Citation
Modus Jaargang 13 Nummer 4

Material Information

Title:
Modus Jaargang 13 Nummer 4

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 2

Modus Statistisch Magazine In dit nummer Redactioneel ........................................................ iii 1. Curaao Populati on Projections 2015 2050 ............1 2. Resultaten conjunctuurenqute 1e halfjaar 2015 3. Cultural adaption of th e First and Second Generation British West India n Migr ants in Curaao 29 4. Afname arbeidsproductivitei t in Curaao zet voort in de periode 2009 tot en met 2011 5. De effecten van de demografische ontw ikkelingen op het onderwijs ...55 6. Data visualiseren met staafdiagrammen Modus Jrg 13; Nr 4 Modus jrg. 1 3 ; nr. 4 i

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine ii Modus jrg. 13; nr. 4 Verklaring van de tekens: 0 of 0,0 Minder dan de helft van de gekozen eenheid Nul Onbekend (blank) Een waarde kan op logisc he grondslagen niet voorkomen

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Redactioneel Geachte Lezer, Voor u ligt de vierde editie van het jaar 2015 van MODUS, het statistische magazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao Economisch maken wij een geringe positieve ontwikkeling door. In het derde kwartaal van 2015 had de Centrale Bank van Curaao en Sint Maarten reeds een lichte economische groei van 0,3 procent voorspeld en deze groei heeft zich in het vierde kwartaal voortgezet. Het jaar 2015 werd afgesloten met een geconstateerde deflatie van de prijzen van -0,5 procent. De absolute cijfers afkomstig van het CBS worden op dit moment berekend en het resultaat hiervan wordt binnenkort gepubliceerd. Deze geringe positieve ontwikkeling van de economie toonde zich ook al in de resultaten van de conjunctuurenqute die in het eerste half jaar van 2015 is uitgevoerd. Uit het artikel in deze editie van MODUS blijkt dat, ondanks dat bedrijven minder investeren, gesproken kan worden van een lichte verbetering in de concurrentiepositie op de binnenlandse markt en van iets meer vertrouwen in de economie. Het vertrouwen ligt voornamelijk bij de sectoren transport & communicatie en financile diensten. Het is ook vooral in deze sectoren dat het investeringsklimaat licht is verbeterd. Daarentegen blijkt dat de positieve ontwikkeling met betrekking tot omzetmutaties zich vooral bij kleine bedrijven niet verder heeft doorgezet. Wel gaf 60 procent van alle bedrijven aan te verwachten het jaar af te sluiten met een positief bedrijfresultaat. In deze editie is tevens een artikel over de arbeidsproductiviteit op Curaao opgenomen. Het artikel wijst uit dat tussen 2009 en 2011 de arbeidsproductiviteit is gedaald. Vooral de bedrijfstakken nutsvoorzieningen, handel en overige diensten en transport en communicatie hebben bijgedragen aan de daling in de productiviteit. Een uitzondering betreft de sector financile diensten die een toename in productiviteit toonde. Mede gelet op de geringe economische groei zou deze daling in arbeidsproductiviteit zich voort kunnen zetting in de volgende meetjaren. Een analyse hiervan door het CBS volgt op het moment dat alle data beschikbaar is. In deze editie van de MODUS zijn verder twee artikelen opgenomen die te maken hebben met demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan. Het ene artikel geeft de effecten weer van de demografische ontwikkelingen op de leerling populatie in het onderwijs en het andere artikel gaat in op de eerste en tweede generatie migranten uit de voormalige Brits West-Indische Kolonin. Ten slotte zijn er twee artikelen opgenomen van meer educatieve aard. Het ene artikel pleit voor het gebruik van meervoudig migratieprojecties voor eilanden met kleine populaties en laat zien hoe dat gedaan kan worden. In het andere artikel wordt aan de hand van voorbeelden duidelijk gemaakt dat afhankelijk van de boodschap, een keuze gemaakt dient te worden voor de vorm waarin data kunnen worden gevisualiseerd. Al met al mijns inziens een zeer interessante editie van MODUS. Rest mij om u veel leesplezier toe te wensen. Sean de Boer Directeur CBS Colofon Oplage : 250 exemplaren Uitgave en distributie Centraal Bureau voor de Statistiek Fort Amsterdam z/n Telefoon: (599 9) 461-1031 Fax: (599 9) 461-1696 info@cbs.cw www.cbs.cw Algemene cordinatie Harely Martina Redactie Maria Duyndam Ellen Maduro Solange Bomberg Hoofden eindredactie Sean de Boer Vormgeving Arnold Rooi Drukwerk Onemedia Group Abonnement Modus verschijnt vier maal per jaargang. De abonnementsprijs bedraagt NAFl. 40,= (exclusief portokosten). Losse nummers kosten NAFl. 15,= 2016 Centraal Bureau voor de Statistiek Het overnemen van (delen) van deze publicatie is slechts toegestaan mits voorzien van een volledige bronvermelding. Modus jrg 13; nr 4 iii

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine The statistical agencies are entitled to comment on erroneous interpretation and misuse of statistics". (Principle 4, United Nations, Fundamental principles of Official Statistics) iv Modus jrg. 13; nr. 4

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 1 Curaao Population Projections 2015-2050 Methodological considerations, results and comparison of five projection variants Menno ter Bals Introduction Population growth in Curaao has followed a rather turbul ent path in the past three decades. While the fertility level declined and the life expectancy increased between the mid-1980s and 201 5, migration has proven to be the dominant driving force behind population change in Cu raao during this period, and will likely continue this role in the future. Two emigration waves during the 1980s and 1990s, which were followed by an extended period of population growth, due to a high level of i mmigration, have severely altered the population size, but also caused changes in the age composition of the population. Rapid aging and at the same time dejuvenation of the population are some of the results of these developments. Population projections for the small island state of Cu raao therefore rely heavily on migration assumptions. Population projections (for most countries in the world) by major agencies, like the United Nations and the US Census Bureau, usually assume merely one migration scenario per country. This approach is too limited for countries like Curaao which depend greatly on migratio n developments, which are strongly fluctuating, for future population growth. This article argues that population projections for populations depending predominantly on migration for population growth (e .g. small island states) be nefit from more than one migration scenario, in fact, need more than one migrat ion scenario. By presenting the Curaao Central Bureau of Statistics (CBS) 2015-2050 population projections, which include four different migration scenarios, this argument will be supported. These projections show how the different migration scenarios lead to various scenarios of population growth and have varying effects on the pace of population aging and dejuvenation of the population in Curaao. In the first part of this article the CBS 2015-2050 po pulation projections method ology including the different fertility, mortality and migration assumptions and the rationale behind these a ssumptions are presented and discussed. The results of five projection variants and a comparison of these results are presented in the second part of the article. Finally, an argument is made for future improvements on the migration assumptions methodology. A list of definitions of the used concepts is found in the appendix. Methodology Cohort component method For the CBS population projections the cohort component method has been used, because this is nowadays nearly the only method used for populati on projections, 'representing a rare consensus for the social sciences' (Preston, Heuveline, & Guillot, 2001). In this approach the population is

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 2 s egmented into different subgroups, in this case birth cohorts. Each subgroup is exposed to agespecific "risks" of fertility, mortality and migration. By applying these risks, population changes over time for each subgroup are calculated. This is done separately for males and females. It is a model in which the different components of population change are dynamically linked to one another (Preston, Heuveline, & Guillot, 2001). The Curaao projections ar e carried out over discrete time intervals, i.e. 5-year intervals, for 5-year age groups. The base line population for these projections is the CBS estimated population at the 1st of January 2015. Projection assumptions In their World Population Prospe cts, The 2012 Revision (United Na tions, 2014), the United Nations made fertility and mortality assumptions for each country separately, based on historical estimates dating back to 1950. For instance, for Curaao, histor ical data obtained from the CBS, i.e. census data and population registry data, was checked, valida ted for inconsistencies and analyzed by the UN. Then, a probabilistic projection model was used to project fertility and mortality developments for Curaao in the future, by making use of historical trends within the country and the experiences of similar countries concerning fertility and mortality. This projection model is grounded on demographic theories of fertility transition and mortality transition1. Because of the use of validated and consistent historical data, as well as a sound theoretical model, the resulting projected fertility and mortality trajectories, made by the UN, have been partly adopted as assumptions in the CBS population projections. The importance of the migration assumptions called for a different approach. The total fertility rate and life expectancy at birth, indicators used as a measure of a population's level of fertility and mortality respectively, usually follow a relatively stable (compared to migration) and similar path across populations. Projecting fertility and mortality levels in the future is therefore a less complicated exercise than projecting migration levels, which is the least predictable component of population growth. Migration is dependent on ma ny variables, which may be endogenous (in the country of settlement) as well as exogenous (i n the country of departure), and include job opportunities, wages, migration policies, migrant networks and educational opportunities or constraints, for example. Changes in any of these variables can have large effects on international migration flows. Because the projection of migration is such a complex and time consuming task, for which there was a lack of capacity during this st udy, the migration assumptions have been generated by projecting different migration trends of the past two decades to the future. Fertility assumptions Two sets of fertility assumptions have been selected for the CBS population projections: 1. Medium fertility assumption (adopted from the UN WPP 2012 (United Nations, 2014)): a. The total fertility rate (TFR) will marginally decline from 1.88 children per woman in the interval 2015-2019 to 1.84 children per woman in the interval 2045-2049. However, 1 Most countries (populations) worldwide undergo a transition in fertility levels as well as in mortality levels; the fertility transition is characterized by a reduction in fertility to below replacement level (2.1 childre n per woman) and a delay in the age at initiat ion in childbearing. The mortality transition is characterized by a rise in life expectancy (declining mortality rates) through proces ses of improved hygiene and nutrition, social and economic de velopment and mass immunization among others.

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 3 a more significant decline is expected fr om 2.10 children per woman in 2010-2014 (CBS estimate) to 1.88 in 2015-2019 (Figure 1). b. The mean age at childbirth (MACB) increases slightly from 28.3 in the 2015-2019 interval to 28.5 in the 2045-2049 interval (Figure 2). c. Age-specific fertility rates (ASFRs) will decrease for the younger ages and the older ages and center more in the 25-29 age group (Figure 3). Figure 1. Total fertility rate, estimates and assumptions, 1980-2050 Figure 2. Mean age at childbirth, estimates and assumptions, 1980-2050 Figure 3. Age specific fertility in percentages of total fertility, estimates and assumptions, 1980-2050

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 4 2. Const ant fertility assumption: the fertility schedule will remain constant at the 2010-2014 fertility level of 2.1 children per woman (Figure 1). No changes in TFR, MACB and ASFR will occur during the entire projection period (Figure 2). The medium fertility assumption has been utilized in all projection variants, except in the constant fertility variant. Mortality assumptions All projection variants utilize the same mortality assumption, which is adopted from the UN WPP 2012 (United Nations, 2014), and referred to as the 'normal' mortality assumption: it is assumed that female life expectancy at birth will increase from 80 .8 years in the 2015-2019 interval to 84.6 years in 2045-2049. Male life expectancy at birth is expected to increase from 74.6 years to 79.8 years over the same period. The difference in life expectancy at bi rth between females and males is thus expected to decline from 6.2 years to 4.8 years (Figure 4). The narrowing gender gap in life expectancy is observed in high-income countries and is assumed to occur in the future in other countries with a female life expectancy above 75 years. Improvements in mortality, i.e. declining mortal ity rates or declining probabilities of dying, are expected in all age groups, male as well as female. Males aged 0 to 40 years are expected to experience the largest improvements in morta lity, especially between ages 15 and 35 (Figure 5). For females the largest improvements are expected at the youngest ag es, especially for infants, under age 1, and from age 1 up to age 20 years (Figure 6). Figure 5. Probability of dying, males, 2015-2019 2045-2049 Figure 4. Life expectancy at birth, estimates and assumptions, 2005-2050

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 5 Migration assumptions For the 2015-2050 projections four different migratio n variants have been generated by the CBS. The two major emigration waves and the continuous positive net migration after these emigration episodes, in Curaaos' recent past, have induced the need for various future migration scenarios. The following migration assumptions were made: 1. Standard migration assumption: a. Immigration and emigration levels in 2025 ar e fixed at the average levels of registered immigration and emigration over the 2011-2 014 period. In the long-term, in 2050, both immigration and emigration levels are fixed at the average level of registered immigration over the 2005-2014 period. That means that net migration will be zero in 2050. A linear trend is assumed between 2015 and 2025 and between 2025 and 2050 (Figure 7). b. The average age distribution of registered immigration as well as emigration of the period 2010-2014, differentiated by sex, has been applied to immigration and emigration levels for each of the 5-year pr ojection periods. The age distribution has been held constant over the entire projection period. 2. High immigration assumption: Figure 6. Probability of dying, females, 2015-2019 2045-2049 Figure 7. Immigration and emigration, standard migration assumption, 2000-2050

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 6 a. Immigrat ion and emigration levels in 2025 ar e fixed at the average levels of registered immigration and emigration over the 2005-2008 period, which was characterized by the high level of immigration and the resulting high positive net migration. For 2050 immigration and emigration levels are fixed at the average levels of registered immigration and emigration over the 2005-2014 period. Net migration will remain positive towards 2050. Migration levels are assumed to grow or decline in a linear trend (Figure 8). b. For the period 2015-2025 the average age distribution of immigration as well as emigration of the period 2005-2008, differentiated by sex, has been applied to the projected immigration and emigration levels. For the remaining projection period, 2025-2050, the age distribution is equal to age distribution as used in the standard migration assumption. 3. Emigration wave assumption: a. Immigration and emigration levels will follow the same path as in the standard migration variant, however, between 2020 and 2025 an emigration wave, equal in size and scope as the emigration wave that took place from 1998 to 2001 in Curaao, will occur. It is assumed that similar migration rates will occur during the emigration wave as measured during the 19982001 emigration wave (Figure 9). b. The same age distribution applies as in the standard migration variant, with exception of the 2020-2024 emigration wave period, in which the average age distribution of the 1998-2001 period has been applied to the migration levels. Figure 8. Immigration and emigration, high immigration assumption, 2000-2050 Figure 9. Immigration and emigration level, emigration wave assumption, 2000-2050

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 7 4. Zeromigration assumption: in this projection variant it is assumed that no international migration takes place in Curaao during the entire projection period. This variant merely serves as a reference frame to estimate the effects of migration in the other non-zero migration scenarios. Table 1 gives a schematic overview of the differ ent projection variants and the combination of assumptions used for each variant. Data sources Population estimates based on the Curaao populati on register data and census data are the basic data source for this study. Births, deaths and migration time series from the population register from 1950 to 2015, combined with population data from the six censuses held in Curaao between 1960 and 2011, were the input for the United Nations' WPP 2012. The vital statistics time series, by age and sex, from 1998 to 2014 were used for the mi gration assumptions generated by the CBS.

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 8 Results Figure 10 and Table 2 give an ov erview of the total population size for each projection variant. Table 2. Total population by variant, 1950-2050 Projection variant 2015 2020 2025 2030 2035 2040 2045 2050 Standard migration 156,971 165,983 173,409 178,834 181,885 182,626 181,261 177,878 Constant fertility 156,971 167,151 175,907 182,780 187,375 189,740 190,150 188,877 High immigration 156,971 167,184 177,948 188,588 198,000 206,134 212,967 218,468 Emigration wave 156,971 165,983 148,755 152,242 153,504 152,801 150,346 146,170 Zero-migration 156,971 158,589 159,507 159,926 159,623 158,607 156,974 154,793 Future population growth in Curaao will be largest for the high immigration variant which yields a population size of almost 220,000 persons in 2050. Mass emigration (emigration wave) in the near future will lead to a population decline, which may cause the population size to reduce to about 146,000 persons in 2050. The standard migration and constant fertility scenarios project a population Figure 10. Total population by variant, 1950-2050

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 9 siz e of around 178,000 and 189,000 persons re spectively. Without international migration the population size will slowly start to decrease to reach a little fewer than 155,000 persons in 2050. Figure 11. Population growth rate The population growth rate is expected to decline and eventually become negative in all variants, except the high immigration variant (Figure 11). The rate of natural increase ((births deaths) 1000 population) is expected to drop below zero in all variants, meaning that eventually deaths will exceed births, no matter the migration scenario (Figure 12). An emigration wave will accelerate this process because less births are expected to take place in th e future. The constant fertility variant will delay the decrease in the rate of natural increase the longes t, but eventually the rate will drop below zero as well. All projection variants show that population ag ing is irreversible and has a big impact on the population. High positive net migration slows the aging process whereas an emigration wave speeds up the aging process. As life expectancy is set to increase further towards 2050, the median age of the population is expected to be between 46 (high immigration) and 52 (emigration wave) years in 2050, compared to 41 years in 2015. The population aged 65 years or older is estimated to make up between 24 percent (high immigration variant) and 30 percent (emigration wave variant) of the Curaaoan population in 2050 (Figure 13). This means an increase of at least 8 percentage points from a level of 15 percent in 2015.

