoolgaand zijn. Het gaat hier ook om personen van wie onduidelijk is of deze hoogst gevolgde opleiding daadwerkelijk afgerond is. Tabel 3 laat de verschillen zien tussen de eerste en tweede generatie. Het grootste verschil is te zien voor de categorie lager middelbaar onderwijs. Meer tweede generatie migranten dan eerste generatie bereiken dat niveau. Opvallend is de wat hogere score van eerste generatie migranten in de hoge opleidingniveaus. Tabel 3. Opleidingsniveau naar generatie, relatief, Curaao, 2011 percentage Opleidingsniveau Eerste generatie Tweede generatie Geen (max. lagere school) 26.4 16.3 Lager middelbaar (VSBO, Havo 1+2 and VWO 1+2 ) 27.2 41.0 Hoger middelbaar (HAVO 3-5; VWO 3-6: SBO, MBO) 24.0 22.8 Hoog (Bachelor) 17.4 16.0 Hoog (WO) 4.9 3.8 Third Level Plus 0.2 0.2 Totaal 100.0 100.0

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine 24 Ja argang 13 Tabel 4 geeft een beeld van de opleidingssituatie van migranten per geboorteregio (van eerste generatie migranten). Eerste generatie migr anten uit het Caribische gebied hebben, vergeleken met migranten uit andere regios, he t laagste opleidingsniveau: 27,2 procent heeft een hoger middelbaar/hoge opleiding. Eers te generatie migranten uit Noord Amerika hebben het hoogste opleidingsniveau: 87,8 procent heeft een hoger middelbaar/hoge opleiding. Tabel 4. Opleidingsniveau naar gebroorteregio, eerste generatie, relatief, Curaao, 2011 percentage Opleidingsniveau Caribisch gebied Zuid Amerika Noord Amerika Azie Europa Overig Geen (max. lagere school) 38.8 19.8 5.0 22.8 12.8 17.7 Lager middelbaar (VSBO, Havo 1+2 and VWO 1+2 ) 34.0 28.2 7.1 22.2 15.6 22.3 Hoger middelbaar (HAVO 3-5, VWO 3-6, SBO, MBO) 18.3 30.3 23.2 27.6 26.8 27.9 Hoog (Bachelor) 7.3 18.2 48.2 21.6 32.7 23.3 Hoog (WO en WO+) 1.6 3.6 16.4 5.8 12.1 8.8 Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 Uitgaande van tabel 5, die een beeld geeft va n migranten uit specifieke landen, kan er geconcludeerd worden dat eerste generatie mi granten uit Nederland (50,8%), Suriname (42,1%) en India (41,8%) een hoog opleidingsni veau (bachelor, WO en WO+) hebben. Eerste generatie migranten uit Portugal 91,1%), Hati (87,8%) en Jamaica (80,4%) hebben de laagste opleidingsniveaus (geen of lager middelbaar onderwijs) vergeleken met andere eerste generatie migranten. Van de tweede generatie (tabel 6) hebben voornamelijk personen uit India en Nederland een hoog opleidingsni veau. Tweede generatie migranten uit de Dominicaanse Republiek, BES, Sint M aarten en Venezuela hebben het laagste opleidingsniveau, respectievelijk 62,8 procent, 64,6 procent, 66,5 proc ent, en 67,2 procent. Tabel 5. Opleidingsniveau specifieke migranteng roepen, eerste generatie, relatief, Curaao, 2011 percentage Opleidingsniveau Col D.R. Haiti Jam Ven BES St.M. Aua Nl Sur Port China India Overige Geen (max. lagere school) 22.8 44.3 46.2 31.0 17.4 36.4 38.5 16.7 3.5 8.9 73.3 39.3 12.9 28.4 Lager middelbaar (VSBO, Havo 1+2 and VWO 1+2 ) 29.9 29.2 41.6 49.4 21.8 36. 7 30.3 34.9 15.5 27.0 17.8 34.4 11.7 23.0 Hoger middelbaar (HAVO 3-5, VWO 3-6, SBO, MBO) 35.0 22.0 10.0 17.1 32.0 16.5 19.6 21.2 30.2 22. 1 6.0 21.6 34.6 20.3 Hoog (Bachelor) 10.8 3.9 2.0 2.2 24.5 8. 4 10.7 21.9 37.4 33.6 2.5 4.1 34.6 20.4 Hoog (WO en WO+) 1.5 0.6 0.2 0.4 4.3 2.1 0. 9 5.3 13.4 8.5 0.4 0.6 6.2 8.0 Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

PAGE 30

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 25 Arbeidsmarktsituatie Participatiegraad De arbeidsparticipatiegraad geeft de verhoudi ng weer tussen het aanta l deelnemers op de arbeidsmarkt en de totale populatie De participatiegraad in 2011 is 56,9 procent voor eerste generatie migranten en 41,1 procent voor tweede generatie migranten (tabel 7). Vo lgens tabel 8 hebben eerste generatie migranten uit Zuid Amerika de hoogste participatiegraad (63,7%); migranten uit Azi hebben de laagste participatiegraad (43%). Ten aanzien van eerste generatie migranten kan uit tabel 9 opgemaakt worden dat vooral migranten uit Hat i (82,9%), Jamaica (77,6%) en India (73,1%) in hoge mate deelnemen aan de arbeidsmarkt Van de tweede generatie migranten zijn het voornamelijk personen uit Portugal (66,3%), Sint Maarten (57,2%) en BES (53,9%) die in hoge mate deelnemen (tabel 10). Tabel 7. Arbeidsmarkt positie van migranten naar generatie, absoluut en relatief, Curaao, 2011 Totaal Eerste generatie Tweede generatie 1. Werkend 28934 18692 10242 2. Werkzoekend 2476 1577 899 3. Beroepsbevolking (1+2) 31410 20269 11141 4. Economisch niet actief (5-3) 18777 10879 7898 5. Bevolking 15 jaar+ 50187 31148 19039 6. Totale bevolking 62748 35647 27101 7. Participatiegraad (3:6) 50.1 56.9 41.1 8. Werkloosheidspercentage (2:3) 7.9 7.8 8.1 9. Percentage werkenden (1:6) 46.1 52.4 37.8 Tabel 6. Opleidingsniveau specifieke migrantengroepen, tweede generatie, relatief, Curaao, 2011 percentage Opleidingsniveau Col D.R. Haiti Jam Ven BES St.M. Aua Nl Sur Port China India Overige Geen (max. lagere school) 14.9 16.1 15.5 6.3 21.6 19.8 18.3 12.7 5.9 11.7 19.2 11.5 0.0 15.2 Lager middelbaar (VSBO, Havo 1+2 and VWO 1+2 ) 38.9 46.7 31.0 40.6 45.6 46.7 46.3 39.2 17.2 36.2 41.4 32.5 17.1 38.5 Hoger middelbaar (HAVO 3-5, VWO 3-6, SBO, MBO) 27.3 22.1 29.3 21.9 18.3 21. 4 20.5 26.9 27.8 20.5 23.7 28.7 31.7 24.5 Hoog (Bachelor) 14.9 12.7 22.4 31.3 11.8 9.9 12.1 17.4 36.0 26.0 12.5 24.2 43.9 17.0 Hoog (WO en WO+) 4.0 2.4 1.7 0.0 2.7 2.2 2. 8 3.8 13.0 5.6 3.2 3.2 7.3 4.9 Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine 26 Ja argang 13 Tabel 8. Arbeidsmarktpositie van migranten naar geboorteregio, eerste generatie, absoluut en relatief, Curacao, 2011 Caribisch gebied Zuid Amerika Azie Europa Noord Amerika Overige 1. Werkend 7438 5167 1162 4582 194 149 2. Werkzoekend 908 422 31 201 5 10 3. Beroepsbevolking (1+2) 8346 5589 1193 4783 199 159 4. Economisch niet actief (5-3) 4968 2385 554 2789 98 82 5. Bevolking 15 jaar+ 13314 7974 1747 7572 297 241 6. Totale bevolking 14065 8770 2772 10313 398 440 7. Participatiegraad (3:6) 59.3 63.7 43.0 46.4 50.0 36.1 8. Werkloosheidspercentage (2:3) 10.9 7.6 2.6 4.2 2.5 6.3 9. Percentage werkenden (1:6) 52.9 58.9 41.9 44.4 48.7 33.9 Tabel 9. Arbeidsmarktpositie van specifieke migranteng roepen, eerste generatie, absoluut en relatief, Curaao, 2011 Col D.R. BES Haiti Ven Aua St.M. Jam Nl Sur Port India China 1. Werkend 2869 3026 716 1395 875 821 115 873 3997 942 379 433 373 2. Werkzoekend 238 494 68 148 95 54 22 82 186 54 9 8 8 3. Beroepsbevolking (1+2) 3107 3520 784 1543 970 875 137 955 4183 996 388 441 381 4. Economisch niet actief (53) 1032 1595 1317 245 520 647 275 181 2146 641 475 132 162 5. Bevolking 15 jaar+ 4139 5115 2101 1788 1490 1522 412 1136 6329 1637 863 573 543 6. Totale bevolking 4537 5405 1861 1862 1691 1616 473 1230 8988 1770 869 603 569 7. Participatiegraad (3:6) 68.5 65.1 42.1 82.9 57.4 54.1 29.0 77.6 46.5 56.3 44.6 73.1 67.0 8. Werkloosheidspercentage (2:3) 7.7 14.0 8.7 9.6 9.8 6.2 16.1 8.6 4.4 5.4 2.3 1.8 2.1 9. Percentage werkenden (1:6) 63.2 56.0 38.5 74.9 51.7 50.8 24.3 71.0 44.5 53.2 43.6 71.8 65.6

PAGE 32

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 27 Werkloosheidspercentage Het werkloosheidspercentage is de verhouding tussen werkzoekenden en de beroepsbevolking. Uit tabel 7 kan opgemaakt wo rden dat het werkloosheidspercentage iets hoger is onder tweede generatie migranten (8,1 %) vergeleken met eerste generatie migranten (7,8%). De werkloosheid is laag onder migranten uit Noord Amerika (2,5%), Azi (2,6%) en Europa (4,2%). Het lage werkloosheidscijfer in Azi met daarnaast de laagste participatiegraad (43%) wordt veroorzaakt door het lage aantal werkzoekenden ten opzichte van het aantal werkenden. De werkloosheid is, vergeleken met migranten uit de andere regios, relatief hoog onder migranten uit het Caribische gebied (10,9%) en Zuid Amerika (7,6%). Als er gekeken wordt naar de herkomstlanden van de migranten is het opvallend dat er grote verschillen zijn voor wat betreft het werkloosheidspercentage (tabel 9 en 10). Eerste generatie migranten uit Sint Maarten (16,1%), Dominicaanse Republiek (14%), Venezuela (9,8%) en Hati (9.6%) kennen de grootste percentages werklozen. Tweede generatie migranten uit de volgende landen hebben, vergeleken met andere tweede generatie migr anten, hoge percentages: Hati (12,5%), Dominicaanse Republiek (11,9%), Aruba (11,3%) en Jamaica (10%). Tweede generatie migranten uit China hebben het laagst e werkloosheidspercentage (2,9%). Percentage werkenden Het percentage werkenden drukt de verhouding uit tussen het aantal werkenden en de totale populatie. Eerste generatie migranten hebben een hoger percentage werkenden dan de tweede generatie. Eerste generatie migranten uit de regios Zuid Amerika (58,9%) en Tabel 10. Arbeidsmarktpositie van specifieke migrantengr oepen, tweede generatie, absoluut en relatief, Curaao, 2011 Col D.R. BES Haiti Ven Jam St.M. Aua Nl Sur Port China India 1. Werkend 395 755 2697 42 670 36 502 862 768 945 809 101 31 2. Werkzoekend 36 102 259 6 60 4 49 110 36 58 52 3 3 3. Beroepsbevolking (1+2) 431 857 2956 48 730 40 551 972 804 1003 861 104 34 4. Economisch niet actief (53) 277 659 2125 65 916 36 335 630 441 884 315 79 34 5. Bevolking 15 jaar+ 708 1516 5081 113 1646 76 886 1602 1245 1887 1176 183 68 6. Totale bevolking 1845 3311 5487 718 2125 480 963 1967 2472 2264 1299 347 235 7. Participatiegraad (3:6) 23.4 25.9 53.9 6.7 34.4 8.3 57.2 49.4 32.5 44.3 66.3 30.0 14.5 8. Werkloosheidspercentage (2:3) 8.4 11.9 8.8 12.5 8.2 10.0 8.9 11.3 4.5 5.8 6.0 2.9 8.8 9. Percentage werkenden (1:6) 21.4 22.8 49.2 5.8 31.5 7.5 52.1 43.8 31.1 41.7 62.3 29.1 13.2

