Citation

Material Information

Title:
Relatie man vrouw in de sociaal economische context van Curaçao

Record Information

Source Institution:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Holding Location:
Central Bureau of Statistics Curaçao
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.

Downloads

This item is only available as the following downloads:


Full Text

PAGE 2

1 Drs. Petra I. van Deursen Relatie man vrouw in de sociaal economische context van Curao Een analyse van de resultaten van census 2001 en 2011

PAGE 3

2 Centraal Bureau voor de Statistiek Curaao Adres: WTC Building, Piscaderabay z/n Telefoon: (599 9) 839 2300 Email: info@cbs.cw Website: www.cbs.cw Facebook: www.facebook.cw/cbscur Coyright Willemstad, Central Bureau of Statistics, 2017 De inhoud van deze p ublicatie kan worden geciteerd, mits de bron nauwkeurig en duidelijk wordt vermeld. ISBN: 978 99904 5 100 9

PAGE 4

3 Voorwoord Een van de taken van het Centraal Bureau voor de Statistiek is om de bevolking te informeren omtrent de situatie en ontwikkeling met betrekking tot uiteenlopende maatschappelijke onderwerpen en beleidsterreinen. Dit doet zij met behulp van statistische geg evens. In 2011 heeft de vijfde Volks en woningtelling plaatsgevonden. Inmiddels zijn verschillende publicaties verschenen, die gebaseerd zijn op de resultaten van deze census. In de publicaties is, bij bepaalde onderwerpen, telkens rekening gehouden met de verdeling naar sekse(geslacht). De huidige publicatie is een genderanalyse, de onderwerpen die in de census van 2001 en 2011 naar voren zijn gekomen, worden met elkaar vergeleken en wordt er gekeken naar de verschillen (en overeenkomsten) tussen mannen gender is in de loop der tijd enorm toegenomen en is daarmee als instrument voor sociale analyse wereldwijd verspreid. In navolging van het project van C ARICOM om op basis van cen gender, is deze publicatie ontstaan. Deze publicatie is gebaseerd op gegevens uit de census van 2011 en 2001. Daar waar mogelijk wordt er een vergelijking gemaakt, bepaalde o ntwikkelingen worden omschreven. Met deze publicatie wil het Centraal Bureau voor de Statistiek een bijdrag e leveren aan het principe van evidence based policy making Het CBS spreekt dan ook de hoop uit dat de resultaten in deze publicatie daadwerkelijk gebruikt zullen worden door de stakeholders in de publieke en private sector. Deze publicatie is geschreven door drs. Petra I. van Deursen. Een woord van dank gaat uit naar een ieder die op directe of indirecte wijze heeft bijgedragen aan de totstandkoming van deze publicatie. Drs Sean de Boer

PAGE 5

4 Samenvatting Demografie Vrouwen zijn in de meerderheid op Curao, dit is zowel in 2001 als in 2011 het geval. De bevolking v an Curao is tussen 2001 en 2011 gestegen van 130.627 naar 150.536 mensen. Voor zowel 2001 als 2011 was 46 procent van de inwoners man, 54 procent vrouw. Sekseratio: In 2001 waren er 86 mannen per 100 vrouwen (sekse ratio 0, 86) I n 2011 is dit gedaald tot 0, 84. De sekseratio hangt af van de leeftijd, tot 10 jaar is deze 1, 05 (beide censusjaren). Bij de 80 plussers was dit in 2001 0, 51 en in 2011 0, 56. 83 procent van de mannelijke bevolking op Curao was in 2001 op Curaao geboren e n 78 procent van de vrouwelijke bevolking is op Curaao geboren. Dit is tussen 2001 en 2011 bij de mannen gedaald tot 78 procent en bij de vrouwen tot 74 procent. Wanneer de bevolking naar geboorteland wordt bekeken, valt het grote aandeel vrouwen geboren in immigratielanden is Hti is het enige land waarvan beduidend meer mannen dan vrouwen naar Curaao zijn gemigreerd Religie Meer dan 90 procent van de bevolking heeft een bepaalde geloofsovertuiging. In beide censusjaren zijn er meer vrouwen dan mannen die een bepaalde geloofsovertuiging hebben. Procentueel gezien is hiervoor een daling te zien tussen 2001 en 2011. Het overgrote deel van de gelovigen is Rooms Katholiek Relatief ge zien zijn dat meer mannen dan vrouwen. Het aandeel Rooms Katholieken neemt tussen 2001 en 2011 af. E r is ook een daling te zien bij de Protestanten bij deze geloofsovertuiging is het a andeel mannen en vrouwen gelijk. B ij de Adventisten zijn er ook geen ve rschillen tussen percentages mannelijke en vrouwelijke Adventisten te zien Deze geloofsovertuiging kent een lichte stijging. Een grote stijging tussen 2001 en 2011 is te zien bij de Pinkstergemeente. Het aandeel vrouwen is daar in beide censusjaren hoger dan het aandeel mannen. De sekse ratio van het aantal niet gelovigen is het hoogst: 1 20 in 2011, de laagste sekse ratio (0 62) was in 2001 bij de Pinkstergemeente Of iemand hoofd van het huishouden is onafhankelijk van het al dan niet gelovig zijn of van welke van de bovengenoemde religieuze stroming en

PAGE 6

5 Gezondheid Mannen ervaren de eigen gezondheid in vergelijking met leeftijdgenoten iets positiever dan vrouwen dat doen. In 2001 gaf 86 procent van de mannen en 82 van de vrouwen aan de eigen gezondhe id als (erg) goed te ervaren. Dit is in 2011 iets gestegen. Mannen roken vaker dan vrouwen. Bij de mannen is het aandeel en aantal rokers tussen beide censusjaren gedaald. Bij de vrouwen is het aandeel rokers gedaald, maar het aantal rokers ongeveer gelijk gebleven. Zowel in 2001 als in 2011 hebben meer vrouwen da n mannen, naar eigen zeggen, te kampen met langdurige aandoeningen. Tussen beide jaren en voor beide seksen is het aantal personen met een in de census genoemde langdurige aandoening gestegen. De drie meest voorkomende aandoeningen zijn, bij zowel mannen als vrouwen en voor beide censusjaren: te hoge bloeddruk, diabetes en Cara (astma en chronische bronchitis). Voor ziektekosten zijn de meeste mannen en vrouwen verzekerd bij SVB (beide 35% in 2001). Tussen 2001 en 2011 nemen de percentages bij beide sek sen toe. Op de tweede plaats staat, voor zowel mannen als vrouwen en de twee censusjaren, de PP kaart. Vrouwen hebben vaker dan mannen een PP kaart. Mannen zijn vaker dan vrouwen niet verzekerd of verzekerd via de werkgever. Onderwijs Er is een duidelijke kentering in het onderwijs te merken, dit is vooral bij de vrouwen het geval. Jonge vrouwen zijn hoger opgeleid dan jonge mannen. Zowel in 2001 als in 2011 is het aandeel personen dat alleen lagere school of geen opleiding had genoten bij vrouwen tussen 2 5 34 jaar het laagst. Bij vrouwen van boven de 65 jaar is te zien bij een diploma van het hoger onderwijs: het hoogste aandeel met een dergelijk diploma is te zien bij vrouw en van 25 34 jaar. Het laagste aandeel bij de vrouwen van 65 jaar. Tot het 15 de levensjaar zijn er geen verschillen tussen jongens en meisjes in de participatiegraad in het onderwijs. Vanaf het 15 de tot het 18 de levensjaar daalt het aantal jongens ten opzichte van het aantal meisjes iets. Na het 18 de levensjaar worden de verschillen groter Economische (in) activiteit personen tussen 15 en 60 jaar Het aantal werkende mannen en vrouwen is tussen 2001 en 2011 gestegen, het aantal werkende vrouwen is dusd anig toegenomen dat het aantal werkende mannen overst egen wordt Procentueel gezien is dit nog niet het geval.

PAGE 7

6 De grootste groep werkende is werknemer in vaste dienst w aarbij het aandeel mannen, in beide censusjaren lager is dan het aandeel vrouwen. Bij zowel de mannen als vrouwen met een vast contract is er een daling te zien ten opzichte van 2001. Mannen zijn, vaker dan vrouwen, werkgever, zelfstandige of hebben losse jobs De meeste werkenden zijn, in 2011, werkzaam in d e beroepsgroep dienstverlenend personeel, verkopers In deze groep zijn ook de meeste vrouwen werkzaam. De meeste mannen zijn werkzaam in de beroepsgroep ambachtslieden Dit is tegelijkertijd de beroepsgroep waar de minste vrouwen in werkzaam zijn. De bedrijfstak waar de meeste mensen werken is groot en detailhandel ; reparatie van 1 Het percentage mannen en vrouwen is vrijwel gelijk en daarmee is deze bedrijfstak de meeste sekseneutraal Het grootse verschil tussen percentages mannen en vrouwen is te vinden bij de bedrijfstak bouwnijverheid Zowel in 2001 als in 2011 zijn er iets meer vrouwen dan mannen werkz oekend, het aandeel werkzoekend is tussen beide censusjaren gedaald. Er is tussen mannen en vrouwen geen verschil in de duur van de werkloosheid. Het aandeel niet actieve mannen en vrouwen is tussen 2001 en 2011 gedaald. Bij de mannen is het aantal echter iets gestegen. Het huishouden is voor de meeste vrouwen de reden om niet aan de arbeidsmarkt deel te nemen, bij de man nen komt deze reden nauwelijks voor. De belangrijkste reden voor mannen om niet actief te zijn is de eigen gezondheid. Inkomen bevolking boven de 15 jaar Vrouwen verdienen over het algemeen minder dan mannen. Het gemiddelde bruto maandinkomen van zowel de werkende, wer kzoekende en niet actieve man is hoger dan dat van de vrouw. Het bruto uurloon is, over het algemeen, bij de mannen hoger dan bij de vrouwen. Deze loonkloof neemt tussen 2001 en 2011 af, maar is anno 2011 nog aanzienlijk. De inkomens tussen mannen en vrouwen zijn voornamelijk in de laagste en de hoogste inkomensgroepen dichter bij elkaar gekomen. De meeste werk zoekende hebben geen inkomen, dit is bij mannen v aker dan bij vrouwen het geval. Het aandeel vrouwen met een uitkering is hoger dan het aandeel mannen. In 2011 heeft 1/3 deel van de inactieve mannen en vrouwen geen inkomen, dit is een daling ten opzichte van 2001. Ook de inkomsten uit uitkering kennen voor beide seksen een daling. Bij de niet actieven speelt leeftijd een belangrijke rol bij de ze vorm van 1 Zie ISIC rev. 4, op te vragen bij CBS Curaao en/of https://unstats.un.org/unsd/cr/registry/regcst.asp?Cl=27

PAGE 8

7 inkomsten. Tussen 2001 en 2011 is het aandeel pensioen en AOV toegenomen. De helft van de niet actieve mannen en vrouwen heeft in 2011 als inkomst enbron pensioen of AOV De loonkloof wordt groter naarmate de leeftijd vordert. Bij de 65+ ers zou er plaats van de loonkloof beter over pensioenkloof gesproken kunnen worden. Enkele kenmerken van huishoudens Het aantal huishoudens is tussen 2001 en 201 1 harder gegroeid dan het aantal personen. Dit komt doordat er minder mensen per huishouden zijn gaan wonen. Het aantal vrouwelijke hoofden is sterker gestegen dan het aantal mannelijke hoofden. Dit is vooral bij de alleenstaanden het geval. Toch zijn in 2 011 de mannelijke hoofden nog ver in de meerderheid. De sekseratio voor hoofd van het huishouden was in 2001 1 53 en in 2011 was deze 1 28. De ze ratio neemt toe zodra de er een (mannelijke) partner in een huis aan wezig is. Er is een groot verschil in het aandeel en aantal nooit getrouwden mannen en vrouwen. Vrouwen zijn daar, net al s in de groepen de meerderheid. De grootste groep gehuwden woont daadwerkelijk samen met de partner. Het aandeel ongehuwd samenwonenden is tus sen man en vrouw gelijk, er is voor beide seksen een stijging te zien in 2011. Het aantal alleenstaande vrouwen vormt zowel in 2001 als 2011 de grootste groep. Het woonverblijf Mannelijke hoofden hebben, vaker dan vrouwelijke hoofden, de woning in eigendo m. Vrouwelijke hoofden huren vaker dan mannelijke hoofden van een stichting. Met betrekking tot huur van een particulier is er geen verschil tussen mannelijk hoofd of vrouwelijk hoofd. Bij de mannelijke hoofden zijn in het algemeen, in de woning meer bad kamers en toiletten. Tussen beide censusjaren neemt het aantal slaapkamers, badkamers en toiletten in de woningen van zowel mannelijke als vrouwelijke hoofden toe. In 2001 waren er nog verschillen in de constructies van huizen. Huishoudens met een vrouweli jk hoofd zijn tussen 2001 en 2011 in onderhoudsarmere woningen gaan wonen. De verschillen tussen de dak en muurconstructie van de woning van een mannelijk of vrouwelijk hoofd wordt daardoor in 2011 minimaal. Het bezit van elektronische apparaten in de won ing is tussen 2001 en 2011 toegenomen. Het percentage mannelijke hoofden dat aangeeft een elektrisch apparaat te bezitten is, in beide censusjaren, hoger dan bij de vrouwelijke hoofden. De vrouwelijke hoofden maken

PAGE 9

8 tussen 2001 en 2011 voor het in bezit heb ben van (al in 2001 bestaande) apparaten een bij de mannelijke hoofden in beide censusjaren hoger. Dit verschil neemt tussen beide censusjaren iets af. Bijna de helft ( 48%) van de vrouwelijke hoofden en ruim 1/5 (21%) van de mannelijke hoofden had in 2001 geen auto. In 2011 was dit bij de vrouwelijke hoofden nog ruim 1/3 (39%). Bij de mannelijke hoofden 19 procent.

PAGE 10

9 Summary Demographics Both in 2001 and 2011, the majority of the population o f Curacao was female. Between 2001 and 2011, the population grew from 130,627 to 150,536. In both 2001 and 2011, 46 percent of the population was male and 54 percent female. Sex ratio: In 2001, there were 86 men for each 100 wom en (sex ratio 0.86). In 2011, this had dropped to 0 84. The sex ratio varies by age group: Up to 10 years of age, it is 1.05 (both census years). For the 80+ group, it was 0.51 in 2001 and 0.56 in 2011. In 2001, 83 percent of the male population o f Curaa o consisted of Curao born males, while 78 percent of the female population consisted of Curao born females. Between 2001 and 2011, the figure for males dropped to 78 percent and that for females to 74 percent. When the population is broken down by cou ntry of birth, the large share of women born in Colombia, the Dominican Republic and Jamaica draws immediate attention. Of the with significantly larger numbers o f males than females having migrated to Curaao is Hait i. Religion More than 90 percent of the population adheres to one faith or another. In both census years, there were more females than males adhering to a faith. Percentagewise, there was a drop in this regard between 2001 and 2011. The great majority of those who follow a religion are Roman Catholic, with the relative majority being men. The number of Roman Catholics dropped between 2001 and 2011. A drop was also seen among Protestants, among whom there is an equal distribution of the population between men and women. Adventists, likewise, do not show any differences between the percentage of men and women. This faith has seen a slight increase, while the Pentecostal Church saw a large one between 2001 and 2011. In the latter, in both census years the sh are of women was higher than that of men. The sex ratio is the highest (1.20 in 2011) among those not adhering to any faith, and the lowest (0.62 in 2001) in the Pentecostal Church. d and the faith he adheres to, if any.

PAGE 11

10 Health Relative to women, men have a slightly more positive perception of how their own health compares to that of their peers. In 2001 86 percent of men and 82 percent of women indicated perceiving their own health as being (very) good. This is a slight increase compared to 2011. Men smoke more often than women. Both the percentage and the number of smoking men decreased between the two census years. Among women, there was a decrease in the percentage of women sm okers, while the number of women remained unchanged. Both in 2001 and 2011, more women than men state d suffering from long term illness. The number of people of both sexes having one of the long term ailments mentioned in the census grew between the two c ensus years. The three most common ailments among both men and women in both census years we re high blood pressure, diabetes and CARA (Dutch umbrella term for asthma and chronic bronchitis). For medical coverage, most men and women are insured with the S VB ( Social Security Bank 35% for both sexes in 2001. Between 2001 and 2011, there was an increase in the percentage of both sexes. The second most common type of medical coverage for both men and women in both census years was the PP (Pro Pauper e) c ard. W omen are more likely than men to hold a PP card, while men are more likely to be uninsured or to be insured through their employer. Education A clear turn can be observed in the area of education, especially among women. Young women are more highly educat ed than young men. Both in 2001 and 2011, the share of persons who had received elementary education only or no formal education at all was the lowest for women 25 34 years old. Among women over 65, that percentage is the highest. eversal bserved among those with a higher education diploma: the largest share with such a diploma is found among women 25 34 years old, while the lowest is found among women 65 and over. Up to the age of 15, no differences are seen in the level of participation o f boys and girls in education. Between 15 and 18, there is a slight drop in the number of boys as compared to girls. After the age of 18, th is gap widens.

PAGE 12

11 Economically (in)active persons between 15 and 60 years old The number of working men and women grew between 2001 and 2011, with the number of working women growing to the point of overtaking the number of working men. Percentagewise however, this is not yet the case. The largest group of working persons consists of with the share of men being lower than that of women in both census years. C ompared to 2001 a drop is seen in both men and women who have an indefinite period contract. Men are more likely than women to be employers, be self employ ed or do odd jobs. employment group. This is also the group with the highest number of women. Most men are in the employment group, wh ich is at the same time also the employment group with the fewest number of women. The industry employing the highest number of people is wholesale and detail trade; automobile and motorbike repair 2 The percentage of men and women here is practically t he same, making this industry the most gender neutral of all. The largest difference between the percentages of men and women is observed in the c onstruction Both in 2001 and 2011, there were slightly more women than men looking for work The share of jobs eekers decreased between the two census years. No difference is observed in the duration of unemployment between men and women. Between 2001 and 2011 there was a drop in the percentage of inactive men and women. However the number of men did increase slig htly For most women, household work is the main reason to not participate in the labor market while among men this is rarely mentioned as a reason For men, the main reason for not being active is their personal health Income of the population over 15 y ears of age Women in general earn less than men do The average monthly gross income of men, whether employed, unemployed or inactive, is higher than that of women In general, Despite a decrease between 2001 and 2011, this wage gap was still considerable in 2011. The income of men and women have been getting closer, mostly in the lowest and highest income groups 2 See ISIC rev. 4, available upon request from the CBS of Curaao. And/or https://unstats.un.org/unsd/cr/registry/regcst.asp?Cl=27

PAGE 13

12 While most unemployed do not have an income this is most often the case among men There is a higher percentage of women receiving social benefits compared to men In 2011 one third of inactive men and women had no income, a drop compared to 2001. There was also a drop for both sexes with regard to income from social benefits There is a strong correlation between age and income type among inactives The percentage of those between 2001 and 2011 Pensions and labor disability benefits accounted for the income of half of in active men and women in 2011. The wage gap increases with age, while among those 65 and older, the Some household characteristics As a result of a decrease in household sizes, the number of households grew faster than the number of persons between 2001 and 2011. The number of female household heads grew faster, compared to male household heads, especially among singles However, male household heads still far outnumbered females in 2011. In 2001 the sex ratio for household heads was 1 53, and 1.28 in 2011. This ratio increases as soon as there is a (ma le ) partner present in the household There is a significant difference in the percentage and number of men and women who were never married In that group, as well a The majority of those who are married also live together with their partner The percentage of unmarried cohabitants is equal between men and women with a slight increase for both sexes in 2011. Both in 2001 a nd 2011 women were the largest group of singles Dwellings Male household heads are more likely to own the dwelling, compared to female household heads Female household heads are more likely to rent from a foundation There is no difference between male and female household heads when it comes to renting from individuals In general, when the household head is male, the dwelling is more likely to have more bathrooms and toilets Between the two census years there was an increase in the number of bedrooms, bathrooms and toilets in the dwellings of both male and female household heads In 2001 discrepancies could still be observed in the quality of dwellings Between 2001 and 2011, the dwellings of households headed by women became lower maintenance, largely

PAGE 14

13 eliminating the differences between male and female household heads with respect to the Ownership of electronic devices in dwellings grew between 2001 and 2011. The percentage of male heads of the household stating that they possess an electronic device was higher than that of female household heads in both census years. Between 2001 and 2011 female household heads did narrow the gap for ownership of devices (al ready existing in 2001) Ownership of automobiles and motorbikes was likewise higher among men in both census years. Between the two census years this difference became slightly smaller In 2001 almost half (48%) of female household heads and more than one fifth (21%) of male household heads had no automobile In 2011 this was still the case with one third (39%) of female household heads and 19 p e rcent of their male counterparts

PAGE 15

14 Remen Demografia E parti mas grandi di poblashon di Krsou ta konsist di hende muh Esei tab ata e kaso tantu na 2001 komo na 2011. Di 2001 pa 2011, poblashon di Krsou a oument di 130.627 pa 150.536 hende. Tantu na 2001 komo na 2011, 46 porshento di e habitantenan tabata hende hmber i 54 porshento hende muh Proporshon di hende hmber pa hende mu (proporshon di gnero) : Na 2001 tabatin 86 hmber pa kada 100 hende muhroporshon di gnero 0,86). Na 2011, esaki a baha te 0,84. E proporshon di gnero ta varia pa kada kategoria di edat. Te ku 10 aa, e ta 1.05 (pa tur dos aa di senso). Serka h ende di 80 aa Na 2001, 83 porshento di hende hmber a nase na Krsou i 78 porshento di hende muh a nase na Krsou. Di 2001 pa 2011, serka hende hmber e porsentahe ei a baha te 78 porshento i serka hende muhe 74 porshento. Algu ku ta hala atenshon mesora tokante pais di nasementu di e poblashon ta e porsentahe haltu di hende muh ku a nase na Colombia, Reblica Dominicana i Jamaica. Di e 10 paisnan ku mas tantu inmigrante na Krsou, Haiti ta e niko ku konsiderablemente mas tantu inmigrante hmber, komparu muh Religion Mas ku 90 porshento di poblashon tin un konvikshon religioso. Den tur dos aa di senso, tabatin mas hende muh ku un konvikshon religioso komparu hende hmber. Porsentualmente, es aki a baha entre 2001 pa 2011. Gran mayoria di hende religioso ta Katliko Romano. Relativamente mir, tin mas hende hmber katliko, komparu hende muh E porsentahe di Katliko Romano a baha entre 2001 i 2011. Serka protestant nan tambe tabatin un baha da. Den e religion ak, e porsentahe di hende hmber i hende muha igual. Serka A tventista tampoko no tin un diferensia entre e porsentahe di hmber i muh. E religion ak tabatin un oumento leve. Pa loke ta trata Iglesia Pentekosta l tabatin un oumento grandi entre 2001 i 2011. Den tur dos aa di senso, e porsentahe di hende muh pentekostal tabata mas haltu ku di hende hmber. E proporshon di gnero di mas haltu ta di e grupo di hende no kreyente: 1,20 na 2011. E proporshon di gnero mas abou (0,62) tab ata di Iglesia Pentekostal na 2001. Ser kabes di kas no ta depend di si e hende ta religiosof n, ni kua di e religionnan menshon e ta sigui.