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 10 Figure 12. Rate of natural increase Figure 13. Percentage population 65+ It is expected that in 2050 every elderly person wi ll be economically dependent on half the number of working-age persons (about 2 persons) compared to 2015 (about 4 persons) (Figure 14). Again, an emigration wave will only accelerate the aging pr ocess and cause the old-age support ratio to drop even faster than in the other projection variants.

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 11 Figure 14. Old-age support ratio At the same time, due to a declining fertility rate the proportion of youth in the population is expected to decline from 19 percent in 2015 to so mewhere between 14 and 17 percent in 2050. If the fertility rate remains constant at the 2015 level, the 'dejuvenation' of the population will be less severe than in the case of an emigration wave, which, of all projection variants, will cause the largest decline in the share of youth in the population. In the constant fertility variant the proportion of youth will remain stable at around 19 percent up to 2030, but eventually will drop to 17 percent in 2050. Figure 15. Population by age and sex in 2050, high immigration and emigration wave variant

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 12 Figure 15 shows the population pyramids for the ye ar 2050 for the two most deviating variants: the high immigration variant and the emigration wave variant. Clearly the impact of the two different migration scenarios on the age structure of the po pulation is displayed here. The emigration wave pyramid shows a more advanced aged population compared to the high immigration pyramid: it displays proportionately less youth and proportion ately more elderly persons. Furthermore, the considerable difference in total popula tion size is evident from the graph. A method to measure the contribution of each of the components of population growth (fertility, mortality, migration and the initial age structure of the population) to future population growth is the decomposition method2, as proposed by Bongaarts and Bu latao (1999). Decomposition of the standard migration variant shows that future population growth is mainly driven by migration, which accounts for about 15 percent growth of the population between 2015 and 2050 (Figure 16). The increasing life expectancy adds almost 4 percent to the 2015 population and the age structure of the baseline population (momentum) accounts for about one percent of the population growth. Fertility decline, on the other hand, reduces the popu lation by six percent between 2015 and 2050. Altogether, a population growth of 13 percent is expected in the standard migration variant. 4. Conclusion This article started by pointing out the import ance of using multiple migration scenarios for population projections for (small island) states that predominantly depend on migration for population growth. It was stated that population projections by international agencies, like the UN and the US Census Bureau, lack diffe rent migration scenarios for these kind of countries. This article has emphasized the impact of the use of multiple migration scenarios on population development by applying them in the CBS 2015-2050 population pr ojections for Curaao. The different projection variants not only indicate large differences in future population size, but also provide evidence of 2 A detailed description and an application of the method can be found in the technical paper 'D emographic components of future population growth' (Andreev, Kantorov, & Bongaarts, 2013) Figure 16. Contribution to population growth by component, as percentage of the 2015 population

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 13 varyin g effects on the pace of po pulation aging and dejuvenation of the population in Curaao. Additionally, decomposition of the projected population growth in the standard migration variant, stresses the proportionately large co ntribution of migration to population growth. While the point of the importance of multiple migration scenarios is made, a subordinate amount of attention is given to the methodology of projecting future migration scenarios. The complexity of the process of international migration actually calls for a more sophisticated approach than the method that was used for this study. Researching the relationship between migration in Curaao and labour market developments or migration policies for example, would render valuable information which can then be assessed for a more theoretically based and data-driven projection methodology of future migration. References Andreev, K., Kantorov, V., & Bongaarts, J. (2013). Demographic Components of Future Population Growth. United Nations, Department of Economic and Social Affairs. New York: United Nations. Bongaarts, J., & Bulatao, R. A. (1999, Sept ember). Completing the demographic transition. Population and Development Review, 25 (3), pp. 515-529. OECD/IDB/The Worl d Bank. (2014). Pensions at a Glance: Latin America and the Caribbean. OECD Publishing. Preston, S. H., Heuveline, P., & Guillot, M. (2001). Demography: measuring and modeling population processes. Malden: Blackwell Publishing Ltd. United Nations. (2014). World Population Prospects: The 2012 Revision, Methodology of the United Nations Population Estimates and Projections. United Nations, Department of Economic and Social Affairs. New York: United Nations. Appendix Definitions Age-specific fertility rate: number of births in period 0 to T to women aged x to x + n divided by the average number of women aged x to x + n in period 0 to T Life expectancy : the average number of additional years that a survivor to age x can expect to live beyond that age. Mean age at childbearing : the average age at childbearing of all women who gave birth in a given period. Old-age support ratio : the number of persons of working age (20-64) per elderly person (65+). This definition is adopted from the OECD (OECD/IDB/ The World Bank, 2014) and differs from old-age dependency ratio by the working age range, which starts at 20 instead of 15 years.

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 14 Popul ation growth rate : represents the mean annual rate of population change, expressed in percentage, and is calculated as ln[N(T)/N(0)]/T Probability of dying : the probability of death between age x and x + n is defined as the ratio of deaths between ages x and x + n to the number of survivors at exact age x. Rate of natural increase : the number of persons added by natural growth (births minus deaths) to the population in a given period per 1,000 pers ons in the population during that period. Total fertility rate (TFR) : the average number of children a woman would bear if she survived through the end of the reproductive age span and experienced, at each age, a particular set of age-specific fertility rates.

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 15 Resultaten conjunctuurenqute 1e halfjaar 2015 Chris M. Jager Inleiding In mei en juni 2015 zijn in het kader van de conjunc tuurenqute (CE) een groot aantal bedrijven benaderd met vragenlijsten. Doel van deze enqute is om op reguliere basis, twee maal per jaar in juni en december, actuele informatie te verschaffen over bedrijfsmatige en economis che parameters en ontwikkelingen. Daarnaast dient het inzicht te geven in verwachtingen en opinies van ondernemers. In dit verslag wordt nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute. Kwantitatieve gegevens over de exploitatiekosten worden hier niet besproken en de omzetten slechts in beperkte mate. Allereerst wordt er een korte inleidende beschouwing gegeven over de methodologie zoals die voor de enqute wordt gebruikt. Met de verkregen gegevens van de bedrijven (NVs en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening) wordt een beeld gegeven van de volgende onderwerpen: investeringsbelemmeringen en bevorderingen, concurrentiepositie, vertrouwen in de economie, vertrouwen in de toekomst, mening ten aanzien van het investeringsklimaat, omzetmutaties, verwachting bedrijfsresultaten. Bij de verschillende onderwerpen wordt er een vergelijking gemaakt met voorgaande pe riode, van een half jaar daarvoor (de enqute wordt immers twee keer per jaar uitg evoerd). Uitzondering daarop zijn de omzetmutaties en bedrijfsresultaten. Deze worden vergeleken met de resultaten van december van het voorgaande jaar. Bij vertrouwen in de toekomst, mening ten aanzien van het investeringsklimaat en omzetmutaties wordt ook inzicht gegeven in de situatie per bedrijfstak en naar aantallen werknemers.

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 16 Methodologie De conjunctuurenqute wordt twee keer per jaar onder de bedrijven op Curaao gehouden. In juni wordt genquteerd over het eerste halfjaar van het lopende kalenderjaar, in december over het gehele jaar. Dit wordt gedaan met behulp van enquteurs (45%) en via email (55% van het totaal aantal bedrijven wat wordt benaderd). Het onderzoek wordt uitgevoerd bij alle bedrijve n met tien of meer werknemers, terwijl van de bedrijven vanaf drie tot tien werknemers een steekproef wordt genomen. De CE is dus voor een deel een steekproefonderzoek. Door het nemen van een steekproef wordt een schatting gemaakt van de karakteristieken van de gehele po pulatie (alle bedrijven) en kunnen daar op een verantwoorde wijze uitspraken over worden gedaan. Onder bedrijven wordt hier verstaan NVs en eenmanszaken met een balans en winst& verliesrekening. Bij de steekproeftrekking (voor de bedrijven van drie tot tien werknemers) wordt uitgegaan van een betrouwbaarheid van 95 procent (5% foutenmarge, z-waarde van 1,96). Bij een populatie van ruim 2.000 bedrijven van het CBS bedrijvenbestand (vanaf 3 werknemers tot 10 werknemers) komt dat op het moment van trekking neer op in totaal 323 bedrijven. De steekproef wordt proportioneel getrokken, w aarbij rekening wordt gehouden met het aantal bedrijven per bedrijfstak. Resultaten conjunctuurenqute In de navolgende paragrafen wordt per onderwerp nader ingegaan op de resultaten van de opinievragen van de enqute van juni 2015. Investeringsbelemmeringen en bevorderingen Bijna 41 procent van de benaderde bedrijven heeft aangegeven te hebben genvesteerd in de eerste helft van 2015 (zie figuur 1). Dat is iets minder (2% punten) dan in december 2014 (43%) en wat meer dan het percentage van juni 2014 (toen dit 38% was).

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 17 Van de bedrijven heeft 36 procent aangegeven da t er van investeringsbelemmeringen sprake is geweest. Dit is 3 procentpunten minder in vergelijking met december 2014. Zoals doorgaans het geval, is ook nu weer he t tekort aan financile middelen de grootste investeringsbelemmering (zie figuur 2). Dit percentage is het eerste halfjaar 2015 met 2 procentpunten verminderd naar 21 procent van de bedrijven. Het aandeel bedrijven dat een slechte marktverwachting als belemmering heeft aangeg even, is afgenomen van 21 naar 17 procent. Overheidsbeleid als belemmering is in de eerste helft van 2015 toegenomen van 12 naar 14 procent van de bedrijven. De investeringen zijn naar de mening van de bedrijven vooral bevorderd door de beschikbaarheid van financile middelen (figuur 3) Het percentage bedrijven dat dit aangeeft is iets afgenomen (1 procentpunt) ten opzichte van december 2014 na ar bijna 13 procent. Van bevordering van de investeringen door de beschikbaarheid van gekwalif iceerd personeel is vrijwel geen sprake geweest. Dat percentage is afgenomen van 8 naar 4 procent. Het aandeel verwachtingen ten aanzien van de markt is met 6 procent onveranderd gebleven, de rendementsverwachting nagenoeg ook (van bijna 6 naar 5%).

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 18 Concurrentiepositie Bij de concurrentiepositie op de binnenlandse ma rkt (zie figuur 4) is een kleine verbetering opgetreden. In vergelijking met december 2014 hebben minder bedrijven aangegeven dat er van een verslechtering sprake is. Dit percentage is afgenomen van 25 naar 21 procent. Een zelfde percentage bedrijven heeft aangegeven dat de concurrentiepo sitie verbeterd is (10%). Wederom hebben de meeste bedrijven aangegeven dat de concurrentieposi tie onveranderd is gebleven. Dit percentage is toegenomen van 53 naar 57 procent.

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 19 Vertrouwen in de economie Het vertrouwen in de economie is naar de mening van de ondernemers het eerste halfjaar van 2015 wat minder negatief geworden (zie figuur 5). He t aandeel bedrijven wat heeft aangegeven dat het vertrouwen in de economie is verminderd, is namelijk afgenomen van 40 naar 31 procent in juni 2015. Wel is het zo dat nog steeds een laag percenta ge van de bedrijven heeft aangegeven dat het vertrouwen in de economie het afgelopen halfja ar is verbeterd (slechts 6%). Het percentage ondernemers dat heeft aangegeven dat het vertro uwen gelijk is gebleven, is ten opzichte van afgelopen december 2014 toegenomen van 55 naar 63 procent. Vertrouwen in de toekomst Het percentage bedrijven dat in juni 2015 heeft aan gegeven vertrouwen te hebben in de toekomst, is in vergelijking met december 2014 iets toegenomen van 49 naar 51 procent (zie figuur 6). Het aandeel bedrijven dat heeft aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst is afgenomen van 24 naar 20 procent. Mr bedrijven hebben aangegeven geen mening te he bben over de gestelde vraag. Dit is ten opzichte van afgelopen december 2014 toegenomen van 27 naar 29 procent per juni 2015.

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 20 Indien gekeken wordt naar de resultaten van het vertrouwen in de toekomst op bedrijfstakniveau bij de grotere bedrijfstakken (zie figuur 7), dan zijn er vrij duidelijke verschillen. Vooral bij de handel en de horeca is het vertrouwen relatief laag: respectievelijk 43 en 44 procent heeft aangegeven vertrouwen te hebben, hetgeen gelijk is aan de vorige periode (december 2014). Bovendien zijn er bij de handel en horeca veel bedrijven die expliciet hebben aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst: respectievelijk 24 en 30 procent. De bouw scoort qua vertrouwen met 50 procent heel gemiddeld en bij de overige bedrijfstakken ligt het vertrouwen boven het gemiddelde (51%). Met name is dat het geval bij transport & communicatie (69%) en financile diensten (74%).

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 21 Aangezien de bedrijven wordt ge vraagd naar het aantal werkne mers, kan ook inzicht worden gekregen in het vertrouwen in de toekomst naar het aantal werknemers van de bedrijven. Daarvoor wordt een indeling gemaakt in 3 groepen, te weten 3 tot 10 werknemers (klein), 10 tot 50 werknemers (middelgroot) en 50 of meer werknemers (groot). Wederom is gebleken dat bij de grotere bedrijven, vanaf 10 werknemers, duidelijk meer bedrijven vertrouwen in de toekomst hebben dan bij de klei ne bedrijven (zie figuur 8). Bij deze grotere bedrijven tot 50 werknemers bedraagt dit per juni 2015 54 procent, bij die van 50 en meer werknemers bijna 62 procent, een toename van ruim 10 procentp unten in vergelijking met december 2014. Bij de kleine bedrijven is het percentage afgenomen van 39 naar 37 procent. Hierdoor is het verschil met de grotere bedrijven toegenomen. Bij de kleine bedrijven heeft 28 procent aangegeven gn vertrouwen te hebben in de toekomst. Dit was 30 procent in december 2014. Bij de middelgroteen grote bedrijven ligt dit percentage met 21 en 10 procent duidelijk lager. In december 2014 be droegen deze percentages 23 en 20 procent. Mening ten aanzien van het investeringsklimaat De mening ten aanzien van het invest eringsklimaat (zie figuur 9) is licht verbeterd in vergelijking met december 2014. Het aandeel bedrijven dat heeft aangeg even het klimaat goed te vinden, is met ruim 6 procent gelijk gebleven. Minder bedrijven hebben aangegeven het klimaat slecht te vinden. Dat is afgenomen van 34 naar 31 procent. De mees te bedrijven, 63 procent, beoordelen het investeringsklimaat als matig (was 59%).

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 22 Bij de perceptie van het investeringsklimaat op bedrijfstakniveau zijn de handel, horeca, bouw en industrie de bedrijfstakken met de minst positieve perceptie. Rela tief veel bedrijven in deze bedrijfstakken vinden het investeringsklimaat slecht (zie figuur 10). De handel spant hier met 38 procent van de bedrijfstakken de kroon, wat overigens wl een duidelijke daling is ten opzichte van vorige periode toen dit 46 procent was. Bij de bo uw en horeca bedraagt het percentage slecht respectievelijk 35 en 36 procent. Bij transport & communicatie en de financile dienst en is de perceptie duidelijk positiever. Van deze bedrijfstakken hebben respectievelijk slechts 15 en 16 procent van de bedrijven aangegeven het investeringsklimaat slecht te vinden. Ofschoon bij de overige diensten de perceptie goed met ruim 13 procent relatief hoog is, staat daar we l tegenover dat ook daar veel bedrijven het investeringsklimaat slecht vinden: 30 procent.