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine 28 Ja argang 13 Caribische gebied (52,9%) hebben een hoog percentage werkenden vergeleken met eerste generatie migranten uit andere regios. Ten aan zien van specifieke migrantengroepen hebben eerste generatie migranten uit Hati (74,9%), India (71,8%) en Jamaica (71,0%) een hoog percentage werkenden. Van de tweede genera tie migranten hebben migranten uit Portugal (62,3%) en Sint Maarten (52,1) de hoogste percentages werkenden (tabel 8). Inkomen Het bruto maandinkomen van de werkende bevolking geeft een indicatie van de financile positie van de betreffende populatie. De inko mensverdeling tussen werkende eerste generatie migranten en werkende tweede generatie migranten kent geen grote verschillen (tabel 11). De grootste verschillen komen voor in de inkomensklasse geen inkomen, 1001-2000 en 50017500. Over het algemeen kan gesteld worden dat tweede generatie migranten vaker dan eerste generatie migranten in ho gere inkomensklassen zitten. Tabel 11. Inkomensverdel1ing naar generatie, relatief, Curaao, 201 Bruto maandinkomen Totaal Eerste generatie Tweede generatie percentage geen inkomen 18.4 19.9 15.9 1-1000 22.2 22.0 22.6 1001-2000 20.5 23.0 16.4 2001-3000 10.7 10.0 11.9 3001-4000 6.5 5.7 8.0 4001-5000 6.3 5.3 7.8 5001 7500 8.2 6.8 10.3 > 7500 7.3 7.4 7.1 totaal 100.0 100.0 100.0 populatie 49072 31156 19046 gemiddeld inkomen 3441 3403 3479 Eerste generatie migranten uit het Caribische gebied, gevolgd door die uit Zuid Amerika hebben de laagste gemiddelde inkomens vergeleken met andere eerste generatie migranten (tabel 12). Het gemiddelde maandinkomen van migranten uit deze regio bedraagt respectievelijk 2269 en 2826 gulden. Het hoogste gemiddelde inkomen hebben migranten uit Noord Amerika (9729 gld.). Tabel 12. Gemiddeld inkomen naar geboorteregio, eerste generatie, absoluut, Curaao, 2011 Caribisch gebied Zuid Amerika Azie Europa Noord Amerika Overige Inkomen 2269 2826 3642 5011 9729 4401 Populatie 10591 6057 1308 5689 220 169 Eerste generatie migranten uit Nederland (6381 gld.), India (4627 gld.) en Suriname (4080 gld) hebben, na Noord Amerika, het hoogste gemi ddelde maandinkomen (tabel 13). Eerste generatie migranten uit de Dominicaanse Republiek (1799 gld.), Hati (1986 gld.) en China

PAGE 34

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 29 (2108 gld.) hebben het laagste gemiddelde maandinkomen, als gekeken wordt naar de uitsplitsing van de verschillende regios. Ook tweede generatie migranten uit Nederland (5722 gld.), India (5530 gld.) en Suriname (4183 gld.) hebben het hoogste gemiddelde maan dinkomen. De laagste gemiddelde inkomens hebben tweede generatie migranten uit: Jamaic a (2618 gld.), Dominicaanse Republiek (2927 gld.), BES (2968 gld.) en Venezuela (3018 gld.). Tabel 13. Gemiddeld inkomen, eerste en tweede generatie, absoluut, Curaao, 2011 Col D.R. Haiti Jam Ven BES St.M. Aua Nl Sur Port China India eerste generatie 2146 1799 1986 2160 3212 2502 2476 3690 6381 4080 2175 2108 4627 populatie 3135 3824 1476 914 1047 1793 295 1259 4681 1345 737 382 447 tweede generatie 3158 2927 3809 2618 3018 2968 3291 3259 5722 4183 3673 3438 5530 populatie 522 1006 52 29 1420 4352 801 1220 927 1683 909 139 34 Conclusie In 2011 bestaat de bevolking van Curaao (150563) voor meer dan 40 procent uit eerste generatie (23,6%) en tweede generatie migranten (17,9%). Er zijn duidelijk hier en daar generatieverschi llen waar te nemen. De schoolparticipatiegraad van tweede generatie migranten is hoger dan di e van eerste generatie migranten. Dit geldt ook voor het opleidingsniveau, waarbij aangeteke nd moet worden dat op het hogere niveau de eerste generatie migranten iets beter scoren. Ten aanzien van arbeid is de participatiegraad van de eerste generatie migranten hoger dan die van de tweede generatie. De werkloosheidspercentages van de twee generaties verschillen niet veel van elkaar, maar het percentage is iets hoger voor de tweede generatie migranten. Verder hebben eerste generatie migranten een hoger percentage werkenden dan de tweede generatie. Ten slotte zitten tweede generatie migranten vaker dan eerste generatie migranten in de hogere inkomensklassen. Een aanvullend kwalitat ief onderzoek zou verklaringen kunnen geven over motieven van de verschillen tussen de generaties van migrantengroepen.

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine 30 Ja argang 13 Literatuurlijst Algan, Y. et al. (2010). The Economic Situation of First and Second Generation Immigrants in France, Germany and the United Kingdom. The Economic Journal 120(542), 4-30 Allen, R.M. (2003). Acceptatie of uitsluiting. Enkele belangrijke invalshoeken voor de discussie over beeldvorming over immigranten uit de regio en over de Curaaonaars. In Allen, R.M., Heijes, C. & Marcha, V. (Eds.), Emancipatie en acceptatie. Curaao en Curaaonaars. Beeldvorming en identiteit honderd veertig jaar na de slavernij Amsterdam: SWP. Allen, R.M. (2006). Regionalization of identity in Curaao: Migration and diaspora. In Ruben Gowricharn (Ed.), Caribbean Transnationalism: Migratio n, Pluralism and Social Cohesion. Lanham: Lexington Books Bals, M. ter (2014). Census 2011: The migratory population of Curaao. Modus 12 (1/2), 1-16 Bean, F. et al. (2012). The dimensions and degree of second-generation incorporation in US and European cities: A comparative study of in clusion and exclusion. International Journal of Comparative Sociology 53 ( 3), 181-209 Central Bureau of Statistics Curacao (2013). Resultaten arbeidskrachtenonderzoek (AKO) Curaao 2013. Curaao Dijs, N. van der (2011). The nature of ethnic identity among the people of Curaao. Willemstad: Drukkerij de Curaaosche Courant N.V. Education characteristics (z.d). Geraadpleegd op 30 januari 2014 van http://www.cbs.cw Gans, H. (1992). Second-generation decline: scenarios for the economic and ethnic futures of the post-1965 American immigrants. Ethnic and racial studies, 15 (1), 17992 Pizarro, J. and Villa, M. (2005). International migration in Latin America and the Caribbean: a summary view of trends and patterns. Santiago, Chile: CEPAL/CELADE Thomas-Hope, E. (2002). Skilled Labour Migration from Developing Countries: Study on the Caribbean region. Geneva: International Labour Office Thomson, M. & Crul, M. (2007). The second generation in Europe and the United States: How is the transatlantic debate relevant for furt her research on the European second generation? Journal of ethnic and migration studies, 33 (7), 1025-1041 Zhou, M. (1997). Segmented assimilation: Issues, controve rsies, and recent research on the new second generation. International migration review, 31(4), 975-1008 Portes, A. & Rumbaut, R. (2001). Legacies. The story of the Immigrant Second Generation. Berkeley and Los Angeles/New Yo rk: University of California Press/Russell Sage Foundation. Levitt, P. & Waters, M. (1994). The changing face of home: The transnational lives of the second generation. New York: Russell Sage Foundation Waters, M. (1994). Ethnic and racial identities of second-generation black immigrants in New York City. International Migration Review, 28 (4),795-820

PAGE 36

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 31 Internationale economische ontwikkelingen in de periode 2011 tot en met 2013 Lorette Ford Inleiding De economische ontwikkeling van een land kan d oor middel van een aantal belangrijke economische indicatoren worden gemeten, met name het rele Brut o Binnenlands Product (BBP), de inflatie en het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans. Andere macro-economische variabelen om de economie te meten zijn de werkloosheidsgraad en de beroepsbevolking, het bruto nationale inkomen per hoofd van de bevolking, de Human Development Index (HDI)1 en de koopkrachtpariteit2. Dit artikel beschrijft de eerste drie genoemde economische indica toren voor twee grote ca tegorien van landen te weten: 1. De ontwikkelde landen: hieronder vallen met name de Verenigde Staten (VS), de Eurozone3, Japan, Canada en het Verenigd Koninkrijk. 2. De opkomendeen ontwik kelingslanden waaronder Afrika, Centraal en Oost Europa, Verenigde Onafhankelijke Staten4, Opkomend Azi5, het Midden Oosten, de zogenaamde Western Hemisphere, bestaande uit Latijns Amerika en het Caribische gebied6. De centrale vraag hierbij is: hoe heeft de economie in deze twee categorien van landen zich ontwikkeld tussen 2011 en 2013, gelet op bovengenoemde drie economische indicatoren. Voorts wordt getracht, waar mogelijk, achterliggende factoren van deze ontwi kkelingen aan te geven. Alvorens met de analyse wordt begonnen komen eerst de definities van gebruikte termen aan de orde en wordt het verband aangegeven tussen de inflatie, de betalingsbalans en het rele BBP. 1 Zie Modus, jaargang 12, nr 1/2 (2014) Human Development Index (HDI) Berekening van de voorlopige HDI voor Curacao Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao. 2 Zie Modus, jaargang 11, nr.3/4 (2013) International Comparison Programme, wat is dat eigenlijk?, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao. Pagina 56 3 De Eurozone wordt gevormd door 18 landen van de Eur opese Unie. Deze 18 landen hebben 1 gemeenschappelijke munt. 4 o.a. Rusland, Oekrane, Kazak stan, Moldavi, Turkmenistan 5 deze groep wordt gevormd door onder andere China, Zuid-Azi (India, Pakistan, Ba ngladesh), Asean 5 (Indonesi, Thailand, Filippijnen, Malaysia en Vietnam) 6 In een volgend artikel zal een analyse worden gemaakt van de ontwikkelingen in Curaao in rela tie tot overige landen in het Caribische gebied.

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine 32 Ja argang 13 Definities Het bruto binnenlandse product (BBP) is de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en diensten gedurende een bepaalde periode (meestal een jaar). Het nominale BBP is de productie van goederen en diensten gewaardeerd tegen lopende/huidige prijzen. Het rele BBP is het nominale BBP gecorrigeerd voor inflatie. De groei van het rele BBP wordt verkregen door het indexcijfer van het nomi nale BBP te delen door het prijsindexcijfer. In dit artikel wordt met de groei van het r ele BBP de jaarlijkse procentuele verandering aangegeven. Bruto nationaal inkomen is de som van de primaire inkomens van de burgers en overheid van een land verdiend in een bepaald jaar. Bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking is het nationale inkomen gedeeld door de totale of gemiddelde bevolking. Consumptie, ook wel finale consumptie is het besteden van het inkomen aan goederen en diensten door de eindgebruikers (de consumen t). Dit is de som van de bestedingen van de overheid en huishoudens. Het woord finaal wordt gebruikt voor het onderscheid met het intermediaire verbruik. Inflatie 7 kan worden omschreven als een stijging va n het algemene prijspeil, als gevolg van een gestegen vraag naar goederen en diensten, of doordat hogere kosten worden doorberekend aan de consument (kosten voor grondstoffen, productiekosten, of hogere belastingtarieven). Deflatie is het tegenovergestelde van inflatie. Bij deflatie is sprake van een daling van het algemene prijspeil. Doordat het prijspeil da alt, kan meer gekocht worden. Er vindt dus waardevermeerdering van het geld plaats. Hyperinflatie is een vorm van inflatie, waarbij de prijzen snel en zeer sterk stijgen. Intermediair verbruik of intermediaire consumptie zijn aankopen van goederen en diensten die worden ingezet in het productieproces. De betalingsbalans geeft een overzicht van de geldwaarde van alle transacties met het buitenland in een jaar en is opgebouwd uit een aantal deelrekeningen. De lopende rekening van de betalingsbalans is opgebouwd uit een aantal deelrekeningen van de betalingsbalans namelijk de handelsbalans (g oederenen dienstenrekening waarop import 7 www.economische begrippen.nl

