Citation
Modus Jaargang 14 Nummer 3+4

Material Information

Title:
Modus Jaargang 14 Nummer 3+4

Subjects

Genre:
serial ( sobekcm )

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 2

Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 1 Prijsontwikkeling Curaao 2015 Solange Bomberg Inleiding In dit artikel wordt een beeld geschetst van de consumentenprijsontwikkeling van Curaao in 2015. Waar nodig wordt deze vergeleken met de consumentenprijsontwikkeling in vo orgaande jaren. Tevens wordt de consumentenprijsontwikkeling per bestedingscategorie nader belicht. Verder wordt stilgestaan bij een aantal internationale aspecten die mogelijkerwijs de consumentenprijsontwikkeling op ons eiland benvloeden en wordt het in flatieniveau van Curaao in 2015 vergeleken met het inflatieniveau in andere landen. Dit artikel is opgebouwd uit een zevental paragrafen: Inleiding; Methodologie, definities en betekenis; Prijsontwikkeling Curaao december 2015; Prijsontwikkeling en infl atie Curaao 2015 nader bezien vanuit tijdsperspectief en per bestedingscategorie; Relatieve bijdrage van de negen bestedingscategorien in de CPI consumptiemand aan de inflatie op Curaao in 2015; Inflatie Curaao 2015 nader bezien vanuit internationaal p erspectief; Samenvatting en Conclusie. Door te kijken naar de prijsontwikkeling van Curaao in 2015 in tijdsperspectief, vanuit de invalshoek van bestedingscategorien en vanuit internationaal perspectief, beoogt dit artikel enig inzicht te verschaffen in de prijsontwikkeling in ons land gedurende het jaar 2015. Met internationaal perspectief wordt bedoeld dat er enerzijds stilgestaan zal worden bij de internationale context van de olieprijs, de voedselprijzen en de euro dollarkoers en de mogelijke invloe d hiervan op de lokale prijsontwikkeling. Anderzijds zal de inflatie van Curaao in 2015 worden vergeleken met de inflatie van 149 andere landen, om een beeld te krijgen of de hoogte van de inflatie op Curaao wereldwijd gezien uitzonderlijk is of niet. Bi nnen de rijkweidte van dit artikel is het niet de bedoeling om de economien van de verschillende landen te analyseren, de vergelijking beperkt zich tot de hoogte van de inflatiepercentages. Methodologie, definities en betekenis Algemeen Het Centraal Burea u voor de Statistiek van Curaao (CBS) houdt zich bij het berekenen van de richtlijnen en methodieken. In deze paragraaf zullen een aantal begrippen en met hodologische aspecten die van belang zijn voor het doel van dit artikel nader worden belicht. Dit geschiedt in alfabetische volgorde.

PAGE 3

Modus Statistisch Magazine 2 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Bestedingscategorien De negen bestedingscategorien die voor de CPI Curaao worden gehanteerd zijn achtereenvolgens: Vo eding; Dranken en rookwaren; Kleding en schoeisel; Wonen; Woninginrichting en huisraad; Gezondheidszorg; Vervoer en communicatie; Recreatie, educatie en cultuur; Overige goederen en diensten. Aan de hand van het budgetonderzoek Error! Bookmark not defined. wordt een representatieve, marktconforme en gebalanceerde consumptiemand (CPI mand) is dan de CPI mand samengesteld en wordt tevens het relatieve aandeel (de zogenaamde gewichten) van alle producten en diensten en alle bestedingscategorien in de totale bestedingen van de consument vastgesteld. Sinds het laatst gehouden budgetonderzoek op Curaao in 2004/2005 kunnen de bestedingscategorien bestedingscategorien in het consumptiemandje van Curaao worden aangemerkt, met een aandeel van respectievelijk 31, 23, De kleinere bestedingscategorien i uitmaken. In tabel 1 worden de niet afgeronde percentages weergegeven.

PAGE 4

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 3 TABEL 1 AANDEEL (=GEWICHT) B ESTEDINGSCATEGORIEN IN CPI CONSUMENTENMAND CURA AO Bestedingscategorie Aandeel/Gewicht Wonen 30,8 % Vervoer en communicatie 22,6% Voed ing 12,3% Overig 11,9% Recreatie, educatie en cultuur 7,7% Woninginrichting en huisraad 7,0% Kleding en schoeisel 4,8% Dranken en rookwaren 1,6% Gezondheidszorg 1,3% Totaal 100% Budgetonderzoek is een nationaal, door het Statistiek Bureau van desbetreffend land op Curaao dus het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uitgevoerd, periodiek onderzoek naar de consumptieve bestedingen van huishoudens, gebaseerd op een aselecte, representatieve s om geselecteerd te worden, terwijl representatief betekent dat de adressen c.q. huishoudens over heel Curaao verspreid zijn en in aantal voldoende zijn om betrouwbare uitspraken en berekeningen te kunnen doen over inkomens en bestedingen; er wordt niet van tevoren een selectie gemaakt naar buurten, inkomens, huishoudsamenstelling etc. De samenstelling en gewichten van de CPI consumptiemand worden bij het budgetonderzo ek vastgesteld, die doorgaans n keer in de vijf tien jaar plaatsvindt. De CPI consumptiemand wordt doorlopend zoveel mogelijk geactualiseerd door het vervangen van producten die niet meer verkocht worden en van zaken die sluiten. Pas bij een nieuw budg etonderzoek kan echter volledige actualisatie van de consumentenmand zowel qua gewichten, producten, diensten en zaken plaatsvinden, aangezien dan het actuele bestedingspatroon van de gemiddelde consument wordt gemeten. budgetonderzoek uit te voeren. Dit is van belang voor zowel het waarborgen van de kwaliteit van de Consumenten Prijsindex (CPI) als voor het actualiseren, monitoring en bijsturen van sociaal economisch beleid en sociaal economische, sociale en politieke veranderingen, hoe vaker het budgetonderzoek zou moeten plaatsvinden; vooral voor het actualiseren en kwalitatief waarborg en van de CPI (samenstelling en

PAGE 5

Modus Statistisch Magazine 4 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 gewichten van de consumptiemand) is het raadzaam om het budgetonderzoek vaker dan n keer in de 10 jaar uit te voeren. 1 Consumentenbesteding Een belangrijke basis voor het berekenen van de CPI en de inflatie wordt gevormd d oor de consumentenbestedingen. Voor dit artikel wordt onder consumentenbestedingen in het kader van de CPI en de inflatie verstaan: bestedingen in het land Curaao door consumenten die op Curaao wonen. Bestedingen van (buitenlandse) toeristen op ons eilan d of van inwoners van ons eiland in het buitenland (via internet bijvoorbeeld) vallen hier per definitie niet onder. In het kader van dit artikel wordt dan ook CPI consumptiemand De CPI consumptiema nd is een verzameling producten en diensten die het bestedingspatroon van de gemiddelde consument weergeeft. Deze consumptiemand dient in principe n keer in de vijf tien jaar volledig te worden herzien aan de hand van de gegevens over consumptieve bes tedingen die verkregen worden uit het budgetonderzoek. Tussentijds worden, indien nodig, aanpassingen gedaan in deze representatieve, gebalanceerde, marktconforme consumptiemand, bijvoorbeeld als een winkel failliet gaat of een product of dienst niet meer verkocht c.q. geleverd wordt. De CPI consumptiemand vormt het kader op basis waarvan de reguliere prijswaarneming plaatsvindt ter berekening van de CPI. De CPI consumptiemand is opgebouwd uit negen bestedingscategorien, die weer onderverdeeld zijn in dive rse product en dienstgroepen. Elke product en dienstgroep is op haar beurt weer opgebouwd uit en In he Consumenten Prijsindex (CPI) maandsgemiddelde CPI. De CPI is een maatstaf voor de gem iddelde prijs die consumenten aan goederen en diensten uitgeven voor de consumptiemand. De CPI wordt door het CBS maandelijks berekend op grond van de circa 5000 rden. Deze prijzen worden vervolgens gewogen met het aandeel dat ze hebben in de gemiddelde bestedingen van de consument. 1 Bron: www.ilo.org Conference of Labour Statisticians, Geneva, 24 November 3 December 2003

PAGE 6

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 5 Wanneer het consumentenprijsniveau van een product of dienst over een bepaald jaar wordt vergeleken met het consumentenprijsniveau va n hetzelfde product of dienst over een ander jaar, is dit gebaseerd op het berekende twaalfmaandsgemiddelde CPI voor dit product. Hetzelfde geldt voor het gemiddelde prijsniveau van de consumptiemand als geheel. Het verschil tussen ICP 2 en CPI is dat ICP een vergelijking tussen landen is in n bepaald jaar, met als doel het berekenen van de koopkrachtpariteiten tussen landen, terwijl CPI een vergelijking door de tijd heen is in n bepaald land, met als doel het berekenen van de inflatie van dat land. Inf latie, Deflatie 3 en Economische ontwikkeling Inflatie kan worden gedefinieerd als een langdurig economisch proces van algemene prijsstijging, met als gevolg geldontwaarding (oftewel koopkrachtdaling van het geld) en stijging van de kosten van levensonderho maanden bedoeld. De inflatie van Curaao wordt, conform internationale statistische methodologie, normen en richtlijnen, maandelijks door het Centraal Bureau voor de Stati stiek Curaao (CBS) berekend op grond van de twaalfmaandsgemiddelde consumentenprijsindex (CPI). Het inflatiepercentage wordt berekend door de twaalfmaandsgemiddelde CPI van de consumptiemand over een bepaald jaar (t) te vergelijken met het twaalfmaandsgem iddelde van de consumptiemand over het jaar daarvoor (t 1). Het verschil tussen de twaalfmaandsgemiddelde CPI van een bepaalde maand van een bepaald jaar en de twaalfmaandsgemiddelde CPI van diezelfde maand een jaar eerder is het inflatiecijfer van eerst genoemde maand. Inflatie is dus per definitie een weergave van de gemiddelde consumentenprijsontwikkeling over een periode van 12 maanden. Doorgaans wordt gesproken van de inflatie over een bepaald kalenderjaar, maar het inflatiecijfer kan in principe over elke willekeurige periode van 12 maanden worden berekend. Als de inflatie van een aantal kalenderjaren naast elkaar wordt gelegd, kan tevens de gemiddelde inflatie per jaar over een bepaalde periode worden berekend. Het inflatiecijfer, zoals hiervoor omsc hreven, geeft een goed beeld van de lange termijn prijsontwikkeling en wordt daarom aangeraden als indexeringsinstrument voor onder andere lonen, salarissen, uitkeringen en pensioenen. Deflatie is het omgekeerde van inflatie. Net als inflatie heeft ook def latie voor en nadelen. Deflatie en inflatie zijn als het ware elkaars spiegelbeeld. Er kan worden beredeneerd dat zolang het consumentenvertrouwen en het investeringsvertrouwen voldoende zijn, noch inflatie noch deflatie, mits matig (tussen 3% en +3%), u iteindelijk nadelig hoeft te zijn voor de (sociaal )economische ontwikkeling van een land. In onderstaande matrix worden de plussen (+) en minnen ( ) van deflatie en inflatie weergegeven. Zowel in geval van deflatie als inlatie, zullen beleid en beslissing en van overheid, centrale 2 4. 3

PAGE 7

Modus Statistisch Magazine 6 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 bank, investeeerders, spaarders en consumenten uiteindelijk bepalen of de invloed van de pluspunten de invloed van de minpunten zal overstijgen. Prijs goederen en diensten Koop kracht Kosten van levens onderhoud Waarde spaa r tegoeden Waarde leningen /schulden Consu menten vertrouwen Investeerders vertrouwen Inflatie Stijgt ( ) Daalt ( ) Stijgt ( ) Daalt ( ) Daalt (+) Neutraal (+/ ) Neutraal (+/ ) Deflatie Daalt (+) Stijgt (+) Daalt (+) Stijgt (+) Stijgt ( ) Neutraal (+/ ) Neutraal (+/_) Er kan worden beredeneerd dat economische ontwikkeling (bijvoorbeeld rele economische groei) en inflatie/deflatie elkaar wederzijds benvloeden. Als het goed gaat met de economie, zal er doorgaans sprake zijn van een gematigd prijsverloop (tussen 3% en +3%). Omgekeerd, als er sprake is van een gematigd prijsverloop (bijvoorbeeld een lichte deflatie, zoals het geval was op Curaao in 2015), worden mensen gestimuleerd om te kopen, waardoor de omzetten van bedrijven positief worden benvloed, wat vervolgens weer positief doorwerkt op investeringsinitiatieven en consumentenvertrouwen. Al deze factoren dragen vervolgens bij tot economische groei van een land. Deze redenering zou een verklaring kunnen zijn voor de combi natie op Curaao in 2015 van een lichte deflatie ( 0,5%) en een lichte rele economische groei (+0,3%). Prijsontwikkeling Met prijsontwikkeling wordt in het kader van dit artikel consumentenprijsontwikkeling bedoeld. De methodiek voor het berekenen van de CPI en de inflatie brengt met zich mee dat in het kader van dit artikel een prijsontwikkeling als volgt moet worden genterpreteerd. De prijsontwikkeling van 2015 ten opzichte van 2014 impliceert dat, als er gesproken wordt van prijsdaling of prijsstijging in 2015 ten opzichte van 2014, dit betekent dat het gemiddelde prijsniveau voor de consument in 2015 respectievelijk lager of hoger is geweest vergeleken met 2014. Het hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat de prijsdaling of prijsstijging in 201 5 zelf heeft plaatsgevonden. Ter nadere toelichting van het besprokene in voorgaande alinea, volgt een concreet voorbeeld. Elektriciteitsverbruik kan bijvoorbeeld in een bepaald jaar (jaar t) duurder zijn dan in het jaar daarvoor (jaar t 1), zonder dat in jaar t zelf een tariefsverhoging van elektriciteit heeft plaatsgevonden, maar uitsluitend doordat in jaar t 1 (bijvoorbeeld in het vierde kwartaal) het elektriciteitstarief is gestegen. De hogere CPI die hieruit resulteert telt slechts een aantal maande n mee in jaar t 1 (bijvoorbeeld alleen oktober, november en december als de tariefsverhoging per 1 oktober plaatshad), terwijl het in jaar t wel

PAGE 8

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 7 het hele jaar meetelt. Dit veronderstellend dat er geen andere tariefswijzigingen van elektriciteit in jaren t en t 1 hebben plaatsgevonden. Aan het eind van jaar t zal de 12 maandsgemiddelde CPI voor elektriciteit derhalve hoger zijn dan aan het eind van jaar t 1.De wetenschappelijk onderbouwde conclusie is dan dat elektriciteit duurder is geworden in jaar t ver geleken met jaar t 1. De prijsontwikkeling en de inflatie op Curaao worden door zowel lokale als internationale factoren benvloed. Lokale factoren zijn bijvoorbeeld het marktspel van vraag en aanbod, inkomens en koopkracht van de burgers, kosten van bed rijfsvoering voor de ondernemers, het spaar en consumptiegedrag van consumenten, investeringsbeslissingen en het overheidsbeleid. Internationale factoren zijn met name de internationale voedselprijzen, de internationale prijs van ruwe olie, de euro dollar koers, maar bijvoorbeeld ook afspraken en ondersteuning in het kader van samenwerking binnen het koninkrijk of samenwerking met andere landen. Prijsontwikkeling Curaao december 2015 4 Prijsontwikkeling Curaao tussen november 2015 en december 2015 Het con sumentenprijsindexcijfer (CPI) van Curaao is in de maand december 2015 stabiel gebleven ten opzichte van november 2015, dus op het niveau van 123,2. Van de negen bestedingscategorien zijn vier (vrijwel) stabiel in prijs gebleven gedurende de maand decem (+0,1%). Verder is bij vier bestedingscategorien een prijswijziging tussen 0,1 en 1 procent waargenomen, laatste werd veroorzaakt door de pr ijsverhoging van zwemlessen. Er kan derhalve worden geconstateerd dat in december 2015, van de 9 bestedingscategorien 3 goedkoper zijn geworden en 2 duurder, terwijl 4 (vrijwel) stabiel in prijs zijn gebleven. De meest opvallende prijswijzigingen geduren de de maand december 2015 hebben zich in drie bestedingscategorien voorgedaan, namelijk: kinderen met 40 en 50 procent respectievelijk. Zwemlessen voor volwassenen steeg van gemiddeld Nafls.150, per 3 maanden naar Nafls. 70, per maand en voor kinderen van gemiddeld Nafls 120, per 3 maa nd en naar Nafls. 60, per maand. Prijsontwikkeling Curaao tussen december 2014 en december 2015 Als de maand december 2015 wordt vergeleken met de maand december 2014, blijkt dat het consumentenprijsindexcijfer tussen december 2014 en december 2015 gedaal d is van 124,6 naar 123,2. Dit 4 Zie www.cbs.cw keuzemenu: Statistical Information/Inflation & Consumer Price Index.

PAGE 9

Modus Statistisch Magazine 8 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 is een daling van 1,1 procent. Dit cijfer geeft weer hoeveel goedkoper de maand december van het jaar 2015 is ten opzichte van de maand december van het jaar 2014. Prijsontwikkeling en inflatie Curaao 2015 nader bezien vanui t tijdsperspectief en per bestedingscategorie Inflatie: oorzaken, gevolgen en beleid 5 Inflatie van een land kan worden veroorzaakt door duurdere import, hogere loonkosten, hogere overige bedrijfslasten c.q. productiekosten, het marktspel van vraag en aan bod (schaarste van producten/diensten), het verhogen van de winstmarges van bedrijven en stijging van de geldhoeveelheid in omloop. De algemene gedachte onder economen is dat de inflatie in een gezond groeiende economie circa twee procent bedraagt. Een te hoge inflatie kan nadelig zijn voor de koopkracht en het vertrouwen van consumenten, de waarde van spaartegoeden, de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland en kan leiden tot verhoging van het renteniveau, waardoor investeringen uitblijven. Veelal trachten overheden om de inflatie niet hoger te doen zijn dan 2 3 procent per jaar. Een inflatie van rond 2 procent wordt algemeen beschouwd als zijnde gunstig voor de economie. Een lage inflatie stimuleert consumenten immers om goederen en dien sten te kopen. Uitstel van bestedingen betekent namelijk dat men meer zou moeten betalen voor hetzelfde product. Daarnaast maakt een lage inflatie het voor de consument en de investeerder ook interessanter om geld te lenen omdat de rente veelal ook laag is tijdens perioden van een lage inflatie. Het handhaven van een lage inflatie is vanwege de gunstige economische gevolgen derhalve wereldwijd een belangrijk doel in het economisch en monetair beleid van regeringen en centrale banken. Het gebruik van het inf latiecijfer: nut en noodzaak Het inflatiecijfer heeft vooral vier gebruiksdoelen, die onderstaand nader zullen worden belicht. (semi )overheidsinstanties en n on profit organisaties gebruikt om (minimum)lonen, salarissen, sociale uitkeringen, pensioenen, loongrens en andere inkomens te indexeren. Door indexering van het inkomen voor het komende kalenderjaar met een percentage dat gebaseerd is op het inflatiecijf er van de afgelopen 12 maanden, wordt getracht om het koopkrachtverlies dat door de inflatie is veroorzaakt deels of geheel op te vangen c.q. te compenseren. 5 Bronnen van referentie: http://nl.global rates.com/economische statistieken/inflatie/inflatie informatie.aspx en http://financieel.infonu.nl/beleggen/4333 economische groei inflatie en wisselkoers.html

PAGE 10

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 9 beleidmakers ) gebruikt als input om de rele economische groei van een land te berekenen. Ten derde wordt het inflatiecijfer gebruikt voor het creren, monitoren en bijsturen van sociaal economisch, financieel en monetair beleid. Tenslotte wordt het inflatiecijfer ook gebruikt voor sociaal economische analyses en onderzoeken, zowel nationaal als internationaal. Inflatie Curaao 2015, totaal en per bestedingscategorie Het twaalfmaandsgemiddelde van de consumentenprijzen op Curaao blijkt in december 2015 0,5 procent la ger te zijn dan in december 2014. Dit inflatiecijfer ( 0,5%) geeft een goed beeld van de lange termijn inflatie, en wordt daarom aangeraden als indexeringsinstrument voor lonen, salarissen, pensioenen, sociale uitkeringen, minimumloon, loongrens en dergeli jke. Wat indexering van genoemde inkomens betreft komt deflatie in de praktijk er op neer dat de lonen stabiel blijven. Immers er hoeft enerzijds geen inflatiecorrectie plaats te vinden, aangezien deflatie (of negatieve inflatie) betekent dat de koopkrach t niet gedaald is maar juist is toegenomen door de daling van het gemiddelde prijsniveau. En anderzijds is inkomensverlaging gebaseerd op de negatieve inflatie wettelijk juridisch en sociaal maatschappelijk gezien geen optie. Het inflatiecijfer van dece mber 2015 ( 0,5%) is tevens het inflatiecijfer over het gehele jaar 2015. De inflatie op Curaao over het hele jaar 2015 is derhalve 0,5 procent. Dit is een daling van het twaalfmaandsgemiddelde consumentenprijsindexcijfer van 124,2 in december 2014 naa r 123,6 in december 2015. Voornoemde inflatiecijfer van 0,5% over 2015 is het gewogen gemiddelde van de prijsontwikkeling van de negen bestedingscategorien waaruit het CPI consumentenmandje is opgebouwd. In tabel 2 worden deze negen bestedingscategorien met bijbehorende prijsontwikkeling gedurende het jaar 2015 geresumeerd. TABEL 2 Prijsontwikkeling Curaao 2015, per bestedingscategorie Bestedingscategorie Prijsontwikkeling Voeding +4,0% Dranken en rookwaren +3,8% Kleding en schoeisel 0,9% Wonen 3,3% Woninginrichting en huisraad +1,3% Gezondheidszorg +1,5% Vervoer en communicatie 3,0% Recreatie, educatie en ontwikkeling +1,4% Overig +1,8% Gemiddeld

PAGE 11

Modus Statistisch Magazine 10 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Inflatie Curaao 2015, in tijdsperspectief Achtereenvolgens wordt de inflatie op ons ei land over het afgelopen jaar vanuit vier tijdsperspectieven nader belicht: 1. Over het jaar 2015, van maand tot maand; 2. Over de afgelopen twee kalenderjaren, van maand tot maand; 3. Over de afgelopen 20 jaar, totaal en op jaarbasis; 4. Over de afgelopen zeven jaar, per bestedingscategorie 1) Inflatie in Curaao over het jaar 2015, van maand tot maand TABEL 3 Inflatie Curaao 2015, van maand tot maand bezien Januari 1,4% Februari 1,3% Maart 1,3% April 1,4% Mei 1,3% Juni 1,0% Juli 0,8% Augustus 0,6% September 0,3% Oktober 0,1% November 0,2% December (is tevens Inflatiecijfer voor geheel 2015) 0,5% Zoals uit tabel 3 blijkt, is de inflatie gedurende 2015 gedurende de eerste vijf maanden redelijk stabiel, om vervolgens de rest van het jaar gest aag te dalen tot onder het nulniveau in november en december. Aangezien het inflatiecijfer per definitie de stijging van de 12 maandsgemiddelde CPI meet, is de inflatie in december 2015 tevens de inflatie over het hele jaar 2015. De inflatie op Curaao i s fors gedaald in 2015 ten opzichte van 2014, namelijk van 1,5 naar 0,5 procent. 6 Voornoemde deflatie van 0,5 procent impliceert dat gemiddeld genomen de kosten van levensonderhoud op ons eiland het afgelopen jaar licht zijn gedaald., oftewel dat de koo pkracht licht is gestegen. 2) Inflatie in Curaao over de afgelopen twee kalenderjaren, van maand tot maand 6 Bron: CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao, www.cbs.cw: persberichten 29 januari 2015 en

PAGE 12

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 11 Van maand tot maand bezien vertoont de inflatie gedurende de afgelopen twee kalenderjaren een golvende beweging, die uiteindelijk resulteert in tw ee achtereenvolgende scores van deflatie, namelijk in november ( 0,2%) en december ( 0,5%) 2015 respectievelijk. De hoogste inflatiewaarde over deze periode is 1,5 procent. In deze periode van 25 maanden, werd in 15 maanden een inflatie van 1 procent of meer gemeten. De gemiddelde inflatie over deze periode van 25 maanden is 0,9 procent. Gedurende bijna twee derde van deze periode, namelijk 16 van de 25 maanden, lag de inflatie boven dit gemiddelde van 0,9 procent. Zie figuur 1. 3) Inflatie in Curaao over de afgelopen twintig jaar, totaal en op jaarbasis Het prijsniveau van Curaao heeft zich ontwikkeld van een CPI van 76,5 per 1 januari 1996 naar 123,6 per 31 december 2015. De kosten van levensonderhoud zijn derhalve over de afgelopen 20 jaar (1996 2015) met 62 procent toegenomen. Over de afgelopen zeven jaar (2009 2015) is deze percentage 13 procent, namelijk de ontwikkeling van de CPI van 109,3 per 1 januari 2009 naar 123,6 per 31 december 2015. 7 7 Bron: www.cbs.cw keuzemenu: Statistical Information/Inflation & Consumer Price Index/Prices

PAGE 13

Modus Statistisch Magazine 12 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Figuur 2 geeft de prijs ontwikkeling van Curaao weer over de afgelopen twintig jaar, op jaarbasis. Over de afgelopen 20 jaar (1996 2015) vertoont de inflatie op Curaao een sterk schommelend beeld, met een gemiddelde van 2,4 procent per jaar. Er kunnen twee pieken in 2000 (5,8% ) en 2008 (6,9%) en drie dallen in 1999 (0,4%), 2002 (0,4%) en 2015 ( 0,5%) worden waargenomen: Gedurende de afgelopen 20 jaar heeft een inflatie lager dan 2 procent over een kalenderjaar zich 10 keer voorgedaan, onder meer de afgelopen drie jaren: 1, 3 procent in 2013, 1,5 procent in 2014 en 0,5 procent in 2015. Kijkend naar het huidige millennium, dus de periode 2000 t/m 2015, dan kan worden geconstateerd dat in 8 van de 16 jaren de inflatie onder de 2 procent lag, namelijk in 2001 (1,8%), 2002 (0 ,4%), 2003 (1,6%), 2004 (1,4%), 2009 (1,8%), 2013 (1,3%), 2014 (1,5%) en 2015 ( 0,5%). Gedurende de overige 8 jaren lag de inflatie beduidend hoger, varirend van 2,3 procent in 2011 tot 6,9 procent in 2008. Het gemiddelde v an de inflatie op Curaao in dit millennium is 2,5 procent. De afgelopen tien jaar (2006 2015) nader beschouwend, blijkt de gemiddelde inflatie per jaar op ons eiland 2,5 procent te zijn. Als wordt ingezoomd op de afgelopen 5 jaar (2011 2015), dan resulte ert een gemiddelde inflatie van 1,5 procent. De deflatie in 2015 ( 0,5%) is een voor Curaao historisch unicum in de zin dat het voor het eerst is dat er een negatieve inflatie over een kalenderjaar is gemeten.