PAGE 16

15 Sal Den komparashon di nan s ku esun di hende di nan edat, hende hmber ta mas positivo tokante nan s k u hende muh Na 2001, 86 porshento di hende hmber i 82 Na 2011 esei a subi un tiki. Tin mas tantu hende hmber ta huma, komparu hende muh. Entre e dos aanan di senso, e pors entahe di hum a baha serka hende hmber. Serka hende muh, e porsentahe di huma a baha, pero e kantidat di hum a keda mas o mnos meskos. Tantu na 2001 komo na 2011, mas tantu hende muh, komparu hende hmber, a bisa ku nan ta sufri di enfermedat krniko. Entre e dos aanan ei, e kantidat di tantu hende muh komo hende hmber ku ta bisa ku nan tin un enfermedat krniko a oument Na tur d os aa di senso, serka tantu hende hmber komo hende muh, e tres enfermedatnan ku ta presentas tantu ta preshon haltu, diabis i CARA (asma i brotis krniko). Mayoria di hende hmber i hende muha sigur pa gastu mko na SVB (tur dos 35% na 2001). Di 2001 pa 2011, e porsentahe a subi tantu pa hende hmber komo pa hende muh Den tur dos aa di senso, e di dos tipo di seguro di gastu miko mas komun, serka t antu hende hmber komo hende muh, tabata karchi PP. Karchi PP ta mas frekuente serka hende muhu serka hende hmber. Ta mas komun pa hende hmber ta sin segurof sigur via trabou, komparu hende muh Enseansa Tin un kambio hopi kla ta tumando lug den enseansa, prinsipalmente bou di hende muh Hende muhben tin un nivel di enseansa mas haltu ku hende hmber hben. Tantu na 2001 komo na 2011, e porsentahe di persona ku solamente enseansa siko f ku no a risib niun tipo di enseansa tabata mas abou pa hende muh entre 25 i 34 aa. siko diploma di enseansa superior: E porsentahe di mas haltu di persona ku un diploma asina ta serka hende muh di 25 34 aa. E porsentahe di mas abou ta serka hende muhi 65 Te na edat di 15 aa, no tin diferens ia entre mucha hmber i mucha muh pa loke ta trata nan grado di partisipasho n den enseansa. Di 15 pa 18 aa di edat, e kantidat di mucha ya e diferensianan ta bira mas grandi.

PAGE 17

16 (In)aktividat ekomiko di persona di 15 te ku 60 aa E kantidat di hende h mber i muhu ta traha a oument entre 2001 i 2011. E kantidat di hende muhu ta traha a oument asina tantu ku el a s ur pas e kantidat di hende hmber ku ta traha. Porsentualmente mir ainda esei no ta e kaso. Bou di e personanan ku ta traha, e grupo di mas grandi ta konsist di empleado den servisio fiho Den tur dos aa di senso, porsentualmente tabatin mnos hende hmber ku hende muh den e grupo ei. Por a mira un bahada serka tantu hende hmber komo hende muh den servisio fiho, komparu 2001. Komparu hende muh, hende hmber ta dunad di trabou, traha riba nan mesf kue djp mas tantu. Na 2011, mayoria di persona ku ta bata ha tambe. Mayoria tipo di empleo ku mnos hende muh den dje. E ramo mer 3 i hende muh den e ramo ak ta prtikamente igual, i komo tal e ta esun di mas neutral pa loke ta trata gnero. E diferensia di mas Tantu na 2001 komo 2011, e kantidat di hende muh ku ta buska trabou tabata un poko mas haltu ku di hende hmber. Entre e dosanan di senso, e kantidat di hende ku ta buska trabou a baha. No tin diferensia den e kantidat di tempu ku hende hmber i hende muha keda desempl E porsentahe di hende hmber i muh no aktivo a baha entre 2001 i 2011. Sinembargo, serka hende hmber e kantidat s a subi un tiki. Pa mayoria di hende muh, e motibu ku nan no ta partisip na merkado laboral ta trabou di kas. H ende hmber apnas ta menshon trabou di kas komo un motibu. Pa hende hmber ku no ta aktivo, e motibu prinsipal ta nan s. Entrada di poblashon riba 15 aa Generalmente, hende muh ta gana mnos ku hende hmber. Entrada promedio pa luna di hende hmber, sea ku nan ta traha, ta buska trabou f no ta aktivo, ta mas haltu ku di hende muh Generalmente, sdu bruto pa ora di hende hmber ta mas haltu ku di hende muh Entre 2001 i 2011, e diferensia di sd u a baha, pero na 2011 ainda e tabata 3 Wak ISIC rev. 4; por pidi esaki na CBS Cura ao f https://unstats.un.org/unsd/cr/registry/regcst.asp?Cl=27

PAGE 18

17 konsiderab el. Entrada di hmber i muh a hala mas serka di otro, prinsipalmente den e grupo di entrada di mas abou i esun di mas haltu. Mayoria di hende ku ta buska trabou no tin entrada, i bo ta topa esei mas serka hende hmber ku serka hende muh. E porsentahe di hende muh ku ta kobra benefisio sosial ta mas haltu ku e porsentahe di hende hmber. Na 2011, 1/3 parti di hmber i muh no aktivo no tabatin entrada; esaki ta un bahada benefisio sosial) a baha pa tur dos sekso. E tipo di entrada di hende no aktivo tin hopi di aber ku nan edat. E porsentahe di hende ku Segun ku edat ta subi, e diferensia di sdu ta bira mas g randi. Serka e grupo di 65+, na l di un diferensia di Algun karakterstika di kas di famia Di 2001 pa 2011, e kantidat di kas di famia a oumentas tantu ku e kantidat di persona. Esei ta deb ku, segun tempu ta pasa, e kantidat di persona bibando den kada kas di famia a bira mnos. E kantidat di hende muhu ta kabes di kas a oument mas ku e kantidat di hmber kabes di kas, prinsipalmente bou di hende soltero. No opstante, na 2011 ainda gra n mayoria di kabes di kas tabata hende hmber. Na 2001, pa kabes di kas e proporshon di gnero tabata 1,53; na 2011 e tabata 1,28. Bou di e kasnan di famia kaminda tin un partner (hende hmber) den kas, e proporshon ak ta subi. Pa loke ta trata hende ku n o a yega di kasa nunka, tin un diferensia grandi den e porsentahe i e kantidat di hmber i muh muha e mayoria. E grupo di mas grandi di hende kasa biba ku nan partn er. E porsentahe di hende bi sin kasa ta mas o ms igual pa hende hmber i muhi pa tur dos sekso por mira un oumento na 2011. Hende muholtero ta forma e grupo di mas grandi na kantidat, tantu na 2001 komo na 2011. Bibienda Ta mas komun pa hmber kabes di kas ta doo di e kas ku nan ta biba aden, komparu hende muhu ta kabes di kas, i ta mas komun pa hende muhabes di kas r kas for di un fundashon, komparu hende hmber kabes di kas. Pa loke ta trata hrmentu di ka s for di un persona partikular, no tin diferensia entre hmber i muhkabes di kas.

PAGE 19

18 Ora e kabes di kas ta hende hmber, generalmente e kas tin mas bao i toilet Entre e dos aanan di senso, e kantidat di kamber, bao i toilet den kas a oument, sea ku e k abes di kas ta hende hmberf hende muh Na 2001 ainda tabatin diferensia entre kabes di kas hmber i muhpa loke ta trata kalidat di kas Di 2001 pa 2011, e famianan ku un hende muhomo kabes di kas a bai biba den bibienda ku mester di mnos mantens hon. D na esei, na 2011 e diferensianan den kalidat di dak i muraya di e kasnan kaminda tin un hende hmberf un hende muh na kabes a bira masha chikitu. Di 2001 pa 2011 e kasnan di famia ku tin aparato elektrniko a oument Den tur dos aa di senso porsentualmente tabatin mas tantu hmber kabes di kas ku a bisa ku nan tin un aparato elektrniko, komparu hende muh kabes di kas Di 2001 pa 2011, e hende muhnan kabes di kas a yega mas serka di e hende hmbernan pa loke ta trata poseshon di aparat o 4 Poseshon di outo i brmer tambe tabata mas frekuente serka kabes di kas hende hmber, den tur dos aa di senso Si kompar e dos aanan di senso, e diferensia entre hmber i muh baha un poko s Na 2001 kasi mitar (48%) di e kabesnan di kas hende muhi algu mas ku 1/5 (21%) di e kabesnan di kas hende hmber no tabatin outo Na 2011, ainda algu mas ku 1/3 (39%) di e kabesnan di kas hende muh no tabatin outo. Pa kabes di kas hende hmber, e sifra ei tabata 19 porshento. 4 Apa ratonan ku ya tabata eksit den 2001

PAGE 20

19 Inhoud Voorwoord ................................ ................................ ................................ ................................ ......... 3 Samenvatting ................................ ................................ ................................ ................................ ..... 4 Summary ................................ ................................ ................................ ................................ ............. 9 Resen ................................ ................................ ................................ ................................ ........... 14 Hoofdstuk 1 Inleiding ................................ ................................ ................................ ..................... 26 Doel van de publicatie ................................ ................................ ................................ ................ 26 Vraagstelling ................................ ................................ ................................ ................................ 26 Methodologie ................................ ................................ ................................ ............................... 27 Definities ................................ ................................ ................................ ................................ ....... 27 Opzet publicatie ................................ ................................ ................................ ........................... 28 Hoofdstuk 2 Algemene inleiding gender ................................ ................................ .................... 29 Gender versus sekse ................................ ................................ ................................ .................... 29 Gender p roblematiek, gender vraagstukken ................................ ................................ .......... 29 Genderrollen, stereotypen en stratificatie ................................ ................................ ................ 30 ................................ ................................ ................................ .............. 32 Genderanalyse ................................ ................................ ................................ ............................. 32 Hoofdstuk 3 Gender op Curao ................................ ................................ ................................ .. 33 Genderrollen op Curao ................................ ................................ ................................ ........... 33 Scheiding publieke en priv leven ................................ ................................ ............................ 33 Patriarchale en matrifocale huishoudens ................................ ................................ ................. 34 ................................ ................................ ................................ ...... 34 De rol van de vrouw op Curao vanaf 1900 ................................ ................................ .......... 35 Hoofdstuk 4 Demografie ................................ ................................ ................................ ................ 37 Bevolking flink toegenomen ................................ ................................ ................................ ...... 37 ................................ ................................ ..................... 38 Sekseratio inwoners naar geboorteland tussen 2001 en 2011 ................................ ........... 39

PAGE 21

20 Sekse ratio naar nationaliteit ................................ ................................ ................................ .. 40 Sekse ratio totale bevolking Curaao ................................ ................................ ........................ 41 Bevolking en leeftijd ................................ ................................ ................................ .................... 42 Vergrijzing ................................ ................................ ................................ ................................ .... 43 Ontgroening ................................ ................................ ................................ ................................ 44 Ontgroening versus vergrijzing ................................ ................................ ................................ 45 Bevolkingspiramide ................................ ................................ ................................ .................... 45 Hoofdstuk 5. Religie ................................ ................................ ................................ ........................ 47 Religie op Curao ................................ ................................ ................................ ...................... 47 Protestant en, Pinkstergemeente, Adventisten ................................ ................................ .... 48 Sekse ratio en religie ................................ ................................ ................................ ................... 49 Religie naar hoofd huishouden verhouding man vrouw ................................ ...................... 50 Hoofdstuk 6 Gezo ndheid ................................ ................................ ................................ ............... 54 Eigen perceptie gezondheid ................................ ................................ ................................ ....... 54 Ro ken ................................ ................................ ................................ ................................ ............. 55 Langdurige aandoeningen ................................ ................................ ................................ ......... 56 aandoeningen. ................................ ................................ ................................ .......................... 56 Hoge bloeddruk ................................ ................................ ................................ ....................... 56 Diabetes ................................ ................................ ................................ ................................ ..... 57 Cara (Astma, Chronische bronchitis ................................ ................................ ................... 57 Glaucoom, hart en nierproblemen ................................ ................................ ....................... 57 Ziekte kosten verzekering ................................ ................................ ................................ .......... 58 Ho ofdstuk 7 Onderwijs ................................ ................................ ................................ .................. 60 Veranderingen binnen het onderwijssysteem tussen 2001 2011 ................................ .......... 60 Opleidingsniveau van niet schoolgaanden ................................ ................................ ............. 62 De schoolgaanden ................................ ................................ ................................ ....................... 64 Participatiegraad regulier onderwijs. ................................ ................................ ................... 6 4 Participatiegraad niet regulier onderwijs ................................ ................................ ............ 65

PAGE 22

21 Opleidingsniveau schoolgaanden 2011 ................................ ................................ ................ 66 Studierichting ................................ ................................ ................................ ........................... 67 Feminisering v an het onderwijs ................................ ................................ ................................ 69 Hoofdstuk 8 Economische (in)activiteit 15 60 jarigen ................................ ................................ 70 Werkenden, werkzoekenden en niet actieven ................................ ................................ ........ 70 ................................ ................................ .......................... 71 De werkenden ................................ ................................ ................................ .......................... 71 Economische positie van werkenden ................................ ................................ ................... 72 Belangrijkste beroepsgroepen 2011 ................................ ................................ ....................... 73 Bedrijfstakken ................................ ................................ ................................ .......................... 75 De werkzoekenden ................................ ................................ ................................ ...................... 77 Duur van de werkloosheid ................................ ................................ ................................ .... 78 Manier van het zoeken naar werk ................................ ................................ ........................ 79 De niet actieven ................................ ................................ ................................ ............................ 80 Belangrijkste reden om economi sch niet actief te zijn. ................................ ...................... 81 Hoofdstuk 9 Inkomen ................................ ................................ ................................ ..................... 84 Inkomen van werkenden, werkzoekenden en niet actieven vanaf 15 jaar ......................... 84 Inkomen werkenden ................................ ................................ ................................ ............... 84 Bruto uurloon werkenden ................................ ................................ ................................ ...... 86 Bruto uurloon kloof naar beroepsgroep ................................ ................................ ............... 87 Inkomen werkzoekenden ................................ ................................ ................................ ....... 90 Inkome ns van de niet actieven ................................ ................................ .............................. 91 Maandinkomen werkenden, werkzoekenden en niet actieven 2011 ................................ ... 93 Hoofdstuk 10 Enkele kenmerken van huishoudens ................................ ................................ .. 95 Priv huishoudens versus collectieve huishoudens. ................................ .............................. 95 Bevolkingsomvang en priv huishouden ................................ ................................ ................ 96 Gezinsgrootte hoofd van het huishouden ................................ ................................ ............... 97 Sekse ratio hoofd privishouden ................................ ................................ .......................... 98 Burgerlijke staat ................................ ................................ ................................ ........................... 99

PAGE 23

22 Al dan nie t samenwonenden ................................ ................................ ................................ ... 100 Hoofdstuk 11 Kenmerken van het woonverblijf ................................ ................................ ...... 102 (neven)Functie van de woonaccommodatie ................................ ................................ .......... 102 Oppervlakte woonverblijf ................................ ................................ ................................ ........ 103 Aantal slaapkamers, badkamers en toiletten ................................ ................................ ........ 104 Constructie dak en muren ................................ ................................ ................................ ........ 105 Eigendomsrecht en huur ................................ ................................ ................................ .......... 106 Elek trische apparaten en voorzieningen in en rond de woning ................................ ........ 108 ................................ ................................ ................................ ..................... 110 Conclusie ................................ ................................ ................................ ................................ ........ 112 Aanbevelingen ................................ ................................ ................................ ........................... 113 Literatuurlijst ................................ ................................ ................................ ................................ .. 115 Bijlagen ................................ ................................ ................................ ................................ ............ 118

PAGE 24

23 Lijst van figuren Figuur 1. Op Curao geboren versus elders geboren 2001 ................................ ...................... 38 Figuur 2. Top10 elders geboren inwoners op Curao 2001 2011 ................................ ............ 39 Figuur 3. Sekse ratio naar geboorteland 2001 2011 ................................ ................................ .... 40 Figuur 4. Sekse ratio naar nationaliteit meer dan 1000 inwoners 2001 2011 .......................... 41 Figuur 5. Sekse ratio per leeftijdsklasse 2001 2011 ................................ ................................ ... 42 Figuur 6. V erhouding man vrouw 2001 2011 naar leeftijd ................................ ....................... 43 Figuur 7. Aandeel bevolking Curao boven de 60 jaar ................................ ............................ 44 Figuur 8. On tgroening versus vergrijzing 2001 2011 ................................ ................................ 45 Figuur 9. Bevolkingspiramide 2001 2011 ................................ ................................ ..................... 46 Figuur 10. Aantal Rooms Katholieken, andere religie geen religie 2001 2011 ....................... 48 Figuur 11. Aandeel Rooms Katholieken, andere religie geen religie 2001 2011 .................... 48 Figuur 12. Aantal Protestanten, Pinkstergemeente en Adventisten 2001 2011 (in%) ........... 49 Figuur 13. Sekse ratio vijf grootste (niet)religies 2001 2011 ................................ ...................... 50 Figuur 14. Religie verhouding man vrouw: gehele populatie, hoofd huishouden, hoofd gehuwd samenwonend en hoofd samenwonend 2001 ................................ .............................. 52 Figuur 15. Religie verhouding man vrouw: gehele populatie, hoofd huishouden, hoofd gehuwd samenwonend en hoofd samenwonend 2011 ................................ .............................. 52 Figuur 16. Gezondheidsperceptie vergeleken met leeftijdg enoten ................................ ......... 55 Figuur 17. Rookgedrag man en vrouw vanaf 16 jaar 2001 2011 ................................ ............... 56 Figuur 18. Langdurige aandoeningen 200 2011 ................................ ................................ .......... 58 Figuur 19. Soo rt ziektekostenverzekering 2001 2011 ................................ ................................ 59 Figuur 20. Aandeel bevolking 25 jaar en ouder hoogste opleidingsniveau afgemaakt 2001 2011 ................................ ................................ ................................ ................................ .................... 63 Figuur 21. Aandeel bevolking 25 jaar en ouder niet afgemaakte opleiding ........................... 64 Figuur 22. Reguliere (dag) school participatiegraad 2001 2011 ................................ ............... 65 Figuur 23. Schoolparticipatie niet regulier 2001 2011 ................................ ................................ 66 Figuur 24. Aandeel onderwijsniveau volgend 0 65+ 2011 ................................ ......................... 67 Figuur 25. Studierichting schoolgaande populatie 9.795 2011 ................................ ................. 68 Figuur 26. Studierichtingen verhouding man vrouw 2011 populatie 9.795 ........................... 69 Figuur 27. Absolute aantallen bevolking tussen de 15 en 60 jaar. ................................ ............ 70 Figuur 28. Aantal we rkenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 ................................ ................... 71 Figuur 29. Aandeel werkenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 ................................ ................ 72 Figuur 30. Economische positie werkenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 .......................... 73 Figuur 31. Beroepsgroepen verhouding man vrouw2011 ................................ ......................... 74 Figuur 32 .Beroepsgroepen we rkende bevolking tussen de 15 en 60 2011 ............................. 75

PAGE 25

24 Figuur 33. Bedrijfstakken met meer dan 1500 werkenden 2011 verhouding man vrouw 2001 ................................ ................................ ................................ ................................ .................... 76 Figuur 34. Bedrijfstakken werkende bevolking tussen 15 en 60 jaar 2011 .............................. 77 Figuur 35. Aantal werkzoekenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 ................................ .......... 78 Figuur 36. Aandeel werkzoekenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 ................................ ....... 78 Figuur 37. Periode werkzoekend 2001 2011 ................................ ................................ ................ 79 Figuur 38. Belangrijkste manier van werk zoeken, w erkzoekenden 15 60 jaar 2001 2011 80 Figuur 39. Aantal niet actieven tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 ................................ ................ 81 Figuur 40. Aandeel niet actieven tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 ................................ ............. 81 Figuur 41. Niet actieve niet schoolgaande bevolking tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 ........... 83 Figuur 42. Procentuele verdeling bruto maandinkomen werkende bevolking tussen 15 60 jaar 2001 ................................ ................................ ................................ ................................ ............ 86 Figuur 43. Procentuele verdeling bruto maandinkomen werkende bevolking tussen 15 60 jaar 2011 ................................ ................................ ................................ ................................ ............ 86 Figuur 44. nkomens en ................................ ................................ ................... 88 Figuur 45. Belangrijkste ink omstenbron werkzoekenden vanaf 15 jaar 2001 2011, zie bijlage tabel 14 ................................ ................................ ................................ ................................ .............. 91 Figuur 46. Belangrijkste inkomstenbron niet actieven tus sen 15 en 60 jaar 2001 201, zie bijlage tabel 15 ................................ ................................ ................................ ................................ .. 92 Figuur 47. Gemiddeld en mediaan bruto maandinkomen werkend, werkzoekend, niet actief 2011 ................................ ................................ ................................ ................................ ......... 93 Figuur 48. Gemiddeld bruto maandinkomen naar leeftijd bevolking vanaf 15 jaar 2011 .... 94 Figuur 49. Index bevolkingsomvang en aantal priv huishouden 2001 2011 ........................ 97 Figuur 50. Grootte van priv huishouden naar hoofd 2001 2011 ................................ ............. 98 Figuur 51. Sekse ratio hoofd huishouden: alle, getrouwde, samenwonend niet getrouwde 2001 2011 ................................ ................................ ................................ ................................ ........... 99 Figuur 52. Burgerlijke staat populatie vanaf 16 jaar 2001 2011 ................................ .............. 100 Figuur 53. Al dan niet samenwonenden populatie vanaf 16 jaar ................................ .......... 101 Figuur 54. Hoofd huishouden nevenfunctie van de woning 2001 2011 ............................... 103 Figuur 55. Aantal slaap badkamers en toiletten in woning ................................ .................. 105 Figuur 56. Woonverblijf eigendom of huur hoofd huishouden 2001 2011 ........................... 107 Figuur 57. Elektrische app araten in en rond de woning hoofd huishouden 2001 2011 ..... 109 2011 ................................ .......... 110 Figuur 59. Priv 2011 ................................ .................... 111