PAGE 38

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 33 en export van goederen en diensten worden geboekt) de inkomensrekening en de inkomensoverdrachtenrekening. Een ontwikkeld land 8 is een land dat een hoge graad van industrialisatie heeft bereikt en dat van de hogere levensstandaarden, die volgen uit rijkdom en technologie, gebruik kan maken. Een ontwikkelingsland 8 is veelal een land dat (nog) geen hoge graad van industrialisatie berei kt heeft in verhouding tot ontwikkelde landen. Een dergelijk land beschikt hierdoor over een relatie f grote landbouwsector, een kleine dienstensector, een lage levensstandaard alsook een laag bruto nationaal product. De achterstand op economisch, technologisch, wetenschappelijk en medisch vlak die als gevolg hiervan in de loop van de tijd ontstaat, ten opzichte van landen die zich op genoemde vl akken hebben ontwikkeld, gaat gepaard met een bepaalde mate van armoede. Opkomende landen de Engelse term Emerging Markets8 betekent `opkomende markten` of `groeimarkten`. Dit zijn landen of gebied en die een achterstand in hun economische ontwikkeling hebben maar wa arvan een snelle economische groei wordt verwacht. Werkloosheidsgraad : procentueel aandeel van werkloze n binnen de beroepsbevolking. Hiervoor wordt ook de term werkloosheidspercentage gehantee rd, gedefinieerd als het aantal werkzoekenden als aandeel van de bero epsbevolking. Met beroepsbevolking, ook wel de economisch actieve bevolking genoemd, wordt bedoeld: de werkenden en de werkzoekenden tezamen.9 Relatie van de inflatie met de betalingsbalans en het rele BBP10 In een situatie waarin sprake is van inflatie stijgt het algemene prijspeil. Omdat meer geld nodig is om hetzelfde product te kunnen kope n daalt de waarde van het geld, of anders gezegd, de koopkracht is gedaald. Voor een gezonde economie en dus prijsstabilit eit wordt een inflatienorm van 2 procent in acht genomen. Over het algemeen wordt het infl atiepercentage in landen goed in de gaten gehouden door de overheid, bedrijven en vakbonden, omdat een stijgende inflatie kan doorslaan naar hyperinflatie en een dalende inflat ie kan leiden tot deflatie. Een normale (lage) inflatie, dus van ongeveer 2 procent, is goed voor de economie; het spoort de consument aan goederen te kopen want uitstel betekent dat men meer moet betalen voor hetzelfde product indien de prijzen blijven stijgen. Het maakt lenen ook interessant omdat de rente waartegen 8 www.encyclo.nl 9 Resultaten Arbeidskrachtenonderzoek Curaao 2013, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, 2 december 2013. 10 Bronnen van referentie: http://jdjong.nl http://nl.global-rates.com/economische -statistieken en http://financieel.infonu.nl

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine 34 Ja argang 13 de consument leent lager wordt. Deflatie of daling van het algemene prijspeil heeft het omgekeerde effect; vanwege de prijsdalingen zal de consument zijn aankopen uitstellen omdat hij er later minder voor zal hoeven te betalen. Een land met een te hoge inflatie ondervindt vaak dat investeerders niet meer in het desbetreffende land willen investeren omdat een te hoge inflatie kan leiden tot verhoging van het renteniveau van leningen. Als de prijzen in een land sterker stijgen dan in het buitenland, verslechtert de concurrentiepositie van dat land. Buitenlanders kopen minder in het land met de hoge inflatie, de export daalt. Buitenlandse producten worden (relatief) goedkoper, de import zal stijgen. Als de exportwaarde daalt en de importwaarde stijgt, verslechtert het saldo op de lopende rekening en er kan een te kort op deze rekening ontstaan. Als de export daalt, zal de vraag naar de valuta van dat land afnemen. Als de import stijgt, zal het aanbod van de valuta van dat land to enemen. Door daling van de vraag naar en stijging van het aanbod van een bepaalde valuta zal de wisselk oers dalen. Daling van de wisselkoers maakt de producte n van het land ten opzichte van de producten van andere landen goedkoper, waardoor de concurrentiepositie verbetert. Buitenlanders kopen meer in het land met de lagere wisselkoers, de export stijgt. Buitenlandse producten worden duurder, de import zal dalen. Als de exportwaarde stijgt en de importwaarde daalt, verbetert het saldo op de lopende rekening en er kan een overschot op deze rekening ontstaan. De export (buitenlandse vraag naar productie) stimuleert de binnenlandse productie en daarmee de economische groei. Hoe hoger de inflatie, hoe groter de daling van de groei van het rele BBP, dus de economische groei. Hierbij moeten twee kanttekeningen geplaatst worden: 1. Niet in alle situaties leidt een hoge exportprestatie automatisch tot een hoge economische groei. Van belang zijn ook de ontwikkelingen van de overige onderdelen van de lopende rekening, te weten het saldo inkomen en de inkomensoverdrachten. 2. Economische groei in bepaalde landen is ook mogelijk zonder een sterke afhankelijkheid van de uitvoer. Voor deze landen geldt dat binnenlandse vraagfactoren een grote rol spelen. In dit geval kunnen ontwikkelingen in de consumptie, investeringen of overheidsbestedingen de groei van de economie sterk benvloeden.

PAGE 40

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 35 Ontwikkelingen 2011-2013 In deze paragraaf wordt achtereenvolgens aa n de hand van de indicatoren Rele BBP, Inflatie en Saldo lopende rekening de internationale economische ontwikkeling in de periode 2011 tot en met 2013 onder de loep genomen. Rele BBP Uit figuur 1 valt af te lezen dat vanaf 2011 tot en met 2013 de wereldeconomie in termen van het rele BBP vertraagd is gegroeid. Terwijl in 2011 nog een groeicijfer van 4,1 procent is gemeten, neemt dit af tot 3,4 procent in 2012 en in 2013 tot 3,3 procent. Het rele BBP in de categorie ontwikkelde la nden groeit in 2012 met 0,5 procentpunten minder. Terwijl in 2011 nog een groei van 1,7 procent is gemeten, neemt dit af naar 1,2 procent in 2012 om vervolgens in 2013 ie ts te vermeerderen naar 1,4 procent. Van voornoemde categorie van landen valt de ontwikkeling in de Verenigde Staten (VS), de Eurozone en Japan het meest op (zie tabel 1). Het BBP van de VS is in 2012 met 0,5 procentpunt meer gegroeid, namelijk 2,3 procent, om vervolgens in 2013 iets minder hard te groeien met 2,2 procent. De oorzaken die in 2012 geleid hebben tot de groei zijn onder andere: de toename van bedrijfsinvesteringen; de toename van de finale consumptie, als gevolg van een toename in de overheidsconsumptie; Figuur 1: Rele BBP (jaarlij kse procentuele verandering) 0 0.5 1 1.5 2 2.5 3 3.5 4 4.5 5 5.5 6 6.5 7 20112012 2013 j aar % 1. Ontwikkelde landen 2. Opkomende en ontwikkelingslanden 3. Mondiaal

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine 36 Ja argang 13 een verbetering op de handelsbalans doordat de export relatief meer gestegen is dan de import. De verbetering van de handelsbalans in 2013 was niet voldoende om het rele BBP in de VS in dat jaar meer te doen stijgen. Oorzaken die hebben geleid tot de vertraagde groei van het BBP zijn de afname van de finale consumptie, en de forse afname van de bedrijfsinvesteringen. In de Eurozone heeft de economie zowel in 20 12 en 2013 te kampen gehad met een recessie. In deze jaren is een inkrimping van respec tievelijk 0,7 en 0,4 procentpunt gemeten. Na de inkrimping van de economie in Japan in 2011 is de groei van het rele BBP in 2012 met 2 procentpunten toegenomen, van -0,5 procent in 2011 tot 1,5 procent in 2012. Oorzaken voor deze versnelde groei zijn: de overheidsprikkels bij het stimuleren van de aankoop van energie-efficinte autos; dit heeft gezorgd voor toename va n de particuliere consumptie; de toename van de wederopbouw in de rampgebieden (gevolg van tsunami en kernramp Fukishima) die sterke investeringsgroei heeft gegenereerd. In 2013 is er geen verandering opgetreden in de groei van het rele BBP in Japan. Het percentage is constant gebleven op 1,5 procent. Tabel 1. Bruto Binnenlands Product, Reel 2011-2013 (jaarlijkse procentuele verandering) 2011 2012 2013 1. Ontwikkelde landen, waarvan: % % % Verenigde Staten 1,8 2,3 2,2 Eurozone 1,6 -0,7 -0,4 Japan -0,5 1,5 1,5 Canada 2,5 1,7 2,0 Verenigd Koninkrijk 1,1 0,3 1,7 Overige ontwikkelde landen 1,5 1,4 1,5 Subtotaal 1,7 1,2 1,4 2. Opkomendeen ontwikkelingslanden, waarvan: Afrika (Sub-Sahara) 5,1 4,4 5,1 Centraal en Oost Europa 5,5 1,4 2,8 Verenigd Onafhankelijke Staten 4,8 3,4 2,2 Opkomend Azi 7,7 6,7 6,6 Midden Oosten en Noord Afrika 4,5 4,8 2,5 Latijns Amerika en Caribische gebied 4,5 2,9 2,7 Subtotaal 6,2 5,1 4,7 Totaal 4,1 3,4 3,3

PAGE 42

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 37 In Canada, het Verenigd Koninkrijk en de overige ontwikkelde landen is volgens de resultaten de economie in 2013 sneller gegroeid dan in 2012. In het Verenigd Koninkrijk is de economische groei zelfs met bijn a 1,5 procentpunt toegenomen. In 2012 zorgen de Eurozone, Canada en het Verenigd Koninkrijk v oor het afremmen van de groei van het rele BBP in de ontwikkelde landen, terwijl in 2013 voornamelijk Canada en het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk zijn voor een lichte versnelling van de groei. De economie in de categorie opkomendeen ontwikkelingslanden vertoont in beschouwde periode hetzelfde patroon als die op mondiaal niveau. In deze categorie van landen is een vertraging van respectievelijk 1,1 en 0,4 procentpunten in 2012 en 2013 waargenomen. De groei van de economie in deze categorie is van 6,2 procent in 2011 afgenomen naar 5,1 procent in 2012, om vervolgens in 2013 af te nemen naar 4,7 procent. De vertraagde groei tussen 2011 en 2013 is in alle groepen van landen uit deze categorie van landen waar te nemen, behalve in 2013 in SubSahara en Centraal en Oost Europa, waar de economie sneller is gegroeid dan in 2012. In Sub-Sahara Afrika bedraagt deze toename 0,3 procentpunt meer, terwijl in Centraal en Oost Europa de economie zelfs tweemaal zo hard is gegroeid (van 1,4 procent in 2012 naar 2,8 proc ent in 2013). Hierbij moet worden aangetekend dat de groei van 2013 in Centraal en Oost Eu ropa nog ver beneden het niveau van 2011 ligt. Inflatie Er kan geconstateerd worden dat het inflatiecijf er in beide categorien van landen steeds is gedaald in de periode 2011-2013. Hier geldt dat het verloop van het inflatiepercentage ongeveer hetzelfde patroon vertoont al s op mondiaal niveau (figuur 2). In 2012 is het inflatiecijfer in de opkomendeen ontwikkelingslanden in absolute termen meer gedaald dan in de ontwikkelde landen (respectieve lijk 1,2 en 0,7 procentpunten). In 2013 heeft zich het omgekeerde voorgedaan; in dat jaar is het inflatiepercentage in de ontwikkelde landen in absolute termen meer gedaald da n in de opkomendeen ontwikkelingslanden (respectievelijk 0,6 en 0,2 procentpunten).

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine 38 Ja argang 13 Figuur 2: Inflatie, 2011-2013 0.0 1.0 2.0 3.0 4.0 5.0 6.0 7.0 8.0 201120122013 jaar % 1. Ontwikkelde landen 2. Opkomende en ontwikkelingslanden 3. Mondiaal In de ontwikkelde landen is de inflatie gedaald van 2,7 procent in 2011 naar 2,0 procent in 2012 om verder te dalen naar 1,4 procent in 2013 (zie tabel 2). De daling is in alle groepen van landen uit deze categorie waar te nemen met ui tzondering van Japan. Na een deflatie in 2011 is de inflatie in Japan tot 0,4 procent gestegen in 2013. In 2012 zijn het voornamelijk Canada en het Ve renigd Koninkrijk die verantwoordelijk zijn voor de afname van het gemiddelde inflatiecijfer. In deze 2 landen daalt het inflatiecijfer respectievelijk met 1,4 en 1,7 procentpunten. In 2013 is de afname het meest toe te schrijven aan de Eurozone, waar het inflatiecijfer is gedaald met meer dan 1 procentpunt. Uit tabel 2 is verder af te leiden dat ook de Verenigde Staten in de onderhavige periode een dalend inflatiecijfer vertonen: van 3,1 procent in 2011 naar 1,5 procent in 2013. Zoals eerder vermeld, vertonen de opkomendeen ontwikkelingslanden tussen 2011 en 2013 eveneens een dalend inflatiepercentage. Het gemi ddelde cijfer is afgenomen van 7,3 procent in 2011 naar 6,1 procent in 2012; hierna da alt het verder naar 5,9 procent in 2013.