PAGE 14

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 13 4) Inflatie in Curaao over de afgelopen ze ven jaar, per bestedingscategorie Zoals uit tabel 4 blijkt, vertoont de consumentenprijsontwikkeling over 2015 bij vijf van de negen bestedingscategorien een gematigd verloop, dus een prijsstijging of prijsdaling lager dan 2 procent. Bij de overige vier bestedingscategorien overstijgt de prijsdaling of prijsstijging de 2 procent. Bij 3,0%). bestedingscategorie met onafgebroken de meest forse prijsstijgingen, terwijl deze plaats in 2013 en 2014 wordt ingenomen door effect van de OB verhoging per 1 mei 2013 van 6 naar 9 procent hierbij een rol van betekenis. Het prijsverhogend effect is vooral merkbaar in 2014, in welk jaar een prijsstijging van 16,7 procent is gemeten; dit verlate effect van met name de cumulatieve OB stijging zou te verklaren kunne n zijn door de veronderstelling dat in 2013 de nog aanwezige voorraden gemporteerd vr 1 mei 2013, dus waar lagere cumulatieve OB tarieven op rusten eerst verkocht moesten worden. Pas in 2014 was de volle impact van de cumulatieve OB verhoging merkbaar naarmate steeds meer van de verkochte produkten na 1 mei 2013 waren gemporteerd. TABEL 4 Inflatie Curaao 2009 2015, totaal en per bestedingscategorie Bestedingscategorie 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 Voeding 9,9% 4,7% 7,7% 6,1% 1,6% 3,4% 4,0% Dranken en rookwaren 5,5% 3,5% 2,5% 4,9% 7,1% 16,7% 3,8% Kleding en schoeisel 2,0% 1,1% 0,6% 1,2% 1,1% 3,4% 0,9% Wonen 1,1% 4,0% 0,8% 2,4% 2,5% 0,6% 3,3% Woninginrichting en huisraad 5,2% 0,9% 1,4% 2,5% 2,4% 1,2% 1,3% Gezondheidszorg 1,9% 2,2% 0,9% 0,7% 1,5% 0,5% 1,5% Vervoer en communicatie 1,9% 2,5% 2,7% 3,9% 0,8% 0,3% 3,0 % Recreatie, ontwikkeling en educatie 1,8% 0,1% 0,1% 1,4% 0,6% 1,6% 1,4% Overig 3,7% 2,2% 1,3% 2,0% 1,4% 1,8% 1,8% Gemiddeld (Totaal) 1,8% 2,8% 2,3% 3,2% 1,3% 1,5% 0,5%

PAGE 15

Modus Statistisch Magazine 14 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 veroorzaakt doordat de tarieven voor electric iteits en waterleidingverbruik door huishoudens in 2015 Relatieve bijdrage van de negen bestedingscategorien aan de inflatie op Curaao in 2015 De bijdrage van een bestedingscategorie aan de inflatie wordt bepaald door twee eigenschappen van de bestedingscategorie: de hoogte van de prijswijziging en het gewicht in de consument enmand. consumptiemand van Curaao, aangezien de gemiddelde consument woonachtig op ons eiland daaraan het grootste deel van zijn/haar inkomen besteed. De gew ichten van deze drie categorien in de CPI mand zijn gebaseerd op het meest recente afgeronde budgetonderzoek (2004/2005) en het ligt in de planning om na het nu nog lopend budgetonderzoek de gewichten van alle bestedingscategorien in de CPI mand te actua mand is respectievelijk 31, 23 en 12 procent. deflatie van 65,4%) juist de meest inflatieverhogende factor is geweest in 2015. Zie figuur 3.

PAGE 16

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 15 Inflatie Curaao 2015, nader be zie n vanuit internationaal perspectief In deze paragraaf zal getracht worden antwoord te verkrijgen op twee vragen. 1. Is de inflatie van Curaao in 2015 hoog of laag dus uitzonderlijk of juist normaal vergeleken met andere landen wereldwijd? 2. Kan er een ve rband worden geschetst tussen de inflatie van Curaao in 2015 en een drietal internationale factoren, te weten: a. internationale voedselprijzen, b. internationale olieprijzen, c. wisselkoers EURO US dollar? 1) Is de inflatie van Curaao in 2015 hoog of laag d us uitzonderlijk of juist normaal vergeleken met andere landen wereldwijd? In tabel 5 8 wordt de inflatie van Curaao in 2015 (1,5%) vergeleken met de inflatie van datzelfde jaar in 149 andere landen, met een wereldwijde spreiding, dus zowel landen gelege n in de Caribische, Noord en Zuid Amerikaanse regio, als in Europa, Azi, Afrika en Australi. Deze vergelijking is zuiver gebaseerd op het niveau van het inflatiecijfer en laat sociaal economische verschillen tussen de 150 landen in deze lijst buiten be schouwing. Immers, dit laatste valt buiten de reikwijdte van dit artikel. Om een zo breed mogelijk spectrum te verkrijgen zijn deze landen wereldwijd verspreid. Voor het doel van dit overzicht, namelijk een vergelijking tussen landen van het inflatiecijfe r over het gehele jaar 2015, worden de drie eilanden van Caribisch Nederland (Bonaire, St. Eustatius en Saba) elk afzonderlijk als een land beschouwd. Uit tabel 5 blijkt dat de meeste landen in 2015 een inflatie hebben geregistreerd die tussen de interval van 3 en +3 procent ligt. Binnen het kader van dit artikel kan een inflatie die tussen 3 en +3 procent ligt derhalve als normaal worden beschouwd, of met andere woorden als een lichte inflatie of deflatie worden omschreven. In onderhavig artikel is gek ozen voor een zo groot mogelijke lijst van landen in totaal 150 landen, inclusief Curaao om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van het inflatieniveau wereldwijd, zodat de dus uitzonderlijk of juist normaal vergeleken met o 8 Bronnen: Zie Bijlage 1.

PAGE 17

Modus Statistisch Magazine 16 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 TABEL 5 INFLATIE IN 2015 VAN 150 LANDEN, INCLUSIE F CURAAO (IN ALFABETISCHE VOL GORDE) Land Inf latie 2015 Land Inflatie 2015 1.Algerije 3,8% 76. Liechtenstein 1,3% 2.Angola 14,3% 77. Luxemburg 1,1% 3. Anguilla 1,0% 78. Macao 3,7% 4.Antigua & Barbuda 1,0% 79. Madagascar 7,6% 5. Argentini 26,9% 80. Malawi 24,9% 6. Aruba 0,9% 81. Mal ediven 1,2% 7. Australi 1,7% 82. Maleisi 2,7% 8. Bahamas 2,0% 83. Malta 1,2% 9. Bangladesh 6,1% 84. Marokko 0,6% 10. Barbados 1,0% 85. Mauretani 0,5% 11. Belgi 1,5% 86. Mauritius 1,3% 12. Belize 0,9% 87. Mexico 2,1% 13. Benin 2,3% 88. Molda vi 13,6% 14. Bermuda 1,8% 89. Mongoli 1,9% 15. Bolivia 3,0% 90. Montserrat 1,1% 16. Bonaire 9 0,9% 91. Mozambique 10,6% 17. Bosni & Herzegovina 1,0% 92. Namibi 3,7% 18. Botswana 3,1% 93. Nederland 0,7% 19. Brazili 10,7% 94. Nepal 11,6% 20. Burkina Faso 1,3% 95. Nicaragua 3,1% 21. Cambodja 2,9% 96. Nieuw Caledoni 0,7% 22. Canada 1,6% 97. Nieuw Zeeland 0,1% 23. Cayman Islands 2,5% 98. Nigeria 9,6% 24. Chili 4,4% 99. Noord Korea (juli 2013, meest recente cijfer d.d. 1 augustus 2016) 55% 25. China 1,7% 100. Noorwegen 2,3% 26. Colombia 6,8% 101. Oekrane 43,3% 27. Congo 2,1% 102. Oostenrijk (Austria) 1,0% 28. Costa Rica 0,8% 103. Oost Timor 0,6% 29. Cuba 4,4% 104. Pakistan 3,2% 30. Curaao 0,5% 105. Palestina 1,0% 31. Cyprus 1,2% 106. Panama 0,2% 32. Denemarken 0,4% 107. Papua New Guinea 5,8% 33. Dominica 0,8% 108. Paraguay 3,1% 34. Dominicaanse Republiek 2,3% 109. Peru 4,4% 35. Duitsland 0,3% 110. Polen 0,5% 36. Ecuador 3,4% 111. Portugal 0,4% 37. Egypte 11,1% 112. Puerto Rico 0,2% 38. El Salvador 1,0% 113. Qatar 2,7% 9 Bonaire, Saba en Sint Eustatius, de BES eilanden, zijn sinds 10 oktober 2010 bijzondere gemeentes van

PAGE 18

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 17 39. Eritrea 12,5% 114. Roemeni 0,9% 40. Estland 0,9% 115. Rwanda 6,8% 41. Ethiopi 10,0% 116. Saba 9 0,1% 42. Fiji 1,6% 117. Saudi Arabi 2,3% 4 3. F ilippijnen 1,5% 118 Senegal 0,4% 44. Finland 0,2% 119. Seychellen 3,2% 45. Frankrijk 0,2% 120. Sierra Leone 8,9% 46. Ghana 17,7% 121. Singapore 0,6% 47. Grenada 1,3% 122. Soviet Unie (Rusland) 12,9% 48. Griekenland 0,2% 123. Spanje 0,0% 49. Groot Brittanni 0,2% 124. Sri Lanka 2,8% 50. Guatemala 3,1% 125. St. Eustatius 9 1,0% 51. Guinea Bissau 2,4% 126. St. Kitts & Nevis 1,7% 52. Guyana 1,7% 127. St. Lucia 1,0% 53. Hati 12,5% 128. St. M aarten 0,3% 54. Honduras 2,4% 129. St. Vincent & the Grenadines 2,1% 55. H ongarije 0,9% 130. Suriname 25,0% 56. Hong Kong 2,4% 131. Syri 48,1% 57. Ierland 0,1% 132. Taiwan 0,1% 58. India 6,3% 133. Tanzania 6,8% 59. Indonesi 3,4% 134. Thailand 0 ,9% 60. Irak 2,3% 135. Trinidad & Tobago 1,5% 61. Iran 9,4% 136. Tsjaad (Chad) 0,4% 62. Isral 1,0% 137. Tjechi 0,1% 63. Itali 0,1% 138. Tunesi 4,1% 64. Ivoorkust 1,3% 139. Turkije 8,8% 65. Jamaica 3,7% 140. Uruguay 9,4% 66. Japan 0,2% 141. Ve nezuela 180,9% 67. Kameroen (Cameroon) 1,5% 142. Verenigde Staten (USA) 0,7% 68. Kaapverdische eilanden (Capo Verde) 0,5% 143. IJsland 2,0% 69. Kenia 8,0% 144. Zambia 21,1% 70. Koeweit 3,0% 145. Zimbabwe 2,5% 71. Kroati 0,6% 146. Zuid Afrika 5,2% 72. Laos 0,9% 147. Zuid Korea 1,3% 73. Lesotho 5,1% 148. Zuid Soedan 109,9% 74. Libanon 3,4% 149. Zweden 0,0% 75. Liberia 8% 150. Zwitserland 1,4% Uit de inflatiecijfers, zoals weergegeven in tabel 5, blijkt dat in 36 van de 150 landen (incl usief Curaao) sprake is van een deflatie in 2015. In bijna een kwart (24%) van de gevallen is er dus sprake van deflatie; hieruit kan worden geconcludeerd dat de deflatie op Curaao in 2015 geen uitzonderlijk verschijnsel is.

PAGE 19

Modus Statistisch Magazine 18 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Tabel 6 geeft een over zicht van de 36 landen (uit de lijst van 150) met een deflatie in 2015. TABEL 6 LANDEN MET DEFLATIE IN 2015 Anguilla 1,0% Kroati 0,6% Aruba 0,9% Libanon 3,4% Barbados 1,0% Liechtenstein 1,3% Belize 0,9% Montserrat 1,1% Bonaire 0,9% Oost T imor 0,6% Bosni & Herzegovina 1,0% Polen 0,5% Cayman Islands 2,5% Puerto Rico 0,2% Costa Rica 0,8% Roemeni 0,9% Curaao 0,5% Saba 0,1% Cyprus 1,2% Singapore 0,6% Dominica 0,8% St. Eustatius 1,0% Estland (Estonia) 0,9% St. Kitts & Nevis 1,7% Finland 0,2% St. Lucia 1,0% Grenada 1,3% St. Vincent & the Grenadines 2,1% Griekenland 0,2% Thailand 0,9% Guyana 1,7% Tsjaad (Chad) 0,4% Isral 1,0% Zimbabwe 2,5% Kaapverdische eilanden (Capo Verde) 0,5% Zwitserland 1,4% Z oals uit tabel 6 blijkt is het opvallend dat alle landen met een deflatie, uit de lijst van 150 landen, een gematigde deflatie hebben: namelijk niet lager dan 3 procent, al dan niet afgerond. Indien ingezoemd wordt op het aantal landen met een inflatiecij fer tussen 0 en 3 procent (al dan niet na afronding), dan valt op dat bijna de helft van de 150 landen in tabel 5 tot deze inflatiecategorie (0% 3%) behoort. Het gaat om 70 landen, oftewel 47 procent. Er kan derhalve gesteld worden dat inclusief Curaao e en overgrote meerderheid van de landen, namelijk bijna driekwart 106 landen, oftewel 71 procent van de wereldwijde lijst van 150 landen een gematigd inflatiepercentage (tussen 3% en +3%) heeft gemeten in 2015. Hieruit kan het antwoord op de

PAGE 20

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 19 Tabel 7 geeft een overzicht van de 70 landen uit de lijst van 150, die een matige inflatie hebben gemeten in 2015. TABEL 7 LANDEN MET MATIGE INFLATIE IN 2015 Antigua & Barbuda 1,0% Honduras 2,4% Nieuw Zeeland 0,1% Australi 1,7% Hongarije 0,9% Noorwegen 2,3% Bahamas 2,0% Hong Kong 2,4% Oostenrijk (Austria) 1 ,0% Belgi 1,5% Ierland 0,1% Pakistan 3,2% Benin 2,3% Indonesi 3,4% Palestina 1,0% Bermuda 1,8% Irak 2,3% Panama 0,2% Bolivia 3,0% Itali 0,1% Paraguay 3,1% Botswana 3,1% Ivoorkust 1,3% Portugal 0,4% Burkina Faso 1,3% Japan 0,2% Qatar 2,7% Cambod ja 2,9% Kameroen (Cameroon) 1,5% Saudi Arabi 2,3% Canada 1,6% Koeweit 3,0% Senegal 0,4% China 1,7% Laos 0,9% Seychellen 3,2% Congo 2,1% Luxemburg 1,1% Spanje 0,0% Denemarken 0,4% Malediven 1,2% Sri Lanka 2,8% Dominicaanse Republiek 2,3% Maleisi 2, 7% St. Maarten 0,3% Duitsland 0,3% Malta 1,2% Taiwan 0,1% Ecuador 3,4% Marokko 0,6% Trinidad & Tobago 1,5% El Salvador 1,0% Mauretani 0,5% Tjechi 0,1% Fiji 1,6% Mauritius 1,3% Verenigde Staten (USA) 0,7% Filippijnen 1,5% Mexico 2,1% IJsland 2,0% Fr ankrijk 0,2% Mongoli 1,9% Zuid Korea 1,3% Groot Brittanni 0,2% Nederland 0,7% Zweden 0,0% Guatemala 3,1% Nicaragua 3,1% Guinea Bissau 2,4% Nieuw Caledoni 0,7% 2) Kan er een verband worden geschetst tussen de inflatie van Curaao in 2015 en een drietal internationale factoren, te weten: a. internationale voedselprijzen, b. internationale olieprijzen, c. wisselkoers EURO US dollar? Enerzijds is Curaao een importland voor wat betreft de meeste consumptiegoederen, terwijl anderzijds en deviezenbron vormt voor de economie van ons eiland. Hieruit kan worden beredeneerd dat internationale economische factoren een

PAGE 21

Modus Statistisch Magazine 20 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 belangrijke rol in de prijsontwikkeling van Curaao, zowel voor de l okale markt als voor de toerismesector, spelen. Deze paragraaf en dit artikel beperken zich tot de lokale markt, gelet op de definitie van consumentenbestedingen in het kader van CPI eerder in dit artikel. Bij het interpreteren van de invloed van internat ionale factoren op de economie en de prijsontwikkeling van ons eiland is het raadzaam om te allen tijde met een drietal aspecten rekening te houden. Ten eerste dat lokale factoren ook een rol van betekenis spelen bij de prijsontwikkeling. Deze lokale fact oren zijn onder andere: het marktspel van vraag en aanbod, inkomens en koopkracht van de burgers, kosten van bedrijfsvoering voor de ondernemers, spaar en consumptiegedrag van consumenten, inkoop distributie en verkoopbeleid van ondernemers, aanwezige voorraden, teelt van groenten en fruit voor eigen gebruik (en eventueel ook voor de lokale markt), onderlinge afspraken tussen ondernemers, seizoensinvloeden, sociaal economisch overheidsbeleid, investeringen van ondernemers, overheid en particulieren, arb eidsproductiviteit, het monetair beleid van de centrale bank. Ten tweede dat de lokale economie mogelijkerwijs vertraagd en/of niet met dezelfde intensiteit reageert op internationale ontwikkelingen. Ten derde dat het Nederlandse Koninkrijk lees Nederlan d ook bijdraagt c.q. heeft bijgedragen aan de economische ontwikkeling van het eiland door middel van ontwikkelingshulp, schuldsanering, zachte leningen, CFT richtlijnen etc. De lokale economie en dus de prijsontwikkeling op het eiland wordt dus niet alle en benvloed door lokale en internationale factoren maar ook door beleid, afspraken, projecten, activiteiten, richtlijnen, financile en worden aangeduid. 2a) Int ernationale voedselprijzen een voedselprijsindex ( FAO Food Price Index) op grond van de internationale voedselprijzen. Aangezien Curaao voor haar voedsel en overige consumptiegoederen een overwegend importland is, kan deze index gehanteerd worden als een indicator om een verband tussen de prijsontwikkeling van Curaao, met name wat voedingsmiddelen betreft, en de internationale voedselprijsontwikkeling te s chetsen. Dat Curaao overwegend een importland is voor haar consumptiegoederen (o.a. voeding) blijkt uit de Tevens kan het import /exportgoederen van ons eiland in 2012, die tevens indicatief is voor de verhouding in 2015: de import van goederen, exclusief olie en olieproducten bedroeg 2.714 mln AN G, terwijl de export 365 mln

PAGE 22

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 21 ANG bedroeg. 10 De waarde van de gemporteerde goederen bedraagt ruim 7 keer meer dan de waarde van de gexporteerde goederen. In 2015 is er voor het vierde achtereenvolgend jaar sprake van een daling van de FAO Food Price Index (FPI), zowel in nominale als in rele termen. Vergeleken met de drie voorgaande jaren was er in 2015 sprake van een forse daling van de voedselprijzen, namelijk 19 procent: de FPI duikt van 201,8 in 2014 naar 164,0 in 2015. Een vergelijkbare ontwikkeling deed zich voor in 2009, toen de FPI met 20 procent zakte, namelijk van 201,4 naar 160,3. Zie figuur 4 en tabel 8. Aangezien Curaao voor haar voeding een overwegend importland is, zou de logische verwachting zijn dat de gemiddelde voedselprijs op het eil and in 2015 dan ook fors daalt. De gemiddelde voedselprijs op Curaao stijgt echter in 2015, met gemiddeld 4 procent (zie tabel 4). Mogelijkerwijs is er sprake van een vertraagde of onvolledige doorwerking van de internationale voedselprijzen, mede veroorz aakt door locale factoren zoals het marktspel van vraag en aanbod, het voorraad inkoop en verkoopbeleid van de dan alleen de importprijzen. Ook het fe it dat conform internationale CPI richtlijnen de voedingsgroepen bestedingscategorie jnlijk een rol van betekenis in het verklaren van voornoemde discrepantie. 0,8%) goedkoper werd. Deze significante prijsverhogingen en lichte prijsdaling zijn opmerkelijk aangezien deze ontwikkeling tegengesteld is aan de forse internationale prijsverlagingen, blijkend uit de FAO voedselindex, in 2015. Volgens de FAO 10 Bron, www.cbs.cw 2012 zijn de meest recente cijfers die ten tijde van het schrijven van dit artikel, november 2016, in publiciteitsklare vorm beschikbaar zijn.