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 23 De percept ie van het investeringsklimaat als afgeleide van het aantal werknemers van de bedrijven laat net als bij vertrouwen in de toekomst vrij duidelijke verschillen zien. Bij de kleine bedrijven is de mening ten aanzien van het invest eringsklimaat minder gunstig dan bij de grotere bedrijven van 10 werknemers of meer (zie figuur 11). Bij de kleine bedrijven vindt 55 procent het investeringsklimaat matig en 41 procent slecht (was 46% in december 2014). Bij de grote bedrijven vanaf 50 werknemers zijn deze percentages gunstiger; 71 procent vindt het matig en slechts 21 procent vindt het slecht (was 26% in december 2014). De middelgrote bedrijven zitten daar tussenin met pe rcentages van respectievelijk 64 (matig) en 30 procent (slecht). Bij alle bedrijven zijn de percentages van een goed e perceptie van het investeringsklimaat laag. Bij de kleine bedrijven bedraagt dit 4 procent. Bij de midde lgroteen grote bedrijven vinden respectievelijk 7 en 8 procent het investeringsklimaat goed. Omzetmutaties De omzetmutaties geven inzicht in welke mate men denkt dat de omzet is veranderd in vergelijking met het voorgaande jaar. In vergelijking met december 2014 is er een lichte verslechtering opgetreden en is het percentage bedrijven wat met eentoename van de omzet te maken heeft gehad afgenomen van 38 naar 36 procent. Het percentage bedrijven waar de omzet naar mening van de bedrijven is afgenomen is met 48 procent gelijk gebleven.

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 24 Bij de omzetmutaties op bedrijfstakniveau (voor de grotere bedrijfstakken, figuur 13) valt op dat vooral bij de bouw en de horeca duidelijk meer bedrijven (41 en 50%) een toename van de omzet hebben gehad. In december 2014 bedroegen deze perc entages respectievelijk 27 en 33 procent. Ook bij transport & communicatie is sprake van een verbeter ing; van 41 naar 56 procent per juni 2015, het hoogste percentage in vergelijking met de andere bedrijfstakken. Bij de industrie (51%), zakelijke diensten (50%), ha ndel (56%) en financile diensten (59%) hebben veel bedrijven te maken gehad met een af name van de omzet in vergelijking met 1 jaar geleden. Bij de industrie heeft bovendien nog geen 27 procent een toename van de omzet kunnen registreren. Was er in december 2014 nog sprake van een toename van de omzet bij 50 procent van de financile bedrijven, per juni 2015 is dat gedaald naar 31 procent. Daar niet alle bedrijven aangeven of zij te maken hebben gehad met een toeof afname, is het totaal van de percentages lager dan 100% (zie figuur 13).

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 25 De onderl inge verschillen in de mutati es van de omzet, naar rato van het aantal werknemers van de bedrijven, blijken ook deze periode weer vrij groot te zijn, zie figuur 14. Bij de kleine bedrijven is dit wederom minder gunstig dan bij de grotere bedrijven. Bij de kleine bedrijven is er bij 29 procent sprake van een toename van de omzetten (bedroeg nog 33% per december 2014). Bijna 51 procent heeft te maken gehad met een afname (was 47%). Bij de middelgrote bedrijven bedragen deze percentages 36 (toename) en 50 procent (afname). Een kleine verslechtering in vergelijking met december 2014 toen dit respecti evelijk 39 en 49 procent was. Bij de grote bedrijven ligt het percentage toename om zet nu op 46 procent. Dit is een verbetering van 6 procentpunten in vergelijking met december 2014 Ook de afname van de omzetten is bij de grote bedrijven gunstiger geworden en bedraagt nu 41 (afgelopen december 48%). Verwachting bedrijfsresultaten De conjunctuurenqute gaat in juni van het jaar na wat de verwachting is van het bedrijfsresultaat over het nog niet afgesloten gehele jaar. Doorgaan s is de verwachting in juni wat gunstiger dan de daadwerkelijke uitkomst welke aa n het eind van het jaar wordt ve rkregen (zoals de overige jaren aangeven, zie figuur 15). Het aandeel bedrijven welke per juni voor het gehele jaar 2015 een positief bedrijfsresultaat verwacht, bedraagt 60 procent. Dit is 5 procentpunten hoger dan het percentage van december 2014. Bijna 40 procent van de genterviewde bedrijve n heeft in juni 2015 aangegeven een negatief bedrijfsresultaat over 2015 te verwachten, eveneens een verbetering van 5 procentpunten (minder) ten opzichte van december 2014. Hiermee lijkt er duidelijk een einde gekomen te zijn aan de negatieve trend tot 2013 van een toename van het percentage be drijven met verlies. Eind dit jaar zal duidelijk worden of dit inderdaad het geval is. Opgemerkt dient te worden dat deze percentages gn inzicht geven in de omvang van de bedrijfsresultaten en evenmin in eventuele faillissementen.

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 26 Figuur 16 laat de verwachting van de bedrijfsresultaten zien als afgeleide van de grootte van bedrijven. Ook afgelopen periode is het zo dat er een duidelijk verschil is tussen de kleinere bedrijven met 3 tot 10 werknemers en de grotere vanaf 10 werknemers. Het percentage van de kleine be drijven met winstverwachting bedr aagt nu ruim 40 procent, een verbetering van 2 procentpunten in vergelijking met december 2014. De grotere bedrijven doen het duidelijk beter, zoals duidelijk te zien in figuur 16. Bij de middelgrote bedrijven heeft ruim 64 procent aangegeven winst te verwachten voor 2015, een toename van 7 procentpunten in vergelijking met eind 2014. Bij de grote bedrijven vanaf 50 werknemers is dit 68 procent, een verbetering van 3 procentpunten.

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 27 Samenvatting De opinies en bedrijfsresultaten van de conjunct uurenqute van juni 2015 laten gemiddeld genomen een enigszins positieve ontwikkeling en lichte verbeteringen zien. Ten opzichte van afgelopen perioden (juni en december 2014) is er sprake van licht herstel van een in vele gevallen op zich niet zo goede situatie. Wat minder bedrijven hebben aangegeven te hebben genvesteerd in de eerste helft van 2015. Het percentage investeringsbelemmeringen is iets afgenomen naar 36 procent. Bij de concurrentiepositie op de binnenlandse markt is van een lichte verbetering sprake. Dat is eveneens het geval bij het vertrouwen in de economie over de eerste helft van 2015. Het aandeel bedrijven dat in juni 2015 heeft aangegeven vertrouwen te hebben in de toekomst, is iets toegenomen. Bovendien is het percentage bedrijven met geen vertrouwen afgenomen. Vooral bij de handel en de horeca is het wede rom niet goed gesteld met het vertrouwen in de toekomst en ligt dit onder het gemiddelde. Vooral bij transport & communicatie en bij de financile diensten is het vertrouwen in de toekomst relatief goed. De mening ten aanzien van het investeringsklimaat is licht verbeterd in vergelijking met december 2014. De handel en de horeca zijn ook hier de bedrijfstakken met de minst positieve perceptie. De verbetering van de omzetmutaties bij bedrijven waarvan sprake was in december 2014 heeft zich niet verder doorgezet. Het percentage afname omzett en is gelijk gebleven en het aandeel toename is iets verminderd naar ruim een derde van de bedrijven. Vooral bij de horeca en de bedrijfstak transport & communicatie was er sprake van een toename van de omzetten. Bij de kleine bedrijven tot 10 werknemers blijft de situatie minder gunstig dan bij de grotere bedrijven en is deze situatie wat verslechterd ten opzichte van vorige periode. Bij nog geen 30 procent was er sprake van een toename van de omze tten. Iets meer dan de helft va n de kleine bedrijven heeft te maken gehad met een afname. Het aandeel bedrijven wat verwacht 2015 af te slui ten met een positief bedrijfsresultaat is met 60 procent duidelijk hoger in vergelijking met december 2014. Bij de middelgroteen grote bedrijven ligt dit met ongeveer 66 procent wat hoger dan bij de kl eine bedrijven waar dit zon 40 procent van de bedrijven is.

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 28

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 29 Cultural Adaption of the First and Second Generation British West Indian Migrants in Curaao Rose Mary Allen Introduction Curaaoan society consists in large part of a population that at one time in history migrated to the island. The recent study by Jeanne de Bruijn and Maartje Groot conc ludes that an estimated forty percent of the present population of Curaao is descendant of migrants that a rrived on the island during the last 100 years (de Bruijn en Groot, 2014). In the first half of the 20th century, immigration was importan t for population increase on the island, and Syrians, East-European Jews, (East) Indians, Chinese, Venezuelans, Portuguese (mainly from Madeira), Surinamese, and natives of the English-speaki ng Caribbean (the British West Indies and the Dutch Windward Islands) settled here. The majority of the migrants came as manual laborers for CPIM, an oil refinery that established itself on the island in 1915.3 The subsequent expansion of the oil refinery resulted in a severe shortage of industrial workers. The island then bega n admitting more immigrants, especially young males, to work in the oil industry. During the economic heyday s of the oil industry from 1920-1960, the islands population grew, in part due to increased immigration, from 32,709 to 125.094 an approximate 320% growth in 30 years. Growth peaked in the period between 1940 and 1950, when the population grew from 67,317 to 102,206 an increase of almost 35,000 people in a ten-years span (Palm de, 1985:71). The migrants came mainly from the former British co lonies in the Caribbean, such as Anguilla, Antigua and Barbuda, Barbados, Dominica, Grenada, Guyana, Montserrat, Saint Kitts and Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent and the Grenadines, Trinidad and Tobago.4 They are the focus of this article. This migration constituted the first significant voluntary movement of a working class from the wider Caribbean to Curaao. In addition to working at CPIM, they also worked at the adjacent tanker co mpany Curaao Stoomboot Maatschappij (CSM), and the Ph osphate Mining Company. One noticeable feature of this migration is that it included a fairly large group of young single women (locally known as sleep-in maids), recruited independently as domestic workers in and after the 1940s (Philipps, 1988).5When economic opportunities in Curaao declined in the immediate post-World War II-period especially male immigrants in particular returned with their families to their native co untries or continued on to the UK, the USA, and Canada in search of work. Nonetheless, a substantial number remained permanently on the island; their descendants are now second and third generation immigrants. 3Its name was changed from NV Curaaoasche Petroleum Maatschapp ij to Curaaose Petroleum Industr ie Maatschappij (CPIM) in 1925 (Broek 2011: 85). Locally, it was popularly known simply as Shell. 4 For the sake of clarity, I will use the term British West Indian. The migration of this group came in different waves. The fi rst was in 1924 when men came from Jamaica, Barbados, but also from Haiti to help to set up the oil company. The West Indian immigration came t o a halt during the Depressing years of 1930-1935, when immigration from th e British West Indies temporarily stopped. During the Second World War, due to the increase need of oil by the Allied countries again workers were imported. 5 They were called sleep-in maids as they wo rked and lived in the homes of the (princ ipally) Dutch staff of the oil-company and members of the traditional elites. Most of these women were brought in by their employers who were responsible for their work and residen ce permit. Oral history shows that these women experienced vulnerable personal and work conditions, doing house hold work such as cleaning cooking, washing and ironi ng clothes including childcare (Philipps, 1988:45-49).

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 30 In this article the characteristics of this first and sec ond generation of immigrants from the former British colonies in the Caribbean living in Curaao will be examin ed, taking a closer look at their education, settlement pattern, and type of education, income and language. These are indicators of cultural adaption in which people participate in various societal spheres. This paper is pa rt of a larger study in which twentieth century migration from the former British West Indies to Curaao is documented and analyzed in order to understand shared Caribbean cultural identities (Allen, 2012). The article is structured as followed. A brief overview is given on the incentive for this study and the methodology used. This is followed by definitions of important concepts Then the collected data will be discussed, such as level of education, employment, and the primary language use of the first and the second generation of migrants to obtain insight into th e challenges and successes experienced by these generations during the last hundred years. The last section includes a summary and conclusion. Incentive for the study Migration studies with a focus on Curaao show a vo id in research on first and second generation migrants to Curaao during the early twentieth century.6 Sabrina Dinmohamed deals with these two specific categories in her paper Sociaaleconomische kenmerken van twee generaties migranten in Curaao [Social economic characteristics of two generation s of migrants in Curaao], in which she studies educational outcome, work, and income among the fi rst and second generation of specific migrant groups (2010). In her study, most of these migrant groups arrived at the end of the twentieth century and beginning of the twenty-first century. This also refers to the study by Jeanne de Bruijn and Maartje Groot Regionale migratie en integratie op Cura ao 1992-2013(2014), commissioned by the Ministry of Social Development, Labor and Welfare and which deals with five of the relatively large migrant groups in Curaao at the moment. Nonetheless, there is little hard evidence an d few published studies examining generational variations of those migrants who came to work for the oil refinery at the beginning of the twentieth century. In polarizing discussions on the fate of th ese immigrants in recent years, the early twentieth century migrant groups are juxtaposed against the newcomers of the 21st century and showcased as a model of how migrants have assimilated into the so cial fabric of Curaaoa n society, but, again, without any hard data to sustain this. 6 See Do Rego, Ch., (2012). The Portuguese Immigrant in Curaao, Immigration, Participation and Integration in the 20th century Amsterdam: SWP press, which examines how ge nerations of Portuguese immigrants became part of the Curaaoan society. For a study on the integration process of migrants from the smaller Caribbean societies in the Caribbean soci ety of Trinidad, see the article by Kathleen Valtonen entitled Bread and Tea: A Study of the Integration of Low-Income Im migrants from Other Caribbean Territories into Trinidad The International Migration Review ,Vol. 30, No. 4 (Winter, 1996), pp. 995-1019. It is one of the first studies about the Caribbean interregional migration which has looked at the several factors facilitating participati ons in the social sphere and labor mark et by first and second generation migrants from the Caribbean.

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 31 Today, imm igrants and their children make up a large group of the Curaaoan labor force and will continue to account for its growth (de Bruijn en Groot, 2014; Dinmohamed, 2015: 9-10, ter Bals, 2011). Looking at the course of adaptation of the earlie r immigrants in Curaaoan society can help current study by comparing the ways how migrants today establish themselves in the society with those experienced by the earlier ones. The migrants from the former British colonies in particular, at one time in history, constituted the most significant fore ign born population in Cu raao, as the Census of 1960 underscores (Volkstelling deel B, 1960: 22). Moreover, much research is being done in the last decades about generational differences regarding migration. Curaao, as a small-scale Caribbean society that has experienced large-scale emigration and immigration, could provide important insights into generational distribution of attitudes and outcomes experienced through migration. Methodology For this analysis the census of 2011 by the Central Bureau of Statistics of Curaao was used. The census is taken every ten years to collect data. This data provides a comprehensive understanding of the Curaaoan population. It also gives numerical insight into the diversity of countries of birth and nationalities of the inhabitants of Curaao. In the 2011 census, questions were asked for the first time about the places of birth of the respondents parents. Consequently, as a primary data source it provides important information about the origins of the inhabitants of Curaao and enables us to ex amine group differences based on the place of birth of parents. This analysis focuses specifically on the first and second generation of twentieth century migrants born in the following former British colonies: Antigua and Barbuda (ATG), Barbados (BRB), Dominica (DMA), Grenada (GRD), Guyana (GUY), Montserrat (MSR), Saint Kitts and Nevis (KNA), Saint Lucia (LCA), Saint Vincent and the Grenadin es (VCT) and Trinidad and Tobago (TTO).These are the countries from which came a majority of the English speaking migrants from the former British West Indies. The statistical data of 2011 shows th at there are individuals of the first generation of this group who migrated to the island after 1953, which is the year that the oil refinery stopped employing foreign workers and started to lay them off (Van Soest, 1977:521). Between 1954 and 2011, 17 people arrived from Antigua and Barbuda, 7 from Barbados, 76 from Dominica, 33 from Grenada, 412 from Guyana, 31 from Montserrat, 102 from Saint Kitts and Nevis, 56 from Saint Lucia, 219 from Saint Vincent and the Grenadines and 72 from Trinidad and Tobago. In total this is 1025, while 109 are missing (Census, 2011). This means that among the first generation of this group under study, there is some difference as regards to their date of arrival. Especially migrants from countries such as Saint Kitts and Nevis, Saint Vincent and in particular Guyana have continued to migrate to the island, even after the migration stop in the mid twentieth century migration. In addition, the numbers for the migrants from Guyana is also distorted by the fact that

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 32 thi s group continued to migrate to Curacao in rela tively large number even after the others stopped migrating. In that sense, the group from Guyana encompasses both early twentieth century migrants as well as newcomers of the end of the twentiet h century and the beginning of the twenty first century. Definitions An immigrant is any individual, regardless of coun try of birth, who has migrated from his or her country of usual residence to live in Curaao. In other words, he or she has moved from abroad (including from the other islands that formerly constituted the Netherlands Antilles) to reside in Curaao (CBS, 2014). In this study migrants from Sint Maarten, Saba and Sint Eustatius are not included. British West Indian migrant refers to an individual from the above-mentioned former British colonies in the Caribbean .Please note the difference between this migrant and the migrant from the Englishspeaking Northern Dutch Leeward Islands, Saint Maarten, Saint Eustatius and Saba. First-generation British West Indian migrant refers to an individual born outside of Curaao to parents born in the above-mentioned former Britis h colonies in the Caribbean, and who migrated to Curacao during the twentieth century. The second generation is a native-born individual (born in Curaao), whose parents, or at least one parent either mother or fatherare born in one of the abovementioned former British colonies in the Caribbean(CBS, 2014).7 The term newcomers refers to the immigrants who came to the island at the end of the twentieth century and the beginning of the twenty first century. Cultural adaptation is the process and time it takes a person to integrate into a new culture and feel comfortable in it. Demographic profile The 1960 Census, taken a few years after the layoff by the oil-refinery whereby many migrant laborers were sent back to their homeland, shows that at that time this specific migrant group from the British colonies was roughly about 5,195 individuals. The 1960 census included people from the French Caribbean in this group, who however came in very small numbers (Van Soest, 1977: 246). In 1960, Curaao had a total population of 125,181. The migrant group from the British colonies accounted for about 4.1.percent of the total Cura aoan population at that time, followed by the Portuguese who comprised 1.7 percent (Volkstelling deel B, 1960:15). They made up almost 60 percent 7 In this paper no distinction is made between the second generation with one native born parent and one foreign parents and the one who do not have any native born parents. Studies have shown that the experiences and outcomes between the two categories can be different (Ramakrishnan, 2004).