PAGE 44

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 39 In 2012 zijn het bijna alle groepen van land en, met uitzondering van Centraal en Oost Europa en Midden Oosten en Noord Afrika, die verantwoordelijk zijn voor de inflatiedaling. In 2013 stijgt alleen het inflatieniveau van Latijns-Amerika en Caribische gebied en Verenigde Onafhankelijke Staten, in al le overige landen is dit verder afgenomen of gelijk gebleven. Saldo lopende rekening Het saldo van de lopende rekening is opgebouwd uit: Het uitvoeroverschot; dit is het bedrag waarmee de uitvoer van goederen en diensten de invoer overtreft. Het saldo van uit het buitenland ontvangen primaire inkomens. Dit omvat ontvangen minus betaalde belastingen op productie en invoer, subsidies, beloning van werknemers en inkomen ui t vermogen, zoals rente en dividend. Het saldo van uit het buitenland ontv angen inkomensoverdrachten. Dit omvat ontvangen minus betaalde dividendbelast ing, uitkeringen sociale verzekering en overige inkomensoverdrachten. Tabel 2: Inflatie, 2011-2013 2011 2012 2013 1. Ontwikkelde landen, waarvan: % % % Verenigde Staten 3,1 2,1 1,5 Eurozone 2,7 2,5 1,3 Japan -0,3 0,0 0,4 Canada 2,9 1,5 1,0 Verenigd Koninkrijk 4,5 2,8 2,6 Overige ontwikkelde landen 3,4 2,1 1,7 Subtotaal 2,7 2,0 1,4 2. Opkomendeen ontwikkelingslanden, waarvan: Afrika (Sub-Sahara) 9,5 9,3 6,6 Centraal en Oost Europa 5,4 5,9 4,2 Verenigd Onafhankelijke Staten 9,8 6,2 6,4 Opkomend Azi 6,5 4,7 4,7 Midden Oosten en Noord Afrika 8,6 9,6 9,2 Latijns Amerika en Caribische gebied 6,8 6,1 7,1 Subtotaal 7,3 6,1 5,9 Totaal 6.5 5.8 5.0

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine 40 Ja argang 13 Uit tabel 3 valt af te lezen dat het saldo va n de lopende rekening op mondiaal niveau procentueel constant is gebleven in 2012, terwijl het in 2013 iets is verbeterd. Nominaal is in 2012 en 2013 het saldo op de lopende rekening met respectievelijk 6,5 miljard US$ en 70,1 miljard US$ toegenomen (tabel 4). Voornoemde stijging in 2013 is toe te schrijven aan de toename van het uitvoeroverschot met 170,9 miljard US$ Hierbij valt op dat in 2013 de stijging van de export bijna anderhalf keer zo veel bedraagt als de toename van de import (tabel 4). De lopende rekening van de betalingsbalans in de ontwikkelde landen is in 2012 nagenoeg constant gebleven ten opzichte van 2011, terwijl in 2013 een verbetering is opgetreden van 0,5 procentpunten (tabel 3). De belangrijkste reden voor voornoemde verbeter ing in 2013 is dat het uitvoeroverschot is gestegen, van een manco van -84,3 miljard US$ in 2012 naar een surplus van 166,5 miljard US$ in 2013. Dit forse surplus is te danken aan het feit dat in 2013 de export van goederen en diensten ruim anderhalf keer zoveel is gesteg en als de import van goederen en diensten (tabel 4). Zowel het saldo inkomen als het saldo inkomensoverdrachten zijn in 2013 afgenomen en hebben dus geen rol gespeeld bij de verbeterin g van de lopende rekening in 2013. Het saldo inkomen en het saldo inkomensoverdrachten zijn gedaald met respectievelijk 9,3 miljard US$ en 14,8 miljard US$ (tabel 4). Tabel 3. Saldo lopende rekening (in % van BBP), 2011-2013 2011 2012 2013 1 Ontwikkelde landen, waarvan: % % % Verenigde Staten -3,0 -2,9 -2,4 Eurozone 0,1 1,4 2,4 Japan 2,1 1,0 0,7 Canada -2,8 -3,4 -3,2 Verenigd Koninkrijk -1,5 -3,8 -4,5 Overige ontwikkelde landen 3,9 4,3 5,5 Subtotaal -0,2 -0,1 0,4 2. Opkomendeen ontwikkelingslanden, waarvan: Afrika (SubSahara) -0,7 -2,0 -2,4 Centraal en Oost Europa -6,4 -4,6 -3,9 Verenigd Onafhankelijke Staten 4,3 2,5 0,6 Opkomend Azi 0,9 1,0 1,0 Midden Oosten en Noord Afrika 14,1 13,7 10,3 Latijns Amerika en Caribische gebied -1,4 -1,9 -2,7 Subtotaal 1,6 1,4 0,8 Totaal 0,5 0,5 0,6

PAGE 46

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 41 In de opkomendeen ontwikkelingslanden neem t het saldo lopende rekening uitgedrukt in percentage van het rele BBP, steeds verder af in de beschouwde periode (tabel 3), van 1,6 procent in 2011 naar 1,4 procent in 2012 tot 0,8 procent in 2013. Oorzaken voor deze afname in zowel 2012 als 2013 zijn, zoals blijkt uit tabel 4: de import van goederen en diensten is meer gestegen dan de export (in beide jaren) het saldo inkomen is nog verder gedaald (2013); het saldo inkomensoverdrachten is no g verder gedaald (in beide jaren). Het saldo inkomen in 2012 is wel gestegen ten opzichte van 2011, maar niet voldoende om het saldo lopende rekening te laten stijgen. Een analyse per landengroep laat zien dat in de ontwikkelde landen het vooral Canada, het Verenigd Koninkrijk en de VS zijn die in beschouwde periode een negatief saldo op de lopende rekening hebben, uitgedrukt in een percentage van het rele BBP (zie tabel 3). Hoewel nog onder de nul procent is het saldo op de lopende rekening in de VS in zowel 2012 als 2013 toegenomen, met 0,1 en 0,5 procentpunt. In Canada is sprake van een verslechtering Tabel 4. De lopende rekening en haar co mponenten 2011-2013, (in miljarden US$) 2011 2012 2013 1. Ontwikkelde landen Export goederen en diensten 13.896,1 13.726,6 14.356,0 Import goederen en diensten 14.026,5 13.810,9 14.189,5 Saldo goederen en diensten -130,4 -84,3 166,5 Saldo inkomen 440,9 418,2 408,9 Saldo inkomensoverdrachten -391,2 -379,0 -393,8 Saldo Lopende rekening -80,8 -45,1 181,6 2. Opkomendeen ontwikkelingslanden Export goederen en diensten 8.281,9 8.729,4 8.758,0 Import goederen en diensten 7.619,8 8.109,6 8.218,1 Saldo goederen en diensten 662,1 619,8 539,9 Saldo inkomen -521,1 -483,6 -546,5 Saldo inkomensoverdrachten 275,9 251,6 237,8 Saldo Lopende rekening 416,9 387,9 231,2 3. Totaal Export goederen en diensten 22.178,0 22.456,0 23.114,0 Import goederen en diensten 21.646,3 21.920,5 22.407,6 Saldo goederen en diensten 531,7 535,5 706,4 Saldo inkomen -80,2 -65.4 -137,6 Saldo inkomensoverdrachten -115,3 -127,4 -156,0 Saldo Lopende rekening 336,2 342,7 412,8

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine 42 Ja argang 13 in 2012, terwijl in 2013 een toename is waargeno men. In het Verenigd Koninkrijk is het saldo op de lopende rekening in beschouwde periode steeds verder afgenomen. In de Eurozone, Japan, en de Overige ontw ikkelde landen wordt in beschouwde periode een positief saldo op de lopende rekening ui tgedrukt in een percentage van het rele BBP waargenomen. Maar van deze 3 gr oepen van landen is alleen in de Eurozone en de Overige ontwikkelde landen sprake van een toename. In de Eurozone bedraagt de toename in 2012 en 2013 respectievelijk 1,3 en 1 procentpunt. In De Overige Ontwikkelde landen bedraagt de toename in 2012 en 2013 respectievelijk 0,4 en 1,2 procentpunten. In Japan is echter in beschouwde periode sprake van een afname me t respectievelijk 1,1 en 0,3 procentpunt. In de opkomendeen ontwikkelingslanden is tussen 2011 en 2013, op Centraal en Oost Europa en Opkomend Azi na, de positie op de lopende rekening van de betalingsbalans verslechterd. Hoewel de positie van de lopend e rekening in Centraal en Oost Europa in genoemde periode iets is verbeterd, blijft het onder de nul procent. Het saldo in deze groep van landen is in 2012 toegenomen met 1,8 procentpunten en in 2013 met 0,7 procentpunt. In Opkomend Azi is het saldo lopende rekening nagenoeg constant gebleven in 2012 en 2013. Opmerkelijk in de opkomendeen ontwikkelingslanden zijn landen in het Midden Oosten en Noord-Afrika met heel hoge percentages in de beschouwde periode. Het zijn voornamelijk de landen in dit gebied die ervoor zorgen dat he t gemiddelde saldo in 2011, 2012 en 2013 boven de nul procent van het BBP blijft. De meeste landen uit het Midden Oosten zijn olieexporteurs en door de hoge olieprijzen zijn de exportopbrengsten dan ook hoog. Samenvatting en Conclusie Dit artikel heeft getracht enigszins inzicht te verschaffen in de ontwikkeling van de internationale economie bekeken vanuit drie invalshoeken, te weten het rele BBP, de inflatie en het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans. De analyse behelst de periode 2011-2013 en heeft betrekking op 2 categorien van landen, namelijk de ontwikkelde landen en de opkomende en ontwikkelingslanden. Algemeen kan worden gesteld dat het rele BBP in de ontwikkelde landen zich in alle jaren onder het wereldniveau bevindt, terwijl het rele BBP in de opkomendeen ontwikkelingslanden zich als geheel boven het wereldniveau bevindt. Een mogelijke verklaring hiervoor is het zogenaamde voordeel van de achterstand, ook bekend als de wet van de remmende voorsprong11. 11 http://www.stressmanagement.be/luc_swinne n_stress_managementDr. L.Swinnen Stress Management Consultancy: Een voorsprong op een bepaald domein kan aanleiding zijn om verder nog weinig verbetering op te zoeken. Dat is dan een rem op vooruitgang zodat anderen je kunnen voorbijsteken. Een afgeleide van de wet van de remmende v oorsprong is de wet van de stimulerende achterstand: Hoeven, Erik van der: De wet van de stimulerende achterstand. Amsterdam: Bert Bakker, 198O.

PAGE 48

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 43 Het inflatiecijfer in beide categorien van landen is steeds gedaald in beschouwde periode. Het saldo lopende rekening uitgedrukt in percentage van het rele BBP in de ontwikkelde landen is in 2012 weinig veranderd, terwijl in 2013 sprake is van een positieve ontwikkeling. Het saldo lopende rekening uitgedrukt in ee n percentage van het rele BBP is in de opkomendeen ontwikkelingslanden steeds verd er afgenomen in de beschouwde periode. Tot slot kan worden geconcludeerd dat de stelling hoe hoger de inflatie, hoe lager de export en het saldo op de lopende rekening van de be talingsbalans en hoe grot er de daling van het rele BBP niet altijd opgaat. Geraadpleegde bronnen ECLAC, Economic Survey of Latin America and the Caribbean 2013 and 2014 www.economische begrippen.nl www.encyclo.nl http://financieel infonu.nl http://nl.global-rates.com/ economische statistieken IMF, World Economic Outlook, April 2014 IMF, World Economic Outlook, October 2014 IMF, Regional Economic Outlook Wes tern Hemisphere, October 2014 http://jdjong.nl Modus, jaargang 12/NR 1/2/2014 Human Development Index (HDI) Berekening van de voorlopige HDI voor Curacao Cent raal Bureau voor de Statistiek Curaao. Modus, jaargang 11/NR 3/4/2013 International Comparison Programme, wat is dat eigenlijk?, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao. Resultaten Arbeidskrachtenonderzoek Cu raao 2013, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, 2 december 2013. http://www.stressmanagement.be/luc _swinnen_stress_management.Dr. L.Swinnen S tress Management Consultancy

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine 44 Ja argang 13

PAGE 50

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 45 Prijsontwikkeling Curaao 2014 Solange Bomberg Inleiding In dit artikel wordt een beeld geschetst van de consumentenprijsontwikkeling van Curaao in 2014. Waar nodig wordt deze vergeleken met de consumentenprijsontwikkeling in voorgaande jaren. Tevens wordt de consumentenprijsontwikkeling per bestedingscategorie12 nader belicht. Verder wordt stilgestaan bij een aantal internationale aspecten die mogelijkerwijs de consumentenprijsontwikkeling op ons eiland benvloeden en wordt het inflatie12niveau van Curaao in 2014 vergeleken met het inflatieniveau in andere landen. Dit artikel is opgebouwd uit de volgende paragrafen: Inleiding; Methodologie en Definities; Prijsontwikkeling Curaao december 2014; Prijsontwikkeling en inflatie Curaao 2014 nader bezien vanuit tijdsperspectief en per bestedingscategorie; Relatieve bijdrage van de negen bestedingscategorien aa n de inflatie op Curaao in 2014; Inflatie Curaao 2014 nader bezien vanuit internationaal perspectief; Samenvatting, aanbeveling en vooruitblik. Door te kijken naar de prijsontwikkeling van Curaao in 2014 in tijdsperspectief, vanuit de invalshoek van bestedingscategorien en vanuit internationaal perspectief, beoogt dit artikel om enig inzicht te verschaffen in de prijsont wikkeling in ons land ge durende het jaar 2014. Methodologie en definities Algemeen Het Centraal Bureau voor de Statistiek van Curaao (CBS) ho udt zich bij het berekenen van de Consumentenprijsindex (CPI13, Consumer Price Index) en de inflatie13 aan internationale statistische richtlijnen en methodieken. 12 Zie paragraaf Methodologie en definities. 13 Zie definitie/methodologie va n dit begrip verderop of eerder in deze paragraaf

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine 46 Ja argang 13 In deze paragraaf zullen een aantal begrippen en methodologische aspecten die van belang zijn voor het doel van dit artikel nader worden belicht. Dit geschiedt in alfabetische volgorde. Bestedingscategorien De negen bestedingscategorien die voor de CPI worden gehanteerd zijn achtereenvolgens: Voeding; Dranken en rookwaren; Kleding en schoeisel; Wonen; Woninginrichting en huisraad; Gezondheidszorg; Vervoer en communicatie; Recreatie, educatie en cultuur; Overige goederen en diensten. Aan de hand van het budgetonderzoek13 wordt een representatieve, marktconforme en gebalanceerde consumptiemandje samengesteld en wordt teve ns het relatieve aandeel (de zogenaamde gewichten) van alle producten en di ensten en alle bestedingscategorien in de totale bestedingen van de consument vastgesteld. Sinds het laatst gehouden budgetonderzoek op Curaao in 2004/2005 kunnen de bestedingscategorien Wonen, Vervoer en communicatie, Voeding en Overig als de vier grootste bestedingscategorien in het consumptiemandje13 van Curaao worden aangemerkt, met een aandeel in het consumentenmandje13 van respectievelijk 31, 23, 12 en 12 procent. De bestedingscategorie Overig beva t diverse soorten producten en diensten die niet vallen onder de overige acht bestedings categorien, zoals bijvoorbeeld persoonlijke verzorging en verzekeringen. De kleinere bestedingscategorien in het cons umptiemandje van Curaao zijn respectievelijk Recreatie, educatie en cultuur, Woninginrichting en huisraad, Kleding en schoeisel, Dranken en rookwaren en Gezondheidszorg, di e respectievelijk 8, 7, 5, 2 en 1 procent van de consumentenmand uitmaken. In tabel 1 worden de niet afgeronde percentages weergegeven.