PAGE 26

25 Lijst van tabellen Tabel 1. Populatiewijzigingen 2001 2011 ................................ ................................ .................... 37 Tabel 2. Populatie onder de 20 jaar ................................ ................................ ............................... 44 Tabel 3. Personen met dementie, hersenbloeding, kanker, sikkelcel ziekte 2011 .................. 58 Tabel 4. Schoolgaanden man vrouw naar leeftijd 2011 ................................ ............................. 67 Tabel 5. Bruto uurloon werkenden naar leeftijd 2011 ................................ ................................ 87 Tabel 6. Gemiddeld bruto uurloon naar beroep(sgroep) 2011 ................................ ................ 89 Tabel 7. Oppervlakte binnenzijde woo nverblijf hoofd huishouden 2001 ............................. 104 Tabel 8. Oppervlakte woonverblijf 2011 ................................ ................................ .................... 104 Tabel 9. Constructie dak en muren van het woonverblijf 2001 2011 ................................ ..... 106 Tabel 10. Bijlage hoofdstuk gezondheid Langdurige aandoeningen 2001 2011 ................. 118 Tabel 11. Bij lage hoofdstuk economische inactiviteit: werkend, werkzoekend, niet actief 15 60 jaar 2001 2011 ................................ ................................ ................................ ....................... 118 Tabel 12. Bijlage hoofdstuk ec onomische (in)activiteit. Bedrijfstakken werkzame personen 2011 ................................ ................................ ................................ ................................ .................. 118 Tabel 13. Bijlage Inkomen. Gemiddelde bruto uurlonen naar bero ep ................................ .. 121 Tabel 14. Bijlage hoofdstuk Inkomen: Verdeling bruto maandinkomens werkzoekenden vanaf 15 haar 2001 2011 ................................ ................................ ................................ ................ 122 Tabel 15. Bijlage hoofdstuk inkomen. Verdeling bruto maandinkomens niet actieven vanaf 15 jaar 2001 2011 ................................ ................................ ................................ ............................ 122 ................................ ................................ ........... 125

PAGE 27

26 Hoofdstuk 1 Inleiding Doel van de publicatie Verschillen in genderrollen brengen genderongelijkheid met zich mee wat op zijn beurt invloed heeft op verschillende aspecten van persoonlijke on twikkeling, te weten: sociaal economische positie, niveauverschillen met betrekking tot machtspositie en toegang tot functies waarin besluitname plaatsvindt, waarbij verschillen bestaan tussen groepen mannen en vrouwen. Barriteau definieert gender als volgt: social and personal relations through which women and men are socially constructed and maintained and through which they gain access to, or are allocated status, power and material resources within 5 (Barriteau 1998 Genderanalyse is een waardev ol instrument om ontwikkelingen met betrekking tot de positie van mannen en vrouwen ten opzichte van elkaar in de samenleving in kaart te brengen. Genderanalyse geeft inzicht in de wijze waarop rollen, kenmerken en identiteit van mannen en vrouwen in de tijd en per sociaa l economische status varien. Een dergelijke analyse biedt een context en raamwerk waarbinnen men gegevens k an interpreteren. De informatie hieruit verkregen kan dienen als basis voor beleidsmakers bij ontwikkeling van beleid. Tevens kan de informatie gebruikt worden om gender mainstreaming op alle beleidsterreinen en in alle projecten te verankeren en vergelijk ingen te maken met andere landen. De publicatie beoogt een eerste stap te zijn om inzicht geven in de aard en omvang van verschillen tussen man en vrouw op gebied van de sociaal economische/financile situatie op Curao, welke verschillen voortvloeien ui t de sociaal culturele constr u ctie genaamd gender. Vraagstelling Alle onderwerpen die aan bod komen zijn bekeken vanuit man vrouw perspectief. De gehele rapportage is terug te voeren op de centrale vraag: In hoeverre is er op Cura een verschil tussen mannen en vrouwen op het gebied van de sociale, economische en finance situatie ? 5 een complex systeem van persoonlijke en sociale relaties, welke sociaal zijn geconstrueerd en worden onderhouden en waardoor ze toegang krijgen, of wordt toegekend, tot status, macht en materie middelen binnen de samenleving.

PAGE 28

27 Methodologie Voor deze publicatie is uitsluitend gebruik gemaakt van de gegevens die verkregen zijn in de c ensus van 2001 en/of van 2011 6 De datasets zijn met elka ar zijn vergeleken en geanalyseerd. Dit om eventuele ontwikkelingen, tussen de twee censuse s te identificeren en in kaart te brengen. In sommige gevallen wordt alleen gekeken naar de gegevens uit 2011. Dit komt onder meer omdat bepaalde internationale stan daarden gewijzigd zijn tussen 2001 en 2011. Indien de cijfers uit een andere bron dan de census komen, wordt dit vermeld. Deze cijfers, met uitzondering van de gegevens over inkomen, zijn buiten de analyse gehouden. Voor sommige begrippen wordt uitsluitend de Engelse benaming gebruikt. Voor alle figuren en tabellen geldt dat er een vergelijking wordt gemaakt tussen man en vrouw. Dit is niet specifiek per figuur of tabel aangeg even Definities Empowerment: h et versterken van mensen en groepen zodat ze kunnen deelnemen aan de samenleving Hoofd huishouden : de persoon die binnen het huishouden als zodanig wordt aangemerkt. In een npersoonshuishouden is die ene persoon zelf hoofd. ISIC : International Standard Industrial Classification of all Economic Activities. Classificatie van bedrijfsactiviteiten, de lijst met alle classificaties is op te vragen bij het CBS Curaao Gender : het sociaal culturele aspect van iemand sekse Genderide ntiteit : persoonlijke beleving van gender Genderrollen : de taken en activiteiten die een cultuur aan mannen en vrouwen toeschrijft. Gendergelijkheid : gelijke behandeling of gelijkstelling van mensen met een verschillend e gender in de maatschappij en voor de wet. 6 Of uit eerdere publicaties gebaseerd op deze gegevens

PAGE 29

28 Loonkloof : loonongelijkheid, verschil in loon tussen mensen (hier mannen en vrouwen). H et verschil tussen het (gemiddelde) mannen en vrouwenloon, uitgedrukt in percentages van het mannenloon: ((m v) in %/ m) x 1 00% Sekse : duidt op het biologische verschil tussen man of vrouw Sekse ratio : het aantal mannen ten opzichte van 100 vrouwen. Opzet publicatie verstaan, wat zijn de meest gangbare theorien en definities. In het tweede hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van gender op Curaao Daarna komen de onderwe rpen die in de census naar voren komen aan bod, te weten: Demografie Religie Gezondheid Onderwijs Economische activiteit Inkomen 7 Huishoudens Wonen Sommige gepresenteerde gegevens zijn al in eerdere publicaties aan bod gekomen, het zij in een publicatie in 2001 of een publicatie uit 2011. Voor enkele begrippen wordt uitsluitend de Engelse benaming gebruikt. Voor alle figuren en tabellen geldt dat er een vergelijking wordt gemaakt tussen m an en vrouw. 7 Met betrekking tot bruto uurloon en bruto maandinkomen wordt er alleen gekeken naar 2011,v oor een juiste vergelijking voor inkomen moet er rekening gehouden worden met al lerlei factoren zoals inflatie etc.

PAGE 30

29 Hoofdstuk 2 Algemene inleiding g ender Deze publicatie beschrijft de verschillen en overeenkomsten tussen mannen en vrouwen op Curao. In dit eerste hoofdstuk wordt kort ingegaan op begrippen en theorien omtrent gender. Het is geenszins een allesomvattende beschrijving en pretendeert dit ook niet te zijn. Gender versus sekse Er is een gangbaar onderscheid tussen sekse (of geslacht ) en gender S ekse verwijst naar de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen. Het richt zich op de anatomie en voortplantingsfunctie van het lichaam. Sekse ligt, voor velen (al voor) bij de geboorte vast. Niet iedereen wordt als man of vrouw geboren, sommige personen worden geboren met mannelijke en vrouwelijke geslachtskenmerken: interseks e Het is ook mogelijk om op latere leeftijd, al dan niet fysiek, het geslacht te veranderen (transgender 8 Gender verwijst naar het mannelijkheid en alle eigenschappen die ermee samenhangen, zijn niet alleen aangeboren, maar worden ook gemaakt, bepaald door mensen. Gender verwijst naar gedrag sociale en psychologische kenmerken. Het is de maatschappelijke betekenis die wordt toegekend aan man/vrouw zijn. Iedere samenleving beklemtoont specifieke rollen die elk geslacht moet spelen, hoewel er speelruimte is in aanva ardbaar gedrag voor elk geslacht (Hesse Biber, & Carger, 2000) Bovendien veranderen ze met de tijd en kunnen ze ook nog eens verschillen van (sub)cultuur tot (sub) cultuur. Mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn sociale constructen en geen vaststaande conc epten (Nagel, 2003) Gender problematiek, gender vraagstukken Wanneer er wordt gesproken over gender problematiek of vraagstukken gaat het over ieder probleem, zorg of aspect wat bepaald wordt op grond van gender of sekse Dit omvat alle aspe cten die zijn gerelateerd aan het leven van mannen en vrouwen en hun maatschappelijke situatie. Hoe ze samenhangen, maar ook op de verschillen, onder andere de toegang tot en het gebruik van bepaalde bronnen/middelen, hun activiteiten, hoe ze reageren op v eranderingen, interventies en politiek ( Eige, 2014). Om met deze problematiek om te gaan is het belangrijk om de drie hieronder meest gangbare 8 Transgenders en de wens om van geslacht te ver anderen, komen in alle culturen voor, het is een speling van de natuur, die zich niets aantrekt van culturen en religies. Ook opvoeding heeft hier geen invloed op. Swaab.

PAGE 31

30 theorien/kaders over man vrouwverschil denken zoals beschreven door Roshchynskaya Belorussian 2010 te begrijpen 1. Biologisch determinisme Deze verklaring van geslacht is gebaseerd op de vooronderstelling dat alle verschillen tussen mannen en vrouwen voortvloeien uit de biologie, ook wel 'anatomie is het lot' argument genoemd. Biologisch determinisme wordt vaak gebruikt om generalisaties over mannen en vrouwen te ondersteunen, zoals 'mannen zijn natuurlijk beter in wiskunde en technologie' of 'vrouwen zijn van nature geschikt voor huishoudelijke taken'. Biologisch determinisme beweert dat bepaalde gedr agingen gerechtvaardigd en onveranderlijk zijn omdat 'jongens jongens zijn' ( en 'meisjes zijn meisjes'). 2. Geslachtsrol socialisatie De geslachtsrol socialisatie stelt dat geslachtsgedrag vooral geconditioneerd gedrag is. Zij leren mannelijk en vrouwelijk te zijn door de verschillende sociale verwachtingen die door hun familie, vrienden, verenigingen, samenleving en media worden opgelegd. De theorie van geslachtsrol socialisatie hangt samen m et de theorie van biologisch determinisme omdat het door middel van de seksuele rol zich richt op het verschil op basis van de biologie. 3. Sociale constructie van geslacht Deze theorie erkent dat mannen en vrouwen actief betrokken zijn bij het opbouwen van hun eigen geslachtsidentiteiten. Mensen worden niet passief gevormd door de grotere maatschappelijke krachten zoals scholen of media, maar zijn actief in het selecteren en aanpassen van de gedragspatronen in hun genderrol, afhankelijk van situaties en overtuigingen. Het begrip van geslacht dynamisch, verandert in de tijd. Zo zijn mensen actief in het opbouwen van hun eigen geslachtsidentiteiten door bepaalde vormen van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Bij de constructie van gender zijn vele factoren, in teracties en sociale processen betrokken. Ze komen tot stand door verwachtingen, attributies, sancties en de promotie van bepaalde houdingen en gedragingen van de samenleving De constructie van verschillende manieren om vrouwelijk of mannelijk te zijn is een dynamisch proces waarin we allemaal een rol spelen. Genderrollen, stereotypen en stratificatie Gender is binnen verschillende culturen een belangrijk aspect van identiteit. Gender, en de invulling hiervan kan per cultuur verschillen en hierdoor zal gen deridentiteit dus ook op een andere manier vorm worden gegeven (Wekker, 1988). Genderidentiteit is aan

PAGE 32

31 verandering onderhevig. Familie, school, cultuur en de media spelen een belangrijke rol bij socialiseren en het verwerven van de genderidentiteit. Al dez e middelen organiseren en nvloeden de emotionele, cognitieve en gedragsmatige regels die individuen gebruiken om hun genderidentiteit te vormen (Cerulo, 1997). De geconstrueerde ideen over gender kunnen zich uiten in genderrollen (ook wel genderverhoud ingen genoemd), genderstereotypen en genderstratificatie. Genderrollen zijn de taken en activiteiten die een cultuur aan mannen en vrouwen toeschrijft. Deze rollen, taken en verantwoordelijkheden worden sociaal toegeschreven en cren een seksuele of gend er verdeling, die gebaseerd is op sociale waarden en normen. Ze schrijven voor wat voor elk geslacht (niet aanvaardbaar gedrag is. Deze normen verschillen van (sub)cultuur to t cultuur. Van gezin tot gezin. Genderrollen kunnen te maken hebben met arbeid en zorg. Traditionele genderrollen geven de mannen de rol van de aanbieder en beschermer van hun familie toe, en wijzen de belangrijkste rol van verzorger voor de jonge, zieke en oudere familieleden toe aan de vrouw. Sociale, politieke en economische 'ruimte n' worden gedefinieerd als geschikt voor mannen of vrouwen en worden door sancties en beloningen behouden. Onzichtbare barries, ook wel 'glazen plafonds' genoemd (Kibbelaar 2005), bestaan die voorkomen dat vrouwen of mannen over deze ruimten bewegen. D eze barries kunnen structureel zijn (zoals wetten) of kunnen houdingen en waarden zijn die vrouwen negatief benvloeden en in sommige gevallen mannen benvloeden. Genderstereotypen zijn over gesimplificeerde, maar sterke, ideen over de karakteristieken van mannen en vrouwen. Dit zijn de heersende ideen over de genderrollen. Deze stereotypen bepalen bijvoorbeeld welke banen geschikt zijn voor vrouwen of mannen, en kunnen het vermogen van een individu om werk te vinden ondermijnen. Gender stereotypen gaan ook over gewenste kledingvoorschriften, haardracht, vrijetijdsbesteding Genderstratificatie i s de oneerlijke verdeling van sociaal gewaardeerde middelen, zoals macht, prestige, mensenrechten en persoonlijke vrijheid tussen mannen en vrouwen die ook de o ngelijke positie van mannen en vrouwen in de samenleving reflecteert (Nagel 2003). Gender ongelijkheden maken deel uit van een sociaal en economisch systeem dat gunstiger is voor mannen. Deze g enderstratificatie vloeit voort uit de genderrollen en stereot ypen (Kottak, 2010).

PAGE 33

32 Gendermainstreaming Deze strategie houdt rekening m et de verschillende realiteiten van mannen en vrouwen. Deze strategie integreert de sociale, culturele en economische verschillen tussen mannen en vrouwen. Zij houdt rekening met de eigenheden van mannen en vrouwen in de beleidsopmaak, uitvoering en evaluatie en dit in alle domeinen en op alle niveaus Kohlmann & Notos 2002 ). Het toepassingsgebied ervan is uitgebreid met sociale sectoren: bijvoorbeeld gezondheid / HIV en AIDS, onderwijs, rampmanagement, in economische sectoren, bijvoorbeeld budgettering landbouw en in nationaal ontwikkelingsbeleid en planning Op internationaa l vlak zowel bij de Verenigde Naties, C ARICOM de Raad van Europa is het streven om een gntegreerde benadering van de g endermainstreaming als essentile strategie om de gelijkheid in kansen, keuzes, middelen en mogelijkheden tussen vrouwen en mannen, te bereiken. Dit is ook opgenomen in Sustainable Development Goal # 5 9 : H et bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het crren van mogelijkheden voor vrouwen Genderanalyse Om tot gendermainstreaming te komen wordt er door middel van de h ier gepresenteerde uitkomsten van genderanalyse een eerste stap gezet. Genderanalyse is voor deze Sex Disaggregated Data per geslacht uitgesplitste gegevens, te analyseren, zoals ze in een volkstelling van 2001 en 2011 verzameld zijn. Deze analyse kan een instrument zijn om de ontwikkeling van beleid over gendergelijkheid te bevorderen. In een vervolgfase kan men genderanalyse als een proces gebruiken om de omvang en impact 10 van genderverschillen te meten. Dan gaa t het om het verzamelen en analyseren van gegevens die zichtbaar maken of beleid, programma's en acties invloed hebben op groepen vrouwen en mannen in elke maatschappij. Genderanalyse verwijst naar de verscheidenheid aan methoden die gebruikt worden om de relaties tussen mannen en vrouwen te begrijpen, hun toegang tot middelen, hun activiteiten en de beperkingen 9 Voorheen millennium development goal #3 10 United Nation s minimum set of gender indicators zie bijlagen

PAGE 34

33 Hoofdstuk 3 Gender op Curao In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op enkele aspecten met betrekking tot gender, genderrollen op Curao. Het is slechts een summiere inleiding op een veelzijdig, interessant onderwerp. Genderrollen op Curaao Verschillende (sub)culturen hebben bepaalde opvattingen over wat de verschillen zijn tussen mannen en vrouwen. De sociaal culturele betekenis die wordt gegeven aan de sekseverschillen tussen mannen en vrouwen bepaalt niet alleen hoe een individu naar zichz elf en een ander kijkt maar ook over welke rollen mannen en vrouwen kunnen spelen in de maatschappij. Deze ideen zijn cultureel bepaald en kunnen dus ook per cultuur verschillen. Deze rollen zijn niet statisch en moeten ook bekeken worden in de bepaalde tijdcontext. Bovendien hoeven deze rollen niet in alle situaties hetzelfde en in dezelfde mate naar voren te komen. Ze verschillen bijvoorbeeld per klasse, per etniciteit en gezin. Genderrollen kunnen gezien worden als een culturele constructie, deze roll en kunnen veranderen als de cultuur verander t (o.a. Simone de Beauvoir 11 1968). Qua bevolkingssamenstelling kan de Curaose samenleving als multicultureel omschreven worden. Die multi culturele samenstelling hangt samen met het koloniale verleden, de slave rnij en de migratie (Marcha & Verweel, 2000; mer, 1998). Het gaat om een mix van Latino, Europese, West Afrikaanse, Caribische en Noord Amerikaanse leef werk en woonstijlen, die karakteriserend zijn voor het eiland. Scheiding publieke en priv leven Genderstatus is meer gelijk als het privuiselijke) en publieke (straat) domein niet strikt van elkaar wordt gescheiden Het publieke domein heeft te maken met handel, politiek en werk, en het private domein met het huishouden en opvoeden van de kinder en. Als deze twee domeinen gescheiden zijn heeft het publieke domein meer prestige dan het private domein. Wereldwijd en in meerdere culturen zijn de activiteiten van vrouwen meer aan het private domein verbonden dan de activiteiten van mannen (Kottak, 2010). 11

PAGE 35

34 Wel wordt er vanuit gegaan dat op Curao, hoewel de samenleving van oudsher werd gedomineerd door de man, de vrouw op de achtergrond (niet publieke sfeer) een belangrijke rol speelde (Ramdas, 1987, R mer 1998). Patriarchale en matrifocale huisho udens Genderrollen worden al van jongs af aan aangeleerd. Huishoudens spelen een belangrijke rol in socialisatie, waarin ondermeer de uitwerking en het begrip van de genderrol wordt overgedragen. Een patriarchaal huishouden, daar waar de man het voor het zeggen heeft, is in onder andere in Latijns Amerika en het Caribische gebied de norm. Echter van oudsher worden de Caribische samenlevingen matrifocaal genoemd (Smith 1973). In historische studies is matrifocaliteit een belangrijk concept dat vaak voorkomt en dat veelal in relatie tot het verleden wordt geplaatst. Het matrifocale gezin op Curao kon getypeerd worden als een: e plaats inneemt, terwijl de vader een randfiguur is, dikwijls afwezig, seksuele relaties onderhoudend met andere vrouwen: in het gezin vindt niet zelden moeders moeder een plaats evenals moeders dochter(s), eventueel met kinderen. Niet zelden ook dient me n niet van een, maar van meerdere vaders te spreken, die elkander als passagierende figuren opvolgen." (Abraham Mark citaat Hoetink 1973, :37 12 ). Female headed households Het fenomeen van female headed households is wereldwijd groeiend Met de term female headed in eerste instantie een huishouden bedoeld waar een mannelijke partner ontbreekt en dus de vrouw hoofd is. (Tegenwoordig kan een female headed household ook een huishouden zijn waarbij wel een mannelijke partner aanwezig is). H et ontstaan van female headed households komt mede door de migratie van mannen voor werk, scheidingen, verlating, weduwschap, ongehuwd ouderschap en over het algemeen de gedachte dat kinderen de verantwoordelijkheid zijn van de vrouw (Kottak, 2010). In de jaren negentig groeide het aantal gezinnen met een vrouw aan het hoofd. Waarschijnlijk heeft dit te maken met dat er meer kansen voor vrouwen op de arbeidsmarkt zijn, door economische transformaties en vrouwselectieve migratie (Chant & Craske, 2003). V rouwen zijn hierdoor meer in staat om voor zichzelf te zorgen. Werk heeft een positieve uitwerking op empowerment en maakt vrouwen minder afhankelijk van hun echtgenoten, dit kan echter ook betekenen dat vrouwen een dubbele baan hebben. Het werk maar ook het huishouden erbij. De structuur van een female headed household 12 Eva Abraham van der Mark in navolging van de socioloog Harry Hoetink 1961, 82 83

PAGE 36

35 zou een positieve invloed kunnen hebben op de autonomie van vrouwen en hun empowermen t door de vrijheid zonder de controle van een man (Chant & Craske, 2003). Hoewel er meer erkenning ontstaat voor verschillende vormen van huishoudens, gaat de sociale stigmatisatie van female headed households door. Dit geeft de moeilijkheid aan van het veranderen van de bestaande norm (Chant & Craske, 2003). De toename van f emale headed households en de toegenomen economische participatie van vrouwen zorgt echter wel voor een wijziging van de ze norm Het beeld van vrouwelijkheid is mede hierdoor anders geworden maar de betekenis van mannelijkheid is niet veranderd. Zelfs al s vrouwen voor het inkomen zorgen, wordt de man vaak nog als hoofd van het huishouden gezien. (Chant & Craske, 2003). De koestering va n de traditionele genderstereotypen wordt in stand gehouden door de beide seksen zelf en ook tijdens de opvoeding van de kinderen. Niet alle v rouwen willen dat mannen helpen in het huishouden, omdat ze dan geen echte man hebben. Mannen willen investeren in de mannelijke identiteit omdat vrouwen meer op mannelijk terrein komen. Mannen verliezen macht en status buiten het huis maar vrouwen kunnen nog 2003). De veranderende rollen en verwachtingen over meisjes en vrouwen brengt ook een verandering teweeg in de verwachtingen en rollen van de man nen. De verandering hangen samen met bredere maatschappelijke ontwikkelingen, zoals industrialisering 13 de uitbreiding van de leerplicht, individualisering 14 de emancipatie van de vrouw enzovoort (Crott 2013). De rol van de vrouw op Curaao vanaf 1900 Vanaf 1910 werkten veel vrouwen in de belangrijkste industrie van het eiland: het vlechten van panamahoeden (Vroom 2000). Door de komst van de Shell in 1915 namen de toeristische en industrile sectoren toe. Dit bracht een toename van het percentage vrouw elijke werknemers in alle sectoren met zich mee Vrouwen werkten in loondienst in de formele publieke en privectoren en als kleine ondernemers in de informele sector de meer werkgelegenheid voor vrouwen. Door de automatisering van de Shell (jaren 50) en de daarmee toenemende werkloosheid besloot de Curaose overheid om de vestiging 13 Fysieke kracht is relatief onbelangrijk geworden vanaf het moment dat machines de handenarbeid grotendeels hebben overgenomen 14 Er is een groei van het aantal eenpersoonshuishoudens.