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 33 of all fore ign born residing in Curacao at that time. The population of this group aged 15 to 59 was largest Of the 5,195 individuals, 32 percent was between the ages of 0-14, 63.8 percent was between 15-59, while 4.2. percent was above 60 ye ars (Volkstelling deel B, 1960: 22). The most salient fact about this migrant group comp ared to other immigrant group in Curaao is its gender characteristics as the female population is larger than the male. The census figure of 1960 shows that the number of British West Indian women exceeded that of their male counterparts by a ratio of 2,914 : 2,281 (Volkstelling deel B, 1960: 15). The sex ratio is 78 males per 100 females. This discrepancy in figures is attributed to the large amount of English-speaking female domestic workers on the island (Volkstelling deel B, 1960, 22). Their number remained large even when the oilbased economies of Curaao declined in the immediate post-war period (the 1950s) and most male immigrants were laid off. These men either returned to their countries of origin alone or together with their families. Some continued their migration to Canada, the United Kingdom or the United States. The fact that these group consists of single women, also accounts for the small number of individuals aged 0 to 14. The census of 1960 reveals that the age-group of 0-14 years with British nationality is small compared to the rest. It explains that this is due to the fact that most of the women of this group have remained single or do not have a family life in Curaao. Some have migrated to the island leaving their child(ren) behind, in order to support them economically (Volkstelling deel B, 1960: 22-23; Allen, 2012). Table 1 is based on the census of 2011, and gives an overview of the first generation of individuals from the above-mentioned former British colonies. In total they are 1,281, representing 0.8 percent of the total population of 68,848 men and 81,715 female in Curaaoan society. They also represent 3.5 percent of the total population of 36,363 first generation migrants living in Curaao in 2011 (de Bruijn en Groot: 34, 35). Their total number is slightly higher than the 1,230 Jamaicans living in Curaao and who are the newcomers of the twenty first century from an English speaking country.

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 34 Table1. The absolute number of first generation of the former British West Indian immigrants by age and sex, Curacao 2011 Age Male Female Total 0 4 3 2 5 5 9 5 5 10 10 14 13 13 26 15 19 14 17 31 20 24 19 18 37 25 29 17 22 39 30 34 38 38 76 35 39 45 56 101 40 44 54 77 131 45 49 30 57 87 50 54 25 66 91 55 59 27 64 91 60 64 16 105 121 65 69 17 61 78 70 74 13 82 95 75 79 8 75 83 80 84 16 61 77 85 89 20 56 76 90 94 5 17 22 95 99 1 3 4 Total 386 895 1281 The table shows that the age group of 35-44 is relatively large. This can be attributed to the fact that among the studied migrant groups there are indivi duals who came after the lay off The table also shows that the first generation is aging. They are part of the aging process of Curacaoan society even though they represent only a small percentage (1 .9%) of persons aged 60 or older in the total Curaaoan population. There is a predominance of women in that age group. Their number is 460, about one third (35 percent ) of the total population of the group under study. With regard to their male counterparts, the ratio between male and female is 21 men per 100 women. In this regard this gender gap differs considerably from that of th e total population, where the gender ratio of the population over 60 years in 2011 is 74.8 men per 100 women. Table 2 gives an overview of the second generation s of this particular group. Altogether, they are 1,687 and they make up for 6.2 percent of the total of 27,101 second generation migrants living in Curaao in 2011 and for 1.1 percent of the national population (de Bruijn en Groot: 35). The age group of 45-59 is relatively large as compared to the rest.

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 35

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 36 The next table compares t he size of the second gene ration, whose parents, one or both, have migrated from one of the former British colonies, with the size of the first generation. As the first generations of this particular group consists of people who have arrived in the early twentieth century as well as those who arrived after the oil boom, one can state that the second generation consists of children of the early 20th century immigrants, now deceased, as well as children of the last mentioned group. The table also shows that the second generation of certain birthplaces such as Antigua and Barbuda, Barbados, Saint Kitts and Nevis, Saint Vincent and the Grenadines, have experienced an increase in numbers, however they represent a small amount of people. Table 3.The number of first and second generation (absolute and percentage) of the former British West Indian immigrants by sex Curaao, 2011 First generation Second generation Country of birth Male Female Total Total in % Male Female Total Total in % Antigua and Barbuda 9 19282.12842 70 4.1 Barbados 5 9141.02128 49 2.9 Dominica 18 841027.96863 131 7.7 Grenada 12 28403.12930 59 3.4 Guyana 183 251 434 33.8 121 92 213 12.6 Montserrat 11 42534.15548 103 6.1 Saint Kitts and Nevis 39 13317213.4158200 358 21.2 Saint Lucia 25 47725.64956 105 6.2 Saint Vincent and the Grenadines 45 23027521.4186201 387 22.9 Trinidad and Tobago 39 42816.398114 212 12.5 Total 386 895 1281 100 813 874 1687 100 Settlement patterns Historically, these immigrants have not spread ou t evenly geographically across the island. In the early days, English-speaking workers for the oil-refi nery lived in enclosed residential areas that had been specifically set up for them by the oil-refine ry. They lived in barracks situated near the oil refinery and located north of the refinery near Sc hottegat. The barracks were later replaced by brick homes in the neighborhood of Suffisant, also in th e vicinity of the refinery. In time, some workers moved away with their families and clustered near other immigrants in more distant neighborhoods, as the oil-refinery continued to expand. These neighborhoods are: Kanga, Dein, Buena Vista and Rozendaal, Wishi and Marchena, as well as the older ones such Coronet, Monte Verde, Nieuw Nederland and Cher Asile (Janga, 2006:77). Thos e workers who worked for the Phosphate Mining Company situated at Newport, also lived in the eastern part of the island. Table 4 shows that a substantial percentage of the first generation still lives in homes in the older, traditional neighborhoods.They are joined by the newcomers from the Caribbean (De Bruijn Jeanne & Maartje Groot, 2014:68). It also indicates that the second generation lives more dispersed. Even though the second generation has remained in the traditional neighborhood, except for Kanga, there

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 37 is some ind ication of settlement beyond these neighborhoods as well. This second generation is also spreading across the island, in particular to plac es where there are governmental housing projects, such as Tera Cora, Fortuna, Brievengat and Montaa Abou. Table 4. Settlement pattern of the first and second generation of the former British West Indian immigrants Geozone First generation Second generation Buena Vista 117 121 Kanga/Dein 108 64 Suffisant 95 56 Berg Altena 63 32 Souax 62 72 Bonam 49 79 Stenen Koraal 42 57 Brievengat 34 52 Wanapa 34 64 Steenrijk 33 40 Mahuma 32 53 Sta. Rosa 31 50 Montaa Abou 31 68 Koraal Partier 30 49 Mon Repos 29 35 Groot Kwartier 28 31 Salia 28 29 Koraal Specht 28 41 Paradijs 27 32 Groot Piscadera 25 35 Wishi 25 22 Muizenberg 24 38 Dominguito 24 38 Fortuna 22 42 Rosendaal 22 32 Labadera 21 17 Montaa Rey 19 13 Mahaai 17 17 Habaai 15 6 Maria Maai 14 19 Mundo Nobo 14 15 Rancho 13 41 Kwarchi 13 12 Rooi Santu 13 32 St. Michiel 9 58 Piscadera Baai 8 12 Seru Grandi 8 23 Seru Lora 7 21 Zeelandia 5 10 Scharloo 5 8 Domi 4 13 Otrobanda 3 8 Parera 3 50

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 38 Education, employment and income The census data also give insight into the education attainment level, which is categorized in Primary education followed by Foundation Based Education, Secondary Level First Stage: (VSBO, Havo 1+2 and VWO 1+2), Secondary Level Second Stage (HAVO 3-5; VWO 3-6; SBO, MBO), Third level first stage (Hoger Beroeps Onderwijs (HBO) and third level second stage (Wetenschappelijk Onderwijs (WO), including Doctorate). The data of table 5 shows that the second-generatio n group is substantially better educated than the first generation group. The data also reveals the strong gains in access to secondary and third level education among the second generation. 12% of the first generation had seco ndary level second stage as compared to 25% of the second generation. Over 1% of the first generation had third level second stage compared to 4% of the second generation. Table 5. Educational attainment of the firs t and second generation of former British West Indian immigrants by sex, Curacao 2011 First generation Second generation Highest educational attainment (day-time)8 Male Female Total % Male Female Total % None and Primary 126 472 598 50.0 81 108 189 14.9 Secondary Level First Stage 117 236 353 29.5 243 276 519 41.1 Secondary Level Second Stage 54 97 151 12.6 159 158 317 25.1 Third Level First Stage 34 29 54 4.5 76 105 181 14.3 Third Level Second Stage 9 4 13 1.0 23 28 51 4.0 Unknown/NR 7 20 27 2.2 3 1 4 0.3 Total 347 849 1196 100 585 676 1261 100 The substantially high percentage of women ( 39.4 percent) with none or primary school in the first generation has to do with the high number of in dividuals once employed as domestic workers. The second generation shows a reduction in the number of people with none or primary school which can be attributed to the decrease in the amount of domestic workers among this group. The figures show that the majority of the second generation has a VSBO level of education or the first years of a senior general secondary education (HAVO) or pre-university education program (VWO). It also indicates an 8 Primary education preceded Foun dation Based Education; Secondary Level First Stage: VSBO, Havo 1+2 and VWO 1+2 Secondary Level Second Stage: HAVO 3-5; VWO 3-6: SBO, MBO Third level first stage: Hoger Beroeps Onderwijs (HBO) Third level second stage: Wetenschappelijk Onderwijs (WO; including Doctorate).

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 39 in crease of individuals with tertiary education, either hi gher professional education (HBO) or university degree including doctorate. With regard to their socio-economic position through the participation in the labour force, 45 percent of the first generation were still employed, whil e 3.7 percent were unemployed and 50.8 percent were not active economically. This is based on the total population of 1240 individuals. The occupation of those employ ed ranged from occupations such as managers and legislators (4.2 percent) to elementary ones (25.9 percent). The total working force population(above 15 years) for the second generation is 1,426. Of this total number 57.3 percent were employed, while 5 pe rcent were unemployed and 37.5 percent were not active economically. The occupation of those empl oyed ranged from occupa tions such as managers and legislators (8.3 percent) to elementary ones (7.3 percent). It shows a decline in elementary work types by the second generation. Table 6 shows that 31.2 percent of the first generation has an income between 500 and 1000 ANG. This has to do with the old age pension (AOV) as a source of income. For the second generation, this is 16.6 percent. The average monthly gross income per person in Curaao was ANG 3.023 according to the Census 2011 (Inkomens en inkomensverdelingen in Curaa o, 2011 CBS). Three (3) percent of the first generation migrants falls under the average income; it is 8% for the second generation. The increase in education is reflected in the monthly gross person al income for the second generation, whereby the second generation has disengaged themselves slightly from their parents level of standard of living. Table 6. Total monthly gross personal income in ANG of the first and second generation of former British West Indian immigrants by sex, Curacao 2011 First generation Second generation Total monthly gross personal income in ANG Male Female Total Male Female Total No income 28 143 171 104 99 203 1 500 15 51 66 29 55 84 501 1000 62 384 446 68 139 207 1001 1500 38 103 141 52 63 115 1501 2000 48 71 119 69 73 142 2001 2500 50 35 85 47 45 92 2501 3000 27 18 45 45 43 88 3001 3500 27 13 40 44 65 109 3501 4000 5 4 9 8 9 17 4001 4500 27 19 46 38 44 82 4501 5000 1 2 3 3 5 8 5001 7500 13 11 24 95 69 164 > 7500 18 16 34 55 37 92 Not reported 6 5 11 8 15 23 Total 665 761 1426 365 875 1240

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 40 Language use Among the first generation immigrants, the En glish language has been dominant. However, Papiamentu is also spoken among the first genera tion. Coming from societies where predominantly English is spoken, they have become bilingual in the course of time. The migrants from Dominica and Saint Lucia speak besides English also Kweyol a French derived Creole language. Language use among the first and second-generatio n English-speaking migrants reflects important changes. Among the first generation, the most spoken language is still English, while among the second generation the use of Papiamentu is hi gher, even though English persists. The secondgeneration group is also bilingual and its knowledge of more than one language is a valuable asset in the tourist economy of Curaao. The fact that a large part of both the first and second generation speaks Papiamentu points to some assimilation by these two migrant groups. The parental linguistic retention among the second generation shows that there is certain maintenance of cultural identity among this group. Table 6 also sh ows a large number of the second generation that speaks Dutch in its household as compared to the first generation. Table7. Language use of former British West Indian migrants, Curaao 2011 First generation S Second generation Language spoken in household Most spoken language Language spoken in household Most spoken language English 1028 639 762 255 Papiamentu 966 518 1576 1313 Dutch 286 59 424 85 Some concluding remarks The former British West Indian migrants played an important role in the development of Curaao and also helped to shape the nature of the society. About 50 years ago, they were considered the most largest share of immigrant groups in Curaao. At the moment this particular migrant group constitutes a small portion of Curaaoan society, and th ey represent only a fraction of the migrants in Curaao. Their impact is not so much demographi c as perhaps cultural. Ot her studies have shown that they played an important role in promoting cultural expressions such as carnival, calypso and steelband, as well as in the trade union (Allen, 1988). Focusing on their specific economic, social, and linguistic conditions, based on the census of 2011, provides some insight into the social life of the first and second generation of migrants from the former British colonies in the Caribbean in Curaao. In the course of time, there has been some degree of cultural adaptation to the Curaaoan so ciety by this specific migrant-group.