PAGE 52

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 47 Tabel 1 Aandeel (=gewicht) bestedingscategorien in consumentenmandje Curaao Bestedingscategorie Aandeel/Gewicht Wonen 30,8 % Vervoer en communicatie 22,6% Voeding 12,3% Overig 11,9% Recreatie, educatie en cultuur 7,7% Woninginrichting en huisraad 7,0% Kleding en schoeisel 4,8% Dranken en rookwaren 1,6% Gezondheidszorg 1,3% Totaal 100% Budgetonderzoek Een budgetonderzoek (Household Budget Survey) is een nationaal, door het Statistiek Bureau van desbetreffend land -op Curaao dus he t CBS, Centraal Bureau voor de Statistiekuitgevoerd, periodiek onderzoek naar de best edingen van de consument, gebaseerd op een representatieve steekproef. De consumentenmand13 en de gewichten worden bij het budgetonderzoek vastgesteld, die doorgaans n keer in de vijf tien jaar plaatsvindt. Het consumptiemandje13 wordt doorgaand zoveel mogelijk geactualiseerd door het vervangen van producten die niet meer verkocht worden en van zaken die sluiten. Pas bij een nieuw budgetonderzoek kan echter volledige actualisatie van de consumentenmand zowel qua gewichten, producten, diensten en zaken plaatsvinden, aangezien dan het ac tuele bestedingspatroon van de gemiddelde consument wordt gemeten. Het International Labour Organisation (ILO) adviseert om tenminste n keer in de tien jaar een budgetonderzoek uit te voeren. Dit is van belang voor zowel het waarborgen van de kwaliteit van de Consumenten Prijsindex (C PI) als voor het actualiseren van sociaaleconomisch beleid. Whichever design is used, the complexity of HIES [Household Income and Expenditure Survey] is such that they tend to be costly and onerous and so less frequent than HIS [Household Income Survey]. The existing ICLS [International Conference of Labour Statisticians] resolution (paragraph 4) recommends that HIES should be carried out at least every ten years with a higher frequency wher e economic, social and political conditions are changing more quickly. Most developed statistical systems, in fact, conduct these surveys more frequently, with a periodicity of between one and five years, and some have c ontinuous survey operations.

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine 48 Ja argang 13 Consumentenbesteding Een belangrijke basis voor het berekenen van de CPI en de inflatie wordt gevormd door de consumentenbestedingen. Onder consumentenbeste dingen wordt in het kader van de CPI en de inflatie verstaan: bestedingen in het land Curaao door consumenten die op Curaao wonen. Bestedingen van (buitenl andse) toeristen op ons eiland of van inwoners van ons eiland in het buitenland (via internet bijvoorbeeld) vallen hier per definitie niet onder. In het kader van dit artikel wordt dan ook gesproke n van de lokale markt of de lokale economie. Consumptiemand(je) of Consumentenmand(je) De (/Het) consumptiemand(je) of consumentenmand(je) is een verzameling productenen diensten die het bestedingspatroon van de gemiddelde consument weergeeft. Deze consumptiemand dient in principe n keer in de vijf tien jaar volledig te worden herzien aan de hand van de gegevens over consumptieve bestedingen die verkregen worden uit het budgetonderzoek13, ook wel household budget survey of HBS genoemd. Tussentijds worden, indien nodig, aanpassingen gedaan in deze representatieve, gebalanceerde consumentenmand, bijvoorbeeld als een winkel failliet gaat of een product niet meer verkocht wordt. Het representatieve, marktconform en gebala nceerde consumentenmandje is opgebouwd uit negen bestedingscategorien14, die weer onderverdeeld zijn in productgroepen. Elke productgroep is op haar beurt weer opgebouwd uit een aantal specifieke producten. Zo is bijvoorbeeld de bestedingscategorie Wonen14 opgebouwd uit de productgroepen woonkosten, energieverbruik, woningonderhouden reparatie, tuinonderhoud en waterverbruik. Vervolgens kan bijvoorb eeld de productgroep energieverbruik onderverdeeld worden in de specifieke prod ucten kookgas, elektriciteit en overig energieverbruik (kerosine etc.). CPI Het CBS berekent maandelijks een Consumentenp rijsindex (CPI, Consumer Price Index) en een 12 maandsgemiddelde CPI. De CPI is een maatstaf voor de gemiddelde prijs die consumenten aan goederen en diensten uitgeven voor een representatief, marktcon form, gebalanceerd consumptiemand(je), ook wel consumentenmand(je) genoemd.15 De CPI wordt door het CBS maandelijks berekend op grond van de circa 7000 prijzen van producten en diensten in het consumptiemandje die elke maand verzameld worden. Deze prijzen worden vervolgens gewogen met het aandeel dat ze hebben in de gemiddelde bestedingen van de consument. 14 Zie ook onder deze paragraaf, sub-paragr aaf Bestedingscategorien van dit artikel. 15 Zie voor nadere uitleg onder deze paragraaf, sub-pa ragraaf consumptiemand(je) of consumentenmand(je) van dit artikel.

PAGE 54

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 49 Wanneer het niveau van de prijs van een produc t over een bepaald jaar wordt vergeleken met het niveau van de prijs van hetzelfde product over een ander jaar, is dit gebaseerd op het berekende twaalf maandsgemiddelde CPI voor dit product. Hetzelfde geldt voor het gemiddelde prijsniveau van de consumptiemand als geheel. Inflatie Inflatie kan worden gedefinieerd als een langdurig16 economisch proces van algemene prijsstijging, met als gevolg geldontwaarding (of te wel koopkrachtdaling van het geld) en stijging van de kosten van levensonderhoud. De inflatie van Curaao wordt, conform internationale statistische methodologie, normen en richtlijnen, maandelijks door het Centraal Bure au van de Statistiek (CBS) berekend op grond van de twaalf maandsgemiddelde consumentenprijsindex (CPI13). Het inflatiepercentage wordt berekend door de twaalf maandsgemiddelde CPI van de consumptiemand over een bepaald jaar (t) te vergelijken met het twaalf maandsgemiddelde van de consumptiemand over het jaar daarvoor (t-1). Het verschil tussen de twaalf maandsgemi ddelde CPI van een bepaalde maand van een bepaald jaar en de twaalf maandsgemiddelde CPI van diezelfde maand een jaar eerder is het inflatiecijfer van eerstgenoemde maand. Inflat ie is dus per definitie een weergave van de gemiddelde consumentenprijsontwikkeling over een periode van 12 maanden. Doorgaans wordt gesproken van de inflatie over een bepaald kalenderjaar, maar het inflatiecijfer kan in principe over elk willekeurige periode van 12 maanden worden berekend. Als de inflatie van een aantal kalenderjaren naast elkaar wordt ge legd, kan tevens de gemiddelde inflatie per jaar over een bepaalde periode worden berekend. Het inflatiecijfer, zoals hiervoor omschreven, geeft een goed beeld van de lange termijn prijsontwikkeling en wordt daarom aangeraden als indexeringsinstrument voor onder andere lonen, salarissen, uitkeringen en pensioenen. Prijsontwikkeling Met prijsontwikkeling wordt in het kader van dit artikel consumentenprijsontwikkeling bedoeld. De methodiek17 voor het berekenen van de CPI13 en de inflatie13 brengt met zich mee dat in het kader van dit artikel een prijsontwikkeling als volgt moet worden genterpreteerd. De prijsontwikkeling van 2014 ten opzichte van 2013 impliceert dat, als er gesproken wordt van prijsdaling of prijsstijging in 2014 ten opzichte van 2013, dit betekent dat het gemiddelde prijsniveau voor de consument in 2014 respecti evelijk lager of hoger is geweest vergeleken met 2013. Het hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat de prijsdaling of prijsstijging in 2014 zelf heeft plaatsgevonden. 16 Met langdurig wordt in dit kader bedoeld een periode van tenminste 12 maanden. 17 Zie onder deze paragraaf, subparagraaf CPI van dit artikel.

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine 50 Ja argang 13 Ter nadere toelichting van het besprokene in voorgaande alinea, volgt een concreet voorbeeld. Elektriciteitsverbruik kan bijvoorbeeld in een bepa ald jaar (jaar t) duurder zijn dan in het jaar daarvoor (jaar t-1), zonder dat in jaar t zelf een tariefsverhoging van elektriciteit heeft plaatsgevonden, maar uitsluitend doordat in jaar t-1 (bijvoorbeeld in het vierde kwartaal) het elektriciteitstarief is gestegen. De hogere CP I die hieruit resulteert telt slechts een aantal maanden mee in jaar t-1 (bijvoorbeeld all een oktober, november en december als de tariefsverhoging per 1 oktober plaatshad), terwijl het in jaar t wel het hele jaar meetelt. Dit veronderstellend dat er geen andere tariefswijzigingen van elektriciteit in jaren t en t-1 hebben plaatsgevonden. Aan het eind van jaar t zal de 12-maandsgemiddelde CPI voor elektriciteit derhalve hoger zijn dan aan het eind van jaar t-1.De wetenschappelijk onderbouwde conclusie is dan dat elektriciteit d uurder is geworden in jaar t vergeleken met jaar t-1. Aan het eind van jaar t zal de 12-maandsgemiddelde CPI voor elektriciteit derhalve hoger zijn dan aan het eind van jaar t-1. De wete nschappelijk onderbouwde conclusie is dan dat elektriciteit duurder is geworden in jaar t vergeleken met jaar t-1. Prijsontwikkeling Curaao december 2014 Prijsontwikkeling Curaao tussen november 2014 en december 2014 Het consumentenprijsindexcijfer (CPI) van Curaao is in de maand december 2014 met 0,6 procent gedaald ten opzichte van nove mber 2014, van 125,4 naar 124,6. Van de negen bestedingscategorien zijn vijf (v rijwel) stabiel in prijs gebleven gedurende de maand december 2014: Overig (0%), Kleding en schoeisel (0%), Voeding (+0,1%), Dranken en rookwaren (+0,1%) en Woninginrichting en huisraad (-0,1%). Verder is bij twee bestedingscategorien een prijswijziging tussen 0,1 en 1 procent waargenomen, namelijk bij Recreatie, educatie en ontwikkeling (-0,2%) en Gezondheidszorg (-0,3%). Tenslotte is bij twee bestedingscategorien een prijswijziging van meer dan 1 procent gemeten: Wonen (-1,2%) en Vervoer en communica tie (-1,2%). Er kan derhalve worden geconstateerd dat in december 2014, van de 9 bestedingscategorien 5 goedkoper zijn geworden, terwijl 4 (vrijwel) stabiel in prijs zijn gebleven. De meest opvallende prijswijzigingen gedurende de maand december 2014 hebben zich in twee bestedingscategorien voorgedaan, namelijk: Wonen: daling van het elektriciteitsen watertarief met respectievelijk 6 en 3 procent; Vervoer en communicatie: daling van de prijs van benzine met 9 procent; Prijsontwikkeling Curaao tussen december 2013 en december 2014 Als de maand december 2014 wordt vergeleken met de maand december 2013, blijkt dat het consumentenprijsindexcijfer tussen december 201 3 en december 2014 gestegen is van 122,5