PAGE 23

Modus Statistisch Magazine 22 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 van 224,1 naar 160,3 ( 181,1 naar 147,0 en ( 19%) suiker van 24 1,2 naar 190,7 ( voedselindex. De FAO voedselindex als geheel daalde van 201,8 in 2014 naar 164,0 in 2015, waaruit kan worden geconcludeerd dat de internationale (impor t)prijzen van voeding in 2015 gemiddeld 19 procent lager waren dan in 2014. Gelet op de lagere internationale voedselprijzen en de lagere benzineprijzen en nutstarieven in 2015, in combinatie met de vrijwel stabiele minimumlonen, lag een significante pri jsdaling in 2015 van de diverse dan de gemeten stijgende trend van de voedselprijzen op ons eiland over het afgelopen jaar. FIGUUR 4 FAO Voedselprijsindex Tourism, petroleum refining, offshore finance, and trade and transpor t are the mainstays of this small economy, which is closely tied to the outside world. Although GDP grew slightly during the past decade, the island enjoys a high per capita income and a well developed infrastructure compared with other countries in the re gion. Curaao has an excellent natural harbor that can accommodate large oil tankers. Venezuelan state oil company PdVSA, under a contract in effect until 2019, leases the single refinery on the island from the government, employing some 1,500 people; most of the oil for the refinery is imported from Venezuela; most of the refined products are exported to the US. Almost all consumer and capital goods are Bron: http://www.economywatch.com/economic statistics/country/Curacao/

PAGE 24

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 23 Food and Agriculture Organization of the United Nations (FAO) prices of a basket of food commodities. It consists of the average of five commodity group price indices, weighted with the average export shares of each of the groups for 2002 2004. Monthly release dates for 2016: 07 January, 04 February, 03 March, 07 April, 05 May, 02 June, 07 July, 04 August, 08 September, 06 October, 10 November, 08 December Bron: http://www.fao.org/worldfoodsituation/foodpricesindex/en/ 23 november 2 01 6

PAGE 25

Modus Statistisch Magazine 24 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 TABEL 8 FAO Voedselprijsindex Bron: http://www.fao.org/worldfoodsituation/foodpricesindex/en/ 23 november 2016.

PAGE 26

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 25 2b) Internationale olieprijzen Een internationale factor die zeer waarschijnlijk een belangrijke invloed heeft op de prijsontwikkeling in Cu raao is de internationale prijs van ruwe olie. Immers, de hoogte van de internationale prijs van ruwe olie kan o.a. invloed hebben op: de hoogte van de lokale benzineprijs; de locale productiekosten (van bijvoorbeeld water en elektriciteit) en vervolgens ook de consumentenprijzen van deze produkten (bijvoorbeeld elektriciteits en watertarieven); transportkosten (land lucht en zeevervoer); kosten van energieverbruik voor koeling (zowel lokaal voor produkten en mensen als tijdens het land zee of luch tvervoer van produkten) en belichting; lokale kosten van waterverbruik voor bijvoorbeeld landbouw. Er kan beredeneerd worden dat respectievelijk verlaging of verhoging van voornoemde kosten te zijner tijd door de producent/verkoper aan de consument doorb erekend zal worden, in de vorm van respectievelijk verlaging of verhoging van de consumentenprijs. In 2015 vertoont de internationale prijs van ruwe olie een forse duik naar beneden, namelijk naar bijna de helft minder dan de prijs in het voorafgaande jaa r (figuur 5). Hiermee is het internationale prijsniveau van ruwe olie in 2015 vergelijkbaar met het niveau in 2005 geworden, namelijk rond de US $ 50 per vat. Sinds 2001 tot en met 2007 zijn de internationale olieprijzen gestaag gestegen van US $ 23 per vat in 2001 naar US $ 69 per vat in 2007, om vervolgens in 2008 fors te stijgen naar US $ 94 per vat. Na een forse daling naar US $ 61 per vat in 2009, is er in 2010 sprake van een significante stijging naar US $ 77 per vat, om vervolgens in 2011 door te schieten naar de recordhoogte van US $ 107 per vat. Deze stijging zet zich licht voort in 2012 (US $ 109) om vervolgens in 2013 en 2014 licht te dalen naar respectievelijk US $ 106 en US $ 96 per vat. Voor wat betreft het jaar 2015 valt op dat de internati onale prijs van ruwe olie met bijna de helft naar beneden keldert van US $ 96 per vat naar US $ 49 per vat, waarmee het laagste prijsniveau sinds 2004 wordt bereikt, toen een vat ruwe olie US $ 36 kostte. De prijs in 2015 is vergelijkbaar met die in 2005 ( US $ 51), maar de halvering van de prijs in n jaar tijd is uniek. (figuur 5 en tabel 9)

PAGE 27

Modus Statistisch Magazine 26 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 De inflatie op Curaao in 2015 is, zoals eerder toegelicht in dit artikel, de enige sinds CBS het inflatiecijfer berekent (1970) over e en kalenderjaar die negatief, dus een deflatie is. De meest opvallende prijsontwikkelingen die zich gedurende 2015 hebben voorgedaan, zijn: 3,0%) zijn goedkoper geworden. Eerstgenoem de door het goedkoper worden van electriciteits waterleiding en kookgasverbruik door huishoudens en de tweede door de daling van de benzineprijzen. In 2015 daalden het consumptief gebruik van benzine, electriciteit, kookgas en leidingwater op Curaao m et respectievelijk 24, 19, 15 en 9 procent in prijs, vergeleken met het prijsniveau in het jaar daarvr. Voedingsprodukten en diensten werden bijna over de hele linie duurder in 2015, resulterend in een gemiddelde stijging van de prijs van de bestedings Deze prijsontwikkelingen op Curaao gedurende 2015 vinden plaats tegen een achtergrond van forse daling van de internationale olieprijs. Er kan beredeneerd worden dat gedurende 2015 de daling van de internationale oliepr ijs vooral op de elektriciteits en watertarieven, de benzineprijzen en de prijs van kookgas op ons eiland een sterk verlagend effect heeft gehad. Benzineprijzen en nutstarieven worden door de overheid gereguleerd. Op de voedselprijzen, die grotendeels doo r het vrije marktspel van vraag en aanbod worden bepaald, was dit verlagend effect niet of nauwelijks zichtbaar c.q. merkbaar.

PAGE 28

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 27 TABEL 9 Internationale olieprijzen 2001 2015 Jaar Prijs per vat ruwe olie (US $) 2001 23,12 2002 24,36 2003 28,10 2004 36,05 2005 50,64 2006 61,08 2007 69,08 2008 94,45 2009 61,06 2010 77,45 2011 107,46 2012 109,45 2013 105,87 2014 96,29 2015 49,49 Bron: www.opec.org 2c) Wisselkoers EURO US dollar Het wettige betaalmiddel van Curaao, de Antilliaanse gulden, is gekoppeld aan de US dollar. Hoe duurder de Euro wordt, dus hoe zwakker de dollar, hoe duurder de import voor Curaao uit de Eurozone: voor 1 Euro dienen meer Antilliaanse guldens neergeteld te w orden. Omgekeerd wordt de export naar de Eurozone goedkoper, dus een dure Euro bevordert het toerisme uit de Eurozone: voor 1 Euro krijgt de toerist meer Antilliaanse guldens c.q. US dollars. De euro dollarkoers in 2015 (1,1095) is de laagste sinds 2002 ( 0,9456). De euro was het duurst in 2008, namelijk 1,4708 US $. De waarde van de euro in 2015 was 25 procent lager dan deze piek. Ten opzichte van 2014 (1,3285) is er sprake van een daling van de waarde van de euro met 16 procent in 2015. Sinds de introduct ie van de euro in 1999 is dit de grootste daling in waarde, een forsere daling dan de tot dan toe record van 13 procent in het jaar 2000. De grootste stijging van de waarde van de euro, met maar liefst 20 procent, deed zich voor in 2003: van 0,9456 naar 1 ,1312. Zie tabel 10 en figuur 6.

PAGE 29

Modus Statistisch Magazine 28 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 TABEL 10 Wisselkoers Euro US$ Jaargemiddelde Daling/stijging 1999 1,0658 (1,07) 2000 0,9236 (0,92) 13% 2001 0,8956 (0,90) 3% 2002 0,9456 (0,95) + 6% 2003 1,1312 (1,13) + 20% 2004 1,2439 (1,24) + 10% 2005 1,2441 (1,24) 0% 2006 1,2556 (1,26) + 1% 2007 1,3705 (1,37) + 9% 2008 1,4708 (1,47) + 7% 2009 1,3948 (1,39) 5% 2010 1,3257 (1,33) 5% 20 11 1,3920 (1,39) + 5% 2012 1,2848 (1,28) 8% 2013 1,3281 (1,33) + 3% 2014 1,3285 (1,33) 0% 2015 1,1095 (1,11) 16% Bron: De Nederlandsche Bank http://www.stati stics.dnb.nl De goedkopere euro is voordelig voor de import uit de Eurozone, maar nadelig voor de export naar de Eurozone, bijvoorbeeld het toerisme uit Nederland. Er kan worden beredeneerd dat deze combinatie van factoren tot gevolg heeft dat het loka le prijspeil van consumptiegoederen en diensten naar beneden gedrukt wordt, resulterend in een inflatie verlagend effect. Dit veronderstelde causale verband werkte echter niet of onvoldoende door op de lokale markt om een zichtbare daling van het prijsniv eau van consumptiegoederen teweeg te brengen in 2015. impo rtprijzen uit de eurozone tot een prijsverlagend effect op de lokale markt zou kunnen leiden. Echter, bestedingscategorien duurder. Dit zou deels te verklaren kunnen zijn door het feit dat het overgrote deel van de gemporteerde goederen van Curaao uit landen buiten de Eurozone afkomstig is. Dit laatste blijkt bijvoorbeeld uit de top 5 importlanden in 2012 10 in welk jaar Cu raao in totaal 2.714 mln ANG aan

PAGE 30

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 29 goederen heeft gemporteerd (exclusief olie en olie producten): Verenigde Staten (1.260 mln ANG), Nederland (442 mln ANG), Puerto Rico (136 mln ANG), Venezuela (104 mln ANG), Panama (102 mln ANG). Nederland, voor Curaa o verreweg het belangrijkste importland uit de Eurozone, neemt weliswaar een 2 e plaats in, maar vertegenwoordigt slechts 16 procent van de totale waarde van de door Curaao gemporteerde goederen. Ter vergelijking: De Verenigde Staten, die de 1 e plaats in neemt, vertegenwoordigt 46 procent van de waarde van goederen die Curaao importeert. Verder kan worden beredeneerd dat de kleine lokale markt en de hoogte van de overige bedrijfskosten waarschijnlijk een rol van betekenis spelen ter verklaring van het nie t of nauwelijks doorwerken van de goedkopere euro in de lokale prijzen. De drie internationale factoren samen bezien en de interactie met lokale factoren In 2015 zijn de internationale voedselprijzen significant en de inter nationale olieprijzen fors gedaald, terwijl import uit de Eurozone door de lage Euro US $ wisselkoers voordeliger is geworden. Op de lokale markt daalden de prijzen van benzine en de nutstarieven (electriciteit, leidingwater, kookgas) fors, waardoor de bes allend, gelet op de significante daling van de internationale voedselprijzen.

PAGE 31

Modus Statistisch Magazine 30 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Op grond van bovenstaande analyse kan derhalve worden geconcludeerd dat met name de ijsontwikkeling, met dalende benzine en nutsprijzen tot gevolg. Deze prijsontwikkeling heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de lichte deflatie van 0,5 procent in 2015. De andere twee internationale factoren lokale consumentenprijzen van goederen en diensten. Vanaf 2009 groeit de economie van Curaao niet of nauwelijks 11 blijkend uit de matige of zelfs negatieve rele groeicijfers: 0,5% (2009), 0,1% (2010 ), 0,6% (2011), 0,1% (2012), 0,8% (2013), 1,1% (2014) en 0,3% (2015). In 2015 gaat deze situatie van economische recessie of stagnatie voor het eerst gepaard met deflatie, dus een daling van het gemiddelde consumentenprijsniveau. In een recessie geen e conomische groei of zelfs negatieve economische groei zijn er minder banen en meer werkloosheid vanwege de lagere omzetten en investeringen van bedrijven en is er sprake van verminderde koopkracht en weinig consumentenvertrouwen. Hierdoor dalen de bestedi ngen, met als gevolg dat het aanbod van goederen en diensten groter is dan de vraag. Dit drukt de consumentenprijzen en leidt vervolgens tot stabilisatie of verlaging van de consumentenprijzen, met als eindresultaat een lage inflatie of zelfs deflatie. Dez e redenering vanuit lokale factoren is een mogelijke verklaring voor de combinatie van een matige rele economische groei en een lichte deflatie in Curaao in 2015. Tezamen met voorgaande analyse, vanuit internationaal perspectief, schetst een beeld van he t samenspel van lokale en internationale factoren en de invloed hiervan op de lokale prijsontwikkeling. Samenvatting en Conclusie In dit artikel is getracht om inzicht te verschaffen in de prijsontwikkeling van Curaao in 2015 door het vanuit drie invalsho eken nader te belichten: de prijsontwikkeling door de tijd heen, de prijsontwikkeling per bestedingscategorie en de prijsontwikkeling vanuit internationaal perspectief. Ook is stilgestaan bij de betekenis van inflatie c.q. deflatie voor de sociaal economie sche ontwikkeling van een land. Inflatie en Deflatie zijn elkaars spiegelbeeld en beiden hebben zowel voordelen als nadelen. Inflatie betekent een stijging van het prijspeil, waardoor de kosten van levensonderhoud stijgen, de koopkracht daalt en de waarde van geld daalt. Door dit laatste worden zowel spaartegoeden als leningen minder waard. Dus sparen wordt nadeliger en lenen voordeliger. Bij deflatie zijn deze effecten juist omgekeerd. Over het algemeen wordt aangenomen dat de economische ontwikkeling co ncreet zichtbaar in de vorm van economische groei, investeerdersvertrouwen, consumentenvertrouwen, omzet & investeringen, koopkracht & bestedingen en werkgelegenheid van een land gebaat is bij prijsstabiliteit of een lichte inflatie of deflatie, in het kader van dit artikel ruim genomen tussen 3 en +3 procent (afgerond). 11 Bron: www.cbs.cw

PAGE 32

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 31 Uit de analyse vanuit tijdsperspectief blijkt dat de inflatie van Curaao over de afgelopen 20 jaar zich meestal binnen voornoemde brandbreedte heeft bewogen. Uitschieters deden zich v oor in 1996 (3,6%), 2000 (5,8%), 2005 (4,1%) en 2008 (6,9%). De prijsontwikkeling van Curaao over 2015 heeft geresulteerd in een inflatieniveau ( 0,5 procent) dat als het enige deflatiecijfer over een kalenderjaar in de geschiedenis van het CBS (sinds 19 70) kan worden beschouwd. In dit licht kan dus gesproken worden van een historisch feit. Dit laatste werd vooral veroorzaakt door de significante verlaging van de nutstarieven (electriciteit, leidingwater en kookgas) in 2015. Uit de analyse in dit artikel blijkt dat in 2015 de daling van de internationale ruwe olieprijs redelijkerwijs door h eeft gewerkt op de lokale nutstarieven en benzineprijzen. Anderzijds was weinig merkbaar in de lokale consumentenprijzen van het significant goedkoper worden van de euro en van het significant goedkoper worden van de internationale voedingsgroepen die door FAO (Food and Agriculture Organization of the United Nations) worden gemeten. Het niveau van de inflatie van Curaao in het jaar 2015 ( 0,5%) is niet uitzonderlijk vergeleken met andere landen wereldwijd, aangezien net als op Curaao in circa drie kwart van de 150 landen die onder de loep zijn genomen, sprake was van een gematigde positieve of negatieve inflatie, tussen 3 en + 3 procent (rekenkundig afgerond) in 2015. Het gaat om in totaal 106 landen die een gematigde positieve of negatieve inflatie heb ben gemeten, onder te verdelen in 36 landen met een matige deflatie of negatieve inflatie en 70 landen met een matige positieve inflatie.

PAGE 33

Modus Statistisch Magazine 32 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Bijlage 1: Geraadpleegde bronnen bij Tabel 5 1. Alge meen Bureau voor de Statistiek in Suriname (ABS), http://www.statistics suriname.org/ 2. CBS, Central Bureau of Statistics Aruba, www.cbs.aw 3. CBS, Centraal Bureau voor de S tatistiek Curaao, 10 februari 2016, Persbericht: febrari 2016, Komunikado pa prensa : 4. CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Nederland, http://statline.cbs.nl 5. CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek Nederland, https://www.cbs.nl/nl nl/achtergrond/2016/02/inflatie caribisch nederland nog steeds negatief 6. Central Statistics Office (CSO) of St. Lucia: www.stats.gov.lc 7. Department of Statistics of the Bahamas, http://statistics.ba hamas.gov.bs 8. Department of Statistics Sint Maarten, STAT, http://stat.gov.sx ; February 19 th 2016, Press release: 9. http://www.eccb centralbank.org/Statistics/#cpidata 10. www.inflation.eu 11. www.rateinflation.com 12. Statistical Institute of Belize, http://www.sib.org.bz/statistics/consumer price index 13. The Statistical Office of St Vincent & the Grenadines, Consumer Price Index Monthly Statistical Bulletin December 2014, http ://www.stats.gov.vc 14. www.tradingeconomics.com 15. http://boj.org.jm/uploads/pdf/inflation_report/inflation_report_dec2015.pdf 16. www.economywatch.com 17. National Economic Report of Bermuda, 2015, Government of Bermuda, Ministry of Finance, February 2016, htt ps://www.gov.bm/sites/default/files/2 015 National Economic Report.p

PAGE 34

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 33 Economic Growth and Labor Market in Curaao, 2013 2015 Irlice Jansen Glenda Varlack Introduction The association between economic growth and labor market represents a key to de velopment. In Curaao, this is of particular relevance in the economic context that the island has been experiencing in recent years. Economic growth is not a means to an end: it is expected to serve people, stimulate (human) development and reduce poverty Economic growth can transform societies, can create jobs, and can improve education and health (DFID, n.d. & Easterly, 1999). There is usually less (infectious) diseases in wealthier countries (DFID, n.d. & UNDP, 2015). Hanushek and Wmann (2010) found that the quality of education has powerful economic effects. Strong economic growth and employment opportunities can improve incentives for parents to invest in their children (DFID, n.d.). In other words, economic growth in combination with e.g. factors of the labor market can generate circles of prosperity and opportunity. An important indicator of the economy is real GDP growth and for the labor market, important indicators are employment to population ratios (also called employment rates) and unem ployment rates. The unemployment rate Curaao, the unemployment rate decreased in 2014 in comparison to 2013 and continued to decrease in 2015 (J ansen, CBS 2016). In particular, it is remarkable that in the past two years the unemployment rate dropped, in view of the estimated negative economic growth in 2013 and 2014 ( 0.8% and 1.1%, respectively) and the estimated slight growth in 2015 (0.3%; CB S, 2016a). In addition, it is worth mentioning that there has been an increase of 4.3 percentage points in the employed population in 2015 in comparison to 2014, while the economy has been experiencing stagnation. In this article, the authors will explore several indicators of economic growth and labor market in Curaao for the years 2013 2015, in order to illustrate the interrelations bet ween these two entities. First of all the theoretical framework, methodology and definitions will be described. Second ly, an overview of the historical developments in the labor market and economy will be given, followed by a presentation of the essentials of economy and labor market for 2013 2015. Finally, a discussion and conclusion about the topic will be presented. T heoretical framework Economic growth is the quantitative change or expansion of a country's economy and is usually measured as the percentage increase in Gross Domestic Product (GDP) or Gross National Product (GNP) during one year (World Bank Group, 200 4) This increase in GDP or GNP implies there is an increase in

PAGE 35

Modus Statistisch Magazine 34 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 the value of national output or national expenditure. Labor market can serve as an effective mechanism for contributing to economic growth and for transmitting the gains from economic growth. Labor market is the structure that allocates labor to its most productive use and functions through the interaction of those who supply labor services (workers) and those who demand labor services (employers). Labor represents the human factor in producin g the goods and services of an economy. People provide their labor to businesses in exchange for wages and they trade their unpaid leisure time for paid work time to make a living and to be able to purchase goods and services. Businesses, in turn, use this labor to produce goods and services demanded by consumers. The total output (GDP) of an economy is shown as being produced by different factors of production, with capital and labor being the primary ones in modern economies (although land and natural res ources can also be included). W hen economic growth is achieved through more productive use of all resources, including labor, it results in higher per capita income and improvement in people's average standard of living. It enables consumers to enjoy more goods and services. However, w hen an economy grows extensively it does not by definition result in higher income per capita. It may well increase the employed population because companies tend to employ more workers creating more employment which is crucial for development. A positive relationship called employm ent elasticity has been described between economic growth and employment, mainly in developed economies (Kapsos, 2005 & ILO, OECD, World Bank Group, IMF, 2015). Nevertheless, in developing economies, changes in informal employment could dampen the effect of growth cycles on formal employment (UNCTAD, 2012). An association between economic growth and 2000). The underlying principle behind this law is that economic growth and unemployment have a negative relationship. Methodology or the years 2013 2015. An overview of the indicators that will be used is presented in Table 1. In addition, historical developments between employment and real GDP growth on one hand and unemployment and real GDP growth on the other hand will be presente d in order to visualize longitudinal patterns of these indicators.

PAGE 36

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 35 Table 1. Indicators Demography Inhabitants by gender and by age Immigrants by country of previous residence and by country of birth Economy GDP per capita Nominal GDP growth Inflation rate Real GDP growth Labor market Labor force participation rate Unemployment rate Youth unemployment rate Employment to population ratio Vacancies Demographic indicators are derived by data obtained from the population registr y database of the Registry office. E conomic indicators are estimated on the basis of volume in the production process and economic development. 12 These economic indicators are statistics that indicate the current status of a particular area of the economy (such as industry, trade, etc.). Indicators of the labor market, describing the demand side and supply side of this market respectively, are measured through the yearly Labor Force Survey (LFS) and the 2014 Business Census. Definitions Employed population : all persons of 15 years and older who during the LFS had a job or have their own business; or who during the week preceding the research period performed any work for pay in cash or in kind, for 4 hours or more. Employmen t to population ratio (employment rate): age population that is employed. Foreign born immigrant : a person who immigrated to Curaao and whose place of birth is outside Curaao. 12 T he data that are used for the years 2013 2015 are estimations; these data become fixed when the National Account report is publicized. The latest publication based on the System of National Accounts (SNA) relates to data of the year 2012.

PAGE 37

Modus Statistisch Magazine 36 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 GDP : gross domestic product is an aggr egate measure of production equal to the sum of the gross values added of all resident institutional units engaged in production plus any taxes, and minus any subsidies, on products not included in the value of their outputs (United Nations, 2016). GNP or GNI : gross national product is GDP less net taxes on production and imports, less compensation of employees and property income payable to the rest of the world plus the corresponding items receivable from the rest of the world (United Nations, 2016). Note that gross national income (GNI) is identical to GNP as previously used in national accounts. Immigrant : any person, regardless of country of birth, who has changed his or her country of (usual) residence to Curaao, meaning he or she has moved from abro ad (including the islands that formerly constituted the Netherlands Antilles, other than Curaao) to reside in Curaao. Labor force: the total number of persons who are employed added to the total number of persons who are unemployed. Labor force partici pation rate : the number of persons in the labor force as a percentage of the working age population. Unemployed population : all persons of 15 years and older who during the LFS did not have a job or a business of their own; and actively had been seeking w ork in the preceding month of the research period; and who were available to start working or start a business within two weeks. Unemployment rate : the number of unemployed persons as a percentage of the labor force. Youth unemployment rate : the unemploym ent rate in the age category of 15 24 years. Historical developments in the labor market and economy The historical developments in the labor market and economy are visualized in figure 1 and figure 2 for the years 1992 2015. 13 Figure 1 shows the percentag e change of employment to population ratios and real GDP growth rates. A positive relationship between employment and economic growth was visible in some years (e.g. years 1994, 2006, 2007, 2015), whereas in other years this was not the case. There were y ears during which employment decreased, while a positive economic growth was measured (e.g. years 1998, 2001), but 13 In the year 1996 there has been a trend break in the real GDP growth due to the introduction of a new System of National Accounts, therefore no percentag e change are presented for real GDP growth for the years 1996 1997. In the years 1999, 2010, and 2012 there has been no Labor Force Survey; mean values were imputed for unemployment rates in order to calculate percentage change for the corresponding years.