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 41 Determi ning the factors that have enabled them to connect and to participate with the wider community, as well as examining the time frame, is essential in understanding the dynamics of the migration processes in Curaaoan society. Lessons from the Curaaoan case may serve as input for appropriate policies with regard to immigration an d economic strategies, labor relations, cultural diversity, gender difference citizenship, and the education for the newly arrived immigrants. References Allen, Rose Mary. (1988). Muzik di Ingles tambe a bira di nos. An overview of the Calypso in the period of its popularity. Curaao: Institute of Archaeology and An thropology of the Netherlands Antilles (AAINA). Allen, R.M. (2012).Twentieth ce ntury migration from the Englishspeaking Caribbean: discursive inclusion and exclusion. In Nicholas Faraclas, Ronald Severing, Christa Weijer and Elisabeth Echteld (Eds.), Researching the Rhizome. Studies of transc ultural language, literature, learning and life on the ABC Islands and Beyond ( pp.13-29). Curaao/Puer to Rico: Fundashon pa Planifikashon di Idioma/Universidat di Krsou/Universidad de Puerto Rico. Bals, M. ter (2014). Census 2011: The migratory population of Curaao Modus,Statistisch Magazine 12, 1/2, 1-16. Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao Bruijn, Jeanne de & Maartje Groot (2014). Regionale migratie en integratie op Curacao 1992-2013 Onderzoek in opdracht van het Ministerie va n Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn Curaao. Central Bureau of Statistics Curaao (2011). Inkomens en inkomensverdelingen in Curaao Publicatiereeks Census. Centraal Bure au voor de Statistiek Curaao. Dinmohamed, S.(2015). Sociaalecono mische kenmerken van twee genera ties migranten in Curaao. Modus Statistisch Magazine 13, 1,1-12 Encyclopedie van de Nederlandse Antillen, 1985 Janga, Lionel (2006) Wijkontwikkeling op Curaao. In: R.M. Allen et al Ren Rmer als inspirator. Actualiseringen van zijn gedachtegoed (pp 74-85). Curaao: University of the Netherlands Antilles. Palm, de J. (1985) Encyclopedie van de Nederlandse Antillen. Zutphen: de Walburg Pers. Philipps, Ann (1988). Labour and migration in the Caribbean; Britsh West Indian domestic servants in Curaao ; 1940-1960. Masterthesis, University of Leiden. Ramakrishnan, K. (2004). Second-Generation Immigran ts? The .5 Generation in the United States. Social Science Quaterly 85 2, 380-399. Rego Do, Ch.,(2012). The Portuguese Immigrant in Curaao, Immigration, Participation and Integration in the 20th century. Amsterdam: SWP press Soest, van J. (1977). Olie als water. De Curaaose economie in de eerste helft van de twintigste eeuw Zutphen: De Walburg Pers.

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 42 Sta tistieken Planbureau Nederlandse Antillen (1960). Volkstelling 1960. Curaao, Bonaire, Sint Maarten, St. Eustatius en Saba. Population census 1960. Valtonen, Kathleen (1996).Bread and Tea: A Study of the Integration of Low-Income Immigrants from Other Caribbean Territories into Trinidad The International Migration Review ,Vol. 30, No. 4 (Winter, 1996), pp. 995-1019.

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 43 Afname arbeidsproductiviteit in Curaao zet voort in de periode 2009 tot en met 2011 Dainadira Eustatius Inleiding De Internationale Arbeidsorganisatie (International Labour Organization, ILO) heeft de arbeidsproductiviteit uitgeroepen tot n van de 18 belangrijke indicatoren om, onder anderen, de ontwikkeling van de arbeidsmarkt te monitoren en landen met elkaar te kunnen vergelijken. Arbeid sproductiviteit wordt door ILO gedefinieerd als output per eenheid input, met input gemeten in aantal werkuren of aantal werkenden. De arbeidsproductiviteit wordt dus gebruikt om het (gemiddelde) aantal goederen of diensten geproduceerd per uur of per individu te meten. Wanneer de productiviteit hoog is, is minder arbeid (personen of uren) nodig voor productie of wordt relatief meer geproduceerd met eenzelfde hoeveelheid arbeid. De mate van productiviteit is afhankelijk van de efficintie waarmee geproduceerd wordt. Deze wordt bepaald door de mate waarin gebruik wordt gemaakt van technologische innovaties (kapitaalgoederen) en de kw alificaties (opleiding, bekwaamheid, ervaring) van de werknemers. Ook andere factoren, bijvoorbeeld de mate van gezondheid van de werknemers, kunnen van invloed zijn op de efficintie waarmee geproduceerd wordt. Economische groei kan alleen gerealiseerd worden indien er meer arbeid ingezet wordt of indien de productiviteit per eenheid arbeid toeneemt9. Economische groei wordt immers gemeten door de bruto toegevoegde waarde (totale output) in een jaar te verg elijken met het voorgaande jaar. Om de bruto toegevoegde waarde te verhogen moet dus meer arbeid ingezet worden of met eenzelfde hoeveelheid arbeid meer geproduceerd worden door per eenheid arbeid meer te produceren. Bij het Centraal Bureau van Statistiek wordt de bruto toegevoegde waarde (BTW) per werkende in constante prijzen (gecorrigeerd voor inflatie) gebruikt om de arbe idsproductiviteit te meten. De bruto toegevoegde waarde is de bruto productie minus de operationele kosten (exclusief de lonen en salarissen, sociale lasten en afschrijvingen). De bruto toegevoegde waarde is dat deel (in waarde uitgedrukt) dat het bedrijf toegevoegd heeft aan de grondstof of het basisproduct dat zij ingekocht heeft om haar eindproduct te maken. Een eerdere versie van dit tijdschrift10 heeft de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit van Curaao in de periode 2003 tot en met 2008 besproken. Volgens dit artikel bedroeg de gemiddelde groei van de TW11 per werkende in constante prijzen 1,1 procent in de periode 2003 tot en met 2007. Deze is echter naar -0,4 procent gedaald in de periode 2003 tot en met 2008 door ee n sterke daling van de TW bij de sector financile 9 Hier wordt enkel naar de aanbodzijde gerefereerd 10 Modus jaargang 10, nr. 1 11 Met toegevoegde waarde (TW) wordt de bruto toegevoegde waarde bedoeld

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 44 dienstverle ning en de nutsbedrijven in 2008. In dit ar tikel wordt de verdere ontwikkeling, tot en met 2011, van de TW per werkende in constante prijzen besproken. Definities Arbeidsproductiviteit: de bruto toegevoegde waarde per werkende in constante prijzen (gecorrigeerd voor inflatie). Bruto productie: de omzet plus veranderingen in vo orraden. Voor de handel is dit de handelsmarge (omzet minus de kostprijs van de omzet). Bruto toegevoegde waarde (bruto TW): de bruto pr oducti e minus het intermediaire verbruik. Dit is het inkomen dat beschikbaar is voor de beloning van de productiefactoren, o.a. beloning voor arbeid (van werknemers en zelfstandigen) en afschrijving op productiemiddelen. Constante prijzen: gecorrigeerd voor inflatie. De waarde wordt uitgedrukt in prijzen uit een bepaald moment in het verleden. Indien de prijzen in het verleden lager waren dan in het heden is de waarde in constante prijzen lager dan in lopende prijzen. Intermediair verbruik (intermediaire kosten): de op erationele kosten van het bedrijf, exclusief de lonen en salarissen, sociale lasten en de afschrijvingen. Inbegrepen zijn de kostprijs van de omzet, utiliteitskosten, transportkosten etcetera. Methodologie Het artikel is gebaseerd op data afkomstig van de Nationale Rekeningen (NR) enqute. De NRenqute is een jaarlijks terugkerende enqute waar bij gegevens verzameld worden die informatie verschaffen over de ontwikkeling van de economie. Alle grote bedrijven en instellingen (met 10 of meer werkzame personen) worden elk jaar genqut eerd. Van de kleine bedrijven (met minder dan 10 personeelsleden) wordt een steekproef getrokken. De verkregen data wordt gerangschikt per sector, per bedrijfstak en per grootte (aantal werkenden). In deze vorm wordt de data van kleine bedrijven opgehoogd. De ophogingsfactor wordt bepaald aan de hand van het aantal werkenden bi j kleine bedrijven per sector en per bedrijfstak verkregen uit het Arbeidskrachtenonderzoek12. De data van grote bedrijven word en doorgaans niet opgehoogd. Gegevens die bij de NR-enqute verzameld worden zijn, onder anderen, de omzet, bruto productie, de kostprijs van de omzet, de operationele kosten (o.a. afschrijvingen, lonen en salarissen en sociale lasten en andere operationele kosten zoals het inhuren van arbeidskrachte n, utiliteitskosten en transportkosten) en het aantal werkenden. Uit de bruto productie en een deel van de operationele kosten wordt de bruto toegevoegde waarde per sector en per bedrijfstak afgeleid. 12 De ophoogfactor is het aantal werkenden uit de Arbeidskrachte nonderzoek gedeeld door het aantal werkenden uit de enqute

PAGE 50

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 45 D e data zijn in waarden in constante prijzen omgezet13. Door het ontbreken van een deflator per bedrijfstak14 is de inflatie gebruikt. Uit de bruto toegevoegde waarde in constante prijzen wordt de arbeidsproductiviteit afgeleid, door deze te delen door het aantal werkenden. Arbeidsproductiviteit totale economie In tabel 1 wordt de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit per bedrijfstak en voor de totale economie in de periode 2009 tot en met 2011 weer gegeven. Zowel het niveau als de mutaties in procenten ten opzichte van het voorgaande jaar worden gegeven. Ook worden het gemiddelde niveau en de gemiddelde groei15 per jaar gegeven. De arbeidsproductiviteit voor de totale economie bedroeg ruim 67 duizend ANG in 2009, een stijging van bijna 25 procent vergeleken met 2008. De toen ame in 2009 is voornamelijk te wijten aan de toegenomen arbeidsproductiviteit bij de nutsbedrijven en de sector financile diensten. De arbeidsproductiviteit nam met ruim 85 procent bij de nutsbedrijven en met meer dan 500 procent bij de financile diensten. In 2010 is de arbeidsproductiviteit gedaald met ruim tien procent. Bij de meeste bedrijfstakken is de arbeidsproductiviteit afgenomen maar voornamelij k bij de nutsbedrijven, handelsbedrijven, de financile diensten en de bedrijfstak overige dienstverlening. Ook bij de bedrijfstak transport en communicatie is de arbeidsproductiviteit substantie el gedaald, van 121 duizend ANG in 2009 naar 113 duizend ANG in 2010. Zoals te zien in tabel 1 is de arbeidsproductiviteit in 2011 met bijna 15 procent gedaald. De arbeidsproductiviteit is bij de bedrijfstakken bouw en hotels, restaurants en cafs ruim toegenomen, maar vooral de afname bij de industrile bedrijven, nutsbedrijven en de sector financile diensten hebben voor de daling van de arbeidsproductiv iteit voor de totale economie gezorgd. Gemiddeld is de arbeidsproductiviteit van de to tale economie met bijna twee procent per jaar afgenomen in de periode 2009 tot en met 2011. In de volgende paragraaf worden de ontwikkelingen besproken die geleid hebben tot de genoemde fluctuaties van de arbeidsproductiviteit door de relevante bedrijfstakken uit te lichten. 13 Op basis van de consumentenprijsi ndex (CPI) met oktobe r 2006 als basismaand 14 Een deflator per bedrijfstak zou de arbeidsproductiviteit beter weergeven 15 Betreft een geometrisch gemiddelde

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 46 Tabel 1. Arbeidsproductiviteit per bedrijfstak in c onstante prijzen (x1000 ANG) en mutaties (in %), 2009-2011 2009 2010 2011 Gemiddeld Waarde Mutatie Waarde Mutatie Waarde Mutatie Waarde Mutatie Landbouw, visserij en mijnbouw 32,2 -4,8% 31,3 -2,9% 33,1 5,8% 32,2 -0,7% Industrie a) 50,4 -7,3% 52,9 5,1% 46,8 -11,7% 50,0 -4,9% Nutsbedrijven 274,3 85,3% 202,7 -26,1% 86,3 -57,4% 187,8 -16,5% Bouw 42,8 -4,3% 39,7 -7,2 % 44,6 12,3% 42,4 -0,1% Handel 51,5 2,0% 43,8 -14,8% 41,3 -5,9% 45,5 -6,5% Hotels, restaurants en cafs 32,9 -15,6% 32,1 -2,3% 38,4 19,5% 34,5 -0,5% Transport en communicatie b) 121,1 1,7% 113,1 -6,6% 109,8 -2,9% 114,7 -2,7% Financile diensten c) 232,4 507,7% 182,2 -21,6% 69,4 -61,9% 161,4 22,0% Zakelijke dienstverlening 49,3 -1,2% 46,8 -5,0% 44,4 -5,0% 46,8 -3,7% Onderwijs 47,9 1,4% 47,9 0,0% 46,6 -2,8% 47,5 -0,4% Gezondheidszorg 54,5 0,3% 54,5 0,0% 53,7 -1,5% 54,2 -0,4% Overige dienstverlening d) 47,2 7,5% 39,7 -16,0% 41,2 3,8% 42,7 -2,1% Totale economie e) 67,6 24,8% 60,5 -10,6% 51,5 -14,9% 59,9 -1,7% a) Exclusief de raffinaderij b) Exclusief taxis en buschauffeurs c) Exclusief primaire banken d) Exclusief huishoudelijke hulp e) De arbeidsproductiviteit voor de totale economie is berekend door de som van de bruto TW van a lle bedrijfstakken te delen door de som van aantal werkende n van alle bedrijfstakken Arbeidsproductiviteit per bedrijfstak Zoals in de vorige paragraaf naar voren is gekomen, is er bij enkele bedrijfstakken sprake geweest van substantile toedan wel afname van de arbeidsproductiviteit in de geanalyseerde periode. De fluctuaties van de arbeidsproductiviteit bij deze be drijfstakken wordt hier besproken aan de hand van de ontwikkeling van de bruto productie, het interm ediaire verbruik en de bruto toegevoegde waarde van de betreffende bedrijfstak16. Industrie Zoals te zien in tabel 1, is de arbeidsproductiviteit bij de bedrijfstak industrie in de periode 2009 tot en met 2011 gemiddeld met bijna vijf procent per jaar afgenomen. In 2009 is de arbeidsproductiviteit met ruim zeven procent afgenomen vergeleken met 2008. Tabel 2 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de bruto productie, intermediaire kosten, bruto toegevoegde waarde, aantal werkenden en arbeidsproductiviteit van 2008 tot en met 2011 voor de bedrijfstak industrie. In de tabel is te zien dat de afname in 2009 het gevolg is geweest van een daling van de bruto productie vergeleken met het voorgaande jaar. Ook de intermediaire kosten zijn wat afgenomen. De afgenomen activiteiten zijn vooral afkomstig geweest van een bedrijf dat actief is op het gebied van productie van transportmiddelen. Als gevolg daarvan is de bruto toegevoegde waarde gezakt en zo ook de arbeidsproductiviteit. 16 In constante prijzen

PAGE 52

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 47 In 2 010 is de productie bij hetzelfde bedrijf dat transportmiddelen produceert weer enigszins toegenomen. Hierdoor zijn de bruto productie en de intermediaire kosten bij deze bedrijfstak wat gestegen en zo ook de toegevoegde waarde. Het aantal werkenden is echter gezakt. Deze toegevoegde waarde is dus met een kleiner aantal werkenden gerealiseerd. De arbeidsproductiviteit is in 2010 met vijf procent gesteg en naar bijna 53 duizend ANG. Het jaar 2011 heeft een afname van de arbeidsproduct iviteit gekend. Bij enkele bedrijven zijn de bruto productie en de intermediaire kosten afgenomen en bij andere bedrijven zijn deze toegenomen. Dit heeft uiteindelijk in een toename van de bruto productie en intermediaire kosten voor de bedrijfstak geresulteerd en een daling van de bruto TW. Het aanta l werkenden is echter toegenomen en dus is de arbeidsproductiviteit sterk afgenomen, met zesduizend ANG. Tabel 2. Ontwikkeling arbeidsproductiviteit industrile bedrijven, 2008 2011 (x1000) Aantal werkenden Bruto productie Intermediaire kosten Bruto toegevoegde waarde Arbeidsproductiviteit 2008 2.944 534.520 374.513 160.007 54,4 2009 2.922 502.575 355.367 147.208 50,4 2010 2.834 516.640 366.630 150.010 52,9 2011 2.930 521.577 384.558 137.019 46,8 Nutsbedrijven Bij de nutsbedrijven is de arbeidsproductiviteit gemiddeld met ruim 16 procent per jaar afgenomen in de periode 2009 tot en met 2011 (zie tabel 1). Tabel 3 geeft het niveau van de relevante variabelen voor de bedrijfstak nut weer. In 2009 is de bruto productie gestegen vergeleken met 2008, terwijl de intermediaire kosten sterk zijn afgenomen. Hierdoor is de bruto toegevoegde waarde sterk toegenomen wat een stijging van de arbeidsproductiviteit impliceert. In 2010 zijn de bruto productie en de intermediair e kosten toegenomen. De intermediaire kosten zijn echter sterker toegenomen dan de bruto productie, waardoor de bruto toegevoegde waarde lager is geweest. De arbeidsproductiviteit is in 2010 met 26 procent afgenomen. In het jaar 2011 is de bruto productie wat gezakt maar de intermediaire kosten verder gestegen, waardoor de bruto toegevoegde waarde afgenomen is. De arbeidsproductiviteit is dus sterk gedaald, naar iets meer dan 86 duizend ANG. De intermediaire kosten in deze bedrijfstak zijn sterk afhankelijk van de prijzen van brandstof die als grondstof dient voor de productie. De fluctuaties in de intermediaire kosten zijn voornamelijk het gevolg van fluctuerende brandstofprijzen: deze zijn in 2009 sterk afgenomen, maar in 2010 en 2011 sterk toegenomen17. 17 Een deflator per bedrijfstak zou deze fluctuaties elimineren