PAGE 37

36 van import vervangende en exportgerichte industrien te bevorderen. Texas Instrumen ts vestigde zich als export georieerde elektronische montagefabriek in 1968 op Curao Als gevolg van deze vestiging werd een kapitalistische productiewijze gntroduceerd op Curaao waar alleen vrouwelijke arbeidskrachten werden ingezet 15 Cuales 1980 ). De stijging van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen werd tevens veroorzaakt, doordat werkende vrouwen, die hoofd van een gezin waren, meer en meer hun eigen winkeltjes en bedrijfjes startten. Meestal verdienen vrouwen niet veel of maken zij niet vee l winst. Maar deze economische activiteiten zorgden wel voor een constante cashflow (Cuales, 1984). Vanaf 1974 is de emancipatie van de Antilliaanse c.q. Curaose vrouw goed op gang gekomen. In dat jaar werd ook de vereniging Steering Committee Curaao opgericht. Zij zet zich in voor de positieverbetering van vrouwen. Onder meer door lezingen te verzorgen, discussies en debatten te organiseren. Hierdoor lukte het in 1975 om de handelingsonbekwaamheid 16 van de gehuwde vrouw op de agenda te zetten. Op 1 dec ember 1975 is de wet op de handelingsonbekwaamheid van de getrouwde vrouw opgeheven. Sindsdien is er, zowel bij mannen en vrouwen, een mentaliteitsverandering te bespeuren met betrekking tot werkende vrouwen in de diverse beroepssectoren Bij de overheid is in 1983 het werkverbod voor gehuwde vrouwen afgeschaft. Tot die tijd werden werkneemster na het huwelijk ontslagen. 15 De banen waren routinematig en laagbetaald, omdat deze groep vrouwen geen werkervaring hiein hadden en omdat ze vrouwen waren. De perceptie heerste bovendien dat met name mannelijke managers dachten dat vrouwen andere biologische en psychologische eigensc happen vertoonden. Ze werden hierdoor niet geschikt geacht voor leidinggevende functies (Ellis, 1986 16 E en gehuwde vrouw werd niet in staat geacht over hun eigen vermogen te beschikken Ze mocht geen wettelijke handelingen verrichten zonder schriftelijke t oestemming van haar man. Gehuwde vrouwen waren handelingsonbekwaam en werden in het wetboek in adem genoemd met misdadigers, zwakzinnigen en kinderen. (bron nationaal archief)

PAGE 38

37 Hoofdstuk 4 D emografie Bevolking flink toegenomen In 2001 waren er 130.627 personen woonachtig op Curao. Daarvan waren 60.509 mann en (46 3%) en 70.118 vrouwen (53 7 % 17 ). De bevolkingsomvang van Curaao ten tijde van de census in 2011 was 150.536 personen, een groei van 15 3 procent. Het aantal mannen steeg met 8.339 tot 68.848 (45 7%). Er zijn 11.597 vrouwen bijgekomen, hiermee komt het totaal aantal vrouwen in 2011 op 81.715 (54 3%). Het vrouwenoverschot of mannentekort is tussen beide censusjaren gegroeid Zoals in tabel 1 is te zien komt de bevolkingsgroei enerzijds door natuurlijke aanwas; er sterven minder mensen dan dat er geboren worden 18 en anderzijds door een toename in migratie, de immigratie en remigratie is groter dan de emigratie. Tabel 1 P opulatiewijzigingen 2001 2011 19 De stijging van de bevolking tussen 2001 en 2011 is, mede, gekomen door instroom van mensen vanuit het buitenland. De bevolking bestond in 2001 uit 50.215 op Curao geboren mannen en 54.692 op Curao geboren vrouwen. 10.121 mannen en 14.979 vrouwen waren elders geboren. 17 In beide censusjaren was de keuze voor gender man of vrouw, verdere divers ificatie was nog niet opgenomen in de vragenlijst. 18 Er zijn 9 818 jongens en 9 232 meisjes geboren tussen 2001 en 2011, in diezelfde periode zijn 5 967 mannen en 5 287 vrouwen overleden. 19 Menno ter Bals, Demographic developments CBS, de letters tussen haakjes zijn van de Engelstalige benaming.

PAGE 39

38 Dit is tussen 2001 en 2011 gewijzi gd naar 53.804 op Curao geboren mannen, 60.396 op Curaao geboren vrouwen en 14.629 mannen en 21.018 vrouwen die elders geboren zijn zie figuur 1 voor de verhouding in procenten Figuur 1 Op Curaao geboren versus elders geboren 2001 Top 10 niet op Cuao geborenen Van oudsher wonen er vele niet op Curao geboren personen op het eiland. Hoe de immigratiestroom tussen 2001 en 2011 een verandering in de samenstelling van de niet op gebracht is te zien in onderstaande figuur 2 waarin de top 10 van immigratielanden is weergegeven. Wat, voor beide censusjaren direct opvalt, is het percentage vrouwen geboren in Colombia of de Dominicaanse Republiek. Voor beide landen maar ook voor Jamaica is het percentage vrouwen veel groter dan het percentage daar geboren mannen. Hati is het enige land waarvan de mannelijke immigranten ten opzichte van de vrouwelijke immigranten in 2011 duidelijk in de meerderheid zijn.

PAGE 40

39 Figuur 2 T op10 elders geboren inwoners op Curaao 2001 2011 Sekseratio inwoners naar geboorteland tussen 2001 en 2011 Door migratie van bepaalde groepen naar en van Curaao is er een verandering ontstaan in de verhouding tussen mannen en vrouwen, ook wel de sekse ratio genoemd In onderstaande figu ur 3 geborenen en alle inwoners weergegeven De laagste sekse ratio, (0, 29 29 mannen op 100 vrouw en is in 2001 te vinden bij de in Jamaica geborenen. De hoogste sekse ratio van 1 21 in 2011 bij de in Hati geborenen.

PAGE 41

40 Figuur 3 S ekse ratio naar geboorteland 2001 2011 Sekse ratio naar nationaliteit Wanneer de sekse ratio naar nationaliteit wordt bekeken (figuur 4) valt direct op dat er, voor sommige landen, duidelijke verschillen zijn tussen geboorteplaats en nationaliteit. Mensen met de Nederlandse nationaliteit komen immers vaak uit Curaao, de BE S eiland en Sint Maarten en Nederland. Maar ook personen elders geboren kunnen de Nederlandse nationaliteit hebben. Uiteraard telt dit ook voor andere landen. Ook kan men ervoor kiezen zijn nationaliteit op te geven en de nationaliteit van het land waarhee n men is verhuisd aan te nemen. Verder is het mogelijk om een verkregen nationaliteit te verliezen. Tevens zijn er mensen die een dubbele nationaliteit hebben. De meest voorkomende nationaliteit op Curaao is de Nederlandse. Tussen 2001 en 2011 zien we ee n daling van het aandeel personen met de Nederlandse nationaliteit. In 2001 was ruim 93 procent Nederlandse. Van alle inwoners was toen 44 procent man met de Nederlandse nationaliteit en 50 procent vrouw met de Nederlandse nationaliteit. In 2011 bestond 89 procent van de bevolking uit Nederlanders. Het aandeel mannen met Nederlandse nationaliteit is gezakt naar 41 procent en bij de vrouwen naar 48 procent. De laagste sekse ratio naar nationaliteit, is in 2001 bij de Jamaicaanse nationaliteit (0 27) de hoo gste in 2011 bij de Hatiaanse (1 27).

PAGE 42

41 Figuur 4 S ekse ratio naar nationaliteit meer dan 1000 inwoners 2001 2011 Sekse ratio totale bevolking Cuao Veranderingen in de populatie zorgen ook een verandering in de sekse ratio. Waren er in 2001 voor de gehele bevolking van Curao nog 86 mannen ten opzichte van 100 vrouwen 0, 86) in 2011 waren dit er 84 ( 0, 84). Voor zowel de census van 2001 als die van 2011 zijn de vrouwen in bijna alle leeftijdsklasse in de meerderheid. Zoals u it figuur 5 blijkt, is alleen niet het geval voor de leeftijdsgroepen tot 19 jaar. Elk jaar worden er iets meer jongens dan meisjes geboren. Deze verhouding is ongeveer wereldwijd hetzelfde 105: 100, sekse ratio 1 05). Op Curao is dit voor beide jaren ook 1 05. Mannen hebben bij geboorte een kortere levensverwachting; niet alleen sterven ze ) ongevallen, sport, drugs, geweld. 20 Het omslagpunt voor de verhouding tussen mannen en vrouwen ligt op Curao vanaf 20 jaar 21 De sekse ra tio daalt. Voor 2001 neemt deze af van 1 ,00 bij de 10 19 jarigen tot 0, 78 bij de 40 49 jarigen. Bij de 50 tot 70 jarigen stijgt de ratio tot 0, 83. Om vanaf het 70 st e jaar te dalen In 2011 fluctueert de ratio meer. In de leeftijdscategorie 10 19 jarigen ligt deze op 1 05. Dan is er een daling tot 0, 75 (30 39 jarigen), een lichte stijging tot 0, 78 (40 49 jarigen), dan weer een lichte daling tot 0, 77 (50 59 jarigen) om weer te stijgen in de leeftijdscategorie 60 69 jarigen. Ook hier zet een daling zich na het 70 ste jaar in. 20 21 Zie ook tabel 1 in de bijlage

PAGE 43

42 Rond het 70 ste levensjaar daalt het aantal mannen ten opzichte van vrouwen steeds verder. De levensverwachting van mannen is korter dan die van vrouwen. Door onder meer een gezondere levensstij l bij mannen en de medische vooruitgang is de algehele levensverwachting bij geboorte van mannen toegenomen. ( S toeldraerij etal, 2013). In 2001was de levensverwachting op Curao voor mannen 72 9 jaar dit is gestegen tot 74.2 jaar in 2011. Voor vrouwen sti jgt de levensverwachting ook. Van 79 2 jaar in 2001 naar 8 0, 4 jaar in 2011 ( ter Bals 2014). De sekse ratio voor 80 plussers was in 2001 0, 51 en i n 2011 0, 56 (figuur 5) Figuur 5 S ekse ratio per leeftijdsklasse 2001 2011 Bevolking en leeftijd Hoewel de bevolking in zijn geheel toeneemt, is dit niet voor elke leeftijdscategorie het geval Figuur 6 laat, onder andere, zien dat i n de leeftijdscategorie 0 9 jar igen en 30 39 jar igen het aantal mannen en vrouwen daalt De grootste stijging is voor beide seksen te zien bij de leeftijdscategorie 50 59 jarigen. In 2001 en 2011 is het grootste verschil tussen mannen en vrouwen te vinden bij de 40 49 jarigen. De meeste mannen (10.428) in 2001 zijn tussen de 10 en 19 jaar oud, de meeste vrouwen (11.714) tussen de 40 en 49 jaar. 10 jaar later is de grootste groep bij de mannen(11.329) wederom bij de 10 19 jarigen. En bij de vrouwen nogmaals bij de 40 49 jarigen (13.454).

PAGE 44

43 Figuur 6 V erhouding man vrouw 2001 2011 naar leeftijd Vergrijzing Er is sprake van vergrijzing als het aandeel van ouderen 22 in de bevolking toeneemt M en spreekt van dubbele vergrijzing als binnen de groep ouderen het aandeel van de hoogbejaarden ( 80+) groter wor dt. Het aantal zestigplussers bestond in 2001 uit 8.523 mannen en 11.421 vrouwen, respectievelijk 14 procent van de mannelijke bevolking en 16 procent van de vrouwelijke bevolking. Het aantal mannen is tussen 2001 en 2011 gestegen tot 12.772 (19 %) en bij de vrouwen tot 17.07 4 21%). n op de vijf inwoners is in 2011 boven de 60 jaar. Op Cura ao is sprake van dubbele vergrijzing. Het aandeel mannelijke 80 plussers was in 2001 1 7 procent. Bij de vrouwen was 2 9 procent 80 plus. Dit is in 20 11 bij de mannen gestegen tot 2,3 en bij de vrouwen tot 3, 5 procent (figuur 7) 22 Vanaf pensioengerechtigde leeftijd

PAGE 45

44 Figuur 7 A andeel bevolking Curaao boven de 60 jaar Ontgroening Tegenover vergrijzing staat ontgroening: het aantal jongeren daalt als gevolg van de daling van geboortes. In 2001 waren er in de leeftijdscategorie 0 19 jarigen respectievelijk 20.656 jongens en 20.158 meisjes (tabel 2) Tussen 2001 en 2011 is er een lichte stijging van het aantal jongens met 237 naar 20.883. Het aantal meisjes is in die periode gedaald met 243 tot 19.915. In absolute aantallen is er dus geen sprake van ontgroening, immers het aantal jongens en meisjes tussen de 0 en 19 jaar is vrijwel gelijk gebleven Wanneer dit echter wordt afgezet tegen de totale bevolking is er een duidelijke daling van het aandeel van jongens en meisjes te zien Bestond in 2001 nog 34 procent van de totale mannelijke bevolking uit jongens tussen 0 en 19 jaar, in 2011 is dit gedaald tot 30 procent. In 2001 was 29 procent van de vrouwelijke bevolking jonger dan 20 jaar, dit is gedaald tot 24 procent in 2011. Tabel 2 Populatie onder de 20 jaar

PAGE 46

45 Ontgroening versus vergrijzing 23 In 2001 waren er 41 mannelijke 60 plussers ten opzichte van 100 jongens tot 20 jaar. Bij de vrouwelijke bevolking waren dit 56 vrouwen ten opzichte van 100 meisjes Door zowel de ontgroening als de vergrijzing is dit bij de mannelijke bevolking gewijzigd naar 61 60 plussers ten opzichte van 100 jo ngens onder de 20. Bij de vrouwen tot 85 60 plussers ten opzichte van 100 meisjes In figuur 8 zijn de percentages weergegeven Figuur 8 Ontgroening versus vergrijzing 2001 2011 Bevolkingspiramide Onderstaande bevolkingspiramide (figuur 9) laat de opbouw in jaren en de verdeling man zijn plaats is. De vorm heeft meer weg van een zeilboot. In deze figuur zijn beide bevolkingspiramiden over elkaar heen gelegd. De lichtere kleuren geven aan dat er in 2001 meer personen in die leeftijdscategorie vielen. Voor 2011 zijn dit de donkere kleuren. De basis van de piramide, leeftijd van 0 9 jaar laat zien dat er in 2001 zowel meer jongens als meisjes waren dan in 2011. De donkerdere kleuren bij de 45+ ers geeft een goed beeld van de toename in de bevolking vanaf deze leeftijd. 23 De leeftijdsgroepen van 0 (meer) deel aan de beroep actieve b evolking

PAGE 47

46 Figuur 9 Bevolkingspiramide 2001 2011 De cijfers laten een groeiende bevolking zien bij een licht dalend geboortecijfer, een stijgende levensverwachting en dus steeds ouder wordende inwoners, waarbij de ouder wordende vrouwelijke populatie in de meerderheid is. Er dient rekening te worden gehouden met de kwetsbare positie van zowel oudere man nen en vrouwen die van een laag pensioensinkomen, een A.O.V. of, mogelijkerwijs zelfs minder moeten rondkomen Als deze trend zich voortzet, kan verwacht worden dat het deel van de bevolking dat niet werkzaam is en afhankelijk is van de werkende bevolking, verder zal toenemen. Dit zal allerlei sociaal economische consequenties met zich meebrengen. De bevolkingssam enstelling w ordt met name benvloed door de migratiestromen uit verschillende landen. Er is sprake van diversiteit qua etniciteit en cultuur. Onderzoek zou moeten uitwijzen in hoeverre het migratieverschijnsel de genderrollen binnen de Curaaose samenlevin g benvloed.

PAGE 48

47 Hoofdstuk 5. R eligie Religie kan van invloed zijn op de positie van de vrouw in de samenleving. Religie ofwel geloofsovertuiging kan een stempel drukken op hoe een leven geleid moet worden. Sommige groeperingen leggen bepaalde beperkingen op die soms alleen voor vrouwen gelden ; b epaalde kledingstukken die gedragen moeten worden, het mogen of juist niet mogen deelnemen aan bepaalde activiteiten of beroepen, het toestaan van anticoncep tie en geboorteafbreking, uithuwelijking, besnijden etc. Ook zaken als se ks uele geaardheid, seks voor het huwelijk zijn bij bepaalde religies beladen onderwerpen. De ene religieuze beweging gaat wast losser om met een misstap dan de andere. Bij bepaalde groeperingen worden leden uitgesloten of uitgestoten wanneer er regels worden overtreden, bij andere kunnen deze regels wat losser worden gehanteerd. Religie is een familiegebeuren meestal worden kinderen opgevoed met de religieuze overtuiging van ( n van) de ouders. Vele keuzes die door de ouders op basis van het geloof worden gemaakt zijn van invloed op onder meer de dagelijkse gang van zaken binnen een huishouden, bijvoorbeeld dagindeling, vrije tijdsinvulling, het vieren van bepaalde feesten. Zo o ok de keuze voor een bepaalde (bijzondere) school. Waarmee dan ook weer de school een bepaalde sturing geeft in denken en handelen. Op latere leeftijd wordt, al dan niet bewust, een keuze gemaakt om dit geloof te blijven aanhangen en welke rol de religie i n het leven blijft spelen. Bij bepaalde religies is dit een heel bewuste keuze. Religie op Cuao De religieuze betrokkenheid is op Curao groot te noemen. Voor beide censusjaren geldt dat er meer vrouwen dan mannen gelovig zijn. Tussen 2001 en 2011 nee mt het aantal gelovigen toe, terwijl het aandeel gelovigen daalt. Dit is te zien in figuren 10 en 11. In 2001 was 94 procent van de mannen en 96 procent van de vrouwen gelovig. In 2011 was dit afgenomen tot 92 procent bij de mannen en 95 procent bij de vr ouwen. Het percentage niet gelovige mannen (5%) en niet gelovige vrouwen (4%) is tussen 2001 en 2011 toegenomen tot 7 procent en bij de vrouwen tot 5 procent 24 24 177 mannen e n 147 vrouwen hebben de vraag over religie in 2001 niet beantwoord, in 2011 waren dit 455 mannen en 397 vrouwen

PAGE 49

48 Voor zowel 2001 als 2011 is het overgrote deel van de gelovigen Rooms Katholiek. Van de totale mannelijke bevolking was dit 81 procent in 2001 en 73 procent in 2011. Ook bij de vrouwen is er een daling te zien, van 80 procent in 2001 naar 72 procent in 2011. Het aantal Rooms Katholieken is echter gestegen. Van 104.641 in 2001 tot 109.538 in 2011 Figuur 10 Aantal Rooms Katholieken, andere religie geen religie 2001 2011 Figuur 11 Aandeel Rooms Katholieken, andere religie geen religie 2001 2011 Deze cijfers zeggen echter niets over het aantal kerkgangers of de plaats van het geloof in iemands leven. Protestanten, Pinkstergemeente, Adventisten Op Curao zijn er, naast het Rooms Katholieke geloof, vele andere gelo ofsovertuigingen in de samenleving aanwezig. In deze paragraaf wordt alleen gekeken naar religies

PAGE 50

49 waarvan meer dan 3 procent van de samenleving, ofwel in 2001 ofwel in 2011, zich tot rekent. (figuur 12). De tweede grootste religie in 2001 is het Protestantisme. 4 procent van zowel de mannelijke als vrouwelijke bevolking gaven toen aan deze religie te hebben I n 2011 daalde dit voor beide seksen tot 3 procent. Door deze daling is het Protestantisme in 2011 de derde grootste religieuze stroming op Curao. Tussen 2001 en 20 11 is het aantal leden van de P inkstergemeente bijna verdubbeld. In 2001 gaf 3 procent van de mannelijke bevolking en 4 pro cent van de vrouwelijke bevolking te kennen aangesloten te zijn bij de Pinkstergemeente. Dit is in 2011 respectievelijk 6 en 7 procen t. Daarmee is de Pinkstergemeente in 2011 de tweede grootste religie geworden Ook de Adventisten kennen tussen de censusjaren een stijging. In 2001 was 2 procent van de mannen en 2 procent van de vrouwen Adventist. Dit is bij zowel bij de mannen als vrouw en toegenomen tot 3 procent. Figuur 12 Aantal Protestanten, Pinkstergemeente en Adventisten 2001 2011 i n%) Sekse ratio en religie Vrouwen zijn religieuzer dan mannen, dit is zowel voor 2001 en 2011 het geval. F iguur 13 geeft dat duidelijk weer. De hoogste sekse ratio van 0 20 was in 2011 bij de niet gelovigen. In 2001 was deze 1 12. De laagste ratio, 0, 62, is te zien in 2001 bij de Pinkstergemeente. Dit was in 2011 0, 63.

PAGE 51

50 Figuur 13 Sekse ratio vijf grootste (niet)religies 2001 2011 Religie naar hoofd huishouden verhouding man vrouw Binnen bepaalde religieuze stromingen worden wereldwijd leiderschapspositie voornamelijk door mannen bekleed. Maar ook de rol van de man binnen het huishouden en zijn Voor 2001 en 2011 geven figuren 14 en 15 de man vrouw verhoudingen weer voor de vier genoemde religies en de niet gelovigen in 2001 2011. Zowel in 2001 als in 2011 zijn er meer mannen dan vr ouwen die hoofd van huishouding zijn 25 Dat is onafhankelijk van het, al dan niet, gelovig zijn en toont weinig verschillen tussen de diverse geloven. De percentages mannelijke hoofden van huishoudens nemen toe zodra de hoofden ongehuwd samenwonen. Om verde r te stijgen bij de gehuwd samenwonenden. Ook dit is onafhankelijk van al dan niet religieus zijn, van welke stroming dan ook. Er is wel een verandering zichtbaar tussen 2001 en 2011. Het aandeel vrouwelijke hoofden is bij alle huishoudens onafhankelijk v an geloofsovertuiging gestegen Bij de Pinkstergemeente en Adventisten zijn duidelijk meer vrouwelijke hoofden ongehuwd samenwonend in 2011. 25 Zie hoofdstuk 10 ishouden

PAGE 52

51 Bij de Rooms Katholieken en Protestanten zijn de verschillen tussen 2001 en 2011 het kleinst, bij de Pinkstergeme ente en Adventisten het groot st De niet gelovigen zitten precies in het midden.