PAGE 38

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 37 there were also years during which employment increased, while the country experienced negative economic growth (e.g. years 1992, 1993, 2003, 2008). to population ratio and real GDP growth, 1992 201 5 Figure 2 illustrates the percentage change in unemployment rates and real GDP growth rates. In certain years, a negative relationship between economic growth and unemployment was visible. For instance, in 1994 the real GDP growth increased in comparison to 1993 while the unemployment rate dropped in the same year. A comparable relationship was also visible in the ye ars 2000, 2002, 2006, 2007 and 2015. However, there were years where both variables moved in the same direction (e.g. 2000 2001) showing no constant relationship between real GDP growth and unemploymen t 2015

PAGE 39

Modus Statistisch Magazine 38 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Demography The population of Curaao consisted of 152,798 persons per January 1, 2013 and grew by 2.7 percent in the following two years, registering a total of 156,971 persons as of January 1, 2015 (Table 2). The increase in the population wa s mainly due to an increase in the number of people of 25 years and older. 2015 2013 2014 2015 Total number of inhabitants per January 1 152,798 154,846 156,971 N % N % N % Number of inhabitants: men 69,860 45.7 70,824 45.7 71,713 45.7 Number of inhabitants: women 82,938 52.3 84,022 54.3 85,258 54.3 Number of inhabitants: 0 14 years 29,341 19.3 29,450 19.0 29,789 19.0 Number of inhabitants: 15 24 years 19,312 12.6 19,531 12.6 19,682 12.5 N umber of inhabitants: 25 64 years 81,796 53.5 82,741 53.4 83,480 53.2 Number of inhabitants: 65+ years 22,349 14.6 23,124 14.9 24,020 15.3 In general, population growth is to a considerable extent determined by the difference in birth and death. Howe ver, population growth in Curaao in the years 2013 2015 can be mainly attributed to an increase in the number of immigrants as the number of births, deaths, and the number of emigrants remained relatively stable during this period (CBS, 2016b). In fact, m igration is a major factor contributing to changes in the size and composition of the population in Curaao (ter Bals, CBS 2014). A growth in we wi ll focus only on the population who immigrated to Curaao, as the information of the population The influence of immigration on labor market depends strongly on the skills of th e migrants, the skills of Vargas Silva, 2015). In 2013 2015, a total of 11,724 persons (5,519 persons in 2013 2014 and 6,205 persons in 2014 2015) immigrat ed to Curaao. Table 3 gives an overview of the country of previous residence and the country of birth of the persons who immigrated during th e years 2013 2014 and 2014 2015

PAGE 40

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 39 Table 3. Percentage of immigrants by country of previous residence and by co untry of birth Years: 2013 2014 N = 5,519 Country of previous residence Country of birth Netherlands 63.5 Aruba, Bonaire, Curaao, Saba, St. Eustatius, St. Maarten 43.7 Aruba, Bonaire, Saba, St. Eustatius, St. Maarten 6.6 Netherlands 27.2 Dominican republic 5.1 Dominican republic 5.7 Colombia 2.8 Colombia 3.2 Venezuela 2.7 Venezuela 2.7 United States 2.5 China 2.4 China 2.2 Haiti 1.9 Haiti 1.8 India 1.5 India 1.4 United States 1.3 Other 9.8 Other 10.3 Unknown 1.4 Unknown 0 Years: 2014 2015 N = 6,205 Country of previous residence Country of birth Netherlands 56.7 Aruba, Bonaire, Curaao, Saba, St. Eustatius, St. Maarten 35.5 Dominican republic 6.4 Netherlands 28.0 Venezuela 5.8 Dominican republic 7.1 Aruba, Bonaire, Saba, St. Eustatius St. Maarten 5.7 Venezuela 5.7 Colombia 4.2 Colombia 4.6 China 2.9 China 3.1 United States 2.6 India 2.3 Haiti 2.1 Haiti 2.2 India 2.1 United States 1.6 Other 9.6 Other 9.9 Unknown 1.9 Unknown 0 The majority of the population who migrated to Cura ao departed from the Netherlands (63.5% in 2013 2014 and 56.7% in 2014 2015) and a large percentage of the population who immigrated had one island

PAGE 41

Modus Statistisch Magazine 40 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 of the former Netherlands Antilles including Aruba as their country of birth (43.7% in 2013 2014 and 35.5% in 2014 2015). When analyzing the country of birth of the persons who migrated to Curaao from the Netherlands (data not shown), 54.4 percent (2013 2014) and 48.7 percent (2014 2015) was born on an island of the former Netherlands Antilles including Aruba but also a high percentage was born in the country where they departed from, being the Netherlands (40.6% in 2013 2014 and 46.4% in 2014 2015). These latter percentages of foreign born immigrants could reflect family members of local persons who are migr ating to the country of birth of their family, but it could also reflect migrants who have no historical bound or workers, but also immigrants. Especially as the median age of the immigrants who immigrated during 2013 2014 was 28 years (inter quartile range (IQR) 17 41 years) and also 28 years (IQR 18 41) during 2014 2015. This median age is an age that people would likely be part of the labor force. In add ition, the IQR reflect ages that people could be working or looking for a job. The impact of immigration on employment of current workers in a country critically depends on whether and to what extents the skills of the immigrants is complemental or substi tutional to the skills of the local workers (Ruhs and Vargas Silva, 2015). In Curaao, the Ministry of Social Development, Labor, and Welfare (SOAW) received about 4,000 applications from immigrants for work permits in 2015 (Ministry of SOAW, 2016). Their applications concentrated mainly on jobs requiring low educational level, which is the educational level of about half of the local unemployed workers who are looking for a job. In 2014 and 2015, 51.7 percent and 54.4 percent of the unemployed population r espectively had a second level, first stage education or lower (meaning VSBO, HAVO year 1+2, VWO years 1+2 or equivalent) (Jansen, CBS 2016). In theory, this could lead to competition between immigrants and local workers on jobs r equiring low educational l evels Economy and labor market Economy increased in 2014 in comparison to 2013 by 0.3 percent and when taking into account inflation, the real growth tur ned out to be negative ( 1.1%). The real growth in 2013 was also negative ( 0.8%). In 2015, the nominal GDP decreased by 0.2 percent in comparison to 2014 and when taking into account inflation, the economy showed a slight real growth of 0.3 percent. A neg ative inflation rate of 0.5 has been calculated for 2015. This is the first time, since the CBS has been calculating inflation in Curaao (1970), that a negative inflation has been registered over a calendar year. A possible effect of negative inflation f or the economy could be an increase in the purchasing power (Bomberg, 2016). This could lead to more financial capability to buy products and services. Nevertheless, it has to be taken into account that the GDP per capita (average income per person) decrea sed during 2013 2015 from ANG 36,628 to ANG

PAGE 42

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 41 35,713. GDP per capita is a measure of economic activity and one of the core indicators of economic performance (OECD, 2015). Table 4. Economic indicators, Curaao 2013 2015 2013 2014 2015 Gross Domestic Pro duct (GDP, ANG mln.) 1 5,634 5,654 5,642 GDP per capita (ANG) 1, 36,628 36,262 35,713 Nominal GDP growth (%) 1 0.5 0.3 0.2 Inflation rate (%) 1 1.3 1.5 0.5 Real GDP growth (%) 1 0.8 1.1 0.3 1 Estimated by Central Bureau of Statistics, Curaao B ased on mid year population Labor market The proportion of the population who were available to supply labor in Curaao (labor force participation rate) decreased from 59.9 percent in 2013 to 54.8 percent in 2014 and increased to 55.7 percent in 2015 (T able 5). Table 5. Percentage of labor force indicators, Curaao 2013 2015 2013 2014 2015 Labor force participation rate 59.9 54.8 55.7 Unemployment rate 13.0 12.6 11.7 Youth (15 24 years) unemployment rate 37.2 33.2 29.7 Employment/population 15+ years 52.1 47.9 49.2 The variation in labor force participation rate is visualized in Figure 3. Likewise, the variation in employment to population ratio and unemployment rate is pictured. Additional analysis, focusing on age groups, indicated that the direction of variance for the participation rate and the employment to population ratio were similar in the age groups between 15 years and 54 years. Thus, the participation rate and the employment to population ratio both dropped in 2014 in comparison to 2013 and increased again in 2015 in the age groups 15 24 years, 25 34 years, 35 44 years, and 45 54 years (data presented in reports of LFS 2013 and 2014 02015). Nevertheless, it has to be mentioned that the drop between 2013 and 2014 (for both indicat ors) was steeper in the age group 15 24 years in comparison to the other age groups.

PAGE 43

Modus Statistisch Magazine 42 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Participation rate Employment rate Unemployment rate Figure 3. Variation in labor force participation rate, employment to population ratio, and unemployment rate, by sex, 2013 2014 and 2014 2015 Also worth menti oning is the fact that from 2014 onwards the age groups 55 64 years and 65+ years are being presented for the first time due to changes in local policies regarding the age of retirement (retirement age changed from 60 years to 65 years). Therefore, caution should be taken when inter preting results in these age groups. For this reason, no comparison in the participation rate, employment to population ratio and unemployment rate for these age groups will be presented in this article. ate decreased slightly from 13.0 percent in 2013 to 12.6 percent in 2014 and continued to decrease to 11.7 percent in 2015 (Table 5). The majority of the unemployed persons were born in Curaao (Table 6). Table6. Country of birth of unemployed persons, 2 013 2015 2013 2014 2015 Number of unemployed persons (N) 9,512 8,555 8,198 Curaao (%) 78.1 79.9 73.6 Aruba, Bonaire, Saba, St. Eustatius, St. Maarten (%) 1.0 2.0 0.8 Netherlands (%) 3.2 1.3 3.5 Other (%) 17.4 17.0 22.1 Unknown (%) 0.2 0.0 0.0

PAGE 44

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 43 A breakdown by gender indicated that the direction of variance for unemployment rate in the years 2013 2015 was different for men and women (Figure 3). The subsequent drop in the unemployment rate occurred only among women (women unemploy ment rate 2013, 2014, and 2015: 15.4%, 13.8%, and 12.8% respectively). The unemployment rate among men increased slightly in 2014 in comparison to 2013 and decreased again in 2015 (men unemployment rate 2013, 2014, and 2015: 10.5%, 11.3%, and 10.5% respect ively). An analysis by age group indicated that the subsequent drop in unemployment rate occurred in the age groups 15 24 years and 25 34 years. The unemployment rate in age group 35 44 years increased in 2014 in comparison to 2013 and decreased again in 2015 (35 44 years unemployment rate 2013, 2014, and 2015: 10.5%, 13.1%, and 10.0% respectively). In age group 45 54 years, it remained relatively stable in 2014 in comparison to 2013 and increased in 2015 (45 54 years unemployment rate 2013, 2014, and 2015 : 8.8%, 8.9%, and 9.7% respectively). In 2014, a total of 1,050 jobs were available in Curaao (Ministry of Economic Development, 2016). Most motorcycle As presented in table 7, most of the employed persons in 2014 were also working in these three industries. Besides, a large amount of the unemployed persons in 2014 (N=8,555) were looking for a job in these industries. Approximately, 9 percent of the unemployed population in 2014 reported

PAGE 45

Modus Statistisch Magazine 44 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Table 7. Percentage of economic activity of employed population, 2013 2015 2013 2014 2015 ISIC rev. 3 ISIC rev. 4 ISIC rev. 4 Agriculture, forestry, fishing, mining, and quarrying 0.4 0.6 0.2 Manufacturing 6.2 7.2 6.1 Electricity, gas and water supply (utility) 1 1.9 1.9* 2.3* Electricity, gas, steam and air conditioning supply 0.7 1.2 Water supply; sewerage, waste management and remediation activities 1.2 1.1 Construction 7.5 6.6 6.5 Wholesale and retail trade; repair of motor vehicles and motorcycles 18.9 16.8 17.4 Transport, storage & communication 1 8.0 8.5* 8.1* Transportation and storage 5.3 5.3 Information and communication 3.2 2.8 Accommodation and food service activities 9.6 8.9 8.4 Financial and insurance activities 7.1 7.1 7.5 Real estate, renting and business activities 1 10.4 10.0* 10.5* Real estate activities 0.7 0.6 Professional, scientific and technical activities 3.7 3.4 Administrative and support service activities 5.6 6.5 Public administration and defense; compulsory social security 7.4 8.4 6.6 Education 5.5 4.9 4.3 Human health and social work activities 8.4 9.7 9.7 Other community, social and personal service activities 1 4.4 4.8* 5.2* Arts, entertainment and recreation 2.5 2.5 Other service activities 2.3 2.7 Activities of households as employers; undifferentiated goods and services producing activities of households for own use 3.3 2.9 3.3 Activities of extraterritorial organizations and bodies 02 0.4 0.3 Unknown/not reported 0.8 1.3 3.7 1 International Standard Industrial Classification (I SIC) rev. 3 for 2013, 2014 and 2015 Combination of economic activities based on ISIC rev. 4 is used in order to make comparability with ISIC rev.3 Of the available jobs in 2014 (N=1,050), about 20 percent were new jobs openings in that year (Ministry o f Economic Development, 2016). The greater proportions of new jobs openings were in the industries: er of job availability in 2013 and 2015, it is not possible to evaluate this development over time.

PAGE 46

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 45 Employment and economic activities in sector and industries When analyzing the labor market it is important to look at the industries and sectors where the employed population works. There are industries and sectors which require a large amount of workers industries and sectors do not require a large amount of personnel. The interrelation between employment and economic activities in sectors and industries will be explored to see if economic progress or decline in a sector or industry has influenced the employment share in those sector and industries in the year s 2013 2015. An analysis of a select amount of industries and sectors will be taken into account by observing the change in the percentage contribution to the total GDP per industry. Agriculture, fishing and mining The developments in the industry of agric ulture, fishing and mining in Curaao are mainly measured on the basis of the production of sand and blocks, thus mining. The participation of agriculture and fishing are of less impact. The overall contribution of these industries to the GDP decreased by 4 percent in 2013 and by 4.1 percent in 2014, but increased by 4.5 percent in 2015 (Table 8).

PAGE 47

Modus Statistisch Magazine 46 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Table 8. Percentage real change in estimated Gross Domestic Product (GDP) by sector and industry, 2013 2015 2013 2014 2015 Non financial corp orations A+B+ C Agriculture, fishing and mining 4.0 4.1 4.5 D Manufacturing 0.8 0.9 4.0 E Electricity, gas and water supply 3.4 2.4 5.1 F Construction 1.0 2.8 9.0 G Wholesale and retail trade; repair of motor vehicles and motorcycles 8.6 3.2 2.0 H Hotels and restaurants 1.6 5.4 2.7 I Transport, storage and communications 3.4 2.8 7.4 K Real estate, renting and business activities 0.7 2.3 4.9 M Education private 6.3 2.2 1.8 N Health and social work 1.1 1.5 0.2 O Other community social and personal service activities 0.8 0.6 6.3 Financial corporations J Financial intermediation 0.6 2.1 0.7 Government 1.3 3.6 3.9 Households & Non profit institutions serving households 7.7 1.7 1.8 Total value added gross, market prices 0.3 0.2 0.5 Plus taxes less subsidies on products 8.7 0.6 1.0 minus FISIM 4.3 9.6 5.9 Domestic product gross, market prices (nominal) 0.5 0.3 0.2 Inflation 1.3 1.5 0.5 Real GDP growth 0.8 1.1 0.3 The developments in sand and blocks run mostly parallel with developments in the construction industry (Table 8). Though, the production of these mining products is not totally dependent on the local market, but also depends on export to other countries. The share of the employed popu lation in this industry has been fluctuating from 0.4 percent in 2013 to 0.6 percent in 2014 and to 0.2 percent in 2015 (Table 7). Therefore, an increase in the added value of this industry in 2013 2015 did not mean an increase in the share of the employed population.

PAGE 48

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 47 Manufacturing The contribution of the manufacturing industry to the GDP has decreased by 4 percent in 2015. This decrease is mainly attributed to the decline in refining production. Other indicators in this industry such as ship repair and ot her small manufacturers indicated an increase, but the drop in refining had a dominant impact on the overall industry. The employment shares for the years 2013 to 2015 remained almost at the same level with respectively 6.2 percent, 7.2 percent, and 6.1 pe rcent of the employed population. Electricity, gas and water supply The overall utility production showed a negative economic growth rate in the years 2013 through 2015 (Table 8). Hereby, the production of water (measured by cubic meters) and electricity (measured by kilowatt/hours) are taken into account. The volume of electricity generation in 2015 has decreased with about 6 percent compared to the 2014 levels, while water production showed a decrease of about 3 percent (data not shown). Regarding employ ment, the employment share remained the same for 2013 and 2014 with 1.9 percent, while in 2015 it increased to 2.3 percent (Table 7). Basically, there was a decrease in utility production (possibly due to alternative energy), while the share of workers in this sector has increased. Construction In this industry a substantial change has been observed in the economic parameters in the years 2013 2015. There were increases in the investment of finished works and there were still construction in ongoing projec ts for 2015. The activities in the industry of construction have increased with 9 percent in 2015 (Table 8). However, this was not the case for the prior years. In 2013 and 2014, there was a decrease of 1 percent and approximately 3 percent respectively. I n other developments in this industry it is viewed that the employment share decreased in this industry. In 2013, 7.5 percent of the employed population was working in this industry, while in 2014 and 2015 this figure was respectively 6.6 percent and 6.5 p ercent (Table 7). Wholesale and retail trade; repair of motor vehicles and motorcycles The main indicator for trade is the development in the import of merchandise. This industry has experienced a decline in the activities of 8.6 percent in 2013 (Table 8) and a decline was also a fact in 2014 ( 3.2%) and in 2015 ( 2.0%). The trade industry has the largest share of the employed population in Curaao; it ranges from almost 19 percent in 2013 to around 17 percent in 2015 (Table 7). This shows that the economic activities in this industry moved in the same direction as the employment population in this industry in the period 2013 2015; both declined in the aforementioned period. Hotels and restaurants The output of hotels and restaurants industry has been on a p ositive note in 2013 (1.6%) and 2014 (5.4%), which are used to measure the developments. The Curaao tourism industry has experienced a steady grow th in stay over nights up to 2015. The amount of stay over nights by tourists in hotels was 3,739,158 nights in 2013 and increased to 3,971,630 nights in 2014 (about 6% increases). In 2015 however, the stay over nights experienced a decline that amounted t o 3,854,404 nights, which is about 3 percent drop

PAGE 49

Modus Statistisch Magazine 48 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 compared to 2014. The results in activities of hotels and restaurants industry over the subsequent years do not correlate completely with the movements in employment in this industry. Employment share in t his industry has experienced a minor fall from 2013 to 2015 from respectively 9.6 percent to 8.9 percent, to 8.4 percent (Table 7). This may be due to the uncertain nature of this industry which is heavily dependent on international developments. Transport storage and communication Transport, storage and communication have a significant decrease in the economy of 7.4% in 2015. This is mainly observed in the diminished activities in the harbor. The share of the employed population remained fairly constant through 2013 to 2015 and was about 8 percent through the years (Table 7). This shows a certain degree of stability through the years of which fluctuations have been kept to a minimum. Health and social work In the industry of health care there has been a s light shrinkage in activity of 0.2 percent in 2015. This decrease was due to negative business revenue. In the years before, there has been a decline of around 1 percent in 2013 and an increase of 1.5 percent in 2014 (Table 8). Health and social work is in the top three ranking where the greatest share of people is employed. Regarding labor, the employment share that has been observed in this industry was about 10 percent for 2014 and 2015; in 2013 it was about 8 percent (Table 7). This shows that the econo mic activities not necessarily influenced the employment availability in this industry in the period 2013 2015. Financial intermediation In the industry of financial intermediation there has been a positive development (0.7%) for 2015, after two years of s teady decline (Table 8). A weighted financial index consisting of the balance of the off shore commerce operation remainder (the inflow export services minus outflow import services) and the supplied loans by the commercial banks is used as indicator for t his industry. In the years 2013 2015, the share of employed persons in this industry remained almost stable at around 7 percent. Government The major indicators for this institutional sector are the amount of civil servants and other government indicators such as government consumption and investment in the different government industries. After a decline in the output of the government sector in 2013 and 2014 ( 1.3% and 3.6%, respectively), an increase of almost 4 percent has been viewed in 2015 (Table 8 ). The share of the employed population in this industry has been fluctuating through 2013 to 2015. It has increased from about 7 percent in 2013 to 8 percent in 2014, followed by a decline reaching almost 7 percent in 2015 (Table 7). The latter is most li kely influenced by the general hiring freeze that is in effect in this sector. Households & Non profit institutions serving households This institutional sector has shown a positive growth of about 2 percent in 2014 and 2015. In 2013, there was a sharp de cline of 7.7 percent in the economic output. In this sector all small activity businesses are included with the nonprofit organizations. The share of the employed population in this industry has been fluctuating around 3 percent in the years 2013 2015.

PAGE 50

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 49 The interrelation between employment and economic activities in some sectors and industries showed that economic progress or decline in these sectors or industries have influenced the employment share in those sector and industries in the years 2013 2015. How ever, in some industries and sectors, economic activities did not correlate with movements in the employed population in this industries or sectors. Discussion and conclusion f the estimated negative economic growth in 2013 and 2014 and the low rate of economic growth in 2015. Similar to the unemployment rate, both the labor force participation rate as well as the employment to population ratio dropped a steeper drop than the unemployment rate between 2013 and 2014. Between 2014 and 2015, a small increase in both indicators (labor force participation rate and employment to population ratio) has been registered. In 2014, about 20% newly jobs have been created in Curaao and t he employed population increased by 4.3 percentage points in 2015 in comparison to 2014. The fall in the unemployment rate from 13.0 percent in 2013 to 11.7 percent in 2015 is probable not completely the result of job creation in 2014, but principally due to lesser people participating in the labor force. The development of decreasing unemployment rate and decreasing labor force participation rate and employment to population ratio in recent years have also been registered in other parts of the Caribbean and Latin America (ECLAC & ILO, 2016). Generally, a falling labor force participation rate is not per se good news and a decreasing trend cannot be sustained over time. Nevertheless, it tends to be less disadvantageous for a country when it occurs mainly among young people, provided that they are staying longer in education (ECLAC & ILO, 2016). As indicated in this article, the drop in the labor force participation rate between 2013 and 2014 was steeper in the age group 15 24 years in comparison to the oth er age groups. In addition, additional results of the LFS indicated that a higher percentage of the unemployed youngsters in 2015 (about 20%) attended a daytime education in comparison to the unemployed youngsters in 2014 (about 12%). In a period of two y ears, a total of 11,724 persons immigrated to Curaao. In establishing the interrelation between immigration and economic and labor market outcomes is the fact that immigrants may be disproportionately attracted to countries with strong economic performan ce. This may not be the case for Curaao, which has a negative and low economic output for 2013 2015, but perception wise Curaao may but also immigrant s. Given that the skills of these immigrants replace the skills of local workers, immigration can be expected to increase competition in the labor market and possibly downgrade salaries (Ruhs and Vargas Silva, 2015). On the other hand, if the skills of the immigrants and local workers combine in such a way they enhance or emphasize the qualities of each other (complementary), productivity in the country will increase which can be expected to lead to a rise in the salaries of all workers.