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 48 Tabel 3. Ontwikkeling arbeidsproductiviteit nutsbedrijven, 2008 2011 (x1000) Aantal werkenden Bruto productie Intermediaire kosten Bruto toegevoegde waarde Arbeidsproductiviteit 2008 726 473.769 366.319 107.449 148,0 2009 726 498.996 299.886 199.110 274,3 2010 708 527.297 383.794 143.502 202,7 2011 711 498.358 437.000 61.358 86,3 Bouw In tabel 4 kan de ontwikkeling van de relevante variabelen voor de bedrijfstak bouw in de geanalyseerde periode gevolgd worden. Zowel de bruto productie als de intermediaire kosten zijn in 2009 toegenomen vergeleken met 2008. Ook de bruto toegevoegde waarde is gestegen. Deze toegevoegde waarde is wel met aanzienlijk meer werkenden gerealiseerd. Per werkende is dus minder geproduceerd. De arbeidsproductiviteit is dus in 2009 lager geweest dan het jaar ervoor. In 2010 is de arbeidsproductiviteit wederom verminderd, en wel met drieduizend ANG. Deze daling is het gevolg van een wat lagere toegevoegde waarde die gerealiseerd is met een hoger aantal werkenden vergeleken met 2009. Zowel de bruto prod uctie als de intermediaire kosten zijn in 2010 afgenomen door, in het bijzonder, afgenomen acti viteiten bij de wegenbouwmaatschappijen. Bij aannemers zijn de activiteiten wel enigszins toeg enomen. Dit verklaart grotendeels de toename van het aantal werkenden in 2010. Het jaar 2011 heeft een stijging van de arbeidsproductiviteit van bijna vijfduizend ANG bij deze bedrijfstak gekend. Het aantal werkenden is in 2011 sterk gedaald en de bruto productie is wat toegenomen met vrijwel gelijkblijvende intermediaire kosten, waardoor de bruto toegevoegde waarde gestegen is. De toenames in 2011 zijn over wegend het gevolg van toegenomen activiteiten bij n bouwbedrijf geweest. Bij de andere bedrijven zijn de activiteiten in 2011 vrijwel gelijk gebleven aan 2010. Tabel 4. Ontwikkeling arbeidsproductiviteit bouwbedrijven, 2008 2011 (x1000) Aantal werkenden Bruto productie Intermediaire kosten Bruto toegevoegde waarde Arbeidsproductiviteit 2008 5.354 590.697 351.261 239.436 44,7 2009 5.919 644.653 391.412 253.240 42,8 2010 6.126 622.059 378.759 243.300 39,7 2011 5.687 632.834 379.254 253.580 44,6

PAGE 54

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 49 Handel Bij de bedrijfstak handel is de arbeidsproduct iviteit gemiddeld met ruim zes procent per jaar afgenomen in de periode 2009 tot en met 2011 (zie tabel 1). Tabel 5 geeft de ontwikkeling weer van het aantal werkenden, de bruto productie, interm ediaire kosten, bruto toegevoegde waarde en de arbeidsproductiviteit in constante prijzen in de periode 2008 tot en met 2011 voor de bedrijfstak weer. Zoals te zien in de tabel 5, is de arbeidsproductiv iteit in 2009 licht toegen omen vergeleken met 2008. Deze toename was het gevolg van een stijging van de bruto toegevoegde waarde, wat gerealiseerd is met een groter aantal werkenden. De toename van de bruto toegevoegde waarde is het gevolg van een toename van de bruto productie en een lichte st ijging van de intermediaire kosten. De hogere bruto productie en bruto toegevoegde waarde zijn voornamelijk het gevolg van toename bij een groot bedrijf in bouwartikelen geweest. In 2010 is de arbeidsproductiviteit bij handel sterk gedaald, met bijna achtduizend ANG per werkende. Het aantal werkenden bij de bedrijfstak is sterk toegenomen. De bruto productie is lager geworden bij enkele grote bedrijven en de intermed iaire kosten zijn toegenomen. De toename van de kostprijs is voornamelijk het geval geweest bij een groothandelaar in gespecialiseerde producten, bij een hogere bruto productie. Enkele autohandelaren hebben positieve ontwikkelingen in de verkoop gezien. Dit is ook het geval voor een grote supermarkt en enkele bedrijven in de vrije zone geweest. Per saldo is de bruto toegevoegde waarde afgenomen. Deze lagere toegevoegde waarde is met een hoger aantal werkenden gerealiseerd. De arbeidsp roductiviteit is dus afgenomen vergeleken met 2009. In 2011 zijn de bruto productie en de inte rmediaire kosten gezakt. Voornamelijk kleine handelsbedrijven hebben lagere bruto productie en intermediaire kosten gehad. Bij een groothandelaar in gespecialiseerde producten en bij enkele bedrijven in de vrije zone zijn de bruto productie en de kosten toegenomen. Voor de gehele bedrijfstak geldt echter dat de kosten minder sterk zijn afgenomen dan de bruto productie, w aardoor de bruto toegevoegde waarde verder is gedaald. Het aantal werkenden is toegenomen. Er is dus per werkende minder geproduceerd in 2011 dan in 2010. Tabel 5. Ontwikkeling arbeidsproductiviteit handelsbedrijven, 2008 2011 (x1000) Aantal werkenden Bruto productie Intermediaire kosten Bruto toegevoegde waarde Arbeidsproductiviteit 2008 9.857 842.190 344.454 497.736 50,5 2009 9.983 863.944 349.978 513.966 51,5 2010 10.592 822.130 357.769 464.361 43,8 2011 10.824 792.506 345.892 446.615 41,3 Hotels, restaurants en cafs De ontwikkeling voor de bedrijfstak hotels, restaurant s en cafs is weergegeven in tabel 6. Hier blijkt dat het aantal werkenden in 2009 is toegenomen en dat de bruto productie en de intermediaire kosten gestegen zijn. Door de sterkere stijging van de ko sten is de bruto toegevoegde waarde afgenomen. Bij

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 50 de meeste hotel s is de bruto productie en de br uto toegevoegde waarde afgenomen. De toename in aantal werkenden, bruto productie en intermediaire kosten is voornamelijk het gevolg geweest van de opening van een nieuw hotel. De arbeidsproductiv iteit is dus met ruim 15 procent gedaald in 2009 in vergelijking tot 2008. Tabel 6. Ontwikkeling arbeidsproductiviteit horecabedrijven, 2008 2011 (x1000) Aantal werkenden Bruto productie Intermediaire kosten Bruto toegevoegde waarde Arbeids-productiviteit 2008 4.360 418.459 248.646 169.813 39,0 2009 4.631 423.603 271.312 152.290 32,9 2010 4.729 416.366 264.478 151.888 32,1 2011 4.816 457.346 272.538 184.808 38,4 Het jaar 2010 heeft een daling van de bruto produc tie en de intermediaire kosten gekend. Bij een aantal hotels is de bruto productie toegenomen en bij andere is deze gedaald. De bruto toegevoegde waarde is vrijwel gelijk gebleven maar het aantal werkenden is toegenomen. Dit laatste is grotendeels het gevolg van de opening van nog een nieuw hotel in 2010. De toename in aantal werkenden bij een vrijwel gelijkblijvende toegevoegde waarde implic eert een daling van de arbeidsproductiviteit in 2010. In 2011 is het aantal werkenden verder gestegen. Oo k de bruto productie en de intermediaire kosten zijn in 2011 toegenomen. Zowel bij kleine als grot e bedrijven zijn de activiteiten toegenomen. Dit resulteerde in een stijging van de bruto toegevoegd e waarde. De arbeidsproductiviteit is in 2011 dus toegenomen met ruim zesduizend ANG, bijna 20 procent. Transport en communicatie Bij transport en communicatie is de arbeidsproduct iviteit gemiddeld met bijna drie procent per jaar gezakt in de geanalyseerde periode (zie tabel 1). In 2009 is de arbeidsproductiviteit met bijna twee procent toegenomen. De ontwikkeling per jaar van rele vante variabelen is te zien in tabel 7. Hieruit kan worden afgeleid dat de bruto productie en de intermediaire kosten in 2009 toegenomen zijn. De bruto productie is echter sterker toegenomen da n de intermediaire kosten, waardoor de bruto toegevoegde waarde gestegen is. Deze ontwikkeling komt voornamelijk door de lokale luchtvaartmaatschappijen. In 2010 is de arbeidsproductiviteit echter afgenomen, met bijna zeven procent. Het aantal werkenden is sterk toegenomen, zo ook de bruto productie en de intermediaire kosten. De toename in aantal werkenden en bruto productie komt deels door toegenomen activiteiten bij de lokale luchtvaartmaatschappijen. Ook bij een groot bedrijf in de sub-bedrijfstak posten koeriersdiensten is het aantal werkenden, de bruto productie en, in verband met dit laatste, de intermediaire kosten gestegen in 2010. Per 2010 is een nieuwe codering voor bedrijfstakken ingevoerd waarbij radioen televisiebedrijven, die voorheen onder de bedrijfsta k overige dienstverlening vielen, bij communicatie zijn ondergebracht. Dit verklaart verder de toename in aantal werkenden, bruto productie,

PAGE 56

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 51 intermediaire kosten en bruto toegevoegde waarde. De bruto toegevoegde waarde is minder sterk gestegen vergeleken met het aantal werkenden. Per werkende is achtduizend ANG minder geproduceerd. Tabel 7. Ontwikkeling arbeidsproductiviteit transport en communicatie, 2008 2011 (x1000) Aantal werkenden Bruto productie Intermediaire kosten Bruto toegevoegde waarde Arbeids-productiviteit 2008 3.081 869.855 503.064 366.791 119,1 2009 3.167 896.792 513.299 383.493 121,1 2010 3.748 1.049.099 625.338 423.761 113,1 2011 3.857 1.073.080 649.546 423.534 109,8 In 2011 is het aantal werkenden weer wat toegenomen De bruto productie en de intermediaire kosten zijn ook enigszins gestegen maar de bruto toegevoegde waarde is nauwelijks veranderd. Bij de lokale luchtvaartmaatschappijen en een dienstverlener voor vervoer zijn de bruto productie, intermediaire kosten en toegevoegde waarde toegenomen. Bij een bedrijf met activiteiten in posten koerierdiensten zijn de intermediaire kosten to egenomen en de toegevoegde waarde afgenomen. Voor de bedrijfstak geldt dat per werkende ie ts minder dan 110 duizend ANG is geproduceerd vergeleken met 113 duizend ANG in 2010. Financile diensten De ontwikkeling van de relevante va riabelen voor de sector financi le diensten in de geanalyseerde periode is weergegeven in tabel 8. In 2009 is de arbeidsproductiviteit bij de sector financile diensten meer dan verzesvoudigd vergeleken met 2008. Door de wereldwijde financile crisis zijn de beleggingsopbrengsten uit het buitenland in 2008 enorm gezakt wat tot een sterke daling van de arbeidsproductiviteit heeft geleid. Bij de verzekeringsmaatschappijen is de situatie in 2009 genormaliseerd. De bruto productie heeft het niveau va n vr de financile cris is bereikt. De overige financile instellingen hebben echter nog een nasleep van de economische crisis gevoeld en er is sprake geweest van een achteruitgang van bruto produc tie. Voor de sector als geheel geldt echter dat het aantal werkenden in 2009 licht afgenomen is, de bruto productie sterk is toegenomen en het intermediaire verbruik gedaald. Hierdoor is de toegevoegde waarde flink toegenomen. De arbeidsproductiviteit is dus toegenomen naar ruim 232 duizend ANG per werkende. Vergeleken met 2009, is de toegevoegde waarde in 2010 afgenomen. Deze af name is het gevolg van lagere beleggingsinkomsten uit zowel binnenals buitenland geweest waardoor de bruto productie is afgenomen. Voornamelijk pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen hebben een achteruitgang getoond. Het aantal werkenden en de intermediaire kosten zijn wat gestegen. De arbeidsproductiviteit is dus gedaald vergeleken met het jaar ervoor. In 2011 is de bruto productie verder afgenomen door weer lagere beleggingsinkomsten uit binnenen buitenland. Daarnaast zijn de uitkeringen bij pe nsioenfondsen toegenomen, wat een toename van de intermediaire kosten heeft betekend. Hierdoor is de bruto toegevoegde waarde sterk gedaald. Het aantal werkenden is echter toegenomen wat een lage re arbeidsproductiviteit, iets minder dan 70 duizend ANG, heeft gempliceerd in 2011 vergeleken met 2010.

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 52 Tabel 8. Ontwikkeling arbeidsproductiviteit financile diensten, 2008 2011 (x1000) Aantal werkenden Bruto productie Intermediaire kosten Bruto toegevoegde waarde Arbeids-productiviteit 2008 2.792 724.918 618.125 106.793 38,2 2009 2.736 1.117.384 481.450 635.934 232,4 2010 2.912 1.031.477 500.899 530.579 182,2 2011 3.193 838.674 617.036 221.639 69,4 Overige dienstverlening Tabel 9 geeft de ontwikkeling van het aantal werkende n, de bruto productie, de intermediaire kosten, de bruto toegevoegde waarde en de arbeidsproductiv iteit weer van de bedrijfstak overige diensten in de periode 2008 tot en met 2011 weer. Bij deze bedrijfs tak is de arbeidsproductiviteit in 2009 met iets meer dan drieduizend ANG gestegen vergeleken me t 2008. De bruto productie is wat toegenomen, maar de intermediaire kosten zijn gezakt. Dit is het geval bij verschillende bedrijven in deze bedrijfstak geweest. De bruto toegevoegde waarde is wat toegenomen. Deze hogere toegevoegde waarde is met een lager aantal werkenden gerealiseer d. De arbeidsproductiviteit is dus toegenomen. In 2010 zijn de bruto productie en het intermediaire verbruik aanzienlijk afgenomen. Het aantal werkenden is echter wat toegenomen, desondanks de afname van de toegevoegde waarde. De arbeidsproductiviteit is dus flink gezakt. De afname van de bruto productie, het intermediaire verbruik en de toegevoegde waarde is het gevolg van introductie van een andere codering voor de indeling van bedrijfstakken geweest. Hierdoor zijn enkele bedrijven die voorheen onder deze bedrijfstak vielen in 2010 bij andere bedrijfstakken onderverdeeld: radioen televisiebedrijven zijn naar transport en communicatie overgebracht en vi deotheken naar zakelijke diensten (verhuur). Bij de bedrijven die overgebleven zijn, zijn het aan tal werkenden, de bruto productie en de bruto toegevoegde waarde in 2010 licht toegenomen vergeleken met 2009. Het jaar 2011 heeft een lichte toename van de bruto productie laten zien, maar lagere intermediaire kosten. De toegevoegde waarde is hierdoor toegenomen. Dit is de ontwikkeling bij enkele casinos en een bedrijf in de sub-bedrijfstak culturele activi teiten geweest. Bij een ander bedrijf in de subbedrijfstak culturele activiteiten is de bruto pr oductie toegenomen maar de intermediaire kosten afgenomen. De arbeidsproductiviteit bij de bedrijfstak is licht gestegen vergeleken met 2010. Tabel 9. Ontwikkeling arbeidsproductiviteit overige dienstverlening, 2008 2011 (x1000) Aantal werkenden Bruto productie Intermediaire kosten Bruto toegevoegde waarde Arbeids-productiviteit 2008 2.845 296.866 171.955 124.911 43,9 2009 2.819 303.501 170.384 133.117 47,2 2010 2.892 257.565 142.863 114.702 39,7 2011 3.016 264.129 139.972 124.157 41,2

PAGE 58

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 53 Conclusie De arbeidsproductiviteit is een instrument om het gemiddelde aantal goederen of diensten geproduceerd door een individu te meten. Voor de gehele Curaaose economie geldt dat de arbeidsproductiviteit in 2009 toegenomen is. In 20 10 en 2011 is de arbeidsproductiviteit voor de gehele economie echter afgenomen. Gemiddeld genomen is de arbeidsproductiviteit in de geanalyseerde periode met 1,7 procent per jaar gedaald. Vooral de nutsbedrijven en de se ctor financile diensten hebben in 2009 bijgedragen aan de toename van de arbeidsproductiviteit. Bij de nutsbedrijven is de arbeidsproductiviteit met ruim 85 procent gestegen en bij de sector financile diensten is de arbeidsproductiviteit meer dan verzesvoudigd. In 2010 zijn voornamelijk de bedr ijfstakken nut, handel en overige diensten en de sector financile diensten verantwoordelijk geweest voor de daling van de arbeidsproductiviteit voor de gehele economie. De arbeidsproductiviteit is bij de nutsbedrijven met 26 procent afgeno men. Bij handel is de productiviteit met bijna 15 procent afgenomen en bij de overige diensten met zestien procent. De sector financile diensten heeft in 2010 een afname van de arbeidsproductiviteit van ruim 21 procent gekend. Wanneer gekeken wordt naar het absolute niveau va n de productiviteit, kan gesteld worden dat ook de bedrijfstak transport en communicatie bijgedragen heeft aan de daling van de arbeidsproductiviteit voor de totale economie in 2010. De arbeidsproductiviteit bij transport en communicatie is afgenomen van iets meer dan 121 duizend ANG na ar iets meer dan 113 duizend ANG, een afname van bijna zeven procent. In het jaar 2011 waren wederom de nutsbedrijven en de sector financile diensten de voornaamste verantwoordelijken voor, dit keer, een daling van de arbeidsproductiviteit. Bij de nutsbedrijven is de arbeidsproductiviteit met ruim 57 procent gezakt en bij de financile diensten met bijna 62 procent.

