Citation
Modus Jaargang 13 Nummer 2

Material Information

Title:
Modus Jaargang 13 Nummer 2

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 1

r rfr nt r t b r t b t rfr rrt bb bb rr r r trfrt r r tr

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine Modus Jrg 13; Nr 2 In dit nummer Redactioneel ........................................................ iii 1. Resultaten conjunctuurenqute Curaao 2014 ...... 1 2. Jongeren en de arbeidsmarkt in Cu raao 2014 ................................................ 15 3. Ontw ikkeling van de arbeidsmarktparticipatie van de vrou w tussen 1960 en heden ........... 27 4. Census 2011: Marital status and coha bitation ................................................. 45 Modus jrg. 1 3 ; nr. 2 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Modus jrg. 13; nr. 2 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Voor u ligt de tweede editie van het jaar 2015 van MODUS, het statistische magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao Zoals reeds bekend is gemaakt is de economie van Curaao in 2014 gekrompen tot het niveau van 1.1 procent. Na analyse kan worden opgemaakt dat de krimp met name plaats heeft gevonden in de bedrijfstakken Landbouw, visserij en mijnbouw, Handel, Bouw, Transport & Communicatie, Nutsbedrijven en overige diensten en particuliere huishoudens, terwijl een groei vooral te zien is in de hotel en restaurants het onderwijs en de gezondheidszorg. Een vergelijking van de economie van Curaao met de wereldeconomien laat zien dat Eurozone een groei van 0,9 procent kent, China een groei van 7,4 procent laat zien, de Asean-5 een groei van 4,6 procent, de Verenigde Staten een groei van 2,4 procent, Latijns Amerikaanse landen een groei van 1,3 procent en de Caribische regio een groei van 4,7 procent groei vertonen. Daarentegen schijnen de bedrijven ondanks deze verslechterde economische resultaten, in artikel 1 een lichte, positieve ontwikkeling en verbetering in hun bedrijvigheid te tonen. De bedrijven geven aan vooral in de laatste helft van 2014 te hebben genvesteerd en hun vertrouwen in de economie is licht gestegen van 44 naar 49 procent. Het artikel sluit met de opmerking dat de bedrijven een positieve verwachting voor wat betreft de groei van hun omzetten hebben voor jaar 2015. In deze editie van Modus treft u verder 3 zeer interessante artikelen met ontrokken informatie uit de laatst gehouden Census in 2011 waarin wordt ingegaan en die ingaan op de volgende onderwerpen; de positie van jongeren op de arbeidmarkt, de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt en een artikel over huwelijken en samenwonende stellen. Ook vindt u in deze Modus een fact sheet die betrekking heeft op de vergelijking tussen de migranten bevolking en de bevolking die op Curaao is geboren en nooit het eiland heeft verlaten. Al met al dus een zeer interessante publicatie. Rest mij om u veel leesplezier toe te wensen. Sean de Boer Directeur CBS Colofon Oplage : 250 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 461-031 Fax: (599 9) 461-1696 info@cbs.cw www.cbs.cw Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Arnold Rooi Drukwerk Onemedia Group Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2015 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding. Modus jrg 13; nr 2 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine To retain trust in official statistics, the statistical agencies need to decide according to strictly professional considerations, including scientific principles and professional ethics, on the methods and proc edures for the collection, processing, storage and presentation of statistical data". (Principle 2, United Nations, Fundamental principles of Official Statistics) iv Modus jrg. 13; nr. 2

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 1 Resultaten conjunctuurenqute Curaao 2014 Chris M. Jager Inleiding In december 2014 zijn in het kader van de conjunctuuren qute (CE) de bedrijven op Curaao benaderd met vragenlijsten. Doel van de conjunctuurenqu te is om op reguliere basis, twee maal per jaar in juni en december, actuele informatie te kunnen verschaffen over be drijfsmatige en economische parameters en ontwikkelingen. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtinge n en opinies van ondernemers. Met de verkregen gegevens van de bedrijven (NVs en een manszaken met een balans en winst& verliesrekening) wordt een beeld gegeven van de volgende onderwerpen: investeringsbelemmeringen en bevorderingen, concurrentiepositie, vertrouwen in de economie, vertrouwen in de toekomst, mening ten aanzien van het investeringsklimaat, verwachtingen omzetmutaties, verwachtingen bedrijfsresultaten. Bij vertrouwen in de toekomst, mening ten aanzien van het investeringsklimaat, bedrijfsresultaten en omzetmutaties wordt ook inzicht gegeven in de situatie per bedrijfstak en naar aantal werknemers. Bij be drijfsresultaten wordt tevens inzicht gegeven naar grootte van het bedrijf. De resultaten van de omzetmutaties en bedrijfsresultaten worden vergeleken met die van het voorgaande jaar, van december 2013. Bij concurrentie, vertrouw en, investeringen en inv esteringsklimaat wordt een v ergelijking gemaakt met de eerste helft van 2014. In dit artikel wordt nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute. Kwantitatieve gegevens over de exploitatiekosten worden hier niet besproken en de omze tten slechts in beperkte mate. Allereerst wordt er een korte inleidende beschouwing gegeven over de methodolog ie zoals die voor de enqute wordt gebruikt.

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine 2 Modus jrg. 13; nr. 2 Methodologie De conjunctuurenqute wordt twee keer per jaar onder de bedrijven op Curaao gehouden. In juni wordt genquteerd over het eerste halfjaar van het lopende kalenderjaar, in december over het gehele jaar. Dit wordt gedaan met behulp van enquteurs en via email. Het onderzoek wordt uitgevoerd bij a lle bedrijven met tien of meer we rknemers, terwijl van de bedrijven vanaf drie tot tien werknemers een steekproef wo rdt genomen. De CE is aldus voor een deel een steekproefonderzoek. Door het nemen van een st eekproef wordt een schatting gemaakt van de karakteristieken van de gehele po pulatie (alle bedrijven) en kunnen daar op een verantwoorde wijze uitspraken over worden gedaan. Onder bedrijven wordt hier verstaan NVs, BVs, maatschappen en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening. Bij de steekproeftrekking (voor de bedrijven van drie tot tien werk nemers) wordt uitgegaan van een betrouwbaarheid van 95 procent (5% foutenmarge, zwaarde van 1,96). Bij een populatie van ruim 2.000 bedrijven (vanaf 3 werknemers tot 10 werknemers) komt dat op het moment van trekking neer op in totaal 323 bedrijven. De steekproef wordt proportioneel ge trokken, waarbij rekening wordt gehouden met en uitgegaan van het aantal bedrijven per bedrijfstak. Resultaten In de navolgende paragrafen wordt per onderwerp nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute van december 2014. Investeringsbelemmeringen en bevorderingen Ruim 43 procent van de benaderde bedrijven heeft aangegeven te hebben genvesteerd in 2014 (zie figuur 1). Dat is 5 procentpunten meer dan in juni 2014 en gelijk aan het percentage van december 2013. Figuur 1: investeringen in vaste activa42 36 43 38 43 58 64 57 62 570 10 20 30 40 50 60 70 dec 12 juni 13 dec 13 juni 14 dec 14 % bedrijven ja nee Van de genquteerde bedrijven heeft bijna 39 procen t aangegeven dat er van in vesteringsbelemmeringen sprake is geweest. Dit is 5 procen tpunten meer in vergelijking met ju ni 2014 en 3 procentpunten meer dan december 2013, toen dit ruim 35 procent was.

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 3 Zoals doorgaans het geval is ook nu weer he t tekort aan financile middelen de grootste investeringsbelemmering (zie figuur 2). Dit percentage is het laatste halfjaar van 2014 met 23 procent vrijwel gelijk gebleven. Het percentage van bedrijven die een slechte marktverwachting als belemmering hebben aangegeven, is afgenomen van bijna 21 naar 16 procent. Het overheidsbeleid als investerings belemmering is nagenoeg niet veranderd, minder dan 1 procentpunt groei in vergelijking met 2013. Figuur 2: investeringsbelemmeringen0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 22 24Te k or t f i n an c i n M a r k t v er wa ch t ing Ren de ment Re n teniveau W e rkvergun n ing Ov e rh e i d sbe l eid Overi g% bedrijven dec '12 juni 13 dec '13 juni 14 dec '14 De investeringen zijn naar de me ning van de bedrijven vooral bevo rderd door de beschikbaarheid van financile middelen (zie figuur 3). He t relatief hoge percentage bedrijven dat dit aangeeft is net als in juni 2014, 14 procent gebleven Van bevordering van de investeringen door de beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel is vrijwel g een sprake geweest. Dat percentage is afgenomen van 8 naar 3 procent. Ook de verwachtingen ten aanzien van de markt (van 6% naar 4%) en de rendementsverwachting (van bijna 6% naar 4%) zijn afgenomen in december 2014. Figuur 3: bevordering investeringen 0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20G e kw a l p e r s o n e e l B e s c hi kb h k a p i t aa l M ar kt v e r w a ch t i n g R e n dem e n t sv e r w R e n t e n i v e au O v er i g% bedrijven dec '12 juni 13 dec '13 juni 14 dec '14

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine 4 Modus jrg. 13; nr. 2 Concurrentiepositie Bij de concurrentiepositie op de bi nnenlandse markt (zie figuur 4) is nauwelijks verandering opgetreden. Concurrentiepositie kan hier worden omschreven als de positie van een bedrijf ten opzichte van andere bedrijven die in dezelfde markt acti ef zijn. In vergelijking met juni 2014 hebben in december 2014 iets meer bedrijven aangegeven dat er van een verslechtering sprake is. Dit percen tage is toegenomen van 25 naar 27 procent. Het aandeel van de bedrijven dat heeft aange geven dat hun concurrentiepositie verbeterd is, is zowel in december als juni 2014 10 procent. Wederom hebben de mees te bedrijven aangegeven dat hun concurrentiepositie onveranderd is gebleven. Ook di t percentage is met 53 procent stabiel gebleven. Figuur 4: concurrentiepositie binnenland 0 10 20 30 40 50verbeterdonveranderdverslechterdniet van toep.% bedrijven dec '12 juni '13 dec '13 juni '14 dec '14 Vertrouwen in de economie Het vertrouwen in de economie is naar de mening van de ondernemers het laatste halfjaar van 2014 iets minder negatief (zie figuur 5. In december 2014 heeft nog st eeds een heel laag percentage (6%) van de bedrijven aangegeven dat hun vertrouw en in de economie het afgelopen ha lfjaar is verbeterd. Daarentegen geeft circa 40 procent (was 44%) van de in decemb er 2014 genquteerde bedrijven aan dat ze minder vertrouwen in de economie hebben. Het percentage ondernemers dat heeft aangegeven dat hun vertrouwen in de economie gelijk is gebleven, is ten opzichte van afgelopen juni 2014 toegenomen; van 50 naar bijna 55 procent. Figuur 5: vertrouwen in de economie0 10 20 30 40 50 60 70junidec '10 junidec '11 junidec '12 junidec '13 junidec '14% bedrijven verminderd gelijk verbeterd

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 5 Vertrouwen in de toekomst Het percentage bedrijven dat in dece mber 2014 heeft aangegeven vertrouwen te hebben in de toekomst, is in vergelijking met juni 2014 toegenomen van 45 naar 49 proc ent (zie figuur 6). Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst is met 24 procent gelijk gebleven. Minder bedrijven hebben aangegeven geen mening te hebben over de gestelde vraag. Dit is ten opzichte van afgelopen juni 2014 afgenomen van 31 naar 27 procent per december 2014. Figuur 6: vertrouwen in de toekomst0 10 20 30 40 50 60 70junidec '10 junidec '11 junidec '12 junidec '13 junidec '14% bedrijven ja nee geen mening Indien gekeken wordt naar de resultaten van het vertrouwen in de toekomst op bedrijfstakniveau bij de grotere bedrijfstakken (zie figuur 7), dan zijn er vrij duidelijke versch illen. Vooral bij de handel is het vertrouwen laag: slechts 38 procent heeft aangegeven vert rouwen in de toekomst te hebben. Wl is dat hoger dan vorige periode (juni 2014) toen dit 34 procent was. Ook bij de in dustrie, horeca en bouw ligt het vertrouwen onder het gemiddelde (49%) met respectieve lijk 43 (industrie) en 44 pr ocent (horeca en bouw). Bovendien zijn er bij de horeca, de handel en de industrie veel bedrijven di e expliciet hebben aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst : respectievelijk 34, 30 en 28 procent. Net als voorgaande periode is het in december 2014 bij de zakelijkeen overige diensten (62% en 63%) en vooral de financile diensten (80%) goed gesteld met het vertrouwen in de toekomst, zowel absoluut als ten opzichte van de andere bedrijfstakke n. Het percentage bedrijven bij de overige diensten en financile diensten dat heeft aangegeven gn vertrouwen in de toekomst te hebben is, met 11 procent, bovendien laag. Alleen bij de bouw is dat met 9 procent nog lager. Daar moet wel bij vermeld worden dat daar het percentage geen mening erg hoog is, namelijk 47 procent. In de bedrijfstakken bouw en tr ansport & communicatie heeft respectievelijk 44 en 54 procent van de bedrijven wel vertrouwen in de toekomst. Hiermee nemen deze twee bedrijfsta kken een middenpositie in daar waar het gaat om het ve rtrouwen in de toekomst.