PAGE 51

Modus Statistisch Magazine 50 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 As described in th e results, the majority of the job applications of immigrants in Curaao in 2015 were jobs requiring low educational levels, which represent the education level of half of the unemployed population in Curaao. Therefore, competition on the labor market bet ween local workers and immigrants could be possible. In addition, these immigrants could accept jobs at lower wages, thus creating stagnant wages for locals. However, whether and to what extent decreasing salaries increase unemployment among existing local workers depends on their willingness to accept new lower salaries (Ruhs and Vargas Silva, 2015). International Monetary Funds (IMF) projected a decli ning trend in our labor productivity for the years 2012 to 2016 (IMF, 2014). By taking into account the declining labor productivity, the decreasing GDP per capita in the years 2013 2015, and the increase in the employment to population ratio in 2015, it i s economy that grows extensively does not result in higher income per capita and productivity, but may increase the employed population (World Bank Group, 2 004). In terms of employment, both the decrease in the employed population in 2014 in comparison to 2013 and the increase in 2015 in the LFS were visible in other statistics. Information from the Ministry of SOAW concerning application for work permits as well as information on the amount of workers patterns as observed in the LFS. Nevertheless, it has to be taken into account that countries with high level of inf ormality can have difficulties to measure the exact size of their employed population through a LFS (ECLAC and ILO, 2016). Movements in and out of informal, low quality employment could diminish employment in the formal economy as captured in official stat istics. At present, it is unknown what the size of informality is in Curaao, making it sometimes difficult to understand the real association between economy and labor market. Consequently, there were interrelation between the economic growth and the empl oyment share in some sectors and industries. However, this was not the case in all sectors and industries. In order to better understand the dynamics of labor market in combination with economic growth, it is necessary to analyze the amount of the employe d population by economic activity for the years 2014 onwards. This will give a broad insight on the changes in the employed population in each economic activity. Furthermore, it is utmost necessary to investigate results of the LFS in combination with the results of the National Accounts in order to get more insight in the relation between labor market and economy. In summary, a stagnant economic growth in Curaao in the last few years together with labor market dynamics that has experienced changes is cert ainly a challenge. For a turnaround it is desirable to enforce the declining unemployment rate and foster economic growth that will serve the society as a whole. Moreover, it is desirable to take measurements that will fortify labor productivity and furthe r

PAGE 52

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 51 increase the labor force participation rate. Nevertheless, it should be kept in mind that the International Labor Organization warns for increasing unemployment in the coming years, as the global economy has entered a new period combining slower growth, widening inequalities and turbulence (ILO, 2016). References Bals, M. ter (2014). Demography of Curaao. Publication Series Census 2011. Willemstad, Curaao: Central Bureau of Statistics, Curaao. Bomberg S. (2016). Deflatie Curaao 2015: een verkennende analyse. Modus Statistisch Magazine Jaargang 14, No. 1, pp 21 24. Central Bureau of Statistics, Curaao (2013). Resultaten Arbeidskrachtenonderzoek (AKO) Curaao 2013. Willemstad, Curaao: Central Bureau of Statistics, Curaao. Central Bureau of Statistic s, Curaao (2016a). Curaao GDP by sector and industry 2000 2015. Retrieved August 1, 2016 from http://www.cbs.cw/website/statistical infor mation_229/item/economy amp finances tables 2015_178.html Central Bureau of Statistics, Curaao (2016b). Historical series population Curaao 1938 2015 herzien. Retrieved March 14, 2016 from http://www.cbs.cw/website/statistical information_229/item/population tables_157.html Department for International Development (n.d.). Growth. Building jobs and prosperity in developing countries. Retrieved July 2 9, 2016 from http://www.oecd.org/derec/unitedkingdom/40700982.pdf Easterly W. (1999). Life during growth. Journal of Economic Growth, 4 (3), 239 276. Economic Commission for Latin Ameri ca and the Caribbean, ILO (2016). Employment Situation in Latin America and the Caribbean: Universal social protection in labor markets with high levels of informality. Retrieved March 14, 2016 from http://www.ilo.org/global/publications/books/WCMS_368318/lang -en/index.htm Eustatius D. (2015). Afname arbeidsproductiviteit in Curaao zet voort in de periode 2009 tot en met 2011. Modus Statistisch Magazine Jaargan g 13, No. 4, pp 43 53. Hanushek E.A. & Wmann L. (2010), Education and Economic Growth Retrieved August 11, 2016 from ht tp://hanushek.stanford.edu/sites/default/files/publications/Hanushek%2BWoessmann%20 2010%20IntEncEduc%202.pdf

PAGE 53

Modus Statistisch Magazine 52 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Hussmanns, R. (2007). Measurement of employment, unemployment and underemployment Current international standards and issues in their appl ication. Retrieved March 30, 2016 from http://ilo.org/public/english/bureau/stat/download/articles/2007 1.pdf International Labour Organization (2015). Key inidcators o f the labour market (KILM) 2015. Retrieved August 2, 2016 from http://www.ilo.org/global/statistics and databases/research and databases/ki lm/lang -en/index.htm International Labour Organization (2016). ILO Director Retrieved October 12, 2016 from http://www.ilo.org/global/about the ilo/newsroom/news/WCMS_498367/lang -en/index.htm International Labour Organization (2015). Unemployment on the rise over next five years as inequality persist. Retrieved August 17, 201 6 from http://www.ilo.org/global/about the ilo/newsroom/news/WCMS_336884/lang -en/index.htm International Labour Organization, OECD, World Bank Group, In ternational Monetary Funds (2015). G20 labour markets: report prepared for the G20 Labour and 4 September 2015) Ankara, Tu rkey. International Monetary Funds (2014). Kingdom of the Netherlands Curaao and Sint Maarten. IMF Country Report No. 14/239. Retrieved October 12, 2016 from https://www.imf.or g/external/pubs/ft/scr/2014/cr14239.pdf Jansen, I. (2016). Supply Side of the Labor Market of Curaao: Labor Force Survey 2014 2015 Willemstad, Curaao: Central Bureau of Statistics, Curaao. Kapos, S. (2005). The employment intensity of growth: Trends and macroeconomic determinants. Employment Strategy Paper, No. 2005/12 Employment Strategy Department. Geneva, Switzerland: International Labour Organization Lee, J. (2000). Journal of Macro economics Vol. 22, No. 2, pp. 331 356

PAGE 54

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 53 Ministry of Economic Development. (2016, August 16). Business Census Korsou 2014 Retrieved from http://businesscensus.cw/business census 2014 re sults/ Ministry of Social Development, Labor, and Welfare. (2016). Fact sheet: Nationaliteiten, aantal en functies Willemstad, Curaao: Sector arbeid. OECD (2015), GDP per capita growth components (indicator) doi: 10.1787/02c02f63 en. Retrieved on Septe mber 26, 2016 from https://data.oecd.org/lprdty/gdp per capita growth components.htm Okun, A.M. (1962). Potential GNP and its measurement and significance. American Statist ical Associatio, Proceedings of the Business and Economics Statistics Section 98 104. Ruhs M. & Vargas Silva C. (2015). Briefing. The labour market effects of immigration. Retrieved July 20, 2016 from http://unctad.org/en/PublicationsLibrary/webgdsdsi2012d2_en.pdf United Nations (2016). National accounts main aggregates database, glossary. Retrieved August 2, 2016 from http://unstats.un.org/unsd/snaama/glossary.asp United Nations, UNCTAD (2012). Development and Globalization: Facts and Figures 2012. Retrieved July 20, 2016 fro m http://unctad.org/en/PublicationsLibrary/webgdsdsi2012d2_en.pdf United Nation Development Program (2015). Human development report. Work for human development. Retrieved July 29, 2016 from World Bank Group (2004). Glossary. Retrieved March 30, 2016 from http://www.worldbank.org/depweb/english/beyond/global/glossary.html0

PAGE 55

Modus Statistisch Magazine 54 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4

PAGE 56

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 55 Social Cohesion Survey Curaao: Inclusion: a view of belongingness, discrimination and interpersonal trust Nicole Wever From November 2015 to Janu ary 2016 a Social Cohesion Survey (SCS) was conducted for the first time in Curaao. The aim of this study was to get a view of the social cohesion in Curaao. A cohesive society is a society that works towards the well being of all its members, promotes i nclusion, creates social involvement, stimulates participation, promotes trust, and offers its members the opportunity of upward mobility. These aspects provide an insight in the different components of social cohesion. When developing a new survey it is i mportant to look at existing theories and surveys on the topic worldwide and to make sure that the components that were included in the survey are relevant for Curaao (CBS, 2015). A series of articles will be published on the different components of socia l cohesion, based on the results of aforementioned survey. The current article elaborates on how the aspects of inclusion (belongingness and acceptance of uniqueness/discrimination) and interpersonal trust relate to each other within the Curaao context. Contemporary societies, including Curaao, are mostly heterogeneous. These societies consist of individuals with different backgrounds and interests. Despite these existing differences, individuals have to work and live in harmony with each other in order for a society to function successfully. A condition for this to be possible is that a certain degree of trust must exist within interactions (Costa, Roe & Taillieu, 2001; Misztal, 1996; Putnam, 2000). Unfortunately for the heterogeneous societies, the more people differ from each other, the more difficult it is to trust one another (e.g. Hooghe, Reeskens & Stolle, 2007; Alessina & la Ferrara, 2002). According to Deutsch (1949), cohesiveness refers to the forces that bind parts of the group together and res ist disruptive influences (in Bruhn, 2009). In other words, to achieve a certain level of cohesiveness one has to overlook the existing differences and a certain degree of inclusion is important. Inclusion is a component of social cohesion that entail s the degree in which individuals experience a sense of belonging to the society and have the feeling that they are accepted in their uniqueness. Belongingness is an important aspect of inclusion because it involves the innate need of the individual to bel ong to a group that they value positively (van Prooijen, Wilke & van den Bos, 2004). As one feels associated with a group one is more willing to work together towards common goals. Acceptance of individual uniqueness is also an important component of inc lusion as it can lead to exclusion if it is not respected. According to Hooghe, Reeskens, Stolle and Trappers (2003) ethnocentrism, racism and other feelings

PAGE 57

Modus Statistisch Magazine 56 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 of ethnic prejudice are as detrimental for the maintenance of social cohesion as the absence of ge neralized trust in contemporary diverse societies. The remainder of this article will elaborate on how the aspects of belongingness, acceptance of uniqueness and interpersonal trust relate to each other within the Curaao context. Method In order to acquir e a good view of social cohesion this study focused on investigating the perceptions, opinions and experiences of people on the subject. This is in line with the view of the investigators of the Social Cohesion Radar (Deragolov, Igncz, Lorenz, Delhey & Bo ehnke, 2013) who state that the attitudes and behavior of individuals and groups in a given society reflect the level of cohesion. Instrument The SCS consisted of eight modules, each containing questions relevant to one of the components of social cohesion These modules were; I. Socio economic characteristics, II. Subjective well being, III. Trust and Political participation, IV. Inclusion, V. Social mobility, VI. Social involvement, VII. Norms and values, VIII. Environment, Health, Material deprivation an d Obtaining information. The whole questionnaire will not be discussed in this article. The relevant modules for this article are: Socio economic characteristics (country of birth), Inclusion (belongingness and acceptance of uniqueness) and Trust (interper sonal trust). Country of birth. Socio economic characteristics are aspects that form to the social reality in which individuals live in. A relevant characteristic from this module for this article is country of birth divided into native and foreign born. Sense of belonging entities and statements concerning nation pride and cultural preservation. Examples of these questions Acceptance of uniqueness was measured by questions concerning frequency of experienced discrimination (1= never 3= frequently) characteristics are: Skin color, Religion and Sexual orientation. The answer optio ns are no or yes. Interpersonal trust entails the degree in which individuals trust another person. The statements that were ld be answered by means of a 5 point Likert type scale that ranged from 1= completely disagree to 5= completely agree.

PAGE 58

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 57 Sample A stratified random sample was drawn from the addresses in the population registry of the Civil Registry office of Curaao ( survey of which a total of 2626 households actually participated. Table 1 shows some statistics pertaining to the sample of the study. For more information concerning the sample see Table 1. Demographic characteristics of the sample Frequency Percentage Total 2626 100% Gender Male 1029 39.2% Female 1597 60.8% Age distribution: 18 101 M=53.7/SD=16.9 Birthplace Native born 1990 75.8% Foreign born 636 24.2% *Native born = born on Curaao, Foreign bron = born everywhere else Results Belongingness In table 2 the level of attachment of native and foreign born respondents to several entities can be seen. In or der to facilitate the interpretation of the results, the 10 point scale was transformed into a 5 point scale. Table 2. Degree of belongingness Native born Foreign born Not at all/No Neutral Yes/Completely Not at all/No Neutral Yes/Completely Curaa o 6.0 18.4 75.6 3.3 11.3 85.4 Neighborhood 14.9 23.6 61.5 13.5 25.4 61.1 The Netherlands 21.3 28.1 50.6 26.6 28.0 45.4 The islands of the former NA/Aruba 25.7 35.3 39.0 28.4 30.7 40.9 The Caribbean region 32.6 36.9 30.5 23.0 30.2 46.8 North America 43 .1 33.9 23.0 35.5 37.4 27.0 Latin America 42.7 35.5 21.8 31.3 30.3 38.3 Both native born and foreign born respondents felt most connected to Curaao (native born 75.6%, foreign born 85.4%) and their neighborhood (native born 61.5%, foreign born 61.1%). While both native born and foreign born respondents felt the least connected to North America (respectively 43.1%, 35.5%) and South America (respectively 42.7%, 31.3%). Other aspects that depict a sense of belonging are nation pride and the importance that people adhere to cultural preservation. Of the native born respondents 88.6% are proud of Curaao and 93.9% find

PAGE 59

Modus Statistisch Magazine 58 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 cultural preservation important. Of the foreign born respondents 85.2% are proud of Curaao and 92.8% find the preservation of the culture of Curaao important. Discrimination The type of discrimination that is experienced the most by native born respondents is discrimination based on skin color (10.9%) and social economic status (SES) (8.4%) while foreign born respondents experience more discr imination based on country of birth (29.9%) and language (22.3%), see table 3. Table 3. Experienced type of discrimination by native and foreign born respondents in general Native born Foreign born Frequency % Frequency % Skin color 206 10.4 81 12.7 Country of birth 74 3.7 190 29.9 SES 167 8.4 40 6.3 Language 59 3.0 142 22.3 Religion 79 4.0 26 4.1 Age 79 4.0 15 2.4 Sex 43 2.2 20 3.1 Physical disability 25 1.3 6 0.6 Sexual orientation 12 0.6 1 0.2 When looking at experienced discrimination i n the past year, 2046 (77.9%) respondents have not experienced discrimination themselves, 493 (18.8%) respondents experienced discrimination a few times, 85 (3.2%) respondents experienced discrimination frequently and 2 (0.1%) respondents did not want to a nswer this question. Table 4 shows whether the type of discrimination that the respondents experience in general on Curaao was also experienced in the past year. Table 4. Experienced type of discrimination by frequency of experience in last year Nat ive born Foreign born Never A few times Often Corr 14 Never A few times Often Corr. Skin color 71 115 20 .38** 18 51 12 .29** Country of birth 25 41 8 .23** 45 109 36 .52** Religion 28 41 10 .24** 5 15 6 .19** Language 15 37 7 .24** 27 88 27 .46** Ag e 37 43 9 .24** 6 7 2 .07 Sex 11 25 7 .19** 3 14 3 .16** SES 61 90 16 .32** 8 24 8 .22** Sexual orientation 4 7 1 .07** 0 1 0 .03 Physical disability 7 16 2 .06** 2 4 0 .04 ** p<.01 As can be seen in table 4 not all discrimination experienced by the r espondents in Curaao was experienced in the past year. The results show that experienced discrimination in the last year is 14 A correlation provides information about the relationship between aspects, it states whether there is a relationship or not. However it does not say anything about the effect of one aspect on the other or the direction of the relationship.

PAGE 60

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 59 positively related to the experience of all discrimination types among the native born respondents. Among the foreign born respond ents a positive correlation was found between experienced discrimination in the last year and most discrimination types. The following is an illustration of how to interpret these results. A positive correlation between experienced discrimination in the l ast year and experienced discrimination based on skin color (r = .38, p <.01) means that both aspects move in the same direction, either the more discrimination is experienced in the last year the more discrimination is experienced based on skin color, or the less discrimination is experienced in the last year, the less discrimination is experienced based on skin color. Belongingness and discrimination When looking at the relations between experienced discrimination and belongingness some interesting resu lts were found. Among the foreign born respondents only one significant correlation was found between experienced discrimination and connectedness. It was a negative relation to their neighborhood (r = .11, p <.01). A negative correlation means the more o ne experiences one aspect; the less the other aspect is experienced. This could mean in this case, the less one is connected to the neighborhood the more discrimination is experienced, or the less discrimination is experienced, the more one is connected to the neighborhood. Among the native born respondents experienced discrimination was significantly related to being connected to their neighborhood (r = .07, p <.01), with Curaao (r = .09, p <.01) and with the islands of the former Netherlands Antilles a nd Aruba (r = .05, p <.05 Belongingness and interpersonal trust The level of interpersonal trust was not high in the sample of this study; native born (M= 2.82, SD = 0.99), foreign born (M= 3.07, SD = 1.04). The significant correlations between interpers onal trust and belongingness were for both native and foreign born respondents positive, see table 5. This could mean for example in the case of the correlation between interpersonal trust of native born individuals and connectedness with the neighborhood (r = .14, p <.01), the less one feels connected to the neighborhood the less one trusts other people, or the more one trusts other people, the more one feels connected to the neighborhood. Table 5. Correlation between belongingness and interpersonal trust Neighborhood Curaao Former NL/AUA Caribbean The Netherlands Latin America North America Trust Native born .14** .20** .12** .11** .11** .11** .09** Foreign born .11** .10* .10* .00 .10* .06 .08* ** p<.01, p<.05

PAGE 61

Modus Statistisch Magazine 60 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Discrimination and interpersonal trust When looking at the relation between interpersonal trust and experienced discrimination (table 6), a significant negative correlation was found among the foreign born respondents (r = .10, p <.01). Among the native born respondents a correlation wa s found between interpersonal trust and experienced discrimination (r = .06, p <.01) and discrimination based on socio economic status (r = .05, p <.05). No other relations were found between interpersonal trust and type of discrimination. Table 6. Corr elation between experienced discrimination and interpersonal trust Trust Native born Foreign born Experienced discrimination in past year .06** .10** Discrimination based on Skin color .02 .02 Country of birth .02 .07 Religion .01 .03 La nguage .02 .05 Age .00 .03 Sex .00 .03 SES .05* .07 Sexual orientation .00 .02 Physical disability .03 .01 Conclusion Results of the SCS held in Curaao in 2015/2016 show a similar level of belongingness for both native and foreign born r espondents. They both show a high level of connectedness to Curaao and their neighborhoods and both are proud of Curaao and find the preservation of the culture of Curaao important. When considering the aspect of discrimination a different picture emerg es. Native born and foreign born respondents differ in the experienced type of discrimination. Native born experience discrimination based on skin color the most while foreign born experience discrimination based on country of birth the most. Furthermore, the relationships found between belongingness and discrimination are in line with the theory. As stated before, acceptance of individual uniqueness is an important component of inclusion as it can lead to exclusion if it is not met. In this study discrimi nation was used as a measure of acceptance of uniqueness (the more discrimination the less acceptance of uniqueness). According to the results, the less discrimination the respondents experienced, the more belongingness they felt or vice versa. The resul ts of interpersonal trust are in line with the expectations in the literature that heterogeneous societies show lower levels of trust (e.g. Hooghe, Reeskens & Stolle, 2007; Alessina & la Ferrara, 2002). The levels of trust shown in this study were also low both among the native born and foreign born respondents. The results also show that trust promotes belongingness and inhibits discrimination.

PAGE 62

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 61 Reference Alesina, A. & la Ferrara, E. (2002). Who trusts others?. Journal of Public Economics. 85. 207 234. B ruhn, J.G. (2009). The group effect: Social cohesion and health outcomes. Springer. doi: 10.1007/978 1 4419 0364 8_2 Cartwright D. 1968. The nature of group cohesiveness. In Group Dynamics: Research and Theory ed. D Cartwright, A Zander, pp. 91 109. Lond on: Tavistock CBS Curaao (2015). Intern document: Onderzoeksopzet sociale cohesie. CBS Curaao (2016). First results of the social cohesion survey 2015. Costa, A.C., Roe, R.A., & Taillieu, T. (2001). Trust within teams: The relation with performance effe ctiveness. European Journal of Work and Organizational Psychology, 10 (3), 225 244. doi: 10.1080/13594320143000654 Deutsch, M. (1949). A theory of co operation and competition. Human Relations 2 (2), 129 152. Dragolov, G., Igncz, Z., Lorenz, J., Delhey, J & Boehnke, K. (2013). Social cohesion radar measuring common ground: An international comparison of social cohesion. Germany. Gross N. & Martin W. (1952). On group cohesiveness. American Journal of Sociology. 57(546 54 ). Hooghe, M., Reeskens, T., Stolle D. & Trappers, A. (2006). Ethnic diversity, trust and ethnocentrism and Europe a multilevel analysis of 21 European countries Hooghe, M., Reeskens, T. & Stolle, D. (2007). Diversity, multiculturalism and social cohesion: Trust and ethnocentrism in Europ ean societies. in Belonging? Diversity, Recognition and Shared Citizenship in Canada (Vol. III). Montreal, Quebec, Canada. Lott A. & Lott B. (1965). Group cohesiveness as interpersonal attraction: a review of relationships with antecedent and consequent v ariables. Psychological Bulletin, 64(259 309). Messick, D. & Kramer R. (2001). Trust as a Form of Shallow Morality, pp. 89 117 in Karen Cook (ed.), Trust in Society New York: Russell Sage Foundation. Misztal, B.A. (1996). Trust in modern societies: The s earch for the bases of social order. Cambridge: Polity. van Prooijen, J W., Wilke, H.A.M. & van den Bos, K. (2004). Group belongingness and procedural justice: Social inclusion and exclusion by peers affects the psychology of voice. Journal of Interpersona l Relations and Group Processes. 87( 1), 66 79. Rousseau, D.M., Sitkin, S.B., Burt, R.S, & Camerer, C. (1998). Not so different after all: A cross discipline view of trust. Academy of Management Review. 23 (3), 393 404.