PAGE 56

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 51 naar 124,6. Dit is een stijging van 1,7 procent. Dit cijfer geeft weer hoeveel duurder de maand december van het jaar 2014 is ten opzichte van de maand december van het jaar 2013. Prijsontwikkeling en inflatie Curaao 2014 nader bezien vanuit tijdsperspectief en per bestedingscategorie Inflatie: oorzaken, gevolgen en beleid18 Inflatie van een land kan worden veroorzaak t door duurdere import, hogere loonkosten, hogere overige bedrijfslasten c.q. producti ekosten, het marktspel van vraag en aanbod (schaarste van producten/diensten), hogere winstmarges van bedrijven en stijging van de geldhoeveelheid in omloop. De algemene gedachte onder economen is dat de inflatie in een gezond groeiende economie ongeveer twee procent bedraagt. Een te hoge inflatie kan nadelig zijn voor de koopkracht en het vertrouwen van consumenten, de waarde van spaartegoeden, de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland en kan leiden tot verhoging van het renteniveau waardoor investeringen uitblijven. Veelal trachten overheden om de inflatie niet hoger te doen zijn dan 2 3 procent per jaar. Een inflatie van rond 2 procent wordt algem een beschouwd als zijnde gunstig voor de economie. Een lage inflatie stimuleert consum enten immers om goederen en diensten te kopen. Uitstel van bestedingen betekent name lijk dat men meer zou moeten betalen voor hetzelfde product. Daarnaast maakt een lage inflatie het voor de consument en de investeerder ook interessanter om geld te lene n omdat de rente veelal ook laag is tijdens perioden van een lage inflatie. Het handhaven va n een lage inflatie is vanwege de gunstige economische gevolgen derhalve wereldwijd een belangrijk doel in het economisch en monetair beleid van regeri ngen en centrale banken. Nut en noodzaak, dus het gebr uik van het inflatiecijfer Het inflatiecijfer heeft vooral vier gebruiks doelen, die onderstaand nader zullen worden belicht. Het berekende inflatiepercentage, kortweg h et inflatiecijfer, wordt ten eerste door bedrijven, (semi-)overheidsinstanties en non-profit organisa ties gebruikt om (minimum)lonen, salarissen, sociale uitkeringen, pensioenen, loongrens en andere inkomens te indexeren. Door indexeri ng van het inkomen voor het komende kalenderjaar met een percentage dat gebaseerd is op het inflatiecijfer van de afgelopen 12 maanden, wordt getracht om het koopkrachtverlies dat door de inflatie is veroorzaakt deels of geheel op te vangen. 18 Bronnen van referentie: http://nl.global-rates.com/economische-sta tistieken/inflatie/infl atie-informatie.aspx en http://financieel.inf onu.nl/beleggen/4333-economische-groe i-inflatie-en-wisselkoers.html

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine 52 Ja argang 13 Het inflatiecijfer wordt verder ook gebruikt als input om de rele economische groei van een land te berekenen. Ten derde wordt het inflatiecijfer gebruikt voor het creren, monitoren en bijsturen van sociaal-economisch beleid. Tenslotte wordt het inflatiecijfer ook gebrui kt voor sociaal-economische analyses en onderzoeken, zowel nationaal als internationaal. Inflatie Curaao 2014, totaal en per bestedingscategorie Het twaalf maandsgemiddelde van de consumente nprijzen op Curaao blijkt in december 2014 1,5 procent hoger te zijn dan in december 2013. Deze stijging geeft een goed beeld van de lange termijn inflatie, en wordt daarom aangeraden als indexeringsinstrument voor lonen, salarissen, pensioenen, sociale uitkeringen, minimumloon, loongrens en dergelijke. Het inflatiecijfer van december 2014 (1,5%) is tevens het inflatiecijfer over het gehele jaar 2014. De inflatie op Curaao over het hele jaar 2014 is derhalve 1,5 procent. Dit is de stijging van het twaalf maandsgemiddelde consumentenprijsinde xcijfer van 122,3 in december 2013 naar 124,2 in december 2014. Voornoemde inflatiecijfer van 1,5% over 2014 is het gewogen gemiddelde van de prijsontwikkeling van de negen bestedingscategorien waaruit het CPI-consumentenmandje is opgebouwd. In tabel 2 worden deze negen bestedingscategorien met bijbehorende prijsontwikkeling gedurende het jaar 2014 opgesomd. Tabel 2 Prijsontwikkeling Curaao 2014, per bestedingscategorie Bestedingscategorie Prijsontwikkeling Voeding +3,4% Dranken en rookwaren +16,7% Kleding en schoeisel +3,4% Wonen +0,6% Woninginrichting en huisraad +1,2% Gezondheidszorg +0,5% Vervoer en communicatie -0,3% Recreatie, educatie en ontwikkeling +1,6% Overig +1,8% Gemiddeld +1,5% Inflatie Curaao 2014, in tijdsperspectief Achtereenvolgens wordt de inflatie op ons ei land over het afgelopen jaar vanuit vier tijdsperspectieven nader belicht: 1. Over het jaar 2014, van maand tot maand;

PAGE 58

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 53 2. Over de afgelopen twee kalenderjaren, van maand tot maand; 3. Over de afgelopen 20 jaar, op jaarbasis; 4. Over de afgelopen zeven jaar, per bestedingscategorie. Ad 1. Inflatie Curaao over het jaar 2014, van maand tot maand Tabel 3 Inflatie Curaao 2014, van maand tot maand bezien Januari 1,4% Februari 1,3% Maart 1,0% April 0,7% Mei 0,6% Juni 0,6% Juli 0,9% Augustus 1,0% September 1,2% Oktober 1,3% November 1,4% December (is tevens Inflatiecijfer voor geheel 2014) 1,5% Zoals uit tabel 3 blijkt, is de inflatie gedurende 2014 gedurende de eerste vijf maanden geleidelijk gedaald van 1,4 procent in januari naar 0,6 procent in mei, om vervolgens na een stabilisatie in juli geleidelijk te stijgen naar uiteindelijk 1,5 procent in december. Zie figuur 1. Aangezien het inflatiecijfer per definitie de stijging van de 12 maandsgemiddelde CPI meet, is de inflatie in december 2014 tevens de inflatie over het hele jaar 2014. De inflatie op Curaao is iets gestegen van 1,3 procent in 2013 naar 1,5 procent in 2015.19 Dit betekent dat gemiddeld genomen de kosten van levensonderhoud op on s eiland de afgelopen twee jaren in een gematigd tempo stijgen. 19 Bron: CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, www.cbs.cw: persberi chten Consumentenprijzen Curaao december 2013, d.d. 14 maart 2014 en Consumentenprijzen Cura ao december 2014, d.d.29 januari 2015.

PAGE 59

Modus Statistisch Magazine 54 Ja argang 13 FIGUUR 1 Ontwikkeling Inflatie% Curaao 2014, van maand tot maand0.0 0.2 0.4 0.6 0.8 1.0 1.2 1.4 1.6 janfebmrtaprmeijunjulaugsepoktnovdecMAANDINFLATIE % Ad 2. Inflatie Curaao over de afgelopen twee kalenderjaren, van maand tot maand Van maand tot maand bezien vertoont de inflatie gedurende de afgelopen twee kalenderjaren geruime tijd, behoudens een stabilisatie in februari 2013 en een stijging in januari 2014, een dalende trend van 3,2 procent in december 2012 naar 0,6 procent in juni 2014, om vervolgens na een stabilisatie in juli 2014, geleidelijk aa n te stijgen tot het niveau van 1,5 procent in december 2014. Zie figuur 2. FIGUUR 2 Ontwikkeling Inflatie Curaao dec 2012 dec 20143.2 3.03.0 2.9 2.8 2.6 2.3 2.1 2.0 1.9 1.7 1.5 1.3 1.4 1.3 1 0.7 0.60.6 0.9 1 1.2 1.3 1.4 1.5 0 0.5 1 1.5 2 2.5 3 3.5maandinflatie% dec'12 jan'13 feb'13 mrt'13 apr'13 mei'13 jun'13 jul'13 aug'13 sep'13 okt'13 nov'13 dec'13 jan'14 feb'14 mrt'14 apr'14 mei'14 jun'14 jul'14 aug'14 sep'14 okt'14 nov'14 dec'14

PAGE 60

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 55 Ad. 3 Inflatie Curaao over de afgelopen twintig jaar, op jaarbasis 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 0.0 1.0 2.0 3.0 4.0 5.0 6.0 7.0Inflatie%JaarFIGUUR 3 Inflatie op Curaao gedurende afgelopen 20 jaar: 1995-2014 Series1 2.83.63.31.10.45.81.80.41.61.44.13.13.06.91.82.82.33.21.31.5 19951996199719981999200020012002200320042005200620072008200920102011201220132014 Over de afgelopen 20 jaar (1995-2014) vertoont de inflatie op Curaao een sterk schommelend beeld, met een gemiddelde van 2,6 procent. Ge durende genoemde periode heeft een inflatie lager dan 2 procent over een kalenderjaar zich 9 keer voorgedaan, onder meer in 2014, dus het afgelopen jaar. De inflatie van 1,5 procent over 2014 is ongetwijfeld n van de laagste gedurende de afgelopen 20 jaar. Slechts 5 keer in de afgelopen twee decennia (1995-2014) was de inflatie over het kalenderjaar lager dan het inflatieniveau van 2014: 0,4 procent in 1999 en 2002, 1,1 procent in 1998, 1,3 procent in 2013 en 1,4 procent in 2004. Kijkend naar het huidige millennium, dus de periode vanaf 2000 t/m 2014, dan kan worden geconstateerd dat in 7 van de 15 jaren de inflatie onder 2 procent lag: 2001 (1,8%), 2002 (0,4%), 2003 (1,6%), 2004 (1,4%), 2009 (1,8%), 2013 (1,3%) en 2014 (1,5%). Gedurende de overige 8 jaren lag de inflatie beduidend hoger, varirend van 2,3 procent in 2011 tot 6,9 procent in 2008. Het gemiddelde van de inflatie op Cura ao in dit millennium is 2,7 procent. De afgelopen tien jaar (2005-2014) nader beschouwend, geeft een inflatiecijfer van gemiddeld 3 procent per jaar op ons eiland. Ook vanuit di t perspectief blijkt wederom dat de Curaaose inflatie over het jaar 2014 (1,5%) relatief laag is, namelijk amper de helft van het gemiddelde van 3 procent en behorend tot slechts drie jaren in het afgelopen decennium met een inflatieniveau lager dan 2 procent. Als wordt ingezoomd op de afgelopen 5 jaar (2010-2014), dan resulteert een gemiddelde inflatie op Curaao van 2,2 porcent. Ook vanuit dit perspectief bekeken is de inflatie in 2014 van 1,5 porcent dus relatief laag te noemen.

PAGE 61

Modus Statistisch Magazine 56 Ja argang 13 Ad.4 Inflatie Curaao over de afgelopen zeven jaar, per bestedingscategorie Zoals uit tabel 4 blijkt, vertoont de consumentenprijsontwikkeling over 2014 bij zes van de negen bestedingscategorien een gematigd verloop Bij de overige drie bestedingscategorien is er sprake van een significante of zelfs fo rse consumentenprijsontwikkeling: Dranken en rookwaren (+16,7%), Voeding (+3,4%) en Kleding en schoeisel (+3,4%). Zoals uit tabel 4 tevens blijkt, is Voeding va naf 2007 tot en met 2012 de bestedingscategorie met onafgebroken de meest forse prijsstijginge n, terwijl deze plaats in 2013 en 2014 wordt ingenomen door de bestedingscategorie Dranken en rookwaren. Mogelijkerwijs spelen hogere importprijzen en het effect van de OB-verhoging per 1 mei 2013 van 6 naar 9 procent hierbij een rol van betekenis. Relatieve bijdrage van de negen bestedingscategorien aan de inflatie op Curaao in 2014 De bijdrage van een bestedingscategorie aan de inflatie wordt bepaald door twee eigenschappen van de bestedingscategorie: de hoogte van de prijswijzigi ng en het gewicht in de consumentenmand. De bestedingscategorien Wonen, Vervoer en Communicatie en Voeding wegen het zwaarst in de consumptiemand van Cura ao, aangezien de gemiddelde consument woonachtig op ons eiland daaraan het groot ste deel van zijn/haar inkomen besteed. Verreweg de grootste impact op de inflatie van 2014 is voor rekening van de bestedingscategorie Voeding (30,2%). Deze bestedingscategorie is verantwoordelijk voor bijna een derde van de inflatie over het afgelopen jaar. Opvallend is verder dat de bestedingscategorie Dranken en rookwaren Tabel 4 Inflatie% Curaao 2008-2014, totaal en per bestedingscategorie 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 Bestedingscategorie Voeding 18,4 9,9 4,7 7,7 6,1 1,6 3,4 Dranken en rookwaren 6,2 5,5 3,5 2,5 4,9 7,1 16,7 Kleding en schoeisel 2,0 2,0 -1,1 0,6 1,2 1,1 3,4 Wonen 5,3 -1,1 4,0 0,8 2,4 2,5 0,6 Woninginrichting en huisraad 6,3 5,2 0,9 1,4 2,5 2,4 1,2 Gezondheidszorg 2,5 1,9 2,2 0,9 0,7 -1,5 0,5 Vervoer en communicatie 7,8 -1,9 2,5 2,7 3,9 -0,8 -0,3 Recreatie, ontwikkeling en educatie 2,5 1,8 -0,1 -0,1 1,4 0,6 1,6 Overig 2,6 3,7 2,2 1,3 2,0 1,4 1,8 Gemiddeld (Totaal) 6,9 1,8 2,8 2,3 3,2 1,3 1,5

PAGE 62

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 57 (18,9%), verantwoordelijk voor bijna een vijfde van de inflatie in 2014, een tweede plaats inneemt. Op de derde plaats volgt de bestedin gscategorie Wonen (13,3%), met een bijdrage van ruim een achtste deel aan de inflatie over het gehele jaar 2014. Noemenswaardig is ten slotte de bijdrage van de bestedingscategorie Vervoer en Communicatie (-4,9%), met juist een inflatieverlagend effect van bijna -5 procen t. Dit inflatie verlagend effect is vooral veroorzaakt door diverse prijsverlagingen van benzine gedurende het afgelopen jaar. Relatieve bi j dra g e bestedin g scate g orien aan de inflatie van Curaao in 2014 Overig, 15.5% Recreatie, ontwikkeling en educatie, 8.8% Vervoer en communicatie, -4.9% Gezondheidszorg, 0.5% Woninginrichting en huisraad, 6.1% Wonen, 13.3% Kleding en schoeisel, 11.7% Dranken en rookwaren, 18.9% Voeding, 30.2% Inflatie Curaao 2014, nader bezien vanuit internationaal perspectief In deze paragraaf zal getracht worden antwoord te verkrijgen op twee vragen. 1. Is de inflatie van Curaao in 2014 hoog of laag vergeleken met andere landen?: 2. Kan er een verband worden geschetst tussen de inflatie van Curaao in 2014 en een drietal internationale factoren, te weten: a. internationale voedselprijzen, b. internationale olieprijzen, c. wisselkoers EURO US dollar?