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine 6 Modus jrg. 13; nr. 2 Figuur 7: vertrouwen toekomst naar bedrijfstak dec. 20140% 20% 40% 60% 80% 100%H a nd e l Hore c a Indus t rie B o u w T ransport & c o mm Zakelij k e di e ns t e n O v e rig e die nst e n Fin. diensten% bedrijven geen mening nee ja Aangezien de bedrijven wordt gevraag d naar het aantal werknemers, kan ook inzicht worden verkregen in het vertrouwen in de toekomst naar het aantal werknemers van de bedrijven. Daarvoor wordt een indeling gemaakt in 3 groepen, te weten 3 tot 10 werknemers (klein), 10 tot 50 werknemers (middelgroot) en 50 of meer werknemers (groot). Wederom is gebleken dat bij de grotere bedrijven, vanaf 10 werknemers, duidelijk een hoger percentage bedrijven vertrouwen in de toekomst hebben dan bij de kleine bedrijven (zie figuur 8). Bij deze grotere bedrijven bedraagt dit per december 2014 ruim 50 procent, een toename van 3 procentpunten in vergelijking met juni 2014. Bij de kleine bedrijven is het percentage meer toegenomen met bijna 7 procentpunten naar 39 procent. Hierdoor is het verschil met de grotere bedrijven afgenomen. Bij de kleine bedrijven heeft 30 proc ent aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst. Dit was 27 procent in juni 2014. Bij de middelgroteen grote be drijven ligt dit percentage met 23 en bijna 20 procent duidelijk lager. In juni 2014 bedroegen deze percentages 25 en 18 procent. Figuur 8: vertrouwen toekomst naar werkenden, dec. 2014 0 10 20 30 40 50 < 10 10 50 50 en meer% bedrijven ja nee geen mening

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 7 Mening ten aanzien van het investeringsklimaat De mening ten aanzien van het inve steringsklimaat (zie figuur 9) is wat minder negatief geworden in vergelijking met juni 2014. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeve n dat het investeringsklimaat goed is, is 7 procent gebleven. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven dat het inve steringsklimaat slecht is, is afgenomen van 36 naar 34 procent. De meeste bedrijven beoordelen het in vesteringsklimaat als matig. Dit aan deel bedrijven is toegenomen van 57 naar 59 procent. Er heeft dus een lichte versch uiving plaatsgevonden va n slecht naar matig. Figuur 9: perceptie investeringsklimaat0 10 20 30 40 50 60 70junidec '10 junidec '11 junidec '12 junidec '13 junidec '14% bedrijven goed matig slecht Bij de perceptie van het investeringsklimaat op bedrijfstakniveau zijn de handel, bouw en horeca de bedrijfstakken met de minst positieve perceptie. Relatief veel bedrijven in deze bedrijfstakken vinden het investeringsklimaat slecht. De handel spant hier met 46 procent de kroon, gevolgd door de bouw en horeca met beiden 39 procent. Bij de zakelijke-, overigeen financile diensten is de perceptie duidelijk (relatief gezien) positiever. Van deze bedrijfstakken hebben respecti evelijk 21, 23 en slechts 13 procent van de bedrijven aangegeven het investeringsklimaat slecht te vinden Ofschoon bij de industrie het percenta ge goed met ruim 15 procent het hoogste is van alle bedrijfstakken, staat daar wel tegenover dat in deze bedrijfstak veel bedrijven zijn die het investeringsklimaat slecht vinden: 33 procent. Figuur 10: perceptie investeringsklimaat naar bedrijfstak dec. 20140% 20% 40% 60% 80% 100%Tr ansp or t & c o mm Ha n de l Zak el ijk e d i ens t en B ouw Ov er i g e di e ns t en Ho r eca Fin. diens t en I nd ustr i e% bedrijven slecht matig goed

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine 8 Modus jrg. 13; nr. 2 De perceptie van het investerin gsklimaat als afgeleide van het aantal werknemers van de bedrijven laat net als bij vertrouwen in de toekomst vr ij duidelijke verschillen zien. Bij de kleine bedrijven is de mening ten aanzien van het investeringsklimaat mi nder gunstig dan bij de grotere be drijven van 10 werknemers of meer (zie figuur 11). Bij de kleine bedrijven vindt 48 proc ent het investeringsklimaat matig en 46 procent slecht. Bij de grote bedrijven vanaf 50 werknemers zijn deze percentages gunstiger; 65 proc ent vindt het matig en slechts 26 procent vindt het slecht. De middelgrote bedrijven zitte n daar tussenin met percen tages van respectievelijk bijna 62 (matig) en 33 procent (slecht). Bij alle bedrijven zijn de percenta ges van een goede perceptie van het in vesteringsklimaat laag. Zowel bij de kleine als de middelgrote bedrijven bedraagt deze 6 pr ocent. Bij de grote bedr ijven vindt 9 procent het investeringsklimaat goed. Figuur 11: perceptie investeringsklimaat naar werkenden dec. 20140 10 20 30 40 50 60 < 10 10 50 50 en meer% bedrijven goed matig slecht Verwachting omzetmutaties De omzetmutaties geven inzi cht in welke mate de gesc hatte omzet (dus geen gere aliseerde omzet) van het betreffende jaar is veranderd in vergelijking met het v oorgaande jaar. In vergelijking met december 2013 is er een duidelijke verbetering opgetreden en is het percentage toename va n de omzet gestegen van 28 naar 38 procent. Het percentage bedrijve n welke hebben aangegeven dat de om zet is afgenomen is navenant verminderd en wel van 58 naar 48 procent. Figuur 12: omzet mutaties 2010 t/m 201436 32 2828 38 42 50 57 58 480 10 20 30 40 50 60 70 802010 2011 2012 2013 2014% bedrijven toename afname

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 9 Bij de omzetmutaties op bedrijfstakniveau (voor de grotere bedrijfstakken, fig uur 13) valt op dat bij vooral de bouw en de industrie relatief weinig bedrijven (27 en 28%) een toename van de omzet hebben vermeld. Bij de industrie hebben bovendien veel bedrijven (56%) aange geven dat men te maken heeft gehad met een afname van de omzet in vergelijking met 1 j aar geleden. Overigens is dat wel een verbetering ten opzichte van 2013 toen dit percentage 65 procent was. Bij 41 procent van de bedrijven binnen de bedrij fstakken transport & communicatie, overigeen zakelijke diensten zijn de omzetten toegenomen. De financile diensten hebben het nog beter gedaan, daar is bij 50 procent van de bedrijven de omzet toegenomen. Bovendien is daar het aandeel van de bedrijven met een afname van de omzetten relati ef laag: nog geen 39 procent. Figuur 13: omzetmutaties bedrijfstakken dec. 20140 10 20 30 40 50 60 70 80 90Bo u w Indust r ie H or e ca Ha n de l T r ansport & comm. O v er ig e d ien s te n Z a ke li jke die n s te n F in. die n sten% bedrijven afname toename De verschillen in de mutaties va n de omzet naar rato van het aantal werknemers van de bedrijven zijn vrij duidelijk afgenomen ten opzichte van de vorige periode (juni 2014), zie fig uur 14. Bij de kleinebedrijven is dit wederom minder gunstig dan bij de grotere bedrijven. Bij de kleine bedrijven is er bij 33 procent sprake van een toename van de omzetten (bedroeg nog 22% pe r juni 2014). Ruim 47 procent heeft te maken gehad met een afname (was 58%). Bij de middelgrote bedrij ven bedragen deze percen tages 39 (toename) en 49 procent (afname). Een duidelijke ve rbetering in vergelijking met juni 2014 toen dit respectievelijk 29 en 60 procent was. Bij de grote bedrijven ligt het percentage toename omze t op 40 procent. Een verbetering van 5 procentpunten in vergelijking met juni 2014. Ook de afname van de omzetten is bij de grote bedrijven wat gunstiger en bedraagt 48 procent (was in juni 2014, 51%).

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine 10 Modus jrg. 13; nr. 2 Figuur 14: omzetmutaties naar werkenden dec. 2014 0 10 20 30 40 50< 10 10 50 50 en meer% bedrijven toename afname Verwachting bedrijfsresultaten Indien de bedrijfsresultaten ten opzi chte van het voorgaande jaar in og enschouw worden genomen, blijkt dat er in 2014 van verbetering sprake is ge weest. Net als bij de omzetten gaat het daarbij om geschatte resultaten en dus niet om gerealiseerde bedrijfsresultaten. Er zi jn duidelijk minder bedrijven die hebben aangegeven dat de bedrijfsresultaten zijn verslechte rd, dit is afgenomen van 36 naar 26 procent. Het percentage bedrijven dat heeft aangegeven dat de resultaten verbeterd zijn, is bovendien iets toegenomen van 17 naar 21 procent (figuur 15). Ook de percentage s bedrijven veranderen in verlies (van 10 naar 7%) en veranderen in winst (van 3 naar 5%) zijn licht verbeterd. Het aantal bedrijven waar het bedrijfsresultaat ongeveer gelijk is gebleven is toegenomen van 34 naar 41 procent. Figuur 15: bedrijfsresultaat t.o.v. voorgaande jaren0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 ongeveer gelijk blijven verbeterenveranderen in winst veranderen in verlies verslechteren 2010 2011 2012 2013 2014 Het aandeel bedrijven welke het jaar 2014 met een positief bedrijfsresultaat heeft afgesloten is 55 procent. Dit is 1 procentpunt lager dan het verwachtingspercen tage van juni 2014 en 3 procentpunten hoger in vergelijking met december 2013 (zie figuur 16). Ruim 45 procent van de gentervie wde bedrijven heeft afgelopen december aangegeven een negatief bedrijfsresultaat over 2014 te verwachten, eveneens een verbetering van 3 procentpunten ten opzichte van

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 11 december 2013. Hiermee is er vooral snog een einde gekomen aan de negatieve trend van een toename van het percentage bedrijven met verlies. Opgemerkt dient te worden dat deze pe rcentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen. Figuur 16: bedrijfsresultaten 2010 201473 61 62 52 55 27 40 39 48 450 10 20 30 40 50 60 70 802010 2011 2012 2013 2014 % bedrijven pos neg Figuur 17 laat de verwachting van de bedrijfsresultaten zien als afgeleide van de groo tte van bedrijven. Wat ook in deze periode opvalt is het duidelijke verschil tussen de kleinere bedrijven met 3 tot 10 werknemers en de grotere vanaf 10 werknemers. Dit verschil is in de afgelopen periode kleiner geworden. Bedraagt het percentage van de kleine bedrijven met een te behalen winst nu 39 procent (december 2014), een jaar daarvoor (december 2013) was dit slechts 33 procent. Dit is aldus een verbetering van 6 procentpunten ten opzichte van het zeer lage percentage van 2013. De grotere bedrijven doen het duidelijk beter. Bij de middelgrote bedrijven heeft bijna 58 procent aangegeven winst te behalen in 2014, een toename van 3 procentp unten in vergelijking met eind 2013. Bij de grote bedrijven vanaf 50 werknemers is dit ruim 65 procent, hetgeen vrijwel gelijk is aan de circa 66 procent van eind 2013. Daarmee is de kloof (in te rmen van winstgevendheid) tussen de kleine en de grotere bedrijven wat kleiner geworden. Figuur 17: bedrijfsresultaten 2014 naar grootte0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%< 10 10-50 => 50 % bedrijven neg. pos.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine 12 Modus jrg. 13; nr. 2 Verwachtingen voor het jaar 2015 Ieder jaar wordt er in december middels de enqute aan de ondernemers gevraagd de verwachting van de mutaties van omzet, investeringen en personeel aan te geven voor het komende jaar. De vermelde percentages hebben alleen betrekkin g op die bedrijven die een toeof afname of wijziging hebben aangegeven. Zoals uit figuur 18 blijkt is de verwachting voor wat betreft de omzetten verbeterd. Ruim 43 procent verwacht een toename (was nog geen 35% in 2013) en iets minder onderne mers in vergelijking met een jaar geleden verwachten een afname, name lijk bijna 19 procent (was 21%). Figuur 18: verwachting omzetten 20150 10 20 30 40 50toename afname% bedrijven dec '10 dec '11 dec '12 dec '13 dec '14 Bij de investeringen is een beperkte positieve wijz iging zichtbaar (zie figuur 19). Het percentage geen investeringen is afgenomen van 29 naar 26 procent. Iets mr ondernemers verwachten een toename van de investeringen; van 15 naar 17 procent en wat minder een afname: van 12 naar 11%). Evenveel is met 3 procentpunte n toegenomen naar 47 procent. Figuur 19: verwachting investeringen 20150 10 20 30 40 50geen inv.evenveeltoenemenafnemen% bedrijven dec '10 dec '11 dec '12 dec '13 dec '14