PAGE 53

52 Figuur 14 Religie verhouding man vrouw: gehele populatie, hoofd huishouden, hoofd gehuwd samenwonend en hoofd samenwonend 2001 Figuur 15 Religie verhouding man vrouw: gehele populatie, hoofd huishouden, hoofd gehuwd samenwonend en hoofd samenwonend 2011

PAGE 54

53 De censusgegevens geven een beeld van het verschil tussen mannen en vrouwen als het gaat om het behoren tot een bepaalde religie, maar niet over een actieve betrokkenheid van mannen en vrouwen. Ook biedt de census geen ruimte om vragen te stellen over part icipatie in of betrokkenheid bij andere typen organisaties. Uit het Sociale Cohesie onderzoek 2015 van CBS blijken er verschillen te bestaan tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de aard van hun maatschappelijke participatie. Zo hebben vrouwen een ho gere mate van participatie in

PAGE 55

54 Hoofdstuk 6 G ezondheid De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn deels biologisch van aard, deels een gevolg van de maatschappelijke rolverdeling tussen man en vrouw. Beide aspecten hebben een invloed op de gezondheidsbeleving en de gezondheidstoestand van mannen en vrouwen. Bij de rolverdeling kan gedacht worden a an (risicovolle) lichaamsbeweging, bepaalde werkzaamheden en werkomgeving, het gebruik van genotsmiddelen in de ruimste zin van het woord (dus naast alcohol, tabak en drugs ook het gebruik van suiker en vethoudende producten). De cijfers in deze publicatie geven aan hoe de respondenten de eigen gezondheid ervaren. Het gaat dus om de subjectieve gezondheidsbeleving. De cijfers zijn niet gestaafd met meetbare cijfers zoals ziekenhuisopname, bezoek (huis)artsen body mass index etc. Een uitgebreide analyse is te vinden in de publicatie van het CBS: G ezondheid en en vrouw ook uitgesplitst naar ondermeer verschillen in leeftijd. Eigen perceptie gezondheid Aan alle respondenten i s gevraagd wat zij, in vergelijking met leeftijdgenoten, van hun gezondheid vinden. In beide censusjaren ervaart het overgrote deel de eigen gezondheid als goed of zeer goed Mannen zijn hierin iets positiever dan de vrouwen (figuur 16). In 2001 gaven 52.277 mannen, 86 procent van de mannelijke bevolking, aan de eigen gezondheid als (erg) goed te ervaren. Dit is in de tussenliggende censusjaren nog positiever geworden, in 2011 waren 60.828 mannen, 88 procent, dit oordeel toebedeeld. Het aandeel mannen e n jongens die de eigen gezondheid als erg goed ervaart, is gestegen van 34 procent in 2001 naar 40 procent in 2011. Ook de vrouwen zijn positief over de eigen gezondheid in vergelijking met die van anderen. In 2001 waren dit 57.630 vrouwen, 82 procent van de vrouwelijke bevolking. In 2011 is dit gestegen tot 70.135 vrouwen ofwel 86 procent. Ook hier is een toename in he t percentage personen dat het antwoord erg goed gaf. Van 30 procent in 2001 tot 36 procent in 2011.

PAGE 56

55 Figuur 16 Gezondheidsperceptie vergeleken met leeftijdgenoten R oken 26 Roken is een risicofactor voor de gezondheid. Zowel in 2001 als in 2011 is het aantal mannen wat rookt meer dan het dubbele van het aantal rokende vrouwen. In de 10 jaar is het aantal mannelijke rokers aanzienlijk afgenomen, bij de vrouwen is die afname gering. De percentages ge stop te rokers zijn zowel bij de mannen als de vrouwen nagenoeg gelijk gebleven (figuur 17) In 2001 rookte 18 procent van mannen dagelijks en 9 procent wel eens. 13 procent was gestopt met roken. De overige n 58 %) had den tot die tijd nog nooit gerookt. Van vro uwen rookte in dat jaar 6 procent dagelijks en 5 procent wel eens, hetzelfde percentage was gestopt met roken. 83 procent van de vrouwen had nog nooit gerookt. 1 procent heeft de vraag niet beantwoord Het al dan niet roken is tussen de twee census data gewijzigd. In 2011 rookte 13 procent van de mannen dagelijks en 8 procent wel eens. 65 procent had nog nooit gerookt. 13 procent was gestopt met roken. Bij de vrouwen rookte 5 procent in 2011 dagelijks. Hoewel een daling van n procent punt ten opzichte van 2001 is het aantal vrouwen dat rookt nauwelijks gedaald (22 vrouwen 26 Deze paragraaf gaat over de personen vanaf 16 jaar.

PAGE 57

56 minder in 2011). 3 procent van de vrouwen rookte in 2011 weleens en 85 procent had nog nooit gerookt. 6 procent van de vrouwen gaf aan gestopt te zijn met roken. Figuur 17 Rookgedrag man en vrouw vanaf 16 jaar 2001 2011 Langdurige aandoeningen Aan de inwoners van Curao is gevraagd ofn of meerdere langdurige) aandoeningen 27 hebben (zie figuur 18) Sommige van de hieronder genoemde aandoeningen hoeven in beginsel geen problemen te geven. In alle gevallen is het percentage mannen en vrouwen met een bepaalde aandoening tussen 2001 en 2011 toegenomen. Hoewel vrouwen over het algemeen bij geboorte een langere levensverwachting hebben, hebben zij meer last van langdurige aandoeningen 28 Mannen en vrouwen hebben in beide censusjaren aandoeningen Hoge bloeddruk voorkomende aandoening. 6 procent van de mannen en 10 procent van de vrouwen gaf in 2001 aan bloeddrukpati te zijn. Van alle personen met een hoge bloeddruk, 10.334, was in 2001 twee derde deel vrouw (66 % 27 Voor zover dit bekend is bij de respondent. 28 De antwoorden zijn door de respondenten zelf gegeven, het is niet gebaseerd op meetbare cijfers

PAGE 58

57 In de jaren tussen de twee In 2011 had 11 procent van de mannelijke respondenten en 16 procent van de vrouwelijke respondent deze aandoening. In vergeli jking met 2001 is er een kleine verschuiving gekomen in de verhouding tussen mannen en vrouwen met hoge bloeddruk: 36 procent van alle bloeddrukpatien was man, 64 procent vrouw. Diabetes Op de tweede plaats komt, wederom voor mannen als vrouwen en voor beide censusjaren, diabetes. Ook hier zijn de vrouwen weer in de meerderheid. In 2001 had 4 procent van de mannen en 6 procent van de vrouwen suikerziekte. Van de 6.145 diabetici in 2001 was 37 procent man en 63 procent vrouw. Het aantal personen met diabe tes is tussen 2001 en 2011 toegenomen tot 9.636. Bij zowel de mannen als de vrouwen is deze stijging ten opzichte van 2001 n procentpunt. De verhouding tussen mannen en vrouwen met suikerziekte is iets verschoven: 39 procent man en 61 procent vrouw. Cara (Astma, Chronische bronchitis De aandoening Astma, chronische bronchitis en Cara komt op derde plaats. Ook deze groep kent tussen 2001 en 2011 een stijgende lijn. Ook hier zijn de vrouwen in beide censusjaren in de meerderheid. In 2001 was 55 procent van de 4.268 personen vrouw. In 2011 was 58 procent van de 6.859 personen vrouw. Glaucoom, hart en nierproblemen 29 Het aantal personen met hartproblemen, glaucoom en/of nierproblemen is tussen 2001 en 2011 bijna verdubbeld. Voor zowel 2001 als 2011 is het aantal vrouwen met een aandoening hoger dan het aantal mannen. Het hartinfarct is de enige uitzondering. Tevens hebben mannen relatief gezien meer nierproblemen. 29 Zie tabel 10 in bijlage

PAGE 59

58 Figuur 18 Langdurige aandoeningen 200 2011 In 2011 zijn er in de vragenlijst vier langdurige aandoeningen toegevoegd. Deze staan vermeld in onderstaande tabel 3 Bij zowel dementie, kanker en sikkelcel ziekte zijn de vrouwen in de meerderheid. Meer mannen dan vrouwen hebben een hersen bloeding gehad. (0.87 proc ent van de mannen en 0.70 procent van de vrouwen) Tabel 3 Personen met dementie, hersenbloeding, kanker, sikkelcel ziekte 2011 Ziekte kosten verzekering Zoals in figuur 19 te zien is, is v het percentage mannen en vrouwen met of SVB of BZV/SVZ of een priverzekering nagenoeg gelijk. Mannen zijn zowel in 2001 als in 2011 vaker niet verzekerd of verzekerd via de werkgever. Vrouwen hebben vaker een PP kaart (gratis ziektekostenverzekering). In 2001 lag het percentage onverzekerde mannen als vrouwen hoger dan in 2011. Van de mannelijke bevolking in 2001 was 8 procent, 5.114 mannen, niet verzekerd. Het percentage vrouwen dat in dat jaar geen gezondheidsverzekering had was 7. Dat zijn 4.880

PAGE 60

59 on verzekerde vrouwen in 2001. In 2011 gaven 2.209 mannen (3%) en 1.755 vrouwen (2 %) aan niet verzekerd te zijn De grootste groep personen, zowel in 2001 als in 2011was via de SVB verzekerd. In 2001 was dit voor zowel mannen als vrouwen 35 procent. Deze groe p is in 2011 toegenomen tot 46 procent van de mannen en 45 procent van de vrouwen. In 2011 is er bij alle PP kaart verzekerden en bij de BZV/SVZ verzekerden een daling te zien Van alle vrouwen had in 2001 22 procent een PP kaart, dit is in 2011 gedaald tot 18 procent. Bij de mannen daalde dit van 17 naar 14 procent. Ondanks de daling blijft de PP kaart daarmee op de tweede plaats wat betreft verzekeringen. Het aandeel priverzekerden mannen en vrouwen is voor beide censusjaren met ongeveer 11% gelijk geb leven. Het aandeel mannen met een verzekering via de werkgever is van 9 procent in 2001 gedaald tot 8 procent in 2011. Bij de vrouwen is dit voor beide jaren 7 procent. Figuur 19 Soort ziektekostenverzekering 2001 2011

PAGE 61

60 Hoofd stuk 7 O nderwijs Veranderingen binnen het onderwijssysteem tussen 2001 2011 Tussen 2001 en 2011 is het onderwijssysteem op Curao aan de nodige veranderingen onderhevig geweest. Funderend onderwijs De eerste grote wijziging heeft plaatsgevonden in 2002 toen het Funderend onderwijs stapsgewijs binnen de Nederlandse Antillen is ingevoerd. Voor 2010 was de minister van onderwijs van de Nederlandse Antillen verantwoordelijk voor het onderwijsbeleid. To t 2002 was het onderwijs opgedeeld in Kleuter en Basisonderwijs voor leerlingen van 4 tot 12 jaar en voortgezet onderwijs van 12 tot ongeveer 18 jaar. Het kleuteronderwijs was niet verplicht. Het kleuter en basisonderwijs is gewijzigd in het Funderen d Onderwijs voor leerlingen van 4 1 2 jaar, met de bedoeling om leerlingenype onderwijs te laten doorlopen (zou in eerste instantie tot 15 jaar zijn) Het funderend onderwijs is een ononderbroken leerweg voor 4 12 jarigen, verdeeld over 2 cycli. De d erde cyclus (14/15 18 jaar) is niet ingevoerd. In 2008 heeft de minister van onderwijs van de Nederlandse Antillen besloten deze cyclus niet in te voeren maar leerlingen van 12 tot 15 jaar onder te brengen in het voortgezet onderwijs. De eerste cyclus van het Funderend Onderwijs kenmerkt zich door de overgang van spelgerichtheid naar leergerichtheid waarbij leerstofbeheersing en de gebonden tijdsperiode worden ontkoppeld. In de 2e cyclus wordt een groot beroep gedaan op zelfstandigheid, zelfwerkzaamheid en samenwerking. Het Funderend Onderwijs wordt verder gekenmerkt door onderwijs vanuit een ontwikkelingsgerichte visie waarbij het kind centraal staat. De invoering gebeurde (gebeurt) stapsgewijs, tegelijkertijd vond/vind er een omscholing van een deel van de leerkrachten plaats. Het speciaal onderwijs valt buiten het funderend onderwijs, leerkrachten hebben dan ook geen extra training of aanvullende scholing ontvangen. Voortgezet onderwijs In 2003 is de MAVO en BVO (beroepsgericht onderwijs, ondermeer techni sch onderwijs) opgehouden te bestaan en is opgegaan in het VSBO (voorbereidend secundair beroepsonderwijs). In het schooljaar 2002 2003 is het VSBO ingevoerd in het derde jaar, dus na de 2 jaar basisvorming

PAGE 62

61 Het VSBO omvat een 2 jarige basisvorming en een 2 jarige periode van leerwegen in 3 sectoren: techniek, zorg & welzijn en economie. De leerwegen zijn: theoretisch kadergerichte leerweg (TKL), praktisch kadergerichte leerweg (PKL) en praktisch basisgerichte leerweg (PBL). Havo en VWO kennen een 2 jarige basisvorming, gevolgd door profielonderwijs. De profielstructuur is ingevoerd in 2002 en gewijzigd in 2007 naar Nederlands model. De verplichte onderwijsleeftijd is van 4 18 jaar 30 Secundair beroepsonderwijs In het schooljaar 2004 2005 is er het Secundair Beroepsonderwijs bijgekomen. Het Secundair Beroepsonderwijs (SBO) is ruimer van opzet dan het middelbaar beroepsonderwijs (MBO). Het strekt zich ook uit naar opleidingen waarvoor in principe geen diploma voorbereidend secundair beroepsonderwijs (VSBO) is vereist 31 Het SBO kent twee leerwegen: werkend leren (WL) en lerend werken (LW) en 4 kwa lificatieniveaus (assistent, beroepsbeoefenaar, vakfunctionaris en middenkaderfunctionaris De opleidingen hebben een duur van 1 tot 4 jaar. Het MBO is daarmee komen t e vervallen. Sociale vormingsplicht In 2005 is er een landsverordening Sociale Vormingsplicht ingevoerd: dit is voor verplicht voor inactieve jongeren (geen school, geen startkwalificatie en geen werk) van 16 tot 24 jaar door een combinatie van opleiding e n werk tot het volgen van een kanstraject. Instructietaal Een andere wijziging is de invoering van het Papiaments als instructietaal op het Funderend Onderwijs 32 deze invoering heeft echter geen invloed op de vergelijking tussen beide censusjaren. Staatkundige ontwikkelingen In 2010 is het land Nederlandse Antillen opgehouden te bestaan en is tijdens een transitie periode overgegaan in het land Curaao land Sint Maarten en bijzondere gemeente Bonaire, St. Eustatius en Saba. Voor de volkstelling die in 2011 is gehouden heeft dit met betrekking tot het onderwijs nog geen invloed gehad 30 wettelijke verplichting blijft van kracht tot het eind van het schooljaar waarin de jongere 18 wordt of tot hij/zij het diploma heeft behaald voor het VSBO TKL of PKL), HAVO/VWO of een door de minister aangewezen gelijkwaardige, erkende opleiding. 31 Leer lingen die geen of een niet afgeronde opleiding hebben moeten minstens 18 jaar oud zijn bron Kenniscentrum Beroepsonderwijs Curaao 32 Met de invoering van het funderend onderwijs is in artikel 10 vastgelegd dat de schoolbesturen mogen kiezen uit 3 instru ctietalen: Papiaments, Engels of Nederlands Deltaplan N.A.)

PAGE 63

62 De verandering voor zowel het basisonderwijs naar funderend onderwijs en de wijziging in het middelbaar onderwijs betekent dat er niet altijd een vergelijking gemaakt k an worden tussen beide censusjaren met betrekking tot het onderwijs. Opleidingsniveau van niet schoolgaanden 33 Zoals uit figuur 20 blijkt zijn er twee trends waar te nemen: Tussen 2001 en 2011 is er bij de leeftijdscategorien een stijging van opleidingsn iveau te zien. Het aandeel personen dat geen onderwijs heeft gevolgd of alleen lagere school daalt naarmate de leeftijd daalt, dit is bij zowel mannen als vrouwen het geval Bij de vrouwen is, naarmate de leeftijd daalt een stijging te zien van het aandeel vrouwen met een diploma hoger onderwijs. Voornamelijk in 2001, maar ook in 2011, is het hoogste percentage bij vrouwen van boven de 65 jaar zonder opleiding of alleen lagere school In 2001 had 2/3 deel (66 procent) van alle vrouwen boven de 65 jaar geen opleiding of alleen lagere school In 2011 was dit 56 procent. Ook bij de mannen is in 2001 de hoogste score in deze groep te vinden. Iets meer dan de helft, 51 procent, van de ma nnen van boven de 65 jaar gaf in 2001 geen opleiding of alleen lagere school te hebben gevolgd. In 2011 was dit 39 procent. De laagste percentage s zijn ook te vinden in 2001 en 2011 bij de vrouwen van 65+; namelijk bij personen met een diploma van het hoge r onderwijs is. In 2001 had 3 procent van de vrouwen van 65+ een diploma hoger onderwijs, in 2011 was dit 5 procent. Bij de mannen van boven de 65 jaar had in 2001 n op de 20 (5%) hoger onderwijs afgemaakt. In 2011 was dit gestegen tot 11 procent. Dat er een duidelijke kentering in het onderwijs is blijkt wel uit de vrouwen van 25 34 jaar. E n van de lagere percentages is, in 2001, te vinden bij 25 34 jarige vrouwen die alleen lagere school of geen opleiding hadden. Dit was 7 procent. In 2011 is dit ie ts gestegen tot 9 procent. Bij de mannen tussen de 25 en 34 jaar had, zowel in 2001 als 2011 een tiende deel geen opleiding of alleen lagere school. Bij de personen met een diploma van het hoger onderwijs is de hoogste score te vinden in 2011 bij de vrouwe n van 25 34 jaar; bijna 1 op 5 (19 procent). In 2001 was dit 11 procent. 33 Schoolgaanden die ooit dagonderwijs of geen dagonderwijs gevolgd hebben. Degene die een niet reguliere dagopleiding hebben gevolgd zijn in deze analyse niet meegenomen.

PAGE 64

63 Figuur 20 A andeel bevolking 25 jaar en ouder hoogste opleidingsniveau afgemaakt 2001 2011 Niet iedereen die aan een opleiding begint maakt deze af. Tussen 2001 en 2011 neemt het aandeel personen dat aan een middelbare school opleiding begint en deze niet heeft afgmaakt neemt toe (figuur 21) Met name in 2001, maar ook in 2011, zijn hiervoor de laagste percentages te vinden bij de 65 plussers, voor beide se kse n was dit in 2001 rond de 8 procent en in 2011 rond de 10 procent In 2001 en 2011 zijn de hoogste p ercentages voor het niet afmaken van een opleiding te vinden bij mannen tussen de 25 en 34 jaar. In 2001 was dit 26 procent en in 2011 27 procent. Ook b ij de vrouwen liggen daar de hoogste percentages: 25 procent in 2001 en in 24 procent in 2011. In onderstaande figuur is te zien dat in het algemeen (alle leeftijden, beide seksen) het middelbaar voorbereidend onderwijs de meeste afvallers kent. Dit is met name bij het l ager voorbereidend onderwijs ( vsbo en onderbouw havo/vwo

PAGE 65

64 Figuur 21 A andeel bevolking 25 jaar en ouder niet afgemaakte opleiding De schoolgaanden Participatiegraad regulier onderwijs. Uit figuur 22 blijkt dat t ot het 18 de levensjaar 34 (de verplichte leeftijd) de participatiegraad tussen jongens en meisjes gelijk is verdeeld. Vooral na het 18 de levensjaar nemen meer vrouwen dan mannen deel aan het onderwijs. Het aandeel mannen en vrouwen wat regulier dagonder wijs volgt is zowel in 2001 als in 2011 gelijk verdeeld, afgerond 50/50. In 2001 volgden 36.122 personen regulier onderwijs, daarvan waren 17 954 mannen, en 18 168 vrouwen. In 2011 waren dit er 39.484, waarvan 19.635 man en 19.848 vrouw. Zoals in de inleid ing al beschreven is de verplichte leeftijd om naar school te gaan in 2002 gedaald van 6 naar 4 jaar. Er is echter geen verschil te zien b ij de participatiegraad van de 4 en 5 jarigen in 2001 of 2011 Deze is, zowel bij de jongens als de meisjes, voor beid e censusjaren rond de 97 procent. Vanaf 6 jaar tot 15 jaar loopt dit op tot rond de 99 procent. Na het 15 de jaar ontstaan er verschillen in participatiegraad tussen jongens en meisjes. Iets minder jongens blijven van het 15 de tot het 18 de levensjaar onder wijs volgen. In 2001 was het verschil tussen jongens en meisjes 8 procent. In 2011 liep dit verschil terug tot 3 procent. Bij beide seksen is de participatiegraad tussen 2001 en 2011 gegroeid. 34 wettelijke verplichti ng blijft van kracht tot het eind van het schooljaar waarin de jongere 18 wordt of tot hij/zij het diploma heeft behaald voor het VSBO TKL of PKL), HAVO/VWO of een door de minister aangewezen gelijkwaardige, erkende opleiding.

PAGE 66

65 Vanaf 18 jaar nemen meer vrouwen dan mannen deel aan het onder wijs. In 2001 volgde net iets meer dan 1/3 deel van de mannen van 19 tot 21 jaar een reguliere opleiding (dag) bij de vrouwen was dit 46 procent. In 2011 i s dit toegenomen tot 49 procent bij de mannen en 59 procent bij de vrouwen. Ook de participatiegraad van de 22 t/m 29 jarigen nam toe. Bij de mannen steeg de praticipatiegraad van 6 procent in 2001 tot 12 procent in 2011. Bij de vrouwen steeg dit van 6 procent naar 18 procent. Figuur 22 Reguliere (dag) school participatiegraad 2001 2011 Participatiegraad niet regulier onderwijs Naast het reguliere onderwijs bestaan er nog allerlei andere mogelijke onderwijsvormen: cursussen, parttime onderwijs, werkend leren, opleiding vanuit het werk e tc. Dit vindt plaats vanaf 15 jaar. De participatie van vrouwen in het niet regulier onderwijs neemt tussen beide censusjaren toe, bij de mannen neemt dit af. Het aandeel vrouwen overstijgt in 2011 het aandeel mannen (figuur 23) In 2001 volgden 1.389 perso nen niet regulier onderwijs, daarvan waren 722 man, 52 procent en 677 vrouw, 58 procent. In 2011 waren dit er 2.128, waarvan 761 man, 36 procent en 1.367 vrouw, 64 procent.