PAGE 63

Modus Statistisch Magazine 58 Ja argang 13 Ad 1. Is de inflatie van Curaao in 2014 hoog of laag vergeleken met andere landen? In tabel 520 wordt de inflatie van Curaao in 2014 (1,5%) vergeleken met de inflatie van datzelfde jaar in 64 andere landen, o.a. gele gen in de Caribische/Z uid-Amerikaanse regio. Deze vergelijking is zuiver gebaseerd op het niveau van het inflatiecijfer en laat sociaal-economische verschillen tussen de 65 landen in deze lijst buiten beschouwing. Immers, dit laatste valt buiten de reikwijdte van dit artikel. Om een zo breed mogelijk spectrum te verkrijgen zijn deze landen wereldwijd verspreid. Voor het doel van dit overzicht, namelijk een ve rgelijking tussen landen van het inflatiecijfer over het gehele jaar 2014, worden de drie eilanden van Caribische Nederland (Bonaire, St. Eustatius en Saba) elk afzonderlijk als een land beschouwd. Tabel 520 Inflatie in 2014 van 65 landen, inclusief Curaao (in alfabetische volgorde) Land Inflatie% 2014 Land Inflatie% 2014 1. Aruba 0,4% 34. Isral -0,2% 2. Australi 2,5% 35. Itali 0,0% 3. Argentini 23,9% 36. Jamaica 6,4% 4. Barbados (oktober 2014, laatst bekende cijfer d.d. 17-32015) 1,7% 37. Japan 2,4% 5. Bahamas 0,25% 38. Marokko 0,4% 6. Belize 1,0% 39. Mexico 4,1% 7. Belgi -0,4% 40. Nederland 0,7% 8. Benin -0,7% 41. Nepal (oktober 2014, laatst bekende cijfer d.d. 17-3-2015) 7,5% 9. Bonaire21 1,5% 42. Nieuw Zeeland 0,8% 10. Brazil 6,4% 43. Nigeria 8,0% 11. Canada 1,5% 44. Noorwegen 2,1% 12. Chili 4,6% 45. Portugal -0,4% 13. China 1,6% 46. Puerto Rico 0,1% 14. Colombia 3,7% 47. Saba21 2,0% 15. Costa Rica 5,1% 48. Singapore -0,2% 16. Curaao 1,5% 49. Soviet Unie (Rusland) 11,4% 17. Denemarken 0,3% 50. Spanje -1,0% 18. Dominica (augustus 2014, laatst bekende cijfer d.d. 17-32015) 0,1% 51. St. Eustatius21 2,6% 19. Dominicaanse Republiek 1,6% 52 St. Kitts & Nevis (september 2014, laatst bekende cijfer d.d. 17-3-2015) 1,9% 20 Bronnen: Zie Bijlage 1. 21 Bonaire, Saba en Sint Eustatiu s, de BES-eilanden, zijn sinds 10 oktober 2010 bijzondere gemeentes van Nederland en vormen samen Caribisch Nederland.

PAGE 64

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 59 Vervolg tabel 5 20. Duitsland 0,2% 53. St. Luci a (september 2014, laatst bekende cijfer d.d. 17-3-2015) 0,7% 21. Ecuador 3,7% 54. St. Maarten 1,9% 22. Egypte 10,1% 55. St. Vincent & the Grenadines 0,1% 23. Filippijnen 2,7% 56. Suriname 3,4% 24. Finland 0,5% 57. Tanzania 4,8% 25. Frankrijk 0,1% 58. Trinidad & Tobago 8,5% 26. Griekenland -2,6% 59. Turkije 8,2% 27. Groot-Brittanni 0,6% 60. Venezuela 68,5% 28. Ghana 17,0% 61. Verenigde Staten (USA) 0,7% 29. Hati 6,4% 62. IJsland 0,8% 30. Ierland -0,3% 63. Zuid-Afrika 5,3% 31. India 5,9% 64. Zweden -0,3% 32. Indonesi 8,4% 65. Zwitserland -0,3% 33. Iran 16,7% Uit de inflatiecijfers, zoals weergegeven in tabel 5, blijkt dat de inflatie van Curaao over 2014 vergelijkbaar is met 31 van de 64 andere landen in de lijst, namelijk tussen minimaal 0 en maximaal 3 procent. Dit betekent dat circa de helft van de landen uit deze mondiale lijst inclusief Curaao 32 van de 65 landenin 2014 een inflatieniveau tussen de 0 en 3 procent hebben gemeten. Bij 17 landen ligt de inflatie in 2014 tussen 3 en 10 procent, terwijl 6 landen een inflatieniveau boven de 10 procent scoren, met twee uitschieters van bijna 25 en bijna 70 procent. Deze 23 landen samen vertegenwoordigen ruim een derde van de totale lijst van 64 landen, exclusief Curaao. Vervolgens kan bij 10 van de 64 landen dus uitgezonderd Curaaouit deze lijst een deflatie, of negatieve inflatie, worden waargenomen. Terwijl inflatie een gemiddelde stijging van de consumentenprijzen over desbetreffend jaar impliceert, betekent deflatie dat gemiddeld genomen de consumentenprijzen over desbetreffend jaar zijn gedaald. Op basis van voornoemde analyse van de cijfers van tabel 5 kan de voorzichtige conclusie worden getrokken dat in 2014 de inflatie op Curaao vergelijkbaar is met de inflatie in bijna de helft van de landen wereldwijd en beduidend lager is dan de inflatie in circa een derde van de landen wereldwijd. Het antwoord op de vraag Is de inflatie van Curaao in 2014 hoog of laag vergeleken met andere landen? luidt derhalve dat het inflatie niveau van Curaao in 2014 vanuit globaal perspectief bezien niet uitzonderlijk is. Opvallend is wel dat in 2014 beduidend meer landen (10 uit de lijst van 65 ) een deflatie hebben gemeten vergeleken met het jaar daarvr, dus in 2013 (4 uit de lijst van 65).

PAGE 65

Modus Statistisch Magazine 60 Ja argang 13 Ad 2. Kan er een verband worden geschetst tussen de inflatie van Curaao in 2014 en een drietal internationale factoren, te weten: a. internationale voedselprijzen, b. internationale olieprijzen, c. wisselkoers EURO US dollar? Curaao is een importland voor wat betreft consumptiegoederen en heeft als n van de belangrijkste exportproducten diensten in de toerismesector. Internationale economische factoren spelen derhalve een belangrijke rol in de prijsontwikkeling van het eiland, zowel voor de lokale markt als voor de toerismesector. Deze paragraaf en dit artikel beperken zich tot de lokale markt, gelet op de definitie va n consumentenbestedingen in het kader van CPI eerder in dit artikel. Bij het interpreteren van de invloed van intern ationale factoren op de economie en de prijsontwikkeling van ons eiland is het raadzaam om te allen tijde met een drietal aspecten rekening te houden. Ten eerste dat lokale factoren ook een rol van betekenis spelen bij de prijsontwikkeling. Deze lokale factoren zijn onder andere: het marktspel van vraag en aanbod, inkomens en koopkracht van de burgers, kosten van bedrijfsvoering voor de ondernemers, spaaren consumptiegedrag van consumenten, inkoop-, distributieen verkoopbeleid van ondernemers, aanwezige voorraden, teelt van groenten en fruit voor eigen gebruik (en eventueel ook voor de lokale markt), onderlinge afspraken tussen ondernemers, seizoensinvloeden, overheidsbeleid, investeringen van ondernemers, overheid en particulieren, arbeidsproductiviteit, het monetair beleid van de centrale bank. Ten tweede dat de lokale economie mogelijkerwijs vertraagd en niet met dezelfde intensiteit reageert op internationale ontwikkelingen. Ten derde dat het Nederlandse Koninkrijk l ees Nederlandook bijdraagt c.q. heeft bijgedragen aan de economische ontwikke ling van het eiland door middel van ontwikkelingshulp, schuldsanering, zachte leningen, CFT-ri chtlijnen etc. De lokale economie en dus de prijsontwikkeling op he t eiland wordt dus niet alleen benvloed door lokale en internationale factoren maar ook door beleid, afspraken, projecten, activiteiten en richtlijnen in het kader van het Nederlandse Koninkrijk, die ook als Koninkrijksfactoren kunnen worden aangeduid. Ad. 2a Internationale voedselprijzen De Food and Agriculture Organization of the United Nations (FAO) berekent maandelijks en jaarlijks een voedselprijsindex (FAO Food Price Index) op grond van de internationale voedselprijzen. Aangezien Curaao een groot d eel van haar voedsel importeert, kan deze index gehanteerd worden als een indicator om een verband tussen de prijsontwikkeling van

PAGE 66

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 61 Curaao, met name wat voedingsmiddele n betreft, en de internationale voedselprijsontwikkeling te schetsen. In 2014 is er voor het derde achtereenvolgend jaar sprake van een daling van de FAO Food Price Index (FPI), zowel in nominale als in rele termen. Hiermee is de FPI bijna weer terug naar het niveau van 2008. Zie gr afiek 5 en tabel 6. Aangezien Curaao voor haar voeding een overwegend importland is, zou de logische verwachting zijn dat de gemidd elde voedselprijs op het eiland in 2014 dan ook daalt. De gemiddelde voedselprijs op Curaao stijgt echter in 2014, met gemiddeld 3,4 procent (zie tabel 4). Mogelijkerwijs is er sprake van een vertraagde of onvolledige doorwerking van de internationale voedselprijzen, mede veroorzaakt door locale factoren zoals het marktspel van vraag en aanbod, het voorraad-, inkoopen verkoopbeleid van de voedselondernemingen op het eiland en het so ciaal-economisch beleid van de overheid. Ook het feit dat conform internationale CPI-richtlijnen de voedingsgroep aardappelen, groenten en fruit een onderdeel is van de CPI-bestedin gscategorie Voeding van Curaao, maar geen onderdeel is van de FAO Voedselprijs Index, speelt waarschijnlijk een rol van betekenis. De belangrijkste prijswijzigingen in de bestedingscategorie Voeding op Curaao gedurende 2014 deden zich voor in de voedingsgroepen a ardappelen, groenten en fruit (+15,6%) en graanproducten (-5,6%). Er kan logischerwijs worden beredeneerd dat laatstgenoemde prijsontwikkeling mede is benvloed door de wereldwijde prijsverlaging van graanproducten in 2014: de FAO prijsindex voor graanproducte n (cereals) daalde van 219,3 naar 191,9, een daling van 12,5 procent. De overige prijsdalingen in de FAO Voedselindex (suikerproducten, melkproducten, spijsvetten) zijn niet zichtbaar in de prijsontwikkeling op Curaao binnen de bestedingscategorie Voeding Er kan logischerwijs beredeneerd worden dat de internationale prijsstijging van vlees in 2014 -de FAO prijsindex voor meat steeg van 184,1 naar 198,3, of te wel met +7,7%) wel enigszins zichtbaar is in de prijsontwikkeling gedurende 2014 van de voedingsgroep vlees en vis (+2,3%) in de CPI Curaao. Grafiek 5 FAO Voedselprijsindex Bron: http://www.fao.org/worldfoods ituation/foodpricesindex/ en/

PAGE 67

Modus Statistisch Magazine 62 Ja argang 13 Tabel 6 FAO Voedselprijsindex Bron: http://www.fao.org/worldfoodsi tuation/foo dpricesindex/en/