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 13 Geheel in lijn met verwachtingen ten aanzien van de bedrijfsresultaten, om zetten en investeringen, laten ook de verwachtingen van de omvang van het personeel een positieve ontwikkeling zien (figuur 20). Wat meer bedrijven verwachten een toename van het aantal person eelsleden (van 12% naar ruim 16%) en wat minder bedrijven verwachten een afname van het personeel: van 17 naar 12 procent. Figuur 20: verwachting personeel 20150 5 10 15 20 25 30toename afname% bedrijven dec '10 dec '11 dec '12 dec '13 dec '14 Samenvatting De opinies en geschatte bedrijfsresultaten van de conjunctuurenqute van december 2014 laten gemiddeld genomen een enigszins positieve ontwikkeling en lichte ve rbetering zien van de bedrijvigheid op Curaao. Ten opzichte van afgelopen perioden (december 2013 en juni 2014) lijkt er sprake te zijn van een aantal verbeteringen en licht herstel van een in vele gevallen op zich nog vrij slechte situatie. Wat meer bedrijven hebben aangegeven te hebben genvesteerd in de laat ste helft van 2014. Het percentage investeringsbelemmeringen is eveneens toegenomen. In de concurrentiepositie op de binnenlandse markt is nauwelijks verandering opgetreden. Dat is wel het geval bij het vertrouwen in de economie w aar sprake is van een lichte verbetering. Het aandeel bedrijven dat in december 2014 heeft aangegeven vertrouwen te hebben in de toekomst is in vergelijking met juni van dat jaar toeg enomen van 44 naar bijna 49 procent. Vooral bij de handel, horeca en de industrie is het wederom niet goed gesteld met het vertrouwen in de toekomst en ligt dit onder het gemiddeld e. Bij de overige diensten en voor al de financile diensten is dat wel het geval en is het vertrouwen in de toekomst relatief goed. De mening ten aanzien van het investeringsklimaat is heel licht verbeterd in vergelijking met juni 2014. De handel, horeca en de industrie zijn ook hier de bedrijfstakken met de mi nst positieve perceptie. Ook bij de bouw is de perceptie van het in vesteringsklimaat beneden gemiddeld. Sinds december 2010 is er sprake van een verslechtering van de verwachte omzetmutaties bij bedrijven. Eind 2013 heeft dit zich gestabiliseerd en pe r december 2014 is er een duidelijke verbetering opgetreden van het percentage toename van de verwachte omzet. Bij de kleine bedrijven tot 10 werknemers blijft de situatie minder gunstig dan bij de grotere bedrijven doch

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine 14 Modus jrg. 13; nr. 2 deze is wl duidelijk verbet erd ten opzichte van vorige perioden. Bij slechts een derde van de bedrijven was er sprake van een toename van de verwachte omzetten. Bijna de helft denkt te ma ken te zullen krijgen met een afname. Het aandeel bedrijven dat 2014 verwacht af te sluiten met een positief bedrijfsresultaat is wat hoger in vergelijking met december 2013. Bij de middelgroteen grote bedrijve n ligt dit nog wat hoger. Bij de kleine bedrijven is dat lager doch is een duidelijke verbetering opgetreden in verhouding tot 33 procent van december 2013. De verwachtingen voor 2015 zijn vrij positief. Althans in die zin dat mr bedrijven dan in december 2013 een toename van de omzetten en investeringen verwacht en. Ook verwachten meer bedrijven dan in 2013 een toename van de omvang va n het personeelsbestand.

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 15 Jongeren en de arbeidsmarkt in Curaao 2011 Francis Vierbergen Inleiding Jongeren op de arbeidsmarkt worden in het algemeen gedefinieerd als de bevolk ing van 15 tot en met 24 jaar oud. Zij vormen een bijzondere groep in de arbe idsactieve leeftijden, doordat veel va n hen nog studeren en zelfs deels nog leerplichtig zijn. De participatiegraad van de jongeren is circa 40 procent, wat aangeeft dat meer personen economisch niet-actief zijn dan dat zij tot de beroepsbevolking behoren. Wereldwijd wordt de groep jongeren op de arbeidsmarkt ge kenmerkt door lage participatie en hoge werkloosheid. Curaao is daarop geen uitzondering. In dit artikel zal de analyse van jongeren en de arbeidsmar kt vanuit de gebruikelijke kenget allen en opstellingen worden uitgevoerd voor Curaao. De informatie hiervoor is afkomstig uit de Census van 2011 1 In het tweede deel zal nader worden inge gaan op nieuwe concepten die in ontw ikkeling zijn, met name met betrekking tot werkende jongeren in kwetsbare posities van de ILO en het door de OECD ontwikkelde concept van NEET: niet economisch actief en niet in opleidin g of training. Waar mogelijk wordt een vergelijking gemaakt met andere landen. Definities Beroepsbevolking: De werkenden en de werkzoekenden tezamen, ook wel de economisch actieve bevolking genoemd. Economisch niet-actieven: Alle personen van 15 jaar en ouder die noc h werken, noch op zoek zijn naar werk. Jongeren: De bevolking van 15 tot en met 24 jaar oud. Kwetsbare werkgelegenheid (vulnerable employment): Werk dat geen formele werkrelaties heeft waarbij sociale zekerheid, zekerheid van werk en inspraak ontbreken. Kwetsbaar werk is in deze publicatie geop erationaliseerd tot werk behor ende tot de economische posities losse job, onbetaalde familiewerk er en zelfstandige beroepsbeoefenaar. NEETs (Neither in Employment, Education or Training): Jongeren in de leeftijd van 15-24 jaar die niet werken, en geen opleiding of een training volgen. Participatiegraad: De verhouding van de beroepsbevolking tot de totale bevolking van 15 jaar en ouder. 1 Publicatiereeks Census 2011: De economis che positie van de bevolking van Curaao

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine 16 Modus jrg. 13; nr. 2 Werkenden: Alle personen van 15 jaar en ouder met een baan of een eigen bedrijf of alle personen die in de week voorafgaand aan het onderzoek 4 uur of meer hebben gewerkt tegen betaling. Werkzoekenden: Alle personen van 15 jaar en ouder die tijdens het onderzoek zonder werk zijn, op zoek zijn naar werk f een eigen bedrijf willen beginnen, de maand voorafgaande aan het onderzoek actief naar werk hebben gezocht en binnen 2 weken kunnen beginnen te werken f een eigen bedrijf starten. Werkloosheidspercentage: Het aandeel van de werkzoeken den in de beroepsbevolking. De arbeidsmarktpositie van jongeren In tabel 1 wordt de bevolking van 15 24 jaar naar geslacht en economisch e status weergegeven. De grootste groep jongeren is economisch niet-actief, en dit betr eft vooral studenten, een aantal van hen nog in de leerplichtige leeftijd (tot 18 jaar). De bevolking in deze leeftijds klasse is bijna 19.500 personen groot. Zon 30 procent van de jongeren heeft werk, iets meer mannen dan vrouwen. Tabel 1. Bevolking 15 24 jaar naar geslacht en economische status, Curaao, Census 2011 Tabel 1. Bevolking 15 24 jaar naar geslacht en economische status, Curaao, Census 2011 Aantallen Relatieve verdeling Economische status Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Werkend 3.148 2.791 5.939 32,6 28,4 30,5 Werkzoekend 788 983 1.771 8,2 10,0 9,1 Economisch niet-actief 5. 703 6.057 11.760 59,1 61,6 60,4 Niet opgegeven 10 2 12 0,1 0,0 0,1 Totaal 9.649 9.833 19.482 100,0 100,0 100,0 werkloosheidspercentage 20,0% 26,0% 23,0% participatiegraad 40,8% 38,4% 39,6% De participatiegraad van de jongeren is net iets minder dan 40 procent, iets hoger voor mannen (41%) dan vrouwen (38%). Daarmee onderscheidt de jongste groep va n de bevolking van 15 24 jaar zich van de oudere groepen, want bij deze laatste is de participatiegraad tweemaal zo hoog. De jongeren zijn dan ook een overgangsgroep, waar de overgang van leren naar werken zich afspeelt, wat gekenmerkt wordt door personen die nog studeren en pe rsonen die arbeidsactief zijn. Dat de overgang van leren naar werken niet pr obleemloos verloopt bewijs t het hoge werkloosheidspercentage bij de jongeren: 23 procent, meer dan het dubbele van het algemeen werkloosheidspercentage (9,9 % in 2011). Hoge jeugdwerkloosheid beperkt zich ni et alleen tot Curaao, wereldwijd is dit fenomeen zichtbaar. In figuur 1 wordt voor een selectie van landen in de regio de werkloosheidsperce ntages voor de bevolking van 15 24 jaar aangegeven 2 2 Bronnen: International Labour Organization, Key Indicators of the Labour Market database. CBS Curaao, Census 2011

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 17 Zoals uit de figuur blijkt variren de percentages per land enorm: van rond de 5 procent voor landen als Cuba en Bolivia tot 30 procent of meer voor landen als Puerto Rico, Bahamas en Suriname. De verschillen tussen de landen kunnen benvloed zijn door de mate waarin jongeren berhaupt toegang tot de arbeidsmarkt hebben. In het tweede deel van deze analyse wordt daar nader op ingegaan. uur 1: Jeugdwerkloosheid in de regio 2011, werkloosheidspercentages 15-24 jaar. Ter wille van de vergelijkbaarheid me t de Census gegevens voor Curaao zijn alleen data voor 2011 gebruikt. Gezien de economische ontwikkelingen kunnen data voor andere jaren per land behoorlijk verschillen. Het kan daarom ook zijn dat gezien de recente wereldwijde economische cr isis, data voor 2011 de normale percentages niet weerspiegelen. Tabel 2 geeft een uitgebreider overzicht van de jeugdw erkloosheidspercentages voor landen in de wereld. Duidelijk blijkt dat landen die bijzonder zijn getro ffen door de economische crisis ook zeer veel moeite hebben om hun jongeren aan een baan te helpen. In Spanje en Griekenland heeft dat een bijzonder hoge werkloosheidspercentage voor de jeug d opgeleverd van meer dan 40 procent 3 Zuid Afrika staat bovenaan met een jeugdw erkloosheidspercentage van ruim 50 procent. Tabel 2. Internationale je ugdwerkloosheidspercentages, 2011 Tabel 2. Internationale jeugdwerkloosheidspercentages, 2011 Zuid Afrika 50,2 Colombia 20,9 Denemarken 14,2 Spanje 47,3 Groot Brittanni 20,2 Canada 14,2 Griekenland 43,9 Finland 18,9 Australi 11,3 Suriname 32,7 Argentini 18,8 India 10,2 Bahamas 30,2 Belgi 18,7 Mexico 9,8 Puerto Rico 30,1 Chili 17,6 Zuid Korea 9,7 Jamaica 29,1 Verenigd Staten 17,5 Ecuador 9,4 Itali 29,1 Venezuela 17,4 China 9,3 Dom. Republiek 26,1 Nieuw Zeeland 17,3 Japan 9,2 Barbados 25,7 Costa Rica 17,0 Duitsland 8,5 Zweden 23,1 Hati 16,7 Peru 8,4 Curaao 23,0 Belize 15,4 Pakistan 8,0 Portugal 22,3 Rusland 15,3 Nederland 7,6 Frankrijk 21,9 Brazili 15,2 Bolivia 5,5 Indonesi 21,2 Trinidad & Tobago 14,6 Cuba 5,1 Bronnen: International Labour Organization, Key Indicator s of the Labour Market database. CBS Curaao, Census 2011 In 2011 hebben bijna 6.000 jongeren werk in Curaao. In tabel 3 wordt de economische positie van deze werkende jongeren weergegeven. Ruim een kwart van hen heeft werk als werknemer in vaste dienst, meer mannen dan vrouwen. Bijna 23 procent van de werkenden is werknemer in tijdelijke dienst. Meer vrouwen dan mannen werken in tijdelijke dienst. De analyse wordt bemoeilijkt doorda t een vijfde van de jonge werken den niet heeft opgegeven wat hun economische positie is. Er zijn procentueel gezien ook opvall end veel jongeren die een losse job hebben (19% versus 9%). Het betreft meer mannen (21%) dan vrouwen (17%). 3 Deze percentages zijn in 2012 zelfs boven de 50 uitgekomen.