PAGE 63

Modus Statistisch Magazine 62 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4

PAGE 64

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 63 Soci al Cohesion Survey Curaao: A view of political engagement and trust Nicole Wever & Ellen Maduro From November 2015 to January 2016 a Social Cohesion Survey (SCS) was conducte d for the first time in Curaao. The idea behind this study was to gather a view of the state of key aspects of social cohesion in Curaao. In other being of all its members, promot es inclusion, creates social involvement, stimulates participation, promotes trust, and offers its members the opportunity of upward mobility. A series of articles will be published on different aspects of social cohesion. In a previous edition of the Mod us trust. The current article will elaborate on some aspects of political engagement and trust within the Curaao context. A theoretical overview of the main concepts will be given, followed by a description of the methodology, the results and conclusion. Engagement in political activities enables citizens to implement change in the society and tackle issues that are relevant for the society in gener al, including individual needs. Some common forms of political engagement are voting, participating in demonstrations and strikes. These actions are seen as actions that can influence the existing xpectations. Trust is an important aspect when it comes to activating individuals towards political action as it may be the pushing power to engage with politics. Before one is willing to invest time and effort in such an endeavor one has to have a certain level of trust in the political system. Theoretical reflections In debates on the condition for democracy several political scientists, scholars and authors 15 have argued about the relationship between political engagement and the status of democracy. The interest in political engagement was fed by a growing concern about the lowering electoral turnouts, a weakening confidence in institutions, lack of trust in politicians and political parties, etc., which are aspects that are considered to put democracy a t risk 16 On the other side some scholars have been stating that 15 Putnam, (199 3); Berger, (2009); Ekman, J. & Amn (2012); Verba et al. (1995); From Berger 2009: on Civic Education and Engagement (2004) 16 Report of the American Pol Engagement (2004)

PAGE 65

Modus Statistisch Magazine 64 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Stolle & Hooghe, 2005: in Ekman & Amn, 2012; Berger, 2009). attention or activity or a combination of both attention and activity that directly or indirectly may influence governmental policy (B erger, 2009). In other words, political engagement goes beyond the kind of activities that are normally considered as political participation, such as cooperative voluntarism, neighborhood watches and giving money for charity. Political engagement also inc ludes interest in politics, discussing political issues, voting, signing a petition, participating in a demonstration. Ekman and Amn (2012) also give a discourse on the concepts used to identify shifts in the way citizens engage and participate in societ y and politics. They propose that political participation consists of different forms of involvement and participation behavior. These distinctions are latent vs manifest, individual vs collective, formal vs informal, legal vs illegal. The relevant distinc tions for this article are the latent manifest and individual collective distinctions. Latent activeness refers to the sort of involvement that can be seen as pre political; the state of a citizen informing him or herself about politics and staying in terested. When they view it as necessary or urgent, they will come into action. These citizens are also called monitorial citizens. This kind of engagement has to do with activities that cannot be denominated as manifest political participation (Schudson 1 996 and 1999, in Ekman and Amn, 2012). Furthermore, a subcategory that also belongs to this category is what Ekman and Amn (2012) call social involvement. Social involvement has to do with citizens being interested in and attentive to social and politic al issues. Interest is a precondition for someone to pay attention to political and social issues. Manifest activeness involves observable and measurable rational actions, aimed at influencing governmental decisions and political outcome. Examples of suc h actions are voting or participating in a demonstration. Individual activeness is for example the act of voting in elections and referenda. This is viewed as political participation on individual level. Even a blank vote or completely restraining onese lf from voting is considered as a form of participation, as it is a form of protest or an expression of dissatisfaction. Collective activeness entails people undertaking actions as a group or collectivity with the objective to influence politics. Activit ies that fall in the scope of collective activeness are for example mass demonstrations and strikes.

PAGE 66

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 65 participation encompasses nonvoting behaviors such as pol itical passivity, political dissatisfaction, not reading or talking about nor watching political issues. Aalberts (2004) identifies four indicators of political engagement that show some resemblance to Ekman dge, 2. interest, 3. cynicism and 4. participation. Political knowledge is defined by Aalberts as the amount of factual political information a citizen has political involve ment. The second indicator, interest, coincides with what Ekman and Amn consider a prerequisite for social and political activeness. Political interest is defined as a feeling of curiosity for political issues. This indicator is measured by asking the respondent about his or her interest in political issues and to take into account such behavior as e.g. reading about politics in newspapers (Aarts & Thomassen 2000, in Aalberts 2004). Cynicism refers to certain political viewpoints the citizen may h ave about the effectiveness and efficiency when it comes to politics, in the sense of being able to influence government policies. It concerns the degree in which politicians take citizens ideas and viewpoints into consideration, citizens may have any inf a positive outcome or a negative one. It may result in the person seeking association with a social movement or deciding not to vote. Important in this con Aalberts states that a low degree of political trust may induce political cynicism. Lastly, political participation is often considered as an indicator of political engagement. The definition of political pa rticipation applied by Aalberts and formulated by Van Putten coincides with that used by the other abovementioned authors, i.e. all citizen activities that are aimed at influencing government policy (Van Putten 1994, in Aalberts, 2004). Birch (1993) accent uates the social dimension linked with participation, in the sense of citizens associating with each another to undertake action. Again the collective aspect (coming together as a group) is accentuated. While emphasizing the collective aspect, Aalberts rec ognizes voting as a form of political participation as can be seen in table 1. Voting, as the most conventional form of political participation is considered an act by private or individual citizens directed at influencing the construction of the governmen tal apparatus and its policy.

PAGE 67

Modus Statistisch Magazine 66 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Table 1. Forms of political participation Conventional Unconventional Illegal Violence Voting Petitions Illegal strikes Occupations Campagne activities Boycots Illegal demonstrations Vandalism Lobbying Legal stri kes Violence Interest groups Legal demonstrations Sabotage Etc. Murder Bomb attack Kidnapping, Etc. Dalton 1966, (with adjustments by Aalberts) Participation is seen as a producer of social cohesion as it eases cooperation between citizens and institutions. According to Jenson (1998), citizens in a cohesive society should participate broadly in political and social organizations, rather than have an attitude of indifference towards them. However, a prerequisite for achieving any typ e of interaction is that a certain degree of trust exists, as trust is crucial for social interactions, (Costa, Roe & Taillieu, 2001; Misztal, 1996; Putnam, 2000). Cooperation is impeded when individuals have the feeling that others cannot be trusted. This lack of trust may hinder efforts towards political engagement. Based on the theoretical reflections we have come to the following argumentations. As is theoretically stated trust is an important component with regard to political engagement. A certain le vel of trust precedes any action or activity. In this context actions or activities refer to those directed to influence politics and governmental decisions and are labeled as political engagement. In this article political engagement is defined as laten t (attention) and manifest (activity), individual and collective behavior that directly or indirectly may influence governmental policy. Furthermore, Aalberts conceptualization identifying four indicators for political engagement is adopted. However, since this article is based on the results of the social cohesion survey we lack information about the first indicator, political knowledge. Nevertheless it is still worth the effort to look into Aalberts theoretical reflection, since this exercise is still ab le to give an indicative view of the situation regarding the political engagement in Curaao. Method In order to acquire a good view of social cohesion this study focused on investigating the perceptions, opinions and experiences of people on the subje ct, as attitudes and behavior of individuals and groups in a given society reflect the level of cohesion (Deragolov, Igncz, Lorenz, Delhey & Boehnke, 2013).

PAGE 68

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 67 Instrument/Operationalization The SCS consisted of eight modules each containing questions relev ant to one of the concepts of social cohesion. These modules were; I. Socio economic characteristics, II. Subjective well being, III. Trust and Political participation, IV. Inclusion, V. Social mobility, VI. Social involvement, VII. Norms and values, VIII. Environment, Health, Material deprivation and Obtaining information. The whole questionnaire will not be discussed in this article. The relevant modules for this article are: Trust and Political participation. Political engagement entails the degree in which individuals are interested in politics, have knowledge about politics, have opinions about politics and participate in politics The questions that were used to measure these different aspects are; Interest: Cynicism : Participation Knowledge : no questions concerning knowledge of politics were included in the survey. One variable was constructed out of the different questions by means of coding. All the positive answers on the q were summed up and became a new variable of political engagement. This new variable consisted of scores ranging from 0 (extremely low level of engagement) to 9 (extremely high level of engagement). This range was transformed into 3 categories for interpretation purposes; Low level of engagement, medium level of engagement and high level of engagement. Trust entails in this article the degree in which individuals trust political institutions. The statements that government. The participants answered these questions on a 5 point Likert like scale that ranged from a negative to a positive reaction. Sample A stratified random sample was drawn from the addresses in the population registry of the Civil survey of which a total of 2626 households actually participated. Table 2 shows some statistics pertaining (CBS, 2016).

PAGE 69

Modus Statistisch Magazine 68 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Table 2. Demographic characteristics of the sample Frequency Percentage Total 2626 100% Gender Male 1029 39.2% Female 1597 60.8% Age 18 29 283 10.8% 30 49 713 27.2% 50 64 871 33.2% 65+ 759 28.9% Lev el of education Low 1305 49.7% Medium 638 24.3% High 541 20.6% NA 142 5.4% Economic position Inactive 1267 48.2% Active 1353 51.5% Unknown 6 0.2% Results Political engagement Firstly, figure 1 shows that the level of political engagement of the respondents in the survey tends to be low. Of the respondents, 66.5% show a low level of political engagement, 29.4% of the respondents show a medium and 4.1% of the respondents show a high level of political engagement. Figure 1. Frequency of polit ical engagement

PAGE 70

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 69 Table 3 shows the composition of political engagement of the respondents of this survey on different demographic characteristics. According to these results, most respondents show a low level of political engagement regardless o f their demographic characteristics. Nevertheless, some differences are seen. Vecchione and Caprara (2009) depict gender, age and education as significant factors affecting participation levels. According to them more educated people, along with males and older people are more likely to engage politically compared to the other categories. Table 3. Political engagement by social economic characteristics Political engagement Total Low Medium High Gender Male 1028 59.0% 34.8% 6.1% Female 1596 71.3 % 25.9% 2.8% NR 2 Age 18 29 283 74.6% 23.7% 1.8% 30 49 713 61.4% 35.2% 3.4% 50 64 870 64.6% 29.4% 6.0% 65+ 758 70.4% 26.1% 3.4% NR 2 Level of education Low 1305 77.8% 20.3% 1.9% Medium 638 65.6% 30.5% 3.9% High 541 39.1% 51.1% 9.8% NA 142 NR 2 Economic position Inactive 1267 71.5% 25.1% 3.4% Active 1353 61.8% 33.4% 4.7% Unknown 6 NR 2 According to Conway (2001) although gaps between men and women regarding political participation are diminishing, it can be n oticed that the male population still has a higher degree of engagement than females. The results of this survey show that men have a higher percentage of the categories of medium as well as high political engagement compared to women. This while women sho w a higher degree of low political engagement compared to men. Age as an indicator of political involvement is normally included in participation research. When looking at the age composition of respondents who have a low level of political engagement it s eems that more respondents of the age groups 18 29 and 65+ show a low level of involvement compared to the other age groups. The opposite is seen among respondents with a medium level of political engagement. People between the ages of fifty and sixty four are the most politically engaged. The meager engagement of young people in politics has been explained as a result of young people possibly feeling isolated and excluded from politics. Lister (2007) states that young people are often considered immature a nd to be

PAGE 71

Modus Statistisch Magazine 70 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 financially dependent on their parents, therefore they are often not treated as equal members of the planning process and power arrangements. Smit, Lister, Middleton and Cox (2005) argue that many young people get the idea that political participa tion is predominantly the province of adults. When looking at the distribution of level of education among the different levels of involvement it can be noted that respondents with a low educational level tend to be less politically engaged. Economic inac tive respondents show a higher percentage of low political engagement compared to the economic active respondents while the opposite is seen among the other levels of political engagement. Trust in political institutions and political engagement When loo king at the relation between trust and the different aspects that constitute political engagement some interesting results were found. Positive relationships were found between trust in political institutions and political interest (r = .20, p <.01), feel ings of exerting influence on politics (r = .18, p <.01), intention to vote (r = .14, p <.01) and following politics through the media (r = .10, p <.01), see table 4. A positive correlation means that both aspects move in the same direction, for example ei ther the more one trusts the political institutions the more one is inclined to vote, or the less one trusts the political institutions the less one is inclined to vote. Table 4. Correlation between trust in political institutions and political engageme nt Trust Interested in politics .20** Can exert influence on politics .18** Intention to vote .14** Sign a petition .00 Participate in a boycott .04* Participate in a demonstration .05* Participate in a strike .05** Occupy a building .04 Ta lk about political issues .01 Following politics through media .10** p < .05, ** p < .01 couple of negative relationships were also found between trust in political institutions and the willingness to participate in a boycott (r = .04, p <.05), willi ngness to participate in a demonstration (r = .05, p <.05) and willingness to participate in a strike (r = .05, p <.01), all three forms classified by Aalberts (2004) as unconventional forms of political participation, which is considered as an indicator for political engagement. A negative correlation means that the aspects move in opposite directions, for example either the more one trusts the political institutions the less one is inclined to participate in a strike, or the less one is inclined to part icipate in a strike the more one trusts the political institutions. A

PAGE 72

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 71 Conclusion The aim of this article was to explore some aspects of political engagement and trust. The Social Cohesion Survey (SCS) in Curaao has provided relevant data to show an ov erall medium to low level of political engagement among the majority of the respondents of the survey. Gender, age, education and economic status are factors affecting participation levels. Men tend to have a somewhat higher level of engagement then women Young respondents seem to have less interest in politics, according to their lower level of engagement in politics compared to older aged ones. Another finding is that a low level of political engagement can be observed for all age categories. With regar d to educational level, the figures show that the higher the level of education, the higher the level of political engagement. Moreover, economically active respondents show a higher degree of engagement in politics than the inactive ones. Furthermore, re lations were found between trust in political institutions and aspects of Aalberts political interest and cynicism. Conversely, the more the respondents trusted the political institutions the less they would display in unconventional forms of political par ticipation or vice versa. Political knowledge was, as stated earlier, omitted from the analysis due to lack of information. Nevertheless it is important to underline the importance of adding items concerning this aspect in a future SCS. Reference Aalbe rts, C. (2004) Politieke betrokkenheid en politieke sensitiviteit onder Jongeren. Berger B. (2009) Political Theory, Political Science, and the End of Civic Engagement. Perspective on Politics. Volume 7, Issue 2, 335 350. http://works.swarthmore.edu/fac poli sci/7 Birch (1993). The Concepts and Theories of Modern Democracies. London, Routledge. CBS Curaao (2015). Intern document: Onderzoeksopzet sociale cohesie. CBS Curaao (2016). First re sults of the social cohesion survey 2015. Conway, M. M. (2001). Women and political participation. Political Science and Politics, 34(2), 231 3. Costa, A.C., Roe, R.A., & Taillieu, T. (2001). Trust within teams: The relation with Performance Effectiveness European Journal of Work and Organizational Psychology, 10 (3), 225 244. doi: 10.1080/13594320143000654 Ekman, J. & Amn, E (2012). Political Participation and Civic Engagement: Towards a New Typology. Jenson, J. (1998) Mapping Social Cohesion: The Stat e of Canadian Research, CPRN Study F03, Ottawa. Lister, R. (2007). Why citizenship: Where, when and how children? Theoretical Inquiries in Law, 8, 693 718. Misztal, B.A. (1996). Trust in modern societies: The search for the bases of social order. Cambridge : Polity. Putman, R. (1993). Making Democracy Work. Putnam, R.D. (2000). Bowling alone: The collapse and revival of American community. New York: Simon and Schuster.

PAGE 73

Modus Statistisch Magazine 72 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 ion and Engagement (2004). Democracy at risk: Renewing a political science of citizenship. Smith, N., Lister, R., Middleton, S., & Cox, L. (2005). Young people as real citizens: Towards an inclusionary understanding of citizenship. Journal of Youth Studies 8, 425 443 Vecchione, M., & Caprara, G. V. (2009). Personality determinants of political participation: The contribution of traits and self efficacy beliefs. Personality and Individual Differences, 46, 487 49.

PAGE 74

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 73 De imp orten van Latijns Amerika en het Caribische gebied (LAC), 2013 2014 Joyce Mahabali Inleiding Er is sprake van internationale handel wanneer landen bepaalde goederen en diensten niet zelf hebben of deze te duur worden wanneer ze in eigen land worden geprod uceerd (door bv hogere loonkosten). Deze producten en diensten zullen dan gemporteerd (of ingevoerd) worden. Tegenover de import staat de export of uitvoer: de handeling van het verkopen van goederen en diensten aan het buitenland. In dit artikel worden d e belangrijkste importpartners en de hierbij horende importproducten van Latijns Amerika en het Caribische Gebied, afgekort LAC, beschreven. Daarnaast zal een analyse worden gemaakt van het partner aandeel en het productaandeel van deze importlanden. Verde r zal een vergelijking worden gemaakt van de ontwikkelingen van 2014 ten opzichte van 2013. In 2013 was de totale waarde van importen (wereldwijd) 18.330 US$ miljard en in 2014 18.329 US$ miljard. In 2014 is de waarde van de importen van Latijns Amerika en het Caribische Gebied, afgekort LAC, afgenomen met 5,3 procent van 1.083 US$ miljard naar 1.026 US$ miljard. In 2013 zijn door LAC 4.812 producten ingevoerd van 238 landen. In 2014 zijn de importlanden gedaald naar 235 en het aantal importproducten gew ijzigd in 4.760. Colombia (+7,9%). Overige LAC landen waarvan de importen zijn toegenomen, zijn Panama (+5,2%), Mexico (+4,9%), Nicaragua (+4,5%) en Gu atemala (+4,4%). De hoogste dalingen in importcijfers zijn genoteerd voor Cuba ( 11,7%), Argentini ( 11,4%), Chili ( 8,9%), Peru ( 7,7%) en Brazili ( 4,4%). ( www.cepal.org ) Methodologie De voornaamste bron van data voor de totstandkoming van dit artikel is de database van de Wereldbank ( http://wits.worldbank.org ). Gegevens van LAC worden als een totaal van de verschillende landen die deel uitmaken van LAC ( http://www.worldometers.info/geography/how many countries in latin america/ ) opgenomen. Curaao die ook deel uitmaakt van LAC zal in dit artikel niet apart belicht worden, wellicht in een ander artikel. De cijfers van eerdergenoemde database van de Wereldbank geven aan dat de top 5 belangrijkste importlanden van LAC, de Verenigde Staten (VS), China, Brazili, Duitsland en Japan zijn. Definities Consumptiegoederen

PAGE 75

Modus Statistisch Magazine 74 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Een consumptiegoed is elk tastbaar goed dat geproduceerd wordt om vervolgens door de consument, om haar noodzaak aan dit goed te bevredigen, geconsumeerd te worden, b.v. voedsel en kleding. Kapitaalgoederen Goederen voor voortzetting, uitbreiding of verbetering van de prod uctie waarvoor langlopende investeringen vereist worden, b.v. machines en gebouwen. Intermediaire goederen Goederen die n of meerdere industrile transformaties hebben ondergaan en die nog moeten worden omgezet in afgewerkte goederen. Ze worden ook wel half afgewerkte goederen genoemd. Import partner Het land van waar men goederen en diensten invoert. Partneraandeel De totale importwaarde van een bepaald land in een bepaald jaar gedeeld door de totale LAC importen van datzelfde jaar. Productaandeel De waarde van een specifiek importproduct van een bepaald land gedeeld door de totale LAC importen van datzelfde land. Belangrijkste invoerlanden In tabel 1 worden de belangrijkste invoerlanden voor LAC en het hierbij horende partner aandeel voor de jaren 2 013 en 2014 weergegeven. De belangrijkste invoerlanden zijn de Verenigde Staten (VS), China, Brazili, Duitsland en Japan, waarvan de VS op de eerste plaats staan. In 2013 is door LAC voor een bedrag van 332.433 US$ miljoen aan inkopen gedaan vanuit de VS. In 2014 was dit bedrag 327.413 US$ miljoen, een afname van 2,7 procent. Het tweede grootste importland is China. De importwaarde is afgenomen van 171.440 US$ miljoen in 2013 naar 170.031 US$ miljoen in 2014. Dat is een daling van 0,8 procent. Overigens ve rtonen de andere grote import partners, Brazili, Duitsland en Japan, ook een daling in 2014. De percentages zijn respectievelijk 20,4%, 6,9% en 6,0%.

PAGE 76

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 75 Tabel 1: Top 5 import partners van LAC 2013 2014 Import Partner Import Partner Mutatie W aarde aandeel Waarde aandeel Import partner mln US$ % mln US$ % % Verenigde Staten 332.433 30,7 327.413 31,9 1,5 China 171.440 15,8 170.031 16,6 0,8 Brazili 47.506 4,4 37.816 3,7 20,4 Duitsland 43.660 4,0 40.651 4,0 6,9 Japan 35.356 3,3 33.218 3,2 6,0 Partneraandeel De VS hebben het grootste partner aandeel, te weten 30,7 procent in 2013 en 31,9% in 2014. De partneraandelen van de VS en China zijn in 2014 gestegen. Het partneraandeel van Brazili is met 0,7 procentpunten afgenomen in 2014. Een hele lichte daling (van 0,01 procentpunt) is waar te nemen voor Japan. Duitsland heeft in 2014 nagenoeg hetzelfde aandeel als in 2013. Productaandeel Tabel 2 laat de productaandelen van de vijf grootste import partners van LAC zien. Het gaat hier om k apitaalgoederen, consumptiegoederen, intermediaire goederen en grondstoffen voor de jaren 2013 en 2014. Kapitaalgoederen hebben het grootste aandeel zowel in 2013 als in 2014. Dit geldt voor China, Brazili, Duitsland en Japan. Hierbij spant Japan de kroon met een aandeel van 58,6 in 2013 en een aandeel van 59,4 in 2014. Voor de VS hebben consumptiegoederen het grootste aandeel. Het kleinste aandeel is waar te nemen voor de invoer van grondstoffen. Dit geldt voor alle 5 import partners zowel in 2013 als in 2014. Tabel 2: Productaandeel van importen van top 5 import partners van LAC (in %) Kapitaalgoederen Consumptiegoederen Intermediaire goederen Grondstoffen 2013 2014 2013 2014 2013 2014 2013 2014 VS 3 1,76 30,57 35,04 36,27 24,06 23,58 6,87 7,30 China 54,15 53,25 35,22 25,21 16,82 17,89 0,67 0,66 Brazili 31,10 29,83 30,37 29,08 23,60 25,85 12,21 13,69 Duitsland 49,41 50,16 24,51 24,39 24,40 23,72 0,45 0,47 Japan 58,63 59,42 25,52 24,83 13,05 13,54 0,28 0,14 In figuur 1 worden de pro ductaandelen van LAC importen uit de VS weergegeven. In 2013 is het aandeel van de invoer van kapitaalgoederen en consumptiegoederen uit de VS samen 66,8 procent. In 2014 is dit

PAGE 77

Modus Statistisch Magazine 76 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 gezamenlijke aandeel met 0,1 procentpunt gestegen. Het aandeel in intermediair e goederen vertoont een daling in 2014, namelijk 0,5 procentpunten. In 2014 is het aandeel in grondstoffen gestegen. Het aandeel ging van 6,9 in 2013 naar 7,3 in 2014. De cijfers voor LAC importen uit China (figuur 2) tonen aan dat deze voor meer dan 78 procent bestaan uit kapitaalgoederen en consumptiegoederen. Zowel voor 2013 als 2014 bestaat meer dan de helft van de totale importen uit China uit kapitaalgoederen. Consumptiegoederen nemen een kwart deel voor hun rekening. Dit aandeel is constant geb leven in 2014. Dit kan ook opgemerkt worden voor grondstoffen. Een analyse van de importproducten uit Brazili (figuur 3) laat zien dat het gezamenlijke aandeel van kapitaalgoederen en consumptiegoederen in 2014 is gedaald, van 61,5 procent naar 58,9 p rocent. Het aandeel van de intermediaire goederen is toegenomen van 23,6 in 2013 naar 25,9 in 2014. Ook voor grondstoffen is er een toename waar te nemen in 2014. Het aandeel ging van 12,2 in 2013 naar 13,7 in 2014.

PAGE 78

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 77 LAC import van kapitaalgoederen uit D uitsland (figuur 4) is toegenomen van 49,4 procent in 2013 tot 50,2 procent in 2014. Het aandeel van consumptiegoederen is licht gedaald in 2014. Voor het aandeel in intermediaire goederen is een lichte daling waar te nemen. Dit aandeel ging van 24,4 proce nt in 2013 naar 23,7 procent in 2014. Van de top 5 invoerlanden is het hoogste aandeel voor kapitaalgoederen geregistreerd voor Japan, namelijk 58,6 procent in 2013 en 59,4 procent in 2014. Het aandeel in consumptiegoederen is licht gedaald van 25,5 pr ocent in 2013 naar 24,8 procent in 2014. Het aandeel in intermediaire goederen is in 2014 licht gestegen. Van alle 5 importlanden is het laagste aandeel genoteerd voor grondstoffen uit Japan. In 2014 is dit aandeel gedaald, van 0,3 procent naar 0,1 procent (zie figuur 5).