PAGE 68

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 63 Ad. 2b Internationale olieprijzen Een internationale factor di e zeer waarschijnlijk een belangrijke invloed heeft op de prijsontwikkeling in Curaao is de internationale prijs van ruwe olie. Immers, de hoogte van de internationale prijs van ruwe olie kan o.a. invloed hebben op: de hoogte van de locale benzineprijs; de locale productiekosten (van bijvoorbeeld water en elektriciteit) en vervolgens ook de consumentenprijzen van deze producten (bijvoorbeeld elektriciteitsen watertarieven); transportkosten (overzee en te land); kosten van energieverbruik voor koeling (overzee en te land) en belichting; locale kosten van waterverbruik voor bijvoorbeeld landbouw. Er kan beredeneerd worden dat respectievelijk verlaging of verhoging van voornoemde kosten te zijner tijd door de producent/verkoper aan de consument doorberekend zal worden, in de vorm van respectievelijk verl aging of verhoging van de consumentenprijs. In 2014 is de internationale prijs van ruwe o lie lager dan in de jaren 2011 tot en met 2013, maar hoger dan gedurende de jaren 2001 tot en met 2010. Zie tabel 7 en grafiek 6. FIGUUR 6 Internationale olieprijzen 2001-20140.00 20.00 40.00 60.00 80.00 100.00 120.00 20012002200320042005200620072008200920102011201220132014JaarPrijs per vat ruwe olie (US $)

PAGE 69

Modus Statistisch Magazine 64 Ja argang 13 De inflatie op Curaao in 2014 is, zoals eerder toegelicht in dit artikel, de op n na laagste van de afgelopen 10 jaar. De meest opvallende prijsontwikkelingen die zich gedurende 2014 hebben voorgedaan, zijn: Energiekosten is 4 procent goedkoper geword en (voornamelijk door de tariefsdaling van elektriciteit), terwijl verbruik van leidingwater 3 procent duurder is geworden. De voedselgroep aardappelen, groenten en fruit is fors duurder geworden (+16%), terwijl de voedselgroep graanproducten significant in prijs is gedaald (-6%). De kosten van autorijden is voor het tweede achtereenvolgend jaar gedaald (-1%), alhoewel minder dan de drie procent van het voorgaande jaar. De prijsontwikkeling van benzine op Curaao heeft hierbij een be langrijke rol gespeeld: moest per ultimo 2013 nog Nafls. 2,17122 per liter benzine worden betaald, per ultimo 2014 was dat 7 procent lager, namelijk Nafls. 2,02022. Alcoholische drank is 16 procent duurder geworden, terwijl rookwaren 22 procent in prijs is gestegen. Deze prijsontwikkelingen op Curaao gedurend e 2014 vinden plaats tegen een achtergrond van daling van de internationale olieprijs. Er kan beredeneerd worden dat gedurende 2014 de daling van de internationale olieprijs vooral op de elektriciteitstarieven en benzineprijzen op ons eiland van invloed is geweest. Tabel 7 Internationale olieprijzen 2001 2004 Jaar Prijs per vat (US$) 2001 23,12 2002 24,36 2003 28,10 2004 36,05 2005 50,64 2006 61,08 2007 69,08 2008 94,45 2009 61,06 2010 77,45 2011 107,76 2012 109,45 2013 105,87 2014 96,29 Bron: www.opec.org 22 Bron: Bureau Teleco mmunicatie en Post Curaao, www.btnp.org

PAGE 70

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 65 Ad. 2c Wisselkoers EURO US dollar Het wettige betaalmiddel van Curaao, de Antilliaanse gulden, is gekoppeld aan de US dollar. Hoe duurder de Euro wordt, dus hoe zw akker de dollar, hoe duurder de import voor Curaao uit de Eurozone: voor 1 Euro dienen meer Antilliaanse guldens neergeteld te worden. Omgekeerd wordt de export naar de Eurozone goedkoper, dus een dure Euro bevordert het toerisme uit de Eurozone: voor 1 Euro krijgt de toerist meer Antilliaanse guldens c.q. US dollars. FIGUUR 7 Wisselkoers Euro -US$ 1999-20140.00 0.20 0.40 0.60 0.80 1.00 1.20 1.40 1.60Jaarwaarde 1 Euro in US $ Series1 1.070.920.900.951.131.241.241.261.371.471.391.331.391.281.331.33 '99'00'01'02'03'04'05'06'07'08'09'10'11'12'13'14 De eurodollarkoers in 2014 is vergelijkbaar met het niveau van 2010 en 2013, lager dan in de jaren 2007 t/m 2011 en hoger dan in 2012 en de jaren 1999 t/m 2006. Zie tabel 8 en grafieken 7 en 8. De vrijwel identieke eurodollarkoers van 1,33 in 2014 vergeleken met die van 2013 betekent dat import voor Curaao uit de eurozone, vooral Nederland, in 2014 vrijwel even duur c.q. goedkoop was als in 2013. Tegelijkertijd betekent het dat export, voornamelijk van diensten in de toerismesector, naar de eurozone even duur c.q. goedkoop was. Voor de Nederlandse (en overige Eurozone-) toerist was Curaao in 2014 dus wat wisselkoers betreft even aantrekkelijk als het jaar daarvr.

PAGE 71

Modus Statistisch Magazine 66 Ja argang 13 Tabel 8 Wisselkoers Euro US$ 1999 1,0658 2000 0,9236 2001 0,8956 2002 0,9456 2003 1,1312 2004 1,2439 2005 1,2441 2006 1,2556 2007 1,3705 2008 1,4708 2009 1,3948 2010 1,3257 2011 1,3920 2012 1,2848 2013 1,3281 2014 1,3285 Bron: De Nederlandsche Bank http://www.statistics.dnb.nl FIGUUR 8 Wisselkoers EURO-US dollar 1999-20141.07 0.92 0.90 0.95 1.13 1.241.24 1.26 1.37 1.47 1.39 1.33 1.39 1.28 1.33 1.33 0.00 0.20 0.40 0.60 0.80 1.00 1.20 1.40 1.60Jaar1 euro in US dollar '99 '00 '01 '02 '03 '04 '05 '06 '07 '08 '09 '10 '11 '12 '13 '14 De drie internationale factoren samen bezien In 2014 zijn de internationale voedselprijzen en internationale olieprijzen gedaald, terwijl import uit de Eurozone wat de wisselkoers betreft vrijwel ongewijzigd is gebleven.

PAGE 72

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 67 Er kan worden beredeneerd dat voornoemde internationale ontwikkelingen in samenspel met lokale factoren o.a. een negatieve economische groei van -0,5%23, het marktspel van vraag en aanbod, overheidsbeleid ten aanzien van benzineen nutstari even in belangrijke mate hebben bijgedragen aan een gematigde inflatie op Curaao over het jaar 2014. In een recessie geen economische groei of zelfs negatieve economische groeizijn er minder banen en meer werkloosheid en is er sprake van verminderde koopkracht en weinig consumentenvertrouwen. Hierdoor dalen de be stedingen, met als gevolg dat het aanbod van goederen en diensten groter is dan de vraa g. Dit drukt de consumentenprijzen en leidt vervolgens tot stabilisatie of verlaging van de consumentenprijzen, met als eindresultaat een lage inflatie of zelfs deflatie. Deze redenering kan een verklaring zijn voor de combinatie va n een negatieve economische groei en een lage inflatie op Curaao gedurende het jaar 2014. Samenvatting, aanbeveling en vooruitblik In dit artikel is getracht om inzicht te versch affen in de prijsontwikkeling van Curaao in 2014 door het vanuit drie invalshoeken nader te belichten: de prijsontwikkeling door de tijd heen, de prijsontwikkeling per bestedingscategorie en de prijsontwikkeling vanuit internationaal perspectief. De prijsontwikkeling van Curaao over 2014 heeft geresulteerd in een inflatieniveau (1,5 procent) dat als n van de laagsten van de af gelopen 10 jaar kan worden beschouwd. In 2014 heeft de bestedingscategorie Voeding het meest bijgedragen aan de inflatie in ons land, namelijk met ruim 30 procent. Met een bijdrage van bijna 20 procent aan de inflatie in 2014 neemt de bestedingscategorie Dranken en r ookwaren een tweede plaats in. Daarentegen heeft de dalende prijsontwikkeling in de bestedingscategorie Vervoer en communicatie, met name wat betreft de benzineprijzen, in 2014 inflatieverlagend gewerkt. Het niveau van de inflatie van Curaao in het jaar 2014 is niet uitzonderlijk vergeleken met andere landen: bij circa de helft van de 64 overig e landen die onder de loep zijn genomen is in 2014 sprake van een inflatie tussen 0 en 3 procent. De prijsontwikkeling en de inflatie op Curaa o worden door zowel lokale als internationale factoren benvloed. Lokale factoren zijn bi jvoorbeeld het marktspel van vraag en aanbod, inkomens en koopkracht van de burgers, kosten van bedrijfsvoering voor de ondernemers, het spaaren consumptiegedrag van cons umenten, investeringsbeslissingen en overheidsbeleid. Internationale factoren zijn met name internationale voedselprijzen, internationale prijs van ruwe olie en de eurodollarkoers. 23 Bron: CBCS, Centrale Bank voor Curaao en Sint Maarten, Economische ontwikkelingen in 2014 en vooruitzichten voor 2015, 31 december 2014.

PAGE 73

Modus Statistisch Magazine 68 Ja argang 13 Het inflatieniveau van een land is zowel een indicator hoe het gaat met de economische ontwikkeling van een land als een instrument om de (sociaal-)economische ontwikkeling van een land te sturen. Over het algemeen wordt door economen aangenomen dat een inflatiepercentage van maximaal 2 3 procen t een weergave is van een gezonde economie c.q. bijdraagt aan het crere n van een gezonde economie. Het inflatiecijfer wordt o.a. door bedrijven, de (semi-)overheid, non-profit organisaties, studenten en onderzoekers gebruikt. Gebruiks doelen zijn o.a. het indexeren van lonen, salarissen, pensioenen, uitkeringen etc., so ciaal-economisch beleid, onderzoek en het berekenen van de rele economische groei van het land. Aanbeveling Gelet op het sociaal-economisch belang behoeft de prijsontwikkeling van Curaao continu de nodige aandacht van onderzoe kers, beleidsmakers en de so ciaal-economische partners (bedrijven, vakbonden, overheid, consum enten) in de gemeenschap. Het is aanbevelenswaardig om hierbij steeds de door economen voor een gezonde economie aangehouden richtlijn van maximaal 2 3 procent inflatie in het vizier te blijven houden. Immers, een te hoge inflatie dus (structureel) hoger dan 2 3 procent kan nadelig zijn voor de koopkracht en het vertrouwen van consumenten, de waarde van spaartegoeden, de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland en kan leiden tot verhoging van het renteniveau waardoor investeringen uitblijven. Vooruitblik Mede gelet op de ontwikkeling van de inflatie op Curaao over de afgelopen 20 jaar (19952014), met name in het 21e millennium (2000-2014) en meer recent in de afgelopen vijf jaar, kan onder voorbehoud een voorzichtige inscha tting worden gemaakt dat de inflatie op Curaao zich dit en de komende twee jaar (201 5, 2016 en 2017) binnen de bandbreedte van 0 tot en met 3 procent zal bewegen.

PAGE 74

M odus Statistisch Magazine Nummer 1 69 Bijlage 1: Geraadpleegde bronnen bij Tabel 5 Inflatie 2014 van 65 landen, inclusief Curaao 1. Algemeen Bureau voor de Statistiek in Suriname (ABS), http://www.statisticssuriname.org/ 2. Barbados Statistical Service, http://www.barstats.gov.bb/publications/ 3. CBS, Central Bureau of Statistics Aruba, www.cbs.aw 4. CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, 29 januari 2015, Persbericht: Consumentenprijzen Curaao december 20 14 / 29 yanari 2015, Komunikado pa prensa: Preisnan pa konsumid na Krsou, desmber 2014 5. CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Nederland, http://statline.cbs.nl 6. CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Nederland, http://www.cbs.nl/nlNL/menu/themas/prijzen/p ublicaties/artikelen/archief/2015/2015-inflatiecaribisch-nederland-gedaald-in-vierde-kwartaal-2014.htm 7. Central Statistics Office (CSO) of St. Lucia: www.stats.gov.lc 8. Department of Statistics of the Bahamas, http://statistics.bahamas.gov.bs : Consumer Price Index December 2014, pu blished February 10th 2015 9. Department of Statistics Sint Maarten, STAT, http://stat.gov.sx ; February 9th 2015, Press release: Consumer prices Sint Maarten December 2014 10. http://www.eccb-centralbank .o rg/Statistics/#cpidata 11. INDEC, Instituto Nacional de Estadistica i Senso, http://www.indec.mecon.ar/ftp/c uadros/ingles/ ipcnu_01_15.pdf & http://www.lanacion.com.ar/ in flacion-y-precios-t46867 http://www.lanacion.com.ar/ 1760850-segun-el-in dec -la-inflacion-del-ano-pasadofue-de-239 12. www.inflation.eu 13. www.rateinflation.com 14. Statistics Canada, http://www.statcan.gc.ca 15. Statistical Institute of Belize, http://www.si b.org.bz/statistics/co nsumer-price-index 16. The Statistical Office of St Vincent & the Grenadines, Consumer Price Index Monthly Statistical Bull etin December 2014, http://www.stats.gov.vc 17. www.tradingeconomics.com

PAGE 75

rfntrbrftntt ff f