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine 18 Modus jrg. 13; nr. 2 Een losse job betekent geen uitzicht op vast werk en dus ook geen mogelijkheid om sociale zekerheid zoals een pensioen op te bouwen. Een vierde belangrijke positie die bi j de jongeren voorkomt is contract voor langer dan 6 maanden (5,5%). Andere economische posities komen bij de werkenden in de leeftijd van 15 tot en met 24 jaar weinig voor. Vergeleken met de uitkomsten voor de totale werkende be volking valt het vooral op dat jongeren veel minder vaak (25% versus 60%) in vaste dienst werken. Ze zijn wel iets vake r in tijdelijke dienst (23% versus 12%). Dit laatste lijkt verklaarbaar doordat een werkende aan het begin van een carrire eerst een tijdelijke dienst wordt aangeboden. Tabel 3. Werkende bevolking 15 24 jaar naar geslacht en economisc he positie, Curaao, Census 2011 Tabel 3. Werkende bevolking 15 24 jaar naar geslacht en economische positie, Curaao, Census 2011 Aantallen Relatieve verdeling Economische positie Man Vrouw totaal Man Vrouw totaal Werkgever 45 26 71 1,4 0,9 1,2 Zelfstandige 21 15 36 0,7 0,5 0,6 Werknemer in vaste dienst 838 663 1.501 26,6 23,8 25,3 Werknemer in tijdelijke dienst 658 704 1.362 20,9 25,2 22,9 Losse job 674 461 1.135 21,4 16,5 19,1 Onbetaalde familiewerker 28 26 54 0,9 0,9 0,9 Contract voor minder dan 6 maanden 35 38 73 1,1 1,4 1,2 Contract voor 6 maanden en langer 158 169 327 5,0 6,1 5,5 Stagiair 50 29 79 1,6 1,0 1,3 Overig en onbekend 32 38 70 1,0 1,4 1,2 Niet opgegeven 609 622 1.231 19,3 22,3 20,7 Totaal 3.148 2.791 5.939 100,0 100,0 100,0 In tabel 4 worden de beroepsgroepen van de werkende jongeren verbijzonderd. Ook hier is een forse groep personen die geen beroep hebben opgegeven (24%). De meeste jongeren hebben werk als dienstverlenend personeel of verkoper, 29 procent. Er is wel een groot verschil tussen de vr ouwelijke en mannelijke werkenden in deze beroepsgroep: ongeveer 42 procen t van de vrouwelijke werkenden heeft dit beroep, tegenover bijna 18 procent van de mannelijke werkenden.

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 19 Tabel 4. Werkende bevolking 15 24 jaar naar geslacht en beroepsgro ep, Curaao, Census 2011 Tabel 4. Werkende bevolking 15 24 jaar naar geslacht en beroepsgroep, Curaao, Census 2011 Aantallen Relatieve verdeling Beroepsgroep Man Vrouw totaal Man Vrouw totaal Strijdkrachten 39 0 39 1,2 0,0 0,7 Leidinggevenden 30 23 53 1,0 0,8 0,9 Intellectuele, wetenschappelijke en artistieke beroepen 38 81 119 1,2 2,9 2,0 Technici en vakspecialisten 177 144 321 5,6 5,2 5,4 Administratief personeel 213 471 684 6,8 16,9 11,5 Dienstverlenend personeel en verkopers 562 1.174 1.736 17,9 42,1 29,2 Geschoolde landbouwers, bosbouwers en vissers 8 1 9 0,3 0,0 0,2 Ambachtslieden 628 36 664 19,9 1,3 11,2 Bedieningspersoneel van machines en installaties 150 20 170 4,8 0,7 2,9 Elementaire beroepen 561 154 715 17,8 5,5 12,0 Niet opgegeven 742 687 1.429 23,6 24,6 24,1 Totaal 3.148 2.791 5.939 100,0 100,0 100,0 Ook bij werkende jongeren die een administratieve baan hebben (totaal ruim 11%) is er discrepantie tussen de seksen. Bijna 17 procent van de vrouwelijke werkenden heeft dit beroep versus 7 procent van de mannelijke. Er werken meer mannen dan vrouwen als ambachtsma n/vrouw, namelijk bijna 20 procent van de mannen en slechts 1,3 procent van de vrouwen. Bij de jonge we rkenden zijn mannen ook veel vaker te zien in andere mannelijke beroepen zoals bedi eningspersoneel van machines. De mannen overheersen ook in de beroepsgroep elementaire beroepen. Vergeleken met de totale werkende bevolking werken jongeren relatief vaker in de dienstverlenende beroepen, en zijn zij ondervertegenwoordigd in de bero epen met hogere kwalificatie s. Dit laatste is logisch gezien het feit dat nog niet v eel jongeren hun opleiding op hog er niveau hebben kunnen afronden. Tabel 5 geeft de inkomensverdeling weer van de werken de jongeren. Het vaakst is een bruto maandinkomen genoemd van 1.001 tot 1.500 gulden. De percentage s lopen snel terug in de daarop volgende inkomensklassen. Bijna een derde verd ient minder dan 1.000 gulden (31%).

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine 20 Modus jrg. 13; nr. 2 Tabel 5. Werkende bevolking 15 24 j aar naar geslacht en bruto maandinkomen uit belangrijkste bron, Curaao, Census 2011 Tabel 5. Werkende bevolking 15 24 jaar naar geslacht en bruto maandinkomen uit belangrijkste bron, Curaao, Census 2011 Aantallen Relatieve verdeling Inkomen uit belangrijkste bron Man Vrouw Totaal Man Vrouw totaal Geen 103 89 192 3,3 3,2 3,2 1 500 323 365 688 10,3 13,1 11,6 501 1000 468 516 984 14,9 18,5 16,6 1001 1500 625 514 1.139 19,9 18,4 19,2 1501 2000 539 341 880 17,1 12,2 14,8 2001 2500 143 109 252 4,5 3,9 4,2 2501 3000 116 69 185 3,7 2,5 3,1 3001 5000 132 104 236 4,2 3,8 4,0 Meer dan 5000 78 55 133 2,5 1,9 2,3 Niet opgegeven 621 629 1.250 19,7 22,5 21,0 Totaal 3.148 2.791 5.939 100,0 100,0 100,0 Gemiddeld inkomen 1.913 1.558 1.749 Vergeleken met de gemiddelde inko mens van alle werkenden blijkt dat het gemiddelde inkomen van de werkende jongeren bijna de helft minder is 4 Jongeren staan nog aan het be gin van hun carrire en hebben vaak geen vast werk, zo als al uit tabel 3 bleek. Tabel 6 geeft voor de werkzoekende jongeren het reeds gevolgde opleidingsniveau weer. Van een derde van de werkzoekende jongeren is geen opgave gedaan van hun hoogst gevolgde opleiding. Weinig jongeren hebben alleen basis onderwijs of minder gevolgd (5%). De invloed van de leerplicht die jongeren verplicht tot hun 18e levensjaar naar school te gaan indien zij nog niet aan hun startkwalificatie hebben voldaan zal duidelijk zijn. Ruim een derde heeft een opleiding op het eerste niveau van het secundaire onderwijs gevolgd (35,7%). Meer dan 22 procent heeft het tweede niveau daarvan bere ikt. Meer vrouwen dan mannen zijn op dit niveau gekomen. Meer mannen zijn blijve n steken op het eerste niveau. abel 6. Werkzoekende bevolking 15 24 jaar naar geslacht en hoogst ge volgde opleiding, Cu raao, Census 2011 Tabel 6. Werkzoekende bevolking 15 24 jaar naar geslacht en hoogst gevolgde opleiding, Curaao, Census 2011 Aantallen Relatieve verdeling Opleidingsniveau Man Vrouw totaal Man Vrouw totaal Basisonderwijs of minder 68 24 92 8,6 2,4 5,2 Secundair onderwijs, eerste niveau 350 283 633 44,4 28,8 35,7 Secundair onderwijs, tweede niveau 142 254 396 18,0 25,8 22,4 Tertiair onderwijs, eerste niveau 9 18 27 1,1 1,8 1,5 Tertiair onderwijs, tweede niveau 2 2 4 0,3 0,2 0,2 Onbekend 217 402 619 27,5 40,9 35,0 Totaal 788 983 1.771 100,0 100,0 100,0 4 De vergelijking is op basis van bron van belangrijkste inkomen is werk, voor consistentie met eerdere tabellen over inkomen. De verschillen met alle bronnen zoals in de onderhavige tabel zijn echter klein

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 21 Een lage opleiding verhoogt in he t algemeen de kans op werkloos heid, dus de hoge werkloosheidspercentages bij de jongeren worden mede veroorzaakt door het lage opleidingsniveau van degenen onder hen die werk zoeken. De duur van de werkloosheid van jonge werkzoekenden komt in tabel 7 to t uiting. De meeste zijn minder dan een half jaar werkzoekend. Bijn a 21 procent is langer dan een jaar werkzoekend. Mannen zijn over het algemeen genomen wat langer op zoek naar werk dan vrouwen. Er zijn vooral meer vrouwen die minder dan drie maanden werkzoekend zijn. 7. Werkzoekende bevolking 15 24 j aar naar geslacht en duur van de werkloosheid, Curaao, Census 2011 Tabel 7. Werkzoekende bevolking 15 24 jaar naar geslacht en duur van de werkloosheid, Curaao, Census 2011 Aantallen Relatieve verdeling Hoe lang werkzoekend Man Vrouw totaal Man Vrouw totaal Minder dan een maand 152 198 350 19,3 20,1 19,8 Een tot drie maanden 201 315 516 25,5 32,0 29,1 Vier tot zes maanden 128 161 289 16,2 16,4 16,3 Zeven tot negen maanden 54 50 104 6,9 5,1 5,9 tien tot twaalf maanden 53 54 107 6,7 5,5 6,0 Meer dan een jaar 176 193 369 22,3 19,6 20,8 Niet opgegeven 24 12 36 3,0 1,2 2,0 Totaal 788 983 1.771 100,0 100,0 100,0 In tabellen 8 en 9 worden de opleid ingskenmerken van de economisch niet-actieve jeugd weergegeven. Tabel 8 gaat over de (kleinere) groep jongeren die niet-act ief zijn en niet schoolgaan d. Zij hebben het onderwijs verlaten maar zijn (nog) niet tot de arbeidsmarkt toegetreden. Tabel 9 geeft de huidige dagopleiding aan van economisch niet-actieven die nog wel naar school gaan. bel 8. Economisch niet-actieve en niet schoolgaande bevolking 15 24 jaar naar geslacht en hoogst gevolgde opleiding, Curaao, Census 2011 Tabel 8. Economisch niet-actieve en niet schoolgaande bevolking 15 24 jaar naar geslacht en hoogst gevolgde opleiding, Curaao, Census 2011 Aantallen Relatieve verdeling Hoogst gevolgde opleiding Man Vrouw totaal Man Vrouw totaal Basisonderwijs of minder 105 71 176 16,1 11,5 13,9 Secundair onderwijs, eerste niveau 354 298 652 54,4 48,3 51,4 Secundair onderwijs, tweede niveau 175 213 388 26,9 34,5 30,6 Tertiair onderwijs 6 28 34 0,9 4,5 2,7 Onbekend 11 7 18 1,7 1,1 1,4 Totaal 651 617 1.268 100,0 100,0 100,0 Net als bij de werkzoekende jongeren is het opleidin gsniveau van de niet-actie ve niet-schoolgaande jeugd laag te noemen: meer dan de helft is niet verder gekomen dan het eerste niveau van het secundaire onderwijs. Een derde heeft het tweede niveau hiervan bereikt. Bijna 14 procent van de niet-actieve nietschoolgaande jongeren heeft alleen een opleiding op het niveau van het basi sonderwijs of minder. Ook hier hebben vrouwen vaker een hoger niveau be reikt dan mannen. Op het tweede niveau van het secundaire onderwijs zijn meer vrouwen aanwezig, en op de ond erliggende opleidingsniveaus meer mannen.