PAGE 79

Modus Statistisch Magazine 78 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Verdere specificatie importproducten In tabel 3 wordt een overzicht gegeven voor 2013 en 2014 van de vijf belangrijkste importproducten horende bij de vijf belangrijkste importpartners.

PAGE 80

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 79 Tabel 3: Import producte n van LAC 2013 2014 Import Aandeel Import Aandeel Mutatie Waarde Waarde Producten mln US$ % Producten mln US$ % % VS Machines en elektronica 81.406,6 24,5 Machines en elektronica 75.266,2 23,3 7,5 Brandstof 61.653,8 18,6 Bra ndstof 63.891,1 19,8 3,6 Chemicalin 36.660,9 11,0 Chemicalin 34.218,7 10,6 6,7 Vervoer 29.483,4 8,9 Vervoer 29.297,2 9,1 0,6 Plastic of rubber 27.548,5 8,3 Plastic of rubber 27.210,5 8,4 1,2 China Machines en elektronica 91.098,2 53,1 M achines en elektronica 88.618,0 52,4 2,7 Metalen 13.269,7 7,7 Metalen 13.429,3 8,0 1,2 Textiel en kleding 12.601,6 7,4 Textiel en kleding 13.255,9 7,8 5,2 Chemicalin 10.426,0 6,1 Chemicalin 11.171,7 6,6 7,2 Vervoer 8.209,0 4,8 Vervoer 8.222,9 4,9 0,2 Brazili Vervoer 12.103,6 25,5 Vervoer 8.259,4 21,9 31,8 Machines en elektronica 8.036,5 16,9 Machines en elektronica 6.427,6 17,1 20,0 Chemicalin 4.816,7 10,1 Chemicalin 4.079,2 10,8 15,3 Metalen 4.045,1 8,5 Brandstof 3.822 ,1 10,2 5,5 Plastic of rubber 3.430,6 7,2 Metalen 3.130,2 8,3 8,8 Duitsland Machines en elektronica 15.961,1 36,6 Machines en elektronica 14.779,4 36,5 7,4 Chemicalin 9.619,5 22,0 Chemicalin 8.747,9 21,6 9,1 Vervoer 6.935,6 15,9 Vervoer 6. 578,0 16,2 5,2 Metalen 2.935,3 6,7 Metalen 2.534,7 6,3 13,6 Plastic of rubber 2.611,8 6,0 Plastic of rubber 2.529,8 6,3 3,1 Japan Machines en elektronica 14.321,3 40,5 Machines en elektronica 13.364,9 40,4 6,7 Vervoer 10.149,8 28,7 Vervo er 9.353,2 28,3 7,8 Metalen 3.400,4 9,6 Metalen 3.450,9 10,4 1,5 Plastic of rubber 2.124,9 6,0 Plastic of rubber 2.005,8 6,1 5,6 Chemicalin 1.481,0 4,2 Chemicalin 1.312,1 4,0 11,4

PAGE 81

Modus Statistisch Magazine 80 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 In 2013 zijn voor LAC de vijf belangrijkste importproduc ten uit de VS, machines en elektronica met een aandeel van 24,5 procent, brandstof met een aandeel van 18,6 procent, chemicalin met een aandeel van 11,0 procent, vervoer met een aandeel van 8,9 procent en plastic of rubber met een aandeel van 8,3 procent. In 2014 zijn de aandelen van machines en elektronica en chemicalin afgenomen. De aandelen van brandstof, vervoer en plastic of rubber zijn gestegen. De belangrijkste LAC importen uit China bestaan in 2013 voor 53,1 procent uit machines en elektronica, 7,7 procent uit metalen, 7,4 procent uit textiel en kleding, 6,1 procent uit chemicalin en 4,8 procent uit vervoer. In 2014 zijn de aandelen van machines en elektronica afgenomen met 0,7 procentpunten, de overige aandelen zijn gestegen. In 2013 bestaan d e LAC importen van Brazili voor het grootste deel uit vervoer (25,5%), machines en elektronica (16,9%), chemicalin (10,1%), metalen (8,5%) en plastic of rubber (7,2%). In 2014 is het aandeel van vervoer gedaald en is brandstof belangrijker dan plastic of rubber. De belangrijkste producten die uit Duitsland in 2013 zijn gemporteerd zijn machines en elektronica (36,6%), chemicalin (22,0%), vervoer (15,9%), metalen (6,7%) en plastic of rubber (6,0%). Van de importen van LAC uit Japan bestond het grootst e deel uit machines en elektronica met 40,5 procent, vervoer met 28,7 procent, metalen met 9,6 procent, plastic of rubber met 6,0 procent en chemicalin met 4,2 procent. In 2014 zijn de aandelen van de machines en elektronica, vervoer en chemicalin gedaal d. De aandelen van metalen en plastic of rubber zijn gestegen. Samenvatting In 2014 is de totale waarde van importen van LAC ten opzichte van het jaar daarvoor afgenomen met 5,3 procent. De vijf grootste importpartners van LAC zijn de VS, China, Brazili Duitsland en Japan. China, Brazili, Duitsland, en Japan hebben kapitaalgoederen als grootste aandeel. Dit geldt voor zowel 2013 als voor 2014. Hierbij spant Japan de kroon met een aandeel van 58,6 in 2013 en een aandeel van 59,4 in 2014. Voor de VS heb ben consumptiegoederen het grootste aandeel, zowel in 2013 als in 2014. Het kleinste aandeel is waar te nemen voor de invoer van grondstoffen. Dit geldt voor alle 5 importpartners zowel in 2013 als in 2014. Hier heeft Japan van alle vijf landen het kleinst e aandeel. Een analyse van de vijf belangrijkste importproducten horende bij de vijf belangrijkste import partners laat zien dat machines en elektronica het belangrijkste importproduct uit de VS, China, Duitsland en Japan is. Bij Brazili staat machines en elektronica op de tweede plaats, vervoer staat daar op de eerste plaats. Opvallend is dat in de top vijf importproducten van de vijf belangrijkste import partners alleen brandstof bij de VS en textiel en kleding bij China voorkomt.

PAGE 82

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 81 Bronnen Database Wor ldbank (http://wits.worldbank.org) Website ECLAC (www.cepal.org/en/)

PAGE 83

Modus Statistisch Magazine 82 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4

PAGE 84

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 83 Ruimtelijke datavisualisatie Een verkenning van verschillende datavisualisatie methoden in GIS Menno ter Bals Leander Kuijvenhoven Inleiding Voor organisaties als statistische bureaus die zich bezig houden met het verzamelen, verwerken en analyseren van data en het publiceren van de daaruit voortkomende resultaten bestaat een breed en beproefd scala aan onderzoeksmethoden en publicatiemogelijkheden. Een belangrijke component binnen dit geheel is de ruimtelijke dimensie. Wanneer data een ruimtelijke component bevat, meestal in de vorm van een geografische locatie, wordt informatie is geschikt voor ruimtelijke analyse. Ruimtelijke analyse biedt onder andere de mogelijkheid data op basis van locatie te koppelen aan andere gegevens, de data visueel in kaart te brengen en op basis hiervan ruimtelijke clusters en ruimtelijke verbanden te herkennen en in kaart te brengen. Een goed voorbeeld van geo informatie is de door het CBS verzamelde censusdata. Voor ieder huishouden in de laatste census van 2011 is een geografische locatie, in de vorm van cordinaten, geregistreerd. Dit betekent dat deze locatie informatie te koppelen is aan alle personen binnen deze huishoudens en dat alle eigenschappen van huishoudens en personen, welke geregistreerd zijn in de census, ruimtelijk geanalyseerd en in kaart gebracht kunnen worden. In dit artikel wordt een verkenning gemaakt van enkele verschillende mogelijkheden op het gebied van ruimtelijke datavisualisatie. Met behulp van geo informatie uit de Curaaose census van 2011 worden enkele visualisatie methoden gellustreerd en met elkaar vergeleken. Data en methodologie In dit artikel wordt gebruik gemaakt van census data van 2011. Een groot voo rdeel bij het gebruik van censusdata is dat gedetailleerde analyses, bijvoorbeeld statistieken op buurtniveau, mogelijk zijn gezien het omvattende karakter van censusdata. Een ander voordeel is dat speciale (soms zeldzame) gebeurtenissen gedetecteerd worde n, die bij steekproeven vaak niet waargenomen worden. Bovendien is het een uitstekende manier om de kracht van visualaties aan te tonen. Volgens Schmid (1983) zijn er de volgende voordelen aan een (goed gemaakte) visualisatie:

PAGE 85

Modus Statistisch Magazine 84 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 1. De kracht van visualisatie s is dat de kerngedachte van de gegevens snel en vrijwel direct kan worden overgebracht. 2. Een visualisatie is een krachtig instrument om een veelomvattend en samenhangend beeld te geven van de gegevens 3. Een visualisatie heeft veelal meer overtuigingskracht d an een stuk tekst of een tabel. 4. Een visualisatie kan eerder onbekende patronen bloot leggen. 5. Een visualisatie trekt eerder de aandacht van de lezer door zijn aantrekkelijke uiterlijk vergeleken met tekst of tabellen. In dit artikel zal een diversiteitsind ex gebruikt worden als statistiek om de verschillende visualisatietechnieken te illustreren. Een diversiteitsindex is een maat die op basis van verschillende groepen aangeeft op welke wijze en in welke mate de groepen verdeeld zijn in een bepaald gebied. H oewel er verschillende soorten diversiteitsindices zijn, wordt hier de Shannon Weiner Index gebruikt. Reard en Firebaugh (2002) vergeleken zes verschillende diversiteitsindices die als doel hadden sociale verschijnselen te kwantificeren. De Shannon Weiner Index kwam hier als beste diversiteitindex naar voren. In dit arikel wordt deze index gebruikt. In wat volgt zal met de diversiteitsindex de Shannon Weiner Index bedoeld worden. De reden hiervoor is dat het bij de term diversiteitsindex direct duidelijk is dat het om het meten van diversiteit gaat. Bovendien kan er geen verwarring ontstaan over welke diversiteitsindex wordt bedoeld, omdat er hier slechts n index wordt gebruikt. De diversiteitsindex wordt hier toegepast op twee groepen van personen. De ee rste groep bestaat uit bewoners die geboren zijn in Curaao en de tweede groep bestaat uit bewoners die elders zijn geboren. De diversiteitsindex meet dus de mate van diversiteit in een bepaald gebied, gemeten door naar geboorteland van de inwoners te ki jken. Per gebied wordt de proportie mensen die geboren zijn in Curaao berekend en de proportie van mensen die niet in Curaao geboren zijn berekend. Deze properties vormen de basis voor de berekening van de diversiteitsindex. Deze diversiteitsindex loopt van 0 (lage diversiteit) tot en met 1 (hoge diversiteit) 17 De visualisaties in dit artikel zijn niet bepaald geschikt voor het afdrukken op papier in grijstinten. Het gebruik van kleur is juist een belangrijk functioneel middel binnen het gebied van geogr afische visualisatie. Daarbij is de kaartschaal waarop gepubliceerd kan worden in een uitgave op A4 formaat gelimiteerd. Daarom is voor dit artikel gebruik gemaakt van de mogelijkheid met GIS om online digitale kaarten te publiceren. Dat wil zeggen dat de visualisaties (kaarten) uit dit artikel online te bezichtigen zijn via een link die duidelijk staat aangegeven op de CBS website ( www.cbs.cw ) 18 De hier weergegeven kaarten in grijstinten zijn daarom slechts beperkte voorbe elden. 17 Bij de hier gebruikte diversiteitsindex wordt eerst waarbij de proportie aangeeft van groep i berekend. Daarna wordt de uiteindelijke d iversiteitsindex berekent Op deze wijze loopt de index van 0 en 1. 18 Link naar web applicatie met visualisaties: http://cbscur acao.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=d3382904c4074ce5994c95a2ced f845c

PAGE 86

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 85 Geografische Informatiesystemen Een geografisch informatiesysteem, afgekort GIS, is een geo informatiesysteem waarmee ruimtelijke data kan worden verzameld, bewerkt, beheerd, gentegreerd, geanalyseerd en gepresenteerd. In de praktijk verwijst een GIS vaak naar een geautomatiseerd systeem waarin deze genoemde functionaliteit gecombineerd is. Het CBS Curaao maakt gebruik van ArcGIS. Dit is een GIS platform waarin verschillende software applicaties zijn gecombineerd om de volledige functionaliteit va n een GIS te bieden (ESRI, 2016) Voor de visualisaties en statistische analyse in dit artikel is gebruik gemaakt van de ArcGIS Desktop en ArcGIS Pro software. De online publicatie van de visualisaties is door middel van de cloud based service ArcGIS Onli ne tot stand gebracht. Visualisatie methoden De data die verzameld en geanalyseerd wordt door het CBS leent zich bij uitstek tot het maken van thematische kaarten. Een thematische kaart is een visualisatie waarbij de verdeling van een variabele of combin atie van variabelen over een gebied wordt weergegeven. Bijvoorbeeld sociaal economische verschijnselen, gekwantificeerd in indicatoren kunnen in kaart worden gebracht. Er zijn verschillende soorten visualisatietechnieken om deze indicatoren te visualiseren Achtereenvolgens zullen in deze paragraaf visualisaties door middel van een choropleet en door middel van rasters (vierkanten en hexagonalen) worden toegelicht. Choropleet Een choropleet geeft de waarde van een bepaalde indicator per gebied aan door mi ddel van kleurtinten. De gebieden zijn vaak administratieve gebieden. De kleurtint representeert de hoogte van de waarde van de indicator in een gebied. Er zijn verschillende classificatiemethoden om een gebied, op basis van een waarde, van een bepaalde kl eurtint te voorzien. Voorbeelden zijn classificaties op basis van kwantielscores, gelijke intervallen, geometrische progessies en deviatie scores. In dit artikel wordt de veel gebruikte Jenks natural breaks classificatie methode gebruikt. Deze methode pro beert de spreiding (uitgedrukt in variantie) van de waardes binnen een klasse of gebied klein te houden, terwijl de spreiding tussen gebieden zo groot mogelijk wordt gehouden. Op deze manier zijn de waardes binnen een gebied zo homogeen mogelijk, terwijl d e waardes van de gebieden onderling zo verschillend mogelijk zijn, d.w .z. zo heterogeen mogelijk zijn

PAGE 87

Modus Statistisch Magazine 86 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Figuur 1. Choropleet Diversiteitsindex per buurt, Curaao, Census 2011 In figuur 1 wordt de diversiteitsindex per buurt in Curaao (Census 2011 ) weergegeven. De grijstinten lopen van licht naar donker en de bijbehorende diversiteitsindex van laag (0) naar hoog (1). Met andere woorden, hoe donkerder de kleur in een buurt, hoe hoger de diversiteitsindex. Hoge diversiteitsindices duiden een meer het erogene samenstelling van de bevolking in een buurt aan, terwijl lagere diversiteitsindices op een meer homogene samenstelling van de bevolking duiden. Belangrijk is op te merken dat een hoge diversiteitsindex niet hoeft te duiden op sociale of culturele u itwisseling tussen de verschillende groepen. In figuur 1 is te zien dat de bevolking in Ser'i Papaya een diversiteitsindex heeft tussen 0,00 en 0,44 (precieze waarde 0,36); een relatief lage mate van diversiteit op het gebied van geboorteland van de inw oners. Groot Davelaar laat daarentegen een diversiteitsindex tussen de 0,89 en 1,00 zien (precieze waarde 0,97); een relatief grote mate van gemengdheid op het gebied van geboorteland van de inwoners. Voor de totale bevolking van Curaao is de diversiteit sindex 0,55. Deze score is gebaseerd op het gegeven dat 76 procent van de bevolking in Curaao geboren is tegen 24 procent van de bevolking die elders geboren is. Een choropleet met een groot aantal polygonen (buurten in dit geval), welke in oppervlakte sterk varieren, is niet erg geschikt om een gedetailleerde weergave te bieden van een thema wanneer deze kaart op klein formaat wordt afgedrukt. De kleine buurten zijn dan nauwelijks te onderscheiden in de

PAGE 88

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 87 kaart. Daarbij kan er in een choropleet vertekenin g optreden wanneer niet alle gebieden dezelfde grootte of oppervlakte hebben. Dit wordt in het Engels aangeduid met area bias Om het effect van area bias te elimineren kan er gebruik gemaakt worden van normalisering 19 of van rasters, waarover in de volgend e paragraaf meer. De choropleet impliceert tevens een homogene verdeling binnen de individuele vlakken van het in kaart gebrachte fenomeen. Deze veronderstelling is, met name in grotere gebieden, vaak onjuist. In figuur 1 is het tevens lastig om de verschi llende grijstinten te kunnen onderscheiden. Wel geeft de kaart een globaal overzicht van de ruimtelijke spreiding van de indicator over het gehele studiegebied. Opgemerkt moet worden dat er gebieden zijn waar er geen data beschikbaar was om de indicator te berekenen. In dit voorbeeld had dit zelden te maken met non respons, maar waren deze gebieden vaak onbewoond. Deze gebieden zijn gearceerd weergegeven in figuur 1. Vierkante en hexagonale rasters In dit artikel worden twee type rasters belicht: vierka nte en hexagonale rasters. Bij het gebruik van rasters wordt het totale studiegebied onderverdeeld in gebieden van gelijke vorm en oppervlakte. De vraag die opkomt is op welke wijze het totale oppervlakte of gebied opgedeeld dient te worden. Buiten het va ak gebruikte vierkante raster zijn er ook andere mogelijkheden. Een van de criteria zou kunnen zijn dat het raster het oppervlakte zo economisch mogelijk indeelt. In dit geval moeten de gebieden op basis van gelijke oppervlaktes en een zo klein mogelijke o mtrek worden ingedeeld. Het blijkt dat een honinggraat of hexagonaal raster als enige raster aan dit citeria voordoet. Figuur 2 en 3 zijn voorbeelden waarbij gebruik is gemaakt van een raster van vierkanten en figuur 4 en 5 zijn voorbeelden van hexagonale rasters. Voor beide rastersoorten is op basis van alle datapunten binnen elke van de vierkanten of hexagonalen de diversiteitsindex per vierkant of hexagonaal berekend 20 Bovendien zijn de vierkanten en hexagonalen waarover geen data beschikbaar was in het geheel weggelaten, terwijl de contour van Curaao behouden is. 19 Wanneer het om een aantal waarnemingen per gebied gaat dient te worden genormaliseerd naar bijvoorbeeld oppervlakte van het gebied. Het aantal waarnemingen per gebied wordt dan gedeeld door de oppervlakte van het gebied om tot de genormaliseerde waarde te komen. Op deze manier wordt een relatieve waarde verkregen die vergeleken kan worden met de relatieve waarden in de andere gebieden in de kaart. 20 Zie ook de online vi rasters direct met elkaar vergeleken kunnen worden.

PAGE 89

Modus Statistisch Magazine 88 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Figuur 2. Diversiteitsindex per vierkant (100ha), Curaao, Census 2011 Figuur 3. Diversiteitsindex per vierkant (10ha), Curaao, Census 2011

PAGE 90

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 89 Hier zijn twee verschillende oppervl aktes gebruikt voor de vierkanten en hexagonalen, namelijk 10 hectare en 100 hectare. De ruimtelijke verdeling van de diversiteitsindex is veel duidelijker te zien dan bij de choropleet. Uiteraard is die verdeling gedetailleerder bij de vierkanten en de he xagonalen met het kleinste oppervlakte. Zaken zoals de boodschap die de visualisatie over moet brengen, de aard van de indicator en de ruimtelijke spreiding zijn onder meer bepalend voor de grootte van het oppervlakte van afzonderlijke vierkanten of hexag onalen, oftewel de fijnmazigheid van het raster. Wanneer bijvoorbeeld een globaal beeld verkregen moet worden is een grotere oppervlakte (een grover raster) vaak te verkiezen boven een kleinere oppervlakte (een fijner raster) die lastiger te interpreteren is. Ook bij het optreden van ruimtelijk zeldzame observaties is het verstandig om te werken met een relatief groot oppervlakte. In de pratijk moet deze zaken overwogen worden om tot een zo goed mogelijke visualisatie te komen. Wanneer de vierkante rasters vergeleken worden met de hexagonale rasters blijkt dat de vierkante rasters vertekenend kunnen werken. De buitengrenzen zijn hoekiger dan ze hadden moeten zijn op basis van de onderliggende gegevens. Vierkante rasters zijn in het algemeen minder geschikt om organisch gevormde gebieden of patronen met veel bochten te visualiseren, daarvoor zijn hexagonale rasters beter geschikt. Dit effect wordt in de Engels literatuur een edge effect genoemd. Wanneer de choropleet vergeleken wordt met de raster kaarten, va lt op dat vooral de dunbevolkte gebieden een vertekening kunnen laten zien. Bij bijvoorbeeld de buurt Oostpunt wordt verwacht dat de diversiteit erg hoog is voor het gehele oppervlakte dat de buurt beslaat. Op basis van de figuren van de rasters, vooral de gene met kleine gebeiden van 10 hectare valt op dat er bijna geen datapunten liggen in de buurt Oostpunt. Oostpunt is dan ook dunbevolkt. Er is hier sprake van een vorm van area bias. Figuur 4. Diversiteitsindex per hexagonal (100ha), Curaao, Census 20 11

PAGE 91

Modus Statistisch Magazine 90 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Figuur 5. Diversiteitsindex per hexagonaal (10ha), Curaao, Census 2011 Andere visualisatiemethoden Behalve het gebruik van een choropleet en rasters zijn er ook andere visualisatiemethoden bruikbaar. Een paar populaire en bruikbare alternati even zijn de figuratieve kaarten en dichthedenkaarten. Bij figuratieve kaarten (figuur 6) wordt met symbolen statistische informatie gekoppeld aan een bepaald gebied. Vaak wordt als symbool een cirkel of vierkant gebruikt die in grootte varieert. De groott e van de symbolen wordt bepaald door de waarde van de indicator. Natuurlijk kan er ook gekozen worden voor andere visualisaties zoals staafdiagrammen of boxplots. Een dergelijke kaart, waarin per gebied een staafdiagram, boxplot of vergelijkbaar figuur wor dt afgebeeld die de waarde(n) van de indicator weergeeft, wordt een kartogram genoemd. In dit laatste geval is het vaak niet verstandig om de grootte van symbolen te laten bepalen door de waarde van de indicator. De interpretatie en de grafiek is dan niet duidelijk af te lezen en te vergelijken met andere gebieden.