PAGE 59

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 54

PAGE 60

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 55 De effecten van demografische ontwikkelingen op het onderwijs Carlien de Witt Hamer Inleiding In dit artikel worden de effecten beschreven die de demografische ontwikkelingen van de periode 1997-2001 hebben gehad op de leerling populatie in het onderwijs. Er wordt met name gekeken naar de omvang van de leerling populatie vanaf 2002 en de verschuivingen die daarin hebben plaatsgevonden in het funderend onderwijs en het voortgezet onderwijs Centraal staan de componenten geboorte en migratie. Sterfte is voor deze leeftijdscategorie een te geringe factor en wordt als component buiten beschouwing gelaten. De data die gebruikt zijn voor wat betreft de leerlinge naantallen zijn afkomstig van de bijzondere schoolbesturen en van de Dienst Openbare Scholen.18 De schoolbesturen zijn wettelijk verplicht om het aantal ingeschreven leerlingen op de van overheidswege bekostigde scholen p er peildata 1 september, 1 december, 1 maart en 1 juni van elk schooljaar in te dienen bij het Ministerie va n Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport (OWCS). Deze verplichting geldt ook voor de niet gedocumenteerde leerlingen.19 Het aantal geboortes is de belangrijkste indicatie voor toekomstige aantallen leerlingen. In de eerste paragraaf van dit artikel wordt de ontwikkeling van het aantal geboortes behandeld. In de tweede paragraaf worden de effecten van migratie op de totale bevolking en op de specifieke categorien van 5 -19 jarigen20 gepresenteerd. Bij een positieve netto migr atie (het verschil tussen immigratie en emigratie)neemt het aantal inwoners toe, bij een negatieve netto migratie neemt het aantal inwoners af. Vervolgens worden de effecten van deze ontwikkelinge n op de leerling populatie in het onderwijs behandeld, zowel op de populatie in het funderend onderwijs en op de populatie in het voortgezet onderwijs. Centraal in deze analyse is het aantal geboortes vanaf het jaar 1998 en het aantal schoolgaande kinderen vanaf schooljaar 2002-2003. Ter illustratie. De kinderen die in de maanden januari tot augustus 1998 werden geboren, gingen in augustus 2002 voor het eerst naar school. Dit was tevens de eerste lichting leerlingen van het funderend onderwijs (FO), dat met ingang van het schooljaar 2002 2003 werd ingevoerd. Deze zelfde lichting stroomde per schooljaar 2010-2011 door naar het voorgezet onderwijs (VO). De leerlingen die doorgestroomd 18 Het aantal leerlingen dat op priv schol en staat ingeschreven wordt in dit artikel buiten beschouwing gelaten. 19 Dit betekent dat er meer leerlingen ingeschreven staan op scholen dan er ingeschreven zijn bij het bevolkingsregister; ook niet gedocumenteer de kinderen zijn leerplichtig 20 Hoewel de leerplicht begint op 4-jarige leeftijd en eindigt na afloop van het schooljaar waarin een leerling de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, worden voor dit artikel de intern ationaal gehanteerde statistis che categorien gebruikt.

PAGE 61

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 56 zijn naar het voorbereidend secund air beroepsonderwijs (V SBO) en het onderwijs zonder zittenblijven hebben doorlopen, hebben in het schooljaar 2014-2015 examen gedaan. De leerlingen die doorgestroomd zijn naar het hoger algemeen vorm end onderwijs (HAVO) zullen in het schooljaar 2015-2016 examen doen. De leerlingen die doorgestroomd zijn naar het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (VWO) zullen in het schooljaar 2016-2017 examen doen. In de vierde paragraaf wordt een uitgebreide prog nose gegeven van wat we de komende jaren kunnen verwachten aan toename en/of afname van de leerlingenp opulatie aan de hand van de vijf varianten die zijn uitgewerkt in de Population Projections 2010-205021. Het artikel wordt afgesloten met een conclusie. Het aantal geboortes tussen 1990 2014 Het aantal geboortes is de belangrijkste indicator voor het aantal kinderen dat bij het bereiken van de leerplichtige leeftijd het onderwijs instroomt. In figuur 1 wordt aangegeven wat de ontwikkelingen zijn geweest rondom het aantal geboortes vanaf 1990 tot 2014. Deze periode word t ruim genomen, bijna 25 jaar omdat daarmee aangetoond kan worden welke structurele veranderingen zich he bben voorgedaan, waarbij met name de emigratie golf van eind jaren 90 grote gevolgen heeft geha d voor het aantal geboortes en voor de leerling populatie in het funderend en in het voortgezet onderwijs. Figuur 1. Bron: CBS 21 Ter Bals, M. (2015), Population Projections 20152050 CBS.

PAGE 62

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 57 Z oals figuur 1 laat zien, is het aa ntal geborenen in de periode 1996 tot en met 1999 zeer drastisch afgenomen. Voor 1996 was sprake van een vrij stabiele 3.000 levend geborenen per jaar maar in de daarop volgende jaren is dit aantal jaarlijks sterk afgenomen. Pas na 1999 is er weer sprake van een meer stabiel aantal van rond de 1.900 levend gebo renen per jaar, met een absoluut dieptepunt van 1.709 levend geborenen in het jaar 2004. Migratie Hoewel de migratie in de periode 1998 tot 2014 een wisselende maar substantile toename van de bevolking heeft veroorzaakt is de netto migratie van kinderen in de leeftijd van 4 tot 19 jaar niet voldoende om het dalende aantal geborenen rondom het jaar 1998 te compenseren. In tabel 1 zijn de netto migratiecijfers, het verschil tussen emigratie en immigratie, opgenomen voor de totale bevolking. Duidelijk zichtbaar is dat de afname van de geboortecohorten (en de toename van de sterftecijfers) door de netto migratie worden gecompenseerd. Door deze compensatie is er vanaf 2002 weer sprake van een gestage bevolkingsgroei die heeft geresulteerd in een totaal van 154.846 inwoners in 2014. Bron: CBS De groei van de totale bevolking die zich gemanifesteerd heeft vanaf 2002 heeft invloed gehad op het aantal 5-19 jarigen en op de leerlingenpopulatie.

PAGE 63

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 58 5-9 jarigen 10-14 jarigen Subtotaal 5-14 jarigen 15-19 jarigen Totaal 5-19 jarigen 1998 -434 -373 -807 -687 -1494 1999 -557 -423 -980 -875 -1855 2000 -644 -536 -1180 -1048 -2228 2001 -401 -287 -688 -802 -1490 2002 6 -89 -83 -527 -610 2003 186 145 331 -226 105 2004 201 154 355 -228 127 2005 308 234 542 -68 474 2006 229 225 454 -71 383 2007 173 141 314 -220 94 2008 94 67 161 -404 -243 2009 28 -37 -9 -439 -448 2010 0 3 3 -414 -411 2011 113 51 164 -408 -244 2012 66 9 75 -405 -330 2013 66 58 124 -292 -168 2014 183 130 313 -245 68 Bron: CBS Tabel 2 toont dat het accent van migr atie binnen de categorie van 5 -19 jarigen in de meeste jaren ligt bij de 15 19 jarigen. Het aantal personen dat vertrekt is in deze categorie van 15-19 jarigen jaarlijks aanmerkelijk hoger dan het aantal personen dat zich vestigt. In de leeftijdscohorten 5-9 en 10-14 is er na 200 2 sprake van een vestigingsoverschot. Maar ook in deze categorien is de toename van de bevolking per leeftijdscohort tot het jaar 2014 te gering om de afgenomen bevolking, ontstaan door de daling in de geboorte cohorten in de jaren 1996-1999 te compenseren. Het hoogste vestigingsoverschot onder de 5-9 jarigen is 308 in 2005, een gemi ddelde van 77 kinderen per leeftijd. Het hoogste vestigingsoverschot onder de 10-14 jarigen is 234 in 2005, een gemiddelde van 58,5 kinderen per leeftijd. Als uitsluitend wordt gekeken naar de netto migratiecijfers voor de hele categorie van 5-19 jarigen dan variren deze van een vertrekoverschot van2.2 28 personen in 2000, een vestigingsoverschot van 474 personen in 2005, tot een vertrekoverschot van 11 personen in 2014. Tabel 2. Netto Migratie van 5-19 jarigen

PAGE 64

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 59 Effecten van de demografische ontwikkelingen op de leerlingenpopulatie Het dalend aantal geboorte en de geringe co mpensatie door migratie hebben hun sporen achtergelaten in de onderwijspopulatie vanaf het schooljaar 2002/2003. Bron: Ministerie van OWCS Tabel 3 geeft het totale overzicht van de leerling populatie vanaf schooljaar 2002-2003 tot schooljaar 2014-2015. Per schooljaar 2002-2003 werd het funderend onderwijs (FO) ingevoerd. In datzelfde jaar werd het voorbereidend secundair beroeps onderw ijs (VSBO) en het hoger algemeen vormende onderwijs / voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (HAVO/VWO) nieuwe stijl ingevoerd. Het FO is in de plaats gekomen van het voormalige kleuteren basisonderwijs, het VSBO is in de plaats gekomen van het voormali ge middelbaar algemeen vormend onderwijs (MAVO) en het lager beroepsonderwijs (LTS en BVO). De nieuwe stijl bij het HAVO/VWO betrof de invoering van het profielen onderwijs. 22 In het funderend onderwijs is het aantal leerlingen in de periode 2002 tot 2013 gestaag gedaald van 21.741 leerlingen tot 17.967 leerlingen een daling van ruim 17 procent. In 2014 is er voor het eerst weer sprake van een zeer geringe toename. Het aantal leerlingen in het voorbereidend secundai r beroeps onderwijs (VSBO) is gedaald van 8.249 in 2002 tot 7.824 leerlingen in 2014, een daling van 424 leerlingen. Tot 2007-2008 is er nog sprake van een toename van het aantal leerlingen, op grond van het hogere aantal geboor tes van de eerste helft van de jaren De daling in het VSBO heeft zich heel duidelijk ingezet vanaf het jaar 2010, het jaar waarin de eerste lichting van het FO is ingestroomd in het voortgezet onderwijs. Tussen 2010 (8.711 leerlingen) en 2014 (7.824 leerlingen) is er sprake van een daling van 10 procent in het aantal leerlingen. 22 Hoewel de invoering van deze vernieuwingen cohortegewijs heeft plaatsgevonden worden in tabel 4 al vanaf schooljaar 2002-2003 de nieuwe benamingen gebruikt.

PAGE 65

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 60 Een kanttekening moet gemaakt word en bij het aantal leerlingen da t arbeidsgericht onderwijs (AGO) volgt, een afdeling binnen VSBO die niet diplomagericht is. Dit aantal is gestegen van 545 leerlingen in 2002 tot 926 leerlingen 2014.23 Voor het hoger algemeen vormend onderwijs (H AVO) en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (VWO) is een soortgelijke ontwikkeling gaande en is er spra ke van een substantile stijging van het aantal leerlingen van 2.672 in 2002 tot 3.450 in 2010. Bij het HAVO/VWO neemt het aantal leerlingen sinds 2010 echter ook af tot 3.020 in 2014, een daling van 12,5 porcent. Figuur 2. Totaal aantal leerlingen:Afname / Toename 5.000 10.000 15.000 20.000 25.000 30.000 35.00020 01/ 20 02 2002/2003 2003/2004 2004/20 05 20 05/ 20 06 2006/2007 2007/2008 2008/20 09 20 09/ 20 10 20 10/2011 2011/2012 2012/20 13 2013/20 14 20 14/2015 Havo / VWO VSBO/AGO FO Figuur 2 geeft een duidelijk beeld van de ontwikkelingen van de leerlingenpopulatie in de periode 2002 tot 2014, waarbij vooral de daling van het aantal leerlingen in het funderend onderwijs significant is. Opvallend is dat de daling van het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs zich niet in dezelfde mate heeft gemanifesteerd als in het funderend onderwijs. Dit is voornamelijk het gevolg van de leerplicht en de stringentere handhaving daarvan, waardoor leerlingen meer mogelijkheden worden geboden om een diploma te behalen en meer jaar voortgezet onderwijs volgen dan de nominale studieduur. 23 De oorzaak van deze stijging vereist nader onderzoek: het aantal leerlingen in het Funderend Speciaal Onderwijs is in dezelfde periode gedaald, van 1.245 leerlingen in 2002 tot 1.156 leerlingen in 2014.

PAGE 66

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 61 Prognose van de afname / toenam e van de leerlingenpopulatie tussen 2015 en 2050 De ontwikkeling van de leerlingenpopulatie heeft gevolgen voor het onderwijs en in het bijzonder voor het aantal benodigde leerkrachten en docenten. Daarnaast heeft het gevolgen voor het aantal scholen en het aantal benodigde lokalen en overige voorzieningen. Om een beeld te kunnen krijgen van de mogelijke ve rschuivingen in de leer lingenpopulatie tussen 2015 en 2050 wordt gebruik gemaakt van het onderzoek dat door het CBS is uitgevoerd en dat werd gepubliceerd onder de naam Populations Projection 2015-2050. Dit onderzoek gaat uit van een projectie van de groei en/of afname van de bevolking bij verschillende varianten die gebaseerd zijn op een combinatie van aannames op het gebied van vruchtbaarheid (geboortecijfers), migratie (immigratie en emigratie) en levensverwachting (sterftecijfers). De varianten die in die onderzoek zijn gebruikt, zijn de volgende: Standaard migratie : In deze variant berust de prognose op de positieve, maar langzaam afnemende, netto migratie in combinatie met een positieve natuurlijke groei (aantal geboortes minus het aantal sterftes). Dit zal een verwacht e groei van de bevolking veroorzaken tot een maximum in 2040. Daarna zal de bevolking weer gestaag afnemen door een negatieve natuurlijke groei die zich vanaf 2013 zal manifesteren. Dit als gevolg van de afname van de vruchtbaarheid en het gemiddelde aantal kinderen per vrouw. Constante vruchtbaarheid : In deze variant berust de pr ognose op dezelfde aannames ten aanzien van migratie en natuurlijke groei als in de standaard migratie variant, maar blijft de vruchtbaarheid constant op een gemiddelde van 2,1 kind per vrouw gedurende de gehele periode. In deze variant blijft de bevolking naar verwachting toenemen tot 2045 om vervolgens weer licht af te nemen. Hoge immigratie: In deze variant berust de prognose op een hoog positief netto migratie scenario, gecombineerd met dezelfde aannames die gebruikt zijn in de standaard migratie variant voor wat betreft vruchtbaarheid en natuurlijke groei van de bevolking. In deze variant zal de bevolking blijven toenemen tot 2050. Emigratie golf: Deze variant berust op een prognose waarbij sprake is van een soortgelijke economische crisis als die in de periode 1998-200 1 heeft geleidt tot een grote emigratie golf en de daarmee gepaard gaande afname van de bevolking. Dezelfde aannames als in de standaard migratie variant zijn gebruikt, met uitzondering van de periode 2020-2025 waarin de emigratiegolf van 1998-2001 werd geprojecteerd. Geen migratie : Deze laatste variant tenslotte berust op een prognose waarbij dezelfde aannames zijn gehanteerd voor wat betreft natuur lijke groei en vruchtbaarheid, maar zonder dat er migratie plaatsvindt. Hoewel deze varian t niet als realistisch is bedoeld, geeft zij wel inzicht i de invloed van migratie op de ontwikke ling van de bevolking. Deze variant toont de

PAGE 67

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 62 lang zame groei tot 2030 en de langzame afname daarna, en laat daarmee zien wat de effecten zijn van de aannames rondom migratie bij de andere varianten. Bron: CBS Tabel 4 geeft een overzicht van prognose per variant in de periode 2015-2050. Omdat iedere variant uitgaat van specifieke aan names, gebaseerd op een combinatie van de componenten vruchtbaarheid (geboortecijfers), migrat ie en levensverwachting (sterftecijfers) ,is een algemene conclusie niet te trekken. Bij alle gepresenteerde projecties zal de totale be volking tot 2020 toenemen. Na 2020 zal de bevolking blijven toenemen tot 2030 in de geen migratie variant, tot 2040 in de standaard migratie variant, tot 2045 in de constante vruchtbaarheid variant en tot 2050 in de immigratie variant. Behalve als er sprake zal zijn van een emigratiegolf zal de totale bevolking naar verwachting al vanaf 2020 afnemen. In 2045 is er weer een duidelijk keerpunt, omdat va naf 2045 de totale bevolking ook in de variant h oge immigratie naar verwachting zal gaan afnemen. In tabel 5 is per variant aangegeven wat de prognose is voor het aantal personen in de leeftijd 5-9 jarigen, 10-14 jarigen en 15-19 jarigen.