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine 22 Modus jrg. 13; nr. 2 Van de niet-actieve jongeren die wel naar school gaan is bijna de helft (47%) nog met de eerste fase van het secundair onderwijs bezig. Dit zijn vooral jongeren in de eerste jaren van de betreffende leeftijdsklasse. Een iets minder groot d eel (44%) van de schoolgaanden studeert op het tweede niveau van het secundair onderwijs. Net als bij de werkende en werkzoekende jongeren zijn vrouwen vaker te zien op de hogere niveaus en mannen vaker op de lagere niveaus. Tabel 9. Economisch niet-actieve school gaande bevolking 15 24 jaar naar geslacht en huidige dagopleiding, Curaao, Census 2011. Dit laatste heeft ook een demografis che achtergrond. Vooral na het 18e levensjaar vertrekken elk jaar honderden jongeren om in het buitenland te studeren. Nieuwe definities en kengetallen NEET Volgens de ILO ( International Labour Organisation ) zijn wereldwijd 75 miljoe n jongeren werkloos (2012), maar volgens de OECD ( Organisation for Economic Cooperation and Development ) geeft dat cijfer alleen niet een goed inzicht in de problematiek van de situatie van jongeren op de arbeidsmarkt. Er is ook een grote groep jongeren die niet-actief zijn, en ook niet studeren. Tel je die op bij het aantal werklozen dan kom je volgens The Economist uit op 290 miljoen jongeren die niet werk en en niet studeren, bijna een kwart van alle jongeren 5 NE ETs, jongeren die niet werken, een opleiding of een training volgen, belemmeren hun eigen carrire en dragen niet bij aan de vorming van het nationale inko men. Het aandeel jongeren dat niet werkt of studeert geeft aan hoe goed de maatschappij de transitie van sc hool naar werk heeft georga niseerd. De indicator is daarmee beter dan het werkloosheidsp ercentage, die geen rekening houdt met het studerende deel van de jonge bevolking. 5 The Economist, 27 april 2013. Tabel 9. Economisch niet-actieve schoolgaande bevolking 15-24 jaar naar geslacht en huidige dagopleiding, Curaao, Census 2011. Aantallen Relatieve verdeling Huidige dagopleiding Man Vrouw totaal Man Vrouw totaal Secundair onderwijs, eerste niveau 2.682 2.283 4.965 53,1 42,0 47,3 Secundair onderwijs, tweede niveau 2.048 2.563 4.611 40,5 47,1 43,9 Tertiair onderwijs, eerste niveau 285 525 810 5,6 9,7 7,7 Tertiair onderwijs, tweede niveau 37 68 105 0,7 1,3 1,0 Niet opgegeven 1 1 0,0 0,0 Totaal 5.052 5.440 10.492 100 100 100

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 23 Kwetsbare werkgelegenheid Kwetsbare werkgelegenheid (vulner able employment) is een onderd eel van wat het ILO definieert als decent work. Decent work staat voor werk dat een eerlijke beloning, zekerheid op het werk, sociale zekerheid voor de familie, het rech t op organisatie, gelijke kansen en mogelijkheden voor persoonlijke ontwikkeling levert. Kwetsbare werkgelegenheid betreft werk dat geen formele werkrelaties heeft waarbij sociale zekerheid, zekerheid van werk en inspraak ontbreken. De kwetsbaar heid van werk is met behu lp van de specificaties van de economische positie van een werkende toegekend aan de posities losse job, onbetaalde fam iliewerker en zelfstandige beroepsbeoefenaar 6 In tabel 10 worden deze nieuwe ratios en hun comp onenten met behulp van de Census gegevens voor de groep jongeren van 15 tot en met 24 jaar weergegeven. De NEETs ratio is de som van het aandeel van de werkzo ekenden in de totale bevolking in de leeftijdsklasse 15-24 jaar en het aandeel van de niet-actieve niet -schoolgaanden in de tota le bevolking in dezelfde leeftijdsklasse. Tabel 10. Bevolking 15-24 jaar naar geslacht, N EET en kwetsbare posities Curaao, Census 2011 Tabel 10. Bevolking 15-24 jaar naar geslacht, NEET en kwetsbare posities Curaao, Census 2011 Aantallen Man Vrouw Totaal NEET: Werkzoekend 788 983 1.771 Niet actief en volgt geen opleiding 651 617 1.268 Kwetsbare posities werkend: losse job 674 461 1.135 Werkend: onbetaalde familiewerker 28 26 54 Zelfstandige beroepsbeoefenaren 21 15 36 Totaal 2.162 2.102 4.264 Totale bevolking (15-24) 9.649 9.833 19.482 kengetallen kwetsbaarheidgraad 1 23,0% 18,0% 20,6% werkloosheidspercentage 20,0% 26,0% 23,0% ratio werkzoekenden /totale bevol king (15-24) 8,2% 10,0% 9,1% ratio niet-schoolgaande niet-actieve bevol king/ totale bevolking 6,7% 6,3% 6,5% NEETs ratio 14,9% 16,3% 15,6% 1 in % van de werkenden Het aandeel werkzoekende jongeren in het totaal aantal jongeren van 15 24 jaar is 9,1 procent. Het aandeel niet-actieve niet-schoolgaande jongeren in het totaal aantal jongeren van 15 24 jaar is 6,5 procent. De NEETs ratio voor Curaao komt daar door uit op 15,6. De ratio is voor vrouwelijke jongeren hoger (16,3%) dan voor mannelijke jongeren (14,9%), met name omdat meer vrouwen werkzoekend zijn. De kwetsbaarheidsgraad wordt bere kend door het aantal werkende j ongeren die werk hebben in de 6 In eerdere publicaties van het CBS is ook de positie wer kgever als kwetsbaar beschouwd. Deze zienswijze wordt hier niet gedeeld, omdat een werkgever personeel in dienst heeft en als zodanig al zekerheden heeft gecreerd door relaties aan te gaan.

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine 24 Modus jrg. 13; nr. 2 kwetsbare posities te delen door het totaal aantal werkende jong eren. De ratio komt uit op 20,6. Dat betekent dat meer dan een vijfde van het totaal aantal werkende j ongeren een baan heeft die geen uitzicht biedt op een zekere toekomst. De kwestbaarheidsg raad is bij jonge mannen hoger ( 23%) dan bij jonge vrouwen (18%). Jonge mannen komen relatief vaker terecht in een kwetsbare baan dan jonge vrouwen. Internationale vergelijking In Figuur 2 worden de NEET ratios voor een aantal landen weergegeven 7 Wat opvalt is dat niet alleen de ratios wijd uiteen lopen, maar dat ook de onderlinge samenstelling va rieert. Voor een land als Mexico bijvoorbeeld is het aandeel werkzoek enden erg laag, maar het aandeel ni et-actieven die niet naar school gaan erg hoog. Als gevolg is de NEET ratio voor Me xico een van de hoogste van de opgenomen landen. In Brazili daarentegen is een hoog aandeel van we rkzoekenden gecombineerd met een beperkt aandeel niet-actieven. Brazili heeft daardoor een NEET ratio die dicht in de buurt van Curaao ligt. Gesteld kan worden dat een hoge NEET ratio een hog e moeilijkheidgraad aangeeft om de transitie van leren naar werken te maken. Het m aakt daarbij niet uit of die moeilij kheid is gebaseerd op het aandeel w erkzoekenden, die wel op de arbe idsmarkt actief zijn maar geen werk kunnen vinden, of het aandeel niet-actieve niet-schoolgaanden, di e om de een of andere reden niet tot de arbeidsmarkt (kunnen) toetreden. Daarmee is duidelijk geworden dat de NEET rati o, zeker in vergelijking met andere landen, een duidelijker beeld geeft van de kwetsbaarheid van de jongeren op de arbeidsmarkt dan de klassieke werkloosheidspercentages. Waar Mexico een gunstiger jeugdwerkloosheid kent blijkt uit de NEET ratio dat de situatie voor de jongeren allesbehalve guns tig is en het in vergelijking met een land met hoge jeugdwerkloosheid zoals Argent ini zelfs slechter doet. 7 Bron: OECD (2014), Youth neither in employment, edu cation nor training (NEETs), in Society at a Glance 2014: OECD Social Indicators, OECD Publishing en CBS Curaao. Data is over 2012 (OECD) en 2011 (Census CBS)

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 25 Figuur 2: NEET ratio's, internationa le vergelijking, bevolking 15-24 jaar Op basis van de data uit de Census van 2011 kan gestel d worden dat voor Curaao de kansen op de arbeidsmarkt voor jongeren vergelijkbaar zijn met landen als Brazili, Portugal en ook de Verenigde Staten. Veel slechter is de situatie van de jongeren in een land als Griekenland, waar een hoge werkloosheid en hoge inactiviteit bestaat. Landen als Nede rland en Zwitserland vallen op door hun lage NEET ratios door een combinatie van lage aandelen werkzo ekenden en lage aandelen niet-actieve niet-schoolgaande jongeren. Conclusies en aanbevelingen Curaao staat beslist niet vooraan wat betreft de ka nsen die jongeren op de arbeidsmarkt hebben. Het werkloosheidspercentage voor jongeren is meer dan het dubbele van het algemeen percentage. De werkzoekende jeugd is laag opgeleid en een belangrijk deel is meer dan een jaar op zoek naar werk.

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine 26 Modus jrg. 13; nr. 2 Van d e werkende jongeren heeft 20 procent een bero ep dat als kwetsbaar moet worden beschouwd. Zij hebben geen uitzicht op vast werk en kunnen hun to ekomst, zoals het opbouwen van een pensioen, een carrire maken en sociale ze kerheid bieden voor hun familie, moeilijk realiseren. De NEET ratio is vooral hoog door het relatief groot aantal werkzoekende jonger en op de totale bevolking van die leeftijd (15 24 jaar). In andere landen is de situatie juist omgekeerd me t meer niet-actieve nietschoolgaande jongeren, maar is het to taaleffect vergelijkbaar. Curaao is wat de kansen van de jongeren op de arbeidsmarkt betreft verg elijkbaar met de Verenigde St aten, Portugal en Brazili. Hoe kleiner de NEET ratio hoe succesvo ller een land is om haar jongeren kans op werk of een opleiding op maat te bieden. De OECD noemt een aantal beleidsopties die de overheid kan volgen om jongeren succesvol de overstap van school naar werk te kunnen laten maken. Pas het onderwijssysteem aan de verwachtingen en wensen van de arbeidsmarkt, door middel van leer-werk trajecten en het toewerken naar be roepskwalificaties die echt relevant zijn. Vooral in economische crises zijn jongeren meer kwetsbaar omdat ze moeten concurreren met meer ervaren ouderen. Jongeren moeten dan aangemoedigd worden om langer te blijven studeren en kwalificaties op te bouwen, zodat zij een voorsp rong hebben bij het zoeken van werk als de economie verbetert. Geef bijzondere aandacht aan de positie van de jonger e vrouw. In alle landen is haar positie op de arbeidsmarkt achtergesteld bij die van de man. Het is belangrijk zowel voor de jongeren, voor hun ca rrire en zelfvoorzienigheid, als voor de maatschappij in haar geheel, voor een optimale inzet en allocatie van productiefactoren, dat j ongeren die buiten de boot zijn gevallen weer teruggeleid worden naar het onderwijs of naar een baan.

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Non migrants N on m ig rant (51 4 %) None and primary Secondary Tertiary None and primary Secondary T e rti a ry Immigr ants 1 5% 10% 5% 0% 5% 10% 15% 15 20 25 30 35 60 65 70 75 80 85 40 55 Age 50 45 60% of the immigrant population is working compared to 48% of the non migrant population. This difference is mainly caused by the difference in age composition between both groups: the non migrant population has larger shares of persons outside the working age (15 64) groups and within the school going age group (15 19). The category not working consists of unemployed and economically not active population. The non migrant adult population or native adult population, are those adults born in Curaao who have never lived outside of Curaao (62,228 persons). The immigrant adult population of Curacao is made up of foreign born immigrants (31,156 persons) and Curaaoanborn immigrants (27,198 persons). The Curaaoan born immigrants are return migrants : persons born in Curaao who moved Immigrants and non migrants by working status Immigrants, return migrants and non migrants Non migrants Non migrants I mm ig rant (48 6 %) Immigr ants Immigr ants Cur a aoan born Forei g n born Cur a aoan born Working Not working Working Not working Population 15+ In total 25% (13,047 persons) of the immigrant population has attended tertiary level education compared to 6% of the non migrant population (2,997 persons). This 25% obviously includes many high educated return migrants who studied in the Netherlands or elsewhere abroad. The higher the age, the larger the share of persons with no education or at most primary education Most non or low educated persons are found under the non migrant population aged 60 74 years. 15% 10% 5% 0% 5% 10% 15% 15% 10% 5% 0% 5% 10% 15% 15 20 25 30 35 60 65 70 75 80 85 15 20 25 30 35 60 65 75 70 80 85 40 Immigrants and non migrants by education level 50 Age 55 40 45 Age 55 45 50 The immigrant and the non migrant adult population C ensus 2011 F ac t Sh ee t Modus jrg. 13; nr. 2 27

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine 28 Modus jrg. 13; nr. 2

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 29 Ontwikkeling van de arbeidsmarktparticipatie van de vrouw tussen 1960 en heden Francis Vierbergen Inleiding De participatiegraad van vrouwen op de Cu raaose arbeidsmarkt is in de afgelopen vijftig jaar sterk toegenomen. In dit artikel wordt aan de hand van de gegevens van de Censussen va naf 1960 tot en met 2011 en van de Arbeidskrachtenonderzoeken (AKOs) de ze ontwikkeling nader geanalyseerd. Ook wordt kort toegelicht welke gebeurtenissen van invloed zi jn geweest op de verbetering en van de kansen die vrouwen hebben gekregen, of zoals sommige onderzoekers beschrijven het opheffen van de belemm eringen die vrouwen hebben ondervonden, in hun toegang tot de arbeidsmarkt van Curaao. Voor een tweetal variabelen, opleidingsni veau en beroepsgroep, worden vergelijk ingen gemaakt voor de arbeidsactieve vrouw in 1960 en 2011. Ook worden vergelijkingen met ontwikkelingen die de manne lijke collegas betreffen gepresenteerd. Definities Werkenden: Alle personen van 15 jaar en ouder met een baan of een eigen bedrijf of alle personen die in de week voorafgaand aan het onderzoek 4 uur of meer hebben gewerkt tegen betaling. Werkzoekenden: Alle personen van 15 jaar en ouder die tijdens het onderzoek zonder werk zijn, op zoek zijn naar werk f een eigen bedrijf willen beginnen, de maand voorafgaande aan het onderzoek actief naar werk hebben gezocht en binnen 2 weken kunnen beginnen te werken f een eigen bedrijf starten. Beroepsbevolking: De werkende en werkzoekende bevo lking van 15 jaar en ouder tezamen. Participatiegraad: De verhouding van de beroepsbevolking tot de totale bevolking van 15 jaar en ouder. Werkloosheidspercentage: Het procentuele aandeel van de werk zoekenden in de beroepsbevolking.