PAGE 92

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 91 Figuur 6. Voorbeeld van een figuratieve kaart Bron: http://gis.depaul.edu/shwang/teaching/geog258/QuantitativeThematicMap.htm Bij dichthedenkaarten (figuur 7) wordt in een gebied een aantal symbolen geplaatst. Vaak zijn dit stippen. De gebieden worden niet ingekleurd. Het aantal symbolen wordt evenredig met de waarde (of een veelvoud van de waarde) van de indicator in een gebied genomen. Deze kaarten zijn goed te gebruiken als men gen teresseerd is in spreidingspatronen, zoals de manier waarop mensen zich verspreiden over een land. Groot voordeel van dit type visualisatie is dat grenzen en oppervlaktes geen grote functie hebben in de interpretatie, maar wel gebruikt kunnen worden ter or intatie. Figuur 7. Voorbeeld van een dichthedenkaart

PAGE 93

Modus Statistisch Magazine 92 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Vs_stippenkaart.PNG Mogelijke andere toepassingen GIS Hoewel in dit artikel gebruik gemaakt is van censusgegevens is het heel goed mogelijk gebruik te ma ken van steekproefgegevens. Bovendien kunnen ook andere gegevens met een GIS gevisualiseerd worden. Op dit moment vinden er onder meer onderzoeken plaats die zich richten op veldwerk bij het CBS. Daar wordt onderzocht op welke wijze GIS ingezet kan worden om processen tijdens de veldwerkperiode te monitoren en te evalueren. Tevens wordt er onderzocht welke visualisaties zich het beste lenen voor de verwerkingprocessen, de analyse en het publiceren van resultaten. Concluderende opmerkingen Ruimtelijke datav isualisatie kent vele verschillende methoden. Iedere methode heeft zijn voor en nadelen. Belangrijk is dat de keuze voor een visualisatiemethode afhankelijk is van onder andere de eigenschappen van de te visualiseren data, de boodschap die de kaart dient over te brengen, de methode van publiceren (bijvoorbeeld papieren uitgave of digitale kaart) en het gewenste detailniveau van de visualisatie. De choropleet heeft als belangrijk voordeel dat administratieve grenzen kunnen worden gebruikt, maar onder andere als nadeel dat er area bias kan optreden. Het gebruik van rasters heeft als groot voordeel dat alle gebieden in een raster dezelfde vorm en oppervlakte hebben en daardoor eenduidig met elkaar te vergelijken zijn. Een van de nadelen is dat er edge effects kunnen optreden die de onderliggende werkelijkheid vertekend weergeven. Enkele andere ruimtelijke visualisatiemethoden zijn figuratieve kaarten, dichthedenkaarten en kartogrammen. Literatuurlijst ESRI. (2016, 11 1). What is GIS? Retrieved from www.esri.c om: http://www.esri.com/what is gis Magurran, A. (2004). Measuring Biological Diversity. Malden, MA: Blackwell Publishing. Reardon, S. F., & Firebaugh, G. (2002, January). Measures of multigroup segregation. Sociological Methodology, 32 (1), 33 67. Schmid, C. (1983). Statistical Graphics, Design Principles and Practices. New York: John Wiley & Sons.

PAGE 94

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 93 De intermediaire kosten van de niet financile sector in Curaao: voorlopige resultaten Dainadira Eustatius Martis Inleiding In 2014 hee ft het CBS, als onderdeel van de Nationale Rekeningen enqute, een onderzoek verricht naar het intermediaire verbruik van bedrijven op Curaao. Dit onderzoek had betrekking op de kosten gemaakt in 2013. Het intermediaire verbruik van een bedrijf betreft he t verbruik van goederen en diensten, al dan niet getransformeerd, gedurende het productieproces van het bedrijf om, aan het einde van dit proces, tot een eindproduct te komen. Dit eindproduct kan eventueel een onderdeel zijn van het productieproces van een ander bedrijf. Een voorbeeld van goederen die getransformeerd worden in het productieproces zijn grondstoffen, bijvoorbeeld hout dat bewerkt wordt tot meubelen. Er zijn ook goederen die nauwelijks getransformeerd worden gedurende het productieproces. Di t komt voornamelijk voor bij het bedrijfstak Handel: deze goederen treden in grote hoeveelheden toe tot het productieproces en bestaan aan het einde daarvan uit hetzelfde goed maar in kleinere aantallen (stuks, dozijnen etc.). Daarnaast zijn er intermediai re goederen die opgebruikt worden tijdens het productieproces, bijvoorbeeld elektriciteit, water, gas, brandstof. Ook de diensten worden tijdens het productieproces opgebruikt: de tijd (aantal uren/minuten) besteedt aan het verlenen van een dienst aan het ene bedrijf kan niet gebruikt worden voor diensten aan een ander. Het verbruik van duurzame goederen, dit zijn goederen met een verwachte levensduur langer dan 1 jaar, bruik. Deze goederen worden in de Nationale Rekeningen als investering aangeduid. Ook de personeelskosten en de afschrijvingen op vasta activa worden uitgesloten. De intermediaire kosten zijn dus slechts een deel van de kosten die het bedrijf maakt om haa r product of dienst te kunnen leveren. Het onderzoek naar het intermediaire verbruik van bedrijven op Curaao wordt om de vijf jaar gehouden. Het doel is om inzicht te krijgen in de structuur van de intermediaire kosten (verbruik van type producten/di ensten) van de bedrijven. Dit in tegenstelling tot de jaarlijkse Nationale Rekeningen enqute waar de aandacht gericht is op de totaliteit van deze kosten.

PAGE 95

Modus Statistisch Magazine 94 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 De intermediaire kosten dienen als grondslag voor het opstellen van de vraag en aanbodstabellen, w at een onderdeel is van de Nationale Rekeningen. Deze tabellen geven inzicht in de intermediaire leveringen, de finale consumptieve bestedingen, investeringen en exporten die samen de vraag naar goederen vormen. Daarnaast geven de tabellen inzicht in het a anbod van goederen en diensten. Deze is opgebouwd uit lokaal geproduceerde en gemporteerde goederen en diensten. Het artikel presenteert de voorlopige resultaten van het onderzoek naar de intermediaire kosten van bedrijven van de niet financile sector. Eerst wordt het aandeel van de intermediaire kosten per bedrijfstak en de voornaamste producten en diensten van de niet financile sector gepresenteerd. Daarna wordt per bedrijfstak de belangrijkste producten en diensten besproken. Methodologie De dat a is verzameld in de periode juni 2014 tot en met januari 2015. Een totaal van 1355 bedrijven zijn geselecteerd om aan het onderzoek te participeren. De steekproef van de Nationale Rekeningen enqute is gebruikt voor het onderzoek naar het intermediaire ve rbruik van bedrijven. Voor de steekproef worden alle grote bedrijven (vanaf 10 werknemers) geselecteerd en van de kleine bedrijven (minder dan 10 werknemers) wordt een steekproef getrokken 21 In totaal hebben 752 bedrijven gerespondeerd. Aan de hand van ee n vragenformulier hebben deze bedrijven een specificatie gegeven van de verschillende soorten aangekochte goederen, materialen, grondstoffen en overige kosten (ook diensten) die betrekking hebben op de bedrijfsvoering in 2013. De responderende bedrijven zijn vergeleken met een lijst van belangrijke bedrijven (de bedrijven met het grootste marktaandeel per bedrijfstak) om te toetsen of de belangrijkste bedrijven gerespondeerd hebben. respons van enkele belangrijke bedrijven. 22 en ISIC Rev. 3 23 ingedeeld bij de corresponderende institutionele sectoren 24 en bedrijfstakken respectievelijk. Vo or elke institutionele sector is de responsdata per product/dienst en per bedrijfstak getotaliseerd. Zo is een overzicht onstaan van de kosten aan de verschillende producten en diensten per bedrijfstak per institutionele sector van de 21 Voor de kleine bedrijven geldt dat, wanneer ze in de steekproef vallen, zij verplicht zijn om vier achtereenvolgende jaren te participeren. Bovendien wordt bij het trekken van de steekproef rekening mee gehouden dat alle sectoren en bedrijfstakken vertegenwoordigd moeten worden. Dit betekent dat de steekproef onder kleine bedrijven geen a selecte steekproef is. 22 Het system van de Nationale Rekeningen van elk land 23 Internationale standaard van industrile classificaties voor economische activiteiten, revisie 3 24 In het system van Nationa le Rekeningen, worden 5 institutionele sectoren onderscheiden: de financile sector, de niet financile sector, huishoudens, sector overheid en instituties zonder winstoogmerk in dienst van huishoudens.

PAGE 96

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 95 bedrijven die gerespo ndeerd hebben. Hierna is het aandeel van het verbruik van elk product/dienst in het totaal van de corresponderende sector berekend. Aan de hand van dit aandeel en het totale intermediair verbruik van de sector voor het jaar 2012 25 afkomstig van de National e Rekeningen, is het werkelijk verbruik per product en per bedrijfstak voor elke institutionele sector geschat voor het jaar 2012. In het artikel worden enkel de belangrijkste producten en diensten gepresenteerd. Definities Intermediaire verbruik (koste n): het verbruik (kosten) van goederen en diensten, al dan niet getransformeerd, gedurende het productieproces van een bedrijf om, aan het einde van dit proces, tot een eindproduct te komen. De personeelskosten en de afschrijvingen op vasta activa worden e chter van de intermediaire kosten uitgesloten. Niet financile sector: institutionele entiteiten die zich bezig houden met productie van marktgoederen (en diensten) n niet financile diensten. Met marktgoederen wordt bedoeld dat deze goederen verkocht wo rden tegen een prijs dat de productiekosten kan dekken. Overige diensten: schoonmaak, werk van derden, entertainment, overige reparatie (m.u.v. gebouwen, transportmiddelen en machines). Professionele diensten: activiteiten van accountants en administra tiekantoren, beveiliging, consultancy, fiscaal en juridisch advies, activiteiten van marketing, reclame Het intermediaire verbruik van de niet financile sector Het intermediaire verbruik van de niet financile sector voor het jaar 2012 is geschat op NAf. 4.105,9 miljoen en de bruto productie op NAf. 7.266,7 miljoen. Dit betekent dat de bruto productie van d e niet financile sector in 2012 voor bijna 57 procent uit intermediaire kosten bestond. De toegevoegde waarde bedroeg ruim 43 procent. Figuur 1 toont het aandeel van de intermediaire kosten in de bruto productie van de verschillende bedrijfstakken in 2012 relatie tot haar bruto productie: de intermediaire kosten bedroegen in 2012 ruim 85 producent van de t haar bruto productie (18%). 25 Op het moment van analyse was het intermediaire ver bruik van 2013 nog niet bekend

PAGE 97

Modus Statistisch Magazine 96 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Figuur 1. Het i ntermediair verbruik als aandeel van de bruto productie per bedrijfstak Tabel 1 toont de bedrijstakken van de niet financile sector en het aandeel van de intermediaire kosten per bedrijfstak. Z (54%) van de intermediaire kosten voor haar rekening, gevolgd door de nutsbedrijven (19%). De bedrijfstakken met het geringste aandeel van de intermediaire kosten zijn Wanneer gegeken wordt naar het verbruik van goederen en diensten voor de niet financile sector valt op dat het intermediaire verbruik voornamelijk uit aankoop van chemische grondstoffen (30%), aankoop van producten van metaal (15%), aankoop van voedingsproducten en drank (11%), aankoop van hout/textiel/papier (9%), verbruik van professionele diensten (7%) en het verbruik van elektricitei t en water (4%) bestaat.

PAGE 98

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 97 Handel 26 De bedrijfstak handel neemt meer dan 50 procent van de kosten van de niet fin ancile sector voor haar rekening. Deze bedrijfstak wordt gekarakteriseerd door inkoop en doorverkoop van goederen. De intermediaire kosten betreffen dus voornamelijk de aankoop van de goederen die er doorverkocht worden. Voor deze bedrijfstak op Cura ao bestaan de kosten voornamelijk uit de aan koop van chemische grondstoffen (45%), de aankoop van voedingsproducten en drank (19%), de aankoop van goederen van hout/textiel/papier (15%). Ook de aankoop van producten van metaal en invoerrechten vormen een belangrijk onderdeel van de intermediare kost en met 5 en 4 procent respectievelijk. Figuur 2. De voornaamste intermediairkosten van de bedrijfstak handel 26 N=180 Tabel 1. Aandeel intermediair verbruik per bedrijfstak in totaal van de niet financile sector Handel 53.8 Elektriciteit, gas en water 18.7 Transport en communicatie 7.7 Zakelijke dienstverlening 6.6 Industrie 5.1 Horeca 3 .0 Gezondheidszorg en sociaal werk 2.0 Bouw 1.6 Overige diensten 1.1 Landbouw en Mijnbouw 0.2 Particulier onderwijs 0.1

PAGE 99

Modus Statistisch Magazine 98 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Elektriciteit, gas en water 27 Deze bedrijfstak neemt een middenpositie voor wat betreft het verbruik van goederen en diensten in het totaal va n de niet financile sector (19%). De bedrijfstak betreft bedrijven die elektriciteit, gas, water produceren en distribueren. De intermediaire kosten bestaan vooral uit materiaal om in de productie en distributie te kunnen voorzien. De bedrijven maken voo rnamelijk gebruik van materialen van metaal (49%) en van chemische grondstoffen (31%). Verder maken de bedrijven in deze bedrijfstak ook gebruik van overige diensten (5%). Figuur 3. De voornaamste intermadiaire kosten van de bedrijfstak elektriciteit, gas en water Transport en communicatie 28 Bij transport en communicatie is het aandeel van de intermediaire kosten in het totaal van de niet financile sector relatief gering (8%). Transport en communicatie betreft vervoer van goederen en personen via land, water en lucht, aanverwante diensten zoals reisorganisaties en post en telecommunicatie diensten. De voornaamste kosten voor de bedrijfstak zijn de aankoop van goederen van metaal (32%) en het verbruik van professionele diensten (12%). Verder maken de bedrijven uit deze bedrijfstak gebruik van 27 N=4 28 N=44

PAGE 100

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 99 elektriciteit en water (7%), communicatie (telefoon, internet, post etc.; 5%), onderhoud en reparatie van machines (4%) en huur van gebouwen (3%). Figuur 4. De voornaamste intermediaire kosten van de bedrij fstak transport en communicatie Zakelijke dienstverlening 29 Voor deze bedrijfstak zijn de intermediaire kosten ook ongeveer 8 procent van de totale intermediare kosten van de niet financile sector. De bedrijfstak omvat bedrijven met activiteiten in v erhuur van gebouwen en goederen, onderzoek en ontwikkeling, consultancy, adminstratief, fiscaal en juridisch advies, beveiliging, marketing, reclame en advertentie, techniesch advies en arbeidsbemiddeling. De bedrijfstak maakt voornamelijk gebruik van diensten binnen de eigen bedrijfstak. De voornaamste kosten zijn het verbruik van professionele diensten (50%), waarvan kosten van beveiliging het overgrote deel van de kosten van de bedrijfstak in beslag neemt (44%). Verder vormen het verbruik van elektri citeit en water (21%), onderhoud en reparatie van gebouwen (7%) en huur van gebouwen (3%) substantile kostenposten. 29 N=71

PAGE 101

Modus Statistisch Magazine 100 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Figuur 5. De voornaamste intermediaire kosten van de bedrijfstak zakelijke dienstverlening Industrie 30 De bedrijfstak industrie neemt vijf procent van de intermediaire kosten van de niet financile sector voor haar rekening. Bij deze bedrijfstak gaat het om het transformeren van grondstoffen of halffabricaten in eindproducten. De kosten bestaan grotendeels uit de aankoop van materialen van hout/textiel/papier (14%), het verbruik van overige diensten (11%), aankoop van land en tuinbouw producten (7%), aankoop van voedingsproducten en drank (7%), betaling premies voor transportverzekering (6%), aankoop van zand/steen/grind/ kalksteen (6%) het verbruik van professionele diensten (5%), opslagkosten (5%), verbruik van elektriciteit en water (5%), kosten voor onderhoud en reparatie van machines (4%) en kosten voor onderhoud en reparatie van transportmiddelen (4%). 30 N=41

PAGE 102

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 101 Figuur 6. De voornaamste intermediaire kosten van de bedrijfstak industrie Horeca 31 De bedrijfstak horeca heeft een relatief laag aandeel van intermediaire kosten in het totale intermediaire verbruik van de niet finan cile sector (3%). De bedrijfst ak bestaat uit accomodaties voor kort verblijf en De intermediaire kosten bestaan voornamelijk uit de aankoop van voedingsproducten en drank (30%) en het verbruik van professionele diensten (22%) als kosten. Ook het verbruik van e lektriciteit en water is hoog (11%). Andere relatief hoge kostenposten zijn huur van gebouwen (5%) en overige diensten (4%). 31 N=51

PAGE 103

Modus Statistisch Magazine 102 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Figuur 7. De voornaamste intermediaire kosten van de bedrijfstak horeca Gezondheidszorg en sociaal werk 32 Voor de bedrijfsta k gezondheidszorg en sociaal werk ook is het aandeel van intermediaire kosten in de niet financile sector relatief laag (2%). De activiteiten in deze bedrijfstak bestaan uit ziekenhuiszorg en andere medische en paramedische zorg, dierenzorg en sociale hul pactiviteiten met en zonder accomodatie. De intermediaire kosten bestaan grotendeels uit het verbruik van elektriciteit en water (9%), afschrijving van dubieuze debiteuren (8%), het verbruik van professionele diensten (6%), kosten voor onderhoud en repara tie van machines (4%), de aankoop van voedingsproducten en drank (3%) en van chemische grondstoffen (3%). 32 N=23

PAGE 104

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 103 Figuur 8. De voornaamste intermediaire kosten van de bedrijfstak gezondheidszorg en sociaal werk Bouw 33 Het aandeel van de intermediaire kosten van deze bedrijfstak binnen de totale kosten van de niet financile sector is bijna twee procent. De bedrijfstak bestaat uit bedrijven die bouwdiensten in de ruimste zin van het woord verlenen, o.a. verhuur van bouwmachines, terrein voorbereiding, bouw, in stallatie en afwerking en civiele techniek. De intermediaire kosten van het bedrijfstak bestaan grotendeels uit het verbruik van overige diensten (17%), aankoop van materialen van metaal (13%), aankoop van producten van zand/steen/grind/kalksteen (10%), h et betalen van invoerrechten (10%), het verbruik van professionele diensten (9%), de aankoop van hout/textiel/papier (7%), de aankoop van chemische grondstoffen (5%) en kosten voor onderhoud en reparatie van machines (5%). 33 N=27

PAGE 105

Modus Statistisch Magazine 104 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Figuur 9. De voornaamste inter mediaire kosten van de bedrijfstak bouw Overige diensten 34 Ook de bedrijfstak overige diensten heeft een relatief laag aandeel van intermediare kosten in de niet financile sector (1%). De activiteiten binnen de bedrijfstak bestaan uit o.a. recreatieve, culturele en sportieve activiteiten, lidmaatschapsactiviteiten van werkgevers en werknemersorganisaties, religieuze en politieke organisaties, persoonlijke dienstverlening (wasserijen, haar en schoonheidssalons etc.) en riolering en sanitaire diensten. De bedrijfstak maakt voornamelijk gebruik van professionele diensten (20%), huur van gebouwen (14%) en elektriciteit en water (12%). Verder zijn brandstofkosten (6%), de aankoop van voedingsproducten en drank (5%), kosten voor onderhoud en reparatie van g ebouwen (3%) en kosten voor onderhoud en reparatie van machines (3%) substantile kostenposten 34 N=32

PAGE 106

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 105 Figuur 10. De voornaamste intermediaire kosten van de bedrijfstak overige diensten Landbouw en Mijnbouw 35 Deze bedrijfstak heeft een zeer l aag aandeel in de totale intermediaire kosten van de niet financile sector (minder dan 1%). De activiteiten bestaan o.a. uit het kweken van groente, fruit en andere gewassen en planten, veeteelt, visserij, ontwerp en uitvoering van landscaping, aanleggen van irrigatiesystemen en winning van delfstoffen. Voor deze bedrijstak bestaan de kosten voornamelijk uit aankoop van voedingsproducten en drank (31%) en van land en tuinbouwproducten (21%). Verder bestaan de kosten uit het verbruik van professionele diensten (6%), verbruik van elektriciteit en water (4%), vrachtkosten (4%), aankoop van brandstof (3%), zand/steen/grind/kalksteen (3%), aankoop van andere eindproducten (3%), huur van transportmiddelen (3%) en onderhoud en reparatie van transportmiddelen (3%). 35 N=12

PAGE 107

Modus Statistisch Magazine 106 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Figuur 11. De voornaamste intermediaire kosten van de bedrijfstak landbouw en mijnbouw Particulier onderwijs 36 Particulier onderwijs is de bedrijfstak met de laagste aandeel van intermediaire kosten in de niet financile sector De bedrijfstak omvat instellingen of individuele personen die primair, secundiar en/of tertiar onderwijs verzorgen 37 voltijds of deeltijds, en volwassen educatie. De intermadiaire kosten voor deze bedrijfstak bestaan grotendeels uit de huur van gebouwen ( 13%), het verbruik van elektriciteit en water (13%), verbruik van professionele diensten (11%), kosten voor bouw en loondiensten 38 (8%), kosten voor overige diensten (schoonmaak, werk van derden etc.; 6%), onderhoud en reparatie van gebouwen (5%), afschrij ving dubieuze debiteuren (3%), communicatiekosten (3%) en kosten van horeca en logies (3%). 36 N=7 37 Dit zijn alleen de onderwijsinstellingen die marktconform produceren. Dat zijn de instellingen die een significante prijs vragen voor de geleverd e diensten. Voor het onderscheid tussen markt en niet marktconform wordt de 50% regel gebruikt. Dit houdt in dat, indien de verkoopopbrengsten structureel hoger zijn dan 50% van de productiekosten, de instelling marktconform opereert. De onderwijsinstellin gen die onder het Rooms Katholieke Schoolbestuur en de Vereniging voor Protestants Christelijk Onderwijs vallen, produceren niet markconform en zijn dus niet in het onderzoek meegenomen. 38 Voorbeelden van bouw en loondiensten zijn loodgieterswerk, install atie en reparatie van air conditioning systemen, antennes, alarm systemen, sproei systemen, lift etc., reparatie van ramen en deuren etc.

PAGE 108

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 107 Figuur 12. De voornaamste intermediaire kosten van de bedrijfstak particulier onderwijs Conclusie De intermediaire kosten zijn een deel van de kosten die het bedrijf maakt om haar product of dienst te kunnen leveren. De personeelskosten en de afschrijvingen op vasta activa zijn van de intermediaire kosten uitgesloten. In 2012 bedroeg het intermediaire verbruik van de niet financile sector bijna 57 procent van de bruto productie. De toegevoegde waarde bedroeg ruim 43 procent. De bedrijfstak die, voor wat betreft waarde van de intermediaire kosten vergeleken met de totale niet re kosten van de sector. Deze bedrijfstak heeft voornamelijk de aankoop van chemische grondstoffen, voedingsproducten en drank en producten van hout/textiel/papier als intermediaire kosten. Deze bedrijfstak neemt een middenpositie voor wat betreft de waarde van het verbruik van goederen en diensten in de sector (19%) en maakt vooral gebruik van materialen van metaal en chemische grondstoffen. Verder zijn er diverse bedrijfstakken me Hierdoor be staat het intermediaire verbruik van de niet financile sector vooral uit aankoop van chemische grondstoffen, aankoop van metalen, aankoop van voedingsproducten en drank, aankoop van hout/textiel/papier, verbruik van professionele diensten en verbruik van elektriciteit en water.

PAGE 109

Modus Statistisch Magazine 108 Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 Bijlage: lijst van de producten en diensten Soort grondstoffen, materialen en goederen: landbouw/tuinbouwproducten/visserij zout (mineraal) zand/steen/grind/kalksteen voedingsproducten dranken chemische grondstoffen metal en hout/textiel/papier Overige kosten: invoerrechten vrachtkosten: lucht land zee opslagkosten premies transportverzekeringen Specificatie overige operationele kosten: afschrijvingen dubieuze debiteuren, incourante voorraden, toevoegin gen aan reserves, goodwill assurantiebemiddeling bouw en loondiensten brandstoffen communicatie (telefoon, internet, fax, mobiel, post en overige communicatie) eindproducten van hout, textiel gezondheidsdiensten horeca en logiesverstrekking (o.a. reis en verblijfskosten) huur: gebouwen transportmiddelen machines levensverzekeringen onderdelen van: computers auto's overig vervoer onderhoud en reparatie: gebouwen transportmiddelen (geen schepen) machines overige diensten (schoonmaak, werk van derden entertainment, overige reparatie) overige eindproducten particulier onderwijs professionele diensten: accountantskosten, administratie kosten beveiliging consul tancy, advies, juridische kosten marketing, reclame en advertentie onderzoek en ontwikkeling andere professionele dienst en: schadeverzekeringen scheepsreparatie transportondersteunende kosten en verwante activiteiten, reisbureaus

PAGE 110

Modus Statistisch Magazine Modus jrg. 1 4 ; nr. 3/4 109 utiliteitskosten: elektriciteit water kookgas voedingsproducten ko sten niet elders genoemd