PAGE 68

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 63 Voor de leeftijdscategorie 5-19 jaar die centraal st aat in dit artikel en voor de leerlingenpopulatie in het funderend en in het voorgezet onderwijs zal de toename van het aantal leerlingen zich naar verwachting alleen manifesteren bij de varianten constante vruchtbaarheid en hoge immigrati e. Bij alle andere geprojecteerde varianten zal het aantal 5-19 jarigen verder afnemen. Deze afname zal zeer drastisch zijn in het geval dat er sprake zou zijn van een emigratie golf

PAGE 69

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 64 Figuur 3. T oename / afname 5 19 jarigen bij de variant standaard migratie. In figuur 3 zijn de geprojecteerde ontwikkelinge n binnen de categorie 519 jarigen bij de variant standaard migratie duidelijk zichtbaar. De groep van 5-9 jarigen binnen deze categorie zal naar verwachting de eerste 20 jaar iets toenemen, om dan na 2035 weer substantieel af te nemen. De groep van 10-14 jarigen geeft een soortgelijk beeld. Het totaal aantal van 5-19 jarigen zal echter naar verwachting in 2050 (26.261) lager zijn dan in 2015 (30.327) omdat het aantal 15-19 jarigen gestaag blijft afnemen. Een projectie naar de leerlingenpopulatie, gerekend vanaf schooljaar 2014/2015 (28.876), zou in deze variant naar verwachting een verdere afname van het aantal leerlingen betekenen. 0 5000 10000 15000 20000 25000 30000 35000 40000 2015 2020 2025 2030 2035 2040 2045 2050 15--19 10--4 1 5--9

PAGE 70

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 65 Figu ur 4. Toename / afname 5-19 jarigen bij de variant constante vruchtbaarheid. Figuur 4 geeft een wisselend beeld van toename en afname van de bevolking van 5-19 jarigen bij constante vruchtbaarheid met een piek in 2035 veroorzaakt door een toename van het aantal 5-14 jarigen. De groep van 15-19 jarigen laat in eerste instantie een afname zien tussen 2015 en 2025, om vervolgens weer toe te nemen tot 2040. Na 2 040 wordt opnieuw een daling ingezet tot 2050. Uiteindelijk zal naar verwachting het aantal 5-19 jarigen zijn toegenomen van 30.327 in 2015 tot 31.219 in 2050 in de variant constante vruchtbaarheid 0 5000 10000 15000 20000 25000 30000 35000 40000 2015 2020 2025 2030 2035 2040 2045 15--19 10--4 1 5--9 2050

PAGE 71

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 66 Figu ur 5. Toename 5-19 jarigen bij de variant hoge immigratie. Alleen bij de variant hoge immigratie zal de bevolking in van 5-19 jarigen naar verwachting substantieel toenemen. In alle subcategorien en stijgt het aantal, waarmee het totaal aantal 5-19 jarigen van 30.327 (2015) zal toenemen tot 35.547 (2050). Deze toename zal zich vervolgens ook manifesteren in de leerlingenpopulatie. 0 5000 10000 15000 20000 25000 30000 35000 40000 2015 2020 2025 2030 2035 2040 2045 2050 15--19 10--4 1 5--9

PAGE 72

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 67 Figu ur 6. Afname 5-19 jarigen bij de variant emigratie golf. Krijgen we echter te maken met de variant emigratie golf, dan neemt de bevolking van 5-19 jarigen over de hele linie en in alle subcategorien naar verwachting drastisch af van 30.327 (2015) tot 20.244 (2050) en zal het aantal leer lingen ook drastisch afnemen. 0 5000 10000 15000 20000 25000 30000 35000 40000 2015 2020 2025 2030 2035 2040 2045 2050 15--19 10--4 1 5--9

PAGE 73

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 68 Figu ur 7. Afname 5-19 jarigen bij de variant geen migratie. Ook bij de variant geen migratie, alhoewel dit niet realistische is, neemt de bevolking van 5-19 jarigen naar verwachting gestaag verder af van 30.327 (2015) tot 26.137 (2050). Conclusie De grote daling van het aantal geboortes in de periode 1997 tot en met 2001 heeft een sterk effect gehad op het aantal 5-19 jarigen en daarmee op he t aantal leerlingen in het funderend onderwijs en het voortgezet onderwijs vanaf het jaar 2002. De toenemende immigratie heeft deze lagere geboortecohorten niet kunnen compenseren. Het totaal aantal leerlingen is tussen het schooljaar 2002-2003 en het schooljaar 2014-2015 met 11,6 procent gedaald. Daarbij is vooral de daling van het aantal leerlingen in het funderend onderwijs significant: in deze periode is het aantal leerlingen in het funderend onderwijs met 17 procent gedaald. Op grond van de projectie van de bevolkingsgroei die door het CBS is verricht voor de periode 20152050, zal er sprake zijn van een toename van de bevolking, behalve in het geval we geconfronteerd worden met een emigratie golf, zoals deze werd geprojecteerd voor de jaren 2020-2025. 0 5000 10000 15000 20000 25000 30000 35000 40000 2015 2020 2025 2030 2035 2040 2045 2050 15--19 10--4 1 5--9

PAGE 74

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 69 Voor het aantal 5-19 jarigen en daarmee voor het aantal leerlingen in het funderend in het voortzet onderwijs zijn de effecten van deze verwachte bevolkingsgroei echter alleen in de variant hoge immigratie significant. Het aantal 5-19 jarigen zal dan naar verwachting gestaag toenemen van 30 .327 (2015) tot 35.547 personen (2050), een stijging van 11,5 procent. Mocht deze toename inderdaad plaatsvinden dan zal het aantal leerlingen in het funderend onderwijs en in het voorgezet onderwijs evenredig toenemen en daarmee hoger zijn dan in het schooljaar 20022003 (32.662 leerlingen). Een ontwikke ling om rekening mee te houden.

PAGE 75

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 70

PAGE 76

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 71 Data visualiseren met staafdiagrammen Leander Kuijvenhoven Inleiding Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is ee n grote bron van statistische informatie. Het heeft verschillenden typen gegevens. De enqutegegevens van het jaarlijkse Arbeidskrachtenonderzoek (AKO) zijn hier een voorbeeld van. Er zijn echter ook meer integrale gegevens zoals de census beschikbaar. Tevens maakt het CBS gebruik van administratieve gegevens. Een voorbeeld zijn de gegevens uit het bevolkingsregister (Kranshi). Deze laatste gegevens worden bijvoorbeeld gebruikt voor bevolkingsstatistieken of als kader om steekproeven uit te trekken. Veelal wordt er van deze informatie tabellen gemaakt. Kort gezegd is een tabel een geordende lijst van gegevens, die als doel heeft deze ge gevens helder en overzichtelijk te represe nteren. Een andere manier van gegevens representeren is het visualiseren daar van. Bij visualisaties kan men denken aan lijngrafieken, staafdiagrammen, histogrammen, thematische kaarten, puntenwolken enzovoorts. Het gaat om een schematische grafische weergave van een proces of van een aantal grootheden en hun onderling verband. Visualisatie kan gebruikt worden voor twee doelen: een exploratief en een presentatief doel. De aandacht van dit artikel is gericht op het presentatieve doel van visualisaties. Bij presentatie van een grafiek is het doel het overbrengen van een boodschap. Ce ntraal staat dat die boodschap zo eenvoudig en correct mogelijk gepresenteerd wordt vaak of juist ook voor niet statistisch ervaren publiek. Als het doel exploratief van aard is dan is de grafiek een hulpmiddel bij het onderzoeken van kenmerken van statistisch gegevens. De grafiek helpt dan onder meer onwenselijke patronen in de gegevens te ontdekken. Belangrijk is op te merken dat visualisaties er niet zijn om de plaats in te nemen van tabellen. Er is sprake van complementerende stromen van informatie. Wanneer er ui t een visualisatie bijvoorbeeld een bepaald verband wordt opgemerkt kan er met tabellen precies onderzocht wo rden of een bepaald verband reel is. Bovendien zijn gedetailleerde waardes uit tabellen nodig voor onder meer beleid of als input voor rekenmodellen. Er zijn verschillende soorten visualis aties. In het kader van dit artikel worden de meest v oorkomende soorten staafdiagrammen besproken. Staafdiagrammen Staafdiagrammen zijn veel gebruikte datavisualisaties. Het gaat hier om een krachtige visualisatie die snel informatie kan overbrengen. In dit artike l worden drie soorten staafdiagrammen besproken: samengetelde stapeldiagram, stapeldiagram en mozaekdiagram. Het mozaekdiagram, is misschien

PAGE 77

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 72 wat onbeken der dan de andere staafdiagrammen, maar is daarom niet minder krachtig om een boodschap die in de gegevens zit op een goede manier over te brengen. In tabel 1 staat arbeidsstatus uitgesplitst naar burg erlijke staat. De gegevens zijn afkomstig uit de census van 2011. Deze tabel is een numeriek ov erzicht van vooral cijfers over arbeidsstatus uitgesplitst naar burgerlijke stand, maar helaas is he t lastig om direct een globaal beeld eruit te halen. Bron: CBS census 2011 Natuurlijk is het mogelijk om van elke variabele apart een staafdiagram te maken. Hoewel het altijd aan te raden valt om een goed beeld te krijgen van de structuur van de afzonderlijke variabelen is het dan niet mogelijk om de onderlinge samenhang in te zien. Het doel hier is om de gegevens uit tabel 1 middels verschillende type staafdiagrammen te presenteren en zodoende de staafdiagrammen te intr oduceren. Op deze manier worden de sterke en de minder sterke punten van el ke type diagram duidelijk. Samengestelde stapeldiagram Bij het samengeste ld staafdiagram wordt voor elke categorie van de ene kwalitatieve variabele een staafdiagram van de andere variabele gemaakt. Figuur 1 is een staafdiagram van de categorien van arbeidsstatus verdeeld over elke burgerlijke st aat. Op deze wijze kan men inzicht verwerven over de verdeling per arbeidsstatus van de verschillende categorien van burgerlijke staat.

PAGE 78

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 73 Bron: CBS census 2011 Binnen een categorie van een variabele (burgerlijke staat) zijn de staven van de andere variabele (arbeidsstatus) tegen elkaar aangezet. Het onders cheiden van de verschille nde categorien van de andere variabele gaat dan beter. Het is moeilijk na te gaan of een bepaalde arbeidsstatus relatief gezien overof juist ondervertegenwoordigd is in een categorie van burgerlijke staat. De absolute omvangen van de verschillende categorien arbeidsstatus zijn wel goed te bepalen. Zo is moeilijk te zien hoe groot de omvang van de bevolking is in elke burgerlijke staat. Daarvoor kunnen alle staven van het staafdiagram voor die burgerlijke staat op elkaar worden gestapeld. Stapeldiagram In figuur 2 wordt een specifiek soort van staafdi agram gepresenteerd dat een stapeldiagram (Eng. Stacked barchart of barplot) wordt genoemd.

PAGE 79

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 74 Bron: CBS census 2011 In het stapeldiagram is duidelijk te zien welke categorie van de burgerlijke staat het grootst is en welke het kleinst. Bovendien ontsta at er een beeld op welke wijze de categorien van arbeidsstatus verdeeld zijn binnen een bepaalde ca tegorie van burgerlijke staat. Helaas is het minder goed mogelijk om de verdeling van de categorien van arbeidsstatus tussen verschillende burgerlijke staten te vergelijken. Het samengestelde staafdiagram is da ar meestal beter voor geschikt. Als echter het belangrijkste doel is om de verdeling van burgelijke staat weer te geven en ook een inzicht te geven van de verdeling van de categorien van abeidsstatus binnen een categorie van burgerlijke staat, dan is een stapeldiagram een verstandige keus. De relatieve verdeling van de categorien van de en e variabele binnen de verschillende categorien is ook lastig te vergelijken. Dit kan worden opgelost door de staven even lang te maken door ze te percenteren tot 100. Het resultaat van deze exercitie is te zien in fi guur 3. Het (procentuele) aandeel van een categorie binnen een staaf is nu eenvoudig af te lezen. Er vallen nu een paar zaken direct op. Het eerste dat opvalt is de (relatief) grote groep niet actieven binnen de categorie van pers onen die gescheiden zijn. Het andere dat opvalt is dat personen die ve rweduwd zijn een vergelijkbare verdeling van arbeidsstatus laten zien met de categorien gehuwd en ongehuwd, vergeleken met de onderverdeling van arbeidsstatus binnen de categorie van personen die gescheiden zijn. Een evident nadeel van deze grafiek is dat het niet mogelijk is de verdeling te zien van de variabele burgerlijke staat.

PAGE 80

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 13; nr. 4 75 Bron: CBS census 2011 Mozaikdiagram De volgende visualisatie die besproken wordt is een variant op het stapeldiagram en is het zo geheten mozaekdiagram. Figuur 4 is een mozaekdiagram. De horizontale banden voor de verschillende burgerlijke staten, zijn niet meer van de dezelf de grootte, zoals bij het eerder gepresenteerde stapeldiagram (zie figuur 2). De banden zijn nu evenredig aan het aantal personen per burgerlijke staat. Het is nu eenvoudig in te zien dat de omva ng van personen die gescheiden of verweduwd zijn van een veel kleinere omvang zijn dan de personen die ongehuwd of gehuwd zijn.

PAGE 81

Modus Statistisch Magazine Figuur 4 Arbeidsstatus naar burgerlijke staat Bron: CBS Census 2011 Discussie Ter introductie van het concept datavisualisatie zijn in dit artikel drie soorten staafdiagrammen aan de orde gekomen. Er is een voorbeeld gebruikt van de arbeidsstatus verdeeld over de categorien van burgerlijke staat om deze staafdiagrammen te illus treren. Er zijn in dit voorbeeld slechts twee kwalitatieve variabelen gebruikt. Dit kan uitgebreid worden naar drie of meerdere variabelen. Dat geldt voor alle staafdiagrammen. Een specifieke manier is om gebruik te maken van een reeks van dezelfde grafieken. De reeks is dan gebaseer d op bepaalde verdeling van de gegevens. Bij staafdiagrammen ligt het voor de hand om een andere gemeenschappelijke variabele te gebruiken voor de verdeling. Zo kan arbeidsstatus naar burgerlijke staat uitgezet worden voor steeds een andere leeftijdscategorie. Op deze manier wordt de verdel ing van arbeidsstatus naar burgerlijke staat binnen en tussen verschillende leeftijdscategorien duidelijk. Zoals vermeld bestaan verschillende soorten grafieken die gebruikt worden om data te visualiseren. Welk soort grafiek het beste gebruikt kan worden hangt af van welke boodschap overgebracht moet worden en met welk soort en hoeveelheid gegevens gewerkt wordt. Impliciet is ook geprobeerd om de kracht van gegevensvisualisaties te laten zien. Modus jrg. 13; nr. 4 76