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine 30 Modus jrg. 13; nr. 2 Tijdreeksen Vergelijkingen op basis van Censusdata In figuren 1 en 2 worden respectievelijk de aan tallen werkenden en werkzoekenden naar geslacht weergegeven zoals gemeten in de Cens ussen van 1960, 1972, 1981, 1992, 2001 en 2011. Terwijl het aantal werkende mannen tussen 1960 en 2011 met slechts 25 procent is toegenomen, vooral door een afname in 2001, is het aanta l werkende vrouwen in deze periode meer dan verdrievoudigd. Bij de vrouwelijke werkenden is voor het jaar 2001 sprake van een verminderd e groei, in plaats van een daling zoals voor de mannen geldt. Het jaar 2001 was zoals uit de gegevens van de census blijkt een opmerk elijk jaar doordat in de periode rond dit jaar een forse (netto) emigratie heeft plaatsgevonden, voorname lijk door de slechte economische omstandigheden en de bezuinigingsoperaties van de overheid. In latere ja ren is vooral door remigratie een situatie van netto immigratie ontst aan, waardoor de bevolkin gsaantallen, en ook het aantal arbeidsactieve personen, is toegenomen. In 1960 zijn 9.226 vrouwen werkend, aanzienlijk minder dan het aantal we rkende mannen in datzelfde jaar: 25.203. Op elke 100 werkende manne n zijn er 37 werkende vrouwen. In 2011 zijn er 33.399 werkende vrouwen, tegenover 31.515 werkende manne n. De verhouding is in de loop van vijftig jaar steeds meer ten gunste van de vrouwen veranderd, en in 2011 zelfs omgeslagen: op e lke 100 werkende mannen zijn er 106 werkende vrouwen. Tussen 1960 en 2011 is de totale populatie mannelijke werkenden zoals eerder aangegeven met 25 procent gegroeid. Dat is gemiddeld per jaar 0,4 procent. Het totaal aantal vrouwe lijke werkenden is in deze periode met 262 procent toegenomen. Dat is op jaarbasis 2,6 procent. Het groeipercentage voor vrouwen is groot te noemen en een van de belangrijkste ontwikkelingen op de arbeidsmarkt van Curaao is vooral de instroom van de vrouwen geweest.

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 31 Voor het aantal werkzoekende mannen en vrou wen is de ontwikkeling anders verlopen. Het aantal werkzoekende vrouwen is in 1960 1.386 personen, bijna een derde minder dan het aantal werkzoekende mannen: 3.660. In de reeks censusdata is 1960 het enige j aar waarin het aantal werkzoekende mannen het aantal werkzoekende vrouwen overtreft. In 1972 overtreft het aantal we rkzoekende vrouwen de mannen met enkele honderden, maar in de censusjaren daarna loopt het verschil op naar ruim 1.000 tot bijna 2.000 vrouwen meer (Figuur 2).

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine 32 Modus jrg. 13; nr. 2 Het grootste verschil tussen werkzoekende vrouwen en mannen is gemeten in 2011 8 (1.791 meer vrouwen werkloos). Het hoogste aantal werkzoekende vrouwen komt voor in de census van 1981, toen 6.88 0 vrouwen aangaven naar werk te zoeken, daarna dale n de aantallen in grote stappen. Bi j de mannen is een vergelijkbare ontwikkeling te zien, maar op een beduidend lager niveau. In figuur 3 worden voor beide gesl achten de werkloosheidsp ercentages weergegeven. De trend van dalende percentages voor de mannen is duide lijk zichtbaar. In geen enkel censusj aar komt het percentage boven de tien procent. Voor vrouwen zijn evenwel alle percen tages, met uitzondering van 1960, boven de 10 procent, met een piek van 19,4 procent in 1981. D aarna dalen de percentages min of meer 9 maar blijven steeds aanzienlijk hoger d an de overeenkoms tige percentages bij de mannen. In figuur 4 wordt de vrouwelijke beroepsbevolking in de censusjaren getoond. De fors e groei in de periode is hier duidelijk af te leze n, maar met een aarzelende ontwikkeling in 2001. De bero epsbevolking is gestegen van 10.612 in 1960 naar 37.856 in 2011. Vrouwen zijn er in geslaagd hun aanvankelijk achtergeblev en positie op de arbeidsmarkt om te zetten in een tenminste concurrerende positie. Dat de aantallen werkzoekende vrouwen hoog blijft, toont wel aan dat zij meer dan de mannen moeite hebben daadwerkelijk een b aan te vinden. Hoewel de jeugdwerkloosheid (15 24 jaar) voor beide seksen hoog is, zijn de percentages bij jonge vrouwen 8 Maar het verschil is in 1981 bijna even groot (1.754) 9 Met een lichte stijging in 2001

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 33 beduidend hoger dan bij de jonge mannen 10 Startende vrouwen hebben kennelijk meer moeite een baan te vinden dan hun mannelijke collegas. In aantallen gemeten zijn er niet alleen veel werkzoek ende vrouwen in de jongst e leeftijdsklassen maar ook bij de 40-jarigen. Uit eerder onderzoek 11 is gebleken dat in deze oude re groep werkzoekende vrouwen herintrede op de arbeidsmarkt geen duidelijke reden is voor een hoger werkloosheidpercentage. Wel blijkt dat deze groep vrouwen vaak all eenstaand zijn (gescheiden, ongehuw d of weduwe) en dan ofwel geen inkomen hebben of slechts een uitkering (onderstand, alimentatie), en financile redenen de hoofdoorzaak zijn voor het zoeken naar werk. De participatiegraad geeft aan welk deel van de bevo lking van 15 jaar en ouder ar beidsactief (werkend of werkzoekend) is. Voor de vrouwen blijkt dat de partic ipatiegraad gedurende de ge hele periode gestegen is, ook in het jaar 2001 (figuur 5). Dit laatste is te verklaren doordat, zoals uit de censusdata van 2001 blijkt, de afname van de aantallen vrouwen tussen 1992 en 2001 vrij wel geheel de niet-actie ve vrouwelijke bevolking betrof. De participatiegraad kon daardoor bij een gelijkblijvende beroepsbevolking toch stijgen. 10 Voor mannen en vrouwen respectievelijk 20% en 26% in 2011 en 30% en 37% in 2001. 11 De Economische Status van de Bevolking van Cur aao, Publicatiereeks Cens us Curaao 2011, CBS, 2015.

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine 34 Modus jrg. 13; nr. 2 Voor de mannen is voor de gehele periode 1960 2001 een dalende lijn in de particip atiegraad te bespeuren. Tussen 2001 en 2011 is er evenwel sprake van stabilisering. In dit laatste cens ustijdvak is zowel de beroepsbevolking als de economisch niet-actieve bevolking voor wat de mannen betreft met vergelijkbare percentages toegenomen (ca. 19%). Voor de vrouwelijke bevolking is dit niet het geval. De vrouwelijke beroepsb evolking is tussen 2001 en 2011 met een veel hoger percentage (34%) toegenomen dan de niet-actieve vrouwe lijke bevolking (10%). Indien de trendmatige ont wikkelingen zich in latere jaren d oorzetten is te verwachten dat de participatiegraden van de mannen en de vrouwen elkaar binnen niet al te lange termijn zullen ontmoeten op rond de 60 procent. Bij bestudering van de recente AKO gegevens van de participatiegraden (zie ook de volgende paragraaf) blijkt dat dit nog niet is gebeurd. De dalende participatiegraad voor de mannen kan verklaard worden door een aanzienlijk toegenomen aandeel van de economisch niet-actieve bevolking. Va n grote invloed hierop is de vergrijzing van de samenleving 12 Voor vrouwen zou een dergelijk effect ook te zien moeten zijn, maar deze wordt overschaduwd door de toegenomen arbeid sparticipatie in alle leeftijdsklassen 13 12 Voor de telling van 1960 geldt ook dat de AOV (Algemen e Ouderdomsverzekering in mei 1960 werd ingevoerd. Het is niet duidelijk in hoeverre 60-plussers ten tijde van de telling al gepensioneerd waren of toch vaker door moesten werken om een inkomen te verkrijgen. 13 Een limitering van de arbeidsactieve leeftijd tot 60 of 65 jaar zou dit vergrijzingseffect beperk en in de cijfers. Daar is hier evenwel niet voor gekozen, omdat de participatiegraden al in eerdere leeftijdsklassen daalt, en limitering daarom arbitrai r is. Verder blijven mensen ook na hun 60e doorwerken en dus arbeidsactief.

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 35 Oorzaken van de snelle groei van de arbeidsparticipatie van de vrouw In diverse publicaties 14 is gewezen op de obstakels die er in de tweede helft van de 20e eeuw voor vrouwen waren om toegang tot de ar beidsmarkt te verkrijgen. In de loop van de decennia vanaf 1960 zijn een aanta l van die obstakels opgeheven. Te noemen zijn (in volgorde van tijd): De vestiging van Texas Instruments op Curaao (tweede helft 60er jaren eerste helft 70er jaren van de vorige eeuw), waar voornamelijk vrouwelij ke werknemers voor werden aangetrokken; De wet Opheffing van de handelingsonbekwaamhe id van de gehuwde vrou w (1975), waarbij onder andere de zorg voor het huishouden ook in financ ile zin aan beide partners werd toegekend. De gehuwde vrouw werd nu als volwaardig partne r in het economische en financile verkeer opgenomen. Zij kon dus ook inkomen genereren. De afschaffing van het werkverbod bij de overheid voor gehuwde vrouwen (1983). Een vrouwelijke ambtenaar moest voordien uit dienst ontslagen worden bij haar huwelijk. Gelijkschakeling van de sala rissen bij de overheid (1994) 15 Oprichting van het Bureau Vrouwenzaken, thans Se ctor Familie en Jeugd, (1996), voor begeleiding van de instroom van vrouwen op de arbeidsmarkt. Daarnaast zijn ook een aantal maatsc happelijke gebeurtenissen aan te wijzen die de toestroom van vrouwen op de arbeidsmarkt kunnen hebben benvloed: Demografie: tussen 1960 en 2011 is de vrucht baarheid van vrouwen drastisch gedaald 16 Een laag kinde rtal zorgt ervoor dat de zorgtaken eerder af lopen zodat de vrouw op latere leeftijd kan (her)intreden op de arbeidsmarkt. Opleiding: toegang tot beter en hoger onderwijs kan vrouwen een betere concurrentiepositie verschaffen in de strijd om een baan. In 2011 ha dden werkende vrouwen relatief iets vaker een hogere opleiding 17 Erg groot zijn de verschillen overigens niet te noemen en ook in 1960 was dat het geval, hoewel toen een hoger e opleiding in zeer beperkte mate voorkwam. In een volgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Dit bete kent wel dat verschillen in onderwijsniveau geen grote rol gespeeld kunnen hebben in de snelle ontwikkeling van de arbeidsparticipatie van de vrouw 14 O.a. Sonia Magdalena Cuales, In Search Of Our Memo ry: Gender In The Netherlands Antilles, Feminist Review, no. 58, 1998. 15 De gelijkschakeling gold ook voor semi-overheidsdiensten. E nkele jaren later verplichtte de rechter het St. Elisabeth Hospitaal met terugwerkende kracht tot 1994 haar vrouwelijke personeel gelijk te belonen. 16 In 1960 gaf een vrouw in Curaao gemiddeld 5 kinderen het levenslicht; in 2011 was dat aantal nog maar 2,1. Naast de mogelijkheid voor geboortebeperking is ook de toegenomen arbeidsparticipatie als reden hiervoor gegeven. Er kan dus een zekere wisselwerking tussen arbeidsparticipatie en vruchtb aarheid hebben plaatsgevonden me t wederzijdse benvloeding. 17 47% van de werkenden vrouwen versus 43% van de we rkende mannen had een opleiding op het tweede niveau van het secundair onderwijs of hoger genoten.