PAGE 67

66 In 2001, volgden vooral jonge mannen tot 24 jaar een niet reguliere opleiding. Dit liep in 2011 terug. Bij de vrouwen is er tussen 2001 en 2011 bij alle leeftijden een toename in niet regulier onderwijs te zien Figuur 23 Schoolparticipatie niet regulier 2001 2011 Opleidingsniveau schoolgaanden 2011 In 2011 gaven 41.612 personen aan een vorm van onderwijs te volgen. Hiervan waren 20.396 man en 21.216 vrouw. De verhouding van alle schoolgaande mannen en vrouwen ligt in 2011 op 49/51. In onderstaande tabel 4 zijn de schoolgaanden per leeftijdscategorie weergegeven. Kinderen tussen de 4 en 18 jaar 35 zijn allemaal wettelijk verplicht om naar school te gaan. Doordat er meer jongens dan meisjes zijn van 4 15 jaar ( z ie ook hoofdstuk 3 d emografie) is dat terug te zien in de sekse ratio in deze leeftijdscatego rie Deze is 1 07 voorjongeren tot 15 jaar. Ook deels is de sekse ratio voor de hogere leeftijden te verklaren door het verschil in aantallen in mannen en vrouwen. De sekse ratio is echter beduidend lager voor schoolgaanden dan bij demografie. Kortom meer vrouwen dan mannen blijven langer en vaak ook hoger onderwijs volgen. 35 Tenzij de jongere een diploma voortgezet onderwijs heeft.

PAGE 68

67 Tabel 4 Schoolgaanden man vrouw naar leeftijd 2011 Onderstaande figuur 24 geeft de trend meer vrouwen volgen hoger onderwijs ook weer. Bovendien i s het aandeel meisjes dat in de bovenbouw van Havo of VWO zit ook hoger dan het aandeel jongens. Bij de mannen volgt 4 procent een HBO of WO opleiding, bij de vrouwen is dit 8 pro cent. Figuur 24 Aandeel onderwijsniveau volgend 0 65+ 2011 Studierichting En van de oorzaken van verschillen tussen mannen en vrouwen in bepaalde sectoren op de arbeidsmarkt is het gender/sekse verschil in het onderwijs. In 2011 kozen nog steeds veel meisjes en jongens voor gender stereotie pe studierichtingen

PAGE 69

68 Onderstaande fi guren 25 en 26 zijn gebaseerd op de antwoorden van 9.975 respondenten 36 d aarvan zijn 4.218 mannen en 5.577 vrouwen. Een verhouding van 43/57 procent. Sekse ratio 0, 76. Bij de jongens/mannen is er een duidelijke voorkeur voor de technische richting, waarbij ook de hands on vakken als timmerman, lasser, bouwvakker worden gerekend. Bij de meisjes vrouwen is de sector welzijn en zorg het meest in trek 37 Figuur 25 Studierichting schoolgaande populatie 9.795 2011 Indien de richtingen verdeeld worden tussen mannen en vrouwen komen de stereotypen nog duidelijker in beeld De mannen richtingen zijn techniek en ICT. De enige twee richtingen waar mannen in de meerderheid zijn. Bij deze richtingen is dat meer dan 80 procent Ge en enkele richting is sekse neutraal. Bij de richtingen hospitality en economie en handel is er net iets meer dan 1/3 deel man. Bij Juridisch, openbaar bestuur is dat net iets minder dan 1/3 deel. Overduidelijke vrouwe lijke studie richtingen zijn zorg en welzijn, gezondheidszorg (waaronder verpleging) en onderwijs. 36 Op de middelbare school wordt er binnen het VSBO vanaf het 3 de leerjaar een richting gekozen, bij HAVO en VWO heet dit een profielkeuze en dit gebeurd in het 4 de leerjaar. Deze leerlingen, plus de leerlingen van het funderend onderwijs, speciaal onderwijs kiezen dus geen studierichting en zijn dus buiten de analyse gelaten. 37

PAGE 70

69 Figuur 26 Studierichtingen verhouding man vrouw 2011 populatie 9.795 Feminisering van het onderwijs Bij de sector onderwijs is de ve rhouding tussen manne lijke en vrouwe lijke studenten bijna 10:90. Deze feminisering van het onderwijs is internationaal reden tot verdergaand onderzoek. Leerkrachten hebben een voorbeeldfunctie en leerlingen zien de onderwijzers/leerkrachten soms vaker dan andere personen. Dit kan van invloed zijn op de keuzes en rollen die jongens en meisjes aannemen. Volgens Tavecchio (2008) heerst er door de feminisering een vrouwencultuur in het onderwijs. Dit begint al op de kinderopvang, waar het personeel voor 99 p rocent uit vrouwen bestaat. Vaardigheden die als meer vrouwelijk worden beschouwd zoals samenwerking, taalvaardigheid en communicatie worden door vrouwelijke leerkrachten uitgedragen en gestimuleerd. Er is minder ruimte en begrip voor typisch jongensge drag zoals stoeien, ontdekkingsdrift, leiderschap en competitief gedrag. Jongens worden te snel tot de orde geroepen. Zij hechten zich bovendien minder goed aan de leidsters dan meisjes. Jongens komen hierdoor tekort in hun ontwikkeling. Zij voelen zich minder thuis op school en presteren slechter. Mede daarom hebben jongens mannelijke rolmodellen nodig. (Tavecchio, 2008; Beker, 2011) Gezien de censusresultaten ligt hier voor Curaao ook een uitdaging

PAGE 71

70 Hoofdstuk 8 E conomische (inactiviteit 15 60 jarigen Werkenden, werkzoekenden en niet actieven De economische in) activiteit van alle mensen tussen de 15 en 60 jaar wordt in dit hoofdstuk besproken. Op Curao mag er vanaf 15 jaar gewerkt worden, de pensioengerechtigde leeftijd was voor beide censusjaren 6 0 jaar. In 2001 waren 79.890 personen, 36.319 mannen (45%) en 43.571 vrouwen, (55%) procent vrouwen tussen de 15 en 60 jaar oud. Deze groep is tussen 2001 en 2011 gegroeid tot 93.299 personen. Verdeeld over 41.819 mannen (45%) en 51.480 vrouwen (55%). Deze personen kunnen worden onderverdeeld in de beroepsbevolking, ook wel de economische actieve n en de economisch niet actieven 38 zie figuur 27 De economisch actieven zijn de mensen die daadwerkelijk een betaalde baan hebben (werkend) en de mensen die geen baan hebben maar wel zouden willen werken (werkzoekenden) en de economisch niet actieven, de mensen die geen baan hebben en er ook niet naar op zoek zijn. Figuur 27 A bsolute aantallen bevolking tussen de 15 en 60 jaar. 39 38 actieven of economische niet actieven 39 Zie ook tabel 11 in bijlage

PAGE 72

71 De beroepsbevolking: de actieven De beroepsbevolking is tussen 2001 en 2011 gestegen van 54.338 naar 66.976 personen. Een stijging van 23 procent. Het aantal werkenden is gestegen, het aantal werkzoekenden gedaald. De werkenden Het aantal werkende vrouwen is tussen 2001 en 2011 dusdanig toegenomen dat het het aantal werkende mannen overstijgt (figuur 28 Relatief gezien is dit echter niet het geval (figuur 29) In 2001 waren er 23.194 werkende mannen (64%) tussen de 15 en 60 jaar. Bij de vrouwen waren dit er 22.426 (51%). In 2011 is dit gestegen tot 28.745 mannen (70%) en 31.435 vrouwen ( 62%) . Figuur 28 A antal werkenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011

PAGE 73

72 Figuur 29 A andeel werkenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 Economische positie van werkenden Met uitzondering van onbetaald werk en werken op contractbasis zijn er duidelijke verschillen waar te nemen tussen de economische positie van mannen en vrouwen (figuur 30) Mannen zijn in de meerderheid als werkgever of zelfstandige of hebben vaker losse jobs Vrouwen zijn vaker terug te vinden als werknemer in vaste dienst of werknemer in tijdelijke dienst De meerderheid van de werkenden is voor beide se ks en en beide censusjaren werknemer in vaste dienst Het aandeel mannen en vrouwen met een dergelijk contract is tussen 2001 en 2011 gedaald: bij de mannen van 63 procent in 2001 naar 58 procent in 2011. Bij de vrouwen van 73 procent naar 66 procent. Indien deze trend wordt voortg ezet, betekent dit een proces dat de richting uitgaat van minder economische zekerheid zowel voor mannen als vrouwen. Ook de volgende verschijnselen (tijdelijke dienst en losse job) duiden op een toenemende mate van economische onzekerheid. Bij werknemer in tijdelijke dienst is een stijging te zien tussen 2001 en 2011. Hier ligt het percentage vrouwen 9 procent in 2001 en 13 procent in 2011 in beide jaren 2 procent hoger dan het percentage mannen Meer mannen dan vrouwen hebben de onzekerheid van een lo sse job 9 procent in 2001 en 11 procent in 2011. Bij de vrouwen is dit voor beide jaren 6 procent.

PAGE 74

73 Mannen zijn vaker dan vrouwen werkgever of zelfstandigen: in 2001 was 4 procent van de mannen en 1 procent van de vrouwen werkgever. In 2011 is dit bij de mannen gestegen tot 9 procent en bij de vrouwen tot 4 procent. Het aantal zelfstandigen is tussen 2001 en 2011 gedaald van 7 procent van de mannen in 2001 naar 4 procent in 2011. Bij de vrouwen van 4 procent naar 2 procent. Figuur 30 E conomische positie werkenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 Belangrijkste beroepsgroepen 2011 Tussen mannen en vrouwen zijn er op de arbeidsmarkt duidelijke verschillen te onderscheiden met betrekking tot de beroepsgroepen waarin ze werkzaam zijn. In onderstaande figuur 31 zijn de verhoudingen binnen de 10 belangrijkste beroepsgroepen 40 weergegeven. Opgemerkt dient te worden dat in sommige beroepsgroepen weinig personen werkzaam zijn . In 2011 heeft 4 7 procent van de werkende mannen en 2 7 procent van de werkende vrouwen geen antwoord gegeven op deze vraag, hierdoor kan het beeld een vertekening opgeven. Indien er per beroep gekeken wordt naar de verhouding tussen mannen en vrouwen valt een aantal zaken direct op: Er i s geen enkele beroepsgroep met alleen maar mannen of vrouwen. 40 Door de verandering in de ISEC codes is het niet mogelijk om een goede vergelijking te maken met de census van 2001. Dit wordt dan ook niet gedaan

PAGE 75

74 Er zijn meer mannen werkzaam in beroepen waar vrouwen de meerderheid hebben dan omgekeerd. Slechts n beroepsgroep, technici en vakspecialist, heeft ongeveer een gelijk aandeel mannen en vrouw en. Figuur 31 B eroepsgroepen verhouding man vrouw2011 Uit figuur 32 blijkt dat de meeste personen, 12.903, werkzaam zijn in de beroepsgroep dienstverlenend personeel, verkopers Van de 42 procent die in deze beroepsgroep werkt is 27 procent vrouw. Daarmee direct ook de beroepsgroep waarin de meeste vrouwen werken. De beroepsgroep met de meeste mannelijke werknemers, 6.454 (22%) en tevens de beroepsgroep met het grootste verschi l in percentage mannen en vrouwen is ambachtslieden In deze beroepsgroep werkten in 2011 2 procent van de vrouwen, een totaal van 578. Een ander groot verschil is te zien bij de beroepsgroep administratief personeel Van de 8.644 personen werkt 7 proc ent van alle mannen en 21 procent van alle vrouwen. D e percentages mannen (14%) en vrouwen (12%) liggen het dichts bij elkaar bij de beroepsgroep technici en vakspecialisten In deze beroepsgroep werken 4 109 mannen en 3 858 vrouwen.

PAGE 76

75 Een verschil van 6 procent is te zien bij bedieners van machines en bij de elementaire beroepen Zij het dat bij de bedieners van machines 6 procent meer mannen dan vrouwen werkzaam zijn. Bij de elementaire beroepen is dit net omgekeerd. Figuur 32 .B eroepsgroepen werkende bevolking tussen de 15 en 60 2011 Bedrijfstakken Ook de bedrijfstak indeling is in 2011 aangepast aan de nieuwste versie van de ISIC classificatie en is in vergelijking met de census van 2001 voor enkel e bedrijfstakken niet mogelijk. Daarom wordt deze vergelijking dan ook niet gemaakt. De bedrijfstakken met minder dan 1000 werknemers worden buiten de analyse gelaten. Tussen de bedrijfstakken zijn er soms grote verschillen in de verhouding tussen mannen en vrouwen. Onderstaande figu u r 33 ge e ft deze verhouding weer. Het aantal bedrijfstakken, met meer dan 1 000 werknemers, waarin het aandeel mannen groter is dan het aandeel vrouwen, is minder dan de helft Er is een bedrijfstak waarin de man vrouw verhoudi een bedrijfstak waarin de man vrouw verhouding 10/90 productie van goederen en diensten voor eigen gebruik Het kleinste verschil in percentage tussen mannen en vrouwen is te zien bij de bedrijfstak administratie ondersteunende diensten 41 Hier zijn 10 procent meer mannen dan vrouwen werkzaam en bij groot en detailhandel; tevens reparatie van etsen daarin is 10 procent meer vrouwen dan mannen werkzaam. 41 Niet te verwarren met de beroepsgroep administratief personeel

PAGE 77

76 Figuur 33 Bedrijfstakken met meer dan 1500 werkenden 2011 verhouding man vrouw 2001 In figuur 34 is te zien dat het hoogste percentage mannen en vrouwen werkzaam is in de bedrijfstak groot en detailhandel; tevens Hierin werken 15 procent mannen en 16 procent vrouwen. Daarmee is deze bedrijfstak is vrijwel gender neutraal. Het grootste verschil in percentages werkzam e mannen en vrouwen is bij bouwnijverheid In deze bedrijfstak is 12 procent van de mannen en 1 procent van de vrouwen werkzaam. Ook een groot verschil is te zien bij menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening Daar werkt 3 procent van de mannen en 13 procent van de vrouwen. Hoewel procentueel geen uitzonderlijk groot verschil (6%) wordt ook onderwijs genoemd. Internationaal gezien zijn er diverse onderzoeken naar de feminisering van het onderwijs gaande. Van de totaal 3.650 onderw ijzers/leerkrachten is 925 man en 2.725 vrouw.

PAGE 78

77 Figuur 34 Bedrijfstakken werkende bevolking tussen 15 en 60 jaar 2011 De werkzoekenden In figuur 35 is het aantal en in figuur 36 het aandeel werkzoekenden tussen de 15 en 60 jaar weergegeven. In 2001 waren 8.718 mensen werkzoekend. Dat waren 3.735 mannen (10 % van de mannen) en 4.983 vrouwen (11 % van de vrouwen). Het aantal werkzoekenden is in de periode van 2001 naar 2011 gedaald naar 6.796, terwijl beroepsbevolking tussen de 15 60 jaar is toegenomen van personen 79.890 in 2001 naar 91.322 personen in 2011. Van de 6.796 werkzoekenden in 2011 waren 2.532 mannen (6% van de mannen) en 4.264 vro uwen (8% van de vrouwen).

PAGE 79

78 Figuur 35 A antal werkzoekenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 Figuur 36 A andeel werkzoekenden tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 Duur van de werkloosheid Behalve dat het aantal werkzoekenden tussen 2001 en 2011 is gedaald is ook de langdurige werkloosheid (langer dan 12 maanden) afgenomen (figuur 37) Ongeveer de helft van alle mannen en vrouwen was in 2001 langer dan een jaar werkzoekend, in 2011 was dit gezakt tot ongeve er 1/3. De percentages mannen en vrouwen die korter dan 6 maanden op zoek zijn naar werk, zijn toegenomen: van net iets meer dan 1/3 in 2001 (32% man en 34% vrouw) naar bijna de helft (beiden 49%) in 2011

PAGE 80

79 Figuur 37 P eriode werk zoekend 2001 2011 Manier van het zoeken naar werk Er zijn vele manieren om op zoek te gaan naar werk. De voorkeur voor een bepaalde manier is bij mannen en vrouwen niet gelijk (figuur 38) De meeste werkzoekende mannen gingen in 2001 (35%) en in 2011 (38%) persoonlijk langs bij bedrijven. Ook bij de vrouwen deed 28 procent dat in 2001. Meer vrouwen zijn deze manier van zoeken gaan toepassen Met 36 procent in 2011 is het percentage daarmee bijna gelijk aan dat van de mannen. Vrouwen schrijve n vaker dan mannen een brief, ofwel een open sollicitatie of door te reageren op een advertentie. Deze manieren zijn voor beide seksen tussen 2001 en 2011 gestegen. In 2001 gaf 18 procent van de mannen en 23 procent van de vrouwen aan zo op zoek te gaan na ar werk. Dit was in 2011 24 procent van de mannen en 31 procent van de vrouwen. In 2001 gebruikten meer mannen en vrouwen het eigen netwerk om werk te zoeken. Van de mannen zocht 17 procent in 2001 en 15 procent in 2011 via familie of vrienden werk. Bij d e vrouwen was dit in 2001 14 procent. Dit daalde tot 9 procent in 2011. Een duidelijke teruggang bij zowel mannen als vrouwen is te zien bij de bemiddeling van het arbeidsbureau, was dit in 2001 nog voor 13 procent van de mannen en voor 14 procent van de vrouwen de aangewezen manier om op zoek te gaan naar werk, in 2011 daalde dit bij de mannen naar 4 procent en bij de vrouwen naar 6 procent.

PAGE 81

80 In 2001 zocht 4 procent van de mannen en 8 procent van de vrouwen werk via een uitzendbureau. Dit verschil is in 2 011 kleiner geworden: respectievelijk 5 en 6 procent. Figuur 38 Belangrijkste manier van w erk zoeken werkzoekenden 15 60 jaar 2 001 2011 De niet actieven De groep niet actieven neemt geen deel aan de arbeidsmarkt en is dat ook niet van plan. Dit is dus een duidelijk andere groep dan de werkzoekenden. In 2001 gaven 25.552 mensen aan niet actief te zijn : 9.390 man nen 26 %) en 16.162 vrouw en ( 37 %) Het aantal niet actieven daald e tussen 2001 en 2011 met 1 251 personen. Bij de mannen is er een stijging te zien van 239 mannen. Bij de vrouwen is dit met 1 490 gedaald In 2011 was 24 procent van de mannen en 29 procent van de vrouwen niet actief (figuren 39 en 40)

PAGE 82

81 Figuur 39 A antal niet actieven tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 Figuur 40 A andeel niet actieven tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 Belangrijkste reden om economisch niet actief te zijn. Aan alle personen die aangav en niet te werken en geen werk zoeken is gevraagd naar de belangrijkste reden om niet deel te nemen aan de arbeidsmarkt.

PAGE 83

82 De niet actieve mannen in 2001 bestaan voor 47 procent uit schoolgaanden, bij de niet actieve vrouwen is dit in 2001 30 procent. In 20 11 was dit bij de mannen gestegen tot 51 procent en bij de vrouwen tot 39 procent. Onderstaande cijfers zijn gebaseerd op de niet actieve, niet schoolgaande bevolking tussen de 15 en 60 jaar (zie figuur 41) Opvallend zijn de nagenoeg niet aanwezige niet actieve mannen die de reden huishouden 2011 het geval. Voor net iets minder dan de helft (47%) van de niet actieve, niet schoolgaande vrouwen zijn dit in 2001 redenen om niet te g aan werken of op zoek te gaan naar werk. Dit percentage daalde in 2011 tot 40 procent. In 2001 is gezondheid voor ongeveer een kwart (24%) van de niet actieve, niet schoolgaande mannen, de reden om niet deel te nemen aan de beroepsbevolking. In 2011 is de categorie lichamelijke dan wel psychische beperking toegevoegd. Dit of gezondheidsredenen was voor 27 procent van de mannen aanleiding om niet actief te zijn. Bij de vrouwen was in 2001 15 procent en dan wel p in 2011 18 procent. Het hebben van tijdelijk werk geen passend werk kunnen vinden of het niet hebben van een werkvisum zijn in 2001 voor 19 procent van de mannen redenen om niet te gaan werken of werk te zoeken, bij de vrouwen is dit met 8 procent beduidend lager. In 2011 daalde dit bij de mannen tot 13 procent en bij de vrouwen tot 7 procent. Het aandeel mannen dat al gepensioneerd was voor het zestigste levensjaar daalde van 10 procent in 2001 naar 6 procent in 2011 en komt da armee gelijk met het percentage vrouwen. (beide censusjaren 6 procent).

PAGE 84

83 Figuur 41 N iet actieve niet schoolgaande bevolking tussen 15 en 60 jaar 2001 2011 De censusgegevens laten zien dat met betrekking tot de economische positie, zowel voor mannen en vrouwen in bepaalde situaties sprake is van een zekere mate van kwetsbaarheid. Hoewel de langdurige werkloosheid tussen 2011 en 2011 is afgenomen, lijkt voor b nemen. Hoewel meer vrouwen zich op de arbeidsmarkt hebben begeven, blijkt het huishouden en familieomstandigheden voor vrouwen de voornaamste reden van economische inactiviteit. Voor m annen is dat nauwelijks een reden.