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine 36 Modus jrg. 13; nr. 2 Vergelijkingen tussen Censussen en AKOs In figuur 6 wordt de ontwikkeling van de werkende vrouwen zoals ui t de gegevens van de censussen blijkt aangevuld met de aantallen die door de AKOs worden gemeten. De gegevens uit de AKOs zijn beschikbaar voor de jaren 1996 tot en met 2013 18 U it de AKO gegevens valt op te maken dat de gering e groei van de werkgelegenhe id van de vrouwen tussen 1992 en 2001 nader te dateren is met een duidelijke afname van de aantallen werkenden na 1997, en een herstel van de groei na 2002 19 Op basis van de laatste AKO waarneming in 2013 lijkt een stabilisering van de omvang van de werkende vrouwelijke bevolking te zijn bereikt, maar dat kan gezien de steekproefomvang pas door een volgende waarneming worden bevestigd. Ter vergelijking is in figuur 7 de ontwikkeling van de aantallen werken de mannen weergegeven. Ook daar blijkt dat 1997 een omslagpunt is geweest van groei va n de werkgelegenheid naar daling, welke na 2002 weer is veranderd in een periode van groe i. In tegenstelling tot wa t geldt voor de vrouwe lijke werkenden is in 2013 nog een groeiende trendont wikkeling te bespeuren. 18 Maar in enkele jaren zijn geen AKOs uitgevoerd. 19 Het precieze inzicht wordt bemoeilijkt door het wat grillage verloop in de AKO cijfers, waarschijnlijk als gevolg van meetfouten vanwege de steekproefomvang. Een enkele meting is daarom niet voldoende om een correcte beweging te tonen. De neerwaartse beweging in de eerste jaren van de AKO en het hers tel daarna is wel duidelijk zichtbaar in de totale reeks

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 37 In figuur 8 worden de ontwikkelingen in de participatiegraad van de vrou wen zoals blijkt uit censussen en AKOs weergegeven en afgezet tegenover die van de mannen. De dalende trend bij de mannen en de stijgende trend bij de vrouwen, zoal s eerder besproken aan de hand van de censusdata in figuur 5, worden door de uitkomsten van de AK Os in het algemeen bevestigd. Tussen oktober 2004 en oktober 2009 tonen de uitkomsten van de AKO bij de vrou wen evenwel een zekere daling in de participatie, om ve rvolgens weer toe te nemen. Ook bij de mannen is er in de AKO cijfers eerst sprake van een dalende trend, consistent met de voortdurende dalende trend in voorgaande jaren gemeten, om na 2009 weer toe te nemen. Men kan dus stellen dat terwijl uit de censusda ta tussen 2001 en 2011 een stabilisatie in de participatiegraad van de mannen te zien is, er volgens AKO gegevens tot 2009 een verdere daling wa s opgetreden, met een herstel in de jaren daarna. Terwijl de censusdata doen vermoeden dat de partic ipatiegraden van mannen en vrouwen elkaar naderen, suggereren de gegevens van de AKO dat beide reeksen in de latere ja ren een parallel groeitempo hebben ingezet.

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine 38 Modus jrg. 13; nr. 2 Vergelijking van enkele karakteristieken van de vrouwelijke beroepsbevolking 1960 en 2011 Beroepsgroepen In tabel 1 wordt de verdeling van de beroepsbevolking naar beroepsgro epen weergegeven voor mannen en vrouwen 20 Typische vrouwenberoepen waren in 1960 met name beroepen in de sector dienstverlening en in mind ere mate beroepen in handel en assurantie, ad ministratieve beroepen en wetenschappelijke beroepen. Voor de mannelijke beroepsbevolking lag de verdeling duidelijk anders, hun beroepen omvatten voornamelijk industrieen havenarbeiders en in mind ere mate beroepen in vervoersen verkeerswezen, en ook administratieve beroepen. 20 De beschikbare gegevens voor 1960 he bben betrekking op de beroepsbevolking, dus inclusief de werkzoekenden. In de Census van 2011 is niet aan werk zoekenden gevraagd naar hun beroep.

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 39 Tabel 1. Beroepsbevolking naar geslacht en beroepsgroep, relatieve verdeling, Curaao, Census 1960 Beroepsgroep Vrouwen Mannen Wetenschappelijke beroepen 11,9 7,1 Leidinggevende beroepen 0,4 2,5 Administratieve beroepen 13,8 10,0 Beroepen in handel en assurantie 16,4 5,5 Beroepen in landbouw en visserij 0,0 2,3 Mijnwerkers 0,0 1,0 Beroepen in vervoersen verkeerswezen 0,7 11,4 Industrieen havenarbeiders 3,0 43,8 Beroepen in de sector dienstverlening 43,9 6,4 Niet geclassificeerd 9,7 10,0 Totaal 100,0 100,0 Indien een vergelijking met de bero epsgroepen zoals gehanteerd in de Census van 2011 gemaakt wordt valt allereerst op dat zon vergelijkin g moeilijk is. De beroep sgroepindeling zoals in 1960 gehanteerd is heeft globaal connecties met de IS CO-1958 beroepsclassificatie 21 In de Census van 2011 is de laatste versie van de be roepenclassificatie (ISCO-08) gehanteerd. De verschillen zijn groot te noemen. Omdat er geen conversietabel tussen ISCO-58 en ISCO08 bestaat is een provisione le herclassificatie gemaakt van ISCO-08 naar de beroepsgroepen van 1960. Aan de hand van de beroepsgroep omschrijvingen zijn de werkenden in 2011 toegewezen naar de groepen van 1960. Een perfecte n op n conversie is evenwel niet mogelijk 22 zodat de hierna gepresenteerde vergelijkin g met de nodige voorzichtigheid moet worden genterpreteerd. Ook moet er rekening mee gehouden worden dat de gegevens voor 1960 be trekking hebben op de beroepsbevolking, en die van 2011 op de werkende bevolking. In figuur 9 wordt de vergelijking op basis van deze provisionele herclassificatie gepresenteerd. Wat opvalt uit de grafiek is dat de typische vrouwenberoepen uit 1960 ook terugko men in 2011, zij het met onderlinge verschuivingen. Zo is er een duidelijke verschuiving van beroepen in de dienstverlening te zien naar beroepen in handel en assurantie, administratieve beroepen en wetenschappelijke beroepen. Ook zijn de leidinggevende beroepen in 2011 van belang geworden: van 0,4 naar 5,8 procent. 21 International Standard Classification of Occ upations, International La bour Organisation, 1958. 22 In ISCO-08 is de indeling veel meer gebaseerd op competenties (opleidingseisen), zodat een beroepsgroep als Beroepen in de sector dienstverlening in de oude classificatie op meer niveaus in de nieuwe classificatie betrekking kan hebben.

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine 40 Modus jrg. 13; nr. 2 Opleidingsniveau De onderwijsclassificaties van 1960 en 2011 verschillen behoorlijk. Dat heeft vooral te maken met de grotere aandacht in 1960 voor de lagere en middelbare opleidingen en de grotere aandacht in 2011 voor de middelbare en hogere opleidingen. Om die reden worden de cijfers voor beide jaren eerst apart gepresenteerd. In tabel 2 wordt het opleidingsniveau van de werkenden in 1960 verbijzond erd naar geslacht. Wat opvalt is dat de verschillen tussen mannen en vrouwen niet heel gr oot zijn. Voor beide seksen geldt dat meer dan de helft een opleiding op lager onderwijs niveau of minder heeft gevolgd. Vrouwen hebben wat vaker een MULO opleiding gevo lgd, al dan niet voltooid, en mannen een LGO opleiding.

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 41 Tabel 2. Werkenden naar geslacht en opleidingsniveau, relatieve verdeling, Curaao, Census 1960 Opleidingsniveau Vrouwen Mannen LO < 3 jaar voltooid 6,2 8,6 LO 3-6 jaar voltooid 47,8 43,1 MULO niet voltooid 25,1 20,9 MULO voltooid 9,9 6,1 LGO voltooid 4,7 10,9 MGO voltooid 0,1 2,3 MO voltooid 5,2 4,3 HO kandidaats en hoger 0,2 1,5 Onbekend 0,9 2,3 totaal 100,0 100,0 Voor 2011 is het opleidingsniveau van de werkenden vo lgens de meest recente cla ssificatie opgenomen. Ook in 2011 zijn de verschillen in opleid ingsniveau tussen mannelijke en vrouwelijke werkenden niet groot te noemen. De mannen zijn iets vaker hoger opgeleid dan de vrouwen, maar echt opvallend is dat niet: 19 procent van de vrouwelijke werkende n en 20 procent van de mannelijke werkenden hebben een opleiding op het tertiair niveau gevolgd. Tabel 3. Werkenden naar geslacht en opleidingsniveau, relatieve verdeling, Curaao, Census 2011 Opleidingsniveau man vrouw Basisonderwijs of minder 12,3 11,8 Secundair onderwijs, eerste niveau 39,2 35,1 Secundair onderwijs, tweede niveau 24,5 27,6 Tertiair onderwijs, eerste niveau 14,7 16,3 Tertiair onderwijs, tweede niveau 4,1 3,4 Tertiair onderwijs, postdoctoraal 0,2 0,1 Onbekend 4,9 5,8 Totaal 100,0 100,0 Het is duidelijk dat het opleidings niveau van de werkenden in Curaa o tussen 1960 en 2011 sterk is gestegen. Om dat duidelijker in beeld te krijgen zijn in tabel 4 de opleidingsniveaus van 1960 naar de classificaties van 2011 23 omgezet. Tabel 4. Werkenden naar geslacht en opleidingsniveau, relatieve verdeling, Curaao, Census 1960 en 2011 1960 2011 Opleidingsniveau manvrouwman vrouw Basisonderwijs of minder 54,0 51,7 12,4 11,7 Secundair onderwijs, eerste niveau 39,7 37,9 39,2 35,1 Secundair onderwijs, tweede niveau 5,3 6,6 24,5 27,6 Tertiair onderwijs 0,2 1,5 19,0 19,8 Onbekend 0,9 2,3 4,9 5,8 Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 23 Daarbij zijn LO<3 jaar en LO 3-6 jaar samengevoegd tot basisonderwijs of minder; MULO niet voltooid, MULO voltooid en LGO voltooid samengevoegd naar secundair onderwijs eerste niveau; M GO voltooid en MO voltooid samengevoegd naar secundair onderwijs tweede niveau; HO kandidaats en hoger gelijkgesteld met tertiair onderwijs (totaal).

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine 42 Modus jrg. 13; nr. 2 Een opleiding op het eerste niveau van het secundaire onderwijs is zowel in 1960 als in 2011 door ruim een derde van de werkende mannen en vrou wen gevolgd. De grote omslag ligt in het feit dat lager onderwijs (of minder) in 2011 nog maar door een klei ne minderheid van de werkenden als opleidingsniveau is gevolgd, en de hogere opleidingsniveaus als veel voorkomend kunnen worden beschouwd. Figuur 10 maakt de verschillen in opleidingsniveaus voor de werkende vrouwen tussen 1960 en 2011 visueel duidelijker. De grote winst is gehaald in het hoger secundair en tertiair onderwijs. In 2011 heeft iets minder dan de helft van de werkende vrouwen een opleiding op de ze niveaus gevolgd, versus 8 procent in 1960. In 1960 kwam een opleiding op tertiair niveau nog nauw elijks voor, minder dan 2 procent van de werkende vrouwen had op dit niveau gestudeerd. Dat aandeel is in 2011 vertienvoudigd. Ook op het tweede niveau van het secundair ond erwijs is de toename van het aandeel groot. De werkgelegenheid voor werkende vrouwen (en ook mannen) met een lage opleiding (basisonderwijs of lager) is anno 2011 in Curaao zeer beperkt.

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 43 Buitenlandse werkenden Uit de Census van 2011 is gebleken dat het aandeel van de buitenlandse werkenden in het totaal aanzienlijk is toegenomen, tot 27 procent bij de vrouwelijke werkenden en 26 pr ocent van de werkende mannen. Buitenlands is hier gedefinieerd als niet geboren op n van de voormalige eilanden van de Nederlandse Antillen, inclusief Aruba 24 Toch is de situatie in 2011, ondanks de forse verho ging van het aandeel buitenla nders op de arbeidsmarkt vergeleken met de Census van 2001, ni et veel verschillend van de situat ie in 1960. In 2011 is 29 procent van de vrouwelijke werkenden geboren in het buitenland, en 32 procent van de mannelijke werkenden. Vrij onveranderd zijn de beroepsgroepen die buitenlandse werkende vrouwen in Curaao uitoefenen. Voor de in aantallen belangrijkste geboorteplaatsen in de regio, met uitzonderin g van Suriname, zijn dat beroepen in de dienstverlening. We l zijn de geboorteplaatsen veranderd, van Oost Caribische eilanden in 1960 naar Dominicaanse Republiek, Colombia en Hati in 2011. Uit Suriname en Nederland kwamen en komen nog steeds werkenden die een wetenschappelijk beroep uitoefenen. Voor de werkende buitenlandse ma nnen zijn wel duidelijke verander ingen te zien in de door hen uitgeoefende beroepsgroepen. Waren in 1960 de beroepen in de industrie en haven nog het belangrijkste, uiteraard in verband met de toen volop draaiende raffinaderij, in 2011 hebben de buitenlandse werkende mannen vooral beroepen in de dienstverlening en in de elementaire beroepen. Ook voor de mannelijke werkenden uit Suriname en Nederland geldt dat zi j vaker een wetenschappelijk beroep uitoefenen. Conclusies In een periode van ruim vijftig jaar is de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt van Curaao ingrijpend gewijzigd. Het aantal werkende vr ouwen is ruim verdrievoudigd, een groeitempo waarbij dat van de mannen (25 procent) verbleekt. De vrouwen hebben hun achtergestelde positie op de arbeidsmarkt volop kunnen verbeteren. In 2011 zijn er meer werken de vrouwen dan mannen op de arbeidsmarkt. De positie van de vrouw is wel kwetsbaarder dan die van de mannen, de werkl oosheid is onder vrouwen veel hoger en deze situatie is in de loop der jaren niet verbeterd. De participatiegraad van de vrouwe n is tussen 1960 en 2011 geleidelijk toegenomen van 29 naar 56 procent, terwijl de participatie van de mannen juist is afgenomen. De Census van 2001 toont een stabilisering van de aanta llen werkende vrouwen en een daling in de aantallen werkende mannen in vergelijking met de Census van 1992. Uit de gegevens van de AKOs is nauwkeuriger af te lezen wat de precieze ontwikkelingen rond die period e zijn geweest. Voor zowel mannen als vrouwen is er sprake van een daling in de aantallen werkenden vanaf 1997, met een omslag naar groei na 2002. In de loop van de tweede helft van de 20e eeuw zijn diverse obstakels die to egang tot de arbeidsmarkt voor de vrouw belemmerden, met name discriminerende wetg eving, opgeheven. Ook demografische factoren, 24 Daarmee kan een consistente vergelijking met 1960 word en gemaakt, toen een onderscheid werd gemaakt tussen Antilliaans en niet-Antilliaans.

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine 44 Modus jrg. 13; nr. 2 zoals een afgenomen vruchtbaarheid, heeft aan vrouwen meer gelegenheid gegeven om de tijd te nemen een carrire op te bouwen of op latere leeftijd (her) in te treden op de arbeidsmarkt. Het opleidingsniveau van de arbeid sactieve vrouw is enorm verbeterd. Maar vergeleken met de werkende mannen moet de conclusie zijn dat deze verbet ering gelijklopend met die van de mannen heeft plaatsgevonden. Voor beiden is het aandeel hoger opgeleid (tweede nive au van het secundair onderwijs en tertiair onderwijs) aanzienlijk toege nomen, vooral ten koste van de opleidingen op het basisonderwijs of minder. Curaao is en was aantrekkelijk voor vrouwelijke en mannelijke buiten landse werkkrachten. De aandelen buitenlandse werkenden in het totaal aantal werkenden is tussen 1960 en 2011 niet veel veranderd. Wel zijn er duidelijke verschuivingen in de beroepsgroep en te bespeuren en (ei)landen van herkomst.

PAGE 50

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 45 Census 2011: Marital status and cohabitation Menno ter Bals Introduction During the Census 2011 the marital and the cohabitational st atus of the population 16 ye ars or older, were registered. This article provides an analysis of th e population prone to marriage and coha bitation, and certain developments from the censuses of 1992 and/or 2001 to 2011 are examined. The articl e is an excerpt of the chapter on marital status and cohabitation in the Census 2011 report 'Demography of Curaao' (ter Bals, 2014). Marital status of the population 16 years or older In 2011, almost half of the population 16 years or ol der had never been married. The other half of the population can be classified as evermarried 25 the largest share being married (37%) and smaller shares being divorced (8%) or widowed (6%) as is shown in Figure 1 Figure 1. Population 16 years or older by marita l status, standardized*, Census 1992, 2001 and 2011 *standardized to the population age structure of 2011 Stripped from age compositional effects (standardizati on to the age composition of 2011), the proportion of the never-married population has increased from 38 percent in 1992 to 42 percen t in 2001 and finally to 49 percent in 2011. Likewise, if age structure would not interfere, the share of the married population has decreased by 10 percentage poin ts between 1992 (47%) and 2011 (37%). Between 2001 and 2011 the rate of change has been greater than in the decade before While the proportions of the divorced and widowed populations are significantly smalle r, a notable decline in the propor tion of widowers has taken place. 25 Ever married women or men are persons who have been marri ed at least once in their lives although their current marital status may not be married.

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine 46 Modus jrg. 13; nr. 2 The drop of 2 percentage points fr om 1992 (8%) to 2011 (6%) seems to indi cate a reduction in the gap in life expectancy between male and female. Men have gained relatively more years of lif e expectancy as opposed to women in the past decade, which means that wives, who on average still live longer than men, live longer as married women and spend a shorter period as widows after surviving their husbands. Marital status by age and sex Figure 2 illustrates the effect of age on the d istribution of marital status among population. It is clearly visible how marital status changes over ag e. In general, at younger ages the proportion of the never-married population is high and at higher ag es this share decreases in favor of the ever-married population, i.e. married, divorced or widowed. Figure 2. Population 16 years or older by marital status and age, Census 2011 According to the UN report World Marriage Patte rns (United Nations, 2011) young adults in many countries stay single, postpone ma rriage or choose a consensual union above marriage more often nowadays than before. Accordingly, an increase in especially the proportion of neve r-married young adults is expected. Curaao seems to fit this pattern, but, as Figure 3Figure 3 points out, the increase in the proportion of the never-married population in Curaao from 2001 to 2011 is not only restricted to the younger population. From age 25 up to 55 and over, larger shares of pers ons have never married. The biggest increase has taken place between ages 45 and 54 where the share has gone up from 28 percent to 41 percent. Apparently, marriage is less common in 2011 than it was a decade earlier.

PAGE 52

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 47 igure 3. Proportion of the population 16+ who w ere never married by age group, Census 2001 and 2011 F e increasing share of never-married population can be attributed to the decrease in the ever-married igure 4. Percentage point chan ge in the proportion marital status by age group from Census 2001 to Census 2011 Th population, which is visualized in Figure 4 All age groups that experienced an increase in the never-married proportion between 2001 and 2011 also showed a decrease in t he proportion of married persons, while at the same time a change in the share of the divorced population has occurred. Between ages 25 and 55, the proportion of the divorced population has decreased fo r all age groups, while for the ages of 55 years and over the proportion has increased ( Figure 4 and Figure 5 ). F sed on Figure 5, the increased share of divorced persons in th e older age cohorts (55+) seems to be a cohort Ba effect of divorced pers ons who have remained divorced and di d not re-marry between 2001 and 2011. For example, in the 45-49 cohort almost 14 percent were divorced in 2001. Te n years later the surviving persons from this cohort, having reached the 55-59 age cohort, show a similar proportion of divorced members. This goes for all age cohorts up to age 70-74, after which th e share of the divorced population declines due to a rapidly increasing proportion of the widowed populati on as mortality begins to ha ve a significant effect.

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine 48 Modus jrg. 13; nr. 2 Figure 5. Proportion of the population 16+ wh o were divorced by age group, Census 2001 and 2011 gure 6 gives the population pyramid of the population 16 ye ars or older by marital status in 2011. Several strates this well by depicting the proportion of never-married male s and females by single ages in Fi notable observations can be made on th e distribution of marital status by age and sex. First, for both sexes the number and percentage of the never-married population de creases with an increase in age. In all age groups of 20 years or over there is a surplus of women compared to men. As may be expected, the result is a surplus of never-married women compared to never-married men, considering th e fact that marriages are almost exclusively between male and female partners 26 The proportion of never-married females is only higher in the age groups of 40 years and above. This indicates that men tend to start marrying at a somewhat higher age than women, but eventually catch up and are more prone to being (e ver) married at ages 40 years and upwards. Figure 7 illu one graph. 26 While same-sex marriages are not conducted in Curaao, 99 same-sex couples who married outside of Curaao have been registered in the census. This number however is so small th at it does not cause notable distortions in the overall married population gender balance. Furthermore, of the married population about 3,000 persons we re registered as living separated from their spouse (e.g. living in another household or living abroad). As the sex ratio of this group was equal to the sex ratio of the married population no distorting effects on the overall married population gender balance are inflicted by this either.

PAGE 54

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 49 igure 6. Population 16 years or older by marital status, age and sex, Census 2011 F cond, the amount of divorced women is higher than for men in all age groups. At age group 55-59 nearly ber of w idowed women starts to increase by age. The number of divorced and Se twice as many females than males are divorced. This suggests that men tend to re-marry more often than women. This sounds plausible, because the surplus of women could make for a more favorable marriage market for men than for women. The pool of women eligible for marriage, i.e. never married, widowed and divorced women aged 16 years or olde r, is almost 1.5 times bigger than the pool of available men (44,195 women versus 30,200 men). Thirdly, after age 50 the num married women steadily declines by age group, up to the highest age group, while the number of widowed women increases from every age group to the next. At the same time, the number of male widowers remains relatively small, which can be explained by womens higher life expectancy as opposed to mens. In 2011 the women's life expectancy at birth is 80.4 years against 74. 2 years for men. Furthermor e, analysis of population registry data on marriage in Curaao has pointed out th at women tend to marry at a younger age than men (in 2011, women getting married were on average 4.5 years younger than their male marriage partners) which also adds to the higher amount of women surviving their husbands.

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine 50 Modus jrg. 13; nr. 2 Figure 7. Proportion of never ma rried males and females by age, 2011 Cohabitation As is shown in the preceding paragr aphs, marriage has lost in market share in the past decades. In many parts of the world today marriage is making place for other types of living arrangements, for example cohabitation, single person households and single parenthood (T aylor, et al., 2010). According to the United Nations Populati on Division consensual unions 27 are common in many countries, but particularly prevalent in Latin America and the Caribbean (United Nations, 2011). Figure 8. Population aged 16 years or older by cohabitational status, Census 2001* and 2011 Standardized to the age composition of the 2011 Census population In 2011 in Curaao about 12 percent of the population 16 ye ars or older stated that they are living together with but are not married to their partner, i.e. in consen sual union, which is a slig ht increase from 2001 when a little over 9 percent of the population responded this way ( Figure 8 ). Taken together with the population that is married and living together with their partner the group of persons that are living together compose some 46 percent of the population in 2011, almost 3 percentage points less than in 2001 (49%). 27 Two people usually living in the same dwelling, but not in a re gistered marriage to each other, who: share mutual concern fo r each other; have a degree of economic, social and emotional inte rdependence; and consider their relationship to be akin to marriage.

PAGE 56

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 2 51 In 2011 a larger share of the population ha s indicated that they were not living together with their partner, almost 13 percen t against 10 percent (2001). Cohabitation by age and sex In all age groups 30 years and older the proportion of persons living in consen sual union has increased slightly with about 4 percentage points in most age groups from 2001 to 2011 ( Figure 9 ). Another noteworthy shift seems to be the bigger share of adolescents and young adults (up to 24 years of age) that do not live together with their partner and the simultaneous decline in the group s share who indicated not having a partner. The change in the proportion of population th at reported being married and living together closely resembles the change in the proportion of married population as depicted in Figure 4 Figure 9. Percentage point change in the proportion cohabitational status by age group from Census 2001 to Census 2011 Up to age 30, a higher proportion of women than me n live in consensual union. From age 30 upwards the pattern reverses and men are more prone to live in consensual union at each age ( Error! Reference source not found. ). Consensual unions are especi ally common among persons in thei r twenties and thirties with proportions consistently above 15 percent for both males and females. However, females tend to reach these levels somewhat earlier th an males (around age 23 against about 25) and males tend to stay on these levels somewhat longer than females (aroun d age 46 for males against about 38 fo r females). By increasing age the proportion of males and females in consensual un ion gradually declines after approaching age 40.

PAGE 57

rfntrbrftntt ff f