PAGE 85

84 Hoofdstuk 9 I nkomen 42 genoemd. De verschillen in inkomen tussen mannen en vrouwen kennen meerdere oorzaken: het aantal uur dat men werkt, of in het verleden gewerkt heeft, opleiding, economische positie, beroepsgroep etc. Wanneer er rekening gehouden wordt gehouden met onder meer bovenstaande oorzaken, blijven er verschillen. De verschillen lijken internationaal gezien wel kleiner te worden 43 De lagere beloning op de arbeidsmarkt van vrouwen ten opzicht van mannen resulteert op het einde van de loopbaan in een en vrouwen waren vroeger groter. In de publicatie Inkomen en Inkomensver delingen op Curao van drs. Francis Vierbergen wordt dieper ingegaan op de inkomens op Curao. Inkomen van w erkenden, werkzoekenden en niet actieven vanaf 15 jaar De bevolking boven de 15 jaar kan worden ingedeel d naar economische status: werkend, werkzoekend (werkloos maar wel zoekend) en niet actieven (werkt niet en niet op zoek naar werk). Zie ook hoofdstuk 8 Een kanttekening daarbij is dat daar uitsluitend naar de bevolking in de beroepsactieve leeftijd van 1 5 60 jaar wordt gekeken. Met betrekking tot inkomen wordt er gekeken naar alle personen boven de 15 jaar 44 Deze personen kunnenf meerdere inkomstenbronnen hebben. Dit zijn: werk, AOV, pensioen, uitkering, vermogen, studiefinanciering, wachtgeld, alim entatie of anders (waarbij gedacht kan worden aan een lening, een schenking, spaargeld, dividend, huurinkomsten). Personen kunnen ook geen inkomen hebben. Inkomen werkenden Dit was voor 93 procent van de 24.548 werkende mannen en 23.138 werkende vrouwen in 2001 het geval. Dit aandeel daalde bij de 31.515 werkende mannen in 2011 tot 91 procent. Voor de 33.399 vrouwen bleef het aandeel dat werk als belangrijkste bron aangaf 93 procent 42 Loonkloof: percentage verschil man vrouw, waarbij het loon van de man op 100% wordt gesteld OECD data definition 43 OECD 44 Hierdoor zijn de genoemde aantallen werkenden, werkzoekenden en niet actieven hoger dan in hoofdstuk 8

PAGE 86

85 De verschillen tussen de inkomsten van werkende mannen en vrouwen is in de jaren tussen 2001 en 2011 kleiner geworden. De inkomens van mannen en vrouwen zijn voornamelijk voor de laagste en de hoogste inkomensgroepen dichter bij elkaar gekomen (fi guren 42 en 43) In 2001 had de grootste groep van de werkende vrouwen, 31 procent, een inkomen tussen Nafl. 1 1.000 per maand. Bij de mannen was dit 16 procent. Dit verschil van 15 procent is in tussenliggende jaren vrijwel gehalveerd. In 2011 was dit 8 procent. 17 procent van de vrouwen en 9 procent van de mannen viel in toen in de inkomensgroep Nafl. 1 1000 per maand. De inkomens tussen Nafl. 1.001 en 4. 000 per maand kenden zowel in 2001 als 2011 weinig verhoudingsverschillen tussen man en vrouw. De verschillen die er in 2001 tussen de inkomens van mannen en vrouwen in de groepen tussen de Nafl. 4 000 en 7.500 per maand waren, zijn in 2011 veel kleiner geworden. Het aandeel mannen en vrouwen in hoogste inkomensgroep is gestegen: 7 procent van de ma nnen en 2 procent van de vrouwen vielen in deze inkomstengroep in 2001. Bij de mannen was dit in 2011 11 procent, bij de vrouwen 5 procent.

PAGE 87

86 Figuur 42 Procentuele verdeling bruto maandinkomen werkende bevolking tussen 15 60 jaar 2001 Figuur 43 Procentuele verdeling bruto maandinkomen werkende bevolking tussen 15 60 jaar 2011 Bruto uurloon werkenden De inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen zijn in de loop der jaren afgenomen, maar anno 2011 zijn de verschillen toch nog aanzienlijk.

PAGE 88

87 Onderstaande tabel 5 geeft het bruto uurloon van werkende naar geslacht en leeftijd weer, de bedragen zijn gecorrigeerd voor de lengte van de werkweek. In deze tabel is alleen gekeken naar de inkomstenbron werk, di t voorkomt dat andere inkomstenbronnen worden meegenomen in de cijfers. Gemiddeld is de loonkloof 21 procent. Bij de jongeren (15 24 jaar) en de 45 64 jarigen is de kloof hoger dan gemiddeld. In die leeftijdsgroepen verdienen vrouwen gemiddeld circa dee l minder dan mannen. Opgemerkt dient te worden dat de 65+ ers die werk als belangrijkste inkomstenbron hebben een gering aantal is. Tabel 5 Bruto uurloon werkenden naar leeftijd 2011 45 Bruto uurloon kloof naar beroepsgroep In hoofdstuk 8 is te lezen dat in sommige beroepsgroepen duidelijk meer mannen dan vrouwen werken (of andersom). In alle beroepsgroepen is het bruto uurloon 46 van mannen hoger dan het bruto uurloon van vrouwen (figuur 44) waarbij mannen in de meerder of minderheid zijn. roepsgroep bruto per uur 17 procent minder dan de mannen. De man vrouw verhouding in deze beroepsgroep ligt op 60 40. Het kleinste verschil waarbij het uurloon van de vrouw 2 procent lager ligt dan dat van de waar 84 procent van de werknemers man is. 45 Inkomens en inkomensverdelingen Cura publicatie 2011 46 Inkomen en inkomensverdelingen in Curaao, CBS publicatie 2011

PAGE 89

88 w aar de meeste vrouwen werkzaam zijn, verdient een vrouw 7 procent minder per uur dan de man. De beroepen bij de krijgsmac ht, waar de verhouding mannen ten opzichte van het aantal vrouwen het hoogst is, is vanwege het geringe aantal werkenden niet meegenomen, ambachtslieden waren in 2011 te weinig vrouwen werkzaam om tot een juist bruto uurloon te komen, deze is dan ook niet opgenomen. Figuur 44 nkomens en inkomensverdelingen Curaao CBS 2011 Binnen de beroepsgroepen va llen zeer veel diverse beroepen en evenzoveel bruto uurlonen 47 waarbij het uurloon van de man en vrouw bijna hetzelfde zijn, respectievelijk Nafl. 20,30 versus Nafl. 20,10 per uur. Maa r ook een kinderverzorger, met een bruto uurloon van N a fl.10,70 en een kinderverzorgster met een bruto uurloon van N a fl. 12,40. Om tot een goede vergelijking van bruto uurlonen te komen, is er een verfijning gemaakt 48 onder meer door alleen beroepen te nemen waar voldoende mannen en vrouwen in voorkomen, zonder dat de representativiteit in gevaar is gekomen. Tevens heeft er een correctie voor leeftijd plaats gevonden. 47 Zie inkomen en inkomensverdelingen in Curacao, CBS publicatie 48 Zie naast tabel 6 ook tabel 13 in de bijlage

PAGE 90

89 Opgemerkt moet worden dat de verfijning geen rekening heeft kunnen houden met alle deta ils en functie eisen die bij een bepaald beroep horen. Ook de verschillende niveaus binnen een functie blijven bestaan. Verder is er geen rekening gehouden met herintreders, parttimers of personen die op latere leeftijd begonnen zijn met werken. Bovendien zijn alle cijfers uit de Census van 2011 gehaald, dit betekent dat respondenten zelf antwoord hebben gegeven en deze data niet zijn getoetst. In bijna alle beroepen verdient een man bruto per uur meer dan een vrouw in hetzelfde beroep. Gemiddelden binnen b juist groot zijn. Dit is het geval wanneer de vrouw in bepaalde beroepen binnen de beroepsgroep meer verdient dan de man. Tabel 6 Gemiddeld bru to uurloon naar beroep(sgroep) 2011 49 49 bron Inkomen en inkomensverdelingen Curaao CBS 2011

PAGE 91

90 Inkomen werk zoekenden In 2001 waren 3 890 mannen en 5 083 vrouwen werkzoekend. Een verhouding van 43 57. Zowel bij de vrouwen als bij de mannen was er een daling te zien : in 2011 waren 2 666 mannen en 4 457 vrouwen werkloos. Hierdoor is er een schevere verhouding ontstaan van 37 63. In figuur 45 is te zien dat z owel voor 2001 als 2011 t het merendeel van de werkzoekenden geen inkomen heeft waarbij mannen vaker dan vrouwen geen inkomen hebben. Het aandeel werkzoekend en zonder inkomen is tussen 2001 en 2011 gestegen. Bij de mannen steeg het aandeel werkzoekenden zonder inkomen met 5 procentpunten, van 64 procent in 2001 naar 69 procent in 2011, bij de vrouwen was dit 6 procentpunten, van 53 procent naar 59 procent. Zow el in 2001 als in 2011 hebben werkloze vrouwen vaker een uitkering dan werkloze mannen, in 2001 was het aandeel vrouwen met een uitkering met 28 procent het dubbele van het aandeel mannen met een uitkering. Het aandeel werkzoekenden met een uitkering is in 2011 flink gedaald. Bij de vrouwen tot 18 procent, bij de mannen tot 8 procent.

PAGE 92

91 Zowel in 2001 als in 2011 hebben mannen vaker dan vrouwen losse jobs dit aandeel van 3 procent in 2001 is in 2011 verdubbeld tot 6 procent, ook bij de vrouwen was er een ve rdubbeling, van 1 naar 2 procent. Ook in de categorie ander is het aandeel mannen hoger dan vrouwen. Onder familie vallen. Vrouwen ontvangen vaker dan mannen alimentatie. Figuur 45 Belangrijkste inkomstenbron werkzoekenden vanaf 15 jaar 2001 2011 zie bijlage tabel 14 Mannen hebben iets vaker een losse job of hebben op een andere manier een inkomen, dit kan de reden zijn dat het aandeel mannen dat een inkomen heeft boven de Nafl. 1.000 per maand, hoger is dan het aandeel vrouwen. In 2001 was dit bij de mannen 10 procent en bij de vrouwen 6 procent, deze aan delen stegen in 2011 tot 11 procent van de mannen en 8 procent van de vrouwen. Inkomens van de niet actieven 15.407 mannen en 26.094 vrouwen gaven in 2001 te kennen niet actief te zijn. Een man vrouw verhouding van 37 63. In 2011 waren 19 409 mannen en 29 582 vrouwen niet actief op de arbeidsmarkt. Een verhouding van 40 60. In figuur 4 6 valt op dat in 2011 bij zowel mannen als vrouwen de inkomstenbronnen geen en uitkering procentueel bijna gelijk op gaan en dat beide categorien tussen 2001 en 2011 zijn gedaald. 1/3 van de niet actieven had in 2011 geen inkomsten. De daling ten opzichte van 2001 is bij de vrouwen 9 procentpunten en bij de mannen 6 procentpunten.

PAGE 93

92 De daling bij inkomstenbron uitkering was bij de vrouwen 4 procent: van 10 procent in 2001 naar 6 procent in 2011. Bij de mannen was de daling 2 procent en daarmee komt het aandeel mannen met een uitkering in 2011 op 5 procent te liggen. Bij de niet actieven speel t leeftijd een belangrijke rol bij de vorm van inkomsten, de toename van het aantal personen boven de 60, met name de vrouwen (zie hoofdstuk demografie paragraaf vergrijzing), is dan ook terug te zien bij inkomstenbron pensioen en AOV Tussen 2001 en 2011 is het aandeel pensioen toegenomen, bij de mannen met 4 procent punt bij de vrouwen met 5 procent punt Het aandeel mensen dat inkomen heeft uit AOV is nagenoeg met dezelfde percentages gestegen. Voor de helft van de niet actieven, zowel man als vro uw is AOV of pensioen in 2011 de belangrijkste inkomstenbron. Figuur 46 Belangrijkste inkomstenbron niet actieven tuss e n 15 en 60 jaar 2001 201 zie bijlage tabel 15 Het aandeel niet actieve personen dat moet rondkomen van een inkomen van Nafl. 1.000 of minder per maand is tussen 2001 en 2011 gestegen. In 2001 moest 60 procent van de niet actieve mannen en 70 procent van de niet actieve vrouwen hiervan rondkomen Deze aandelen zijn in 2011 toegenomen, bijna 2/3 deel van de mannen, 65 procent en ongeveer 4/5 deel van de vrouwen, (met afronding) 79 procent had in 2011 een inkomen van onder de Nafl. 1.000 per maand.

PAGE 94

93 Het aandeel mannen en vrouwen dat een inkomen van boven de Nafl. 4 000 per maand heeft is ongeveer gelijk ge bleven. Met 10 procent bij de mannen was dit in 2011 het dubbele van het aandeel bij de vrouwen, 5 procent. Het aandeel vrouwen is tussen 2001 en 2011 met 1 procentpunt gestegen Maandi nkomen werkenden, werkzoekenden en niet actieven 2011 Onderstaande figu ur 47 ontleent aan publicatie Inkomens en inkomens in Curaao geeft de inkomensverschillen in het totale bruto maandinkomen en mediane inkomen tussen mannen en vrouwen weer. Het gemiddelde bruto maandinkomen van zowel de werkende, werkloze en niet actieve man is hoger dan bij de vrouwen. De kloof tussen het gemiddelde inkomen is bij de niet actieven relatief gezien het grootst: het gemiddelde bruto inkomen per maand is bij de vrouw 36 procent minder dan dat van de man. Bij de werkenden is deze kloof 27 procent. Het grootste verschil in mediaan inkomen is te vinden bij de werklozen. Dit is bij de werkloze vrouw 46 procent lager dan dat van de man. Figuur 47 Gemiddeld en mediaan bruto maandinkomen werkend, werkzoekend, niet actief 2011

PAGE 95

94 Hoewel de maandinkomens van mannen en vrouwen dichter bij elkaar zijn komen te liggen, is er nog wel degelijk een (groot) verschil tussen de bruto maandinkomens van ma nnen en vrouwen bij verschillende leeftijdsgroepen. Dit is in figuur 48 te zien. Het bruto maandinkomen voor vrouwen ligt bij iedere leeftijdsgroep lager dan bij mannen. Dit is bij alle leeftijden het geval en loopt op naarmate de leeftijd hoger komt te l iggen. Bij de 15 24 jarigen is het gemiddelde bruto maandinkomen van de vrouw 83 procent van bruto maandinkomen van de man. De zogenaamde loonkloof is 17 procent. Bij de 65 plusser is het uurloon van de vrouw 58 procent van dat van de man, een loonkloof v an 42 procent. De loonkloof wordt dus groter naarmate de leeftijd vordert Bij de 65 plussers zou men in plaats van de loonkloof beter over pensioenkloof kunnen spreken. In 2011 waren voor de gepensioneerden de verschillen toen zij op de arbeidsmarkt act ief waren veel groter dan voor de huidige generatie : l agere lonen, kortere pensioenopbouwperiode resulteren in lagere pensioenbedragen. Voor al voor de vrouwen geldt dat deeltijdwerken en loopbaanonderbreking ook na de pensioen gerechtigde leeftijd blijft meetellen. Figuur 48 Gemiddeld bruto maandinkomen naar leeftijd bevolking vanaf 15 jaar 2011

PAGE 96

95 Hoofdstuk 10 Enkele kenmerken van huishoudens In dit hoofdstuk worden enkele kenmerken van (leden) van huishoudens beschreven. Een uitgebreide analyse over huishoudens op Curao en in de voormalig Nederlandse Antillen is te vinden in de CBS publicaties Huishoudens in de Nederlandse Antillen van 2001 en Huishoudens op Curao uit 2011 50 Maduro 2001, 2011). Priv huishoudens versus collectieve huishoudens. Iedereen is lid van een huishouden: Een huishouden is een eenheid binnen een woonverblijf 51 bestaande uit n persoon die op zichzelf woont (een soonshuishouden) of uit meerdere personen die bij elkaar wonen. In de cen sus wordt er een onderscheid gemaakt tussen priv (ook wel particulier genoemd) huishoudens en collectieve huishoudens. Type woonverblijven priv huishoudens zijn: Een huis Aparte kamer(s) in een huis Appartement op een terrein bij huis Appartement in appa rtementencomplex Een deel van meerdere huizen Het merendeel van de mensen was in zowel 2001 als 2011 lid van een priv huishouden. In 2001 was dit bij de mannen 97 procent en bij de vrouwen 98 procent. Zij vormden samen 43.109 priv huishoudens. Van deze priv huishoudens had 60 procent een mannelijk hoofd en 40 procent een vrouwelijk hoofd. In 2011 woonde 98 procent van de mannen en 99 procent van de vrouwen in een priv huishouden. Het aantal priv huishoudens was 54.936. Waarvan 56 procent met een man a an het hoofd en 44 procent met een vrouwelijk hoofd. Type woonverblijven van collectieve huishoudens: Verpleeg verzorgingstehuis Bejaardentehuis Gevangenis 50 In 2001 zijn ook de andere eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen opgenomen 51 Hier wordt in hoofdstuk 11 verder op ingegaan

PAGE 97

96 Studentenhuis Pension hotel Jeugdinstelling/internaat Twee procent van de mannen, 1.251 en n proc ent van de vrouwen, 838, woonden in 2001 in een collectief huishouden. In 2011 was dit bij de mannen 2 procent, 1.694 en bij de vrouwen 1 procent, 1.007. In 2001 gaven 282 mannen en 264 vrouwen aan een ander soort woonverblijf te hebben dan bovenstaand. Te denken valt aan psychiatrische inrichting, klooster, vrouwen opvanghuis, woonboot. 103 mannen en 7 vrouwen gaven aan geen woon of verblijfplaats te hebben. Bevolkingsomvang en priv huishouden Curaao kent tussen 2001 en 2011 een bevolkingsgroei n een groei van het aantal huishoudens, dit verloopt echter niet evenredig. (figuur 49) De grootste groei is te zien in het aantal vrouwelijke eenpersoonshuishoudens. Tussen 2001 en 2011 groeide de bevolking wat betreft mannen en vrouwen wonend in een priv huishouden met respectievelijk 14 en 17 procent. Huishoudens met een man aan het hoofd ken nen in vergelijking met 2001, een stijging van 18 procent, met een vrouw aan het hoofd met 41 procent. Het percentage mannelijkn persoonshuishoudens groeide met 51 procent, bij huishouden met een vrouwelijk hoofd is dit 61 procent.

PAGE 98

97 Figuur 49 Index bevolkingsomvang en aantal priv huishouden 20 01 2011 Gezinsgrootte hoofd van het huishouden De omvang van huishouden is tussen beide censusjaren gedaald. Er is een toename van het aantal huishoudens metf twee personen (figuur 50) Ieder huishouden kent hoofd, wie dit is mag onderling bepaal d worden en er zijn geen vaste criteria voor. Er zijn net zoveel hoofden als dat er huishoudens zijn. In beide censusjaren zijn er meer mannelijke dan vrouwelijke hoofden. Het aandeel vrouwelijke hoofden is tussen 2001 en 2011 gestegen van 40 naar 44 proce nt. Deze stijging is alleen te zien bij de eenpersoonshuishoudens en tweepersoonshuishoudens Mannelijke hoofden zijn duidelijk in de meerderheid bij de huishoudens van vier of meer personen, deze huishoudens kennen tussen 2001 en 2011 een afname. Het aandeel privishoudens met drie personen is met ongeveer 1/5 deel voor beide censusjaren gelijk gebleven, dit geldt ook voor de hoofden.

PAGE 99

98 Figuur 50 G rootte van pr huishouden naar hoofd 2001 2011 De toename van het aant al eenpersoonshuishoudens zou toe te schrijven kunnen zijn aan de groei van de gemiddelde levensduur maar ook door wijziging in de levensloop van jongeren (na het verlaten van het ouderlijk wordt er niet meer direct een gezin gevormd). B ij de oudere alleenstaande of alleenstaande ouder kan ook toename van het aantal scheidingen een rol spelen (zie ook paragraaf burgerlijke staat 52 Maar ook immigratie van en naar het eiland door bepaalde gezinsleden 53 kan een reden zijn. De toename van het aantal huishoudens met een vrouwelijk hoofd kan gevolgen hebben voor de gezinsstructuur en grootte, evenals voor vruchtbaarheidspatronen, armoedetrends en de economische status van vrouwen en hun gezinnen. Maar het kan ook verschillende veranderingen in d e bevolking weerspiegelen. Naarmate meer vrouwen de arbeidsmarkt betreden, hoger onderwijs volgen en professionals worden, hebben ze de neiging minder kinderen te krijgen. Bovendien kom en deze op latere leeftijd. Ze kunnen ook besluiten om een kind alleen op te voeden omdat ze mogelijk geen geschikte mannelijke partner vinden en omdat ze het kunnen betalen. 54 Sekse ratio hoofd privhuishouden Zoals in hoofdstuk demografie en gender valt te lezen i s de sekse ra tio voor de gehele bevolking in 2001: 0, 86. Dit betekent dat er per 86 mannen 100 vrouwen zijn. In 2011 lag dit op 0, 84. 52 Sociaal Cultureel Planbureau 53 Bijvoorbeeld kinderen die in h et buitenland gaan studeren/werken. 54 Bron: Gender en Devol pment issues, regional special topic Monograph (draft).

PAGE 100

99 Voor hoofden van (privuishoudens ligt dat anders zoals in figuur 51 te zien is Van alle hoofden van huishoudens ligt de sekse ratio voor 2001 op 1 53. In 2011 lag deze op 1 28 Bij alleenstaanden, met of zonder kinderen, staat het geslacht van het hoofd van het huishouden per definitie vast. Zodra er een mannelijke partner in het huishouden is, wordt deze veel vaker als hoofd aan gewezen. In 2011 neemt de dominantie van de man als hoofd huishouding iets af. In 2001 was de sekse ratio bij de getrouwden 9 25. In 2011 was dit afgenomen tot 7, 36. Bij de niet getrouwden wel samenwonenden met partner was de sekse ratio in 2001 2 86. In 2011 is dit gedaald tot 2 56 Figuur 51 Sekse ratio hoofd huishouden: alle, getrouwde, samenwonend niet getrouwde 2001 2011 Burgerlijke staat Aan alle respondenten boven de 16 jaar is gevraagd naar hun burgerlijke staat. In 2001 waren dit 43.709 mannen en 53.866 vrouwen. In 2011 is dit bij de mannen toegenomen tot 52.572 en bij de vrouwen tot 66.309. Met betrekking tot het huwelijk is er niet ge vraagd of men met een man of een vrouw getrouwd is. Het homohuwelijk had in 2011 geen wettelijke status op Curao. Kijkend naar de totale bevolking van boven de 16 jaar is te zien dat het aandeel gehuwde mannen en vrouwen ongeveer gelijk is, maar dat er een daling te zien is tussen 2001 en 2011 (zie figuur 52)

PAGE 101

100 Het grootste verschil is te vinden bij de nooit gehuwden. Het aandeel nooit getrouwde vrouwen, 24 procent, was in 2001 al hoger dan het aandeel nooit gehuwde mannen, 20 procent. Dit verschil is in 2011 toegenomen. Toen was 28 procent van de vrouwen (nog) nooit getrouwd, bij de mannen was dit 21 procent. Het aandeel mannen en vrouwen dat een partner heeft verloren of gescheiden is, is tussen beide censusjaren gelijk gebleven. Bij de vrouwen is dit aa ndeel beduidend hoger dan bij de mannen. Figuur 52 Burgerlijke staat populatie vanaf 16 jaar 2001 2011 Een respondent kon zowel in 2001 als in 2011 slechts n antwoord geven. Respondenten die gescheiden zijn en later weer getr ouwd vallen dus binnen de categorie getrouwd Dit geldt tevens ook voor hertrouwde weduwes/weduwnaars. Al dan niet samenwonend en In de census wordt specifiek gevraagd naar het al dan niet duurzaam samenwonen met een partner. Niet iedereen die getrouwd is, woont automatisch samen met zijn of haar partner. Ook mensen die gescheiden zijn, hoeven dit niet van tafel en bed te zijn. Een gescheiden persoon kan ervoor kiezen om niet met de nieuwe partner te trouwen, maar er wel een samenlevingsverband mee aan gaan. In figuur 53 is te zien dat het percentage vrouwen zonder partner het hoogste is. Dit is voor zowel 2001 als 2011 het geval. Niet verwonderlijk omdat bij de overige categorien de percentages vrijwel gelijk oplopen. Het vrouwenoverschot concentreert zich dus

PAGE 102

101 voornamelijk op de categorie geen partner Het aandeel vrouwen zonder partner was in 2001 24 procent, bij de mannen was dit 16 procent. In 2011 had 25 procent van de vrouwen geen partner. Dit ligt met 15 procent bij de mannen beduidend lager. Figuur 53 A l dan niet samenwonend en populatie vanaf 16 jaar

PAGE 103

102 Hoofdstuk 11 Kenmerken van het woonverblijf In dit hoofdstuk wordt er gekeken naar enkele kenmerken van de woningen op Curao. Deze word en bewoond doorof meerder personen d ie samen een huishouden vormen. Binnen dat huishouden is er sprake van n hoofd 55 Daarom wordt in dit hoofdstuk alleen een vergelijking gemaakt tussen de hoofden van het huishouden en niet per individu. In 2001 hebben 26.058 mannelijke hoofden en 17.048 vrouwelijke hoofden alle vragen met betrekking tot de woning beantwoord, in 2011 30. 852 mannelijke hoofden en 24.084 vrouwelijke hoofden. (neven) F unctie van de woonaccommodatie In beide censusjaren wordt de accommodatie waarin priv huishoudens leven, voornamelijk alleen als woning gebruikt. Mannelijke hoofden geven vaker dan vrouwen nog een functie aan de woning dit is te zien in figuur 54 In 2001 was dit 5 5 procent van de mannen en 3 0 procent van de vrouwen. Dit is in 2011 toegenomen tot 6 4 procent bij de mannen en 3 7 procent van de vrouwen. De meeste woningen, 564 in 2001 en 934 in 2011, werden ook als kantoor of nummerkantoor gebruikt. In 2001 en 2011 staat deze nevenfunctie bij de woningen van manne lijke hoofden op de eerste plaats. In 2011 was dit ook bij vrouwe lijke hoofden het geval. In 2001 wordt deze nevenfunctie net iets minder vaak genoemd dan winkel De tweede meest genoemde nevenfunctie bij de manne lijke hoofden is voor beide jaren werkplaats Bij de vrouwelijke hoofden is dat in 2011 een niet nader genoemde andere activite it. 55 Het hoofd van een huishouden is de persoon die binnen het huishouden als zodanig wordt aangemerkt. In een npersoonshuishouden is die ene persoon zelf hoofd. Het hoofd van huishouden is een referen tie persoon die wordt gebruikt om het huishouden te beschrijven. Een huishouden kan een man of een vrouw aan het hoofd hebben

PAGE 104

103 Figuur 54 Hoofd huishouden nevenfunctie van de woning 2001 2011 Oppervlakte woonverblijf In 2001 werd gevraagd hoe groot het woonverblijf binnen is. Exclusief het gedeelte wat gebruikt wordt voor commercile doeleinden en zonder porch (s) en of garage(s). In 2011 werd er gevraagd naar de oppervlakte van het woonverblijf. Een vergelijking is daarom niet mogelijk en wordt dan ook niet gemaakt. Voor b eide censusjaren geldt dat de meeste vrouwelijke hoofden kleiner wonen dan de mannelijke hoofden. Tabel 7 geeft het aantal vierkante meters in 2001 weer. Iets meer dan de helft (53%) van de mannelijke hoofden en iets meer dan een derde (68%) van de vrouweli jke hoofden woont in een woning waarvan de oppervlakte kleiner is dan 120 m 2 De gemiddelde woonoppervlakte in de woning was bij mannelijke hoofden 133 m 2 en bij de vrouwelijke hoofden 109 m 2

PAGE 105

104 Tabel 7 O ppervlakte binnenzijde woon verblijf hoofd huishouden 2001 In 2011 is het percentage vrouwelijke hoofden waarvan de oppervlakte van het woonverblijf kleiner is dan 149 m 2 bijna deel, namelijk 73 procent. Bij de mannen is dit 61 procent (tabel 8) De gemiddelde oppervlakte van het woonverblijf was bij de mannelijke hoofden 147 m 2 en bij de vrouwelijke hoofden 127 m 2 Tabel 8 O ppervlakte woonverblijf 2011 Aantal slaapkamers, badkamers en toiletten Tussen 2001 en 2011 neemt bij mannen en vrouwen het aantal slaapkamers, badkamers en toiletten in het woonverblijf toe (figuur 55)

PAGE 106

105 Zowel in 2001 als in 2011 heeft bijna de helft van hoofden van huishoudens drie slaapkamers. In 2011 waren er iets meer woningen met vier in plaats van drie slaapkamers. Bij de mannen was deze stijging 2 procentpunten, bij de vrouwen 1. Het aantal badkamers en toiletten is aan elkaar gerelateerd. Woningen met een mannelijk hoofd hebben meer badkamers en toiletten dan vrouwelijke hoofden. Ook hier neemt het aantal tussen 2001 en 2011 toe. De stijging is vooral waar te nemen van n naar twee. Figuur 55 A antal slaap badkamers en toiletten in woning Constructie dak en muren De constructie van het dak en van de muren zegt iets over de kwaliteit en onderhoudsgevoeligheid van de woning. Er is tussen 2001 en 2011 niet heel erg veel gewijzigd. Huishoudens met een vrouwelijk hoofd zijn tussen 2001 en 2011 in iets onderhoudsarmere woningen gaan wonen. De verschillen tussen dak en muur constructie van de woning van mannen en vrouwen wordt daardoor in 2011 minimaal (tabel 9)

PAGE 107

106 De meeste huishoudens, ongeveer 70 procent, hadden in 2001 een woning met een dak van eterniet golfplaten. Dit percentage is gestegen tot 71 procent bij huishoudens met een mannelijk hoofd en 73 procent bij de huishoudens met een vrouwelijk hoofd. Zinken golfplaten kennen dezelfde procentpunt daling. Het woonverblijf van de meeste woningen heeft muren van steen. Bij de huizen met een mannelijk hoofd was dit in 2001 90 procent, bij de huizen met een vrouwelijk hoofd 87 procent. Dit was in 2011 bij de mannen tot 92 procent en bij de vrouwen tot 90 procent gestegen. Het aantal huizen met muren van hout daalde in gelijke mate met de toename van het aantal huizen met mure n van steen. Tabel 9 Constructie dak en muren van het woonverblijf 2001 2011 Eigendomsrecht en huur Het grootste deel van de woningen is eigendom (figuur 56) Het percentage mannelijke hoofden dat een woning in eigendom 56 heeft is hoger dan bij de vrouwelijke hoofden. Vrouwelijke hoofden huren vaker. Deze verschillen zijn tussen beide censusjaren iets afgenomen. 56 Er is niet gevraagd of het hoofd van het huishouden ook juridisch de eigenaar is.

PAGE 108

107 In 2001 had 72 procent van de mannelijke hoofden en 62 procent van de vrouwelijke hoofden de woning in eigendom. De woning kan staan op eigen grond, op erfpachtgrond op huurgrond of grond op andere wijze. In 2011 daalde dit percentage bij de mannelijke hoofden tot 71 procent. Bij de vrouwelijke hoofden steeg het tot 63 procent. In 2001 huurden 24 procent van de man nelijke en 33 procent van de vrouwelijke hoofden de woning. In 2011 was dit bij de mannelijke hoofden gestegen tot 26 procent, bij de vrouwelijke hoofden tot 34 procent. Het verschil tussen het percentage mannelijke en vrouwelijke hoofden en het huren van een woning via een stichting is groot. Van de mannelijke hoofden huurde 6 procent in 2001 en 5 procent in 2011 van een stichting. Bij de vrouwelijke hoofden was dit 17 procent in 2001 en 14 procent in 2011. Het verschil in percentage mannelijke en vrouwe lijke hoofden dat huurt van een particuliere verhuurder, (on)gemeubileerd, is klein. Ten opzichte van 2001 steeg dit percentage bij de mannelijke hoofden van 18 procent naar 21 procent. Bij de vrouwelijke hoofden van 17 naar 20 procent. Het in bruikleen he bben van een huis is bij de vrouwelijke hoofden tussen 2001 en 2011 afgenomen van 3 naar 2 procent. Bij de mannelijke hoofden is dit in beide jaren 2 procent. Figuur 56 W o onverblijf eigendom of huur hoofd huishouden 2001 2011

PAGE 109

108 Elektrische apparaten en voorzieningen in en rond de woning Voorzieningen zijn aan (technologische) veranderingen onderhevig. Zo werd bijvoorbeeld in 2001 nog gevraagd of men een fax of een videorecorder in huis had, de vraag naar mobiel internetontvangst was toen nog niet aan de orde (figuur 57). Het bezit van elektronische apparaten is tussen 2001 en 2011 toegenomen. Er is een duidelijke trend te zien: het percentage mannelijke hoofden dat aangeeft een elektrisch apparaat te bezitten is hoger dan bij de vrouwelijke hoofden. Dit is in 2001 en in 2011 bij bijna alle apparaten zo. In het Engels is daar een mooie uitdrukking voor: Toys for the boys Mannelijke hoofden schaffen, eerder dan vrouwelijke hoofden, een nieuw/verbeterd elektronisch apparaat aan De vrouwelijke hoofden maken tussen 2001 en 2011 voor het in bezit hebben van (in 2001 bestaande) apparaten een inhaalslag op de mannelijke hoofden. Sommige apparaten zoals ijskast/koelkast en televisie/flatscreen en wasmachine komen in 2011 in meer dan 90 procent van alle huishoudens voor. Het percentage huishoudens met een televisie is iets gedaald. Hierin is vrijwel geen verschil tussen huishoudens met man als hoofd of die met een vrouwelijk hoofd.

PAGE 110

109 Figuur 57 Elektrische apparaten in en rond de woning hoofd huishouden 2001 2011 (figuur 58) In 2001 ha d 45 procent van de mannelijke hoofden en 28 procent van de vrouwelijke hoofden en 47 procent van de vrouwelijke hoofden. Ook hier zien we een inhaalslag bij de vrouweli jke hoofden.

PAGE 111

110 Figuur 58 A woonverblijf hoofd huishouden 2001 2011 hoofden beduidend hoger dan bij de vrouwelijke hoofden. Dit verschil neemt tussen beide censusjaren iets af figuur 59) In 2001 had 21 procent van de huishoudens van mannelijke hoofden geen auto, bij de vrouwelijke hoofden was dit bijna de helft: 48 procent. In 2011 daalde dit bij de mannelijke hoof den tot 19 procent, bij de vrouwelijke hoofden tot 39 procent. Het percentage mannelijke hoofden dat n auto bezit blijft in beide censusjaren ongeveer gelijk ( + 45 %). Bij de vrouwelijke hoofden neemt het bezit van n auto toe van 43 procent in 2001 tot 47 procent in 2011. Huishoudens met een mannelijk hoofd hebben vaker dan huishoudens met een vrouwelijk de huishoudens met een vrouwelijk hoofd is dit respectievelijk 9 en 13 procent. Ook hebben huishoudens met een mannelijk hoofd vaker dan huishoudens met een vrouwelijk hoofd een bedrijfsauto. Het percentage mannelijke hoofden met een auto van de is tussen 2001 en 2011 van 7 naar 9 procent toegenomen, bij de vrouwelijke hoofden is dit met 2 procent gelijk gebleven

PAGE 112

111 In 2011 bezitten 831 mannelijke hoofden (2 %) en 239 vrouwen (1%)f meerdere motorfietsen. In 2001 is deze vraag niet gesteld. Figuur 59 Priv 2011

PAGE 113

112 Conclusie Er zijn, op basis van de census van 2001 en 2011, op Curao verschillen waar te nemen tussen de sociaal economische en financile situatie van mannen en vrouwen Deze verschillen zijn nog op allerlei gebieden aanwezig, maar nemen af. Tussen 2001 en 2011 is te zien dat vrouwen met een inhaalslag bezig zijn. Op het gebied van onderwijs is de inhaalslag dusdanig dat de mannen op een achterstand zijn geraakt. In het kort de belangrijkste verschillen: Het aantal vrouwen overtreft het aantal mannen ruim. Vrouwen leven langer en zijn ook relatief vaker dan mannen alleenstaand. Het aantal werkende vrouwen is meer toegenomen dan het aantal werkende mannen, de verschillen in percentages tussen werkende mannen en vrouwen wordt kleiner. Ook de percentages niet actieve mannen en vrouwen tussen de 15 en 60 jaar nemen af en komen dichter bij elkaar. Anno 2011 is er nog steeds een verschil tussen de inkomsten van vrouwen en mann en, onder meer doordat het bruto uurloon in veel bedrijfstakken nog niet gelijk is. Ook wel loonkloof genoemd. Een logisch gevolg is op latere leeftijd de waargenomen pensioenkloof tussen manen en vrouwen. Er bestaan gender stereotiepe beroepen Nog steeds kiezen veel jongens en meisjes vanaf ongeveer 15 jaar voor studierichtingen van traditionele mannen of vrouwenberoepen Binnen het onderwijs zijn de vrouwen in de meerderheid, ze gaan langer naar school en hebben vaker een diploma van het h oger onderwijs. Vrouwen hebben, over het algemeen, meer last van langdurige aandoeningen dan mannen. Voor beide seksen zijn de percentages bij alle genoemde aandoeningen gestegen. Vrouwen zijn, vaker dan mannen, gelovig. Relatief sterk groeiende geloofsg emeenschappen zoals adventisten en Pinkstergemeente trekken meer vrouwen dan mannen aan. Vrouwen zijn minder vaak hoofd van het huishouden, ook hier wordt het verschil met mannen tussen 2001 en 2011 kleiner. Vrouwelijke hoofden hebben minder vaak dan manne lijke hoofden een woning in eigendom. Vrouwen hebben, minder vaak dan mannen (de nieuwste) elektronische apparaten, ook wat betreft deze Toys for the boys zijn vrouwen met een inhaalslag bezig.

PAGE 114

113 Aanbevelingen Om een genuanceerd beeld van de verschillen t e krijgen is het raadzaam om objectieve cijfers van buitenaf te bestuderen: onder meer cijfers van werkgevers over aantallen, contracten, salarissen. Cijfers van artsen over gezondheid. Cijfers van scholen over aantallen en studierichtingen. Cijfers van buurtgemeenschappen eventueel kerken Daarna kan er gekeken worden in hoeverre bepaalde factoren met elkaar samenhangen. Tevens kunnen de resultaten dan vergeleken worden met de landen in de regio Overige aanbevelingen/ter overweging: R eligie Een onderzoek naar de diversiteit van samenlevingsvormen (gehuwd, samenwonend partnerschap, alleenstaand hoofd van huishouden) en gezinsvormen (kerngezin, meervoudig samengesteld gezin) gerelateerd aan religieuze participatie en of participatie in andere maat schappelijke organisaties zou interessant zijn. Ook zal uit verder onderzoek moeten blijken in hoeverre religieuze betrokkenheid bijdraagt tot gendergelijkheid en zelfredzaamheid van vrouwen, aangezien religieuze voorschriften vaak juist de rolverschillen voor mannen en vrouwen benadrukken Onderwijs Er is een groot verschil in het percentage mannen(4%) en vrouwen(8%) die een opleiding op HBO of WO niveau volgen op Curao. Het is interessant om te kijken hoeveel procent van de jonge mannen e n vrouwen met een middelbaar diploma in het buitenland gaan Curaaonaars die in het buitenland gaan studeren, zouden een completer beeld kunnen geven van de daadwerkel ijke situatie Onderwijs/economische (in) activiteit Hoewel er steeds meer vrouwen hoger onderwijs volgen, lijkt het of in de praktijk meer mannen leidinggevende posities hebben. Wellicht kan verder onderzoek uitwijzen of dit daadwerkelijk het geval is en, indien juist, welke redenen daar aan ten grondslag liggen

PAGE 115

114 Economische (in)activiteit Tevens is verder onderzoek naar de belemmeringen voor intrede van vrouwen op de arbeidsmarkt (zoals huishouden en familieomstandigheden gewenst. Dit zal moeten uitwijzen of deze redenen factoren zijn wat tot armoede leid en en zo ja welke maatregelen kunnen worden getroffen als oplossing voor deze situatie.

PAGE 116

115 Literatuurlijst Abraham van der Mark, Eva. Yu'i Mama. Enkele facetten van gezinsstructuur op Cura .1969 Abraham van der Mark, E. 1, The impact of industrialization on women a Caribbean c ase. Amsterdam: UvA.1980 Baritteau, E. Theorizing Gender Systems and the Project of Modernity in the Twentieth Century Caribbean In: Feminst Review, Number 59 1998 Barriteau ,E. Political Economy of Gender in 20th Century Caribbean 1998, pag.26 Chant, S., & Craske, N. Gender in Latin America New Brun swick, New Jersey: Rutgers University Press. 2003 Cerulo, K. A. Identity construction: New issues, new directions Annual review of Sociology,23 1997 Corbes Waagmeester, Genderrollen Curacao Bachelor project Theses Utrecht 2015 Crott, A. (2011). Van hoop : Het beeld van de jongen in de opvoedingsliteratuur (1882 2005). Nijmegen: S.N. Cuales, S. (1980). Women, Reproduction and foreign capital in Curaao In: Caraibisch Forum, 1, nr.2. Ellis, P. (Ed.) (1986). Wo men of the Caribbean London: Zed Books European Institute for Gender Equality EIGE Effectiveness of Institutional Mechanisms for the Advancement of Gender Equality: Review of the Implementation of the Beijing Platform for Action in the EU Member States (2014). Hesse Biber, S. & Carger, G. L. (2000). Working women in America: Split dreams. New York: Oxford University Press. Kibbelaar Paula, B arsten in het glazen plafond : opgeleide vrouwen op de Cura aose arbeidsmarkt, mogelijkheden, barri res en strategi n 2005 Kohlmann C & Notes S. Meer over mainstreaming Den H aag E quality 2002 Kottak, C.P. Cultural Anthropology Appreciating Cultural Diversity New York: McGraw Hill.2010 Marks, A. Man, vrouw en huishoudgroep : de Afro Amerikaanse familie in de

PAGE 117

116 samenleving van Curao. Rijksuniversiteit Leiden 1973 Nagel, J 2003. Race, Ethnicity and Sexuality: Intimate Intersections, Forbidden Frontiers Oxford University Press Ramdas, A De strijd van de dansers: Biografi sche vertellingen uit Cura. Amsterda m: Uitgeverij SUA.1988 mer, R. A. Een volk op weg/ U n pueblo na kaminda: Een sociologische historische studie van de Curase samenleving Zutphen. De Walburg Pers.1979 Rose, S. What is gender history? Cambridge: Polity Press 2010 Roshchynskaya Belorussian, D efining the category of gender a literature review A.S. State University ,2010 Safa, H. ( ). Economic Autonomy and Sexual Equality in Caribbean Society. In. Social and Economic Studies, 38 (3) Special Number. Women in the Caribbean (Part II), J Massiah (Ed.).Institute of Social & Economic Research, University of the West Indies. 1986 Smith, Raymond. The matrifocal family: power, pluralism, and politics. New York; London: Routledge1996 Sanabria, H. The Anthropology of Latin America and the Caribbean Boston: Pearson.2006 Steenbeek, G. Macht en mystificatie in manvrouwrelaties. Het machismo marianismocomplex in Mexico. Antropologische Verkenningen 5. 1986 Steenbeek, G. Vrouwen op de drempel: gender en moraliteit in een Mexicaanse provincies tad. Amsterdam: Thela Publishers.1995 Stoeldraerij, Lenny et al, Projecties van de gezonde levensverwachting tot 2030 2013 Swaab et all : Sexual orientation and its basis in brain structure and function 2008 Vroom, M. (2000). en Hosselen: Over leven en werken van vrouwen uit Suriname, Nederlandse Antillen en Indonesi Utrecht:De Volharding. Wekker, Gloria, D oing gender lecture 2016 Wekker, G. Gender, identiteitsvorming en multiculturalisme; notities over de Nederlandse multicu lturele samenleving. In Multiculturalisme. 1998.

PAGE 118

117 Publicaties CBS Curaao ter Bals, M Demography of Curacao Publicatiereeks CBS 2011 Maduro Jeandor E. Huishoudens in Cura Publicatiereeks CBS 2011. Maduro Jeandor E. Huishoudens in de Nederlandse Antillen Publicatiereeks CBS 2001. Vierbergen, F. Inkomen en inkomensverdelingen Cura CBS publicatie 2011 Vierbergen F. De economische status van de bevolking van Cura CBS publicatiereeks 2011 Wever N De sociale relaties van de bevolking van C ura Resultaten Sociale Cohesie Onderzoek 2015 Websites http://www.cbs.cw/website/statistics by subject_3406/ http://www.searo.who.int/entity/health_situation_trends/data/chi/sex ratio/en/ http://wibnet.nl/ https://issuu.com/kbbcuracao/docs/kbbdigiboekje https://www.nuffic.nl/publicaties/vind een publicatie/onderwijssysteem curacao st maarten en bes eilanden.pdf https://data.oecd.org/earnwage/gender wage gap.htm

PAGE 119

118 Bijlagen Tabel 10 Bijlage hoofdstuk gezondheid Langdurig e aandoeningen 2001 2011 Tabel 11 Bijlage hoofdstuk economische inactiviteit: werkend, werkzoekend, niet actief 15 60 jaar 2001 2011 Tabel 12 Bijlage hoofdstuk economische (in)activiteit Bedrijfstakken werkzame personen 2011

PAGE 120

119

PAGE 121

120

PAGE 122

121 Tabel 13 Bijlage Inkomen. Gemiddelde bruto uurlonen naar beroep

PAGE 123

122 Tabel 14 Bijlage hoofdstuk Inkomen: Verdeling bruto maandinkomens werkzoekenden vanaf 15 haar 2001 2011 Tabel 15 Bijlage hoofdstuk inkomen. Verdeling bruto maandinkomens niet actieven vanaf 15 jaar 2001 2011

PAGE 124

123 https://genderstats.un.org/files/Minimum%20Set%20indicators%20web.pdf

PAGE 125

124

PAGE 126

125 Tabel 16